|
3 oktober 1995/nr. BZ/UK/95/3405B
Directie Bijstandszaken
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 145,
tweede lid, van de Algemene bijstandswet en
artikel 58 van de
Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet;
Besluit:
Art. 1. [Kring
van rechthebbenden]
Degene die recht heeft op
algemene bijstand heeft tevens recht op een overbruggingsuitkering
indien in het kalenderjaar 1996 als gevolg van de toepassing van artikel
73, eerste lid, van de Algemene bijstandswet, dan wel een wijziging in
de wijze waarop toepassing wordt gegeven aan dat artikellid, tussen twee
opeenvolgende tijdstippen van uitbetaling van bijstand een periode
gelegen is die langer is dan het kalendertijdvak waarover de eerstbedoelde bijstand is betaald.
Art. 2. [Hoogte
overbruggingsuitkering]
De overbruggingsuitkering
is gelijk aan de algemene bijstand waarop recht bestaat over het aantal
kalenderdagen waarmee het in artikel 1 bedoelde kalendertijdvak wordt
verlengd.
Art. 3. [Overbruggingsuitkering
als geldlening]
De overbruggingsuitkering
wordt verleend in de vorm van een renteloze geldlening, die niet eerder
dan bij beëindiging van de algemene bijstand opeisbaar is.
Art. 4. [Ambtshalve
verlening]
De overbruggingsuitkering
wordt ambtshalve verleend.
Art. 5. [Uitbetaling]
De overbruggingsuitkering
wordt op de eerste dag van de periode waarop deze betrekking heeft
uitbetaald.
Art. 6. [Overbruggingsuitkering
als algemene bijstand]
De overbruggingsuitkering
wordt aangemerkt als algemene bijstand in de zin van de Algemene
bijstandswet, met dien verstande dat artikel
26, vierde lid, van die wet
geen toepassing vindt.
Art. 7.
[Inwerkingtreding]
Deze regeling treedt in
werking met ingang van 1 januari 1996.
Art. 8. [Citeertitel]
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling overbruggingsuitkering Abw.
Deze regeling
zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 3 oktober 1995.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.
TOELICHTING
[3 oktober 1995]
Algemeen
Op grond van
artikel 73 van de nieuwe Algemene bijstandswet
dient de algemene
bijstand maandelijks achteraf te worden betaald. Hierdoor ontstaat een
stroomlijning met de betaling van andere uitkeringen en loon. Voor veel
gemeenten betekent het "maandelijks achteraf" betalen dat zij hun
betaalmoment naar achteren moeten schuiven. Uit signalen is gebleken dat
daardoor reële risico’s bestaan dat bijstandscliënten in
liquiditeitsproblemen raken.
Uit
vaste jurisprudentie met betrekking tot het verschuiven van de
betaaldatum kan onder meer het volgende worden afgeleid. De gemeente
heeft bij de uitvoering van de bijstandswet in het algemeen de
bevoegdheid om tot wijziging van het betalingssysteem over te gaan, mits
daarbij de belangen van de bijstandsgerechtigden niet worden geschaad en
de totaal verleende bijstand niet meer en niet minder bedraagt dan de
bijstand die zou zijn verleend wanneer niet tot wijziging van het
betalingssysteem zou zijn overgegaan. Voorts brengt het karakter van de
bijstand als laatste voorziening op minimumniveau in dit verband mee dat
bij de uitbetaling van de uitkeringen zoveel als mogelijk moet worden
voorkomen dat de continuïteit in de uitbetaling wordt verstoord. (RvS,
Afdeling bestuursrechtspraak 11 juli 1994, nr. G04.92.0387, JABW 94/296).
In
lijn met deze jurisprudentie worden in dit besluit regelen gesteld die
de cliënt recht geven op een overbruggingsuitkering indien de gemeente
overgaat tot het verschuiven van het betaalmoment.
Juridische basis voor de onderhavige regeling van de
overbruggingsuitkering is artikel 58 van de Invoeringswet herinrichting
Algemene Bijstandswet. Dit artikel maakt het mogelijk om in het belang
van een goede uitvoering van die wet bij ministeriële regeling regels
te stellen. Alle verschuivingen van de betaaldatum die in het
invoeringsjaar, dus in 1996, van de Algemene bijstandswet plaatsvinden,
vallen onder deze regeling.
In
verband met de te betrachten spoed wordt gebruik gemaakt van de
bevoegdheid ex artikel 145, tweede lid om - vooruitlopend op een
algemene maatregel van bestuur ter zake - nadere regels te stellen.
Gewaarborgd dient te worden dat door deze
verschuiving niemand zonder geld komt te zitten. Deze waarborg wordt in
ieder geval gegeven in de vorm van een door de gemeente te verstrekken
overbruggingsuitkering. De hoogte van deze uitkering is gelijk aan de
uitkering gedurende het aantal dagen dat het betaaltijdstip naar
achteren wordt geschoven. Indien betaling aan het eind van de derde week
van de lopende maand gebruikelijk was en de gemeente besluit de
uitkering voortaan aan het eind van de vierde week van de lopende maand
uit te betalen, dan is de overbruggingsuitkering gelijk aan één week
uitkering.
Hoewel
voor bestaande gevallen de verplichting
tot het achteraf betalen niet bestaat (artikel 13 Invoeringswet
herinrichting Algemene Bijstandswet), is het denkbaar dat de gemeenten -
om te voorkomen dat er verschillende betaalmomenten binnen één maand
blijven bestaan - ervoor kiezen om inderdaad het tot dusver
gebruikelijke betaaltijdstip te veranderen en naar achteren verschuiven.
Voor de persoon aan wie de
overbruggingsuitkering waarop recht bestaat niet is toegekend, staat de
reguliere beroepsgang open zoals die bij de Algemene bijstandswet van
toepassing is.
Administratieve
belasting
Door
de gelijkstelling aan de algemene bijstand zijn alle voorschriften van
toepassing die ook voor de algemene bijstand gelden, zodat geen
specifieke administratieve voorschriften met betrekking tot toezicht, declaratie,
etc. nodig zijn.
Voor
de gemeente zal invoering van de regeling een toename van het
debiteurenbestand inhouden. Deze zal zich echter ook nu al voordoen,
voor zover overbruggingsuitkeringen worden verstrekt. Doordat sprake is
van één vorderingentype en één vooraf bepaald bestand, is de
afloopcontrole relatief eenvoudig.
Artikelsgewijs
Artikel 1
In
dit artikel wordt geregeld dat indien in 1996 de betaaldatum wordt
verschoven, met als gevolg dat er voor de betrokken
bijstandsgerechtigden een financieel gat valt, recht bestaat op een
overbruggingsuitkering voor diegene die op het moment dat de
verschuiving plaatsvindt reeds recht heeft op algemene bijstand.
Artikel 2
De hoogte van de uitkering wordt gekoppeld aan het recht op bijstand
over de te overbruggen periode.
Artikel 3
In dit artikel is geregeld dat de overbruggingsuitkering wordt verleend
in de vorm van een renteloze lening. Hiermee wordt voorkomen dat men als
bijstandsontvanger per saldo meer bijstand zou krijgen dan waarop men
recht heeft. Tevens is vastgelegd dat de lening pas bij de beëindiging
van de bijstand opeisbaar wordt. De
gemeenten treffen daartoe een
regeling. In het algemeen mag worden aangenomen dat door de toename in
het verworven inkomen een terugbetaling van de lening op dat moment de
belanghebbende het beste uitkomt. Dit neemt overigens niet weg dat een
belanghebbende desgewenst wel eerder mág terugbetalen.
Artikel 4
Teneinde zoveel mogelijk alle belanghebbenden te bereiken en tevens de
uitvoering zo eenvoudig mogelijk te houden, is in dit artikel gekozen
voor ambtshalve toekenning van de overbruggingsuitkering.
Artikel 5
Gelet op de strekking van de uitkering wordt in dit artikel
voorgeschreven dat deze aan het begin van de te overbruggen periode
wordt betaald. Hierdoor wordt voorkomen dat de bijstandscliënt in
liquiditeitsproblemen komt te verkeren. Uit een oogpunt van
uitvoerbaarheid verdient het nadrukkelijk aanbeveling dat de
overbrugging in één keer plaatsvindt.
Artikel 6
In dit artikel is geregeld dat de overbruggingsuitkering wordt
aangemerkt als algemene bijstand in de zin van de Algemene
bijstandswet.
Door de gelijkstelling van de overbruggingsuitkering met algemene
bijstand wordt bereikt dat de uitkering voor 90% voor rekening van het Rijk komt. Na terugbetaling van het geleende bedrag aan
gemeenten zal
dit uiteindelijk via de vigerende declaratiemethodiek weer voor 90% aan
het Rijk ten goede komen, zodat in dat opzicht sprake is van een
kostenneutraal effect. Tevens heeft één en ander tot gevolg dat de
financiële verwerking van de overbruggingsuitkeringen een onderdeel kan
vormen van het normale declaratiestelsel. Eveneens in dit artikel is
geregeld dat artikel 26, vierde lid, van de Abw geen toepassing vindt.
Hierdoor wordt tot uitdrukking gebracht dat ten aanzien van de
onderhavige renteloze leningen geen verhoging met en afdracht van
loonbelasting, premies volksverzekeringen en ziekenfondspremie behoeft
plaats te vinden.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert.
|