|
BESLUIT van 16 maart 2001
tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur betreffende de
samenwerking tussen de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, het
Landelijk
instituut sociale verzekeringen en gemeenten gericht op de
totstandkoming van Centra voor werk en inkomen (Tijdelijk besluit
samenwerking CWI)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van 29 november 2000, Directie Arbeidsmarkt, nr. AM/ARV/00/73301, gedaan
mede namens de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F.
Hoogervorst;
Gelet op de artikelen
111, derde lid, van de
Algemene bijstandswet, 34, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, 34, derde
lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, 45, tweede lid, van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, 6, tweede lid, van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996 en 7, tweede lid, van de Wet inschakeling
werkzoekenden;
De Raad van State gehoord (advies van 16
februari 2001 nr. W12.00.0565/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, uitgebracht mede namens de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst,
van 9 maart 2001, Directie Arbeidsmarkt, nr. AM/ARV/2001/11789;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art.
1. Definitie
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder
een Centrum voor werk en inkomen: een vestiging waarin de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie, het Landelijk instituut
sociale verzekeringen en gemeenten in gezamenlijke
afstemming bij of krachtens dit besluit vastgestelde werkzaamheden verrichten of laten verrichten.
Art. 2.
Samenwerking
gericht op dienstverlening in CWI
-1. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen
en de
gemeenten werken samen door in of ten behoeve van de totstandkoming van een
Centrum voor werk en inkomen bij de
uitvoering van taken
waarmee zij op grond van de in de aanhef van dit besluit genoemde wetten
zijn belast, gezamenlijk diensten te verlenen gericht op:
a. informatie en advies
aan werkzoekenden en werkgevers;
b. bemiddeling voor
werkzoekenden en werkgevers;
c. acquisitie en
registratie van vacatures;
d. de registratie van
werkzoekenden en het daarbij verzamelen van gegevens over opleiding,
ervaring en bekwaamheden van werkzoekenden;
e. globale bepaling van
de afstand tot de arbeidsmarkt ten behoeve van de bemiddeling naar werk;
f. nadere beoordeling van
de afstand tot de arbeidsmarkt en daarmee verbonden advisering over
trajecten met inzet van arbeidsmarkt-, activerings- en zorginstrumenten;
g. het verzamelen van
gegevens in verband met de aanspraak op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, de
Toeslagenwet en de Algemene
bijstandswet, ingeval de werkzoekende niet direct kan
toetreden tot de
arbeidsmarkt.
-2. De werkwijze die bij
het verlenen van diensten in het Centrum voor werk en inkomen
richtinggevend is, is door Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
na overleg met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, het Landelijk instituut
sociale verzekeringen en de gemeenten, vastgelegd in
het referentiewerkproces, zoals dit als bijlage 5 is opgenomen bij de voortgangsrapportage
"Structuur uitvoering werk
en inkomen" d.d. 13
oktober 2000 (Kamerstukken II 2000-2001, 26 448, nr. 16) en integraal is
bekendgemaakt op 24 oktober 2000 en zoals dit nadien wordt gewijzigd.
Art. 3.
Spreiding van
Centra voor werk en inkomen
-1. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen en de
gemeenten werken samen met het oog op de inrichting en
instandhouding van een landelijk dekkend net van Centra voor werk en
inkomen.
-2. In de
bijlage behorend
bij dit besluit zijn de plaatsen van vestiging van de Centra voor werk
en inkomen met een aanduiding van de werkgebieden opgenomen.
-3. De
bijlage, bedoeld in
het tweede lid, kan na overleg met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie,
het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de gemeenten bij
ministeriële regeling worden gewijzigd.
Art. 4.
Uitvoeringsregeling
Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de uitvoering van dit besluit, die in ieder geval betrekking kunnen hebben op
de concentratie van werkzaamheden in bepaalde Centra voor werk en
inkomen,
bedrijfsverzamelgebouwen, de financiering en afspraken in verband met de
uitwisseling van gegevens. [TsS]
Art. 5.
Intrekking
Het Samenwerkingsbesluit
SWI wordt ingetrokken.
Art. 6.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in
werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en vervalt op een
bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Art. 7.
Citeertitel
Dit besluit wordt
aangehaald als: Tijdelijk besluit samenwerking CWI.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 16 maart
2001
BEATRIX
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de negenentwintigste
maart 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
BIJLAGE
als bedoeld in
artikel 3, tweede lid
(Gemeente
van vestiging CWI: werkgebieden CWI.)
Achtkarspelen:
Achtkarspelen, Kollumerland en Nieuwkruisland, Tytsjerksteradiel.
Alkmaar: Alkmaar,
Akersloot, Bergen, Egmond, Graft-De Rijp, Heerhugowaard, Heiloo,
Langedijk, Limmen, Schermer, Schoorl.
Almelo: Almelo, Den Ham, Tubbergen,
Vriezenveen, Wierden.
Almere: Almere, Zeewolde.
Alphen aan den Rijn: Alphen
aan den Rijn, Jacobswoude, Liemeer, Nieuwkoop, Rijnwoude, Ter Aar.
Amersfoort: Amersfoort,
Bunschoten, Leusden, Woudenberg.
Amstelveen: Amstelveen, Ouder-Amstel, Uithoorn, De Ronde Venen, Abcoude.
Amsterdam (8): Amsterdam, Diemen, Landsmeer.
Apeldoorn: Apeldoorn, Brummen, Epe, Voorst.
Arnhem (2): Arnhem, Bemmel, Doesburg, Elst,
Gendt, Heteren, Huissen, Renkum, Rheden, Rozendaal, Valburg.
Assen: Aa en Hunze, Assen, Tynaarlo.
Barneveld: Barneveld, Nijkerk,
Scherpenzeel.
Bergen op Zoom: Bergen op
Zoom, Steenbergen, Woensdrecht.
Beverwijk: Beverwijk, Castricum, Heemskerk, Uitgeest,
Velsen.
Bladel: Bladel, Eersel,
Reusel-De Mierden, deel Veldhoven.
Breda: Breda.
Capelle aan den IJssel:
Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel.
Cuijk: Boxmeer, Cuijk, Grave, Mill en Sint
Hubert, Sint Anthonis.
Delft: Delft, Nootdorp, Pijnacker, Schipluiden.
Delfzijl (Winsum *):
Appingedam, Delfzijl, Eemsmond, Loppersum, Ten Boer, Winsum, Bedum, De
Marne.
Den Haag (4): ’s-Gravenhage.
Den Helder (Texel *): Anna Paulowna, Den Helder, Texel.
Deventer: Bathmen,
Deventer, Olst.
Doetinchem: Bergh, Doetinchem, Hengelo, Hummelo en
Keppel, Steenderen, Wehl, Zelhem.
Dongeradeel: Ameland, Dantumadeel,
Dongeradeel, Schiermonnikoog.
Dordrecht: Alblasserdam,
Dordrecht, Graafstroom, Heersjansdam,
Hendrik-Ido-Ambacht, Nieuw-Lekkerland, Papendrecht, ’s-Gravendeel,
Sliedrecht, Zwijndrecht.
Ede: Ede, Wageningen.
Eindhoven (2): Best,
Eindhoven, Geldrop, Heeze-Leende, Nuenen, Oirschot, Son en Breugel, deel
Veldhoven.
Emmen: Borger-Odoorn, Coevorden, Emmen.
Enschede: Enschede,
Haaksbergen.
Etten-Leur: Etten-Leur,
Moerdijk, Rucphen, Zundert.
Franekeradeel:
Franekeradeel, Harlingen, Het Bildt, Menaldumadeel, Terschelling, Vlieland.
Goes (Schouwen-Duiveland, Tholen *): Borsele,
Goes, Kapelle,
Noord-Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Tholen.
Gorinchem: Aalburg, Giessenlanden,
Gorinchem, Hardinxveld-Giessendam, Leerdam,
Liesveld, Werkendam, Woudrichem, Zederik.
Gouda: Bergambacht, Bodegraven, Boskoop, Gouda, Moordrecht,
Nederlek, Nieuwerkerk aan
den IJssel, Ouderkerk, Oudewater, Reeuwijk, Schoonhoven, Vlist,
Waddinxveen, Zevenhuizen-Moerkapelle.
Groningen (2): Groningen,
Haren, Zuidhorn.
Gulpen-Wittem:
Gulpen-Wittem, Margraten, Vaals, Valkenburg aan de Geul.
Haarlem (2): Bennebroek, Bloemendaal, Haarlem, Haarlemmerliede en
Spaarnwoude, Heemstede, Zandvoort.
Haarlemmermeer: Aalsmeer,
Haarlemmermeer.
Hardenberg: Avereest, Gramsbergen,
Hardenberg, Ommen.
Harderwijk: Elburg, Ermelo, Harderwijk,
Nunspeet, Putten.
Heerenveen:
Gaasterlân-Sleat, Heerenveen, Lemsterland, Oostellingwerf, Skarsterlân,
Weststellingwerf.
Heerlen: Brunssum,
Heerlen, Landgraaf, Nuth, Onderbanken, Simpelveld, Voerendaal.
Hellendoorn: Hellendoorn,
Holten, Rijssen.
Hellevoetsluis: Bernisse, Brielle, deel
Dirksland, Goedereede, Hellevoetsluis, Rozenburg, Westvoorne.
Helmond: Asten, Deurne, Gemert-Bakel, Helmond, Laarbeek,
Mierlo, Someren.
Hengelo: Ambt Delden, Borne, Diepenheim, Hengelo, Goor,
Markelo, Stad Delden.
’s-Hertogenbosch:
Boxtel, Haaren, Heusden, ’s-Hertogenbosch, Sint-Michielsgestel, Vught.
Hilversum: Hilversum,
Laren, Loenen, Loosdrecht, Nederhorst den Berg, ’s-Graveland.
Hoogeveen: De Wolden, Hoogeveen,
Midden-Drenthe, Westerveld.
Hoogezand:
Hoogezand-Sappemeer, Slochteren.
Hoorn: Andijk, Drechterland, Enkhuizen, Hoorn, Medemblik,
Noorder-Koggenland, Obdam, Opmeer, Stede Broec,
Venhuizen, Wervershoof, Wester-Koggenland, Wognum.
Huizen: Blaricum, Bussum,
Huizen, Muiden, Naarden, Weesp.
Kerkrade: Kerkrade.
Leeuwarden: Boarnsterhim, Ferwerderadiel, Leeuwarden,
Leeuwarderadeel.
Leiden: Alkemade, Leiden,
Leiderdorp, Oegstgeest, Voorschoten, Zoeterwoude.
Lelystad: Lelystad.
Lisse: Hillegom, Katwijk, Lisse,
Noordwijk, Noordwijkerhout, Rijnsburg, Sassenheim, Valkenburg, Voorhout, Warmond.
Maastricht: Eijsden,
Maastricht, Meerssen.
Middelburg: Middelburg, Veere, Vlissingen.
Naaldwijk: De Lier,
Maasland, Monster, Naaldwijk, ’s-Gravenzande, Wateringen.
Nieuwegein: Houten, IJsselstein, Lopik,
Nieuwgein, Vianen.
Nijmegen: Beuningen, Druten, Groesbeek,
Heumen, Millingen aan de Rijn, Mook en Middelaar,
Nijmegen, Ubbergen, West Maas en Waal, Wijchen.
Noordenveld: Grootegast,
Leek, Marum, Noordenveld.
Noordoostpolder: Dronten, Noordoostpolder,
Urk.
Oldenzaal: Denekamp,
Losser, Oldenzaal, Ootmarsum, Weerselo.
Oosterhout: Drimmelen, Geertruidenberg,
Oosterhout.
Oss: Bernheze, Landerd, Lith, Maasdonk,
Oss, Ravenstein.
Oud-Beijerland:
Binnenmaas, Cromstrijen, Korendijk, Oud-Beijerland, Strijen.
Purmerend: Beemster, Edam-Volendam,
Purmerend, Waterland, Zeevang.
Roermond: Ambt Montfort,
Echt, Haelen, Heel, Heythuysen, Maasbracht, Roerdalen, Roermond,
Roggel en Neer, Swalmen, Thorn.
Roosendaal: Halderberge,
Roosendaal.
Rotterdam (5):
Albrandswaard, Barendrecht, Bergschenhoek, Berkel en Rodenrijs,
Bleiswijk,
deel Dirksland, Oostflakkee, Middelharnis, Ridderkerk, Rotterdam.
Schagen: Harenkarspel, Niedorp, Schagen,
Wieringen, Wieringermeer, Zijpe.
Schiedam: Maassluis,
Schiedam, Vlaardingen.
Sittard: Beek, Born, Geleen, Schinnen,
Sittard, Stein, Susteren.
Smallingerland:
Opsterland, Smallingerland.
Sneek: Bolsward, Littenseradiel, Nijefurd,
Sneek, Wunseradiel, Wymbritseradiel.
Soest: Baarn, Eemnes,
Soest.
Spijkenisse: Spijkenisse.
Stadskanaal: Stadskanaal, Vlagtwedde.
Steenwijk: Brederwiede, IJsselham, Meppel,
Steenwijk.
Terneuzen (Oostburg *):
Axel, Hontenisse, Hulst, Oostburg, Sas van Gent, Sluis-Aardenburg,
Terneuzen.
Tiel (Zaltbommel *):
Buren, Dodewaard, Echteld, Kesteren,Tiel, Culemborg, Geldermalsen,
Lingewaal, Maasdriel, Neerijnen, Zaltbommel.
Tilburg (2): Alphen-Chaam, Baarle-Nassau, Dongen, Gilze en Rijen,
Goirle, Hilvarenbeek, Oisterwijk, Tilburg.
Utrecht (3): Breukelen, Harmelen,
Maarssen, Maartensdijk, Montfoort, Utrecht, Vleuten-De Meern, Woerden.
Valkenswaard: Bergeijk, Valkenswaard,
Waalre.
Veendam: Menterwolde, Pekela, Veendam.
Veenendaal: Renswoude, Rhenen, Veenendaal.
Veghel: Boekel, Schijndel, Sint-Oedenrode,
Uden, Veghel.
Venlo: Arcen en Velden, Beesel, Belfeld, Helden,
Kessel, Maasbree, Meijel, Tegelen, Venlo.
Venray: Bergen (L),
Broekhuizen, Gennep, Grubbenvorst, Horst, Meerlo-Wanssum, Sevenum,
Venray.
Voorburg: Leidschendam,
Rijswijk, Voorburg, Wassenaar.
Waalwijk: Loon op Zand,
Waalwijk.
Weert: Cranendonck, Hunsel, Nederweert, Weert.
Winschoten: Bellingwedde, Reiderland,
Scheemda, Winschoten.
Winterswijk: Aalten, Borculo, Eibergen,
Groenlo, Lichtenvoorde, Neede, Ruurlo, Winterswijk.
Wisch: Dinxperlo, Gendringen, Wisch.
Zaanstad: Oostzaan, Wormerland, Zaanstad.
Zeist: Amerongen, Bunnik,
De Bilt, Doorn, Driebergen-Rijsenburg, Leersum, Maarn, Wijk bij
Duurstede, Zeist.
Zevenaar: Angerlo, Didam,
Duiven, Rijnwaarden, Westervoort, Zevenaar.
Zoetermeer: Zoetermeer.
Zutphen: Gorssel, Lochem, Vorden,
Warnsveld, Zutphen.
Zwolle: Dalfsen, Genemuiden, Hasselt,
Hattem, Heerde, Heino, IJsselmuiden, Kampen, Nieuwleusen, Oldebroek,
Raalte, Staphorst, Wijhe,
Zwartsluis, Zwolle.
* CWI-faciliteit.
NOTA
VAN TOELICHTING
[16 maart 2001]
1. Inleiding
In de samenwerking tussen de uitvoeringsorganisaties op het terrein van
werk en inkomen is de afgelopen jaren veel vooruitgang geboekt. Het
Samenwerkingsbesluit SWI (Stb. 1997, 804, 24 december 1997) en daarop gebaseerde
ministeriële regelingen vormden de juridische basis voor de samenwerking.
Het Centrum voor werk en
inkomen (CWI) heeft verder aan maatschappelijk draagvlak gewonnen. Thans
kunnen verdere stappen in de samenwerking en de juridische instrumentering worden gezet, gelet op de
parlementaire behandeling
(23 mei 2000) van het Nader Kabinetsstandpunt Structuur uitvoering werk
en inkomen (SUWI) en de uitkomsten van het
overleg met de betrokken organisaties, met name het bestuurlijk overleg van
10 oktober 2000.
Op basis van het
bestuurlijk overleg van 10 oktober met de Vereniging van Nederlandse gemeenten
(VNG), een vertegenwoordiging van de directeuren van sociale diensten (Divosa), de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.], het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] en de uitvoeringsinstellingen
(uvi’s) heeft besluitvorming plaatsgevonden over verdere vormgeving van de
samenwerking. In de eerste plaats over het zogeheten
Referentiewerkproces en voorts over het spreidingsplan CWI’s: beide onderwerpen worden
via het onderhavige besluit verankerd in regelgeving. Aldus kunnen
stappen worden gezet die een soepele overgang naar de nieuwe
structuur werk en inkomen mogelijk maken.
Het genoemde
Referentiewerkproces beschrijft de taken, het dienstverleningsconcept
en de werkwijze van het CWI, en wel op een wijze die spoort met de
voorgenomen SUWI-wetgeving. Het Referentiewerkproces zal
tot richtsnoer dienen voor betrokken partijen.
Dit besluit regelt ook
spreiding en aantal van voorziene CWI’s. In de
bijlage bij dit besluit
is de lijst van CWI’s opgenomen die thans zijn voorzien.
Het besluit bevat voorts
een handvat voor de minister
om aanvullende, ondersteunende
maatregelen te treffen, waar nodig.
Het hiervoor genoemde
Samenwerkingsbesluit SWI en de daarop gebaseerde regelingen
komen te vervallen.
2. Schets van de
voorgeschiedenis
In het vervolg op de
Parlementaire Enquętecommissie uitvoeringsorganen werknemersverzekeringen
(1993) zijn inmiddels belangrijke stappen gezet in de samenwerking tussen partijen die werkzaam zijn op
het terrein van werk en inkomen.
Zo is, na de parlementaire enquęte, om te beginnen in de
Algemene bijstandswet, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen, de Arbeidsvoorzieningswet 1996 en de Wet
inschakeling werkzoekenden de verplichting tot bevordering van samenwerking
opgenomen. Gemeenten, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en het
Landelijk instituut sociale verzekeringen gaven hieraan onder meer inhoud
door hun participatie in een gezamenlijke regiegroep Samenwerking
Werk en Inkomen.
Op basis van het advies
van deze regiegroep heeft het kabinet geconcludeerd (Kamerstukken II
1996-1997, 25 000 XV, nr. 57) dat de samenwerking moest worden verankerd in
nadere regelgeving. Het draagvlak voor SWI-centra en de daarin
onder te brengen werkzaamheden was inmiddels zodanig gegroeid dat het
kabinet besloot een nadere invulling te geven aan het advies via een
algemene maatregel van bestuur (Samenwerkingsbesluit
SWI).
Dit besluit bevat in
essentie twee opdrachten aan de drie eerder genoemde partijen:
• om vóór 31 december
1998 een landelijk dekkend geheel van afspraken tot stand te brengen over het in gezamenlijke afstemming
verrichten van een aantal
benoemde, in SWI-centra te verrichten werkzaamheden;
• het tot stand brengen van een adequaat aantal SWI-centra vóór 31 december 2000.
Op basis van dit besluit
werden twee ministeriële regelingen getroffen ter verdere uitwerking.
Dit betrof enerzijds een nadere opsomming der werkzaamheden (18 december
1997), anderzijds de zogeheten fase-indeling
bij de bepaling van de
kans op werk (27 mei 1998) [zie Samenwerkingsregeling
SWI, red.]. In deze laatstgenoemde regeling
werd ook de naamgeving van de SWI-centra veranderd in Centra voor
werk en inkomen (CWI’s).
Naast de
hiervoor genoemde
instrumentering van de samenwerking ondersteunde het kabinet
de CWI-vorming ook langs materiële weg:
• via een
Stimuleringsregeling SWI (18 december 1997), die gebaseerd is op de Kaderwet
SZW-subsidies, op grond waarvan subsidie kon
worden verstrekt ter dekking van voorbereidingskosten bij het tot stand
brengen van CWI’s;
• via een
Procesmanagement SWI dat de samenwerkende partijen terzijde stond bijvoorbeeld door het ontwerpen van methodieken voor de
fase-indeling en werkprocessen, maar ook door hulp bij het oplossen van concrete problemen in de
samenwerking.
Via de hiervoor
beschreven formele en materiële ondersteuning is er verdere vooruitgang
geboekt in de samenwerking tussen de partijen op het terrein van werk en
inkomen. In het hele land zijn samenwerkingsverbanden tot stand gebracht die
via samenwerkingsovereenkomsten uitvoering hebben gegeven
aan de opdracht als bedoeld in het besluit. In totaal zijn er aldus 159
samenwerkingsovereenkomsten aan de minister voorgelegd gericht op het
tot stand brengen van ca. 200
CWI’s vóór 31 december 2000.
Omdat deze samenwerking
in bijna het hele land tot stand is gekomen, heeft de regelgeving
zoals die is neergelegd in het Samenwerkingsbesluit en de
Samenwerkingsregeling, zijn betekenis gehad. Bij algemene
maatregel van bestuur hoeft niet meer in detail te worden ingegaan op inhoud van de
overeenkomsten. Er is geen regeling meer noodzakelijk om een uniforme wijze van
fase-indeling te bewerkstelligen. Het onderhavige besluit heeft betrekking
op het proces van samenwerking op weg naar de nieuwe Structuur uitvoering
werk en inkomen. Uitgangspunt voor dit besluit is nog steeds de
samenwerking in de uitvoering van de in verschillende wetten aan
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, het Lisv en de
gemeenten opgedragen
taken. Dit besluit doet daarom ook niets af aan de bepalingen in die
wetten over registratie van gegevens van werkzoekenden en vacatures, bepaling
van afstand tot de arbeidsmarkt, reďntegratieverantwoordelijkheid, uitkeringsverstrekking en
controle. Dit besluit regelt daarom ook niets
naders over de gegevensverwerking en het verstrekken van gegevens.
Het accent ligt op de wijze van samenwerking op weg naar de nieuwe situatie.
3. Nieuwe situatie
De context van de
CWI-vorming heeft de afgelopen anderhalf jaar grote wijziging ondergaan. In
het Kabinetsstandpunt Structuur uitvoering werk en inkomen van maart 1999
(Kamerstukken II 1998-1999, 26 448, nr. 1) werd een nieuwe structuur
en een nieuw CWI geschetst.
In de loop van 1999 werd
reeds duidelijk dat er een groeiend maatschappelijk draagvlak ontstond voor
een "SUWI-CWI". Zowel in de Tweede Kamer (21 juni
1999) als in overleggen met sociale partners werd de gedachte van een
"eigenstandig" CWI met eigen personeel en middelen, in plaats van
een samenwerkingsverband tussen drie kolommen, omarmd. Gebleken
praktische problemen van de samenwerkingsconstructie met betrekking tot de
regie en verantwoordelijkheden voor wat betreft bemensing,
middelen, ICT en huisvesting zouden aldus beter kunnen worden aangepakt.
Dit CWI kreeg verdere
uitwerking in het Nader Kabinetsstandpunt Structuur uitvoering werk
en inkomen. Aldus is er thans helderheid verkregen over de toekomstige taak en plaats van het CWI. De samenwerking
en de CWI-vorming kan derhalve, via dit besluit, nieuwe impulsen krijgen. De stagnatie die
in de afgelopen periode (in verband met onzekerheid en
teruglopende klantenaantallen) is ontstaan, kan hiermee tegemoet worden getreden.
Inmiddels is de
ontwikkeling naar de nieuwe uitvoeringsstructuur in de loop van dit jaar verder
gebracht via het nader kabinetsstandpunt en de dialoog daarover met de Tweede Kamer, sociale partners en de organisaties
die in dit besluit
centraal staan. De belangrijkste uitkomsten hiervan voor het CWI zijn:
• het takenpakket van
de CWI’s heeft verder vorm gekregen, alsmede het daarbij behorende
dienstverleningsconcept en werkproces: dit heeft zijn beslag gekregen in
het zogeheten Referentiewerkproces. Dit Referentiewerkproces
wordt thans op basis van het bestuurlijk overleg van 10 oktober 2000 als
uitgangspunt voor de CWI’s vastgesteld. Het zal als richtsnoer dienen
voor de samenwerkende organisaties;
• voor het
spreidingsplan voor de toekomstige SUWI-CWI’s is in genoemd overleg eveneens
een basis gelegd die via dit besluit wordt geconcretiseerd.
Via het onderhavige
besluit worden zowel aan de taken van de CWI’s als aan het spreidingsplan
een juridische verankering geboden.
Omdat het hier
vernieuwende kernelementen van de CWI-vorming betreft, is er niet voor
gekozen het bestaande besluit uit 1997 aan te passen, maar om dat
besluit in te trekken, inclusief de daarop gebaseerde regelingen (artikel
5).
Het nu voorliggende besluit heeft een tijdelijke werking, namelijk tot de
inwerkingtreding van de nieuwe SUWI-wetgeving.
De
Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid heeft begin 2000 een Veranderorganisatie
in het leven geroepen die als taak heeft om een snelle en goede overgang
naar de nieuwe SUWI-situatie mogelijk te maken. Over de
vorderingen in dat proces wordt de Staten-Generaal geďnformeerd via
voortgangsrapportages. De eerste rapportage is op 13 oktober 2000
aangeboden aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2000-2001, 26 448, nr. 16);
op 13 december is daarover met de Tweede Kamer overlegd.
4. Werkzaamheden en
werkwijze in een CWI (artikel 2)
Het Referentiewerkproces
Centrum voor werk en inkomen (vindplaats op internet www.suwi.nl,
sinds 24 oktober 2000) bevat het geheel van (samenhangende) werkzaamheden die door of in het
CWI zullen worden
uitgevoerd. Het document
is ook opgenomen in bijlage 5 bij de eerste SUWI-rapportage, maar
niet als wit stuk gedrukt, vandaar dat in artikel 2 als datum van
bekendmaking ook de datum van opname in de genoemde website is genoemd. De
taken die in het SWI-besluit van 1997 waren opgenomen, zijn daarin
verwerkt. Omdat het Referentiewerkproces "SUWI-proof" is, wordt
zodoende geleidelijk toegewerkt naar de nieuwe situatie.
Deze taken zullen worden
uitgevoerd vanuit een, tevens in bedoeld product beschreven,
dienstverleningsconcept en volgens eveneens beschreven werkprocessen.
Artikel 2 van dit besluit geeft partijen de opdracht om samen te werken ten behoeve van een gezamenlijke
dienstverlening in CWI’s
met betrekking tot een aantal taken en conform een werkwijze waarbij het
Referentiewerkproces richtinggevend is. Bij de aanduiding van de taken
in het eerste lid van artikel 2
is aangesloten bij de taken die bij wet aan de
samenwerkende organisaties zijn opgedragen. Het gaat om een
gezamenlijke aanpak ter uitvoering van wettelijke taken door de gemeenten,
Arbeidsvoorziening en Lisv/uvi’s. In de praktijk kunnen die werkzaamheden
door personen in dienst van alle betrokken organisaties of daartoe
door die organisaties gemandateerde werknemers worden verricht. Om die reden wordt in
artikel 1 in de definitie melding
gemaakt van "laten verrichten". De daartoe in het leven geroepen Veranderorganisatie
SUWI zal partijen bij deze opdracht ondersteuning bieden en de algemene
regie voeren.
Waar de dienstverlening
in het CWI, zoals opgenomen in het Referentiewerkproces, in
verband met de samenwerking op is gericht, is weergegeven in het eerste
lid van artikel 2.
Niet overal in Nederland
zijn thans CWI’s gerealiseerd. In die gevallen zullen partijen zich
inspannen voor de totstandkoming daarvan. Ook op die situatie waarin er
nog geen CWI bestaat, heeft het eerste lid van artikel 2
betrekking. Het
Referentiewerkproces dient dan eveneens uitgangspunt te zijn voor de wijze van
samenwerking.
In het
Referentiewerkproces worden de taken van het CWI als volgt verwoord:
• informatie en advies
aan werkzoekenden en werkgevers over de rechten en de plichten op
het gebied van uitkeringen en over de arbeidsmarkt. De dienstverlening in het
kader van de informatie- en adviesfunctie heeft betrekking op onder
meer de volgende onderwerpen: vacatures, sollicitanten, studie- en
beroepskeuze, omscholing, herscholing of bijscholing,
wervingskanalen, subsidiemogelijkheden, solliciteren, kansen op werk, arbeidsrecht,
uitkeringen, werken in het buitenland;
• bemiddeling voor
werkzoekenden en werkgevers;
• acquisitie en
registratie van vacatures;
• intake werk ten
behoeve van bemiddeling naar werk, inclusief een eerste globale bepaling
van de afstand tot de arbeidsmarkt (fase 1 tot en met 4) door middel van de Kansmeter en een eerste oriëntatie op eventueel recht
op uitkering;
• uitkeringsintake. Het
verzamelen van alle gegevens ten behoeve van een WW- of
bijstandsuitkering en een eerste check op de volledigheid van
deze gegevens, inclusief
een hernieuwde oriëntatie op de mogelijkheden van werk; inclusief eventuele vervolgafspraak/verwijzing naar een
uitkeringsinstantie;
• de nadere beoordeling
van de afstand van de werkzoekende tot de arbeidsmarkt en de
daarmee verbonden advisering over de individuele trajectvereisten (kwalificerende intake fase 2, 3 en vervolggesprek fase 4)
inclusief de overdracht
en advisering inzake een traject aan gemeenten en
uvi’s;
• bemiddelingsgesprekken fase 1;
• inburgeringsonderzoeken ten behoeve van nieuwkomers;
• overige (wettelijke)
taken die momenteel door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie worden verricht
(preventieve ontslagtoets, tewerkstellingsvergunningen, taken ex Wet Samen
[Wet stimulering arbeidsdeelname minderheden, red.],
verklaringen Wet inburgering
nieuwkomers, verklaringen
in het kader van de Wiw, verklaringen langdurig
werkloze in het
kader van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, vergunningen in het kader van de Wet allocatie
arbeidskrachten door intermediairs).
De bovenstaande taken
dienen verricht te worden via, in het Referentiewerkproces uitvoerig beschreven,
geďntegreerde werkprocessen en wel op een wijze die recht doet
aan het eerder gememoreerde dienstverleningsconcept.
Kernbegrippen uit het
dienstverleningsconcept zijn:
• de klant staat
centraal, met eigen verantwoordelijkheid voor de klant;
• transparante
arbeidsmarkt; een beursvloer voor arbeid met een zo groot mogelijk marktbereik;
• het bieden van
dienstverlening, informatie en advies, op diverse niveaus (maatwerk);
onderscheid in klantgroepen;
• werk boven inkomen;
voorkomen van uitkeringsverstrekking;
• beperken van
overdrachtsmomenten; adequate registratie en communicatie van gegevens;
• optimale inzet van ICT.
Het Referentiewerkproces
bevat ook een weergave van randvoorwaarden voor succesvolle
implementatie. Daarbij wordt onder meer ingegaan op
kwaliteitsborging, standaardisatie van processen en gegevens, registratie,
toegankelijkheid en randvoorwaarden in de personele sfeer.
De fase-indeling was en
blijft een belangrijke taak van het CWI. De fase-indeling is thans
verankerd in het SWI-besluit van december 1997 en
de daarop gebaseerde ministeriële regeling. Deze basis vervalt thans
weliswaar, maar via het Referentiewerkproces en via het huidige besluit wordt de fase-indeling in
voldoende mate opnieuw verankerd. Het accent ligt nu meer op wijze van
toepassen van de fase-indeling. Er zij op gewezen dat het
instrumentarium van de fase-indeling (de methodieken) thans nog verder worden
ontwikkeld en geďmplementeerd. In 2001 is validatieonderzoek
voorzien. De concrete methodieken/instrumenten voor de fase-indeling worden
door de minister vastgesteld, na overleg met betrokken partijen.
Samenwerking / streven naar
gezamenlijke dienstverlening
De uitvoeringsinstanties
in het domein van werk en inkomen zijn in hoge mate afhankelijk van
elkaar. Bij veel van de bovengenoemde taken is derhalve goede en snelle
samenwerking tussen de uitvoerende instanties geboden. Dit komt bijvoorbeeld tot uitdrukking:
• bij de
gegevensoverdracht over klanten in het kader van een uitkering;
• bij de keten van
dienstverlening, bij overdracht van klanten die in aanmerking komen voor
specifieke reďntegratieactiviteiten.
Met betrekking tot de
"uitkeringsintake" dienen heldere afspraken over maximale termijnen voor
de overdracht van CWI naar uitkeringsinstantie te worden gemaakt in zogeheten
"Service Niveau Overeenkomsten". Dat
is tijdens het
bestuurlijk overleg op 10 oktober afgesproken.
Voorts werd geconcludeerd dat er ruimte moet zijn voor
lokale/regionale variëteit,
in
aanvulling op de activiteiten zoals beschreven in het Referentiewerkproces.
Gemeenten of uvi’s kunnen onder hun condities activiteiten inbrengen in
of bij het CWI. Dat geldt bijvoorbeeld voor de zogeheten "activerings-
en controletaak".
De uitkeringsintake bevat
(in elk geval als basismodule) de gegevensverzameling die nodig is voor het
aanvragen van een uitkering. Het CWI draagt deze, op
volledigheid getoetste gegevens binnen de afgesproken termijn over. Situaties
waarin dit niet kan dan wel niet nodig is, worden vastgelegd in afspraken.
De claimbeoordeling blijft in alle gevallen de competentie van de
gemeente en Lisv/uvi’s.
Afgesproken werd voorts
dat aan de hand van concrete praktijkervaringen de komende maanden zal
worden gewerkt aan een verdere detaillering van
activiteiten en termijnen.
Op basis van deze
praktijkervaringen zal een termijn voor uiterlijke overdracht van de
verzamelde gegevens aan de uitkeringsinstantie worden vastgelegd in een
nadere ministeriële regeling krachtens artikel 4.
Het Referentiewerkproces
is uitgangspunt voor dit besluit en dient tot richtsnoer voor partijen.
Uiteraard kan het nodig zijn op basis van praktijkervaringen op onderdelen tot aanpassingen of aanvullingen te
komen. Met het oog daarop
is voor een zogeheten dynamische verwijzing naar het Referentieproces
gekozen.
5. Spreiding van de CWI’s
(artikel 3)
In de nota van
toelichting bij het SWI-besluit uit 1997 wordt gesteld:
"juist in een proces van "onderop" kunnen zich ontwikkelingen
voordoen waarvan te zijner tijd blijkt dat voor een goede voortgang van de
samenwerking nadere
kaderstelling wenselijk is". In dat verband werd gewezen op de bevoegdheid
voor de minister (conform artikel 5 van het SWI-besluit) om nadere
criteria te stellen aan de samenwerking en de schaal van de CWI’s.
Ook in de Arbeidsvoorzieningswet 1996 (artikel 13) bezit de minister de
bevoegdheid, op basis van adviezen van het CBA, de regio-indeling vast te
stellen. De minister zal ook in de toekomst een toetsingsbevoegdheid
houden. Dat neemt niet weg dat betrokken organisaties verantwoordelijk zijn voor het inrichten en
tot stand brengen van CWI’s. Ook daarvoor
is het noodzakelijk dat zij samenwerken. Het eerste lid van artikel 3
bevat de opdracht daartoe.
Zoals hiervoor is
beschreven, is er aanleiding om thans duidelijkheid te verschaffen over aantal
en werkgebieden van de CWI’s. Voor dat doel is een spreidingsmodel ontworpen, waarin de volgende criteria zijn
gehanteerd:
• waarborging van de
kwaliteit van dienstverlening op basis van de functionele eisen die aan
een CWI gesteld worden, gebaseerd op het takenpakket;
• bereikbaarheid;
• doelmatigheid,
flexibiliteit; en uitvoerbaarheid/toepasbaarheid.
Over dit spreidingsmodel
is bij diverse gelegenheden gesproken met de kolommen; voorts hebben
regionale partijen hierop gereageerd. Na weging van de binnengekomen commentaren is er een spreidingsplan
opgesteld. Op basis van
het bestuurlijk overleg op 10 oktober 2000 met Arbeidsvoorziening,
VNG/Divosa en het Lisv/uitvoeringsinstellingen, gevolgd door overleg met
de Tweede Kamer op respectievelijk 13 december 2000 en 21 februari 2001,
heeft nadere besluitvorming plaatsgevonden.
De uitkomsten zijn, in de
vorm van een lijst met voorgenomen CWI’s, als
bijlage bij dit
besluit bijgevoegd.
Het derde lid van artikel
3 geeft de minister
de mogelijkheid om aantal en spreiding van CWI’s
te wijzigen, na overleg met betrokken partijen.
6. Nadere regelgeving
(artikel 4)
Artikel 4 van het besluit
biedt de mogelijkheid bij ministeriële regeling nadere regels te stellen
omtrent de uitvoering van dit besluit [zie Tijdelijke
stimuleringsregeling SUWI-bedrijfsverzamelgebouw en Tijdelijke
stimuleringsregeling SUWI-bedrijfsverzamelgebouw 2002, red.].
Zo kan de minister
CWI’s
aanwijzen die bepaalde taken geconcentreerd voor een grotere regio
uitvoeren; daarbij kan worden gedacht aan de ontslagtaak. Op korte termijn zal ook worden bezien of, en zo
ja, hoe de
dienstverlening naar
bepaalde sectoren geconcentreerd kan worden uitgevoerd vanuit één
of verschillende CWI’s.
Artikel 4 biedt voorts de
mogelijkheid om aanvullende regels te treffen of faciliteiten te
creëren ter ondersteuning van de CWI-vorming en de samenwerking in het algemeen, bijvoorbeeld in de sfeer van financiële
ondersteuning van bedrijfsverzamelgebouwen of afspraken inzake
ICT-definities/standaarden.
Op korte termijn zal de minister van deze mogelijkheid gebruik
maken. Speciale aandacht zal de komende maanden uitgaan naar die CWI’s
die reeds tot stand zijn gekomen of waarvoor reeds investeringen zijn
gedaan, terwijl het spreidingsplan niet voorziet in een CWI in het
desbetreffende gebied. De Veranderorganisatie zal zorg dragen voor een
zorgvuldige afwikkeling in overleg met de betrokken partijen.
7. Overige punten
Voortgang
De
Veranderorganisatie
zal de voortgang van het proces van samenwerking bevorderen. Via de
Voortgangsrapportage SUWI zal de Tweede Kamer worden geďnformeerd over de vorderingen bij de gezamenlijke
dienstverlening en de werkwijze, alsmede over de CWI-vorming.
Dit besluit brengt geen
wijziging in wettelijk geregelde taken en bevoegdheden van de drie
kolommen, zodat de rol en de positie van het toezicht formeel
ongewijzigd blijft. Het toezicht op de samenwerking ondergaat op zichzelf
geen wijziging. Wel zal gegeven de functie van de Veranderorganisatie
nadere afstemming plaatsvinden tussen de toezichthouders en de Veranderorganisatie
over de werkzaamheden en de bevindingen.
Werkingsduur (artikel 6)
Dit besluit geldt tot het
tijdstip van in werking treden van de artikelen uit de Wet
SUWI die
betrekking hebben op de taken van de Centrale organisatie werk en inkomen en de
Centra voor werk en inkomen. Omdat
dit tijdstip nog niet
vastligt en ook bij koninklijk besluit zal worden vastgesteld, is hier
geregeld dat dit besluit op een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip
zal vervallen.
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
|
|