St-AB.nl

 

  

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             


vorige

Algemene bijstandswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant

 

REGELING  ADMINISTRATIEVE  UITVOERINGSVOORSCHRIFTEN  BBZ  2004 ¹


13 maart 1996, Stcrt. 1996, 58
Inwerkingtreding: 1 januari 1996
(T.a.v. artt. 71:1a,b, 71:2c,d en 117:2 Abw
19:1a,b, 19:2c,d en 41:2 Ioaw
19:1a,b, 19:2c,d en 41:2 Ioaz en Bbz 2004)

 

1. Redactie: ingevolge artikel I, onderdeel B, van de Aanpassingsregeling Wwb is de Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften Abw, Ioaw en Ioaz 1996 met ingang van 1 januari 2004 voorzien van een nieuwe citeertitel, luidende: Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften Ioaw, Ioaz en Bbz 2004. Vervolgens is ingevolge artikel I, onderdeel C, van de Regeling van 16 december 2009, Stcrt. 2009, 20086, de citeertitel met ingang van 1 januari 2010 komen te luiden: Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften Bbz 2004

 

  
 

 

 
13 maart 1996/nr. BZ/UB/0179-I
Directie Bijstandszaken

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 71, eerste lid, onderdeel a en b,
71, tweede lid, onderdeel c en d, 117, tweede lid, 134, vijfde lid, en 135, derde lid, van de Algemene bijstandswet, de artikelen 19, eerste lid, onderdeel a en b, 19, tweede lid, onderdeel c en d, 41, tweede lid, 57, derde lid, en 58, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, alsmede de artikelen 19, eerste lid, onderdeel a en b, 19, tweede lid, onderdeel c en d, 41, tweede lid, 57, vierde lid, en 58, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
     Handelende na overleg met de Minister van Binnenlandse Zaken;

     Besluit:

 

 

§ 1.  Definities

 

Art. 1. [Definities]
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. Abw: de Algemene bijstandswet;
c. heronderzoek: het onderzoek, bedoeld in artikel 66, derde lid, van de
Abw;
d. beëindigingsonderzoek: het onderzoek, bedoeld in artikel 66, vijfde lid, van de
Abw;
e. debiteurenonderzoek: het onderzoek, bedoeld in artikel 66, zesde lid, van de
Abw;
f. opschortingsperiode: de periode van opschorting van de bijstand, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de
Abw.

 

 

§ 2.  Onderzoeken ter zake van uitkeringen en vorderingen

 

Art. 2. [Heronderzoek en -splan]
-1. Burgemeester en wethouders verrichten het heronderzoek, uitmondend in een besluit of in een aantekening als bedoeld onder d, binnen acht maanden:
a. na de ingangsdatum van de uitkering; of indien de uitkering met terugwerkende kracht is toegekend,
b. na de aanvraagdatum van de uitkering;
c. na de datum waarop het besluit naar aanleiding van het laatst verrichte heronderzoek werd genomen; of indien tot een zodanig besluit geen aanleiding bestond,
d. na de datum waarop blijkens een daartoe strekkende aantekening in het dossier van belanghebbende het laatst verrichte heronderzoek werd afgesloten.
-2.
Burgemeester en wethouders kunnen aan de hand van door hen vast te stellen criteria voor categorieën van uitkeringsgerechtigden en voor te onderzoeken gegevens en omstandigheden termijnen vaststellen die afwijken van de in het eerste lid genoemde termijn, mits:
a. zij een daartoe strekkend onderzoeksplan hebben opgesteld;
b. de termijn niet meer bedraagt dan achttien maanden.
-3. Het in het tweede lid bedoelde onderzoeksplan omvat ten minste:
a. de criteria op grond waarvan een differentiatie zal plaatsvinden naar de categorieën van uitkeringsgerechtigden, de te onderzoeken gegevens en omstandigheden en de onderzoekstermijnen;
b. de onderscheiden termijnen die gehanteerd worden;
c. de globale groepskenmerken van de categorieën uitkeringsgerechtigden waarop de onderscheiden termijnen betrekking hebben;
d. de wijze waarop, gezien de in het onderzoeksplan aangebrachte onderscheidingen, uitvoering wordt gegeven aan het heronderzoek.
-4. Afwijkende termijnen worden niet met terugwerkende kracht vastgesteld.

 

Art. 3. [Beëindigingsonderzoek en resterende verplichtingen]
Burgemeester en wethouders nemen op basis van het beëindigingsonderzoek uiterlijk zes maanden na de laatste maand waarin betaling van de uitkering heeft plaatsgevonden een besluit met betrekking tot de wederzijds tussen de gemeente en de belanghebbende resterende verplichtingen en de afwikkeling daarvan.

 

Art. 4. [Debiteurenonderzoek en -splan]
-1. Burgemeester en wethouders verrichten het debiteurenonderzoek, uitmondend in een besluit of in een aantekening als bedoeld onder c, binnen twaalf maanden:
a. na de datum waarop de vordering is ontstaan;
b. na de datum waarop het besluit naar aanleiding van het laatst verrichte debiteurenonderzoek werd genomen; of indien tot een zodanig besluit geen aanleiding bestond,
c. na de datum waarop blijkens een daartoe strekkende aantekening in het dossier van belanghebbende het laatst verrichte debiteurenonderzoek werd afgesloten.
-2. Burgemeester en wethouders kunnen aan de hand van door hen vast te stellen criteria voor categorieën van vorderingen en van personen termijnen vaststellen die afwijken van de in het eerste lid genoemde termijn, indien zij voor de in het eerste lid bedoelde onderzoeken een debiteurenonderzoeksplan hebben opgesteld.
-3. Het in het tweede lid bedoelde debiteurenonderzoeksplan omvat ten minste:
a. de criteria op grond waarvan een differentiatie zal plaatsvinden naar de categorieën van vorderingen en van personen;
b. de onderscheiden termijnen die gehanteerd worden;
c. de globale groepskenmerken van de categorieën van vorderingen en van personen;
d. de wijze waarop, gezien de in het debiteurenonderzoeksplan aangebrachte onderscheidingen, uitvoering wordt gegeven aan het debiteurenonderzoek.
-4. Afwijkende termijnen worden niet met terugwerkende kracht vastgesteld.
-5. Ten aanzien van vorderingen waarvan de betalings- en aflossingstermijnen een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de eerste aflossingstermijn voldaan moet zijn, niet overschrijden, kunnen burgemeester en wethouders toepassing van het eerste lid achterwege laten zolang de belanghebbende zijn verplichtingen nakomt.

 

Art. 5. [Opschortingstermijn inlichtingenverplichting]
Burgemeester en wethouders stellen de opschortingsperiode op ten hoogste acht weken.

 

 

§ 3.  De administratie

Vervallen

 

Art. 6. Vervallen.
 
 

 

§ 4.  Wijze en tijdstip van declareren

Vervallen

 

Art. 7. Vervallen.

 

 

§ 5.  Voorschotten

Vervallen

 

Art. 8. Vervallen.

 

 

§ 6.  Slotbepalingen

 

Art. 9. [Inwerkingtreding]
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1996.

 

Art. 10. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften Bbz 2004.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

's-Gravenhage, 13 maart 1996.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.

 

 

 

TOELICHTING
[13 maart 1996]

 

Algemeen

 

     De verplichting voor gemeenten om her-, beëindigings- en debiteurenonderzoeken te verrichten, is in de wet zelf opgenomen. In deze regeling worden onder meer geregeld de termijnen waarbinnen die onderzoeken verricht moeten worden alsmede de toegestane uitzonderingen op de hoofdregels. De her- en debiteurenonderzoeken worden geacht te zijn afgerond met een (wijzigings)besluit, dan wel een aantekening in het dossier dat het her- dan wel debiteurenonderzoek is afgesloten zonder dat een dergelijk wijzigingsbesluit nodig bleek te zijn. De betreffende termijnen strekken zich derhalve mede uit tot bedoelde besluiten dan wel aantekeningen. Voor de rechtmatigheid van de uitkeringsverstrekking is niet alleen de onderzoeksfrequentie van belang, maar vooral de kwaliteit van de onderzoeken. De verantwoordelijkheid voor die kwaliteit berust primair bij gemeenten.
     De regels aangaande de administratie hebben vooral tot doel het uitvoerings- en handhavingsproces van de respectievelijke wetten te ondersteunen en daarmee de rechtmatigheid te vergroten. Tevens hebben de regels tot doel om zowel burgemeester en wethouders als de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in staat te stellen aan de gemeenteraad respectievelijk aan het parlement adequaat verantwoording af te leggen over het krachtens de Abw, de Ioaw en de Ioaz gevoerde beleid en over de daarop betrekking hebbende uitgaven en inkomsten.
     De verantwoordelijkheid van de gemeente voor een ordelijk en controleerbaar financieel beheer inzake de uitvoering van de Abw, Ioaw en Ioaz (Abw c.a.) houdt onder meer in dat haar administratie toereikend moet zijn om een getrouwe weergave van de uitvoering en het uitvoeringsproces te kunnen bieden. Dit vereist mede dat burgemeester en wethouders zorg dragen voor een adequate opzet en werking van een administratieve organisatie en daarmee verbonden maatregelen van interne controle. Daaronder zijn begrepen de processen gericht op een wetsconforme uitvoering en de kwaliteitshandhaving.
     Met het voorschrijven van een adequaat controlespoor wordt een kwaliteitseis aan de uitvoering gesteld, waarmee wordt beoogd een waarborg voor een rechtmatige wetsuitvoering te creëren. Een volledig en adequaat controlespoor is nodig om bij een juiste wetsuitvoering ook te kunnen vaststellen dat de uitkeringen rechtmatig zijn verstrekt. De aanwezigheid van een dergelijk controlespoor maakt het voor de gemeente mogelijk om in het kader van de nieuwe toezichtsverhoudingen de gemeentelijke eerstelijnsuitvoeringscontrole op een doelmatige wijze in te richten.
     De herinrichtingsoperatie beoogt bij te dragen aan het algemene streven naar vereenvoudiging en vermindering van regelgeving. Er worden echter regels gesteld om het uitvoerings- en handhavingsproces van de respectievelijke wetten te ondersteunen en daarmee de rechtmatigheid te vergroten. Bij de totstandkoming van de Abw is de bestuurlijke verantwoordelijkheidsverdeling voor het toezicht in respectievelijk eerste- en tweedelijnsuitvoeringscontrole duidelijk afgebakend (Kamerstukken II 1993-1994, 22 545, nr. 18, blz. 67). Hoewel een adequate opzet en werking van een administratieve organisatie en daarmee verbonden maatregelen van interne controle de rechtmatigheid van de wetsuitvoering kunnen bevorderen, is de invulling die daaraan wordt gegeven, gelet op voornoemde verantwoordelijkheidsverdeling, aan de gemeenten overgelaten.
     Voorts is van belang dat de eisen voor de toegang tot het recht op bijstand zijn verzwaard. Die eisen hebben vooral betrekking op de door de belanghebbende te verschaffen informatie, inclusief de over te leggen bewijsstukken, en de verificatie daarvan door de gemeente. Doordat deze regels veelal betrekking hebben op procesmatige aspecten van de uitvoering, kunnen deze door de gemeenten in belangrijke mate zelf nader worden ingevuld. De neerslag van het verificatie- en validatieproces dient in de administratie tot uitdrukking te komen. Hiertoe is onder andere een toereikende dossiervorming door de gemeente vereist. De bepalingen in deze regeling hebben derhalve betrekking op deze aspecten.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1

     Voor een goed begrip van dit artikel wordt erop gewezen dat onder debiteurenonderzoek in onderdeel g mede het onderzoek naar de financiële omstandigheden van eventuele verhaalsdebiteuren wordt verstaan. artikel 66, zevende lid, van de Algemene bijstandswet biedt hiervoor de basis.

 

Artikel 2

     Op grond van het derde lid van artikel 66 van de Algemene bijstandswet en de overeenkomstige bepalingen in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen hoeven burgemeester en wethouders alleen een nader besluit te nemen indien het onderzoek aanleiding geeft tot wijziging van het recht op uitkering. Hiermede wordt bereikt dat gemeenten niet onnodig administratief worden belast. Het eerste lid van dit artikel heeft ook betrekking op een door of namens burgemeester en wethouders, blijkens een daartoe strekkende aantekening in het dossier genomen, maar niet naar buiten gebrachte beslissing dat het verrichte onderzoek geen aanleiding geeft wijziging aan te brengen in het reeds vastgestelde recht op uitkering. Dit wordt in de gemeentelijke administratie opgenomen, mede met het oog op de planning en bewaking door de gemeente van de uit te voeren heronderzoeken en het uit te oefenen toezicht op de uitvoering daarvan. Voor wat betreft de Algemene bijstandswet geldt dat de in het eerste lid bepaalde termijn betrekking heeft op zowel de algemene bijstand als de bijzondere bijstand.
     Het tweede lid biedt gemeenten de mogelijkheid om op grond van eigen criteria en afgestemd op de specifieke lokale omstandigheden van de uitkeringspopulatie, vooraf onderkende risicofactoren en dergelijke op planmatige wijze invulling te geven aan de uitvoering van de heronderzoeksverplichting. Zij kunnen zodoende meer nadruk leggen op activiteiten die gericht zijn op de toeleiding van de cliënt naar de arbeidsmarkt en meer tijd en energie aanwenden voor cliënten voor wie een activerende aanpak, gericht op arbeidsinschakeling of de voorbereiding daarop, noodzakelijk is. Gemeenten kunnen op die manier maatwerk leveren. Voor een verantwoorde uitvoering van de Abw, Ioaw en Ioaz is het evenwel vereist dat van alle cliënten in elk geval eenmaal per achttien maanden opnieuw alle gegevens die bepalend zijn voor de uitkeringsrechten aan een heronderzoek in volle omvang worden onderworpen. Vandaar dat de uiterste heronderzoekstermijn binnen een heronderzoeksplan is gelimiteerd tot achttien maanden. Uit de wijze waarop het tweede lid is geformuleerd, volgt dat burgemeester en wethouders voorafgaand aan elk kalenderjaar een nieuw onderzoeksplan moeten vaststellen, indien het college althans gebruik wil maken van de mogelijkheid af te wijken van de in het eerste lid bepaalde termijn. Indien burgemeester en wethouders de planbepalingen ongewijzigd willen laten, kunnen zij ermee volstaan om tijdig te besluiten dat het per 31 december van het betreffende jaar expirerende plan ook voor het komend kalenderjaar zal gelden. Op basis van een herijking van de risicoanalyse kunnen burgemeester en wethouders ertoe overgaan om in het nieuwe plan wijzigingen aan te brengen in de categorie-indeling en/of de in acht te nemen termijnen. Dit kan er uiteraard toe leiden dat uitkeringsgerechtigden naar andere categorieën met daarmee corresponderende andere heronderzoekstermijnen overgaan. De tijdigheid van de heronderzoeken vergt, gelet op de mogelijke dynamiek in het bestand en in de termijnen, een adequate procesbewaking en een zichtbare en controleerbare registratie. Een nieuw onderzoeksplan kan met zich brengen dat uitkeringsgerechtigden die op grond van het oude onderzoeksplan nog niet aan de beurt waren voor een heronderzoek, door het nieuwe onderzoeksplan een andere heronderzoekstermijn krijgen. Dit geldt in het bijzonder wanneer een onderzoeksplan, met daarin opgenomen langere termijnen, voor een volgend kalenderjaar niet wordt vastgesteld of ingediend dan wel niet voldoet aan de gestelde eisen. In die gevallen geldt dan de algemene termijn van acht maanden te rekenen vanaf de datum van ingang van de uitkering dan wel van de beslissing naar aanleiding van het laatstverrichte heronderzoek. Dergelijke gevallen kunnen met zich brengen dat in december van enig jaar nog wel wordt voldaan aan de dan geldende langere heronderzoekstermijnen, maar dat in januari daaropvolgend voor een aantal van diezelfde uitkeringsgerechtigden sprake is van een aanzienlijke heronderzoeksachterstand, die in het geheel niet bestaan zou hebben indien de oude heronderzoekstermijnen nog van kracht zouden zijn. Voor dergelijke gevallen wordt de doorloop van de oude heronderzoekstermijnen in het nieuwe kalenderjaar eenmalig gerespecteerd, met dien verstande dat na beëindiging van de doorloop de nieuwe termijnen van toepassing zijn.
     Om een besluit van burgemeester en wethouders aan te merken als een plan is het niet alleen vereist dat de in het derde lid vermelde aspecten daarin betrokken worden, maar ook dat sprake is van een samenhangend geheel van op elkaar afgestemde keuzes, waarbij de daaraan ten grondslag liggende risicoanalyse van essentieel belang is. De vastgestelde plannen spelen in die zin een rol bij de eerstelijns- en tweedelijnsuitvoeringscontrole dat de uitvoering van de onderzoeksplicht betreffende in het plan opgenomen categorieën beoordeeld wordt aan de hand van de door burgemeester en wethouders vastgestelde uiterste termijn.

 

Artikel 4

     Als hoofdregel is bepaald dat burgemeester en wethouders telkens na een periode van ten hoogste twaalf maanden debiteurenonderzoek verrichten. Uiteraard vindt de eerste maal een debiteurenonderzoek plaats bij het ontstaan van de vordering c.q. aflossings- en betalingsverplichting. Uit doelmatigheidsoverwegingen ten behoeve van de gemeenten geldt dat, indien de gehele vordering binnen vijf jaren zal zijn terugbetaald en onder voorwaarde dat de debiteur zijn verplichtingen strikt nakomt, van deze hoofdregel afgeweken kan worden; de onderzoeksverplichting geldt dan niet. Teneinde gemeenten de gelegenheid te bieden hun invorderingsbeleid te optimaliseren, is in het tweede lid bepaald dat zij op basis van een debiteurenonderzoeksplan afwijkende termijnen mogen stellen zowel voor categorieën van vorderingen als voor groepen van personen, bijvoorbeeld omdat is gebleken dat bij tot die groep behorende personen nauwelijks veranderingen in de draagkracht plaatsvinden. Indien de terugbetalingsperiode meer dan vijf jaren beloopt, geldt de onderzoeksverplichting wel, ook indien de debiteur diens verplichtingen trouw nakomt. Indien burgemeester en wethouders besluiten tot het ontwikkelen en vaststellen van een debiteurenonderzoeksplan, kunnen evenwel afwijkende termijnen worden vastgesteld. Overeenkomstig de situatie bij het heronderzoeksplan kan herziening, niet of niet tijdig vaststellen van een debiteurenonderzoeksplan dan wel dat het plan niet voldoet aan de gestelde eisen, gepaard gaan met dusdanige termijnverkorting dat in december van enig jaar nog wel wordt voldaan aan de dan geldende langere debiteurenonderzoekstermijnen, maar in januari daaropvolgend voor een aantal van diezelfde debiteuren sprake is van een aanzienlijke debiteurenonderzoeksachterstand. Indien deze achterstand niet zou hebben bestaan indien de oude debiteurenonderzoekstermijnen nog van kracht zouden zijn, geldt in analogie van de situatie bij het heronderzoeksplan het volgende. De doorloop van de oude debiteurenonderzoekstermijnen wordt tot in het daaropvolgende nieuwe kalenderjaar eenmalig gerespecteerd, met dien verstande dat na beëindiging van de doorloop de dan geldende termijnen van toepassing zijn.
     Bij de invulling van het tweede lid van artikel 4 van dit besluit kan onder meer worden gedacht aan de categorie verhaalsdebiteuren. Gebruikmaking van de mogelijkheid tot het opstellen van een debiteurenonderzoeksplan sluit aan bij het tot 1 januari 1996 uitgedragen beleid dat met een zekere regelmaat onderzoek moet worden gedaan naar de financiële omstandigheden van de onderhoudsplichtige. Het uitgangspunt is dat de verhaalsbijdrage zoveel mogelijk in overeenstemming is en blijft met de financiële omstandigheden van de onderhoudsplichtige.

 

Artikel 5

     Bij de bepaling van de maximale opschortingstermijn is er rekening mee gehouden dat door belanghebbende niet onmiddellijk kan worden voorzien in de te leveren informatie. Het is aan burgemeester en wethouders om de termijn af te stemmen op de aard en verkrijgbaarheid van de te leveren informatie en op de mate van verwijtbaarheid voor het niet voldoen aan de inlichtingen- en medewerkingsverplichting. Voorts dient de opschortingstermijn ten behoeve van de belanghebbende ook weer niet te lang te zijn, aangezien belanghebbende dan erg lang in onzekerheid verkeert.
     Mede om bij te dragen aan harmonisering van termijnen in wetgeving is aansluiting gezocht bij de Algemene wet bestuursrecht. Vergelijkbaar met de beslistermijn van acht weken op een aanvraag is ook hier gekozen voor een maximale termijn van acht weken waarbinnen de belanghebbende uitsluitsel moet geven over het door burgemeester en wethouders gevraagde. De door burgemeester en wethouders gestelde opschortingstermijn wordt benut aansluitend op het verzoek tot informatie dan wel medewerking. Evenzo kan de opschortingstermijn niet worden onderbroken bijvoorbeeld doordat belanghebbende gedurende een deel van de opschortingstermijn ziek is geweest dan wel een reeds besproken vakantie heeft benut.

 

Artikel 6

     Met het eerste lid is bepaald dat uit de administratie moet blijken dat alle acties hebben plaatsgevonden die noodzakelijk zijn om tot een juiste beslissing en uitvoering daarvan te komen. Dit houdt in dat informatie van geraadpleegde instanties, zoals die worden genoemd in artikel 122 van de Abw, ten behoeve van het verificatie- en validatieproces wordt vastgelegd in de dossiers dan wel elders in de administratie. Het gaat erom dat aantoonbaar wordt vastgelegd dat er een juiste op de wet gebaseerde beslissing is genomen. Dit houdt onder meer in dat het niet voldoende is om vast te leggen dat er is geverifieerd. De bescheiden waaraan is getoetst, dienen in afschrift in de dossiers aanwezig te zijn dan wel in de dossiers dient er een verwijzing te zijn naar andere delen van de administratie, bijvoorbeeld een register. In beide gevallen dient het resultaat van de toetsing te zijn vastgelegd. Door het werken met registers hoeft niet alle op een belanghebbende betrekking hebbende informatie in de dossiers te worden vastgelegd, maar kan worden volstaan met verwijzingen naar de registers. Van belang is steeds dat van alle signalen met betrekking tot een belanghebbende, ook die een gemeente van andere instanties ontvangt, duidelijk is wat de gemeente ermee heeft gedaan. Uiteraard is het niet altijd noodzakelijk om ten behoeve van het verificatie- en validatieproces alle mogelijke instanties te raadplegen. Uit de dossiers dient te blijken wat de gemeentelijke uitvoeringsorganisatie als voldoende heeft beoordeeld.
     De bepaling in het tweede lid moet bijdragen aan de toegankelijkheid van de informatie die in de administratie omtrent een belanghebbende is opgenomen. Het logische verband tussen de verschillende bewijsstukken, de daaraan verbonden conclusies en de daaruit voortvloeiende beslissingen dient immers te allen tijde te kunnen worden gereconstrueerd.
     In het derde lid wordt, om recht te kunnen doen aan de verantwoordingsplicht van zowel burgemeester en wethouders als de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, aangegeven dat de administratie zodanig wordt ingericht dat zowel voor de met de uitvoering van deze wetten belaste gemeentelijke organisatie als voor de toezichthoudende instanties het verband kan worden gereconstrueerd tussen de gedeclareerde totaalbedragen en de individuele uitgaven en inkomsten krachtens de Abw, de Ioaw en de Ioaz, zoals die zijn vastgelegd in de uitkeringen- en debiteurenadministratie.

 

Artikel 7

     In dit artikel is een nadere invulling gegeven aan artikel 134, vijfde lid, van de Abw en overeenkomstige bepalingen in de Ioaw en de Ioaz. In de declaratie over enig kwartaal worden alle uitgaven en inkomsten in dat kwartaal verantwoord. Daartoe behoren de bruto-uitkeringen op grond van de Ioaw en de Ioaz, verminderd met de vereveningsbijdrage en verhoogd met de over dat tijdvak berekende werkgeverslasten, en de netto-uitkeringen op grond van de Abw, verhoogd met de over dat tijdvak berekende loonbelasting en premies ingevolge de socialezekerheidswetten, onder aftrek van terugbetalingen waaraan geen beslissing van burgemeester en wethouders ten grondslag ligt. Bedragen wegens terugvordering en verhaal dienen separaat te worden verantwoord. Het is daarbij noodzakelijk dat burgemeester en wethouders in de declaratie de in de declaratieperiode verstrekte uitkeringen en ontvangen bedragen volledig verantwoorden. Immers, de met de declaratie gedeclareerde bedragen en de hierbij vermelde aantallen worden betrokken bij het signaleren van landelijke ontwikkelingen en de extrapolatie van bedragen ten behoeve van de voorschotbetalingen, hetgeen bij de bepaling van de maandelijkse voorschotten een belangrijke rol speelt. Om de hoogte van deze voorschotten zo goed mogelijk af te stemmen op de werkelijke uitgaven, is het noodzakelijk dat de declaraties binnen de in dit artikel gestelde termijn bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aanwezig zijn.
     Indien de in een kwartaal gedeclareerde kosten in belangrijke mate afwijken van hetgeen in het voorliggende kwartaal is gedeclareerd, dient de gemeente een toelichting bij de declaratie te verstrekken. Als vuistregel wordt voor "belangrijke afwijking" beschouwd een afwijking van 10 procent ten opzichte van de voorafgaande declaratie met betrekking tot de onderhavige wet dan wel regeling.
     Met de jaaropgave verklaren burgemeester en wethouders zonder voorbehoud dat alle in dat kalenderjaar netto ten laste van de gemeente gebleven kosten (uitgaven minus inkomsten) van de uitvoering van deze wetten zijn gedeclareerd. Aangezien in artikel 200 van de Gemeentewet is bepaald dat de door de gemeenteraad vastgestelde rekening vóór 15 september van het jaar volgend op het dienstjaar aan Gedeputeerde Staten dient te worden verzonden, is uit het oogpunt van een doelmatig verloop van het verantwoordingsproces tussen het Rijk en de gemeenten de datum van 15 september dan ook leidend voor de datum van de indiening van de jaaropgave en is derhalve gekozen voor een datum kort na 15 september. De verwerking van de jaaropgave en de daarop betrekking hebbende verklaring per wet in het kader van de financiële beleids- en beheerstaken van de minister brengt met zich mee dat burgemeester en wethouders zijn gehouden aan het in tweevoud indienen van de jaaropgave.
     Voor het uniform declareren en verantwoorden van de inkomsten en de uitgaven zijn modellen voorgeschreven. Deze modellen zullen worden aangepast indien wijziging van regelgeving hiertoe noopt. Het besluit tot wijziging van de modellen zal worden geplaatst in de Staatscourant en de gewijzigde modellen zullen ter inzage worden gelegd op het ministerie. De modellen worden op een zodanig tijdstip aan de gemeenten toegestuurd dat deze voor het declareren dan wel verantwoorden tijdig beschikbaar zijn.
     Voor de ministeriële verantwoordelijkheid voor de uitgaven en ontvangsten uit hoofde van de Abw, Ioaw en Ioaz is meer gespecificeerde informatie vereist dan in de gemeentelijke jaarstukken voor de gemeenteraad nodig dan wel wenselijk wordt geacht. Om die reden, alsmede in het kader van het toezichtsbeleid, wordt in deze regeling een controle- en rapportageprotocol dwingend voorgeschreven.
     Met dit controle- en rapportageprotocol wordt eveneens beoogd de inzichtelijkheid van de accountantsverklaring, de -rapportage en de daaraan ten grondslag liggende procedure voor zowel burgemeester en wethouders, als de controlerende accountants als het Rijk te vergroten. Tevens is op eenvoudige wijze de toepassing van een uniforme en accountantsverklaring bereikt, waardoor waarborgen zijn gecreëerd voor de getrouwheid van de jaaropgave.
     In het controle- en rapportageprotocol wordt het object en de reikwijdte uitgewerkt van de controle die de accountant uitvoert op basis van de door mij relevant geachte aandachtspunten. Voor wat betreft het object en de reikwijdte van de door de accountant uit te voeren controle wordt de onder de oude ABW vastgestelde beleidslijn/werkwijze gecontinueerd, in afwachting van de resultaten van het experiment "single audit ABW". Dit betekent dat ik mijn oordeel over de inhoudelijke wetstechnische juistheid van de door of namens burgemeester en wethouders genomen besluiten vooralsnog zal baseren op eigen waarnemingen. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat de accountant die de rekening van de gemeente dan wel tak van dienst controleert, tevens is belast met de controle van de jaaropgave.

 

Artikel 8

     In dit artikel is een nadere invulling gegeven aan artikel 135, derde lid, van de Abw en overeenkomstige bepalingen in de Ioaw en de Ioaz. Indien de declaraties en de jaaropgave en de op de jaaropgave betrekking hebbende verklaring tijdig door de minister zijn ontvangen, vindt de bevoorschotting en de afrekening van declaraties op de voorgeschreven tijdstippen plaats. Bij niet-tijdige ontvangst van de declaratie en/of de jaaropgave wordt de bevoorschotting gestaakt. Na het alsnog ontvangen van de declaratie en/of de jaaropgave wordt de bevoorschotting hervat, waarbij de opgeschorte voorschotten alsnog worden uitbetaald. De termijnen van indiening van declaraties zijn dermate ruim gesteld dat indien gemeenten zo kort mogelijk aansluitend op de afgesloten periode hun declaraties indienen, er voor de gemeenten voldoende tijd resteert om onvolkomenheden respectievelijk onjuistheden tijdig te herstellen, waarmee opschorting van de bevoorschotting kan worden voorkomen.
     Tevens is geregeld dat bij het uitblijven van de declaratie de desbetreffende voorschotten zullen worden teruggevorderd. Hiermee wordt voorkomen dat over perioden waarover geen uitgaven zijn gedaan voorschotten blijven uitstaan. Voorts is geregeld dat bij het niet tijdig inzenden van de jaaropgave alle voorschotbetalingen over de perioden na de maand september van enig jaar zullen worden gestaakt. Uitgangspunt bij het bevoorschotten is dat zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de liquiditeitsbehoefte van gemeenten.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | IWwb | inhoud Abw | Abw-praktijk | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x