|
REGELING tot het
verstrekken van subsidie ter stimulering van samenwerkingsverbanden werk
en inkomen (Stimuleringsregeling SWI)
18 december 1997/nr. SWI/97/172
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 3 van de Kaderwet
SZW-subsidies;
Besluiten:
Art. 1.
[Definities]
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. samenwerkingsovereenkomst: een
samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het Samenwerkingsbesluit
SWI (Stb. 1997, 804) die voldoet aan de bij of krachtens dat
besluit gestelde eisen;
b. samenwerkende partijen: de partijen bij
een samenwerkingsovereenkomst;
c. SWI-centrum: een SWI-centrum als
bedoeld in het Samenwerkingsbesluit SWI dat voldoet aan de bij of krachtens
dat besluit gestelde eisen;
d. voorbereidingskosten: de eenmalige
kosten die in de periode voorafgaande aan de operationele start van het
SWI-centrum worden gemaakt en die niet terugkomen in de jaarlijkse exploitatie
van het SWI-centrum;
e. de minister: de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Art. 2. [Subsidieaanvraag]
-1. De minister kan op aanvraag een subsidie verstrekken
ter stimulering van de totstandkoming van SWI-centra.
-2. De subsidie wordt aangevraagd door een daartoe door de samenwerkende partijen aangewezen rechtspersoon.
-3. De subsidie wordt verstrekt aan de
subsidieaanvrager.
-4. Voorafgaand aan de subsidievaststelling wordt geen beschikking tot subsidieverlening gegeven.
-5. De Algemene Regeling SZW-subsidies is niet van toepassing.
Art. 3. [Bij
subsidieaanvraag te overleggen stukken en gegevens | Indieningstermijn]
-1. Bij de aanvraag om subsidievaststelling dient te worden
overgelegd:
a. een door de samenwerkende partijen ondertekend document waaruit blijkt dat de rechtspersoon die de
subsidie aanvraagt daartoe door hen is aangewezen;
b. een afschrift van de samenwerkingsovereenkomst;
c. een activiteitenplan en een daarbij behorende postgewijze begroting van de voorbereidingskosten;
d. gespecificeerde gegevens over het aantal inwoners van 15 tot en met 64 jaar en over de grondoppervlakte,
zoals dat per 1 januari 1997 met betrekking tot de aan de
samenwerkingsovereenkomst
deelnemende gemeenten in CBS-statistieken is geregistreerd.
-2. De aanvraag wordt ingediend uiterlijk op 31 december 1999.
Art. 4.
[Vorm en hoogte subsidie]
-1. De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een
lumpsumbedrag.
-2. De hoogte van de subsidie wordt bepaald aan de hand van het aantal inwoners van 15 tot en met 64 jaar en
van de grondoppervlakte, zoals dat per 1 januari 1997 met betrekking tot de aan de samenwerkingsovereenkomst
deelnemende gemeenten in CBS-statistieken is geregistreerd, en bedraagt
ƒ5,65 per persoon en ƒ295,14 per km².
-3. Het aantal inwoners en de
grondoppervlakte van de deelnemende gemeente(n) zijn slechts eenmaal bepalend
voor de hoogte van de subsidie.
Art. 5. [Verslag
activiteiten en voorbereidingskosten | Indieningstermijn]
Uiterlijk vier maanden nadat de
samenwerking binnen het SWI-centrum overeenkomstig de samenwerkingsovereenkomst
operationeel is geworden, maar uiterlijk vóór 1 mei 2001, zendt de
subsidieontvanger
aan de minister een verslag waarin inzicht wordt geboden in de ontplooide
activiteiten
ten behoeve van de totstandkoming van het SWI-centrum en de daarmee gemoeide voorbereidingskosten.
Dit verslag sluit aan bij het activiteitenplan en de begroting, bedoeld in artikel
3, eerste lid, onderdeel
c.
Art. 6. [Overleggen
verslag met subsidieaanvraag]
Indien de samenwerking binnen een
SWI-centrum overeenkomstig een samenwerkingsovereenkomst operationeel is geworden vóór het tijdstip
van de aanvraag, wordt het in artikel 5 bedoelde verslag bij de aanvraag
overgelegd en zijn artikel 3, eerste lid, onderdeel c, en
artikel 5, tweede
volzin,
niet van toepassing.
Art. 7.
[Inwerkingtreding en citeertitel]
-1. Deze regeling treedt in werking met ingang van het
tijdstip waarop het Samenwerkingsbesluit SWI in werking treedt.
-2. Deze regeling wordt aangehaald als: Stimuleringsregeling
SWI.
's-Gravenhage, 18 december 1997.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.
's-Gravenhage, 18 december 1997.
De Staatssecretaris voornoemd,
F.H.G. de Grave.
TOELICHTING
[18 december 1997]
Gemeenten, de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale organisatie
werk en inkomen (CWI), red.] en het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv)
[zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV), red.] hebben op
grond van de Algemene bijstandswet, de Ioaw, de
Ioaz, de Arbeidsvoorzieningswet
1996, de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 en de
Wet inschakeling werkzoekenden de verplichting
samen te werken om de inschakeling van uitkeringsgerechtigden in het arbeidsproces te
bevorderen.
Op grond van het Samenwerkingsbesluit SWI, dat gelijktijdig met onderhavige regeling in werking
treedt, worden werkzaamheden van genoemde instanties vastgesteld die onder gezamenlijke afstemming
worden
gebracht en verplicht in een SWI-centrum [zie Centrum voor
werk en inkomen (CWI), red.] worden uitgevoerd. Tevens is daarbij bepaald dat eind 1998 sprake
moet zijn van een landelijk dekkend netwerk aan samenwerkingsafspraken (in de vorm van
samenwerkingsovereenkomsten die voldoen aan de eisen van genoemd besluit) en dat uiterlijk
31 december 2000 alle geplande SWI-centra ook operationeel dienen te zijn. Het Samenwerkingsbesluit
SWI brengt
geen wijziging in wettelijk geregelde taken en bevoegdheden van gemeenten, Lisv en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Ook de rol en positie van het toezicht op de drie kolommen blijft ongewijzigd. Wel zal afstemming
plaatsvinden tussen de diverse toezichthouders onderling om het toezicht op de samenwerking efficiënt en compleet te kunnen
uitvoeren, alsmede met het SWI-procesmanagement, dat onder verantwoordelijkheid van de
Minister van SZW opereert en een stimulerende, begeleidende en
signalerende functie vervult met betrekking tot het
samenwerkingsproces.
Het tot stand brengen van SWI-centra vergt een
zorgvuldige afweging tussen de eisen van bereikbaarheid/klantvriendelijkheid enerzijds en
efficiency en kostenbeheersing anderzijds. De termijn om SWI-centra tot stand te
brengen biedt de mogelijkheid aan partijen om geleidelijk te groeien naar de gewenste samenwerking in de
SWI-centra, daarbij zoveel mogelijk gebruik makend van bestaande accommodaties teneinde onnodige logistieke en
andere frictiekosten te voorkomen.
Aangezien de werkzaamheden die (minimaal moeten)
worden verricht in SWI-centra tot de kerntaken van gemeenten, uitvoeringsinstellingen en
Arbeidsvoorziening behoren, zijn deze instanties zelf verantwoordelijk voor de
beheersing en financiering van de kosten die gemoeid zijn met de
totstandkoming en exploitatie van de SWI-centra.
Op grond van onderhavige regeling, die gelijktijdig met het
Samenwerkingsbesluit SWI in werking treedt, kunnen samenwerkingspartners een beroep doen op het Rijk voor
een (eenmalige) financiële bijdrage in de voorbereidingskosten. Doel van deze
regeling
is om de totstandkoming van SWI-centra te stimuleren door het verstrekken van een financiële
tegemoetkoming in de voorbereidingskosten. Als basis voor de subsidie geldt een samenwerkingsovereenkomst die
voldoet aan de eisen van het Samenwerkingsbesluit SWI. Ook bestaande SWI-centra kunnen, mits zij voldoen aan de
voorwaarde van een valide samenwerkingsovereenkomst, aanspraak maken op een dergelijke bijdrage. Elke
samenwerkingsovereenkomst wordt krachtens het Samenwerkingsbesluit SWI gedeponeerd bij het ministerie
van SZW en wordt aldaar beoordeeld op conformiteit met de bij en krachtens dat
besluit gestelde regels. Dat oordeel is zowel in procedurele als inhoudelijke zin een basisvoorwaarde
voor de verdere afhandeling van de subsidieaanvraag.
Subsidiëring vindt plaats op lumpsumbasis; het
subsidiebedrag wordt vastgesteld aan de hand van vooraf kenbare objectieve factoren en niet
gekoppeld aan begrote of gerealiseerde activiteitenkosten; de subsidie kan dan
ook meteen worden vastgesteld en uitbetaald (één beslismoment). Op deze wijze blijven de
uitvoeringslasten
voor zowel de subsidieontvangers als de subsidiegever beperkt. De verantwoording achteraf
beperkt zich tot een verslag van activiteiten en daarbij gemaakte kosten in het kader van de totstandkoming van
de SWI-centra. Hierop wordt niet afgerekend; bij het achterwege blijven van deze
voor het beleid noodzakelijk geachte informatie kan de minister alsnog tot terugvordering van de subsidie
overgaan. Om de kwaliteit van de in deze regeling (vooraf en achteraf)
verplicht gestelde informatie te waarborgen zijn modellen beschikbaar.
Artikel 1
In dit artikel worden de subsidiabele voorbereidingskosten
nader omschreven als de eenmalige kosten die in de periode voorafgaande aan de
operationele
start van het SWI-centrum worden gemaakt en die niet terugkomen in de jaarlijkse exploitatie van het
SWI-centrum (zie onderdeel d); het betreft kosten voor projectmanagement en voorlichting/opening (die per definitie
een eenmalig karakter hebben), alsmede eenmalige kosten voor opleiding en aanpassing van huisvesting en
automatisering, die niet (via afschrijvingen) op de structurele exploitatie van het
SWI-centrum drukken. De voorbereidingskosten worden onderscheiden van andere frictiekosten, zoals aanloop- en
ontvlechtingskosten, die zich manifesteren na het operationeel worden van SWI-centra, mede als gevolg van
(tijdelijke) inefficiënties in verband met de overgang van de
stand-alonesituatie
naar de gezamenlijke lokatie.
Artikel 2
Bij een samenwerkingsovereenkomst zijn het
Lisv, één of
meer gemeenten en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie de partijen. Dezen dienen een
rechtspersoon
aan te wijzen, die de subsidie aanvraagt en ontvangt. Deze aangewezen rechtspersoon kan
één der deelnemende
partijen zijn, maar ook een derde, bijvoorbeeld een door de gezamenlijke partijen opgerichte
beheersstichting
voor het SWI-centrum (zonder publiekrechtelijke bevoegdheden). Dit geeft de samenwerkende partijen de
nodige ruimte in hun onderlinge afspraken met betrekking tot organisatie en financiering
van de samenwerking en biedt anderzijds helderheid voor de minister
bij de subsidiëring.
In verband met dit laatste is krachtens artikel 3, eerste lid, een door alle partijen ondertekend
document
verplicht gesteld waaruit blijkt wie als rechtspersoon namens alle partijen de subsidie aanvraagt. In die
gevallen waarin dat gegeven ondubbelzinnig uit de samenwerkingsovereenkomst kan
worden afgeleid, is een apart document niet nodig. In het vierde lid wordt
bepaald dat er
niet twee beslismomenten zijn (een subsidietoekenning vooraf en een subsidievaststelling achteraf), maar dat
de subsidie meteen bij een beschikking tot subsidievaststelling wordt
vastgesteld.
Krachtens artikel 4:52 Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt de vastgestelde subsidie
binnen vier weken na de vaststelling betaald; gelet op het gehanteerde eenvoudige
subsidiesysteem is geen bevoorschotting nodig, maar kan meteen tot betaling worden overgegaan.
De algemene regels met betrekking tot subsidieverstrekking, zoals die zijn neergelegd in de Algemene Regeling
SZW-subsidies,
zijn op het gehanteerde lumpsumsysteem minder goed toepasbaar; daarom is die regeling niet van
toepassing
verklaard.
Artikel 3
Het activiteitenplan en de begroting van de
voorbereidingskosten, die bij de
subsidieaanvraag moeten worden overgelegd, dienen als beleidsinformatie voor het
procesmanagement, teneinde het realiteitsgehalte van de planvorming te kunnen beoordelen; de
inhoud van dit oordeel speelt bij de subsidietoekenning geen rol. Het
ontbreken
van deze informatie is evenwel reden tot weigering.
Om de kwaliteit van deze informatie te waarborgen, is een
model beschikbaar. Voorts is voor subsidiëring krachtens deze regeling een
voorwaarde
dat er een samenwerkingsovereenkomst is die voldoet aan de daaromtrent bij of krachtens het
Samenwerkingsbesluit
SWI gestelde normen en dat de in deze regeling voorgeschreven informatie wordt verstrekt.
Ingevolge artikel 4:13 e.v. van de
Awb wordt in beginsel
binnen acht weken na de aanvraag een beschikking gegeven; als dat niet mogelijk is, wordt
aan de aanvrager een andere redelijke beslistermijn meegedeeld. De aanvrager krijgt daaraan voorafgaande een
ontvangstbevestiging met eventuele ingebrekestelling voor de nog ontbrekende,
in de regeling verplicht gestelde informatie.
Het moment waarop genoemde termijn van acht weken in
werking treedt, start in principe op het moment van ontvangst van de volledige aanvraag
bij het departement. De beslistermijn is mede afhankelijk van de vraag of reeds
een oordeel is geveld over de samenwerkingsovereenkomst. Deze beoordeling zal volgen
op deponering van de samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel
2, derde lid, van
het Samenwerkingsbesluit SWI. Het gevormde oordeel wordt schriftelijk kenbaar gemaakt aan betrokken
partijen.
Indien dit laatste nog niet heeft plaatsgevonden op het moment van
subsidieaanvraag en ook niet binnen
de beslistermijn kan worden afgewikkeld, zal conform het bovenstaande aan de aanvrager een andere
beslistermijn
worden meegedeeld.
De uiterste termijn waarop subsidieaanvragen kunnen worden ingediend, is bepaald op 31 december 1999, gelet
op enerzijds de datum waarop volgens het Samenwerkingsbesluit SWI in het hele land
samenwerkingsafspraken moeten zijn gemaakt (31 december 1998) en anderzijds de in dat besluit genoemde
datum 31 december 2000 waarop de SWI-centra operationeel moeten zijn. De aanvragen worden gericht
aan de Minister van SZW en kunnen worden verzonden naar het
Procesmanagement SWI, postbus 556, 2501 CN
Den Haag.
Artikel 4
De subsidiemaatstaf is in technische zin gerelateerd aan
een tweetal gegevens die betrekking hebben op de aan de samenwerkingsovereenkomst
deelnemende gemeenten, namelijk het aantal inwoners tussen de 15 en 64 jaar enerzijds en de grondoppervlakte
(exclusief water) van de samenwerkende gemeenten anderzijds (beide op 1 januari
1997). Deze informatie, afgeleid uit de GBA (gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens),
is objectief verifieerbaar aan de hand van de CBS-statistieken [CBS: Centraal
Bureau voor de Statistiek, red.]: inwoners en oppervlakte per
gemeenten (sector Bevolking) per genoemde datum. Door deze maatstaven wordt rekening gehouden met het aantal
potentiële "klanten" van de samenwerkende partijen (de maximale workload van het
SWI-centrum)
enerzijds
en anderzijds de bevolkingsdichtheid in het betreffende bedieningsgebied. Dit laatste is
nodig omdat in
dunbevolkte gebieden extra voorzieningen dienen te worden getroffen omwille van de bereikbaarheid.
Het bedrag van de subsidiemaatstaf is afgestemd op de te
verwachten voorbereidingskosten van SWI-centra, op basis van een in 1997 gehouden
onderzoek naar de totale verwachte frictiekosten van SWI-centra bij
verschillende schaalgrootte en activiteitenpakket. Bij de concrete maatstaf is
uitgegaan van het minimumpakket aan activiteiten dat op grond van het Samenwerkingsbesluit
SWI is
voorgeschreven. Daarbij zijn de extra kosten als gevolg van de potentiële inefficiency
van samenwerking op kleinere schaal niet meegenomen.
De hoogte van het subsidiebedrag wordt berekend op
basis van de volgende formule: subsidiebedrag = ƒ5,65 x aantal inwoners 15/64
jaar + ƒ295,14 x aantal km². Deze formule impliceert een maximaal budgettair beslag op landelijk niveau van
ƒ70
miljoen.
In het derde lid van artikel 4 is bepaald dat het inwonertal
en de grondoppervlakte slechts eenmaal bepalend zijn voor de subsidiehoogte.
Deze bepaling is met name relevant voor die gevallen waarbij het gebied waarvoor de
samenwerkingsovereenkomst is gesloten niet samenvalt met de gemeentelijke grenzen volgens de
hierboven genoemde CBS-statistieken. Deze situatie kan het gevolg zijn van gemeentelijke herindeling na die
datum, dan wel van de keuze in SWI-verband om de grens van het samenwerkingsgebied niet met de
gemeentegrens te laten samenvallen. In die gevallen is de informatie van de aanvrager over de daarmee
corresponderende aantallen inwoners en grondoppervlakte niet alleen een formeel
verplicht, maar ook in materiële zin onmisbaar gegeven voor een zorgvuldige afhandeling van de
subsidieaanvraag. Bij toekenning van subsidie op basis van een deel van het
aantal inwoners en/of de
grondoppervlakte van een gemeente zal ook worden aangegeven voor welk restant van beide er door de
betreffende
gemeente nog aanspraak bestaat voor deelname aan andere samenwerkingsovereenkomsten.
Artikel 5
De over te leggen gegevens zijn bedoeld om beleidsinformatie te
bieden
en worden voor de subsidiëring niet inhoudelijk beoordeeld. Het niet voldoen aan deze informatieplicht kan
wel reden zijn tot terugvordering van de reeds eerder vastgestelde subsidie. Om de kwaliteit van deze informatie te
waarborgen, is een model beschikbaar.
Artikel 6
Ook de
SWI-centra die reeds
operationeel zijn op het tijdstip van indiening van de aanvraag komen voor subsidie in aanmerking, mits er een
samenwerkingsovereenkomst is gesloten die voldoet aan de bij of krachtens het Samenwerkingsbesluit SWI gestelde eisen. Het verslag van activiteiten en gemaakte kosten is in dat geval reeds
bij de subsidieaanvraag vereist, zonder dat dit echter inhoudelijk een rol speelt bij de subsidietoekenning. Om
de kwaliteit van deze informatie te waarborgen, is een model beschikbaar.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave.
|
|