|
REGELING houdende vaststelling van het bedrag als bedoeld in
artikel 78b van de Algemene bijstandswet en enige andere wetten (Regeling
terugvordering geringe bedragen)
22 december 1997/nr. SV/UB/97/4302
Directie Sociale Verzekeringen
De Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen
78b van de
Algemene bijstandswet,
25b van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, 25b
van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, 36
van de Werkloosheidswet, 33
van de Ziektewet, 57
van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, 48 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, 20
van de
Toeslagenwet, 24
van de Algemene
Ouderdomswet, 24
van de Algemene
Kinderbijslagwet, 53
van de Algemene
nabestaandenwet, 63
van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen en 55
van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten;
Besluit:
Art. 1.
[Geen verplichte terugvordering tot €|113,00 op
jaarbasis]
Het bedrag als bedoeld in de artikelen 36
van de
Werkloosheidswet, 35
van de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen, 33
van de Ziektewet, 57
van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
77 van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen, 48 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, 20
van de
Toeslagenwet, 24
van de
Algemene Ouderdomswet, 24
van de Algemene
Kinderbijslagwet, 53
van
de Algemene nabestaandenwet, 63
van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen,
2:59 of 3:56
van de
Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten
en
35
van
de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten is €|113,00
op jaarbasis.
Art. 1a.
[Grondslag regeling]
Deze regeling berust mede op artikel 35, vierde lid, van de
Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen.
Art. 2.
[Inwerkingtreding]
Indien het bij koninklijke boodschap van 29 september 1997 ingediende voorstel van wet houdende
nadere wijziging van een
aantal socialezekerheidswetten en enige andere wetten, houdende wijziging/intrekking van de
Wet
Werkloosheidsvoorziening,
eenvormige definiëring van de term gezamenlijke huishouding en
technische alsmede enige andere wijzigingen (Veegwet
SZW 1997) (Kamerstukken II 1997-1998, 25 641) tot wet wordt verheven en in
werking treedt, treedt deze regeling op hetzelfde tijdstip in
werking.¹
1. Ingevolge artikel
LXXII, eerste lid, van de Veegwet SZW
1997 is het tijdstip van inwerkingtreding bepaald op 31
december 1997, red.
Art. 3.
[Citeertitel]
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling terugvordering
geringe bedragen.
Deze regeling zal met de toelichting
in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 22 december 1997.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave.
TOELICHTING
[22 december 1997]
In de Veegwet SZW 1997 (Kamerstukken II 1997-1998, 25
641) is in hoofdstuk IV een wijziging van een aantal wetten opgenomen, houdende dat
gemeenten,
de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] de bevoegdheid hebben om van de verplichte terugvordering af te
zien indien het terug te
vorderen bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet
te boven gaat. Voor de gemeenten gaat het om een formalisering van een reeds bestaande
praktijk die
gebaseerd is op de circulaire van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 september 1992
(nr. AUB/14218). Voor de SVB en het Lisv gaat het om een nieuwe bevoegdheid.
In deze regeling wordt bepaald dat de gemeenten, de
SVB
en het Lisv van verplichte terugvordering af mogen afzien indien het terug te vorderen
bedrag het bedrag van ƒ250,- (op jaarbasis) niet te boven gaat. Uitgangspunt blijft dat
een uitvoeringsorgaan gehouden is om onverschuldigd betaalde uitkeringen
terug- en
in te vorderen en daartoe ook zijn incassomogelijkheden aanwendt. Indien terug- en
invordering onder de ƒ250,- niet mogelijk dan wel ondoelmatig blijkt te zijn, kan het
uitvoeringsorgaan besluiten van terugvordering af te zien. Het moment waarop in
het uitvoeringsproces gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om van terugvordering af te zien, is
ter beoordeling aan het uitvoeringsorgaan. De uitvoeringsorganen dienen in dit
verband zorg te dragen voor een adequate debiteurenadministratie.
De Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave.
|
|