|
16 juni 1995/nr. BZ/AV/95/2195/I
Directie Bijstandszaken
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 133 van de
Algemene bijstandswet;
Gehoord de Centrale Commissie voor de
Statistiek;
Besluit:
Art. 1.
[Maandelijks gegevensoverzicht aan CBS m.b.t.
bijstandsontvangers]
Burgemeester en wethouders verstrekken maandelijks aan de
Directeur-Generaal van de Statistiek, overeenkomstig het in de
bijlage bij deze regeling opgenomen overzicht gegevens met
betrekking tot personen en gezinnen aan wie zij uitkering hebben
verleend op grond van de Algemene
bijstandswet.
Art. 1a.
[Maandelijkse gegevensoverzicht aan CBS m.b.t.
ontvangers leenbijstand]
Burgemeester en wethouders verstrekken maandelijks aan de
Directeur-Generaal van de Statistiek, overeenkomstig het in de
bijlage bij deze regeling opgenomen overzicht gegevens met betrekking tot personen en gezinnen aan wie zij
betalings- en
aflossingsverplichtingen hebben opgelegd met betrekking tot
verleende bijstand.
Art. 2.
[Toepasselijkheid richtlijnen 1995]
De door de
Directeur-Generaal van de Statistiek voor het kalenderjaar 1995 vastgestelde richtlijnen zijn van toepassing op de
verstrekking van gegevens over:
a. de periode in 1996 waarover aan een persoon uitkering
is verleend op grond van de Algemene Bijstandswet; en
b. het kalenderjaar 1997 en de daarop volgende
kalenderjaren voor zover het betreft de financiële gegevens met
betrekking tot de verlening van bijzondere bijstand op grond van
de Algemene Bijstandswet dan wel de Algemene
bijstandswet.
Art. 3.
[Wijze en tijdstip verstrekking aan CBS |
Inwerkingtreding]
Burgemeester en wethouders verstrekken de in artikelen
1, 1a en 2
bedoelde gegevens op een door de
Directeur-Generaal van de Statistiek te bepalen wijze en tijdstip.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.
Deze regeling zal met de toelichting
in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd
in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Den Haag.
Van deze terinzagelegging zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.
's-Gravenhage, 16 juni 1995.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.
TOELICHTING
[16 juni 1995]
Statistische informatie over de
bijstandverlening
Om verschillende redenen is het noodzakelijk op landelijk
niveau informatie te hebben over de verschillende facetten van de
bijstandverlening op grond van de
Algemene bijstandswet. De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid is politiek
verantwoordelijk voor het landelijke beleidskader van de
bijstandverlening.
Onderdeel van die verantwoordelijkheid is het gevoerde beleid regelmatig te
toetsen op de actuele beleidsdoelstellingen. Voor een dergelijke beoordeling en
de eventueel daaruit voortvloeiende herijking van het beleid is het noodzakelijk een duidelijk en
actueel beeld te kunnen vormen van de bijstandverlening en de effecten daarvan. Dat betekent dat
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ten minste moet kunnen beschikken over
betrouwbare en recente gegevens over de omvang van de bijstandverlening, de groepen
personen die daarop een beroep moeten doen, de oorzaak van het ontstaan van
bijstandsafhankelijkheid en de mogelijkheden van bijstandontvangers om weer
zelfstandig in het bestaan te voorzien.
Een specifiek onderdeel van de ministeriële
verantwoordelijkheid betreft de bekostiging van de bijstandverlening. De
bijstandsuitgaven drukken voor een belangrijk deel direct op de rijksbegroting en vormen
daarbij een fors financieel beslag op de begroting van het ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Ten behoeve van de begrotingsvoorbereiding is
het noodzakelijk de verwachte ontwikkeling van de bijstandsuitgaven met een grote
nauwkeurigheid te kunnen ramen. Waar bijstandsuitgaven ten laste van de gemeenten
blijven, is de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid mede verantwoordelijk voor een
adequaat financieel kader. Ook hiervoor is een gedetailleerd inzicht in vele
aspecten van de bijstandverlening noodzakelijk.
De behoefte aan adequate informatie over de
bijstandverlening blijft niet beperkt tot de Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid. Ook de gemeenten ervaren in toenemende mate de noodzaak van
managements- en beleidsinformatie ten behoeve van een effectieve toepassing en nadere invulling van
het landelijke wettelijk kader. Een van gemeentezijde te houden beoordeling en
zo nodig bijsturing
van het activeringsbeleid is slechts mogelijk als inzicht bestaat in de arbeidsmarktperspectieven van
bijstandontvangers, de duur van hun werkloosheid, het arbeidsmarktniveau en de
doorstroom naar de arbeidsmarkt. Zeker ten aanzien van de onderdelen van de
bijstandverlening waarvoor zij een eigen financiële verantwoordelijkheid dragen of
zoals dat ten aanzien van de toeslagen op de landelijk genormeerde bijstand het
geval is, na verloop van een overgangsperiode zullen krijgen, hebben de gemeenten bovendien
behoefte aan gedetailleerde gegevens over de omvang en samenstelling van de groep die een
beroep op de diverse vormen van bijstand doet en welke kosten daarmee gemoeid zijn. De
informatie die voor de landelijke beleidsvoering noodzakelijk is, vertoont derhalve een belangrijke
overlap met de informatiebehoefte die zich op lokaal niveau manifesteert.
Huidige statistische informatiebronnen
De bijstandsstatistieken die door het Centraal Bureau voor
de Statistiek [CBS, red.] worden verzorgd, vormen een cruciale bron van informatie. Het gaat hierbij momenteel om de volgende statistieken:
1. ABW, periodieke betalingen: van alle personen die op 31 december van een jaar een periodieke
bijstandsuitkering ontvangen, worden door de gemeenten
de zogeheten
facettencodegegevens
doorgegeven aan het CBS. Het gaat hier om gegevens als de leef- en woonvorm van de
betrokkene, de samenstelling en de hoogte van de aan hen verleende uitkering,
ontvangen inkomsten, de duur van de bijstandverlening en de kosten waarvoor een beroep op
bijzondere bijstand wordt gedaan.
2. ABW, incidentele betalingen: in de vorm van een steekproef worden vergelijkbare gegevens
verzameld over personen die incidenteel een bijstandsuitkering hebben ontvangen. Het gaat hierbij
met name om de verlening van bijzondere bijstand.
3. Financiële jaarstatistiek ABW: deze gegevens worden vastgesteld aan de hand van enerzijds de
definitieve kostenopgave van de gemeenten aan het ministerie van SZW in het kader van de
rijksvergoeding en anderzijds van door de gemeenten aan het CBS verstrekte gegevens over
de verlening van bijzondere bijstand.
4. Aantallen aanvragen ABW: eenmaal per jaar vraagt het CBS met een aparte vragenlijst aan de
gemeenten om een opgave van de totaal in dat jaar ingediende aanvragen om
een bijstandsuitkering en de afhandeling daarvan.
5. Kwartaalstatistiek ABW: desgevraagd verstrekt een groot aantal gemeenten - ongeveer 300
die gezamenlijk zo'n 65 tot 70 procent van de totale bijstandverlening voor
hun rekening nemen - de hierboven genoemde facettencodegegevens tevens met betrekking tot degenen
die op de laatste dag van een kwartaal periodieke bijstand ontvangen.
6. Statistiek fraudedelicten: ingeval de gemeente uitkeringsfraude constateert, worden de hiertoe van
belang zijnde gegevens binnen twee maanden na afloop van het kwartaal waarin het delict is
vastgesteld, doorgegeven aan het CBS.
Nieuwe informatiebehoeften
Met de inwerkingtreding van de
Abw op 1 januari 1996 zal
de behoefte aan beleidsinformatie over de bijstandverlening aanzienlijk
toenemen. Dat geldt zowel voor de gemeenten als voor het Rijk. De nieuwe bestuurlijke verhoudingen tussen Rijk en
gemeenten op het vlak van de bijstandverlening, die met name tot uitdrukking komen in de
verantwoordelijkheid die de gemeenten krijgen voor de vaststelling van de hoogte
van de uitkering, maakt het voor de gemeenten meer dan momenteel reeds het geval is noodzakelijk een
nauwkeurig inzicht te krijgen in de effecten van het plaatselijk gevoerde
beleid in de praktijk. Deze overdracht van beleidsverantwoordelijkheden doet
ook op landelijk niveau de behoefte aan beleidsinformatie toenemen. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is
immers politiek verantwoordelijk voor het gehele wetgevende kader voor de
bijstandverlening. Die verantwoordelijkheid omvat ook de onderdelen van de
bijstandverlening waarvoor de beleidsbevoegdheden bij de gemeenten berusten. De minister is
uiteraard niet direct aanspreekbaar voor de wijze waarop de gemeenten invulling geven aan
deze beleidsbevoegdheden, maar wél voor het feit dat op deze onderdelen het beleid niet op
landelijk, maar op gemeentelijk niveau wordt bepaald. Dit brengt met zich mee dat hij inzicht dient te
kunnen verschaffen over de effecten van het gebruik dat gemeenten hebben gemaakt van
de verkregen beleidsbevoegdheden. Dit niet alleen met betrekking tot de feitelijke regeling, maar ook omtrent
de wisselwerking die bestaat met ontwikkelingen bij niet-gedecentraliseerde
regelingen. Ondanks het aanzienlijk vergrote gemeentelijke financiële
aandeel zal ook onder de nieuwe wetgeving verreweg het grootste gedeelte van
de kosten van bijstandverlening door het Rijk worden vergoed. Er is derhalve een
onverminderde noodzaak om te kunnen beschikken over informatie ten behoeve van de
begrotingsvoorbereiding. Door de grotere consequenties voor de gemeentelijke
financiën zal het ten behoeve van een adequaat financieel kader voor de gemeenten
echter, nog meer dan thans het geval is, noodzakelijk zijn een nauwkeurig en actueel
inzicht te kunnen verkrijgen in de ontwikkeling van de bijstandsuitgaven en de daaraan
ten grondslag liggende oorzaken. De nieuwe Abw legt een sterkere nadruk op de activerende
functie van de bijstandverlening. Op landelijk niveau vergt dit een voortdurende kritische toetsing van
bestaande instrumenten en ontwikkeling van nieuwe middelen om de uitstroom uit de bijstand te
vergroten en de instroom waar mogelijk te beperken. Daarvoor is onontbeerlijk dat
informatie beschikbaar komt over de mogelijkheden van bijstandontvangers om de
arbeidsmarkt te betreden. Ook gemeenten zullen - mede met het oog op de op te stellen
beleidsplannen en -verslagen - in toenemende mate behoefte krijgen aan dergelijke informatie om de
effectiviteit van het plaatselijk gevoerde uitstroombeleid en de samenwerking met andere
organisaties - met name Arbeidsvoorziening [zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.] - te kunnen beoordelen en
zo nodig bij
te sturen. Ook de hogere eisen die maatschappelijk aan de bijstand en het bijstandsproces worden gesteld,
geven aanleiding tot een grotere behoefte dan voorheen aan een meer toegespitste
beleidsinformatie. Dit komt onder meer tot uitdrukking in de in de wet opgenomen verplichting aan
de minister tot het houden van regelmatige evaluaties. Een adequaat functionerende
statistische voorziening kan het realiseren van dergelijke evaluaties aanmerkelijk
versoepelen. Ook ten aanzien van beleidsonderwerpen die op zich los
staan van de nieuwe wetgeving is de behoefte aan beleidsinformatie gegroeid. Voorbeeld hiervan is de
terugvordering van onterecht verleende bijstand en verhaal van bijstand op onderhoudsplichtigen
en anderen. Met het op 1 augustus 1992 in werking getreden wetsvoorstel waarin terugvordering
en verhaal niet meer louter een bevoegdheid van de gemeenten is, maar een verplichting,
is verduidelijkt dat dit integrale onderdelen van de uitvoering van de bijstandswet zijn. Op landelijk
niveau ontbreken momenteel zelfs de meest elementaire kwantitatieve gegevens over terugvordering en
verhaal.
Aanpassing en uitbreiding van de statistische
informatievoorziening
In de hierboven globaal geschetste nieuwe
informatiebehoeften zal voor een belangrijk deel in de vorm van statistiek moeten worden
voorzien. Betrouwbaarheid van de gegevens zelf en een periodieke verzameling
daarvan zijn noodzakelijk om een correct en actueel beeld te kunnen vormen
van het gebruik dat van de bijstand wordt gemaakt en om daarin optredende ontwikkelingen te
kunnen waarnemen. Het karakter van de statistiek brengt overigens met zich mee dat onverminderd de
noodzaak zal bestaan van aanvullende informatiebronnen, bijvoorbeeld in de vorm van gericht
incidenteel onderzoek.
De informatiebehoeften kunnen goeddeels worden
gerealiseerd door aanpassing van de huidige statistieken. Deze statistieken zijn
nog steeds gebaseerd op het stramien dat in het midden der zeventiger jaren is
gecreëerd. De vraagstelling is sindsdien slechts gewijzigd voor zover hiertoe in
verband met wetswijzigingen aanleiding toe bestond. Eventuele wijzigingen in verband
met de sindsdien gegroeide behoeften aan meer kwantitatieve informatie hebben niet geleid tot aanpassing
van de vraagstelling. De opzet, zoals deze onder meer tot uitdrukking komt in een verplichting
tot een beperkte jaarlijkse levering van gegevens, is sindsdien in het geheel
niet gewijzigd. Gezien de ontwikkelingen die zich sedert het midden der zeventiger jaren, ook
op administratief-technisch terrein, hebben voorgedaan, is een algemene aanpassing van de
bijstandsstatistiek wenselijk, waarvoor de momenteel bestaande behoefte aan
beleidsinformatie uitgangspunt is.
De invoering van de nieuwe Algemene bijstandswet vergt
voor de gemeenten een aanpassing van de uitkeringsadministratie. De uitkeringssystematiek is
ingrijpend gewijzigd, terwijl er ook belangrijke wijzigingen zijn ten aanzien van de
vormen van bijstand die al dan niet voor rijksvergoeding in aanmerking komen. Om te
voorkomen dat gemeenten kort achter elkaar met de noodzaak van wijzigingen in
deze administratie worden geconfronteerd, dienen zij tijdig op de hoogte te zijn van de
vereisten die de statistiek aan de uitkeringsadministratie stelt. Het onderhavige besluit heeft
betrekking op de statistische informatie waarvoor deze uitkeringsadministratie de bron
vormt.
Voor de noodzakelijke landelijke informatie ten aanzien van
terugvordering en verhaal dient echter een nieuw kader te worden gecreëerd. Bij de terugvordering
van ten onrechte ontvangen bijstand gaat het immers in veel gevallen om personen die niet
langer bijstandsgerechtigd zijn, terwijl het verhaal plaatsvindt op personen die zelf geen
bijstand ontvangen. De bron voor gegevens over terugvordering en verhaal is
bij de gemeenten dan ook niet gelegen in de uitkeringsadministratie, die de basis
vormt voor de meeste van de huidige bijstandsstatistieken, maar in aparte administraties, waarin de
betalingen door personen of gezinnen aan de sociale dienst worden vastgelegd. Behoudens
eventuele beperktere aanpassingen kunnen de gemeenten voor de uitvoering
van dit onderdeel van de wetgeving met het huidige administratieve systeem volstaan.
Ten aanzien van terugvordering en verhaal is er derhalve
niet de noodzaak om op zeer korte termijn vast te stellen welke statistische
gegevens dienen te worden verstrekt. In nauw overleg met de gemeenten zal worden bezien op
welke wijze een dergelijke statistiek kan worden opgezet. Als streefdatum voor de invoering van
deze nieuwe statistiek geldt 1 januari 1997.
In de statistiek fraudedelicten worden enkele technische
wijzigingen voorgenomen, zoals de opname van het sofinummer en aanpassing van de
persoonsgegevens aan de nieuwe bijstandswetgeving. Deze statistiek zal derhalve
slechts in beperkte mate aanpassingen vergen. Ten behoeve van deze statistiek zal
medio dit jaar bekend worden gemaakt welke gegevens de gemeenten dienen te
verstrekken. De inhoud van de statistieken ten aanzien van de aan de
Abw verwante Ioaw en Ioaz zullen zo spoedig
mogelijk bekend worden gemaakt. Synchronisatie met de vraagstelling van de
bijstandsstatistiek blijft het uitgangspunt. De aanpassingen in de bijstandsstatistiek zullen dan
ook zoveel mogelijk een doorwerking krijgen in de Ioaw- en
Ioaz-statistieken.
Uitgangspunten voor de statistiek
De bron voor de statistiek dient te worden gevormd door
de informatie die bij de uitvoering van de Abw bij de
gemeenten beschikbaar komt.
Deze informatie is tweeërlei. De gemeente verkrijgt van of
over de aanvrager gegevens om zijn recht op uitkering te kunnen beoordelen
en om te kunnen vaststellen welke voorwaarden daaraan moeten worden verbonden. Deze
gegevens dienen door de gemeenten te worden vastgelegd om de beslissingen te kunnen motiveren
die op de aanvraag worden genomen. Deze beslissingen en de daaropvolgende handelingen van
de gemeente vormen een tweede bron van informatie. Deze worden eveneens vastgelegd in de vorm
van beschikkingen, betalingen en dergelijke.
De ten behoeve van de onderhavige statistiek te
verzamelen gegevens dienen zich in beginsel tot deze
uitvoeringsinformatie te beperken.
Dat betreft niet alleen de aard van deze gegevens, maar
eveneens de inhoud daarvan. Deze voorwaarden vloeien voort uit de noodzaak om
enerzijds de uitvoeringslasten die voor de gemeenten zijn verbonden aan de voorziening
in de landelijke informatiebehoefte beperkt te laten zijn en anderzijds te kunnen
beschikken over betrouwbare gegevens. Waar de statistiek zich beperkt tot
uitvoeringsinformatie, is deze gebaseerd op gegevens die de gemeente regelmatig op hun
juistheid en volledigheid heeft getoetst.
Verstrekking van de gevraagde statistische gegevens is
doorgaans slechts mogelijk als deze in de uitkeringsadministratie zijn opgenomen. Waar het in
voorkomende gevallen voor de uitvoering voldoende is dat de betreffende gegevens in het
individuele dossier zijn opgeslagen, brengt opname daarvan in de landelijke
statistiek met zich mee dat de gemeenten worden geconfronteerd met extra
administratieve handelingen. Er dient derhalve een afweging te worden gemaakt tussen het
belang van de landelijk gevraagde informatie en de kosten die er voor de gemeenten mee gemoeid zijn
om de gegevens in de administraties op te nemen, die door de gemeenten bij het
aanmaken van de bestanden met statistische gegevens worden geraadpleegd. Bij deze
afweging is mede betrokken het inzicht dat de vraagstelling beperkt zou blijven tot
de thans in het door de VNG [Vereniging van
Nederlandse Gemeenten, red.] ontwikkelde Gemeentelijk Functioneel Ontwerp Sociale
Diensten (GFO/GSD) opgenomen kenmerken en de aanpassingen die in dit GFO op korte termijn moeten
worden doorgevoerd als logische consequentie van de aanpassingen in de wetgeving.
Bijzondere aandacht dient te worden geschonken aan die
onderdelen van de bijstandverlening waarvoor de gemeenten een eigen beleidsmatige verantwoordelijkheid
dragen en waarbij de uitvoering derhalve niet noodzakelijkerwijs landelijk uniform is. Het gegeven
van gemeentelijke beleidsvrijheid doet er niet aan af dat er op landelijk niveau behoefte kan
bestaan aan informatie over de consequenties van de gemeentelijke invulling van hun
bevoegdheden. Het kan hierbij immers gaan om aspecten waarop het landelijk geformuleerde
wetgevingskader periodiek moet worden getoetst. De informatieverzameling
dient aan te sluiten op de mogelijke diversiteit in beleid of uitvoering en daarvoor
niet op enigerlei wijze - indirect - normerend te zijn.
Bij de concrete invulling van de statistiek is uiteraard van
belang dat met de uitbreiding van de financiële en beleidsmatige verantwoordelijkheden voor de
bijstandverlening, bij de gemeenten de behoefte aan beleidsinformatie eveneens zal
toenemen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de wettelijke verplichting tot het
opstellen van beleidsplannen en -verslagen. Hoewel de gemeentelijke behoefte aan
beleidsinformatie afwijkend kan zijn van de informatie waarover op landelijk niveau moet
kunnen worden beschikt, kan de ten behoeve van de statistiek verzamelde informatie daarvoor wel
van betekenis zijn. Het ligt dan ook in het voornemen om de huidige werkwijze voort te zetten dat
gemeenten van het CBS een terugmelding ontvangen van gegevens met betrekking tot de
eigen gemeente alsmede van regionale en landelijke gegevens.
Overleg en advisering
Tegen deze achtergrond is met de
gemeenten uitvoerig
overleg gevoerd over de opzet en inhoud van de nieuwe statistiek. In de technische commissie die het aan
de Centrale Commissie voor de Statistiek voor te leggen voorstel heeft voorbereid, hadden, naast
medewerkers van het CBS, zowel vertegenwoordigers van de
VNG en Divosa [Vereniging
van directeuren van overheidsorganen voor sociale arbeid, red.]
zitting als enkele
deskundigen uit de gemeentelijke kring. Daarnaast zijn concepten voor de nieuwe vraagstelling aan
verschillende gemeentelijke sociale diensten voorgelegd.
Om de gemeenten in staat te stellen bij de nieuwe
inrichting van de administratie rekening te houden met de statistische vereisten, was
uitgangspunt dat de nieuwe statistiek uiterlijk 1 april 1995 bekend zou worden gemaakt.
Met name met betrekking tot gegevens die voorheen niet in de statistiek waren opgenomen, had Divosa
behoefte aan een ruimere periode om de voorstellen te beoordelen op hun uitvoeringstechnische
consequenties en om te bezien in hoeverre de landelijke informatiebehoefte overeenkomt
met de gemeentelijke behoefte aan beleidsinformatie. Om de daartoe noodzakelijke nadere consultaties
met gemeenten mogelijk te maken, is met instemming van de betrokken partijen - onder behoud
van invoering op 1 januari 1996 - de beoogde datum van vaststelling van de
statistiek uitgesteld.
Dit overleg heeft op tal van plaatsen tot een aanpassing
van de oorspronkelijke voornemens geleid. Van een aantal op zich gewenste kenmerken moest de
conclusie worden getrokken dat deze niet via de statistiek dienen te worden
verzameld, omdat de daarvoor benodigde vraagstelling onvoldoende aansluit op de
gegevens die door de gemeenten in het kader van de uitvoering van de Abw worden verkregen. Dit is
ook van toepassing op kenmerken waarvan de gemeenten slechts met een bovenmatige inspanning in
staat zouden zijn eenduidig te interpreteren gegevens omtrent het desbetreffende
kenmerk te leveren. Bij andere gegevens is de vraagstelling - soms aanzienlijk
- gewijzigd en ingeperkt om een aansluiting te krijgen met de gegevens waarover de gemeenten
de beschikking hebben.
Per saldo zijn de uitbreidingen in de statistiek beperkt van
omvang. Deze spitsen zich met name toe op gegevens die van
belang zijn voor het activeringsbeleid. Het belang van deze gegevens - ook voor de
eigen informatievoorziening - wordt door de gemeentelijke vertegenwoordigers
onderschreven en opname daarvan in de landelijke statistiek verantwoord geacht.
In aansluiting op de grondige voorbereiding en het
uitvoerige overleg wordt het noodzakelijk geacht na te gaan hoe gemeenten
vorderen bij de te realiseren aanpassingen in het kader van de bijgestelde statistiek.
Hiertoe bestaat onder meer het voornemen medio 1996 een evaluatie ter zake
te houden. Op basis van deze evaluatie kan worden beslist de ministeriële regeling aan
te passen, alsmede aanwijzingen worden verkregen over punten die een specifieke toelichting richting
gemeenten behoeven. Het ministerie zal in het voorjaar het initiatief tot een
dergelijke
evaluatie nemen.
Conform artikel 133 van de
Abw is het
besluit met de
daarbij behorende vraagstelling aan de Centrale Commissie voor de Statistiek
(CCS) ter advisering
voorgelegd.
De CCS adviseert positief over het voorgelegde voorstel,
omdat het bijdraagt aan een verbetering van de statistische informatievoorziening op dit terrein.
De CCS constateert dat de gegevens met betrekking tot
naam, adres en woonplaats (NAW-gegevens) niet in het voorstel waren opgenomen. Met
dergelijke gegevens zou een koppeling van bijstandsinformatie met eigen CBS-enquetes mogelijk
worden, op basis waarvan nieuwe landelijke statistische informatie beschikbaar kan komen
over onder andere arbeidsmarktaspecten. Gegevens over met name bijstandsafhankelijkheid zijn in
bijzondere mate gevoelig voor de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen. De vertrouwelijkheid
daarvan dient gegarandeerd te zijn. Een gegevensverstrekking, waarbij het gemeentelijke
registratienummer en het sofinummer vermeld zijn, biedt - mede gezien de
privacyregeling bij
het CBS - daartoe voldoende zekerheid.
Bij de ontwikkeling van de voorliggende vraagstelling is
aan de orde geweest om nadere identificerende kenmerken in de statistische gegevens op te nemen
om de door de CCS aangeduide informatie te kunnen verkrijgen. Uiteraard dient niet op voorhand de verstrekking van
NAW-gegevens te worden afgewezen als daarmee meer betrouwbare of meer diepgaande relevante
beleidsinformatie kan worden verkregen. De gevoeligheid van bijstandsgegevens dwingt er echter
toe alle met een dergelijke werkwijze verband houdende aspecten, waaronder de
privacyaspecten, zorgvuldig te onderzoeken alvorens te besluiten tot een verplichte
verstrekking van identificerende persoonskenmerken. Daarbij dient, mede met het oog op de daaraan
verbonden kosten voor de gemeenten, tevens vast te staan dat met de verstrekking van deze
gegevens informatie met een aanmerkelijke meerwaarde kan worden verkregen. Indien
dat inderdaad het geval is en de verstrekking van NAW-gegevens met voldoende waarborgen is
omgeven en voor de gemeenten haalbaar is, kan op een later tijdstip worden geregeld dat de
identificerende gegevens aan de te verstrekken gegevens worden toegevoegd. Bij de nadere
eventuele besluitvorming zal rekening worden gehouden met een tijdige afkondiging hiervan
opdat de gemeenten in staat zullen zijn de gewenste gegevens te verstrekken.
Aanpassing van de huidige statistiek
De nieuwe wetgeving
geeft op tal van plaatsen andere
regels voor de vaststelling van het recht op en de hoogte van de uitkering en voor de
daaraan te verbinden voorwaarden. Deze behoeven slechts ten dele door te werken in de van
de gemeenten te vragen gegevens ten behoeve van de landelijke statistiek. Op een aantal punten zijn
wijzigingen echter onvermijdelijk. Een eerste noodzakelijke aanpassing betreft de
uitkeringsgegevens. De uitkering werd onder de oude regelgeving -
behoudens afwijkingen in individuele gevallen - volledig bepaald door centrale regelgeving,
met name het Bijstandsbesluit landelijke normering. In de nieuwe wetgeving wordt volstaan met een
beperkt aantal landelijke normen die - binnen wettelijke randvoorwaarden - door de
gemeenten voor eigen beleidsmatige verantwoordelijkheid worden verhoogd of verlaagd,
naargelang de omstandigheden van de bijstandontvanger. Voor tal van aspecten van de landelijke
beleidsvoering is het noodzakelijk dat de statistiek een blijvend inzicht
verschaft in de verstrekte uitkeringen, ook als deze voor een belangrijk deel voor gemeentelijke
verantwoordelijkheid komen. Juist doordat deze gegevens de kern vormen van
de gemeentelijke uitkeringsadministratie en de wetgeving een duidelijk kader voor
het gemeentelijke uitkeringsbeleid geeft, stuit de verstrekking van deze gegevens niet op
belemmeringen.
Met de grotere nadruk op de activerende functie van de
bijstand dient met de invoering van de nieuwe wetgeving statistische informatie over de
uitstroomaspecten te worden verkregen. De huidige statistiek levert slechts in
zeer beperkte mate informatie over de achtergronden van de behoefte aan bijstand,
terwijl gegevens over de beëindiging van de bijstand in het geheel ontbreken.
Met het opheffen van het onderscheid tussen degenen die
bijstand ontvangen op grond van de wet zelf (de zogeheten ABW-sec) en op grond van de
Rww zou zelfs de huidige, zeer beperkte informatie over de arbeidsmarktpositie van
bijstandontvangers komen te vervallen. Voor een effectief activeringsbeleid is het essentieel
om op landelijk niveau de beschikking te hebben over enkele basisgegevens omtrent
de arbeidsmogelijkheden en -belemmeringen van degenen die een beroep op bijstand doen. Op
basis van de gegevens die de gemeenten in het kader van de aan de uitkering te verbinden
voorwaarden dienen vast te leggen, kan op hoofdlijnen een dergelijk beeld worden verkregen.
Het gaat hierbij om de arbeidsvoorwaarde die in het betrokken geval van toepassing is en de redenen om
deze eventueel niet of niet geheel op te leggen, en de eventuele maatregelen die de gemeente heeft
toegepast als de betrokkene zich niet aan deze voorwaarden heeft gehouden. Voor zover die
gegevens in het individuele geval van belang zijn, wordt van de gemeenten eveneens
gevraagd om gegevens te verstrekken omtrent het opleidingsniveau van de
bijstandontvanger en - als deze
voorafgaand aan de bijstand een WW-uitkering heeft ontvangen - wat de ingangsdatum van deze
uitkering was.
Om een beter inzicht te krijgen in de factoren die het
beroep op bijstand beïnvloeden, is het noodzakelijk om de beschikking te
hebben over enkele gegevens omtrent de oorzaak van het ontstaan en de beëindiging van de
bijstandsbehoevendheid. De gegevens die de gemeente verkrijgt bij de beoordeling van het recht op
bijstand vormen hiervoor een adequaat kader. In de uitvoeringspraktijk is het bovendien
gebruikelijk om bij de beschikking op grond waarvan de bijstandsuitkering wordt
beëindigd, de reden daarvoor te vermelden. Met een globale vraagstelling wordt aansluiting met de
gemeentelijke uitvoeringspraktijk bereikt.
Met de nieuwe wetgeving is de reikwijdte van de bijzondere
bijstand uitgebreid. De huidige landelijk geregelde toeslagen op de algemene bijstand, zoals de
woonkostentoeslag, worden overgeheveld naar de bijzondere bijstand, terwijl de bijstand die in
aanvulling op de landelijke norm voor beneden-21-jarigen wordt verstrekt, eveneens als bijzondere
bijstand wordt vormgegeven. De huidige vraagstelling, waarin voor de bijzondere bijstand een
uitgebreid onderscheid naar kostensoort wordt gehanteerd, kan - met deze en enkele
anders aanvullingen - volledig worden gehandhaafd. Het in de statistiek gemaakte onderscheid naar
kostensoort wordt door de gemeenten doorgaans ook voor eigen doeleinden gevolgd. Naar
verwachting zal de op dit punt aangepaste statistiek blijven aansluiten op de eigen
informatiebehoefte van de gemeenten.
Opzet van statistieken en bekostiging
De thans geldende informatiebehoeften vergen dat de
statistische gegevens ook worden verzameld ten aanzien van degenen van wie in een bepaalde
periode de bijstand is beëindigd en dat de statistiek regelmatig wordt opgesteld.
Met het oog op de betrouwbaarheid van de informatie is
het CBS van oordeel dat - in de tijd gezien - de verlening en beëindiging van de
bijstand volledig dient te worden waargenomen. Voor de gemeenten
is van belang dat de
verstrekking van de statistische gegevens aansluit op de periodiciteit van de
eigen uitkeringsadministratie, die wordt bepaald door het - behoudens uitzonderingsgevallen -
maandelijkse uitbetalingsritme. Met een maandelijkse rapportering aan het CBS wordt aan deze
randvoorwaarde voldaan. In concreto betekent de voorgestane opzet dat gemeenten elke maand
van de in deze maand plaatshebbende periodieke of incidentele verstrekkingen en van
de periodieke uitkeringen die in deze maand worden beëindigd bestanden aanmaakt met de voor
de statistiek noodzakelijk geachte gegevens. De bron voor de statistische gegevens is de
maandelijks geactualiseerde betalingsadministratie. Dat geldt ook voor degenen van wie
de uitkering inmiddels is beëindigd. Deze personen hebben over de betreffende maand immers
een - gedeeltelijke - uitkering ontvangen. Deze opzet maakt het mogelijk om zowel de statistiek
incidentele betalingen, alsmede de uitstroomstatistiek, alsmede het gebruik van de periodieke bijstand
op een gegeven moment op basis van het maandelijks door de gemeenten te verstrekken
bestand
vast te stellen.
In de door het CBS op te stellen nadere
richtlijnen zullen
de relevante aspecten van de verstrekking van de gegevens verder worden uitgewerkt.
Een dergelijke wijze van rapportage maakt het mogelijk om
enkele van de huidige statistieken te integreren. Hiermee wordt de gegevensstroom van de gemeenten
naar het CBS belangrijk gestroomlijnd en derhalve voor de gemeenten vereenvoudigd. De
bestaande statistiek incidentele betalingen kan worden gebaseerd op dezelfde
berichtgevingsperiode en -systematiek en daarmee als afzonderlijke gegevensverstrekking
vervallen.
Bij realisatie van thans voorgenomen gegevensverstrekking en
-verwerking kan de aparte gegevensverstrekking over de financiële aspecten van de
bijstandverlening komen te vervallen. Met betrekking tot de bijzondere bijstand wordt dat
mogelijk gemaakt door in de nieuwe statistiek per kostensoort te laten vermelden
wat de hoogte van de betreffende bijzondere bijstand is.
De aparte statistiek aanvragen-ABW kan, aangezien deze
informatie inmiddels minder beleidsrelevant is, komen te vervallen.
Ondanks de aanmerkelijke vereenvoudigingen die op deze
wijze kunnen worden aangebracht in de gegevensverstrekking door de gemeenten aan het CBS,
zullen aan de nieuwe statistiek voor de gemeenten waarschijnlijk extra kosten zijn verbonden, zowel
eenmalige door de noodzaak van aanpassing van programmatuur als structurele
tengevolge van de
uitbreiding van de vraagstelling en de frequentere verstrekking van gegevens. Deze kosten zullen naar
verwachting beperkt zijn. Door de tijdige bekendmaking van dit besluit behoeft geen aparte aanpassing
van de programmatuur plaats te vinden, maar kan het onderdeel uitmaken van de totale herziening
van de automatisering waartoe verreweg de meeste gemeenten bij gelegenheid
van de invoering van de nAbw overgaan. Door de koppeling van de gegevenstoelevering aan het CBS
aan het uitbetalingsritme blijven de kosten van de hogere frequentie nagenoeg beperkt tot die van de
verzending. De statistiek vormt een integraal onderdeel van de uitvoering.
Voor de extra uitvoeringskosten waartoe de nieuwe wetgeving
leidt, wordt de
gemeente een eenmalig bedrag van ƒ50 mln ter beschikking gesteld en krijgen zij een
structurele extra bijdrage van ƒ25 mln per jaar.
Verantwoordelijkheden voor de statistische
informatieverzameling en de wijze en het tijdstip van
gegevensverstrekking door
gemeenten aan het CBS
Op grond van artikel 133
van de Abw dient de Minister van
SZW de regels vast te stellen die gelden voor de verstrekking van statistische gegevens door de
gemeenten. De nadere invulling van deze opdracht om dergelijke regels te stellen, dient in
overeenstemming te zijn met de verantwoordelijkheden die de Minister van SZW
onderscheidenlijk het CBS kunnen dragen voor de statistiek. De verantwoordelijkheid
die de Minister van SZW toekomt, is de formulering van de inhoud van de statistische informatie alsmede
het voorzien in een zodanig wettelijk kader dat deze informatievoorziening ook feitelijk
tot stand kan komen. Gezien de specifieke deskundigheid en de eigen positie van het CBS is deze
verantwoordelijk voor de kwaliteit en betrouwbaarheid van de benodigde statistische informatie
voor zover deze wordt bepaald door de verwerking en bewerking van de door de gemeenten
verstrekte gegevens. Om deze verantwoordelijkheid te kunnen waarmaken, dient enerzijds duidelijk
te zijn dat de gemeenten de betreffende gegevens inderdaad aan het CBS verstrekken en daarbij
voldoen aan maatstaven van voldoende betrouwbaarheid en dient het CBS anderzijds
de bevoegdheid te hebben om de nodige technische instructies vast te stellen opdat een efficiënte en
betrouwbare verwerking van deze gegevens mogelijk is. Als bij de uit oogpunt van bewaking en
verbetering van de kwaliteit uitgevoerde controle van de door de gemeenten
verstrekte gegevens daartoe aanleiding bestaat, dient het CBS ook de mogelijkheid te
hebben om deze gegevens voor verbetering aan de gemeenten voor te leggen.
Dit onderscheid in bevoegdheden komt in deze regeling tot
uitdrukking in de vaststelling door de Minister van SZW van de door de gemeenten aan het CBS te
verstrekken gegevens, de periodiciteit en de bij de verstrekking te hanteren afbakening
van de van belang zijnde bestanden, terwijl voor de wijze waarop en de termijn waarbinnen
deze gegevens worden verstrekt, is bepaald dat de gemeenten hierbij gehouden zijn de technische
richtlijnen van het CBS in acht te nemen.
De gevraagde statistische gegevens zullen in beginsel
elektronisch aan het CBS worden verstrekt. Als de gemeente niet de beschikking heeft over de daartoe
benodigde apparatuur of dat anderszins een onredelijke belasting met zich zou brengen,
kan met het CBS een andere wijze van gegevensverstrekking worden overeengekomen. Toekomstige
ontwikkelingen op het gebied van datatransport kunnen ertoe leiden dat de
levering van gegevens nog efficiënter, bijvoorbeeld door gebruik te maken van
Gemnet, kan verlopen.
Het is ook passend om het CBS richtlijnen te laten
vaststellen omtrent de termijn waarbinnen de gevraagde gegevens worden verstrekt. Dat betreft niet alleen in
zijn algemeenheid de termijn waarbinnen gemeenten de gegevens over de verslagperiode
dienen te verstrekken, maar ook keuzen omtrent bijvoorbeeld het moment waarop
de berichtgeving plaatsvindt over de personen wiens bijstandsuitkering is gestart of
beëindigd.
Door hieromtrent alleen te bepalen dat de gemeenten
hiertoe gehouden zijn aan de nog op te stellen richtlijnen van het CBS, is er
de gelegenheid om in nader overleg zodanige richtlijnen op te stellen die aansluiten bij de
gemeentelijke uitvoeringsmogelijkheden.
Gebruik van gegevens
In de nieuwe Algemene bijstandswet wordt ten aanzien van
de gegevensverstrekking door de gemeenten aan de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
een onderscheid gemaakt tussen de inlichtingen ten behoeve van het toezicht door het Rijk op de
uitvoering van de Abw en de gegevens die de gemeenten ten behoeve van de
algemene beleidsinformatie verschaffen. De statistiek vormt onderdeel van de
beleidsinformatie. Dat brengt met zich mee dat, waar deze statistische gegevens wel van
belang kunnen zijn voor de formulering en sturing van het
toezichtsbeleid, een beoordeling
van de wetsuitvoering door individuele gemeenten gebaseerd dient te zijn op de
gegevens die in het kader van het toezicht worden verstrekt.
Overgangsjaar
Om verschillende redenen kan de nieuwe regelgeving
betreffende de gegevensverstrekking nog niet ogenblikkelijk van toepassing zijn
op degenen die bij de invoering van de nieuwe Algemene bijstandswet reeds
bijstand ontvingen. Voor de bestaande gevallen blijft de huidige ABW nog gedurende een kortere of
langere periode van toepassing. Dat is doorgaans tot aan het moment van herbeoordeling
aan de nieuwe wettelijke regels, zoals geregeld in
artikel 5 van de Invoeringswet. Na een
onderbreking van de bijstandverlening gedurende langer dan één maand en bij
een wijziging van omstandigheden wordt de bijstand eveneens op grond van de nieuwe wettelijke
regels verleend. Waar de nieuwe vraagstelling - met name op het punt van de hoogte en
samenstelling van de uitkering - op de nieuwe wettelijke regels is gebaseerd, kan deze
derhalve niet op de bestaande gevallen worden toegepast zolang voor hen nog het
oude regime geldt. Daarnaast bevat de nieuwe statistiek op onderdelen een uitbreiding
van de vraagstelling, waarvoor de benodigde gegevens voor de bestaande gevallen mogelijk nog
niet op grond van de uitkeringsadministratie kunnen worden verstrekt.
Het ligt voor de hand om voor de bestaande gevallen de
huidige vraagstelling te handhaven zolang de bijstand nog op de huidige wetgeving is gebaseerd. Nadat de
betrokkene onder het regime van de nieuwe wet komt te vallen, zijn alle onderdelen van de statistiek op
het betrokken geval van toepassing. Voor zover het om nieuwe statistische gegevens gaat
die wel al bekend zijn bij de gemeente, maar nog niet elektronisch beschikbaar, biedt
deze omzetting van de oude naar de nieuwe wet een geschikt moment om deze gegevens op te
nemen in een door de gemeente gevoerde administratie die bij het samenstellen van het bestand met
gegevens voor de statistiek, via elektronische weg kan worden benaderd. In
het geval dat de gevraagde gegevens in het geheel niet bij de gemeente bekend zijn,
kunnen deze in het kader van de herbeoordeling worden verkregen. Voor de diverse te onderscheiden statistiekonderdelen kan
wat betreft de feitelijke verstrekking van de gegevens gedurende het overgangsjaar het volgende worden
aangegeven.
Voor de gegevensverstrekking voor het statistiekonderdeel
incidentele betalingen geldt dat met ingang van de maand januari 1996 maandelijks gegevens op integrale
basis uitgaande van de nieuwe vraagstelling dienen te worden verstrekt.
Voor de gegevensvertrekking voor het statistiekonderdeel
beëindigde uitkeringen geldt dat met ingang van de maand januari 1996 maandelijks gegevens uitgaande
van de nieuwe vraagstelling dienen te worden verstrekt voor de situaties dat sprake is van
beëindiging van een uitkering waarop reeds het regime van de nAbw van kracht was.
Voor de gegevensvertrekking voor het statistiekonderdeel
periodieke betalingen geldt dat met ingang van de maand januari 1996 maandelijks
gegevens op integrale basis uitgaande van de nieuwe vraagstelling dienen te worden
verstrekt van de personen of gezinnen waarvan de uitkering onder het regime van de nAbw is
gebracht. Voor periodieke uitkeringen waarbij dit nog niet het geval is, geldt de vrijwillige levering
op kwartaalbasis zoals deze ook nu van kracht is.
De verstrekking in 1997 van de gegevens die van belang
zijn voor de financiële statistiek over het boekjaar 1996, zowel wat betreft
het onderdeel algemene bijstand als het onderdeel bijzondere bijstand, kan beperkt blijven tot de
uitkeringen die in 1996 zijn verricht onder het oude regime van de ABW.
Naar verwachting wordt op deze wijze voor de statistiek op
dezelfde wijze een soepele omzetting bereikt van het oude naar het nieuwe
regime als dat geldt voor alle andere aspecten van de uitvoering.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert.
|
|