| |
|
|
|
|
vorige
Algemene bijstandswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2003
BESLUIT
UITKERING GEMEENTEN WET
FINANCIERING ABW, IOAW EN IOAZ VOOR HET JAAR 2003
Vervallen
m.i.v. 1 januari 2004
16 december 2002, Stb. 2002, 643
Inwerkingtreding: 1 januari 2003
Vervalt m.i.v. 1 januari 2004
(T.a.v. art. 5:2 WFA)
|
|
|
BESLUIT van 16 december
2002 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld
in artikel 5 van de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz (Besluit
uitkering gemeenten Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz voor het jaar 2003)
WIJ BEATRIX, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz.
enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid, M. Rutte, van 18 november 2002, Directie
Bijstand en Gemeentelijk Activeringsbeleid, nr.
B&GA/BR&I/02/73053-b;
Gelet op artikel
5, tweede lid, van de Wet
financiering Abw, Ioaw en Ioaz;
De Raad van State
gehoord (advies van 28 november 2002, nr. W.12.02.516);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M. Rutte, van 13
december 2002, Directie Bijstand en Gemeentelijk Activeringsbeleid, nr.
B&GA/BR&I/02/92820;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art.
1. Begripsbepaling
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel
5, eerste lid, van de
Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz;
b. gemeentelijke uitkeringslasten 2000: de volgens de jaaropgave,
bedoeld in artikel 7,
eerste lid, onderdeel b, van de Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften
Abw, Ioaw en Ioaz 1996, zoals deze regeling luidde vóór
inwerkingtreding van de Wet financiering Abw, Ioaw en
Ioaz, ten laste van een
gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel 3 van de Wet financiering
Abw, Ioaw en Ioaz, in het jaar 2000, verminderd met de kosten van
bijstand die is verleend met toepassing van artikel
63, tweede lid, van de
Algemene bijstandswet, alsmede met de verstrekte rentedragende geldleningen en de ontvangen aflossingen op rentedragende
geldleningen uit hoofde van de voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal in
2000 op grond van het Besluit bijstandverlening
zelfstandigen, en
vervolgens vermenigvuldigd met het aantal inwoners van 20 jaar of ouder van
de gemeente op 1 januari 2002 gedeeld door het aantal inwoners van 20
jaar of ouder van de gemeente op 1 januari 2000;
c. objectief vastgestelde
gemeentelijke uitkeringskosten: de objectieve gemeentelijke uitkeringskosten, bedoeld in
artikel 6.
Art. 2.
Berekening
uitkeringsbedrag en inwonertal gemeenten
-1. Het bedrag van de
uitkering wordt voor het jaar 2003 verschillend berekend voor gemeenten
met:
a. 40 000 of minder
inwoners;
b. meer dan 40 000 en
minder dan 60 000 inwoners;
c. 60 000 of meer
inwoners.
-2. Voor de vaststelling
van het aantal inwoners, bedoeld in het eerste lid, geldt als peildatum
1 januari 2002.
-3. Het aantal inwoners
wordt ontleend aan de statistiek "Bevolking der gemeenten in Nederland op
1 januari" van het Centraal Bureau voor de
Statistiek.
Art. 3.
Berekening
uitkeringsbedrag kleine gemeenten
Voor gemeenten met 40 000
of minder inwoners wordt het bedrag van de uitkering berekend aan
de hand van de volgende formule:
UG = K : TK 40 000 x
TB40
000
waarbij:
a. UG de uitkering aan de
gemeente is;
b. K de gemeentelijke
uitkeringslasten 2000 zijn;
c. TK40 000 het totaal is
van de gemeentelijke uitkeringslasten 2000 van gemeenten met 40 000 of
minder inwoners;
d. TB40 000 het totale
bedrag is dat beschikbaar is voor de uitkeringen aan gemeenten met 40 000
inwoners of minder.
Art. 4.
Berekening
uitkeringsbedrag middelgrote gemeenten
Voor gemeenten met meer
dan 40 000 en minder dan 60 000 inwoners wordt het bedrag van de
uitkering berekend aan de hand van de volgende formule:
UG = [(1 - M) x (K :
TK40 000 - 60 000) + M x
(O : OT40 000 - 60 000)] x
TB40 000 - 60 000 x C
waarbij:
a. UG de uitkering aan de
gemeente is;
b. K de gemeentelijke
uitkeringslasten 2000 zijn;
c. TK40 000
- 60 000 het
totaal is van de gemeentelijke uitkeringslasten 2000 van gemeenten met meer
dan 40 000 en minder dan 60 000 inwoners;
d. TB40 000
- 60 000 het
totale bedrag is dat beschikbaar is voor de uitkeringen aan gemeenten
met meer dan 40 000 en minder dan 60 000 inwoners;
e. M het aantal inwoners
van de gemeente per 1 januari 2002 is, verminderd met 40 000 en
vervolgens gedeeld door 20 000;
f. O de objectief
vastgestelde gemeentelijke uitkeringskosten zijn;
g. OT40 000
- 60 000 het
totaal is van de objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringskosten van
gemeenten met meer dan 40 000 en minder dan 60 000 inwoners;
h. C de correctiefactor
is die wordt berekend aan de hand van de formule die is opgenomen
in de bijlage welke onderdeel uitmaakt van dit besluit.
Art. 5.
Berekening
uitkeringsbedrag grote gemeenten
Voor gemeenten met 60 000
of meer inwoners wordt het bedrag van de uitkering berekend aan de
hand van de volgende formule:
UG = (O :
OT60 000) x
TB60 000
waarbij:
a. UG de uitkering aan de
gemeente is;
b. O de objectief
vastgestelde gemeentelijke uitkeringskosten zijn;
c. OT60 000 het totaal is
van de objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringskosten van
gemeenten met 60 000 of meer inwoners;
d. TB60 000 het totale
bedrag is dat beschikbaar is voor de uitkeringen aan gemeenten met 60 000
of meer inwoners.
Art. 6.
Objectief
verdeelmodel
De objectief vastgestelde
gemeentelijke uitkeringskosten worden vastgesteld aan de hand
van het verdeelmodel dat is opgenomen in de bijlage
welke onderdeel
uitmaakt van dit besluit.
Art. 7.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in
werking met ingang van 1 januari 2003 en vervalt met ingang van 1 januari
2004.
Art. 8.
Citeertitel
Dit besluit wordt
aangehaald als: Besluit uitkering gemeenten Wet financiering Abw, Ioaw en
Ioaz voor het jaar 2003.
Lasten en bevelen dat dit besluit en de bijlage met de daarbij behorende
nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 16
december 2002
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
Uitgegeven de vierentwintigste
december 2002
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
NOTA
VAN TOELICHTING
[16
december 2002]
Inleiding
In de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz (WFA) is in
artikel 3
bepaald
dat 75% van de in een kalenderjaar ten laste van gemeenten gebleven
kosten van bijstand en uitkeringen verstrekt op grond van de Abw,
Ioaw en Ioaz door de
Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) ten laste van ’s Rijks
kas aan haar [hen, red.] wordt vergoed. Voor de kosten die niet voor vergoeding in
aanmerking komen, ontvangt een gemeente op grond van artikel
5 van de WFA
van de Minister van SZW jaarlijks ten laste van ’s Rijks kas een
uitkering. Het bedrag van de uitkering wordt volgens bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te stellen regels berekend aan de hand van het totale
bedrag dat beschikbaar is voor de uitkeringen. In het onderhavige besluit
worden regels gesteld voor de berekening van het bedrag van de uitkering
voor het jaar 2003 voor de financiering van uitkeringslasten die niet op grond van
artikel
3 van de WFA
voor vergoeding in aanmerking komen.
Verdeelsystematiek
2003
In de toelichting bij de
WFA is aangegeven dat het de bedoeling is om, na een
overgangsperiode, het gebudgetteerde deel van de uitkeringslasten Abw,
Ioaw en Ioaz
te verdelen op basis van een objectief verdeelmodel. Gemeenten
ontvangen dan middelen voor de bekostiging van genoemde uitkeringen op
grond van een set objectieve, niet of slechts in beperkte mate door
gemeenten te beïnvloeden kenmerken.
Deze
wijze van verdeling doet het meeste recht aan het uitgangspunt dat gemeenten
die een relatief goed beleid voeren hiervoor in financieel opzicht
worden beloond. In de toelichting bij de
WFA werd het volgende tijdpad voor invoering geschetst: om
bij de start van het Fonds werk en inkomen (FWI) herverdeeleffecten zo
beperkt mogelijk te houden, worden in 2001 de middelen voor het
gebudgetteerde deel van de uitkeringslasten verdeeld op basis van het
gemeentelijke aandeel in deze uitkeringslasten in 1998, het zogenoemde
historische deel. Vervolgens worden de gemeentelijke budgetten in 2002
voor 50% gebaseerd op het historische aandeel (1999) en voor 50% op
objectieve kenmerken. In 2003 vindt de verdeling volledig plaats op
grond van objectieve kenmerken.
Onderzoek
in opdracht van het ministerie van SZW heeft
geresulteerd in een objectief verdeelmodel. Op econometrische gronden is
een model ontwikkeld voor de grotere gemeenten
en een model voor kleinere gemeenten. Deze modellen komen overigens in
belangrijke mate met elkaar overeen.
Voor de
grotere gemeenten (>50 000
inwoners) voldoet het ontwikkelde model aan de belangrijkste eisen die
aan een verdeelmodel moeten worden gesteld, namelijk:
• plausibiliteit: de gehanteerde variabelen geven tezamen een
aannemelijke verklaring van de objectieve bijstandsnood van gemeenten;
• transparantie: de werking van het model is ook voor niet-ingewijden
inzichtelijk;
• beperkte herverdeeleffecten: de verschillen tussen de modelmatig
berekende uitkeringslasten en de feitelijke bijstandsuitgaven blijven
binnen de perken.
Ondanks
dat er een apart model is ontwikkeld voor de kleinere gemeenten
wordt voor deze gemeenten niet voldaan aan de laatste eis. Bij een
aanzienlijk aantal kleine gemeenten doen zich grote tot zeer grote
herverdeeleffecten voor die redelijkerwijs niet (geheel) aan het eigen
gemeentelijk beleid kunnen worden toegeschreven.
Op grond
van bovenstaande is voor het vergoedingsjaar 2002 in het overleg met de
VNG [Vereniging van Nederlandse Gemeenten, red.]
ervoor gekozen een differentiatie aan te brengen in de
verdeelsystematiek tussen drie categorieën gemeenten.
De verdeelsystematiek voor het jaar 2002 was als volgt:
1. Voor gemeenten met minder dan 40 000 inwoners wordt de uitkering 2003
volledig gebaseerd op het historisch aandeel 2000.
2. Voor gemeenten met meer dan 60 000 inwoners wordt de uitkering 2002
voor 50% gebaseerd op het historische aandeel 1999 en voor 50% op het
objectieve verdeelmodel.
3. Voor gemeenten tussen 40 000 en 60 000 inwoners wordt, afhankelijk
van het aantal inwoners, een glijdende schaal tussen de historische en
objectieve verdeelgrondslag gebruikt. Naarmate het inwonertal dichter
bij 40 000 inwoners ligt, nadert het deel van de uitkering dat gebaseerd
is op het historische aandeel 1999 de 100%. Omgekeerd geldt dat naarmate
het inwonertal dichter bij 60 000 inwoners ligt dit percentage afneemt
naar 50%.
Voor het
jaar 2003 geldt eenzelfde indeling in drie categorieën gemeenten.
Nieuw is evenwel de volledige toepassing van het objectieve verdeelmodel
voor de grotere gemeenten. Bijgevolg wijzigt ook de verdeelsystematiek
voor de middelgrote gemeenten.
De
verdeelsystematiek voor het jaar 2003 luidt als volgt:
1. Voor gemeenten met minder
dan 40 000 inwoners wordt de uitkering 2003 volledig gebaseerd op het
historisch aandeel 2000.
2. Voor gemeenten met meer dan 60 000 inwoners wordt de uitkering 2003
volledig gebaseerd op het objectieve verdeelmodel vermeld in bijlage
1 bij dit besluit.
3. Voor gemeenten tussen 40 000 en 60 000 inwoners wordt, afhankelijk
van het aantal inwoners, een glijdende schaal tussen de historische en
objectieve verdeelgrondslag gebruikt. Naarmate het inwonertal dichter
bij 40 000 inwoners ligt, nadert het deel van de uitkering dat gebaseerd
is op het historische aandeel 2000 de 100%. Omgekeerd geldt dat naarmate
het inwonertal dichter bij 60 000 inwoners ligt dit percentage afneemt
naar 0%.
Bovenstaande driedeling betekent dat voor gemeenten
met minder dan 60 000 inwoners wordt afgeweken van het eerder
gememoreerde tijdpad voor de invoering van het objectief verdeelmodel.
Gezien de omvang van de herverdeeleffecten wordt het niet verantwoord
geacht het objectieve model toe te passen voor de kleinere gemeenten.
Toepassing van het objectieve model zou er bovendien toe leiden dat voor
gemeenten die forse negatieve herverdeeleffecten hebben de financiële
prikkel verdwijnt. Tekorten boven de grens van 15% van het budget
respectievelijk €|6,81
per inwoner worden immers op grond van artikel 8 van de WFA
volledig door het Rijk gecompenseerd. Overigens wordt niet uitgesloten
dat op termijn ook voor de kleinere gemeenten overgeschakeld kan worden
op een (gedeeltelijke) objectieve verdeling.
Berekening
historische grondslag voor de uitkering (historische aandeel 2000, K:TK)
Voor het deel van de uitkering dat wordt
gebaseerd op het historisch aandeel 2000 wordt gebruik gemaakt van het
aandeel dat een gemeente in 2000
had in de totale ten laste van de (betreffende categorie) gemeenten
gebleven kosten van bijstand en uitkeringen verstrekt op grond van de Abw,
Ioaw en Ioaz
als bedoeld in artikel 3 van de WFA, exclusief
de verstrekte rentedragende geldleningen en de ontvangen aflossingen op
rentedragende geldleningen uit hoofde van de voorziening in de behoefte
aan bedrijfskapitaal in 2000 op grond van het Besluit
bijstandverlening zelfstandigen (Bbz). Hierbij wordt gebruik
gemaakt van de gemeentelijke jaaropgave over 2000.
Dit aandeel wordt gecorrigeerd voor de
ontwikkeling van het aantal inwoners van 20 jaar of ouder in de periode
2000-2002. Hiermee wordt bereikt dat rekening wordt gehouden met de
autonome groei in de bijstandsuitgaven als gevolg van een meer dan
evenredige toename van de bevolkingsomvang in bepaalde gemeenten.
Berekening
objectieve grondslag voor de uitkering (O:OT)
Voor het deel van de uitkering dat wordt
gebaseerd op objectieve kenmerken wordt gebruik gemaakt van het
objectieve verdeelmodel dat in bijlage
1 is opgenomen.
Met de leveranciers (met name het CBS [Centraal
Bureau voor de Statistiek, red.]) zijn afspraken gemaakt
betreffende het verstrekken van de gegevens die nodig zijn voor het
bepalen van het deel van de uitkering dat gemeenten
ontvangen op grond van het objectieve verdeelmodel. In de bijlage
bij
dit besluit is een schema opgenomen waarin de data zijn omschreven die
als objectieve factoren worden aangemerkt met vermelding van de
leverancier en de data waarop de gegevens zijn gemeten (peildata).
Indien na een peildatum een gemeente wordt heringedeeld, dan zal het ministerie
van SZW het aantal eenheden van de betreffende verdeelmaatstaf voor
de nieuwe gemeente (her)berekenen op basis van de gegevens die bekend
zijn van de gemeenten die bij de herindeling zijn betrokken. Mocht een
gemeente met ingang van 2003 worden heringedeeld nadat de budgetten
definitief zijn vastgesteld, dan zal achteraf het budget voor de nieuwe
gemeente worden vastgesteld.
Glijdende
schaal historisch/objectief voor gemeenten tussen 40 000 en 60 000
inwoners (M)
Door het hanteren van een glijdende schaal
wordt bewerkstelligd dat er sprake is van een geleidelijke overgang van
een verdeling op historische grondslag naar een verdeling op basis van
objectieve kenmerken. Daarmee wordt voorkomen dat gemeenten
van het ene op het andere jaar geconfronteerd worden met forse
wijzigingen in de omvang van hun uitkering als gevolg van mutaties in de
omvang van de bevolking van 20 jaar of ouder.
Naarmate het aantal inwoners dichter bij de 40
000 ligt, zal een groter deel van de uitkering voor de gemeenten met een
inwonertal tussen 40 000 en 60 000 inwoners worden gebaseerd op het
historisch aandeel 2000; M nadert in dat geval de waarde nul. Omgekeerd
nadert M de waarde één naarmate het aantal inwoners dichter bij 60 000
ligt.
Verdeling
macrobudget over de drie groepen gemeenten
Het hanteren van drie verschillende
verdeelsystemen voor drie categorieën gemeenten
betekent dat de voor alle gemeenten tezamen beschikbare middelen, het
macrobudget, over deze drie categorieën moet worden verdeeld. Deze
verdeling wordt gebaseerd op het objectieve verdeelmodel. De daaruit
voortvloeiende deelbudgetten per gemeentegrootteklasse worden verdeeld
volgens de formules in artikel 3, 4 en
5. De formule in artikel 4 ter
berekening van het deelbudget voor de middelgrote gemeenten bevat een
correctiefactor. Deze correctiefactor is nodig om ervoor te zorgen dat
het totaal van de berekende individuele gemeentelijke uitkeringen gelijk
is aan de totale beschikbare middelen voor de middelgrote gemeenten.
De
verdeling van het macrobudget op basis van het objectieve verdeelmodel
doet recht aan het uitgangspunt dat (groepen van) gemeenten
middelen ontvangen naar rato van hun objectieve behoefte. Nadeel zou
kunnen zijn dat herverdeeleffecten tussen groepen gemeenten optreden.
Becijferingen met de beschikbare gegevens laten zien dat dit zich
nauwelijks voordoet.
Cijfervoorbeeld
Ter illustratie van bovenstaande systematiek
wordt een fictief cijfervoorbeeld gegeven. Allereerst wordt de
berekeningsmethodiek voor de verdeling van het macrobudget over de drie
categorieën gemeenten
gedemonstreerd. Vervolgens wordt voor drie fictieve gemeenten, één uit
elke categorie, de berekening van de uitkering getoond.
Om de
deelbudgetten van de drie groepen gemeenten
- gemeenten met meer dan 60 000 inwoners, gemeenten met minder dan 40
000 inwoners en de overige gemeenten - te bepalen, moeten eerst aan de
hand van objectieve factoren de budgetten van alle gemeenten worden
berekend. Daarvoor worden naast het objectieve model voor de grote
gemeenten ook het objectieve model voor de kleinere gemeenten gebruikt.
De som van al deze budgetten zijn de totale objectief vastgestelde
uitkeringskosten (OT). De som van de budgetten van de kleinere gemeenten
is OT 40 000,
van de grotere gemeenten is OT60 000
en van de overige gemeenten is OT40 000-60 000.
Het totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkeringen aan gemeenten
met minder dan 40 000 inwoners (TB40 000)
wordt verkregen door OT40 000
te delen door OT en dit quotiënt te vermenigvuldigen met het totale
bedrag dat beschikbaar is voor de uitkeringen aan gemeenten (TB). Ter
illustratie kan het volgende fictieve voorbeeld worden gegeven: stel dat
2100 (mln euro’s) over gemeenten moet worden verdeeld. Het aandeel
van de kleinere gemeenten in het totaal van objectief vastgestelde
uitkeringskosten is 0,2. Dan is voor de kleinere gemeenten als groep 420
(mln euro’s) beschikbaar (zie tabel 1).
Tabel 1. Bepaling van
budgetten van de drie groepen gemeenten:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Macrobudget
(TB) |
Aandeel
in macrobudget op basis van objectieve factoren |
Deelbudget
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
| Alle
gemeenten: |
xx2100 |
|
|
Gem.
>60 000 inw.:
Gem. <40 000 inw.:
Gem. 40 000 - 60 000 inw.: |
|
xx0,7
xx0,2
xx0,1 |
1470
(TB60 000)
420 (TB40 000)
210 (TB40 000 - 60 000) |
Om de berekening van de
budgetten per gemeente uit te leggen, breiden we het fictieve voorbeeld
uit met de introductie van drie gemeenten, A, B en C. De gegevens van
deze gemeenten staan in tabel 2 vermeld.
Tabel 2. Gegevens van
gemeenten A, B en C en van alle gemeenten tezamen:
|
|
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx|| |
Uitkeringslasten
1999 |
Inwoners
1999 |
Inwoners
2001 |
Uitkeringslasten
1999 gecorrigeerdxxxxxxxxxx |
Objectief
vastgestelde kostenxxxxxxxxxxxxxxxx| |
x
Alle gemeenten:
x |
2500 |
|
|
2550
(TK) |
2000
(OT) |
x
Gem. >60 000 inw.:
Gem. <40 000 inw.:
Gem. 40 000 - 60 000 inw.:
x |
|
|
|
1811
(TK60 000)
497 (TK40 000)
242 (TK40 000 - 60 000) |
1400
(OT60 000)
400 (OT40 000)
200 (OT40 000 - 60 000) |
x
Gem. A (>60 000 inw.):
Gem. B (<40 000 inw.):
Gem. C (40 000 - 60 000 inw.):
x |
80
5
25 |
120
000
10 000
43 000 |
122
000
10 100
43 500 |
81,3
5,05
25,3 |
75
x
27 |
|
|
Om
het budget van gemeente A te bepalen, moet
rekening worden gehouden met de differentiatie in de verdeelsystematiek
tussen de drie categorieën gemeenten. Gemeente A hoort tot de grotere
gemeenten en de uitkering wordt voor 100% gebaseerd op het objectieve
verdeelmodel. De berekening van het objectieve deel is als volgt: eerst
wordt het aandeel in het totale objectieve budget van grotere gemeenten
bepaald (75/1400 = 0,0536). Uitgaande van het budget van de grotere
gemeenten (1470) betreft dit aandeel 78,8 (mln euro’s).
De
uitkering van gemeente B wordt geheel via het
historische deel bepaald. Eerst wordt het bedrag aan uitkeringslasten
van 2000 opgehoogd vanwege de groei van de gemeentelijke bevolking: 5 x
10 100/10 000 = 5,05 (mln euro’s). Het aandeel in de totale
(gecorrigeerde) uitkeringslasten van de kleinere gemeenten is 5,05/497 =
0,01. Om de uitkering voor gemeente B te verkrijgen, moet dit aandeel
vermenigvuldigd worden met het beschikbare bedrag voor uitkeringen aan
kleinere gemeenten: 0,01 x 420 = 4,3 (mln euro’s).
De
berekening van de uitkering voor gemeente C
wordt gecompliceerd door het feit dat voor de gemeenten met een
inwonertal tussen de 40 000 en 60 000 een glijdende overgang (M) tussen
de methodiek voor de kleinere gemeenten (historische kostenaandelen) en
grotere gemeenten (objectieve factoren) geldt.
Aangezien gemeente C (per 1 januari 2002) 43
500 inwoners heeft, bedraagt M: 3500/20 000 = 0,175.
Het aandeel van gemeente C in de totale
gecorrigeerde uitkeringslasten van de middelgrote gemeenten bedraagt
25,3/242 = 0,1045. Het aandeel van gemeente C in het totale objectieve
budget van de middelgrote gemeenten bedraagt 27/200 = 0,135.
De ongecorrigeerde uitkering van gemeente C
wordt als volgt berekend: [(1 - 0,175) x 0,135 + 0,125 x 0,1045] x 210 =
23,07 (mln euro's).
Om er zorg voor te dragen dat de aldus
berekende uitkeringen van alle gemeenten in de klasse van middelgrote
gemeenten tot het voor deze groep gemeenten beschikbare bedrag optelt,
dient de berekende uitkering gecorrigeerd te worden met de factor uit
artikel 4 (zie ook de bijlage bij dit besluit). Toepassing van de
correctiefactor zal ertoe leiden dat de uiteindelijke uitkering voor
gemeente C enigszins zal afwijken van 23,07 (mln euro’s).
Dit
besluit is conform artikel 5, derde lid, van de WFA
aan beide kamers der Staten-Generaal voorgelegd.
Dit
besluit is van toepassing op het vergoedingsjaar 2003.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
BIJLAGE
behorende bij
artikel 6 van het Besluit uitkering gemeenten Wet financiering Abw, Ioaw
en Ioaz voor het jaar 2002
OBJECTIEF VERDEELMODEL
Bij de berekening van de
uitkeringsbedragen voor gemeenten
met meer dan 40 000 inwoners (artikelen 4 en 5) wordt gebruik gemaakt van objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringskosten. De objectieve
gemeentelijke
uitkeringskosten worden, op grond van artikel 6, vastgesteld aan de hand van een
verdeelmodel, het zogenoemde objectief verdeelmodel. Dit
objectief verdeelmodel is opgenomen in deze bijlage.
De objectieve
uitkeringskosten van gemeenten met meer dan 40 000 inwoners worden
vastgesteld met behulp van tien verdeelmaatstaven met bijbehorende bedragen.
Onderdeel A van deze
bijlage geeft informatie over de verdeelmaatstaven:
• een beschrijving van
de verdeelmaatstaven;
• de bron die per
gemeente het aantal eenheden per verdeelmaatstaf levert (onder eenheid
wordt de meeteenheid verstaan waarin de verdeelmaatstaf wordt uitgedrukt,
zoals
percentage, aandeel e.d.); ¹
• het peiljaar waarop
dit aantal betrekking heeft.
In onderdeel B worden de
bedragen per verdeelmaatstaf vermeld.
1. In de tabel die in
onderdeel B is opgenomen, staan de eenheden tussen haakjes vermeld.
Berekeningswijze
objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringskosten
Het bedrag aan objectief
vastgestelde uitkeringskosten van een gemeente wordt verkregen
door eerst de kosten per hoofd van de gemeentelijke bevolking
(van 20 jaar of ouder) te bepalen en daarna deze kosten te
vermenigvuldigen met het aantal inwoners van de gemeente van 20 jaar of ouder.
De kosten per hoofd
worden berekend door het aantal eenheden per verdeelmaatstaf voor die
gemeente te vermenigvuldigen met het bedrag per eenheid. Als
bijvoorbeeld de bevolking van gemeente X voor 28,2 procent bestaat uit inwoners met een laag inkomen, dan wordt dit getal
(28,2 : het aantal van de
eenheid) vermenigvuldigd met - het in de tabel van onderdeel B bij deze
verdeelmaatstaf genoemde bedrag van - 25,974 euro’s. Zo wordt voor
elke verdeelmaatstaf het voor gemeente X geldend aantal eenheden
vermenigvuldigd met het bijbehorende bedrag per eenheid. De optelling van
al deze bedragen geeft, met de toevoeging van een basisbedrag, de
objectief vastgestelde uitkeringskosten per inwoner (van 20 jaar of ouder)
van gemeente X.
Het basisbedrag is het
bedrag dat voor iedere gemeente met meer dan 40 000 inwoners dezelfde
waarde heeft. Deze waarde is op dezelfde wijze berekend als de bedragen
per eenheid van de verdeelmaatstaven.
A. Verdeelmaatstaven
Het schema geeft de
verdeelmaatstaven weer en de factoren op basis waarvan de eenheden van
die verdeelmaatstaven worden vastgesteld. Zo staat bijvoorbeeld niet alleen de verdeelmaatstaf
"lage inkomens"
vermeld, maar ook "personen met inkomen" om het aantal in de bij deze verdeelmaatstaf behorende
eenheid, "het percentage van inwoners met inkomen", te kunnen
uitdrukken.
x
Naam variabele
xxxxxxxxxxxxxx |
x
Omschrijving
xxxxxxxxxxxxx |
x
|xPeildatumx|
xxxxxxxxx| |
x
Bron
xxxxxxxxxxxxx |
| Gemeentecode |
De
bijbehorende code van de gemeente |
1
januari |
CBS
(Statline) |
| Inwonertal |
Het aantal
inwoners |
1
januari |
CBS
(Statline) |
| Inwoners tussen 20 en 65
jaar |
Het aantal inwoners van 20 t/m
64 jaar |
1
januari |
CBS
(Statline) |
| Inwoners vanaf 65 jaar |
Het aantal inwoners van 65 jaar of ouder |
1
januari |
CBS
(Statline) |
| Regionaal
klantenpotentieel |
Het aantal potentiële klanten
dat een woonkern van een gemeente aantrekt uit
alle woonkernen binnen een
straal van 60 km rondom de eigen woonkern, met inbegrip
van die woonkern zelf |
1
januari |
CBS
(Statline) |
| Lage inkomens |
Het aantal
personen met 52 weken inkomen in het 2e,
3e en 4e deciel van de
landelijke verdeling van het
besteedbaar inkomen |
verslagjaar |
CBS
(Statline/RIO) |
| Personen met inkomen |
Totaal aantal personen met 52 weken inkomen behorend
bij de 10%-groepen van de landelijke verdeling van
het besteedbaar inkomen |
|
CBS
(Statline/RIO) |
Eenouder-
huishoudens |
Het
aantal eenouder-
huishoudens |
1
januari |
CBS
(Statline) |
| Verhuizingen |
Totaal
aantal personen dat uit de gemeente is vertrokken en zich elders
binnen Nederland heeft gevestigd |
|
CBS
(Statline) |
| Allochtonen |
Alle personen
van wie minstens één ouder in
het buitenland is geboren |
1
januari |
CBS
(Statline) |
| Vrouwelijke inwoners
25-29 jaar |
Het aantal vrouwen vanaf 25
t/m 29 jaar |
1
januari |
CBS
(Statline) |
| Totale beroepsbevolking |
Aantal personen behorend tot de beroepsbevolking |
verslagjaar |
CBS
(Statline) |
| Werkzame beroepsbevolking |
Aantal personen behorend tot de werkzame
beroepsbevolking |
verslagjaar |
CBS
(Statline) |
Omgevingsadressen-
dichtheid |
Het gemiddeld aantal adressen per km² dat een adres in
zijn omgeving heeft. Als
omgeving van een adres wordt een
cirkel aangehouden van 1 km rondom dat adres |
1
januari |
CBS
(Statline) |
| Huurwoningen |
Het aantal
huurwoningen (inclusief sociale huurwoningen) |
1
januari |
VROM |
| Woningaanbod |
Totaal
aantal woningen |
1
januari |
VROM |
| Arbeidsongeschikten |
Het
aantal personen met een AAW/WAO -uitkering |
31
december |
CBS |
Toelichting
1. Bij de vaststelling
van de objectieve gemeentelijke uitkeringskosten, bedoeld in artikel
6,
worden de verdeelmaatstaven gehanteerd die hierboven zijn
omschreven.
2. Bij de vaststelling
van de objectieve gemeentelijke uitkeringskosten stelt Onze Minister zo
nodig het aantal eenheden per verdeelmaatstaf voor de gemeente
vast. Voor zover bij een verdeelmaatstaf een bron is
vermeld, kan Onze
Minister het aantal eenheden ontlenen aan een opgave van het vermelde orgaan
of de vermelde instantie.
3. De vaststelling van
het aantal eenheden per verdeelmaatstaf voor een gemeente geschiedt
naar de toestand op 1 januari 2002, tenzij een andere peildatum bij een verdeelmaatstaf is vermeld. In dat geval
geschiedt de vaststelling
naar de toestand op deze datum.
4. Indien op grond van
punt 3 een peildatum moet worden gehanteerd die ligt vóór de datum
van instelling van de gemeente of vóór de datum waarop de grenzen van de
gemeente zijn gewijzigd, stelt Onze Minister het aantal eenheden vast
op basis van een redelijke schatting van de toestand zoals die op de
peildatum zou zijn geweest als de instelling of de wijziging op die datum
reeds was ingegaan.
5. Bij vaststelling van
het aantal eenheden per verdeelmaatstaf gaat Onze Minister uit van de
op het moment van vaststelling door het parlement goedgekeurde
indeling van gemeenten voor 2003. Bij verandering van de gemeentelijke
indeling voor 2003 na het moment van vaststelling stelt Onze
Minister voor de nieuwe gemeenten het aantal eenheden vast op basis
van een redelijke inschatting van de toestand zoals die op het moment
van vaststelling zou zijn geweest als de instelling of de wijziging op die
datum reeds was ingegaan.
B. Bedragen per eenheid
voor gemeenten met 40 000 of meer inwoners
Tabel. Bedragen per
eenheid van de verdeelmaatstaf voor de 40 000+-gemeenten:
|
x
Verdeelmaatstaf
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
||Gewicht|| in € |
| 1. |
Lage inkomens (in %
van de personen met inkomen) |
25,9740 |
| 2. |
Eenouderhuishoudens
(in % van inwoners 20 t/m 64 jaar) |
50,9500 |
| 3. |
Verhuizingen (vertrek
per 100 inwoners) |
14,7700 |
| 4. |
Arbeidsongeschikten
(in % van inwoners 20 t/m 64 jaar) |
-
16,2500 |
| 5. |
Totaal allochtonen (in
% van alle inwoners) |
2,7430 |
| 6. |
Vrouwen
25 t/m 29 jaar
(in % van inwoners 20 t/m 64 jaar) |
35,6010 |
| 7. |
Huurwoningen (in % van
alle woningen) |
3,0580 |
| 8. |
Werkzame
beroepsbevolking (in % totale gemeentelijke beroepsbevolking) |
-
23,9080 |
| 9. |
Regionaal
klantenpotentieel (x 1000 klanten) |
0,1300 |
| 10. |
Omgevingsadressendichtheid (aantal adressen per km²) |
-
0,0271 |
| Basisbedrag |
1 346,4965 |
C. Correctiefactor
middelgrote gemeenten
In het geval van
gemeenten met meer dan 40 000 en minder dan 60 000 inwoners moet de
uitkering - conform artikel 4 - gecorrigeerd worden met de factor C. Deze
correctiefactor is nodig om aan de randvoorwaarde te voldoen dat de som van de
uitkeringen aan de middelgrote gemeenten gelijk moet zijn aan het
totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkeringen aan deze gemeenten.
De correctiefactor wordt aan de hand van de volgende formule
berekend, waarbij i 0 {middelgrote
gemeente}:

|
|
|
|