|
18 december 1997/nr. SWI/97/171
De
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen
4, eerste lid, en 5 van het
Samenwerkingsbesluit SWI;
Besluit:
Art. 1.
Definitie
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de minister: de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. betrokkene: degene die aanspraak maakt op een uitkering of voorziening op grond van een in
artikel 2
bedoelde wet;
c. CWI: Centrum voor werk en inkomen;
d. arbeidsmarktinstrumenten: het geheel van activiteiten dat in verband met de toeleiding naar werk van een
werkzoekende kan worden ingezet.
Art. 2.
Werkzaamheden die gemeenten en het Landelijk
instituut sociale verzekeringen in een CWI laten verrichten
De gemeenten en het Landelijk
instituut sociale
verzekeringen laten de volgende werkzaamheden, voor zover deze worden verricht in verband met
de verlening van algemene bijstand op grond van de Algemene
bijstandswet of worden verricht op grond van de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen,
de Wet inschakeling werkzoekenden, onderscheidenlijk de wetten genoemd in
artikel 38, eerste lid,
onderdeel a, van de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997, uitsluitend verrichten in CWI's, tenzij artikel
4, tweede of derde lid, van het Samenwerkingsbesluit SWI van toepassing is:
a. de registratie van de naam, de woonplaats, het adres, de
geboortedatum en de identiteit van betrokkene
en de opname van de aard en het nummer van het document als bedoeld in artikel 1 van de
Wet op de
identificatieplicht in de administratie;
b. het registratie van het sociaal-fiscaal nummer van betrokkene in de
administratie;
c. de beschrijving van de reden waarom betrokkene aanspraak maakt op een uitkering of voorziening;
d. de beschrijving van het arbeidsverleden en de opleiding van betrokkene;
e. de indiening van een verzoek om een verklaring als bedoeld in artikel 12 van de
Wet inschakeling werkzoekenden bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie;
f. het verstrekken van een formulier aan betrokkene waarmee een
uitkering of voorziening als bedoeld in
genoemde wetten wordt aangevraagd.
Art. 3.
Werkzaamheden die de Arbeidsvoorzieningsorganisatie uitsluitend
in een CWI laat verrichten
De Arbeidsvoorzieningsorganisatie laat de registratie van
werkzoekenden en de administratieve indeling als bedoeld in artikel 71, tweede lid, onderdeel
b,
van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 uitsluitend verrichten in CWI's.
Art. 4. Uniforme beoordeling positie werkzoekenden op de arbeidsmarkt
-1. Door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, de gemeenten dan wel het
Landelijk instituut
sociale verzekeringen wordt de kans op werk van een werkzoekende beoordeeld, wordt
onderzocht op welke wijze die kans kan worden verbeterd en wordt de werkzoekende
ingedeeld in één van de vier hierna genoemde fasen:
a. de werkzoekende voor wie arbeidsmarktinstrumenten beschikbaar zijn gericht op directe bemiddeling of terugkeer naar de arbeidsmarkt wordt
ingedeeld in fase 1;
b. de werkzoekende voor wie arbeidsmarktinstrumenten inzetbaar zijn gericht op een zodanige verbetering van zijn
kans op werk dat hij binnen een tijdsbestek van maximaal één jaar als werkzoekende bemiddelbaar is op
de arbeidsmarkt, wordt ingedeeld in fase 2;
c. de werkzoekende voor wie arbeidsmarktinstrumenten inzetbaar zijn gericht op een zodanige verbetering van zijn
kans op werk dat hij na een tijdsbestek van meer dan één jaar als werkzoekende bemiddelbaar is op de
arbeidsmarkt, wordt ingedeeld in fase 3;
d. de werkzoekende die tengevolge van zware persoonlijke werkbelemmeringen is aangewezen op
hulp en zorg die gericht is op een zodanige verbetering van zijn eigen positie dat eerst op termijn
arbeidsmarktinstrumenten inzetbaar zijn gericht op de verbetering van zijn kans
op werk, wordt ingedeeld in fase 4.
-2. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie, de gemeenten en het Landelijk instituut
sociale verzekeringen hanteren bij de uitvoering van wettelijke voorschriften
een landelijk uniforme methode van fase-indeling. Die indeling vormt voor de genoemde partijen het
uitgangspunt
bij de inzet van arbeidsmarkt-, activerings- en zorginstrumenten.
-3. De in artikel 74 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 ten aanzien van 71, tweede lid, onderdeel
b, van
die wet door het Centraal Bestuur voor de
Arbeidsvoorziening, na overleg met het Landelijk instituut sociale
verzekeringen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten vast te stellen nadere regels zijn de in het tweede lid
bedoelde landelijk uniforme methode van fase-indeling, indien met inachtneming
van het eerste lid, het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten met die nadere regels instemmen.
-4. Bij de publicatie in de Staatscourant van de nadere regels, bedoeld in artikel
74 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 ten aanzien van artikel 71, tweede lid, onderdeel
b, wordt
door het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening mededeling gedaan van het oordeel van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen en van het oordeel van de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten.
Art. 5. Nadere eisen fase-indeling
-1. De in artikel 4, derde lid, bedoelde landelijk uniforme methode
fase-indeling
bevat voldoende waarborgen voor een zorgvuldige beoordeling van de kans op werk van een
werkzoekende en de daaruit voortvloeiende indeling en wordt in de praktijk door de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie, de gemeenten en het
Landelijk instituut sociale verzekeringen adequaat
toegepast.
-2. Tot de waarborgen, bedoeld in het eerste lid, behoort in ieder geval het besteden van aandacht aan:
a. de opleiding van de werkzoekende;
b. de werkervaring van de werkzoekende;
c. de sociale redzaamheid van de werkzoekende;
d. de motivatie en flexibiliteit van de werkzoekende;
e. de mobiliteit van de werkzoekende;
f. het beroep van inschrijving van de werkzoekende;
g. de eventuele belemmeringen van de werkzoekende om te komen tot
aanvaarding
van werk;
h. de relatie van de onder a tot en met g genoemde punten met de actuele arbeidsmarktinformatie;
i. de informatie aan de werkzoekende over zijn kans op werk.
Art. 6. Periodieke herbeoordeling
-1. De indeling van een werkzoekende in één van de fasen wordt door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, de
gemeenten dan wel het Landelijk instituut sociale verzekeringen periodiek getoetst en zo nodig aangepast.
-2. De artikelen 4 en 5 zijn op de toets, bedoeld in het eerste lid, van
overeenkomstige toepassing.
Art. 7. Evaluatie
De Arbeidsvoorzieningsorganisatie, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen
en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gezamenlijk zenden vóór 1 januari 2001 aan de
minister een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de in
artikel 4, derde lid, bedoelde methode.
Art. 8.
Werkzaamheden die de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in elk
geval in een CWI laat verrichten
De Arbeidsvoorzieningsorganisatie laat de volgende
werkzaamheden, voor zover deze worden verricht op grond van de Arbeidsvoorzieningswet 1996, in elk
geval verrichten in CWI's:
a. de voordracht van geschikte vacatures aan werkzoekenden;
b. de voordracht van geschikte werkzoekenden voor vacatures;
c. het geven van informatie en advies aan werkzoekenden met betrekking tot studie- en beroepskeuze en
om-, her-, of bijscholing, alsmede met betrekking tot de instrumenten die de Arbeidsvoorzieningsorganisatie ter
beschikking staan ter bevordering van de arbeidsinschakeling van
arbeidsgehandicapten.
Art. 9.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede
dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Art. 10. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Samenwerkingsregeling SWI.
Deze regeling zal met de toelichting in de
Staatscourant
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 18 december 1997.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.
De Staatssecretaris voornoemd,
F.H.G. de Grave.
TOELICHTING
[18 december 1997]
Gemeenten, de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale organisatie
werk en inkomen (CWI), red.] en het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv)
[zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV), red.] hebben op
grond van de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Arbeidsvoorzieningswet 1996, de
Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 en de Wet inschakeling werkzoekenden de
verplichting
samen te werken om de inschakeling van uitkeringsgerechtigden in het arbeidsproces te
bevorderen.
Bij algemene maatregel van bestuur [zie Samenwerkingsbesluit
SWI, red.] is aan deze
verplichting nadere inhoud gegeven door de gemeenten, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen
en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie te verplichten de totstandkoming van
samenwerkingsovereenkomsten
te bevorderen waarin in elk geval met betrekking tot een aantal genoemde onderwerpen afspraken
moeten worden neergelegd. Voorts is in de algemene maatregel van bestuur aan de gemeenten, het Landelijk
instituut
sociale verzekeringen en de Regionale Besturen voor de
Arbeidsvoorziening de verplichting opgelegd
om zorg te dragen voor de totstandkoming van een adequaat aantal SWI-centra vóór 31 december 2000.
Met ingang van 1 januari 2001 dienen de gemeenten, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie door
de minister vastgestelde werkzaamheden te verrichten in SWI-centra. Deze werkzaamheden worden in
gezamenlijke
afstemming - op basis van de hierover gesloten samenwerkingsovereenkomsten - uitgevoerd in de
SWI-centra.
In de onderhavige regeling worden de werkzaamheden
vastgesteld die in het SWI-centrum worden verricht. Hiermee wordt gewaarborgd dat het
SWI-dienstverleningspakket, zoals neergelegd in de Kabinetsreactie SWI (Kabinetsreactie SWI van 5 juni 1997,
Kamerstukken II 1996-1997, 25 000 XV, nr. 57) voor alle klanten in alle SWI-centra
zal worden aangeboden.
De werkzaamheden die uitsluitend in een SWI-centrum
mogen worden uitgevoerd, betreffen in de eerste plaats de administratieve handelingen die in
de huidige uitvoeringspraktijk (deels) gemeenschappelijk zijn en elkaar (deels) overlappen, zoals de registratie
van adresgegevens, het vaststellen van de identiteit en het sofinummer. In de
tweede plaats betreft het werkzaamheden die een nauwe samenwerking vergen, zoals de globale fase-indeling,
de kwalificerende intake en de actieve check op beschikbaarheid van passende arbeid
(conform het Besluit passende arbeid schoolverlaters en academici en de
Richtlijn passende arbeid 1996).
Ten derde betreft het de aanvraag van een uitkering.
De totstandkoming van SWI-centra en de waarborg dat het
SWI-dienstverleningspakket in de SWI-centra wordt aangeboden, betekent niet dat de
werkzaamheden die betrekking hebben op de bemiddeling van werkzoekenden - inclusief de daarmee
gemoeide
werkgeverscontacten - niet meer op de arbeidsbureaus zouden kunnen of mogen plaatsvinden. Dat zou geen
recht doen aan de expertise en verantwoordelijkheden van Arbeidsvoorziening.
Artikel 4 van dit artikel [deze regeling, red.]
is zo geformuleerd dat is gewaarborgd dat een substantiële bemiddelingsfunctie in het SWI-centrum is ingericht en dat
álle klanten in het SWI-centrum worden geconfronteerd met de beschikbare vacatures op de arbeidsmarkt (de
"haag van vacatures"). De inrichting van de bemiddelingsfunctie in het
SWI-centrum
laat echter onverlet dat een aantal hiermee samenhangende werkzaamheden buiten het
SWI-centrum,
op de lokaties van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, kunnen plaatsvinden. Welke werkzaamheden dat zijn, is
een zaak van nadere afspraken tussen de samenwerkingspartners onderling; dat zal mede afhankelijk
zijn van de locale en regionale situatie en van de lokatie waar het SWI-centrum is
gevestigd.
In de praktijk zal het met name de werkzaamheden betreffen ten aanzien van de
registratie van vacatures, de dienstverlening aan moeilijk plaatsbare werkzoekenden en de
dienstverlening
ten behoeve van moeilijk vervulbare vacatures. Het betreft bijvoorbeeld contacten met
werkgevers
gericht op acquisities van vacatures, bedrijfsbezoeken en contacten met sectoren, de doorverwijzing van
werkzoekenden en bemiddelingsactiviteiten ten behoeve van werkzoekenden die een traject hebben
doorlopen.
Bij de formulering van de werkzaamheden is aangesloten
bij de taken zoals die in de afzonderlijke wetten zijn omschreven. De regelgeving beoogt
immers niet om de (inrichting van) de werkprocessen voor te schrijven. Het is aan de samenwerkingspartners om de
werkprocessen in te richten. Werkprocessen die in het kader van de
samenwerking
juist in ontwikkeling zijn. Indien nodig zal in de loop van het ontwikkelingsproces de omschrijving
van de werkzaamheden die uitsluitend in het SWI-centrum moeten worden verricht, worden aangepast. Zo nodig
kan tot een nadere omschrijving van werkzaamheden worden overgegaan.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave.
WIJZIGING
SAMENWERKINGSREGELING SWI
27 mei 1998, Stb. 1998, 98
Inwerkingtreding: 1 januari 1999
(T.a.v. art. 5 SS)
Wijziging van de Regeling van
de Minister en de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 december 1997, nr. SWI/97/171,
(Stcrt. 1997, 249) in verband met het toevoegen van bepalingen inzake de fase-indeling
die wordt gehanteerd bij de bepaling van de kans op werk van werkzoekenden in Centra voor
werk en inkomen (Samenwerkingsregeling SWI)
27 mei 1998/nr. SWI/1998/349a
Bureau Procesmanagement
Samenwerking Werk en Inkomen
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 5 van het Samenwerkingsbesluit
SWI;
Besluiten:
Art. I.
De Regeling van de Minister en de Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 december 1997, nr. SWI/97/171, (Stcrt.
1997,
249) wordt
gewijzigd als volgt:
A.
Artikel 1 komt te luiden:
Art. 1. Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de minister: de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. betrokkene: degene die aanspraak maakt op een uitkering of voorziening op grond van een in
artikel 2
bedoelde wet;
c. CWI: Centrum voor werk en inkomen;
d. arbeidsmarktinstrumenten: het geheel van activiteiten dat in verband met de toeleiding naar werk van een
werkzoekende kan worden ingezet.
B.
In het opschrift van de artikelen 2 en 3 wordt
"SWI-centrum" telkens vervangen
door: CWI.
C.
In de artikelen 2 en 3 wordt "SWI-centra" telkens vervangen door: CWI’s.
D.
Na artikel 3 worden, onder vernummering van artikel 4 tot
artikel 8 en artikel
5 tot artikel 9, vier nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 4. Uniforme beoordeling positie werkzoekenden op de arbeidsmarkt
-1. Door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, de gemeenten dan wel het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen wordt de kans op werk van een werkzoekende beoordeeld, wordt
onderzocht op welke wijze die kans kan worden verbeterd en wordt de werkzoekende
ingedeeld in één van de vier hierna genoemde fasen:
a. de werkzoekende voor wie arbeidsmarktinstrumenten beschikbaar zijn gericht op directe bemiddeling of terugkeer naar de arbeidsmarkt wordt
ingedeeld in fase 1;
b. de werkzoekende voor wie arbeidsmarktinstrumenten inzetbaar zijn gericht op een zodanige verbetering van zijn
kans op werk dat hij binnen een tijdsbestek van maximaal één jaar als werkzoekende bemiddelbaar is op
de arbeidsmarkt, wordt ingedeeld in fase 2;
c. de werkzoekende voor wie arbeidsmarktinstrumenten inzetbaar zijn gericht op een zodanige verbetering van zijn
kans op werk dat hij na een tijdsbestek van meer dan één jaar als werkzoekende bemiddelbaar is op de
arbeidsmarkt, wordt ingedeeld in fase 3;
d. de werkzoekende die tengevolge van zware persoonlijke werkbelemmeringen is aangewezen op
hulp en zorg die gericht is op een zodanige verbetering van zijn eigen positie dat eerst op termijn
arbeidsmarktinstrumenten inzetbaar zijn gericht op de verbetering van zijn kans
op werk, wordt ingedeeld in fase 4.
-2. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie, de gemeenten en het Landelijk instituut
sociale verzekeringen hanteren bij de uitvoering van wettelijke voorschriften
een landelijk uniforme methode van fase-indeling. Die indeling vormt voor de genoemde partijen het
uitgangspunt
bij de inzet van arbeidsmarkt-, activerings- en zorginstrumenten.
-3. De in artikel 74 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 ten aanzien van 71, tweede lid, onderdeel
b, van
die wet door het Centraal Bestuur voor de
Arbeidsvoorziening, na overleg met het Landelijk instituut sociale
verzekeringen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten vast te stellen nadere regels zijn de in het tweede lid
bedoelde landelijk uniforme methode van fase-indeling, indien met inachtneming
van het eerste lid, het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten met die nadere regels instemmen.
-4. Bij de publicatie in de Staatscourant van de nadere regels, bedoeld in artikel
74 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 ten aanzien van artikel 71, tweede lid, onderdeel
b, wordt
door het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening mededeling gedaan van het oordeel van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen en van het oordeel van de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten.
Art. 5. Nadere eisen fase-indeling
-1. De in artikel 4, derde lid, bedoelde landelijk uniforme methode
fase-indeling
bevat voldoende waarborgen voor een zorgvuldige beoordeling van de kans op werk van een
werkzoekende en de daaruit voortvloeiende indeling en wordt in de praktijk door de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie, de gemeenten en het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen adequaat
toegepast.
-2. Tot de waarborgen, bedoeld in het eerste lid, behoort in ieder geval het besteden van aandacht aan:
a. de opleiding van de werkzoekende;
b. de werkervaring van de werkzoekende;
c. de sociale redzaamheid van de werkzoekende;
d. de motivatie en flexibiliteit van de werkzoekende;
e. de mobiliteit van de werkzoekende;
f. het beroep van inschrijving van de werkzoekende;
g. de eventuele belemmeringen van de werkzoekende om te komen tot
aanvaarding
van werk;
h. de relatie van de onder a tot en met g genoemde punten met de actuele arbeidsmarktinformatie;
i. de informatie aan de werkzoekende over zijn kans op werk.
Art. 6. Periodieke herbeoordeling
-1. De indeling van een werkzoekende in één van de fasen wordt door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, de
gemeenten dan wel het Landelijk instituut sociale
verzekeringen periodiek getoetst en zo nodig aangepast.
-2. De artikelen 4 en 5 zijn op de toets, bedoeld in het eerste lid, van
overeenkomstige toepassing.
Art. 7. Evaluatie
De Arbeidsvoorzieningsorganisatie, het Landelijk instituut sociale
verzekeringen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gezamenlijk zenden vóór 1 januari 2001 aan de
minister een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de in
artikel 4, derde lid, bedoelde methode.
E.
In het opschrift van artikel 8 wordt "SWI-centrum" vervangen door:
CWI.
F.
In artikel 8 wordt "SWI-centra" vervangen door: CWI’s.
G.
Na artikel 9 wordt een nieuw artikel toegevoegd, luidende:
Art. 10. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Samenwerkingsregeling SWI.
Art.
II.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari
1999.
Deze regeling zal met de toelichting in de
Staatscourant
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 27 mei 1998.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.
De Staatssecretaris voornoemd,
F.H.G. de Grave.
TOELICHTING
[27 mei 1998]
Inleiding
In de samenwerking tussen sociale diensten (van
gemeenten), arbeidsbureaus (van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie)
[zie Centrum voor werk en inkomen (CWI),
onderscheidenlijk Centrale organisatie werk en inkomen
(CWI), red.] en uitvoeringsinstellingen
sociale zekerheid (die werkzaamheden verrichten voor het Landelijk instituut sociale
verzekeringen [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.]) staat één doel
centraal: het zo snel en zo goed mogelijk aan werk helpen van een
werkzoekende.
Een eerste stap in het bepalen van de kortste weg naar werk is de zogenoemde fase-indeling,
die de uitkomst is van de beoordeling van de afstand tot de arbeidsmarkt (kans op
werk) van werkzoekenden en uitkeringsgerechtigden. De fase-indeling is met name
bedoeld als ondersteuning voor de cliënt om zelf werk te vinden of om zijn kans op werk te verbeteren.
In de praktijk is een ongewenste mate van verscheidenheid
in faseringsinstrumenten ontstaan, met als resultaat dat cliënten en
uitvoeringsorganen
worden geconfronteerd met uiteenlopende interpretaties ten aanzien van het arbeidsmarktperceptief
van de werkzoekende en de daarbinnen te nemen stappen.
Zoals in de nota van toelichting bij het Samenwerkingsbesluit SWI reeds was
aangekondigd, is thans door de bewindslieden van SZW gebruik gemaakt van de mogelijkheid, die dat
besluit biedt, om de kaders vast te stellen voor een uniforme en landelijk toe
te passen fase-indeling. Gekozen is voor aanvulling van de bestaande ministeriële regeling betreffende de
vaststelling van de werkzaamheden die in een CWI worden verricht en bepalingen
omtrent de inschakeling van werkzoekenden. Deze regeling van de Minister en de
Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid tezamen van 18 december 1997 is gepubliceerd in
Staatscourant 1997, 249. Gezien de omvang van de
ministeriële regeling en het feit dat regelmatig
naar deze regeling zal worden verwezen, is ervoor gekozen de aangevulde regeling thans
ook een officiële citeertitel te geven, te weten: Samenwerkingsregeling SWI.
De contouren van de inhoud van deze regeling zijn bij brief
van 24 april 1998 reeds ter kennis van de Tweede Kamer gebracht.
Voorgeschiedenis met betrekking tot de fase-indeling
De beoordeling van positie en
mogelijkheden
van een werkloze op de arbeidsmarkt vervult een sleutelrol in het SWI-proces. De uitkomst hiervan
heeft grote invloed op het verdere traject (inclusief in te zetten
instrumenten)
naar werk. Het principe van faseren is inmiddels algemeen aanvaard; de discussie gaat nu veel meer over de
wijze waarop het klantenbestand van arbeidsbureaus, sociale diensten en
uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid (uvi’s) moet worden ingedeeld, welke
criteria daaraan ten grondslag moeten liggen en welke consequenties dit heeft voor de
werkzoekende/uitkeringsgerechtigde.
Het is het gewenst dat de fase-indeling zo zorgvuldig en zo
objectief mogelijk gebeurt. In het kabinetsstandpunt SWI (Kamerstukken II 1996-1997, 25 000
XV,
nr. 57) en in de Sociale Nota 1998 (Kamerstukken II 1997-1998, 25 602, nr. 2) is aangegeven dat het kabinet hecht
aan een uniform landelijk instrument. Ook de Tweede Kamer heeft laten blijken
landelijke en uniforme toepassing van de fase-indeling wenselijk te vinden.
Ter voorbereiding op regelgeving met betrekking tot de
fase-indeling is in de afgelopen periode een nog onder verantwoordelijkheid van de
regiegroep SWI opgesteld voorlopig meetinstrument op een aantal lokaties beproefd.
Dit instrument heeft betrekking op de administratieve intake, waaronder begrepen de eerste globale
uitspraak over de kans op werk van de cliënt. Daarna zal voor een deel van de
cliënten, namelijk de geïndiceerden voor fase 2 of 3, nog een kwalificerende
intake plaatsvinden gericht op een nadere oriëntatie op de uit te zetten koers naar
werk. Hierbij zullen ook mogelijkheden tot zelfstandig ondernemerschap worden bezien. Voor
cliënten die op grond van de administratieve intake worden ingedeeld in fase 4 (wegens zware persoonlijke omstandigheden
- tijdelijk - niet kunnen deelnemen aan het arbeidsproces) bestaat tot op heden geen heldere afspraak over het
vervolgtraject. Vastgesteld is dat ook voor hen een vervolgbeoordeling vergelijkbaar met
de kwalificerende intake noodzakelijk is. Voor de kwalificerende intake zal eveneens sprake zijn van een landelijk
toe te passen benadering, die onderdeel vormt van de landelijk uniforme methode ter beoordeling van de kans
op werk van een werkzoekende. Over de wijze waarop de vervolgbeoordeling zal worden vormgegeven
alsmede
over de plaats waar deze vervolgbeoordeling zal worden uitgevoerd, zal nog nader worden besloten.
Bij de samenwerkende SWI-organisaties - de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
(Arbvo), het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) en de
Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG) - bestaat een breed draagvlak voor de invoering van één
landelijke
faseringssystematiek.
Ontwikkeling fase-indeling
Tijdens het onderzoek waarbij het nog onder verantwoordelijkheid van de
regiegroep SWI opgestelde voorlopige meetinstrument ten behoeve van de administratieve intake werd getoetst,
is gebleken dat het tijd vraagt om empirisch vast te stellen of het instrument
ook meet wat het beoogt te meten. Door het instrument breed toe te passen, kan op basis van analyse van
de bestandsgegevens worden nagegaan op welke punten het instrument dient te worden bijgesteld. Derhalve
betekent invoering van een uniforme fase-indeling niet alleen dat er concreet
invulling wordt gegeven aan een wezenlijk aspect van de samenwerking op het terrein van werk en inkomen,
maar tevens is het een noodzakelijke stap om de verdere ontwikkeling van het instrument mogelijk te maken. Dit
betreft met name de verdere validering en de automatisering van het
instrument.
Ten behoeve van de uniformiteit en transparantie is het van
belang dat de fase-indeling zo objectief mogelijk verloopt. Niet uit het oog dient te worden verloren dat met name sprake is van
een instrument voor werkzoekende en consulent bij het vinden van werk voor betrokkene. Dit
vraagt ruimte voor individuele afweging mede op basis van het professionele oordeel van de
consulent.
Gelet op het voorgaande is het gewenst dat de
samenwerkende partijen investeren in de professionaliteit van de intaker. De fase-indeling
(inclusief
het professionele oordeel) dient herleidbaar en zoveel mogelijk op objectieve gronden gebaseerd te zijn.
In artikel 5 is aangegeven dat de toepassing in de praktijk van de methode adequaat moet geschieden. Hieronder valt
ook de toepassing van de methode door de consulent in de individuele situatie. Deze moet onafhankelijk zijn
van institutionele en financiële belangen van de betrokken
uitvoeringsorganisaties.
Hoofdlijnen van de regelgeving
Doel van de regelgeving is te
bewerkstelligen dat de arbeidsmarktpositie van werkzoekenden, al dan niet
uitkeringsgerechtigd,
in Nederland op een uniforme en zo objectief mogelijke wijze wordt beoordeeld door de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie, gemeenten en het
Lisv. De werkzoekende blijft zelf in eerste instantie
verantwoordelijk voor het vinden van werk. Aan de fase-indeling op zich kan de cliënt geen rechten ontlenen.
Deze indeling is op zich immers niet op rechtsgevolgen gericht.
In de regeling is bepaald dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, het
Lisv en de VNG een uniforme fase-indelingsmethode ontwikkelen en dat die methode door de samenwerkende
partijen
op lokaal of regionaal niveau moet worden toegepast. In deze regeling zijn onder andere criteria
vastgelegd
waaraan de uniforme methode moet voldoen. Gelet op de
verantwoordelijkheidsverdeling
tussen de samenwerkende partijen en de landelijke overheid is ervoor gekozen de
regelgeving te beperken tot een aantal aangegeven kaders. Hiertoe behoren de volgende zaken:
1. definiëring van de fases waarin de kans op werk (afstand tot de
arbeidsmarkt)
en de daarmee samenhangende dienstverlening voor de werkzoekende worden uitgedrukt
(artikel 4 van de regeling);
2. vaststelling van de gronden die bij de fase-indeling in aanmerking dienen te worden genomen
(artikel 5 van de
regeling);
3. geldigheid van de indeling in relatie tot herbeoordelingsmomenten (artikel 6 van de regeling);
4. de bevoegdheid tot het vaststellen van de fase-indelingsmethode door het Centraal Bestuur voor de
Arbeidsvoorziening met instemming van het Lisv en de VNG (artikel
4, derde lid);
5. de toepassing van deze methode door de samenwerkende partijen (artikel
4, tweede lid).
Ad 1. Definiëring van de fases waarin de kans op werk
(afstand tot de arbeidsmarkt) en de daarmee samenhangende dienstverlening voor een
werkzoekende worden uitgedrukt
Teneinde effectieve en efficiënte dienstverlening te kunnen
bieden, is het noodzakelijk dat de kans op werk voor iedere werkzoekende in Nederland vergelijkbaar wordt
vastgelegd. Dit kan worden bereikt door indeling in een viertal fases voor te
schrijven, waarin de kans op werk wordt uitgedrukt. Zoals hiervoor reeds opgemerkt, kan de
cliënt aan deze indeling geen recht op dienstverlening ontlenen.
Mede dankzij de inspanningen van de regiegroep SWI is
eerder een grote mate van overeenstemming bereikt tussen de samenwerkende partijen
over de contouren voor een fase-indeling die werkzoekenden indeelt naar hun afstand tot de arbeidsmarkt. In de
regeling is voortgebouwd op de fase-indeling zoals die door de regiegroep SWI is ontwikkeld. Dit leidt ertoe dat
de arbeidsmarktpositie van een werkzoekende in Nederland zal worden uitgedrukt
in één van de volgende fases:
Fase 1.
De kans op werk is zodanig dat de werkzoekende geacht
wordt direct bemiddelbaar te zijn naar de arbeidsmarkt. Desgewenst kan hij gebruik
maken van het arbeidsmarktinstrumentarium dat voor deze groep beschikbaar is (informatie en advies,
verwijzing naar vacatures).
Fase 2.
De kans op werk behoeft enige verbetering. De
werkzoekende wordt geacht met inzet van het daarop gerichte arbeidsmarktinstrumentarium
(bijvoorbeeld
sollicitatietraining, omscholingscursus) binnen een termijn van maximaal één jaar bemiddelbaar te zijn
naar werk.
Fase 3.
De kans op werk behoeft ruime verbetering. De
werkzoekende wordt geacht niet eerder dan na één jaar met geordende en geschakelde inzet van het
daarop gerichte arbeidsmarktinstrumentarium (bijvoorbeeld intensieve training/begeleiding, inzet
Wiw-instrumentarium) bemiddelbaar te zijn naar werk.
Fase 4.
Van een kans op werk is (op een bepaald moment)
nauwelijks sprake. De werkzoekende kent grote persoonlijke belemmeringen die het verkrijgen
van werk binnen afzienbare termijn in de weg staan. De betrokkene is in eerste
instantie aangewezen op instrumenten die voorzien in een bepaalde vorm van activering, hulp of zorg,
leidend tot een zodanige verbetering van de persoonlijke situatie dat weer gesproken kan worden over een reëel
perspectief op uitstroom naar werk.
In bepaalde gevallen zal voor uitkeringsgerechtigden sprake kunnen zijn van vrijstelling of ontheffing van de
arbeidsverplichtingen. Dit kan leiden tot consequenties met betrekking tot de fase-indeling.
In het kader van de Algemene
bijstandswet (Abw) is het
college van burgemeester en wethouders (B&W) gerechtigd om ontheffing van de
arbeidsverplichtingen te verlenen aan een Abw-uitkeringsgerechtigde om redenen
van medische of sociale aard.
Het ligt in de rede in dat geval besluitvorming van B&W
over eventuele ontheffing om redenen van medische of sociale aard te laten aansluiten
op de uitkomsten van de fase-indeling. Immers bij de fase-indeling blijkt in eerste
instantie in hoeverre sprake is van grote persoonlijke belemmeringen om regulier werk te kunnen
aanvaarden.
Voorts kan voor een uitkeringsgerechtigde sprake zijn van
een landelijk geldende formele vrijstelling van de arbeidsverplichtingen.
Dit is het geval bij Abw-gerechtigden met een volledige
verzorgende taak voor kinderen jonger dan vijf jaar, bij uitkeringsgerechtigden ouder dan 57,5
jaar, bij uitkeringsgerechtigden die volledig arbeidsongeschikt zijn verklaard en bij
WW-uitkeringsgerechtigden die
door verkorting van de werktijd dan wel als gevolg van weersomstandigheden werkloos zijn.
Wanneer dit het geval is maar de van de arbeidsverplichting vrijgestelde
uitkeringsgerechtigde maakt bij het aanvragen van een uitkering zijn wens tot
werken kenbaar, dient deze persoon niet automatisch in fase 4 te worden ingedeeld. In dat geval zal het reële
arbeidsmarktperspectief in kaart worden gebracht. Ten slotte kan zich de situatie voordoen dat een
werkzoekende niet op de hoogte is van de landelijk geldende formele vrijstelling. In dat
geval zal hem nadrukkelijk worden gevraagd of van het recht op vrijstelling van de arbeidsverplichting wel of
geen gebruik zal worden gemaakt.
Wanneer de betrokkene geen gebruik wenst te maken van
de vrijstelling, zal het reële arbeidsmarktperspectief in kaart worden gebracht.
Omdat het wenselijk is over volledige kwantitatieve en
kwalitatieve informatie te kunnen beschikken met betrekking tot de fase-indeling, zal deze door
de samenwerkende partijen zo worden vormgegeven dat personen die daadwerkelijk
recht doen gelden op landelijke vrijstelling van de arbeidsverplichtingen te allen
tijde als zodanig traceerbaar zijn in het bestand.
De fase-indeling is vastgelegd in artikel
4, eerste lid, van de
regeling.
Ad 2. Vaststelling van de gronden die bij de fase-indeling in
aanmerking dienen te worden genomen
Alvorens
tot een indeling in één van de vier fases te
kunnen komen, is sprake van een afwegingsproces. De wijze waarop dit plaatsvindt, beschouwen wij in hoge
mate als een deskundigheid van de samenwerkende partijen. Gelet op de eerder genoemde effecten van de
fase-indeling is zorgvuldigheid geboden. Derhalve is het gewenst dat de
volgende
gronden in beschouwing worden genomen:
- het opleidingsniveau;
- de werkervaring;
- de sociale redzaamheid;
- de motivatie en flexibiliteit;
- de (geografische) mobiliteit;
- het beroep van inschrijving (in samenhang met regelgeving rond passende arbeid);
- (lichamelijke/psychische) belemmeringen om werk te kunnen aanvaarden (hieronder worden ook verstaan
belemmeringen op grond waarvan sprake is van een arbeidshandicap als bedoeld in de
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten);
- de terugkoppeling van informatie aan de werkzoekende.
Bovenvermelde gronden zullen steeds zorgvuldig moeten
worden afgewogen tegen de achtergrond van de mogelijkheden en beperkingen op basis van actuele
arbeidsmarktinformatie.
Bij inschrijving/herbeoordeling van een werkzoekende
moet breed worden verkend welke mogelijkheden er zijn voor het vinden van werk in
andere beroepen dan de beroepsgroep waarin de betreffende persoon tot dat moment werkzaam is geweest, ook al
is daarbij sprake van mobiliteit buiten de eigen woonplaats (zie Richtlijn
passende arbeid 1996).
Daarnaast is het van belang dat voorkomen wordt dat
onnodig mensen in fase 4 worden ingedeeld. Dit kan in het bijzonder cliënten betreffen met
een slecht arbeidsmarktperspectief waarbij sprake is van voldoende arbeidsmarktkwalificaties en
persoonlijke
kwalificaties.
De zogenoemde objectieve persoonskenmerken van een
werkzoekende: leeftijd, geslacht, etniciteit/nationaliteit en werkloosheidsduur worden in deze regeling niet als
beoordelingsgronden genoemd. Het gaat hierbij om zaken die bij een objectieve
beoordeling
van de competenties van een werkzoekende (beroepsperspectief, arbeidsmarktkwalificaties en
persoonlijke
kwalificaties) geen rol zouden mogen spelen.
Wanneer echter direct of na verloop van tijd blijkt dat met
name één of meerdere van deze factoren een drempel veroorzaken om voor bepaalde
vacatures in aanmerking te komen, dan kan, als daartoe gegronde redenen zijn, dat
leiden tot een aanpassing op de aanvankelijke fase-indeling.
Ad 3. Geldigheid van de indeling in relatie tot
herbeoordelingsmomenten
De grote betrokkenheid van
samenwerkende partijen bij
zowel de regeling als het te ontwikkelen fase-indelingsinstrument maken het verantwoord in de
regeling vast te leggen dat de uitkomsten van de fase-indeling het uitgangspunt vormen
voor de verdere inzet van het arbeidsmarkt-, activerings- en
zorginstrumentarium, teneinde een efficiënte dienstverlening te bevorderen. Dat de fase-indeling het uitgangspunt vormt voor de verdere inzet van het
instrumentarium betekent niet dat bij die inzet van het instrumentarium nooit
van de fase-indeling kan worden afgeweken. Wel is het de bedoeling een dergelijke afwijking
gemotiveerd te laten plaatsvinden. Ook sluit deze formulering niet uit dat een scholingstraject wordt
aangeboden aan een werkzoekende die is ingedeeld in fase 1, als de
arbeidsmarktsituatie dat vereist.
Uiteraard is de arbeidsmarktpositie van een werkzoekende
onderhevig aan verandering. Deze veranderingen zullen hun weerslag kunnen hebben
op de fase-indeling. Om zowel ten behoeve van betrokkene zelf als ten behoeve van
de uitvoerende organisatie te kunnen beschikken over een zo actueel mogelijk beeld van het
perspectief
op werk zal de kans op werk van een cliënt periodiek worden herbeoordeeld. Zo nodig zal op basis
hiervan
de fase-indeling voor betrokkene worden aangepast. Het moment van herbeoordeling kan worden
gekoppeld
aan bestaande reguliere dienstverleningsmomenten.
Vooralsnog is ervoor gekozen geen minimumfrequentie van
de herbeoordeling aan partijen op te leggen.
Ad 4. De bevoegdheid tot het vaststellen van de
fase-indelingsmethode door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, Lisv en VNG
De
hiervoor beschreven fase-indeling alsmede de gronden
waarop tot die fase-indeling wordt gekomen, dienen te worden vertaald in een
concrete
op de praktijk afgestemde fase-indelingsmethode. Hierin ligt een taak voor de uitvoerende instanties op
grond van hun eigen specifieke deskundigheden. Een taak die logisch aansluit op de
inspanningen die zij zich inmiddels op het terrein van de fase-indeling hebben getroost. Zij
beschikken
immers over de kennis van uitvoeringszaken die hiervoor vereist is. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie,
VNG
en Lisv zijn in de regeling gezamenlijk aangewezen om tot een landelijk toe te passen fase-indelingsmethode te
komen, met inachtneming van de ervaringen opgedaan in de praktijksituatie. De fase-indelingsmethode zal tot
stand komen in nauwe samenwerking met het Procesmanagement SWI.
Bij de totstandkoming van de Arbeidsvoorzieningswet 1996
heeft de regering er destijds voor gekozen de omschrijving of definiëring van de
fase-indeling van werkzoekende niet in die wet te regelen. Dit met name omdat de materiële
inhoud daarvan aan verandering onderhevig is. Vastlegging in de wet zou tot
verstarring
kunnen leiden of steeds tot wetswijziging. Dat zonder nadere indeling soms nadere interpretatie nodig zou
zijn, werd door de regering erkend. De regering achtte dit destijds toelaatbaar
en niet op gespannen voet staan met de rechtsgelijkheid.
In het kader van de samenwerking werk en inkomen
hebben partijen thans laten blijken het wenselijk te vinden dat een landelijk uniform
faseringsinstrument wordt gehanteerd. Mede gelet hierop kunnen nu in een ministeriële regeling kaders worden
vastgesteld om dit voor partijen mogelijk te maken. Een ministeriële regeling
biedt daarbij het voordeel dat desgewenst snel aanpassing kan plaatsvinden.
De in artikel 4, eerste lid, aangegeven fase-indeling vormt
het vertrekpunt voor partijen om tot een landelijk uniforme methode van fase-indeling te
komen. Uitgangspunt bij de vaststelling van de landelijk uniforme methode is dat de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie, conform de Arbeidsvoorzieningswet 1996, de fase-indeling,
bedoeld in artikel 71, tweede lid, onderdeel b, op grond van artikel 74 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996
vaststelt
(en op grond van artikel 94 van die wet ook publiceert in de Staatscourant). Indien het Lisv en de
VNG met de nadere regels instemmen, zijn deze regels die onder
verantwoordelijkheid
van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn vastgesteld de landelijke uniforme
methode, bedoeld in deze
regeling. Van die instemming moet de Arbeidsvoorzieningsorganisatie mededeling
doen in de te publiceren nadere regels.
Toepassing van de landelijk uniforme methode van
fase-indeling is opgelegd aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, het Lisv (met de
uvi’s) en
de gemeenten. Dit is ook noodzakelijk wil de uitvoering daarvan, zoals al in de
ministeriële regeling was geregeld, in de CWI’s kunnen plaatsvinden. Over de
wijze waarop de fase-indeling wordt toegepast (waar en door wie), dienen in het kader van de
samenwerkingsovereenkomst (dus vóór het eind van het jaar) afspraken te zijn gemaakt
tussen
de op regionaal niveau samenwerkende partijen.
Speciale aandacht zal hierbij nodig zijn voor de afstemming
van het instrument op bestaande wet- en regelgeving, zoals op het terrein van
informatieverstrekking en privacybescherming. Zo zullen bij de fase-indeling
niet meer gegevens mogen worden geregistreerd dan voor die indeling noodzakelijk is. De
Arbeidsvoorzieningsorganisatie heeft met betrekking tot de gegevens die worden
vastgelegd
in haar registratie reeds nadere regels gesteld op grond van artikel 74, tweede lid, van de
Arbeidsvoorzieningswet
1996; het zogenoemde PGI-reglement (Stcrt. 1997, 97). De
Arbeidsvoorzieningsorganisatie zal
moeten bezien of aanpassing van dit reglement gelet op deze ministeriële regeling noodzakelijk is.
Artikel 4 regelt dat de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie, het Lisv en de VNG gezamenlijk een methode ontwikkelen
om te komen tot een uniforme indeling van werkzoekenden in één van de vier hierboven beschreven fasen.
Partijen hebben hiertoe reeds een methode ontwikkeld en beproefd voor de administratieve intake (de indeling
in fase 1, 4 of nader te bepalen). Deze methode zal in een verbeterde vorm de landelijk uniforme methode van
fase-indeling van werkzoekenden zijn. Partijen zullen echter ook een uniforme
werkwijze toe gaan passen bij de kwalificerende intake. In de kwalificerende intake wordt beoordeeld of een
werkzoekende wordt ingedeeld in fase 2 dan wel in fase 3.
Hoewel in de regelgeving het gebruik van deze methode is
voorgeschreven, maakt het concrete instrument zelf geen deel uit van de
regeling.
De vormgeving, alsook het beheer en de verdere ontwikkeling van het instrument zijn een
verantwoordelijkheid van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, die voor aanpassing van
de landelijk uniforme methode weer instemming nodig heeft van de andere partijen.
Een permanente monitor is nodig om de ontwikkelingen
met betrekking tot de validiteit van het fase-indelingsinstrument te volgen, zodat het
instrument
periodiek kan worden aangepast aan de nieuwe feiten en inzichten. Aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, het
Lisv en de VNG zal worden gevraagd voor monitoring zorg te dragen en vóór 1 januari 2001 aan de
minister
een verslag te zenden over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van het fase-indelingsinstrument.
Deze ministeriële regeling beoogt kaders te stellen voor het
geheel van de fase-indeling, die zowel de administratieve als een eventuele
kwalificerende intake omvat.
Volgtijdelijk zullen samenwerkende partijen, in nauwe
samenwerking met het Procesmanagement SWI, zorg dragen voor de ontwikkeling van een
landelijk
toe te passen, uniform instrument voor de administratieve intake waarbij sprake is van een globale
fasering
in de fases 1, 4 of "nader te bepalen" en daarna een instrument voor de kwalificerende intake (met als
resultaat
indeling in fase 2 of 3 van de groep "nader te bepalen") en, indien daartoe
besloten wordt, voor de vervolgbeoordeling van de cliënten die bij de globale fasering zijn ingedeeld in
fase 4. Bij de ontwikkeling van het instrument voor de administratieve intake vormt de beproefde Meetlat
(het Voorlopig Meetinstrument Afstand
tot de Arbeidsmarkt, vastgesteld door de regiegroep SWI, juli 1997) (inclusief
de wijzigingen naar aanleiding van de gehouden proef) het uitgangspunt. Bij de kwalificerende intake
worden de werkzoekenden waarvan eerder is vastgesteld dat de fase-indeling nadere
bepaling behoeft, ingedeeld in fase 2 of fase 3 op basis van een diepgaande analyse van
de beoordelingsgronden voor de vaststelling van het arbeidsmarktperspectief, de
arbeidsmarktkwalificaties
en de persoonlijke kwalificaties van de werkzoekende (waaronder eventuele mogelijkheden tot het
vervullen
van zelfstandig ondernemerschap).
Bij de vervolgbeoordeling van de cliënt die in fase 4 is
ingedeeld, zal sprake zijn van een zorgvuldige en intensieve analyse van de persoonlijke
omstandigheden
van de cliënt en zal een uitspraak worden gedaan over het perspectief dat - op termijn
- leidt tot arbeids- of
maatschappelijke participatie en het daarvoor geschikte instrumentarium.
Bij de fase-indeling zal dus in de praktijk gebruik kunnen
worden gemaakt van twee, naar diepgang, te onderscheiden instrumenten.
Hoewel beide instrumenten met ingang van 1 januari 1999
worden toegepast, zal de vaststelling daarvan afzonderlijk kunnen plaatsvinden.
Zoals het zich laat aanzien, zal het instrument voor de administratieve intake
reeds vóór de zomer van 1998 worden vastgesteld. De uitvoerende organisaties hebben zo tot 1 januari 1999 de
tijd om zich voor te bereiden op de invoering van het
fase-indelingsinstrumentarium
(voor administratieve en kwalificerende intake).
De fase-indeling zal onderdeel uitmaken van de
gezamenlijke intakemodule die wordt ontwikkeld binnen het elektronisch klantvolgsysteem van
SWI: het CliëntVolgCommunicatieStelsel (CVCS). Dit zal op termijn
bijdragen aan de uniforme toepassing van de fase-indeling. Het streven is het
instrument als onderdeel van de CVCS-intakemodule per 1 januari 1999 beschikbaar te
hebben.
Ad 5. De toepassing van deze methode door de samenwerkende partijen
De door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie met
instemming van VNG en Lisv vastgestelde
fase-indelingsmethode zal door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
worden gepubliceerd in de Staatscourant, zodat belanghebbenden daarvan kennis
kunnen nemen. In de regeling is vastgelegd dat uitsluitend deze methode zal worden
toegepast
door de samenwerkende partijen bij de fase-indeling van werkzoekenden.
Bij de toepassing van de concrete fase-indelingsmethode
moet worden gewaarborgd dat institutionele en financiële belangen geen rol kunnen
spelen bij de individuele beslissing met betrekking tot de fase-indeling, zodat
de consulent in onafhankelijkheid tot zijn professionele oordeel kan komen. Deze voorwaarde stelt eisen aan de
organisatie van het beoordelingsproces binnen CWI en de wijze van aansturing door het
CWI-management. In
aanvulling daarop zijn er naast uiteraard het toezicht op de rechtmatigheid,
verschillende - elkaar niet uitsluitende - opties denkbaar om ongewenste
beïnvloeding
van de fase-indeling op basis van dergelijke belangen te signaleren, zoals intercollegiale toetsing, het
onderling vergelijken van de verschillende regio’s en dergelijke.
Klachtrecht met betrekking tot de fase-indeling
De indeling in een fase is niet op rechtsgevolgen gericht,
om die reden is geen bezwaar of beroep mogelijk tegen die indeling. Bezwaar of beroep
is eerst mogelijk zodra bijvoorbeeld de werkzoekende een Wiw-verklaring wordt
onthouden of indien een
verzoek
om in aanmerking te komen voor een bepaald scholingstraject wordt afgewezen. Wel kunnen klachten
worden
ingediend in verband met de fase-indeling.
In het Samenwerkingsbesluit SWI is als één van de
onderwerpen opgenomen waarover in ieder geval afspraken moeten worden gemaakt: de wijze
waarop klachten met betrekking tot de fase-indeling (als bedoeld in artikel 71, tweede lid, onderdeel
b, van de Arbeidsvoorzieningswet 1996) worden behandeld en afstemming van deze klachtenbehandeling op de
behandeling van bezwaar en beroep tegen de besluiten van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie op grond van artikel 12 van de Wet inschakeling
werkzoekenden.
Zoals dit ook voor de andere onderwerpen die het
Samenwerkingsbesluit SWI benoemt geldt, gaat ook hier het voorschrift niet verder dan de
verplichting
over de klachtenbehandeling afspraken te maken. Het gaat met name om de vraag hoe en waar
iemand een klacht kan indienen. De precieze invulling van een dergelijke
"klachtenregeling" wordt aan de
samenwerkende partijen overgelaten. In de nota van toelichting bij het Samenwerkingsbesluit SWI is wel de
suggestie gedaan om in het samenwerkingsverband een klachtencommissie te installeren die beoordeelt of de
indeling op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Partijen kunnen echter ook
tot andere afspraken komen.
Op dit moment is er nog geen zicht op hoe de afspraken op
dit punt zich in de praktijk ontwikkelen. De samenwerkende partijen hebben in beginsel
tot 31 december 1998 de tijd om de afspraken over de klachtenbehandeling vorm te geven. Het
Procesmanagement zal vóór de zomer in overleg met de landelijke partijen een
modelklachtenregeling voor CWI’s ontwikkelen en daarbij ook aandacht besteden
aan de relatie met bezwaar- en beroepsprocedures in het kader van de
Wiw-verklaring. Het kan niet anders
zijn dan een model: een dergelijk document is bedoeld om partijen te ondersteunen, maar is niet bindend
van aard.
SWI en CWI
Naast het
Samenwerkingsbesluit SWI bestaat nu ook de
Samenwerkingsregeling SWI. De accommodaties waarin alle door de minister in de
Samenwerkingsregeling SWI vastgestelde werkzaamheden ter uitvoering van wetten in
gezamenlijke afstemming worden verricht, zijn in het Samenwerkingsbesluit SWI aangeduid als SWI-centrum.
In de praktijk wordt echter niet de naam SWI-centrum maar CWI gebruikt. CWI staat voor Centrum voor
werk en inkomen. Wij hechten eraan in de wetgeving de terminologie te volgen die ook in de praktijk wordt
gebruikt. In de Samenwerkingsregeling SWI is er dan ook voor gekozen de centra
aan te duiden als CWI. Het Samenwerkingsbesluit SWI dat thans nog de oude terminologie
SWI-centrum
hanteert, zal hierop binnenkort eveneens worden aangepast.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel I, onderdeel A tot en met
C, E en F
Deze
onderdelen hangen samen met de hierboven reeds
toegelichte formele wijziging in de naamgeving van Centra voor werk en inkomen.
In artikel I, onderdeel A
(artikel 1, onderdeel d, van de regeling)
is een definitie opgenomen van het begrip arbeidsmarktinstumenten.
Arbeidsmarktinstrumenten zijn het geheel van activiteiten
dat in verband met de toeleiding naar werk van een werkzoekende wordt ingezet. Dit
varieert van verwijzing naar vacatures en korte sollicitatietrainingen tot meer
langdurige werkervaringsprojecten.
Artikel I, onderdeel D
In
onderdeel D worden aan de bestaande ministeriële
regeling vier nieuwe artikelen toegevoegd. Artikel 4 betreft de uniforme beoordeling van de positie van
werkzoekenden op de arbeidsmarkt. Artikel 5 stelt nadere eisen aan de
fase-indeling.
Artikel 6 betreft de periodieke herbeoordeling van de fase-indeling. Artikel 7
ten slotte
bevat een opdracht tot het uitvoeren van een evaluatie van de methode om te komen tot de
fase-indeling. Op genoemde artikelen wordt thans nader ingegaan.
Artikel 4
Artikel
4, eerste lid, regelt dat door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie,
de gemeenten of het Lisv de kans op werk van de werkzoekende wordt beoordeeld.
Vervolgens wordt onderzocht op welke wijze die kans op werk kan worden verbeterd en
ten slotte
wordt iedere werkzoekende ingedeeld in één van de vier nader aangegeven fasen. Deze werkzaamheden worden
verricht in een CWI. Dit is geregeld in artikel 3 van de bestaande ministeriële
regeling (thans de Samenwerkingsregeling SWI). Daar waar CWI’s nog niet tot stand zijn gekomen,
vinden de werkzaamheden nog plaats bij één van de afzonderlijke partijen. De partij die
de fase-indeling heeft vastgesteld, moet die indeling in het kader van de samenwerking tussen partijen zo snel
mogelijk beschikbaar stellen aan de andere partijen, zodat elke partij bij de uitvoering van wettelijke voorschriften
waarbij de fase-indeling van belang is met dezelfde gegevens werkt en dezelfde fase-indeling hanteert. Het
ter kennis brengen van informatie aan de andere partij kan ook gerealiseerd worden door gebruikmaking van
hetzelfde
geautomatiseerde systeem. Daarbij moet uiteraard wel worden voldaan aan de geldende
privacywaarborgen
voor de cliënt, waardoor alleen bevoegde personen toegang hebben tot die gegevens.
In artikel 4, eerste lid, zijn vier fasen opgesomd. Iedere
werkzoekende die zich bij één der partijen meldt, wordt in één van de vier fasen ingedeeld. De
fase-indeling is in het algemeen deel reeds toegelicht.
In het tweede lid van artikel 4 is aangegeven dat de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie, het Lisv en de VNG een landelijk uniforme methode van fase-indeling
hanteren en dat die indeling voor partijen het uitgangspunt vormt bij de verdere inzet van het
instrumentarium van de partijen.
In het derde lid is aangegeven dat de nadere regels die het
Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening op grond van de
Arbeidsvoorzieningswet
1996 reeds moet stellen met betrekking tot de administratieve indeling van werkzoekenden de landelijk
uniforme methode van fase-indeling is, indien het Lisv en de VNG met die nadere
regels instemmen.
Die instemming zal op bestuurlijk niveau moeten blijken.
De Arbeidsvoorzieningsorganisatie is in het vierde lid opgedragen bij de publicatie van de
nadere regels op grond van artikel 74 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 met betrekking tot artikel 71, tweede
lid, onderdeel b, het oordeel van het Lisv en de VNG over de nadere regels te vermelden. Indien dit oordeel
positief
is, zijn de door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie vastgestelde nadere regels de landelijk uniforme methode
van fase-indeling die deze regeling vereist. Als het oordeel van Lisv of VNG negatief is, zijn de door de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie vastgestelde nadere regels niet de landelijk
uniforme
methode die deze regels vereist. In die situatie zal via het Procesmanagement
en bestuurlijk overleg worden geprobeerd alsnog tot een landelijk uniforme methode te
komen.
Op grond van artikel 95 van de Arbeidsvoorzieningswet
1996 is het Centraal Bestuur gehouden de nadere regels met betrekking tot de
fase-indeling
in de Staatscourant te publiceren. Hierdoor kan een ieder kennis nemen van de methode.
Artikel 5
In
artikel 5, eerste lid, is in algemene bewoordingen
aangegeven dat de landelijk uniforme methode voldoende waarborgen biedt voor een
zorgvuldige beoordeling van de kans op werk van de werkzoekende en de daaruit voortvloeiende fase-indeling
en dat ook de toepassing van die methode in de praktijk adequaat geschiedt. Zo zal
bijvoorbeeld bij werkzoekenden die worden ingedeeld in fase 4 een vervolggesprek noodzakelijk zijn om te kunnen
beoordelen op welke wijze met hulp van zorg hun eigen positie kan worden verbeterd.
Ook moet door partijen worden gedacht aan een adequate klachtenregeling. Niet
alleen in de situatie dat de werkzoekende zich niet kan vinden in de door partijen gegeven beoordeling
van zijn kans op werk (en de daaruit voortvloeiende fase-indeling), maar ook in verband met bejegening van de
werkzoekenden door partijen.
De werkzoekende wordt op grond van artikel 77 van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996 kosteloos een bewijs van registratie verstrekt. Het
Centraal
Bestuur voor de Arbeidsvoorziening stelt regels ten aanzien van de gegevens die daarin worden
vermeld.
Een meer concrete uitwerking van dit deel van het
algemene zorgvuldigheidsbeginsel bij het vaststellen van de methode is neergelegd in het tweede
lid. Het tweede lid bevat de elementen die door partijen in ieder geval moeten
worden opgenomen in de landelijk uniforme methode. Partijen mogen ook met elkaar afspreken meer
elementen
in de methode mee te nemen. Het tweede lid is niet meer dan een minimumpakket.
Daarnaast heeft het zorgvuldigheidsbeginsel
betrekking op de onafhankelijke toepassing van de methode door de consulent in individuele gevallen,
los van institutionele en financiële belangen van de betrokken
uitvoeringsorganisaties
bij de uitkomsten van de fase-indeling, zoals bedoeld in de toelichting hierboven
onder ad 5.
Artikel 6
Artikel
6 bepaalt dat de kans op werk van een
werkzoekende periodiek moet worden herbeoordeeld. Daarbij zal ook steeds aan de orde
moeten zijn of de fase-indeling nog correspondeert met de kans op werk van de werkzoekende op de
arbeidsmarkt.
De fase-indeling wordt aangepast zodra daartoe aanleiding bestaat.
Herbeoordeling van een werkzoekende zal in ieder geval
aan de orde zijn nadat een arbeidsmarktinstrument is toegepast.
Artikel 7
Artikel
8 [artikel 7, red.] legt partijen de verplichting op vastgestelde
landelijk uniforme methode vóór 1 januari 2001 te evalueren. Het gaat daarbij om de
doeltreffendheid van de methode en de effecten van de methode in de praktijk. Uit
de evaluatie kunnen signalen naar boven komen die nopen tot aanpassing van de vastgestelde
methode.
Overigens zou ook eerder kunnen blijken dat partijen de methode willen bijstellen. Bijstelling moet echter om
de toepassing van de methode in de praktijk hanteerbaar te houden zo min mogelijk plaatsvinden.
Artikel II
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari
1999.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave.
|
|