|
BESLUIT van 27 april 1998 tot het
voor de toepassing van de Algemene bijstandswet,
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen gelijkstellen van vreemdelingen met Nederlanders (Besluit
gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz)¹
1. Redactie:
Ingevolge artikel 5.6, onderdeel B,
van het Besluit maatschappelijke
ondersteuning is het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Wwb, Ioaw,
Ioaz, Wvg en Wwik voorzien van een nieuwe citeertitel, luidende: Besluit gelijkstelling vreemdelingen
Wwb, Ioaw, Ioaz en Wwik. Vervolgens is ingevolge artikel I, onderdeel C,
van het Besluit 1 juli 2009, Stb. 2009, 284, het Besluit gelijkstelling vreemdelingen
Wwb, Ioaw, Ioaz, Wvg en Wwik voorzien van een nieuwe citeertitel, luidende: Besluit gelijkstelling vreemdelingen
Wwb, WIJ, Ioaw, Ioaz en Wwik. Vervolgens
is ingevolge artikel IV, onderdeel C, van het Besluit 22 december 2011, Stb.
2011, 646, het Besluit gelijkstelling
vreemdelingen Wwb, WIJ, Ioaw, Ioaz en Wwik
voorzien van een nieuwe citeertitel, luidende: Besluit gelijkstelling
vreemdelingen Wwb, WIJ, Ioaw en Ioaz. Vervolgens is ingevolge artikel II,
onderdeel C, van het Besluit 22 december 2011, Stb. 2011, 652,
het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Wwb, WIJ, Ioaw en Ioaz voorzien
van een nieuwe citeertitel, luidende: Besluit gelijkstelling
vreemdelingen Wwb, Ioaw en Ioaz.
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van
Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 mei 1997, Directie Wetgeving,
Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden, nr. WBJA/W1/97/0567;
Gelet op de artikelen 7, derde lid,
van de Algemene bijstandswet, 6, derde lid, van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
en 6, vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
De Raad van State gehoord (advies van
17 juni 1997, nr. W12.97.0307);
Gezien het nader rapport van Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 april 1998,
Directie Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden, nr. WBJA/W1/98/0477;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. 1. [Voorwaarden
gelijkstelling met Nederlander]
-1. Voor de toepassing van de
Wet werk en bijstand, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
wordt met een Nederlander
gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te
hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e,
of l, van
de Vreemdelingenwet
2000:
a. vóór de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft
ingediend om voortgezette toelating; of
b. binnen de termijn, genoemd in
artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet
2000, of, buiten die termijn,
ingeval
artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft
gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen
intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onderdeel a
tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet
2000.
-2. De gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, eindigt zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is
beslist; of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die
uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet
2000 of op grond van een
rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.
Art. 1a. [Wijziging
wettelijke grondslag]
Dit besluit berust mede
op artikel 11, derde lid, van de Wet werk en bijstand.
Art. 2. [Inwerkingtreding]
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Art. 3. [Citeertitel]
Dit besluit wordt
aangehaald als: Besluit gelijkstelling vreemdelingen Wwb, Ioaw en Ioaz.
Lasten en bevelen dat dit besluit met
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 27 april 1998
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
Uitgegeven de vierde juni 1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA
VAN TOELICHTING
[27 april 1998]
Algemeen
Met ingang van 1 juli 1998 zal de
Wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de
aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen,
uitkeringen, ontheffingen en
vergunningen te koppelen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in
Nederland (Kamerstukken 24 233) in werking treden. In deze wet wordt
uitwerking gegeven aan het uitgangspunt dat vreemdelingen die
hier illegaal verblijven geen rechten mogen opbouwen en geen toegang
behoren te hebben tot de collectieve sociale voorzieningen.
Ingevolge de bij voornoemde wet
gewijzigde artikelen 7, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (Abw),
6,
eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en 6, derde lid, van
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) zijn de bijstands-, onderscheidenlijk
Ioaw/z-uitkeringsaanspraken van vreemdelingen beperkt tot
vreemdelingen die hier rechtmatig verblijf houden in de zin van artikel 1b, aanhef
en onder 1, van de Vreemdelingenwet, dat wil zeggen vreemdelingen die over een vergunning tot verblijf
beschikken, hen verleend op grond van
artikel 9 of artikel 10 van de Vreemdelingenwet, daaronder begrepen
vreemdelingen die aanspraken op toelating kunnen ontlenen aan het
EG-recht. Het onderhavige besluit, gebaseerd op de artikelen 7, derde
lid, van de Abw, 6, derde lid, van de Ioaw en
6, vijfde lid, van de
Ioaz,
breidt deze groep uit met vreemdelingen die, na rechtmatig in Nederland
verblijf te hebben gehouden op grond van artikel 9 of 10 Vreemdelingenwet of
het EG-recht, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf hebben
aangevraagd, dan wel bezwaar hebben gemaakt of beroep hebben ingesteld
tegen een besluit tot intrekking van die toelating, totdat op die aanvraag,
dat bezwaar of dat beroep is beslist. Met dit besluit wordt mede uitvoering
gegeven aan de verplichtingen welke voor Nederland voortvloeien uit
het op 28 juli 1951 te Genève gesloten verdrag betreffende de status
van vluchtelingen (Trb. 1951, 131, en 1954, 88), in het op 28 september
1954 te New York gesloten verdrag betreffende de status van staatlozen (Trb. 1955, 42, en 1957, 22) en het op 11 december 1953 te Parijs gesloten
Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand (Trb. 1954, 100,
en 1954, 200).
Artikelsgewijs
Artikel 1
(Eerste lid). Gelijkgesteld worden
vreemdelingen die eerder over een verblijfsrecht krachtens artikel 9 of
artikel 10 Vreemdelingenwet hebben beschikt en die, voor het vervallen
van dit verblijfsrecht, een aanvraag tot voortgezet verblijf hebben ingediend
(eerste lid, onderdeel a). Tevens zijn gelijkgesteld die vreemdelingen die,
naar aanleiding van een intrekking van een verblijfsrecht ex artikel 9 of
10 Vreemdelingenwet, tijdig - dat wil zeggen binnen de daarvoor in de artikelen 30,
derde lid, of 33c Vreemdelingenwet gestelde termijn van vier weken -
bezwaar hebben gemaakt of beroep hebben ingesteld (eerste lid, onderdeel
b).
De gelijkstelling geldt mede vreemdelingen die weliswaar buiten
deze termijn bezwaar of beroep hebben ingesteld, doch waarbij
redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest,
zodat
artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht
op die termijnoverschrijding toepassing vindt.
(Tweede lid). Het tweede lid regelt
wanneer een uit het eerste lid voortvloeiende gelijkstelling eindigt.
Dit is het geval wanneer onherroepelijk op de aanvraag of het bezwaar of
beroep is beslist (dat wil zeggen wanneer tegen die beslissing geen normale
rechtsmiddelen meer openstaan) en in alle gevallen (dat wil zeggen ook wanneer nog
rechtsmiddelen openstaan tegen de weigering van voortgezet verblijf) zodra de uitzetting van de vreemdeling
is gelast, tenzij uit de
Vreemdelingenwet (hierbij ware in het bijzonder te denken aan artikel 25 van die wet) dan
wel uit een rechterlijke uitspraak een beletsel voortvloeit die
uitzetting daadwerkelijk te effectueren. Nadat de gelijkstelling is komen te
vervallen, kan nog slechts tot (voortzetting van) bijstandverlening worden
overgegaan indien als uitvloeisel van de aanvraag-, bezwaar- of beroepsprocedure alsnog een verblijfsrecht als
bedoeld in artikel 9 of 10
Vreemdelingenwet is toegekend.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
|
|