| |
|
|
|
|
vorige
Algemene bijstandswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2002
BESLUIT
UITKERING GEMEENTEN WET
FINANCIERING ABW, IOAW EN IOAZ VOOR HET JAAR
2002
Vervallen
m.i.v. 1 januari 2003
26 september 2001, Stb. 2001, 459
Inwerkingtreding: 1 januari 2002
Vervalt m.i.v. 1 januari 2003
(T.a.v. art. 5:2 WFA)
|
|
|
BESLUIT van 26 september
2001 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld
in artikel 5 van de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz (Besluit
uitkering gemeenten Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz voor het jaar
2002)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van 11 juli 2001, Directie Bijstandszaken, nr. BZ/BU/2001/44234;
Gelet op artikel 5,
tweede lid, van de Wet
financiering Abw, Ioaw en Ioaz;
De Raad van State
gehoord (advies van 23 augustus 2001, nr. W12.01.0317/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 september 2001, Directie
Bijstandszaken, nr. BZ/BU/2001/57233;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art.
1. Begripsbepaling
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 5,
eerste lid, van de
Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz;
b. gemeentelijke uitkeringslasten 1999: de volgens de
jaaropgave, bedoeld in artikel 7, eerste
lid, onderdeel b, van de Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften
Abw, Ioaw en Ioaz 1996, zoals deze regeling luidde vóór
inwerkingtreding van de Wet financiering Abw, Ioaw en
Ioaz, ten laste van een
gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel 3
van de Wet financiering
Abw, Ioaw en Ioaz, in het jaar 1999, verminderd met de kosten van
bijstand die is verleend met toepassing van artikel
63, tweede lid, van de
Algemene bijstandswet, alsmede met de verstrekte rentedragende
geldleningen en de ontvangen aflossingen op rentedragende geldleningen
uit hoofde van de voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal in
1999 op grond van het Besluit bijstandverlening
zelfstandigen, en vervolgens vermenigvuldigd met het aantal inwoners
van 20 jaar of ouder van de gemeente op 1 januari 2001 gedeeld door het
aantal inwoners van 20 jaar of ouder van de gemeente op 1 januari 1999;
c. objectief vastgestelde
gemeentelijke uitkeringskosten: de objectieve gemeentelijke
uitkeringskosten, bedoeld in
artikel 6.
Art.
2.
Berekening
uitkeringsbedrag en inwonertal gemeenten
-1. Het bedrag van de uitkering wordt voor
het jaar 2002 verschillend berekend voor gemeenten
met:
a. 40 000 of minder inwoners;
b. meer dan 40 000 en minder dan 60
000 inwoners;
c. 60 000 of meer inwoners.
-2. Voor de vaststelling van het aantal
inwoners, bedoeld in het eerste lid, geldt als peildatum 1 januari 2001.
-3. Het aantal inwoners wordt ontleend aan
de statistiek "Bevolking der gemeenten in Nederland op 1
januari" van het Centraal Bureau voor de
Statistiek.
Art.
3.
Berekening
uitkeringsbedrag kleine gemeenten
Voor gemeenten met 40 000 of minder inwoners
wordt het bedrag van de uitkering berekend aan de hand van de volgende
formule:
UG = K : TK 40 000 x
TB40
000
waarbij:
a. UG de uitkering aan de gemeente
is;
b. K de gemeentelijke
uitkeringslasten 1999 zijn;
c. TK40 000
het totaal is van de gemeentelijke uitkeringslasten 1999 van gemeenten
met 40 000 of minder inwoners;
d. TB40 000 het totale
bedrag is dat beschikbaar is voor de uitkeringen aan gemeenten met 40 000
inwoners of minder.
Art.
4.
Berekening
uitkeringsbedrag middelgrote gemeenten
Voor gemeenten met meer dan 40 000 en minder
dan 60 000 inwoners wordt het bedrag van de uitkering berekend aan de
hand van de volgende formule:
UG = {0,5 x (K : TK40 000 - 60 000) x
TB40 000 - 60 000
+ 0,5 x [(1 - M) x (K : TK40 000 - 60 000) + M x
(O : OT40 000 - 60 000)] x
TB40 000 - 60 000}
x C
waarbij:
a. UG de uitkering aan de gemeente
is;
b. K de gemeentelijke
uitkeringslasten 1999 zijn;
c. TK40 000
- 60 000 het totaal is van de
gemeentelijke uitkeringslasten 1999 van gemeenten met meer dan 40 000 en
minder dan 60 000 inwoners;
d. TB40 000
- 60 000 het totale bedrag is dat
beschikbaar is voor de uitkeringen aan gemeenten met meer dan 40 000 en
minder dan 60 000 inwoners;
e. M het aantal inwoners van de
gemeente per 1 januari 2001 is, verminderd met 40 000 en vervolgens
gedeeld door 20 000;
f. O de objectief vastgestelde
gemeentelijke uitkeringskosten zijn;
g. OT40 000
- 60 000 het totaal is van de
objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringskosten van gemeenten met
meer dan 40 000 en minder dan 60 000 inwoners;
h. C de correctiefactor is die
wordt berekend aan de hand van de formule die is opgenomen in de bijlage
welke onderdeel uitmaakt van dit besluit.
Art.
5.
Berekening
uitkeringsbedrag grote gemeenten
Voor gemeenten met 60 000 of meer inwoners
wordt het bedrag van de uitkering berekend aan de hand van de volgende
formule:
UG = 0,5 x (K : TK 60
000)
x TB60 000 + 0,5 x (O :
OT60 000) x
TB60 000
waarbij:
a. UG de uitkering aan de gemeente
is;
b. K de gemeentelijke
uitkeringslasten 1999 zijn;
c. TK60 000
het totaal is van de gemeentelijke uitkeringslasten 1999 van gemeenten
met 60 000 of meer inwoners;
d. TB60 000
het totale bedrag is dat beschikbaar is voor de uitkeringen aan
gemeenten met 60 000 of meer inwoners;
e. O de objectief vastgestelde
gemeentelijke uitkeringskosten zijn;
f. OT60 000 het totaal is
van de objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringskosten van
gemeenten met 60 000 of meer inwoners.
Art.
6.
Objectief
verdeelmodel
De objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringskosten worden
vastgesteld aan de hand van het verdeelmodel dat is opgenomen in de bijlage
welke onderdeel uitmaakt van dit besluit.
Art.
7.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2002 en vervalt
met ingang van 1 januari 2003.
Art.
8.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitkering gemeenten Wet
financiering Abw, Ioaw en Ioaz voor het jaar 2002.
Lasten en bevelen dat dit besluit en de bijlage met de daarbij behorende
nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 26
september 2001
BEATRIX
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend
Uitgegeven de zestiende
oktober 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
NOTA
VAN TOELICHTING
[26 september 2001]
Inleiding
In de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz
(WFA) is in
artikel 3
bepaald dat 75% van de in een kalenderjaar ten laste van gemeenten
gebleven kosten van bijstand en uitkeringen verstrekt op grond van de Abw,
Ioaw en Ioaz door
de
Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) ten laste van ’s Rijks
kas aan hen wordt vergoed. Voor de kosten die niet voor vergoeding in
aanmerking komen, ontvangt een gemeente op grond van artikel 5
van de WFA
van de Minister van SZW jaarlijks ten laste van ’s Rijks kas een
uitkering. Het bedrag van de uitkering wordt volgens bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te stellen regels berekend aan de hand
van het totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkeringen. In het
onderhavige besluit worden regels gesteld voor de berekening van het
bedrag van de uitkering voor het jaar 2002 voor de financiering van
uitkeringslasten die niet voor vergoeding in aanmerking komen.
In
2001 werden de gemeentelijke uitkeringen voor het overgrote deel
(landelijk 99,6%) gebaseerd op het aandeel dat een gemeente in 1998 had
in de totale ten laste van de gemeenten
gebleven kosten van bijstand en uitkeringen verstrekt op grond van de Abw, Ioaw
en
Ioaz als bedoeld in artikel 3
van de WFA, exclusief de verstrekte
rentedragende geldleningen en de ontvangen aflossingen op rentedragende
geldleningen uit hoofde van de voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal in 1998 op grond van het Besluit
bijstandverlening zelfstandigen (Bbz).
Een klein deel van de middelen (landelijk 0,4%)
werd verdeeld naar rato van de verdeling van de houders van een
voorwaardelijke vergunning tot verblijf (VVTV-ers) over de gemeenten.
Ten
opzichte van
de verdeelsleutel 2001 wordt de
verdeelsleutel voor 2002 gewijzigd. Deze wijziging houdt met name
verband met de toepassing van het zogenoemde objectieve verdeelmodel
voor de berekening van de uitkeringen voor gemeenten
met meer dan 40 000 inwoners (peildatum 1 januari 2001 met inachtneming
van de goedgekeurde gemeentelijke herindeling die in 2002 ingaat).
Voorts zal voor het deel van de uitkering dat wordt gebaseerd op het
historisch aandeel, het historisch aandeel 1999 worden gebruikt. Dit
aandeel wordt gecorrigeerd voor de ontwikkeling van het inwonertal in de
gemeente in de periode 1999-2001.
Ten slotte zal bij de verdeling geen rekening
meer worden gehouden met het aantal VVTV-ers in de gemeente. Daarmee
wordt voorkomen dat de verdeelsystematiek nog complexer zou zijn
geworden. Aangezien slechts een zeer gering deel van het totaal aan
beschikbare middelen (het macrobudget) via deze verdeelsleutel werd
verdeeld zijn de gevolgen voor de gemeentelijke uitkeringen zeer
beperkt. In de raming voor het macrobudget wordt wel rekening gehouden
met de landelijke toename van de uitkeringslasten als gevolg van de
instroom in de bijstand van ex-VVTV-ers uit hoofde van de Vreemdelingenwet
2000.
Onderstaand wordt nader
ingegaan op de verdeelsleutel voor 2002.
Verdeelsystematiek 2002
In de
toelichting bij de WFA is aangegeven dat
het de bedoeling is om, na een overgangsperiode, het gebudgetteerde deel
van de uitkeringslasten Abw,
Ioaw en Ioaz te
verdelen op basis van een objectief verdeelmodel. Gemeenten
ontvangen dan middelen voor de
bekostiging van genoemde uitkeringen op grond van een set objectieve,
niet of slechts in beperkte mate door gemeenten te beïnvloeden
kenmerken.
Deze wijze van verdeling doet het meeste recht
aan het uitgangspunt dat gemeenten die een relatief goed beleid voeren
hiervoor in financieel opzicht worden beloond. In de toelichting werd
het volgende tijdpad voor invoering geschetst: om bij de start van het
Fonds werk en inkomen (FWI) herverdeeleffecten zo beperkt mogelijk te
houden, worden in 2001 de middelen voor het gebudgetteerde deel van de
uitkeringslasten verdeeld op basis van het gemeentelijk aandeel in deze
uitkeringslasten in 1998, het zogenoemde historisch aandeel.
Vervolgens worden de gemeentelijke budgetten in
2002 voor 50% gebaseerd op het historisch aandeel (1999) en voor 50% op
objectieve kenmerken. In 2003 vindt de verdeling volledig plaats op
grond van objectieve kenmerken.
Onderzoek in opdracht van
het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft
geresulteerd in een objectief verdeelmodel. Op econometrische gronden is
een model ontwikkeld voor de grotere gemeenten en een model
voor kleinere gemeenten. Deze modellen komen overigens in belangrijke
mate met elkaar overeen.
Voor
de grotere
gemeenten (>50 000 inwoners) voldoet het
ontwikkelde model aan de belangrijkste eisen die aan een verdeelmodel
moeten worden gesteld, namelijk:
• plausibiliteit: de gehanteerde variabelen geven tezamen een
aannemelijke verklaring van de objectieve bijstandsnood van gemeenten;
• transparantie: de werking van het model is ook voor niet-ingewijden
inzichtelijk;
• beperkte herverdeeleffecten: de verschillen tussen de modelmatig
berekende uitkeringslasten en de feitelijke bijstandsuitgaven blijven
binnen de perken.
Ondanks het feit dat er
een apart model is ontwikkeld voor de kleinere gemeenten,
wordt voor deze
gemeenten niet voldaan aan de laatste eis. Bij een aanzienlijk
aantal kleinere gemeenten doen zich grote tot zeer grote herverdeeleffecten
voor die redelijkerwijs niet (geheel) aan het eigen gemeentelijk beleid
kunnen worden toegeschreven.
Op grond van het
bovenstaande is er in overleg met de VNG
[Vereniging van Nederlandse Gemeenten, red.]
ervoor gekozen een differentiatie aan te brengen in de verdeelsystematiek tussen
drie categorieën gemeenten.
1. Voor gemeenten met
minder dan 40 000 inwoners wordt de uitkering 2002 volledig gebaseerd
op het historisch aandeel 1999.
2. Voor gemeenten met
meer dan 60 000 inwoners wordt de uitkering 2002 voor 50% gebaseerd
op het historisch aandeel 1999 en voor 50% op het objectieve verdeelmodel, vermeldt in
bijlage 1 bij dit besluit.
3. Voor gemeenten tussen
40 000 en 60 000 inwoners wordt, afhankelijk van het aantal inwoners,
een glijdende schaal tussen de historische en objectieve verdeelgrondslag gebruikt. Naarmate het inwonertal dichter bij
40 000 inwoners ligt, nadert het deel van de uitkering dat gebaseerd is op
het historisch aandeel
1999 de 100%. Omgekeerd geldt dat naarmate het inwonertal dichter bij 60
000 ligt dit percentage afneemt naar 50%.
Bovenstaande
driedeling betekent dat voor gemeenten met
minder dan 60 000 inwoners wordt afgeweken van het eerder gememoreerde
tijdpad voor de invoering van het objectief verdeelmodel. Gezien de
omvang van de herverdeeleffecten wordt het niet verantwoord geacht het
objectieve model toe te passen voor de kleinere gemeenten. Toepassing
van het objectieve model zou er bovendien toe leiden dat voor gemeenten
die forse negatieve herverdeeleffecten hebben de financiële prikkel
verdwijnt. Tekorten boven de 15% van het budget/ƒ15,- [€|6,81,
red.] per inwoner-grens worden immers op grond van
artikel 8 van de WFA volledig door het
Rijk gecompenseerd. Overigens wordt niet uitgesloten dat op termijn ook
voor de kleinere gemeenten overgeschakeld kan worden op een
(gedeeltelijke) objectieve verdeling.
Berekening
historische grondslag voor de uitkering (historisch aandeel 1999, K:TK)
Voor
het deel van de uitkering dat wordt gebaseerd op het historisch aandeel
1999 wordt gebruik gemaakt van het aandeel dat een gemeente
in 1999 had in de totale ten laste van de (betreffende categorie)
gemeenten gebleven kosten van bijstand en uitkeringen verstrekt op grond
van de Abw,
Ioaw en Ioaz als
bedoeld in artikel 3 van de WFA,
exclusief de verstrekte rentedragende geldleningen en de ontvangen
aflossingen op rentedragende geldleningen uit hoofde van de voorziening
in de behoefte aan bedrijfskapitaal in 1999 op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen
(Bbz). Hierbij wordt gebruikt gemaakt van de gemeentelijke jaaropgave
over 1999.
Dit aandeel wordt gecorrigeerd voor de
ontwikkeling van het aantal inwoners van 20 jaar of ouder in de periode
1999-2001. Hiermee wordt bereikt dat rekening wordt gehouden met de
autonome groei in de bijstandsuitgaven als gevolg van een meer dan
evenredige toename van de bevolkingsomvang in bepaalde gemeenten.
Berekening
objectieve grondslag voor de uitkering (O:OT)
Voor het deel van de
uitkering dat wordt gebaseerd op objectieve kenmerken, wordt gebruik
gemaakt van het objectieve verdeelmodel dat in bijlage 1
is
opgenomen.
Met de leveranciers (met
name het CBS [Centraal
Bureau voor de Statistiek, red.]) zijn afspraken gemaakt betreffende het verstrekken van de gegevens die nodig zijn voor het
bepalen van het deel van
de uitkering dat gemeenten ontvangen op grond van het objectief
verdeelmodel. In de bijlage bij dit besluit is een schema opgenomen waarin de data
zijn omschreven die als objectieve factoren worden aangemerkt met
vermelding van de leverancier en de data waarop de gegevens zijn
gemeten (peildata). Indien na een peildatum een gemeente wordt
heringedeeld, dan zal het ministerie van SZW het aantal eenheden van de
betreffende verdeelmaatstaf voor de nieuwe gemeente (her)berekenen op basis
van de gegevens die bekend zijn van de gemeenten die bij de
herindeling zijn betrokken. Mocht een gemeente met ingang van 2002 worden
heringedeeld nadat de budgetten definitief zijn vastgesteld, dan zal
achteraf het budget van de nieuwe gemeente worden vastgesteld.
Glijdende
schaal historisch/objectief voor gemeenten tussen 40 000 en 60 000
inwoners (M)
Door het hanteren van een
glijdende schaal wordt bewerkstelligd dat er sprake is van een
geleidelijke overgang van een verdeling op historische grondslag naar een
verdeling op basis van objectieve kenmerken. Daarmee wordt voorkomen
dat gemeenten van het ene op het andere jaar geconfronteerd worden met
forse wijzigingen in de omvang van hun uitkering als gevolg van
mutaties in de omvang van de bevolking van 20 jaar of ouder.
Naarmate het aantal
inwoners dichter bij de 40 000 ligt, zal een groter deel van de uitkering
voor de gemeenten tussen 40 000 en 60 000 inwoners worden gebaseerd op het historisch aandeel 1999, M nadert
dan naar nul. Omgekeerd
nadert M één naarmate het aantal inwoners dichter bij 60 000 ligt.
Verdeling macrobudget
over de drie groepen gemeenten
Het
hanteren van drie verschillende verdeelsystemen voor drie categorieën gemeenten
betekent dat de voor alle gemeenten tezamen beschikbare middelen, het
macrobudget, over deze drie categorieën moet worden verdeeld. Deze
verdeling wordt gebaseerd op het objectieve verdeelmodel. De daaruit
voortvloeiende deelbudgetten per gemeentegrootteklasse worden verdeeld
volgens de formules in artikel 3, 4
en 5. De formule in
artikel 4 ter berekening van het deelbudget voor de
middelgrote gemeenten bevat een correctiefactor. Deze correctiefactor is
nodig om ervoor te zorgen dat het totaal van de berekende individuele
gemeentelijke uitkeringen gelijk is aan de totale beschikbare middelen
voor de middelgrote gemeenten.
De verdeling van het
macrobudget op basis van het objectieve verdeelmodel doet recht
aan het uitgangspunt dat (groepen) gemeenten middelen ontvangen naar
rato van hun objectieve behoefte. Nadeel zou kunnen zijn dat
herverdeeleffecten tussen groepen gemeenten optreden. Becijferingen met de
beschikbare gegevens laten zien dat dit zich nauwelijks voordoet.
Cijfervoorbeeld
Ter illustratie van
bovenstaande systematiek wordt onderstaand een fictief cijfervoorbeeld
gegeven. Allereerst wordt de berekeningsmethodiek voor de verdeling van het
macrobudget over de drie categorieën gemeenten
gedemonstreerd.
Vervolgens wordt voor drie fictieve gemeenten, één uit elke categorie, de berekening van de uitkering
getoond.
Om
de deelbudgetten van de drie groepen gemeenten
- gemeenten met meer dan 60 000 inwoners, gemeenten met minder dan 40
000 inwoners en de overige gemeenten - te bepalen, moeten eerst aan de
hand van objectieve factoren de budgetten van alle gemeenten worden
berekend. Daarvoor worden naast het objectieve model voor de grotere
gemeenten ook het objectieve model voor de kleinere gemeenten gebruikt.
De som van al deze budgetten zijn de totale objectief vastgestelde
uitkeringskosten (OT). De som van de budgetten van de kleinere gemeenten
is OT 40
000, van de grotere
gemeenten is OT60 000 en van de overige gemeenten is
OT40 000 - 60 000. Het totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkeringen aan gemeenten
met minder dan 40 000 inwoners (TB40
000) wordt verkregen door
OT40
000 te delen door OT en dit
quotiënt te vermenigvuldigen met het totale bedrag dat beschikbaar is
voor de uitkeringen aan gemeenten (TB). Ter illustratie kan het volgende
fictieve voorbeeld worden gegeven: stel dat 2100 (mln euro’s) over
gemeenten moet worden verdeeld. Het aandeel van de kleinere gemeenten in
het totaal van objectief vastgestelde uitkeringskosten is 0,2. Dan is
voor de kleinere gemeenten als groep 420 (mln euro’s) beschikbaar (zie
tabel 1).
Tabel 1. Bepaling van
budgetten van de drie groepen gemeenten:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Macrobudget
(TB) |
Aandeel
in macrobudget op basis van objectieve factoren |
Deelbudget
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
| Alle
gemeenten: |
xx2100 |
|
|
Gem.
>60 000 inw.:
Gem. <40 000 inw.:
Gem. 40 000 - 60 000 inw.: |
|
xx0,7
xx0,2
xx0,1 |
1470
(TB60 000)
420 (TB40 000)
210 (TB40 000 - 60 000) |
Om de berekening van de
budgetten per gemeente uit te leggen, breiden we het fictieve voorbeeld
uit met de introductie van drie gemeenten, A, B en C. De gegevens van
deze gemeenten staan in tabel 2 vermeld.
Tabel 2. Gegevens van
gemeenten A, B en C en van alle gemeenten tezamen:
|
|
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx| |
Uitkeringslasten
1999 |
Inwoners
1999 |
Inwoners
2001 |
Uitkeringslasten
1999 gecorrigeerdxxxxxxxxxx |
Objectief
vastgestelde kostenxxxxxxxxxxxxxxx|| |
x
Alle gemeenten:
x |
2500 |
|
|
2550
(TK) |
2000
(OT) |
x
Gem. >60 000 inw.:
Gem. <40 000 inw.:
Gem. 40 000 - 60 000 inw.:
x |
|
|
|
1811
(TK60 000)
497 (TK40 000)
242 (TK40 000 - 60 000) |
1400
(OT60 000)
400 (OT40 000)
200 (OT40 000 - 60 000) |
x
Gem. A (>60 000 inw.):
Gem. B (<40 000 inw.):
Gem. C (40 000 - 60 000 inw.):
x |
80
5
25 |
120
000
10 000
43 000 |
122
000
10 100
43 500 |
81,3
5,05
25,3 |
75
x
27 |
|
|
Om
het budget van
gemeente A te bepalen, moet rekening worden
gehouden met de differentiatie in de verdeelsystematiek tussen de drie
categorieën gemeenten. Gemeente A hoort tot de grotere gemeenten en de
uitkering wordt voor 50% gebaseerd op het historische deel en 50% op het
objectieve verdeelmodel. Het historische deel wordt als volgt berekend:
het budget van 1999 wordt gecorrigeerd vanwege de stijging van het
aantal inwoners van 20 jaar of ouder met 1,7% (122 000 gedeeld door 120
000) en komt op 81,3 (mln euro’s). Het aandeel van dit budget in de
som van alle per gemeente gecorrigeerde budgetten binnen de categorie
van grotere gemeenten is 0,045 (81,3 gedeeld door 1811). Dit aandeel
moet met het budget van de grotere gemeenten vermenigvuldigd worden
(1470, zijnde TB60
000) om het
historische deel te verkrijgen. Dit deel is 66,0 (mln euro’s).
De berekening van het objectieve deel is als
volgt: eerst wordt het aandeel in het totale objectieve budget van
grotere gemeenten bepaald (75/1400 = 0,0536). Uitgaande van het budget
van de grotere gemeenten (1470) betreft dit aandeel 78,8 (mln euro’s).
Tot slot moet de helft van het historische deel
en de helft van het objectieve deel met elkaar opgeteld worden: 0,5 x
66,0 + 0,5 x 78,8 = 72,4 (mln euro’s). Gemeente A krijgt dus als
budget €|72,4 miljoen.
De uitkering van gemeente B
wordt geheel via historische kostenaandelen bepaald. Eerst wordt het
bedrag aan uitkeringslasten van 1999 opgehoogd vanwege de groei van de
gemeentelijke bevolking: 5 x 10 100/10 000 = 5,05 (mln euro’s). Het
aandeel in de totale (gecorrigeerde) uitkeringslasten van de kleinere
gemeenten is 5,05/497 = 0,01. Om de uitkering voor gemeente B te
verkrijgen, moet dit aandeel vermenigvuldigd worden met het beschikbare
bedrag voor uitkeringen aan kleinere gemeenten: 0,01 x 420 = 4,3 (mln
euro’s).
De berekening van het historische deel van de uitkering voor gemeente C
gaat op dezelfde wijze: het aandeel in de gecorrigeerde uitkeringslasten
van 1999 is ruim 0,1 (25,3/242); uitgaande van het beschikbare bedrag
voor gemeenten tussen de 40 000 en 60 000
inwoners van 210 (mln euro’s) komt dit aandeel op 21,9 (mln euro’s)
uit.
De berekening van het tweede deel van de
uitkering voor gemeente C wordt gecompliceerd door het feit dat voor de
gemeenten met een inwonertal tussen de 40 000 en 60 000 een glijdende
overgang (M) tussen de methodiek voor de kleinere gemeenten (historische
kostenaandelen) en de methodiek van de grotere gemeenten (objectieve
factoren) geldt. De bepaling van dit deel van de uitkering zullen we in
dit voorbeeld de berekening van het "combinatie"-deel noemen.
Aangezien gemeente C (per 1 januari 2001) 43 500 inwoners heeft,
bedraagt M: 3500/20 000 = 0,175. Dit betekent dat van het combinatiedeel
1 - 0,175 = 0,825 bepaald wordt door historische kostenaandelen en 0,175
deel door objectieve factoren. De 0,875 moet dus met het aandeel van de
historische kosten, ruim 0,1, worden vermenigvuldigd, hetgeen 0,09
oplevert. De 0,175 moet met het aandeel van gemeente C in de op
objectieve wijze vastgestelde kosten (27/200 = 0,135) worden
vermenigvuldigd; dit geeft 0,02 als resultaat. Het
"combinatie"-deel komt dan op ruim 0,1, ofwel 23,0 (mln euro’s)
uit (uitgaande van het beschikbare bedrag voor gemeenten tussen de 40
000 en 60 000 inwoners).
De (ongecorrigeerde) uitkering van gemeente C
wordt nu gekregen door 50% van het historische deel op te tellen bij 50%
van het "combinatie"-deel: 50% van 21,9 (mln euro’s) plus
50% van 23,0 (mln euro’s) komt uit op 22,5 (mln euro’s).
Om er zorg voor te dragen dat de aldus
berekende uitkeringen van alle gemeenten in de klasse van middelgrote
gemeenten tot het voor deze groep gemeenten beschikbare bedrag optelt,
dient de berekende uitkering gecorrigeerd te worden met de factor uit artikel 4
(zie ook de bijlage bij dit besluit). Toepassing
van de correctiefactor zal ertoe leiden dat de uiteindelijke uitkering
voor gemeente C enigszins zal afwijken van €|22,5
miljoen.
Dit besluit is conform
artikel 5, derde lid, van de WFA
aan beide kamers der Staten-Generaal voorgelegd.
Dit besluit is van toepassing op het vergoedingsjaar 2002.
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend
BIJLAGE
behorende bij
artikel 6 van het Besluit uitkering gemeenten Wet financiering Abw, Ioaw
en Ioaz voor het jaar 2002
OBJECTIEF VERDEELMODEL
Bij de berekening van de
uitkeringsbedragen voor gemeenten
met meer dan 40 000 inwoners (artikelen 4 en 5)
wordt gebruik gemaakt van objectief vastgestelde gemeentelijke
uitkeringskosten. De objectieve gemeentelijke uitkeringskosten worden,
op grond van artikel 6, vastgesteld aan de hand van
een verdeelmodel, het zogenoemde objectief verdeelmodel. Dit objectief
verdeelmodel is opgenomen in deze bijlage.
De objectieve uitkeringskosten van gemeenten
met meer dan 40 000 inwoners worden vastgesteld met behulp van tien
verdeelmaatstaven met bijbehorende bedragen.
Onderdeel A van deze bijlage geeft informatie
over de verdeelmaatstaven:
• een beschrijving van de verdeelmaatstaven;
• de bron die per gemeente het aantal eenheden per verdeelmaatstaf
levert (onder eenheid wordt de meeteenheid verstaan waarin de
verdeelmaatstaf wordt uitgedrukt, zoals percentage, aandeel e.d.); ¹
• het peiljaar waarop dit aantal betrekking heeft.
In onderdeel B worden de bedragen per
verdeelmaatstaf vermeld.
1. In de tabel die in
onderdeel B is opgenomen, staan de eenheden tussen haakjes vermeld.
Berekeningswijze
objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringskosten
Het
bedrag aan objectief vastgestelde uitkeringskosten van een gemeente
wordt verkregen door eerst de kosten per hoofd van de gemeentelijke
bevolking (van 20 jaar of ouder) te bepalen en daarna deze kosten te
vermenigvuldigen met het aantal inwoners van de gemeente van 20 jaar of
ouder.
De kosten per hoofd worden berekend door het
aantal eenheden per verdeelmaatstaf voor die gemeente te
vermenigvuldigen met het bedrag per eenheid. Als bijvoorbeeld de
bevolking van gemeente X voor 28,2 procent bestaat uit inwoners met een
laag inkomen, dan wordt dit getal (28,2 : het aantal van de eenheid)
vermenigvuldigd met - het in de tabel van onderdeel B bij deze
verdeelmaatstaf genoemde bedrag van - 25,974 euro’s. Zo wordt voor
elke verdeelmaatstaf het voor gemeente X geldend aantal eenheden
vermenigvuldigd met het bijbehorende bedrag per eenheid. De optelling
van al deze bedragen geeft, met de toevoeging van een basisbedrag, de
objectief vastgestelde uitkeringskosten per inwoner (van 20 jaar of
ouder) van gemeente X.
Het basisbedrag is het bedrag dat voor iedere
gemeente met meer dan 40 000 inwoners dezelfde waarde heeft. Deze waarde
is op dezelfde wijze berekend als de bedragen per eenheid van de
verdeelmaatstaven.
A. Verdeelmaatstaven
Het schema geeft de
verdeelmaatstaven weer en de factoren op basis waarvan de eenheden van
die verdeelmaatstaven worden vastgesteld. Zo staat bijvoorbeeld niet alleen de verdeelmaatstaf
"lage inkomens"
vermeld, maar ook "personen met inkomen" om het aantal in de bij deze verdeelmaatstaf behorende
eenheid, "het percentage van inwoners met inkomen", te kunnen
uitdrukken.
x
Naam variabele
xxxxxxxxxxxxxx |
x
Omschrijving
xxxxxxxxxxxxx |
x
x|Peildatumx|
xxxxxxxxx| |
x
Bron
xxxxxxxxxxxxx |
| Gemeentenaam |
De
naam van gemeente |
1
januari |
CBS
(Statline) |
| Gemeentecode |
De
bijbehorende code van de gemeente |
1
januari |
CBS
(Statline) |
| Inwonertal |
Het aantal
inwoners |
1
januari |
CBS
(Statline) |
| Inwoners tussen 20 en 65
jaar |
Het aantal inwoners van 20 t/m
64 jaar |
1
januari |
CBS
(Statline) |
| Inwoners vanaf 65 jaar |
Het aantal inwoners van 65 jaar of ouder |
1
januari |
CBS
(Statline) |
| Regionaal
klantenpotentieel |
Het aantal potentiële klanten
dat een woonkern van een gemeente aantrekt uit
alle woonkernen binnen een
straal van 60 km rondom de eigen woonkern, met inbegrip
van die woonkern zelf |
1
januari |
CBS
(Statline) |
| Lage inkomens |
Het aantal
personen met 52 weken inkomen in het 2e,
3e en 4e deciel van de
landelijke verdeling van het
besteedbaar inkomen |
verslagjaar |
CBS
(Statline/RIO) |
| Personen met inkomen |
Totaal aantal personen met 52 weken inkomen behorend
bij de 10%-groepen van de landelijke verdeling van
het besteedbaar inkomen |
|
CBS
(Statline/RIO) |
Eenouder-
huishoudens |
Het
aantal eenouder-
huishoudens |
1
januari |
CBS
(Statline) |
| Verhuizingen |
Totaal
aantal personen dat uit de gemeente is vertrokken
en zich elders binnen
Nederland heeft gevestigd |
|
CBS
(Statline) |
| Allochtonen |
Alle personen
van wie minstens één ouder in
het buitenland is geboren |
1
januari |
CBS
(Statline) |
| Vrouwelijke inwoners
25-29 jaar |
Het aantal vrouwen vanaf 25
t/m 29 jaar |
1
januari |
CBS
(Statline) |
| Totale beroepsbevolking |
Aantal personen behorend tot de beroepsbevolking |
verslagjaar |
CBS
(Statline) |
| Werkzame beroepsbevolking |
Aantal personen behorend tot de werkzame
beroepsbevolking |
verslagjaar |
CBS
(Statline) |
Omgevingsadressen-
dichtheid |
Het gemiddeld aantal adressen per km² dat een adres in
zijn omgeving heeft. Als
omgeving van een adres wordt een
cirkel aangehouden van 1 km rondom dat adres |
1
januari |
CBS
(Statline) |
| Huurwoningen |
Het aantal
huurwoningen (inclusief sociale huurwoningen) |
1
januari |
VROM |
| Woningaanbod |
Totaal
aantal woningen |
1
januari |
VROM |
| Arbeidsongeschikten |
Het
aantal personen met een AAW/WAO -uitkering |
31
december |
CBS |
Toelichting
1. Bij de vaststelling
van de objectieve gemeentelijke uitkeringskosten, bedoeld in artikel
6,
worden de verdeelmaatstaven gehanteerd die hierboven zijn
omschreven.
2. Bij de vaststelling
van de objectieve gemeentelijke uitkeringskosten stelt Onze Minister zo
nodig het aantal eenheden per verdeelmaatstaf voor de gemeente
vast. Voor zover bij een verdeelmaatstaf een bron is
vermeld, kan Onze
Minister het aantal eenheden ontlenen aan een opgave van het vermelde orgaan
of de vermelde instantie.
3. De vaststelling van
het aantal eenheden per verdeelmaatstaf voor een gemeente geschiedt
naar de toestand op 1 januari 2001, tenzij een andere peildatum bij een verdeelmaatstaf is vermeld. In dat geval
geschiedt de vaststelling
naar de toestand op deze datum.
4. Indien op grond van
punt 3 een peildatum moet worden gehanteerd die ligt vóór de datum
van instelling van de gemeente of vóór de datum waarop de grenzen van de
gemeente zijn gewijzigd, stelt Onze Minister het aantal eenheden vast
op basis van een redelijke schatting van de toestand zoals die op de
peildatum zou zijn geweest als de instelling of de wijziging op die datum
reeds was ingegaan.
5. Bij vaststelling van
het aantal eenheden per verdeelmaatstaf gaat Onze Minister uit van de
op het moment van vaststelling door het parlement goedgekeurde
indeling van gemeenten voor 2002. Bij verandering van de gemeentelijke
indeling voor 2002 na het moment van vaststelling stelt Onze
Minister voor de nieuwe gemeenten het aantal eenheden vast op basis
van een redelijke inschatting van de toestand zoals die op het moment
van vaststelling zou zijn geweest als de instelling of de wijziging op die
datum reeds was ingegaan.
B.
Bedragen per eenheid voor gemeenten met 40 000 of meer inwoners
Tabel. Bedragen per
eenheid van de verdeelmaatstaf voor de 40 000+-gemeenten:
|
x
Verdeelmaatstaf
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
||Gewicht||
(euro's) |
| 1. |
Lage inkomens (in %
van de personen met inkomen) |
25,9740 |
| 2. |
Eenouderhuishoudens
(in % van inwoners 20 t/m 64 jaar) |
50,9500 |
| 3. |
Verhuizingen (vertrek
per 100 inwoners) |
14,7700 |
| 4. |
Arbeidsongeschikten
(in % van inwoners 20 t/m 64 jaar) |
-
16,2500 |
| 5. |
Totaal allochtonen (in
% van alle inwoners) |
2,7430 |
| 6. |
Vrouwen
25 t/m 29 jaar
(in % van inwoners 20 t/m 64 jaar) |
35,6010 |
| 7. |
Huurwoningen (in % van
alle woningen) |
3,0580 |
| 8. |
Werkzame
beroepsbevolking (in % totale gemeentelijke beroepsbevolking) |
-
23,9080 |
| 9. |
Regionaal
klantenpotentieel (x 1000 klanten) |
0,1300 |
| 10. |
Omgevingsadressendichtheid (aantal adressen per km²) |
-
0,0271 |
| Basisbedrag |
1 346,4965 |
C. Correctiefactor
middelgrote gemeenten
In het geval van
gemeenten met meer dan 40 000 en minder dan 60 000 inwoners moet de
uitkering - conform artikel 4 - gecorrigeerd worden met de factor C. Deze
correctiefactor is nodig om aan de randvoorwaarde te voldoen dat de som van de
uitkeringen aan de middelgrote gemeenten gelijk moet zijn aan het
totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkeringen aan deze gemeenten.
De correctiefactor wordt aan de hand van de volgende formule
berekend, waarbij i 0 {middelgrote
gemeente}:

|
|
|
|