|
25 september 1995/nr. BZ/VOL/3247a
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 114, tweede lid,
van de Algemene bijstandswet;
Besluit:
Art. 1.
[Criteria m.b.t. deelname aan hoger beroeps- of
wetenschappelijk onderwijs]
Het hoger beroeps- of wetenschappelijk onderwijs kan slechts
noodzakelijk worden geacht voor de inschakeling in de arbeid,
indien de scholing of opleiding:
a. wordt gegeven in een specifiek op werklozen gericht
project;
b. beroepsgericht is;
c. maximaal twee jaar duurt; en
d. een praktijkcomponent niet meer dan de helft van het
programma uitmaakt.
Art. 2.
[Inwerkingtreding]
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.
Art. 3.
[Citeertitel]
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling noodzakelijke
scholing.
Deze regeling zal met de toelichting
in de Staatscourant worden geplaatst.
's-Gravenhage, 25 september 1995.
De Minister voornoemd.
A.P.W. Melkert.
TOELICHTING
[25 september 1995]
In deze regeling is een nadere invulling gegeven aan
artikel 114, tweede lid,
van de Algemene bijstandswet (Abw). Deze regeling bevat criteria voor het aanmerken
van scholing of opleiding op hogerberoeps- of wetenschappelijk niveau als noodzakelijk voor de
inschakeling in de arbeid. Bij deelname aan een zodanige scholing of opleiding wordt de
bijstandverlening voortgezet en worden de verplichtingen uit artikel
113,
eerste lid, onderdeel a en c, van de Abw niet aan de bijstand verbonden.
Met de regeling wordt een reeds enige jaren bestaande
praktijk, gebaseerd op de Beschikking noodzakelijke scholing ABW 1991 van de
Staatssecretaris Sociale
Zaken en Werkgelegenheid van 1 oktober 1991 (Stcrt. 1991, 193) voortgezet.
Regulier onderwijs op hogerberoeps- en wetenschappelijk
niveau mag niet als noodzakelijke scholing worden aangewezen. Een scholing of opleiding op dat
niveau kan derhalve alleen als noodzakelijk worden beschouwd als het een specifiek op werklozen
gericht project betreft. De scholing dient beroepsgericht te zijn, waardoor na het volgen van de
scholing of opleiding zonder verdere om-, her- of bijscholing kan worden
deelgenomen aan de arbeidsmarkt.
Scholing moet aansluiten op de arbeidsmarktbehoefte, ook
wat het volume betreft. Om deze reden moet de scholing van beperkte duur zijn. Bij scholingen die langer
dan twee jaar duren, kan immers nauwelijks de garantie worden gegeven dat wordt ingespeeld op
een concrete behoefte op de arbeidsmarkt.
In nauw overleg met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
[zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI),
red.] zal de arbeidsmarktrelevantie van de scholing voor de belanghebbende moeten worden bepaald.
Burgemeester en wethouders zijn, ingevolge artikel
111, tweede lid, van de Abw, tot samenwerking met
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie verplicht.
Om te voorkomen dat onder de noemer scholing feitelijk
activiteiten worden verricht die zijn aan te merken als onbeloonde arbeid, geldt ook een beperking ten
aanzien van een eventuele praktijkcomponent van de scholing. In gevallen waarin het praktijkdeel
meer dan de helft van het programma uitmaakt, kan de scholing of opleiding niet
noodzakelijk worden geacht voor de inschakeling in de arbeid.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert.
|
|