| |
|
|
|
|
vorige
Algemene bijstandswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2001
BESLUIT
UITKERING GEMEENTEN WET
FINANCIERING ABW, IOAW EN IOAZ VOOR HET JAAR
2001
Vervallen
m.i.v. 1 januari 2002
6 december 2000, Stb. 2000, 557
Inwerkingtreding: 1 januari 2001
Vervalt per 1 januari 2002
(T.a.v. art. 5:2 WFA)
|
|
|
BESLUIT van 6 december 2000 tot
vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
artikel 5 van de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz
(Besluit uitkering gemeenten Wet financiering Abw, Ioaz en Ioaz voor
het jaar 2001)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 12 oktober 2000, Directie Bijstandszaken, nr.
BZ/BU/00/65543;
Gelet op
artikel 5, tweede lid, van de Wet
financiering Abw, Ioaw en Ioaz;
De Raad van State gehoord (advies van 3
november 2000, nr. W12.00.0482/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 november 2000, Directie
Bijstandszaken, nr. BZ/BU/00/79823;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Art. 1. Berekening
uitkeringsbedrag
Het bedrag van de
uitkering, bedoeld in
artikel 5, eerste lid, van de Wet
financiering Abw, Ioaw en Ioaz, wordt voor het jaar 2001 berekend aan de hand van
de volgende formule:
UG = (TB - TnVV) x K : TK + TnVV x GVVTV
waarbij:
a. UG de uitkering aan de gemeente
is, bedoeld in
artikel 5, eerste lid, van de Wet
financiering Abw, Ioaw en Ioaz;
b. TB het totale bedrag is dat
beschikbaar is voor de uitkeringen, bedoeld in
artikel 5, eerste lid,
van de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz;
c. TnVV dat deel van TB is dat
geraamd is met het oog op de invoering van de Vreemdelingenwet
2000;
d. K de volgens de jaaropgave,
bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling
administratieve uitvoeringsvoorschriften Abw, Ioaw en Ioaz 1996,
zoals deze regeling luidde vσσr inwerkingtreding van de Wet
financiering Abw, Ioaw en Ioaz, ten laste van een gemeente gebleven
kosten zijn, bedoeld in artikel 3 van de Wet
financiering Abw, Ioaw en Ioaz, in het jaar 1998, verminderd met de
kosten van bijstand die is verleend met toepassing van artikel
63, tweede lid, van de Algemene bijstandswet, alsmede met de
verstrekte rentedragende geldleningen en de
ontvangen aflossingen op rentedragende geldleningen uit hoofde van de
voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal in 1998 op grond van het
Besluit bijstandverlening zelfstandigen;
e. TK het totaal is van de onder d
genoemde kosten voor alle gemeenten;
f. GVVTV het gemeentelijk aandeel is
in het aantal in Nederland verblijvende vreemdelingen die over een
voorwaardelijke vergunning tot verblijf als bedoeld in artikel 9a
van de Vreemdelingenwet beschikken, op grond van de artikelen 2 en 3 van
de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een
voorwaardelijke vergunning tot verblijf.
Art. 2. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001 en
vervalt met ingang van 1 januari 2002.
Art. 3. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitkering gemeenten Wet
financiering Abw, Ioaw en Ioaz voor het jaar 2001.
Lasten en bevelen dat dit besluit met
de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
s-Gravenhage, 6 december 2000
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend
Uitgegeven de eenentwintigste
december 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
NOTA
VAN TOELICHTING
[6 december 2000]
In de Wet financiering Abw,
Ioaw en Ioaz (WFA) is in artikel 3 bepaald dat 75% van de in een kalenderjaar ten
laste van gemeenten gebleven kosten van bijstand en uitkeringen verstrekt op grond van de
Abw, Ioaw
en Ioaz door de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid (SZW) ten laste van s Rijks kas aan hen
wordt vergoed. Voor de kosten die niet voor vergoeding in aanmerking komen,
ontvangt een gemeente op grond van artikel 5 van de WFA van de
Minister van SZW jaarlijks ten laste van s Rijks kas een uitkering. Het
bedrag van de uitkering wordt volgens bij of krachtens algemene maatregel
van
bestuur te stellen regels berekend aan de hand van het totale bedrag dat
beschikbaar is voor de uitkeringen. In het onderhavige besluit worden regels
gesteld voor de berekening van het bedrag van de uitkering voor het jaar
2001 voor de financiering van uitkeringslasten die niet voor
vergoeding in aanmerking komen.
Daarbij is geen gebruik gemaakt van de
mogelijkheid die artikel 5, tweede lid, van de WFA
biedt om
regels te stellen omtrent het verzamelen en vaststellen van gegevens
noodzakelijk voor de berekening van het bedrag van de uitkering. De reden
hiervoor is dat de voor de uitkering 2001 relevante gegevens rechtstreeks
door gemeenten aan de Minister van SZW zijn geleverd, voorzien van
een specifieke accountantscontrole.
De uitkering aan de
gemeente bestaat
uit twee elementen. Het eerste element betreft het gemeentelijk
aandeel in het totale bedrag dat beschikbaar is voor uitkeringen,
bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de WFA, verminderd met het 25%-deel van
de voor de Rijksbegroting 2001 geraamde toename van de uitkeringslasten Abw door het vervallen van
de VVTV-status [VVTV: voorwaardelijke vergunning tot verblijf, red.] als gevolg van de
Vreemdelingenwet
2000 (TnVV). Het tweede element betreft het
gemeentelijk aandeel in TnVV.
Beide elementen worden hieronder
toegelicht.
De uitkering aan de
gemeente (UG) zal
voor het jaar 2001 voor het overgrote deel gebaseerd zijn op het
aandeel dat een gemeente in 1998 had in de totale ten laste van de
gemeenten gebleven kosten van bijstand en uitkeringen verstrekt op grond
van
de Abw, Ioaw en Ioaz als bedoeld in
artikel 3 van de
WFA, exclusief de
verstrekte rentedragende geldleningen en de ontvangen aflossingen op
rentedragende geldleningen uit hoofde van de voorziening in de
behoefte aan bedrijfskapitaal in 1998 op grond van het Besluit
bijstandverlening zelfstandigen (Bbz).
De reden voor het buiten beschouwing
laten van deze kostensoort is dat (het saldo van) deze
uitgaven/ontvangsten per gemeente van jaar op jaar sterke fluctuaties vertoont,
waardoor
1998 een momentopname is die niet representatief is voor de
gemeentelijke kosten in 2001. Opname in de grondslag voor de verdeling zou in
individuele gevallen een budget betekenen dat sterk zal afwijken, in
positieve of negatieve zin, van de feitelijke kosten uit hoofde van
reguliere bijstandverlening in 2001. Daar komt bij dat in de tijd gezien
het
saldo van uitgaven/ontvangsten in principe op nul moet uitkomen, omdat
de verstrekte kredieten volledig terugbetaald dienen te worden.
Het bovenstaande laat onverlet dat de
gemeenten, conform de WFA, voor 25% financieel verantwoordelijk
zijn voor de kredietverlening uit hoofde van het Bbz.
Voor het bepalen van het aandeel van
een gemeente wordt gebruik gemaakt van de gemeentelijke
jaaropgave over 1998 (K). Burgemeester en wethouders verklaren deze jaaropgave
deugdelijk en naar waarheid te hebben opgesteld. Met deze door
specifieke accountantscontrole gecertificeerde jaaropgave wordt de
rijksvergoeding over 1998 gedeclareerd.
Het aldus bepaalde aandeel (K:TK)
wordt vermenigvuldigd met het totaal voor 2001 beschikbare bedrag
voor uitkeringen (TB), het zogenoemde macrobudget, minus de voor
2001 geraamde uitkeringslasten Abw als gevolg van de invoering van de
Vreemdelingenwet
2000 die gemeenten uit hun uitkering dienen te financieren (TnVV). TB wordt in
eerste instantie geraamd. Het betreft
de raming ten behoeve van de begroting van het ministerie van
SZW,
zoals deze op de derde dinsdag van september 2000 aan het parlement
is aangeboden. Hierbij wordt aangesloten bij de normale
begrotingssystematiek, waarbij op basis van de meest actuele realisatiegegevens en
prognoses van de macro-economische ontwikkelingen een schatting wordt gemaakt van de te
verwachten bijstandsuitgaven in 2001.
Indien blijkt dat de feitelijke uitgavenontwikkeling lager uitkomt dan
het geraamde macrobudget, zal het macrobudget niet neerwaarts worden
bijgesteld. Dit betekent dat het gemeentelijk budget eveneens niet
neerwaarts zal worden bijgesteld. Als in de loop van het begrotingsjaar, dan
wel na afloop van het begrotingsjaar blijkt dat de feitelijke uitgaven
hoger uitkomen dan geraamd, dan wordt, op grond van artikel 6 van de WFA, het macrobudget navenant verhoogd. In het verlengde daarvan zullen in dat geval de gemeentelijke
budgetten eveneens worden verhoogd.
Voor TnVV geldt een aparte
verdeelsystematiek. Dit houdt verband met het volgende.
Door de PvdA-fractie is tijdens de
plenaire behandeling van de WFA in juni 2000 aandacht gevraagd voor de
financiλle consequenties van de instroom in de Abw die in 2001 zal optreden door het vervallen van de
VVTV-status als gevolg van de
invoering van de Vreemdelingenwet
2000. Met name voor kleinere gemeenten
kan
dit leiden tot relatief forse opwaartse mutaties in de
Abw-uitkeringslasten. Zonder nadere maatregelen zouden deze gemeenten op voorhand
geconfronteerd worden met een (te) krap budget, dat immers gebaseerd is op het historisch aandeel
1998.
Voor dit probleem is de volgende
voorziening getroffen. De geraamde extra uitkeringslasten Abw als gevolg
van de invoering van de Vreemdelingenwet 2000 in 2001, die ten laste komen van
de gemeentelijke uitkering, worden verdeeld naar rato
van de verdeling van de VVTV-ers over de gemeenten (GVVTV). Voor die
verdeling geldt op grond van de artikelen 2 en 3 van de Wet
gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot
verblijf een vaste verdeelsleutel. Verwacht mag worden dat door deze systematiek
gemeenten in voldoende mate middelen ontvangen om de extra uitkeringslasten door de instroom in de
Abw vanwege het vervallen van de VVTV-status te kunnen financieren.
Verder is nog het volgende van belang.
De voor de verdeling van het macrobudget in aanmerking te nemen ten
laste van gemeenten gebleven kosten als hiervoor bedoeld, worden verminderd met de ten laste van de
gemeenten gebleven kosten verband
houdende met de verlening van bijstand aan ondernemers in de
binnenvaart als bedoeld in artikel 63, tweede lid, van de
Abw. De reden
hiervoor is dat deze kosten op grond van artikel
3, tweede lid, van de WFA
voor 100% worden vergoed aan de gemeenten die belast zijn met deze
bijstandverlening en de uitkering als
bedoeld in artikel 5 van laatstgenoemde wet hier dus ook geen betrekking
op heeft.
Ter illustratie van de hierboven
beschreven verdeelsystematiek moge het volgende cijfervoorbeeld dienen
voor de bepaling van de uitkering van de fictieve gemeente X.
Stel de uitkeringslasten Abw,
Ioaw en Ioaz (TB) worden voor 2001 geraamd op
2 miljard. Dit
bedrag is inclusief de geraamde extra uitkeringslasten Abw als gevolg van de
invoering van de Vreemdelingenwet
2000 die gemeenten
moeten
financieren uit hun uitkering, te weten 10 miljoen (TnVV). Het
aandeel van de gemeente X in de totale uitkeringslasten Abw, Ioaw en Ioaz in 1998 bedroeg 0,5% (K :
TK). Het gemeentelijk aandeel in het aantal
VVTV-ers bedraagt 1% (GVVTV).
De uitkering (UG) voor 2001 bedraagt in dat geval voor gemeente
X:
(2000 -/- 10)
x 0,5% + 10 x 1% = 9,95 + 0,1 = 10,05 miljoen
Dit besluit
is conform artikel 5, derde lid, van de WFA aan beide
kamers der
Staten-Generaal voorgelegd.
Dit besluit
is van toepassing op het vergoedingsjaar 2001.
Gemeenten
hebben op basis van het ontwerp van dit besluit omstreeks 1 oktober 2000
een voorlopige opgave ontvangen van het budget ten behoeve van het jaar
2001. Deze voorlopige opgave zal na inwerkingtreding van dit besluit
worden omgezet in een definitieve beschikking, waartegen de normale
bezwaar- en beroepsprocedures open staan.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend
|
|
|
|