|
20 april 1995/nr. BZ/UB/1396
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 113, vierde lid, van
de Algemene bijstandswet;
Besluit:
Art. 1.
[Vrijstelling 57,5-jarigen of ouder | afwijking]
-1. Van de verplichtingen, bedoeld in
artikel 113, eerste
lid, onderdeel a, e en f, van de Algemene
bijstandswet, zijn belanghebbenden die ouder zijn dan 57,5
jaar vrijgesteld. Belanghebbenden die op 1 mei 1999 ouder zijn dan 57,5
jaar, zijn
eveneens vrijgesteld van de verplichtingen, bedoeld in artikel
113, eerste lid, onderdeel b, c en d, van de
Algemene bijstandswet.
-2. Burgemeester en wethouders kunnen, gehoord de
Centrale organisatie werk en inkomen, in een bijzonder geval van het
eerste lid afwijken.
Art. 1a.
[Citeertitel]
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vrijstelling
verplichtingen Abw.
Art. 2.
[Inwerkingtreding]
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de
Algemene bijstandswet in werking treedt.
Deze regeling zal met de toelichting
in de Staatscourant worden geplaatst.
's-Gravenhage, 20 april 1995.
de Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.
TOELICHTING
[20 april 1995]
Artikel 113, eerste lid, van de
Algemene bijstandswet geeft
een aantal op de arbeidsinpassing gerichte verplichtingen aan welke aan de belanghebbende die voor
de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking dienen te
worden opgelegd. Het vierde lid van dit artikel geeft de minister de bevoegdheid
groepen van belanghebbenden van één of meer van deze verplichtingen vrij te
stellen. Met deze regeling wordt een reeds enige tijd bestaande uitvoeringspraktijk, gebaseerd
op de Beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 januari
1985 (Stcrt. 1985, 20) betreffende de ontheffing van verplichtingen gericht op
arbeidsinpassing ten aanzien van 57,5-jarigen of ouder, gecontinueerd
[zie hieronder de wijzigingsregeling ten aanzien van nieuwe gevallen per
1 mei 1999, red.].
De Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 17 december 1990 (Stcrt. 1990, 251) inzake ontheffing arbeidsverplichtingen bij
ouderschapsverlof komt te vervallen, omdat het nieuwe artikel
107, tweede lid,
van de Algemene bijstandswet voor de onderhavige doelgroep reeds voorziet in een
categorale ontheffing van de arbeidsverplichtingen. De grondslag voor de specifieke
Regeling van december 1990 die ten doel had om alleenstaande ouders die
tengevolge van onbetaald ouderschapsverlof een beroep doen op aanvullende bijstand te
vrijwaren van de arbeidsverplichtingen voor dat deel van de arbeidsduur waarvoor van
het verlof in de zin van de Wet op het ouderschapsverlof gebruik wordt gemaakt, is daarmee komen
te vervallen. Van het ouderschapsverlof kan namelijk slechts gebruik worden
gemaakt zolang het kind waarvoor men de zorgtaak heeft de leeftijd voor toelating tot de basisschool nog
niet bereikt heeft. Alleenstaande ouders die gebruik maken van de regeling inzake ouderschapsverlof
vallen derhalve onder de categorale ontheffing van arbeidsverplichtingen
ten aanzien van ouders met een zorgtaak voor kinderen beneden de vijf jaar als bedoeld in
artikel 107,
tweede lid, van de wet.
In artikel 1, eerste lid, van de onderhavige regeling wordt
van ontheffingsbevoegdheid ten aanzien van 57,5-jarigen of ouder gebruik gemaakt. Aan
deze categorale ontheffing ligt de overweging ten grondslag dat onder de
huidige arbeidsmarktomstandigheden wederinpassing in het arbeidsproces van deze groep van
werklozen in het algemeen niet mag worden verwacht. Aan burgemeester en wethouders wordt
de mogelijkheid gelaten in individuele situaties, waarin naar hun oordeel wel uitzicht bestaat op
arbeidsinpassing, van een ontheffing af te zien. Hierbij dient het advies van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.] te worden ingewonnen.
De belanghebbenden behouden wel het recht als
werkzoekende te worden ingeschreven. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie zal
in dat geval haar bemiddelingsrol blijven vervullen.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert.
WIJZIGING
REGELING
VRIJSTELLING VERPLICHTINGEN ABW EN REGELING VRIJSTELLING VERPLICHTINGEN IOAW
EN IOAZ
25 februari 1999, Stcrt.
1999, 40
Inwerkingtreding: 1 mei 1999
(T.a.v. artt. 113:4 Abw,
35:5 Ioaw
en 35:5 Ioaz)
Wijziging van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 20 april 1995 tot vrijstelling van verplichtingen op
grond van de Algemene bijstandswet (Stcrt. 1995, 83) en van de Regeling vrijstelling
verplichtingen Ioaw en Ioaz
25 februari 1999/nr. BZ/VOL/99/9487
Directie Bijstandszaken
De
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 113, vierde lid,
van de Algemene bijstandswet, 35, vijfde lid, van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en
35,
vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
Besluit:
Art. I.
De Regeling van de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 april 1995 tot vrijstelling van verplichtingen
op grond van de Algemene bijstandswet (Stcrt. 1995, 83) wordt gewijzigd als volgt:
A.
Artikel 1, eerste lid, wordt vervangen door:
-1. Van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, onderdeel
a, e en f, van de Algemene bijstandswet, zijn
belanghebbenden die ouder zijn dan
57,5 jaar vrijgesteld. Belanghebbenden die op 1 mei 1999 ouder zijn dan 57,5
jaar, zijn eveneens vrijgesteld van de verplichtingen, bedoeld in artikel
113, eerste lid, onderdeel b, c en d, van de Algemene
bijstandswet.
B.
Na artikel 1 wordt een artikel ingevoegd, dat luidt als volgt:
Art. 1a.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vrijstelling verplichtingen
Abw.
Art.
II.
Artikel 1, eerste lid, van de Regeling
vrijstelling verplichtingen Ioaw en
Ioaz wordt vervangen door:
-1. Van de verplichtingen, bedoeld in
de artikelen 35, eerste lid, onderdeel a, e
en f, van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers en 35, eerste lid, onderdeel a, e en
f, van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, zijn
belanghebbenden die ouder zijn dan 57,5 jaar vrijgesteld.
Belanghebbenden die op 1 mei 1999 ouder zijn dan 57,5 jaar, zijn
eveneens vrijgesteld van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 35, eerste
lid, onderdeel b, c en d, van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers en 35, eerste lid, onderdeel b, c en d, van de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen.
Art. III.
Deze regeling treedt in werking met
ingang van 1 mei 1999.
Deze regeling zal met de toelichting
in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 25 februari 1999.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries.
TOELICHTING
(25 februari 1999)
Met dit besluit worden de Regeling van
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 april 1995 tot vrijstelling van verplichtingen op
grond van de Algemene bijstandswet (Stcrt. 1995, 83) en de Regeling
vrijstelling
van verplichtingen Ioaw en Ioaz gewijzigd in verband met het Regeerakkoord
1998 (Kamerstukken II 1997-1998, 26 024, nr. 10).
De afgelopen jaren hebben vele organisaties zich bezig gehouden met de arbeidsparticipatie van ouderen. De
vele uitgebrachte adviezen hebben één aspect gemeen: alle stellen zich op
het standpunt dat de arbeidsparticipatie van ouderen in Nederland te laag is.
Dit wordt uit zowel economisch als sociaal oogpunt als onwenselijk beschouwd.
Om die reden heeft de arbeidsdeelname van ouderen in het regeerakkoord
van 1998 een plaats gekregen.
Artikel 113, eerste lid, van de
Algemene bijstandswet geeft
een aantal op de arbeidsinpassing gerichte verplichtingen aan welke aan de
belanghebbende die voor de zelfstandige
voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking
dienen te worden opgelegd. Het vierde lid
van dit artikel geeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de
bevoegdheid groepen van belanghebbenden van één of meer van deze
verplichtingen
vrij te stellen. Van de ontheffingsbevoegdheid is in de afgelopen jaren gebruik
gemaakt door middel van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 april
1995 tot vrijstelling van
verplichtingen op grond van de Algemene bijstandswet (Stcrt.
1995, 83).
In het regeerakkoord van 1998 is opgenomen dat
naarmate het leeftijdsbewust personeelsbeleid meer succesvol is en oudere werkzoekenden een reële
kans maken op de arbeidsmarkt de gefaseerde invoering van de
sollicitatieplicht
voor mensen ouder dan 57,5 jaar in beeld komt. Tevens wordt in het regeerakkoord aangegeven dat
vooruitlopend hierop de regeling met betrekking tot passende arbeid wordt
aangepast. In de lijn daarmee worden de Regeling van de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 april 1995 tot vrijstelling van verplichtingen
op grond van de Algemene bijstandswet (Stcrt. 1995, 83) en de Regeling
vrijstelling verplichtingen Ioaw en
Ioaz zodanig aangepast dat een passend aanbod
ook door werkloze ouderen boven de 57,5 jaar moet worden aanvaard.
Voor de Abw-belanghebbenden betekent dit dat op grond
van dit besluit degenen die op of na 1 mei 1999 de leeftijd van 57,5 jaar zullen bereiken
niet langer zullen worden vrijgesteld van de op arbeidsinpassing gerichte
verplichtingen, genoemd in Abw artikel
113, eerste lid,
onderdeel b, c en d.
Deze verplichtingen houden in dat de werkzoekende dient geregistreerd te
staan bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.], passende arbeid te aanvaarden en
na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert. Deze categorie belanghebbenden blijft
echter vooralsnog wel vrijgesteld van de verplichtingen, genoemd in Abw
artikel 113,
eerste lid, onderdeel a, e en f. Dit betekent dat deze categorie
belanghebbenden vooralsnog vrijgesteld blijft van de verplichtingen om naar
vermogen te trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen, mee te werken aan een onderzoek naar de
geschiktheid voor scholing of opleiding die noodzakelijk wordt geacht en beschikbaar te zijn voor de voorzieningen van de
Wet
inschakeling werkzoekenden, mee te werken aan het verkrijgen van die
voorzieningen, daarvan gebruik te maken en daartoe op een aangegeven tijd en
plaats te verschijnen.
Voor de Ioaw-ers en Ioaz-ers bevat dit besluit een
identieke wijziging.
Dit betekent dat op grond van dit besluit degenen die op of na 1 mei 1999 de
leeftijd van 57,5 jaar bereiken niet langer zullen worden vrijgesteld van de op arbeidsinpassing gerichte
verplichtingen, genoemd in artikel 35, vijfde lid, onderdeel b, c en
d, van de Ioaw,
respectievelijk de Ioaz. Deze
categorie uitkeringsgerechtigden blijft echter vooralsnog wel vrijgesteld van de
verplichtingen, genoemd in artikel 35, vijfde lid, onderdeel a, e en
f, van de Ioaw, respectievelijk de Ioaz.
Voor de belanghebbenden die vóór de inwerkingtreding
van dit besluit de leeftijd van 57,5 jaar reeds hebben bereikt, zullen geen wijzigingen meer
optreden. Dit houdt in dat belanghebbenden geboren vóór 1 november
1941 van de verplichtingen op grond van artikel
113, eerste lid, onderdeel a tot en met f, van
de Abw en verplichtingen, genoemd in artikel
35, vijfde lid,
onderdeel a tot en met f, van de Ioaw/Ioaz, blijven vrijgesteld.
Voor WW-gerechtigden van 57,5 jaar
of ouder is een
vergelijkbare regeling getroffen (besluit Lisv van 20 januari 1999) [zie
voor Lisv: Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.].
Artikelsgewijs
Artikel I, onderdeel A, en
artikel II
De wijziging van
artikel 1, eerste lid,
van de Regeling van de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 april 1995 tot vrijstelling van
verplichtingen op grond van de Algemene
bijstandswet (Stcrt. 1995, 83) strekt ertoe om belanghebbenden die op of na 1 mei 1999 de leeftijd van 57,5 jaar
bereiken niet
langer vrij te stellen van de verplichtingen, bedoeld in artikel
113, eerste
lid, onderdeel b, c en d, van de Algemene
bijstandswet. Hierbij gaat het om de
verplichting voor belanghebbende om ervoor te zorgen als werkzoekende geregistreerd te staan bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie, de verplichting om passende arbeid te
aanvaarden en de verplichting om na
te laten hetgeen inschakeling in de
arbeid belemmert.
Voor belanghebbenden die op 1 mei 1999 de leeftijd van
57,5 jaar reeds hebben bereikt en dus geboren zijn vóór 1 november
1941, wijzigt er niets. Zij blijven
vrijgesteld van de verplichtingen, bedoeld in artikel
113, eerste lid, onderdeel
a
tot en met f, van de Algemene bijstandswet.
De wijziging van de Regeling
vrijstelling verplichtingen Ioaw en
Ioaz komt inhoudelijk overeen met de wijziging
die ingevolge artikel I, onderdeel A,
is aangebracht in de Regeling van 20
april 1995 tot vrijstelling van
verplichtingen op grond van de Algemene
bijstandswet.
Artikel
I, onderdeel B
Van de
gelegenheid is gebruik gemaakt om de Regeling van 20 april 1995 tot
vrijstelling van verplichtingen op grond van de Algemene bijstandswet van een
citeertitel te voorzien.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
K.G. de Vries.
|
|