|
13 maart 1996/nr. BZ/UB/0179-I
Directie Bijstandszaken
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 71, eerste lid, onderdeel
a en b, 71, tweede lid,
onderdeel c en d, 117,
tweede lid, 134, vijfde lid, en 135,
derde lid, van de Algemene bijstandswet, de
artikelen 19,
eerste lid, onderdeel a en b, 19, tweede lid,
onderdeel c en d, 41, tweede lid,
57, derde lid, en 58, derde lid, van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers, alsmede de artikelen
19, eerste lid,
onderdeel a en b, 19, tweede lid, onderdeel c
en d, 41, tweede lid,
57, vierde lid, en 58, derde lid, van
de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
Handelende na overleg met de Minister
van Binnenlandse Zaken;
Besluit:
§ 1.
Definities
Art. 1.
[Definities]
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de minister: de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid;
b. Abw: de Algemene
bijstandswet;
c. heronderzoek: het onderzoek, bedoeld
in artikel 66, derde lid, van de
Abw;
d. beëindigingsonderzoek: het onderzoek,
bedoeld in artikel 66, vijfde lid, van de
Abw;
e. debiteurenonderzoek: het onderzoek,
bedoeld in artikel 66, zesde lid, van de
Abw;
f.
opschortingsperiode: de periode van
opschorting van de bijstand, bedoeld in artikel
69, eerste lid,
van de
Abw.
§ 2.
Onderzoeken ter zake van uitkeringen en
vorderingen
Art. 2.
[Heronderzoek en -splan]
-1. Burgemeester en wethouders verrichten het heronderzoek, uitmondend in een besluit of in een
aantekening
als bedoeld onder d, binnen acht maanden:
a. na de ingangsdatum van de uitkering; of indien de uitkering met
terugwerkende
kracht is toegekend,
b. na de aanvraagdatum van de uitkering;
c. na de datum waarop het besluit naar aanleiding van het laatst
verrichte
heronderzoek werd genomen; of indien tot een zodanig besluit geen aanleiding bestond,
d. na de datum waarop blijkens een daartoe strekkende aantekening in het dossier van belanghebbende het
laatst verrichte heronderzoek werd afgesloten.
-2. Burgemeester en wethouders kunnen aan de hand van door hen vast te
stellen criteria voor categorieën van uitkeringsgerechtigden en
voor te onderzoeken gegevens en omstandigheden termijnen
vaststellen die afwijken van de in het eerste lid genoemde
termijn, mits:
a. zij een daartoe strekkend
onderzoeksplan hebben opgesteld;
b. de termijn niet meer bedraagt dan
achttien maanden.
-3. Het in het tweede lid bedoelde
onderzoeksplan omvat ten minste:
a. de criteria op grond waarvan een
differentiatie zal plaatsvinden naar de categorieën van
uitkeringsgerechtigden, de te onderzoeken gegevens en
omstandigheden en de onderzoekstermijnen;
b. de onderscheiden termijnen die
gehanteerd worden;
c. de globale groepskenmerken
van de categorieën uitkeringsgerechtigden waarop de
onderscheiden termijnen betrekking hebben;
d. de wijze waarop, gezien de in het
onderzoeksplan aangebrachte onderscheidingen, uitvoering wordt
gegeven aan het heronderzoek.
-4. Afwijkende termijnen worden niet met terugwerkende kracht
vastgesteld.
Art. 3.
[Beëindigingsonderzoek en
resterende verplichtingen]
Burgemeester en wethouders nemen op basis van
het beëindigingsonderzoek uiterlijk zes maanden na de laatste
maand waarin betaling van de uitkering heeft plaatsgevonden een besluit met betrekking tot de wederzijds tussen de
gemeente en de
belanghebbende resterende verplichtingen en de afwikkeling daarvan.
Art. 4.
[Debiteurenonderzoek en -splan]
-1. Burgemeester en wethouders verrichten het
debiteurenonderzoek, uitmondend in een besluit of in een
aantekening als bedoeld onder c, binnen twaalf maanden:
a. na de datum waarop de vordering is
ontstaan;
b. na de datum waarop het besluit naar
aanleiding van het laatst verrichte debiteurenonderzoek werd
genomen; of indien tot een zodanig besluit geen aanleiding bestond,
c. na de datum waarop blijkens een
daartoe strekkende aantekening in het dossier van belanghebbende
het laatst verrichte debiteurenonderzoek werd afgesloten.
-2. Burgemeester en wethouders kunnen
aan de hand van door hen vast te
stellen criteria voor categorieën van vorderingen en van personen termijnen vaststellen die afwijken van de in het eerste
lid genoemde termijn, indien zij voor de in het eerste lid
bedoelde onderzoeken een debiteurenonderzoeksplan hebben
opgesteld.
-3. Het in het tweede lid bedoelde
debiteurenonderzoeksplan omvat ten minste:
a. de criteria op grond waarvan een
differentiatie zal plaatsvinden naar de categorieën van
vorderingen en van personen;
b. de onderscheiden termijnen die
gehanteerd worden;
c. de globale groepskenmerken
van de categorieën van vorderingen en van personen;
d. de wijze waarop, gezien de in het
debiteurenonderzoeksplan aangebrachte onderscheidingen, uitvoering
wordt gegeven aan het debiteurenonderzoek.
-4. Afwijkende termijnen worden niet met terugwerkende kracht
vastgesteld.
-5. Ten aanzien van vorderingen waarvan de
betalings- en aflossingstermijnen een periode van vijf jaar, te
rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de eerste
aflossingstermijn voldaan moet zijn, niet overschrijden, kunnen
burgemeester en wethouders toepassing van het eerste lid
achterwege laten zolang de belanghebbende zijn verplichtingen nakomt.
Art. 5.
[Opschortingstermijn inlichtingenverplichting]
Burgemeester en wethouders stellen de
opschortingsperiode op ten hoogste acht weken.
§ 3.
De administratie
Vervallen
Art. 6.
Vervallen.
§ 4.
Wijze en tijdstip van declareren
Vervallen
Art.
7. Vervallen.
§ 5.
Voorschotten
Vervallen
Art. 8.
Vervallen.
§ 6.
Slotbepalingen
Art. 9.
[Inwerkingtreding]
Deze regeling treedt in werking met ingang van
de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin
zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1996.
Art. 10.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling administratieve
uitvoeringsvoorschriften Bbz 2004.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
's-Gravenhage, 13
maart 1996.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.
TOELICHTING
[13 maart 1996]
Algemeen
De verplichting
voor gemeenten om her-, beëindigings- en debiteurenonderzoeken te
verrichten, is in de wet zelf opgenomen. In deze regeling worden onder meer geregeld
de termijnen waarbinnen die onderzoeken verricht moeten worden alsmede de
toegestane
uitzonderingen op de hoofdregels. De her- en debiteurenonderzoeken worden
geacht te zijn afgerond met een (wijzigings)besluit, dan wel een aantekening in het dossier dat het
her- dan wel debiteurenonderzoek is afgesloten zonder dat een dergelijk
wijzigingsbesluit nodig bleek te zijn. De betreffende termijnen strekken zich
derhalve mede uit tot bedoelde besluiten dan wel aantekeningen. Voor de rechtmatigheid van de
uitkeringsverstrekking is niet alleen de onderzoeksfrequentie van belang, maar vooral de kwaliteit van de onderzoeken. De
verantwoordelijkheid voor die kwaliteit berust primair bij gemeenten.
De regels aangaande de administratie hebben vooral tot
doel het uitvoerings- en handhavingsproces van de respectievelijke wetten te
ondersteunen en daarmee de rechtmatigheid te vergroten. Tevens hebben de regels tot
doel om zowel burgemeester en wethouders als de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in staat te
stellen aan de gemeenteraad respectievelijk aan het parlement adequaat
verantwoording
af te leggen over het krachtens de Abw, de Ioaw en de
Ioaz gevoerde beleid en over de
daarop betrekking hebbende uitgaven en inkomsten.
De verantwoordelijkheid van de gemeente voor een ordelijk
en controleerbaar financieel beheer inzake de uitvoering van de Abw, Ioaw en Ioaz
(Abw c.a.) houdt onder meer in dat haar administratie toereikend moet zijn om een
getrouwe weergave van de uitvoering en het uitvoeringsproces te kunnen bieden. Dit vereist mede dat
burgemeester en wethouders zorg dragen voor een adequate opzet en
werking van een administratieve organisatie
en daarmee verbonden maatregelen van interne controle. Daaronder zijn begrepen de processen
gericht op een wetsconforme uitvoering en de kwaliteitshandhaving.
Met het voorschrijven van een adequaat controlespoor wordt een
kwaliteitseis aan de uitvoering gesteld,
waarmee wordt beoogd een waarborg voor een rechtmatige wetsuitvoering te creëren. Een volledig en
adequaat controlespoor is nodig om bij een juiste wetsuitvoering ook te kunnen
vaststellen dat de uitkeringen rechtmatig zijn verstrekt. De aanwezigheid van
een dergelijk controlespoor maakt het voor de gemeente mogelijk om in het
kader van de nieuwe toezichtsverhoudingen de gemeentelijke
eerstelijnsuitvoeringscontrole
op een doelmatige wijze in te richten.
De herinrichtingsoperatie beoogt bij te dragen aan het
algemene streven naar vereenvoudiging en vermindering van regelgeving. Er worden echter
regels gesteld om het uitvoerings- en handhavingsproces van de respectievelijke
wetten
te ondersteunen en daarmee de rechtmatigheid te vergroten. Bij de totstandkoming van de Abw is de
bestuurlijke verantwoordelijkheidsverdeling voor het toezicht in respectievelijk eerste- en
tweedelijnsuitvoeringscontrole duidelijk afgebakend (Kamerstukken II
1993-1994,
22 545, nr. 18, blz.
67). Hoewel een adequate opzet en werking van een administratieve
organisatie
en daarmee verbonden maatregelen van interne controle de rechtmatigheid van de wetsuitvoering kunnen bevorderen, is de invulling die
daaraan wordt gegeven, gelet op voornoemde verantwoordelijkheidsverdeling, aan
de gemeenten overgelaten.
Voorts is van belang dat de eisen voor de toegang tot het
recht op bijstand zijn verzwaard. Die eisen hebben vooral betrekking op de door de
belanghebbende te verschaffen informatie, inclusief de over te leggen bewijsstukken, en
de verificatie daarvan door de gemeente. Doordat deze regels veelal betrekking hebben op
procesmatige aspecten van de uitvoering, kunnen deze door de gemeenten in belangrijke mate zelf nader worden
ingevuld. De neerslag van het verificatie- en validatieproces dient in de administratie tot uitdrukking te
komen. Hiertoe is onder andere een toereikende dossiervorming door de gemeente
vereist. De bepalingen in deze regeling hebben derhalve betrekking op deze aspecten.
Artikelsgewijs
Artikel 1
Voor een goed begrip van dit artikel wordt
erop gewezen
dat onder debiteurenonderzoek in onderdeel g mede het onderzoek naar de financiële
omstandigheden van eventuele verhaalsdebiteuren wordt verstaan. artikel
66, zevende lid, van de Algemene bijstandswet biedt hiervoor
de basis.
Artikel 2
Op grond van het derde lid van
artikel 66 van de Algemene bijstandswet en de overeenkomstige bepalingen in de
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen hoeven burgemeester en
wethouders alleen een nader besluit te
nemen indien het onderzoek aanleiding geeft tot wijziging van het recht
op uitkering. Hiermede wordt bereikt dat gemeenten
niet onnodig
administratief worden belast. Het eerste lid van dit artikel heeft ook betrekking
op een door of namens burgemeester en wethouders, blijkens een daartoe strekkende aantekening in het dossier
genomen, maar niet naar buiten gebrachte beslissing dat het verrichte onderzoek geen aanleiding geeft
wijziging aan te brengen in het reeds vastgestelde recht op uitkering. Dit wordt in de gemeentelijke administratie
opgenomen, mede met het oog op de planning en bewaking door de gemeente van de uit te voeren
heronderzoeken en het uit te oefenen toezicht op de uitvoering daarvan. Voor
wat betreft de Algemene bijstandswet
geldt dat de in het eerste lid bepaalde
termijn betrekking heeft op zowel de algemene bijstand als de bijzondere
bijstand.
Het tweede lid biedt gemeenten de mogelijkheid om op
grond van eigen criteria en afgestemd op de specifieke lokale omstandigheden van de
uitkeringspopulatie, vooraf onderkende risicofactoren en dergelijke op
planmatige
wijze invulling te geven aan de uitvoering van de
heronderzoeksverplichting.
Zij kunnen zodoende meer nadruk leggen op activiteiten die gericht zijn op de
toeleiding van de cliënt naar de arbeidsmarkt en meer tijd en energie aanwenden voor
cliënten voor wie een activerende aanpak, gericht op arbeidsinschakeling of de
voorbereiding daarop, noodzakelijk is. Gemeenten kunnen op die manier maatwerk leveren. Voor een
verantwoorde uitvoering van de Abw, Ioaw en Ioaz is het evenwel vereist
dat van alle cliënten in elk geval eenmaal
per achttien maanden opnieuw alle gegevens die bepalend zijn voor de
uitkeringsrechten aan een heronderzoek in
volle omvang worden onderworpen. Vandaar dat de uiterste
heronderzoekstermijn
binnen een heronderzoeksplan is gelimiteerd tot achttien maanden. Uit de wijze
waarop
het tweede lid is geformuleerd, volgt dat burgemeester en wethouders voorafgaand aan elk kalenderjaar een
nieuw onderzoeksplan moeten vaststellen, indien het college althans gebruik wil maken van de
mogelijkheid
af te wijken van de in het eerste lid bepaalde termijn. Indien
burgemeester
en wethouders de planbepalingen ongewijzigd willen laten, kunnen zij ermee volstaan om
tijdig te besluiten dat het per 31 december van het betreffende jaar expirerende plan
ook voor het komend kalenderjaar zal gelden. Op basis van een herijking van
de risicoanalyse kunnen burgemeester en wethouders ertoe overgaan om in
het nieuwe plan wijzigingen aan te brengen in de categorie-indeling en/of
de in acht te nemen termijnen. Dit kan er uiteraard toe leiden dat
uitkeringsgerechtigden
naar andere categorieën met daarmee corresponderende andere heronderzoekstermijnen overgaan.
De tijdigheid van de heronderzoeken vergt, gelet op de mogelijke dynamiek
in het bestand en in de termijnen, een adequate procesbewaking en een zichtbare en controleerbare
registratie. Een nieuw onderzoeksplan kan met zich brengen dat
uitkeringsgerechtigden die op grond van het oude onderzoeksplan nog niet aan de beurt waren voor een heronderzoek, door het
nieuwe onderzoeksplan een andere heronderzoekstermijn krijgen. Dit geldt in het bijzonder wanneer een
onderzoeksplan, met daarin opgenomen langere termijnen, voor een volgend
kalenderjaar niet wordt vastgesteld of ingediend dan wel niet voldoet aan de
gestelde eisen. In die gevallen geldt dan de algemene termijn van acht maanden te rekenen vanaf de
datum van ingang van de uitkering dan wel van de beslissing naar aanleiding van
het laatstverrichte heronderzoek. Dergelijke gevallen kunnen met zich brengen dat in december van enig jaar
nog wel wordt voldaan aan de dan geldende langere heronderzoekstermijnen,
maar dat in januari daaropvolgend voor een aantal van diezelfde uitkeringsgerechtigden sprake is van
een aanzienlijke heronderzoeksachterstand, die in het geheel niet bestaan
zou hebben indien de oude heronderzoekstermijnen nog van kracht zouden zijn. Voor dergelijke gevallen wordt
de doorloop van de oude heronderzoekstermijnen in het nieuwe kalenderjaar eenmalig gerespecteerd, met dien
verstande dat na beëindiging van de doorloop de nieuwe termijnen van toepassing zijn.
Om een besluit van burgemeester en wethouders aan te
merken als een plan is het niet alleen vereist dat de
in het derde lid vermelde aspecten daarin betrokken worden, maar ook dat
sprake
is van een samenhangend geheel van op elkaar afgestemde keuzes, waarbij de daaraan ten
grondslag liggende risicoanalyse van essentieel belang is. De vastgestelde plannen
spelen in die zin een rol bij de eerstelijns- en
tweedelijnsuitvoeringscontrole dat
de uitvoering van de onderzoeksplicht betreffende in het plan opgenomen categorieën beoordeeld wordt aan de
hand van de door burgemeester en wethouders vastgestelde uiterste
termijn.
Artikel 4
Als hoofdregel is bepaald dat
burgemeester en wethouders telkens na een periode van ten hoogste twaalf
maanden debiteurenonderzoek verrichten. Uiteraard vindt de eerste maal een
debiteurenonderzoek plaats bij het ontstaan van de vordering c.q.
aflossings- en betalingsverplichting. Uit doelmatigheidsoverwegingen ten
behoeve van de gemeenten geldt dat, indien de gehele vordering binnen
vijf jaren zal zijn terugbetaald en onder
voorwaarde dat de debiteur zijn verplichtingen strikt nakomt, van deze hoofdregel afgeweken kan worden; de
onderzoeksverplichting geldt dan niet. Teneinde gemeenten de gelegenheid
te bieden hun invorderingsbeleid te optimaliseren, is in het tweede lid bepaald dat zij op basis van een
debiteurenonderzoeksplan afwijkende termijnen mogen stellen zowel voor
categorieën
van vorderingen als voor groepen van personen, bijvoorbeeld omdat is gebleken dat
bij tot die
groep behorende personen nauwelijks veranderingen in de draagkracht
plaatsvinden.
Indien de terugbetalingsperiode meer dan vijf jaren beloopt, geldt de onderzoeksverplichting wel, ook
indien de debiteur diens verplichtingen trouw nakomt. Indien burgemeester
en wethouders besluiten tot het ontwikkelen en vaststellen van een
debiteurenonderzoeksplan, kunnen evenwel afwijkende termijnen worden vastgesteld. Overeenkomstig de
situatie bij het heronderzoeksplan kan herziening, niet of niet tijdig
vaststellen van een debiteurenonderzoeksplan dan wel dat het plan niet voldoet aan
de gestelde eisen, gepaard gaan met dusdanige termijnverkorting dat in december van enig jaar nog wel wordt
voldaan aan de dan geldende langere debiteurenonderzoekstermijnen, maar in
januari daaropvolgend voor een aantal van diezelfde debiteuren sprake is van een aanzienlijke
debiteurenonderzoeksachterstand. Indien deze achterstand niet zou hebben bestaan
indien de oude debiteurenonderzoekstermijnen nog van kracht zouden zijn,
geldt in analogie van de situatie bij het heronderzoeksplan het volgende.
De doorloop van de oude debiteurenonderzoekstermijnen wordt tot in het daaropvolgende nieuwe kalenderjaar
eenmalig gerespecteerd, met dien verstande dat na beëindiging van de doorloop de dan geldende termijnen
van toepassing zijn.
Bij de invulling van het tweede lid van artikel 4 van dit
besluit kan
onder meer worden gedacht aan de categorie verhaalsdebiteuren. Gebruikmaking
van de mogelijkheid tot het opstellen van een debiteurenonderzoeksplan sluit aan
bij het tot 1 januari 1996 uitgedragen beleid dat met een zekere regelmaat onderzoek moet worden gedaan naar de
financiële omstandigheden van de onderhoudsplichtige. Het uitgangspunt is dat de
verhaalsbijdrage zoveel mogelijk in overeenstemming is en blijft met de financiële
omstandigheden van de onderhoudsplichtige.
Artikel 5
Bij de bepaling van de maximale opschortingstermijn is er
rekening mee gehouden dat door belanghebbende niet onmiddellijk kan worden voorzien
in de te leveren informatie. Het is
aan burgemeester en wethouders om de termijn af te stemmen op de aard en
verkrijgbaarheid van de te leveren informatie en op de mate van
verwijtbaarheid voor het niet voldoen aan de inlichtingen- en
medewerkingsverplichting.
Voorts dient de opschortingstermijn ten behoeve van de belanghebbende ook weer niet te lang
te zijn, aangezien belanghebbende dan erg lang in onzekerheid verkeert.
Mede om bij te dragen aan harmonisering van termijnen in wetgeving is aansluiting gezocht bij de
Algemene
wet bestuursrecht. Vergelijkbaar met de beslistermijn van acht weken op een aanvraag is ook hier gekozen voor
een maximale termijn van acht weken waarbinnen de belanghebbende
uitsluitsel moet geven over het door burgemeester en wethouders gevraagde.
De door burgemeester en wethouders gestelde opschortingstermijn wordt benut aansluitend op het verzoek tot
informatie dan wel medewerking. Evenzo kan de opschortingstermijn niet worden onderbroken
bijvoorbeeld
doordat belanghebbende gedurende een deel van de opschortingstermijn ziek is geweest dan wel een reeds
besproken vakantie heeft benut.
Artikel 6
Met het eerste lid is bepaald dat uit
de administratie moet blijken dat alle acties hebben plaatsgevonden die noodzakelijk zijn om tot een juiste
beslissing en uitvoering daarvan te komen. Dit houdt in dat informatie van
geraadpleegde instanties, zoals
die worden genoemd in artikel 122 van de Abw, ten behoeve van het
verificatie- en validatieproces wordt vastgelegd in de dossiers dan wel elders in de
administratie. Het gaat erom dat aantoonbaar wordt vastgelegd dat er een juiste
op de wet gebaseerde beslissing is genomen. Dit houdt onder meer in dat het niet voldoende is om vast te
leggen dat er is geverifieerd. De bescheiden waaraan is getoetst, dienen in
afschrift in de dossiers aanwezig te
zijn dan wel in de dossiers dient er een verwijzing te zijn naar andere delen van de administratie, bijvoorbeeld een
register. In beide gevallen dient het resultaat van de toetsing te zijn
vastgelegd.
Door het werken met registers hoeft niet alle op een belanghebbende betrekking hebbende informatie in
de dossiers te worden vastgelegd, maar kan worden volstaan met verwijzingen
naar de registers. Van belang is steeds dat van alle signalen met betrekking
tot een belanghebbende, ook die een gemeente van andere instanties
ontvangt, duidelijk is wat de gemeente ermee heeft gedaan. Uiteraard is het
niet altijd noodzakelijk om ten behoeve van het verificatie- en
validatieproces alle mogelijke instanties te raadplegen. Uit de dossiers dient te blijken wat de gemeentelijke
uitvoeringsorganisatie als voldoende heeft beoordeeld.
De bepaling in het tweede lid moet bijdragen aan de
toegankelijkheid van de informatie die in de administratie omtrent een belanghebbende is
opgenomen. Het logische verband tussen de verschillende bewijsstukken, de
daaraan verbonden conclusies en de daaruit voortvloeiende beslissingen dient
immers te allen tijde te kunnen worden gereconstrueerd.
In het derde lid wordt, om recht te kunnen doen aan de
verantwoordingsplicht van zowel burgemeester en wethouders als de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, aangegeven dat de administratie zodanig wordt ingericht
dat zowel voor de met
de uitvoering van deze wetten belaste gemeentelijke organisatie als voor de
toezichthoudende instanties het verband kan worden gereconstrueerd
tussen
de gedeclareerde totaalbedragen en de individuele uitgaven en inkomsten
krachtens de Abw, de Ioaw en de
Ioaz, zoals die zijn vastgelegd in de
uitkeringen- en debiteurenadministratie.
Artikel 7
In dit artikel is een nadere invulling
gegeven aan artikel 134, vijfde lid,
van de Abw
en overeenkomstige bepalingen in de Ioaw en de
Ioaz. In de declaratie over enig kwartaal worden alle uitgaven en inkomsten in dat kwartaal
verantwoord. Daartoe behoren de bruto-uitkeringen op grond van de Ioaw en de Ioaz, verminderd met de
vereveningsbijdrage en verhoogd met de over dat tijdvak berekende
werkgeverslasten, en de netto-uitkeringen op grond van de Abw, verhoogd met de
over dat tijdvak berekende loonbelasting en premies ingevolge de socialezekerheidswetten, onder aftrek van
terugbetalingen waaraan geen beslissing van burgemeester en wethouders ten grondslag ligt. Bedragen wegens
terugvordering en verhaal dienen separaat te worden verantwoord. Het is daarbij noodzakelijk dat
burgemeester en wethouders in de declaratie de in de declaratieperiode verstrekte
uitkeringen en ontvangen bedragen volledig verantwoorden. Immers, de met
de declaratie gedeclareerde bedragen en de hierbij vermelde aantallen
worden
betrokken bij het signaleren van landelijke ontwikkelingen en de
extrapolatie van bedragen ten behoeve van de voorschotbetalingen, hetgeen bij de
bepaling van de maandelijkse voorschotten een belangrijke rol speelt. Om de hoogte van deze voorschotten zo
goed mogelijk af te stemmen op de werkelijke uitgaven, is het
noodzakelijk dat de declaraties binnen de in dit artikel gestelde termijn bij het
ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aanwezig zijn.
Indien de in een kwartaal gedeclareerde kosten in belangrijke mate afwijken van hetgeen in het
voorliggende kwartaal is gedeclareerd, dient de gemeente
een toelichting
bij de declaratie te verstrekken. Als vuistregel wordt voor "belangrijke afwijking" beschouwd een afwijking van
10 procent ten opzichte van de voorafgaande declaratie met betrekking tot de
onderhavige wet dan wel regeling.
Met de jaaropgave verklaren burgemeester en wethouders zonder
voorbehoud dat alle in dat kalenderjaar
netto ten laste van de gemeente gebleven kosten (uitgaven minus inkomsten) van de uitvoering van deze
wetten zijn gedeclareerd. Aangezien in artikel 200 van de Gemeentewet
is
bepaald dat de door de gemeenteraad vastgestelde rekening vóór 15
september van het jaar volgend op het dienstjaar aan Gedeputeerde Staten dient te
worden verzonden, is uit het oogpunt van een doelmatig verloop van het
verantwoordingsproces tussen het Rijk en de gemeenten de datum van 15
september dan ook leidend voor de datum van de indiening van de
jaaropgave en is derhalve gekozen voor een datum kort na 15 september. De
verwerking van de jaaropgave en de daarop betrekking hebbende verklaring
per wet in het kader van de
financiële beleids- en beheerstaken van de minister
brengt met zich mee dat
burgemeester en wethouders zijn gehouden
aan het in tweevoud indienen van de jaaropgave.
Voor het uniform declareren en verantwoorden van de inkomsten en de uitgaven zijn modellen
voorgeschreven. Deze modellen zullen worden aangepast indien wijziging van
regelgeving hiertoe noopt. Het besluit tot wijziging van de modellen zal worden
geplaatst in de Staatscourant en de gewijzigde modellen zullen ter inzage
worden gelegd op het ministerie. De modellen worden op een zodanig
tijdstip
aan de gemeenten toegestuurd dat deze voor het declareren dan wel verantwoorden tijdig beschikbaar zijn.
Voor de ministeriële verantwoordelijkheid voor de uitgaven en
ontvangsten uit hoofde van de Abw, Ioaw en
Ioaz is meer gespecificeerde
informatie vereist dan in de gemeentelijke jaarstukken voor de gemeenteraad nodig dan wel wenselijk wordt geacht. Om
die reden, alsmede in het kader van het toezichtsbeleid, wordt in deze regeling
een controle- en rapportageprotocol dwingend voorgeschreven.
Met dit controle- en rapportageprotocol wordt eveneens beoogd de inzichtelijkheid van de
accountantsverklaring, de -rapportage en de daaraan ten grondslag liggende
procedure voor zowel burgemeester en wethouders, als de controlerende accountants als
het Rijk te vergroten. Tevens is op eenvoudige wijze de toepassing van een uniforme en accountantsverklaring
bereikt, waardoor waarborgen zijn gecreëerd voor de getrouwheid van de jaaropgave.
In het controle- en rapportageprotocol wordt het object en de reikwijdte uitgewerkt van de controle die de
accountant uitvoert op basis van de door mij relevant geachte
aandachtspunten. Voor wat betreft het object en de reikwijdte van de door de
accountant uit te voeren controle wordt de onder de oude ABW vastgestelde
beleidslijn/werkwijze gecontinueerd,
in afwachting van de resultaten van het experiment "single audit ABW". Dit
betekent dat ik mijn oordeel over de inhoudelijke wetstechnische juistheid
van de door of namens burgemeester en wethouders genomen besluiten vooralsnog zal baseren op eigen
waarnemingen. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat de accountant die de
rekening van de gemeente dan wel tak van dienst controleert, tevens is
belast met de controle van de jaaropgave.
Artikel 8
In dit artikel is een nadere invulling
gegeven aan artikel 135, derde lid,
van de Abw
en overeenkomstige bepalingen in de Ioaw en de
Ioaz. Indien de
declaraties en de jaaropgave en de op de jaaropgave betrekking hebbende verklaring
tijdig door de minister zijn ontvangen, vindt de bevoorschotting en de afrekening van declaraties op de
voorgeschreven tijdstippen plaats. Bij niet-tijdige ontvangst van de
declaratie en/of de jaaropgave wordt de bevoorschotting gestaakt. Na het alsnog
ontvangen
van de declaratie en/of de jaaropgave wordt de bevoorschotting hervat, waarbij de opgeschorte
voorschotten alsnog worden uitbetaald. De termijnen van indiening van
declaraties zijn dermate ruim gesteld dat indien gemeenten
zo kort mogelijk
aansluitend op de afgesloten periode hun declaraties indienen, er voor de
gemeenten voldoende tijd resteert om onvolkomenheden respectievelijk onjuistheden tijdig te herstellen, waarmee
opschorting van de bevoorschotting kan worden voorkomen.
Tevens is geregeld dat bij het uitblijven van de declaratie de
desbetreffende voorschotten zullen worden teruggevorderd. Hiermee wordt
voorkomen dat over perioden waarover geen
uitgaven zijn gedaan voorschotten blijven uitstaan. Voorts is geregeld dat bij
het niet tijdig inzenden van de jaaropgave alle voorschotbetalingen over de perioden na de maand september van
enig jaar zullen worden gestaakt. Uitgangspunt bij het bevoorschotten is
dat zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de liquiditeitsbehoefte van gemeenten.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert.
|
|