|
19 maart 1996
1. Inleiding
Het kabinet hecht grote waarde aan een op de
reactivering van uitkeringsgerechtigden
afgestemd sociaalzekerheidsbeleid. Het kabinet blijft het uitgangspunt
van de richtlijn u toegezonden op 13 mei 1992 onderschrijven dat de gehanteerde criteria voor hetgeen als passende arbeid moet
worden beschouwd, ruimer dienen te worden gehanteerd naarmate de
werkloosheid langer duurt of wanneer om andere redenen het werkloosheidsrisico
daartoe aanleiding geeft. Periodieke herijking van de positie van de
betrokkene
is derhalve noodzakelijk. Een te zwaar accent op de beschermende werking van het begrip passende arbeid doet de kansen op uitstroom naar de
arbeidsmarkt van de werkloze uitkeringsgerechtigde afnemen. Het kabinet
is van oordeel dat van de jurisprudentie en de oude richtlijn een te grote beschermende werking uitgaat voor
academici en schoolverlaters. Daarom is onlangs een AMvB van kracht
geworden waarin verruiming van het begrip passende arbeid voor deze categorieën
centraal staat [zie Besluit passende arbeid
schoolverlaters en academici, red.]. Uit een op verzoek van de Tweede Kamer gehouden
evaluatieonderzoek naar de toepassing van de richtlijn uit 1992 bleek dat de
uitvoering van de richtlijn verbetering behoeft. Het streven van het kabinet
naar een verbetering van de uitvoering en de verruiming van het begrip
passende
arbeid vormen de aanleiding voor het bijstellen van de oude
richtlijn.
2. Verbetering van de uitvoering
van de richtlijn
Uit een
evaluatieonderzoek dat in
1994 is afgerond, blijkt dat de richtlijn passende arbeid wel algemeen wordt onderschreven, maar onvoldoende
toegepast. De uitvoerders bepalen de mate waarin en het moment waarop de
werkzoekende zich ruimer moet opstellen in veel gevallen aan de hand van individuele factoren en de situatie op
de arbeidsmarkt. Uit dit onderzoek komt naar voren dat een goede stroomlijning en controle op het
totale bemiddelings- en adviseringsproces van groot belang is voor de toepassing van
de regels in verband met passende arbeid. Zowel de interpretatie van de richtlijn als een geïntegreerde
benadering door de bij de uitvoering betrokken instanties zullen worden betrokken
in de thans in ontwikkeling zijnde procesgerichte samenwerking tussen Arbeidsvoorziening
[zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI),
red.], gemeentelijke sociale
diensten en bedrijfsverenigingen [zie uitvoeringsinstellingen
(UWV), red.]. De hoofdlijnen daarvan zijn neergelegd in
de kabinetsstandpunten naar aanleiding van de evaluatie van de
Arbeidsvoorzieningswet (Kamerstukken II 1993-1994, 21 477, nr. 52) en inzake de toekomst van de uitvoeringsorganisatie
werknemersverzekeringen (Kamerstukken II 1994-1995, 24 215, nr. 1). In de nadere uitwerking wordt voorzien door
de samenwerkingspartners zelf, onder voorzitterschap van de heer Buurmeijer
(Soza-95-727). Bij het vormgeven van de samenwerking verdienen de
volgende
punten de aandacht:
1. Een eenduidige interpretatie van de in de richtlijn opgenomen criteria, de
verdiscontering van de persoonlijke omstandigheden van de cliënt,
eenduidige criteria voor verwijtbaar arbeidsmarktgedrag en de daaraan te koppelen sancties.
2. Inbedding van de richtlijn in de administratieve procedures.
3. Periodieke terugkoppeling over de sollicitatieactiviteiten van de cliënt
tussen
de bij de arbeidsmarkttoeleiding betrokken instanties met het oog op een sluitende aanpak.
4. Voorlichting aan cliënten zodat
langs deze weg reeds gewenste gedragsaffecten zullen optreden.
5. Voorlichting aan de direct uitvoerenden een actieve ondersteunende rol van het management.
6. Een verdere implementatie van een adequaat informatiesysteem.
7. Permanente evaluatie van de effecten van de toepassing van de richtlijn.
3. De AMvB passende arbeid voor
schoolverlaters en academici
Op 15 november 1994 heeft het
kabinet, conform een in de Beleidsbrief ABW (Kamerstukken II 1993-1994, 22
545, nr. 14, blz. 25 en 26) opgenomen voornemen, vermindering van de beschermende
werking van het begrip passende arbeid voor personen zonder arbeidsverleden overwogen, omdat
gezien de ontwikkeling van de werkloosheid meer activerende elementen in
de werkloosheidsregelingen dienen te worden opgenomen. Onnodige
belemmeringen
voor arbeidsinpassing dienen te worden tegengegaan.
In dit kader kwam het kabinet tot de conclusie dat voor
schoolverlaters (inclusief afgestudeerden van de universiteit of het hoger beroepsonderwijs) in ieder geval alle arbeid, qua aard en
niveau, passend moet worden geacht. Het kabinet oordeelde een dergelijke
wijziging gerechtvaardigd omdat schoolverlaters nog geen arbeidsverleden
hebben opgebouwd, terwijl ook vermeden moet worden dat het ontvangen van een uitkering als een normale situatie wordt beschouwd. De kans op
het vinden van werk neemt immers af met de duur van de werkloosheid. Bovendien moet voorkomen
worden dat het opleidingsniveau een belemmering vormt voor het verkrijgen van betaalde arbeid. De genoemde
kabinetsvoornemens behelsden tevens de maatregel voor academici (met
werkervaring) om hen reeds bij aanvang van de werkloosheid te verplichten niet
alleen werk op academisch niveau, maar ook op HBO-niveau te zoeken en te accepteren. Tot nog toe gold op
grond van de richtlijn het uitgangspunt dat academici zich gedurende ongeveer
het eerste halfjaar van hun werkloosheid mochten beperken tot het zoeken naar en accepteren van werk op
academisch niveau. Deze situatie is ongewenst omdat de kans op vinden van
werk op HBO-niveau direct benut moet kunnen worden, mede gezien de goede
kansen op doorgroei naar het eigen, academische niveau vanuit een functie
op HBO-niveau.
4. De strekking van de jurisprudentie
Bij het opstellen van deze richtlijn
is er bewust voor gekozen om veeleer een omschrijving dan een definitie van het
begrip passende arbeid te geven.
Tevens komt naar voren dat met de gegeven omschrijving niet beoogd is af te
wijken van hetgeen in de jurisprudentie onder passende arbeid wordt verstaan. De
algemene omschrijving van het begrip in de wet biedt de uitkeringsorganen
en de rechter dan ook de mogelijkheid de individuele toets, waardoor de
rechtspraak
in deze wordt gekenmerkt, blijvend te hanteren.
De strekking van de jurisprudentie is
dat de criteria ruimer dienen te worden geïnterpreteerd al naargelang de
duur van de werkloosheid toeneemt of om andere redenen het werkloosheidsrisico
hier aanleiding toe geeft. Het werkloosheidsrisico wordt onder meer bepaald aan de hand van het arbeidsverleden
van betrokkene en de duur van de werkloosheid. Dit impliceert onder meer dat er na kortere
of langere tijd ten aanzien van onder meer de aard van de te aanvaarden arbeid
gerelateerd aan (vroeger) beroep en opleidingsniveau, concessies gedaan moeten worden,
ongeacht bijvoorbeeld de duur of het karakter van het arbeidsverleden en
het niveau van de opleiding. Voorts kan
uit de jurisprudentie worden afgeleid dat subjectieve overwegingen en strikt
persoonlijk getinte bezwaren tegen een aanbod slechts onder stringente
voorwaarden acceptabel worden geacht. Over het geheel genomen blijkt dat de
rechtspraak kritisch oordeelt over de weigering van aangeboden werk en het
met het toenemen van de werkloosheidsduur steeds moeilijker wordt arbeid als niet passend te weigeren.
In paragraaf 4 is een tabel opgenomen waarin de wijze waarop de factoren
tegenover elkaar moeten worden afgewogen tot uitdrukking komt, gelet op de strekking van de jurisprudentie.
Indien uit de beoordeling van het complex van deze factoren blijkt dat de
aanvaarding van aangeboden werk in redelijkheid niet van betrokkene kan worden gevergd, dan is
de aangeboden arbeid niet passend en omgekeerd; indien dit wel gevergd kan worden, dan
is de arbeid wel passend.
5. De inhoud van de richtlijn
De bedoeling van een algemene
richtlijn is het geven van een aantal uit de jurisprudentie afgeleide geobjectiveerde
normen die aangeven wat van een werkloze
werknemer in de regel kan worden verlangd in relatie tot het aanvaarden van een werkaanbod. De
individuele toets geeft aan wat in het individuele geval van iemand mag worden
verwacht
gezien ook de overige in de jurisprudentie gehanteerde criteria; met andere woorden: wat in redelijkheid
van betrokkene kan worden gevergd. In deze richtlijn zijn de volgende meer
objectieve criteria opgenomen:
- de aard van het werk, gerelateerd
aan het vroegere beroep en het niveau van het werk dat wordt bepaald door
opleiding en werkervaring;
- de beloning voor het werk;
- de reisduur.
a. Aard van het werk
Als algemene regel voor wat betreft de aard van een
te aanvaarden werkaanbod dient te worden aangehouden dat een ieder die zich door opleiding en/of werkervaring
voor een bepaald beroep of voor arbeid op een bepaald niveau heeft
gekwalificeerd, na aanvang van de werkloosheid een halfjaar de tijd heeft om zich te
richten op het zoeken naar arbeid overeenkomstig het vroegere beroep en niveau en in beginsel niet verplicht
is werk op een lager niveau of in een ander beroep te aanvaarden.
Arbeid van tijdelijke aard of arbeid
die in afwachting van arbeid in het eigen beroep tijdelijk kan worden verricht,
is ook tijdens het eerste halfjaar van
de werkloosheid passend, ook al is de
aard van de werkzaamheden niet geheel in overeenstemming met de vroeger
verrichte
arbeid en voor zover het niveau niet al te zeer afwijkt van het door opleiding of werkervaring verkregen
niveau. In ieder geval mag van betrokkene een flexibeler opstelling worden gevraagd dan wanneer het gaat om vast
werk.
Arbeid voor onbepaalde duur in het eigen beroep doch van een lager
niveau is passend indien mogelijkheden worden geboden om binnen een afzienbare termijn op het eigen niveau terug te
keren.
Ook met kabinetsmaatregelen gefinancierde extra reguliere banen en nieuwe banen met inzet van uitkeringsgelden
ten behoeve van langdurig werklozen kunnen passend zijn.
Na het eerste halfjaar en naarmate de
werkloosheid langer duurt, dient men zich indachtig de jurisprudentie ter
zake ruimer op te stellen en arbeid op een (steeds) lager niveau en zo mogelijk
in een ander beroep te accepteren. Voor de verschillende categorieën werklozen
ingedeeld naar het niveau dat door opleiding en/of werkervaring is
bereikt, kan worden uitgegaan van perioden van een halfjaar. Het geheel ziet er
dan als volgt uit.
| Niveau |
Acad./HBO |
MBO |
|xxxLBOxxx| |
Basis |
| Acad./HBO-er: |
0
- 6 mnd |
6
- 12 mnd |
12
- 18 mnd |
na
18 mnd |
| MBO-er:
¹ |
|
0
- 6 mnd |
6
- 12 mnd |
na
12 mnd |
| LBO-er:
² |
|
|
0
- 6 mnd |
na
6 mnd |
1. Onder MBO-niveau wordt mede verstaan HAVO/VWO-niveau.
2. Onder LBO-niveau wordt mede verstaan MAVO-niveau. |
Eén en ander betekent voor een
werkloze werknemer die zich door opleiding en werkervaring heeft gekwalificeerd
voor werk op HBO-niveau, dat betrokkene gehouden is om werk op MBO-niveau te
aanvaarden indien hij er na
een halfjaar werkloosheid niet in is geslaagd werk op het eigen niveau te
vinden. Na het volgende halfjaar is betrokkene in beginsel gehouden werk
te aanvaarden op LBO-niveau en een halfjaar nadien is hij of zij
gehouden ongeschoolde arbeid te aanvaarden. Een MBO-er dient gedurende het
eerste halfjaar op zijn eigen niveau te
zoeken en in het halfjaar daarna werk op LBO-niveau te accepteren. Na afloop
daarvan is in principe alle arbeid passend. Voor een schoolverlater
(inclusief een afgestudeerde academicus) is tijdens
het eerste halfjaar alle arbeid passend. Academici moeten tijdens het eerste
halfjaar ook functies op HBO-niveau accepteren.
Gekozen is primair voor een indeling naar niveau. Een verdere
indeling of specificatie naar beroep dan het vroegere beroep of aanverwante beroepen is gezien de veelheid aan vaak
gespecialiseerde
beroepen niet goed mogelijk en voor wat betreft het aanvaarden van passende arbeid in eerste instantie
ook minder relevant. Voor zover men niet voor een bepaald beroep c.q. een
bepaalde vacature is gekwalificeerd,
zal immers een aanbod voor het vervullen hiervan achterwege blijven. Wel is men
gehouden ook tijdens het eerste halfjaar van de werkloosheid tijdelijk
werk te aanvaarden dat afwijkt van het vroegere beroep als de kwalificaties van betrokkene dit mogelijk maken. Voor
de goede orde wordt opgemerkt dat ongeschoold werk in beginsel altijd
passend is voor werkloze werknemers die tot de categorie "ongeschoold"
behoren. Dat wil zeggen, werknemers die zich niet door werkervaring of opleiding
voor een bepaald beroep hebben gekwalificeerd.
De keuze met betrekking tot de eerste periode voor de tijdsduur van
nul tot zes maanden waarin een werkloze werknemer in beginsel niet verplicht is om
arbeid op een lager niveau te aanvaarden (uitgezonderd academici met enige werkervaring en schoolverlaters),
is mede ingegeven door de thans bekende uitstroomgegevens van werklozen.
Hieruit blijkt dat binnen zes maanden 60% van de oorspronkelijke instroom
op eigen kracht uit het werklozenbestand stroomt in verband met het aanvaarden van een baan. Voorts
wordt het van belang geacht, zowel voor betrokkene als vanuit
arbeidsmarktperspectief
geredeneerd, dat men enige tijd wordt gegund om op het eigen niveau en indien men zich
hiervoor voldoende heeft gekwalificeerd, in het eigen of een aanverwant
beroep, naar werk te zoeken en niet voortijdig gedwongen wordt om arbeid op een
(veel) lager niveau te accepteren met gevaar voor het verlies van
vakbekwaamheid.
b. Loonniveau
Als algemene regel dient
te worden aangehouden dat gedurende het eerste halfjaar na aanvang van de
werkloosheid de werkloze werknemer geacht wordt werk te aanvaarden
waarvoor de beloning niet of niet in belangrijke mate lager is dan hetgeen
betrokkene voorheen verdiende, voor zover dit
laatste niet afwijkt van hetgeen door werknemers als betrokkene in zijn oude
beroep in de regel wordt verdiend of verkregen is door het verrichten van
seizoenarbeid of arbeid op
uitzendbasis. Ook hier geldt dat na het eerste halfjaar en naarmate de werkloosheid
langer duurt concessies moeten worden gedaan ten aanzien van het gewenste
inkomen. Die concessies ten aanzien van het loon corresponderen met het verschil in niveau van te aanvaarden
werkzaamheden zoals hiervoor aangegeven. Voor academici met enige
werkervaring geldt dat het loonniveau in
overeenstemming dient te zijn met de aard en het niveau van de functie.
Voor hen kan dit betekenen dat het loonniveau wel kan afwijken van het
oorspronkelijk verdiende loon. Indien het loonniveau past bij de aard en niveau
van de functie, is er in principe geen reden om het werk als niet
passend te
beschouwen. Teneinde uitkeringsafhankelijkheid tegen te gaan en gelet op het
feit dat naarmate de werkloosheid
langer duurt de kans op uitstroom afneemt, acht het kabinet het gerechtvaardigd dat voor
schoolverlaters alle arbeid, mits het verdiende loon niet lager is dan het
wettelijk
minimum, als passend moet worden beschouwd. Een meer kwantitatieve richtlijn in
termen van acceptabele verschillen in salarisniveau die voor alle of het merendeel
van de beroepsgroepen geldig is, valt niet te geven.
Loon lager dan het uitkeringsniveau is
ook daar waar het tijdelijk werk betreft niet passend, voor zover althans het
dagloon waarnaar de uitkering is berekend niet afwijkt van hetgeen door werknemers als betrokkene in zijn oude
beroep in de regel wordt verdiend en niet is gebaseerd op seizoenwerk of op
werk op uitzendbasis. In het individuele geval kan dit ertoe leiden dat voor
een werkloze werknemer met een WW-uitkering minder snel laagbetaalde arbeid als passend kan worden aangemerkt
dan het schema onder a aangeeft. De praktische betekenis hiervan dient
evenwel niet te worden overschat. De
WW-uitkering is, in de eerste plaats, een in duur beperkte uitkering en verder
heeft een aanzienlijk deel van de WW-populatie een uitkering op
minimumloonniveau.
Voor zover sprake is van een hogere uitkering voorziet de marge
van 30% ten opzichte van het oude dagloon in aanzienlijke mogelijkheden om
zo nodig arbeid op lagere niveaus als passend te beschouwen. Zowel in het
eerste halfjaar als de periode daarna dient de beloning wel overeenkomstig de
geldende CAO te zijn, of overeenkomstig het voor werknemers als betrokkene
gebruikelijke loon doch ten minste overeenkomstig het voor hem geldende
wettelijk
minimumloon.
Met kabinetsmaatregelen gefinancierde reguliere tijdelijke banen en
nieuwe banen met inzet van uitkeringsgeld ten behoeve van langdurig werklozen zijn,
indien het verdiende loon niet lager
is dan het wettelijk minimum, als passend te beschouwen.
Voorts dient bij de beoordeling rekening te worden gehouden met te maken reiskosten, voor zover deze
substantieel van aard zijn.
c. Reisduur
Als algemene regel dient
te worden aangehouden dat tijdens het eerste halfjaar van de werkloosheid
een werkaanbod gerelateerd aan de reisduur passend is, voor zover de
reistijd niet meer bedraagt dan rond de twee uur per dag, tenzij in het oude beroep
langere reistijden voor betrokkene gebruikelijk waren.
Na het eerste halfjaar kunnen langere
reistijden met een maximum van rond de drie uur per dag (tenzij voorheen
een langere reistijd gebruikelijk was)
in beginsel geen belemmering vormen voor het aanvaarden van een
werkaanbod. Bij voortdurende werkloosheid is het feit dat voor het aanvaarden van
een baan zou moeten worden verhuisd als zodanig geen argument om een baan als niet passend te
beschouwen.
6. Hantering van de richtlijn
Voor de vertaling van de hierboven weergegeven richtlijn naar individuele
beslissingen is het van belang dat een aantal elementen mede wordt
overwogen.
De stapsgewijze verruiming van de criteria voor passende arbeid moet in
relatie worden gezien met het volgen van
noodzakelijk geachte scholing. Zoals hiervoor opgemerkt, verdient het uiteraard de
voorkeur wanneer de betrokkenen zoveel mogelijk op hun eigen niveau een nieuwe betrekking
vinden. Voor de duur van de noodzakelijk geachte scholing heeft vrijstelling
plaats van de verplichting om passende arbeid te aanvaarden. Na voltooiing van het
scholingstraject krijgt men wederom een halfjaar om een betrekking te
vinden in de richting waarvoor men is opgeleid. Wordt de opleiding niet
voltooid, dan dient men zich beschikbaar te stellen voor arbeid op een lager
opleidingsniveau. Voor academici met enige werkervaring kunnen ook functies
op HBO-niveau als uitgangspunt worden genomen. Zij moeten zich reeds
tijdens het eerste halfjaar breder oriënteren.
Hoewel de subjectief bepaalde factoren
niet in de algemene richtlijn zijn opgenomen en dit ook niet in de rede ligt gezien de diversiteit hiervan,
betekent dit niet dat zij voor de vaststelling
van de vraag of arbeid passend is niet (langer) van belang zijn. Zoals uit de
jurisprudentie blijkt, kunnen zij er onder
stringente voorwaarden toe leiden dat een op grond van meer objectieve
criteria passend te achten aanbod in het individuele geval niet passend is. Met
andere woorden, individueel bepaalde gronden kunnen ertoe leiden dat in het
specifieke geval van de algemene regel wordt afgeweken. Deze betreffen onder
meer: zorg voor gezinsleden, gewetensbezwaren en gezondheidsbezwaren.
’s-Gravenhage, 19 maart 1996.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten.
|
|