|
31 januari 2000/nr. BZ/ACT/99/79049
Directie Bijstandszaken
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 3 van de Kaderwet
SZW-subsidies;
Besluit:
Art. 1.
[Eenmalige subsidie sociale activering]
-1. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan aan
gemeenten subsidie verstrekken voor de (verdere) ontwikkeling van beleid
en infrastructuur van sociale activering als bedoeld in artikel
3,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet inschakeling
werkzoekenden
ten behoeve van in de gemeenten woonachtige langdurig werklozen,
uitkeringsgerechtigden en jongeren als bedoeld in artikel 1 van de Wet
inschakeling werkzoekenden.
-2. De subsidie wordt eenmalig verstrekt per gemeente en bedraagt
maximaal ƒ100 000,00.¹
1. Raadpleeg voor het eurobedrag het supplement
"Aanpassingsregelingen euro" bij Staatscourant 2001,
214, red.
Art. 2. [Subsidieaanvraag]
-1. De aanvraag om subsidie wordt ingediend vóór 1 juli 2000.
-2. Subsidie wordt alleen verstrekt indien de activiteiten waar de
uitgaven betrekking op hebben, plaatsvinden vóór 1 juli 2002.
Art. 3. [Niet
van toepassing]
Deze regeling is niet van toepassing op de gemeenten Amsterdam, Den
Haag, Rotterdam en Utrecht.
Art. 4. [Toepasselijkheid
Algemene Regeling SZW-subsidies]
De Algemene Regeling SZW-subsidies is, met uitzondering van artikel 6,
eerste lid, onderdeel a en c, van toepassing op
subsidieverstrekking op grond van deze regeling voor zover daarvan in de
beschikking tot subsidieverlening niet wordt afgeweken.
Art. 5. [Subsidiebudget]
Het totaalbedrag dat beschikbaar is voor subsidies, bedoeld in artikel
1, eerste lid, is ƒ40 000 000,00.¹
1. Raadpleeg voor het eurobedrag het supplement
"Aanpassingsregelingen euro" bij Staatscourant 2001,
214, red.
Art. 6. [Inwerkingtreding]
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Art. 7. [Citeertitel]
Deze regeling wordt aangehaald als: Stimuleringsregeling sociale
activering.
Deze regeling zal met de toelichting in de
Staatscourant
worden geplaatst.
‘s-Gravenhage, 31 januari 2000.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries.
TOELICHTING
[31 januari 2000]
Algemeen
Gemeenten
hebben sinds een aantal jaren de beschikking
over een eigen instrumentarium om in de gemeente woonachtige uitkeringsgerechtigden,
werkloze jongeren en langdurig werklozen te activeren en naar arbeid toe te leiden. Het instrumentarium van
gemeenten om het uitstroombeleid uit de Algemene bijstandswet vorm te geven, bestaat uit de
Wet inschakeling
werkzoekenden (Wiw), aangevuld met het gemeentelijk deel van de Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten en
de sluitende aanpak voor nieuwe instroom in werkloosheid; de in- en doorstroombanen
[zie Besluit in- en doorstroombanen, red.]; de nieuwe
Wet
sociale werkvoorziening en een deel van het prestatiebudget van Arbeidsvoorziening
[zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), red.]. Via de Wiw
beschikken gemeenten over een budget voor individugerelateerde instrumenten
als scholing, incentives, kinderopvang en sociale activering. Voorts is met ingang van 1 januari
2000 de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande
ouders 2000
onder andere uitgebreid met de doelgroep deelnemende aan activiteiten die bijdragen tot sociale activering.
In voorliggende Stimuleringsregeling sociale activering
wordt voor gemeenten een nieuwe eenmalige subsidiemogelijkheid gecreëerd voor
niet-individugerelateerde kosten van sociale activering. Deze aanvullende subsidiemogelijkheid is bedoeld om
de verdere ontwikkeling van sociale activering in het kader van de gemeentelijke zorgplicht voor in de
gemeente woonachtige langdurig werklozen, uitkeringsgerechtigden en jongeren, zoals bedoeld in de Wet
inschakeling werkzoekenden, een extra impuls te geven. Het betreft hier bijvoorbeeld het
(verder) ontwikkelen van beleid op het gebied van sociale activering, door het opstellen van een
beleidsplan sociale activering en/of het ontwikkelen van de benodigde infrastructuur tussen de betrokken
organisaties en de gemeente.
De Stimuleringsregeling sociale activering is onderhevig
aan het regime van de Algemene Regeling SZW-subsidies, met uitzondering van artikel 6,
eerste lid, onderdeel a en c. De uitvoeringsaspecten van de stimuleringsregeling zijn door
een aantal gemeentelijke vertegenwoordigers beoordeeld en acceptabel bevonden.
Sociale activering
In het regeerakkoord is afgesproken dat voor mensen die
(vooralsnog) een te grote afstand hebben tot de arbeidsmarkt de mogelijkheden in de
Algemene bijstandswet (Abw) tot sociale activering worden verruimd. Op dit moment wordt op
verschillende
fronten gewerkt aan een verdere uitbouw van het beleid ten aanzien van sociale activering.
Primair doel van sociale activering is het bieden van
ontplooiingskansen aan uitkeringsgerechtigden in een achterstandspositie en het vergroten
van hun mogelijkheden tot maatschappelijke participatie, met name om sociaal isolement te voorkomen
en te bestrijden. In de praktijk betekent dit dat wanneer op basis van toepassing
van de Kansmeter de afstand tot de arbeidsmarkt vooralsnog te groot blijkt te zijn, deze
mensen - met ondersteuning van de gemeente - ruimte wordt geboden zich te (blijven) oriënteren op
deelname
aan het maatschappelijk leven. Deze oriëntatie kan bijvoorbeeld bestaan uit het verrichten van
onbeloonde
maatschappelijk nuttige activiteiten. Nog aanwezige arbeidscapaciteit kan hierdoor worden behouden
of vergroot, waardoor toekomstige (re)integratie op de arbeidsmarkt in beeld blijft en dichterbij kan komen.
Vanaf 1996 zijn er bijstandsexperimenten ex artikel 144
van de Abw uitgevoerd; deze experimenten kunnen worden beschouwd als een
verbijzondering
binnen het socialeactiveringsbeleid. Doel van deze experimenten is na te gaan of
afwijkingsmogelijkheden van een aantal bepalingen in de Abw in positieve zin bijdragen aan het
proces van sociale activering. Op basis van de evaluatie van deze experimenten
(Evaluatie experimenten ex artikel 144 Abw, IVA, december 1999) wordt een wetsvoorstel
voorbereid om de ontheffingsmogelijkheid van de sollicitatieplicht structureel in
de Abw op te nemen. Met dit wetsvoorstel wordt beoogd de mogelijkheden tot sociale activering verder te
bevorderen.
Via de huidige bijstandsexperimenten zijn circa
10 000
personen geactiveerd. Dat sociale activering effectief is en dat het vergroten van de
deelname
van doelgroep aan sociale activering nodig is, blijkt uit de genoemde evaluatie
van de bijstandsexperimenten. Uit de evaluatie blijkt ook dat het aantal sociale contacten van de
deelnemers is toegenomen, dat zij zich meer betrokken voelen bij de maatschappij en dat hun
zelfvertrouwen
en eigen inzicht in de situatie is toegenomen. Tevens blijkt dat van de ruim
10 000 deelnemers circa 10%
uitstroomt
naar een vervolgtraject, vrijwilligerswerk of scholing en circa 11% is uitgestroomd naar betaalde arbeid.
Een andere conclusie uit het evaluatieonderzoek is dat het opzetten van de experimenten veel tijd heeft gekost
en dat de werving van deelnemers moeizaam was, veelal vanwege grote persoonlijke problematiek,
gezondheidsproblemen of wegens onvoldoende motivatie bij de deelnemers. Een te
grote persoonlijke problematiek leidde ook tot uitval in de experimenten.
Gemeenten hebben vanuit de Algemene bijstandswet de
opdracht om de zelfstandige bestaansvoorziening van bijstandsgerechtigden te bevorderen en in beginsel aan
iedereen die daarvoor in aanmerking komt een geschikt traject ten aanzien van
activering en uitstroom aan te bieden. Dit kunnen voor bijstandsgerechtigden met een
(vooralsnog) te grote afstand tot de arbeidsmarkt ook trajecten zijn op het gebied van sociale
activering. Daarnaast hebben gemeenten een algemene zorgplicht en kunnen zij bijvoorbeeld met behulp
van de Wet inschakeling werkzoekenden voorzieningen aanbieden in de sfeer van
scholing en activering, niet alleen voor bijstandsgerechtigden maar ook voor personen met een
andere dan een bijstandsuitkering en voor niet-uitkeringsgerechtigden.
Alhoewel er al veel op het gebied van sociale activering
wordt ondernomen, moet worden geconstateerd dat op dit moment nog niet in alle
gemeenten de beleidsontwikkeling en de infrastructuur ten aanzien van sociale activering voldoende handen
en voeten is gegeven en nog een extra stimulans kan gebruiken. Gemeenten geven daarover aan dat
zij niet altijd over voldoende tijd, menskracht en deskundigheid beschikken om het
socialeactiveringsbeleid nader vorm te geven en verder uit te bouwen.
Uit onderzoek (Belemmeringen voor uitkeringsgerechtigden
om vrijwilligersactiviteiten te verrichten,
Research voor Beleid, november 1998) blijkt onder andere dat de doelgroep
waarvoor sociale activering bedoeld is nog slecht wordt bereikt en dat bij zowel gemeenten,
uitkeringsgerechtigden als vrijwilligersorganisaties onvoldoende duidelijk is welke mogelijkheden er bestaan
voor het verrichten van vrijwilligerswerk als onderdeel van een traject sociale
activering.
Om bij gemeenten het beleid en de infrastructuur op het
gebied van sociale activering te ontwikkelen en te versterken, stelt het kabinet, voor de
begrotingsjaren 2000 tot en met 2003, een eenmalig bedrag van ƒ40 miljoen beschikbaar.
Doelstelling subsidieregeling
Met de subsidieregeling wordt beoogd de mogelijkheden
van inzet van sociale activering bij
gemeenten te verhogen, door subsidie te verlenen voor,
hetzij nieuwe, hetzij extra projecten van gemeenten die het lokale beleid en de infrastructuur op het gebied
van sociale activering ontwikkelen en versterken. Dit opdat de doelgroep beter
wordt bereikt en het risico van sociale uitsluiting van de doelgroep wordt verminderd.
De subsidieregeling is daarbij uitsluitend bedoeld voor
aanvragen van subsidie voor projecten met betrekking tot:
• de (verdere) beleidsontwikkeling van sociale activering ter voorkoming of opheffing van sociaal isolement
(bijvoorbeeld het ontwikkelen van nieuw beleid of het opstellen van een beleidsplan sociale activering);
• het ontwikkelen en implementeren van de infrastructuur (bijvoorbeeld de samenwerking tussen betrokken
organisaties en/of het inrichten van de organisatie) gericht op het vergroten
van de deelname van fase-4-langdurig-werklozen, uitkeringsgerechtigden en jongeren aan
socialeactiveringsactiviteiten.
Bestedingsmogelijkheden
Zoals de doelstelling van de
subsidieregeling vermeldt, is de regeling bedoeld voor subsidieaanvragen voor
projecten die tot doel hebben het lokale of regionale beleid op het terrein van sociale activering te
ontwikkelen,
te versterken en/of te implementeren. Een aanvraag dient te worden onderbouwd met een
projectplan
en een begroting. De uitvoering van het projectplan kan ofwel door de gemeente
zelf worden uitgevoerd,
ofwel worden ingekocht bij derden.
De vier grote gemeenten
(Amsterdam, Den Haag,
Rotterdam en Utrecht) kunnen geen aanspraak maken op deze subsidieregeling, omdat deze gemeenten al via een
tijdelijke subsidieregeling (over 1998 tot en met 2000), naast de Wiw, extra middelen voor het activeren van
bijstandscliënten naar Wiw-activiteiten en het bevorderen van uitstroom uit Wiw-dienstbetrekkingen naar regulier
werk ontvangen. Aan de vier grote gemeenten is gevraagd om in 2000 het accent nog sterker te leggen op
activering van fase-4-bijstandsgerechtigden.
Kosten, plannen en/of projecten die direct samenhangen
met activiteiten voor individuele deelnemers aan trajecten in het kader van sociale
activering
komen nadrukkelijk niet in aanmerking voor deze subsidieregeling. Hierbij wordt
gedoeld op kosten die samenhangen met scholing of het voorzien in individuele
tegemoetkomingen
in de kosten van studiemateriaal of vervoer (deze kosten kunnen immers vergoed worden uit de
Wiw).
De kosten die behoren tot de normale uitvoering van de Abw, zoals het
voeren van heronderzoekgesprekken,
worden eveneens niet in het kader van deze regeling vergoed.
Deze subsidieregeling heeft een voorwaardenscheppend
karakter, is bestemd voor initiële activiteiten en voorziet niet in structurele middelen.
Indien gemeenten als gevolg van deze eenmalige subsidie-impuls initiatieven nemen
waarvoor structurele financiering nodig is, dienen gemeenten daarin zelf te voorzien.
De te subsidiëren activiteiten dienen vóór 1 juli 2002 te zijn
afgerond. De gemeente aan wie de subsidie wordt toegekend, zal driemaal een voorschot ontvangen van 25%
van het toegekende bedrag (eenmaal bij de toekenning en tweemaal op of rond 15 februari van de jaren 2001 en
2002). De resterende 25% wordt verrekend bij de definitieve afrekening van de subsidie. Deze getrapte
bevoorschotting heeft te maken met de beschikbaarheid van het subsidiebudget.
Gemeenten die het projectplan sneller uitvoeren, kunnen de voorschotten op verzoek
eerder ontvangen en ook de eindafrekening kan in die gevallen worden versneld.
Artikelsgewijs
Artikel 1
Gemeenten
kunnen subsidie
aanvragen voor twee soorten
activiteiten:
1. De (verdere) beleidsontwikkeling van sociale activering ter voorkoming of opheffing van sociaal isolement.
2. Het ontwikkelen en implementeren van de benodigde infrastructuur gericht op het vergroten van de
deelname
van in de gemeente woonachtige langdurig werklozen, uitkeringsgerechtigden en jongeren aan
socialeactiveringsactiviteiten.
De subsidie is bestemd voor initiële activiteiten en voorziet
niet in structurele middelen. De subsidie wordt uiteindelijk alleen gegeven voor
werkelijk
gemaakte kosten.
Artikel 2
De activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, dienen plaats
te vinden vóór 1 juli 2002. De regeling strekt ertoe om
gemeenten een eenmalige impuls
te geven om activiteiten te ontwikkelen in het kader van sociale activering.
In dat kader is het van belang dat die activiteiten op korte termijn plaatsvinden. De termijn tot 1 juli
2002 geldt om zo doeltreffend mogelijk beleid hierop te ontwikkelen en de beschikbaar gestelde gelden zo
doelmatig mogelijk te besteden.
Artikel 4
In dit artikel wordt de Algemene Regeling SZW-subsidies
van toepassing verklaard, behoudens artikel 6, eerste lid, onderdeel a en
c, voor zover daarvan
in een subsidiebeschikking niet wordt afgeweken. Het van toepassing zijn van de
Algemene Regeling SZW-subsidies betekent onder andere dat de aanvraag van de gemeente
wordt
onderbouwd met een projectplan en een begroting. In het projectplan worden de aard en de omvang van de
voorgenomen activiteiten beschreven. Daarbij wordt aangegeven welke doelstelling, resultaten en
producten
de gemeente met de activiteiten nastreeft en op welke wijze deze zullen worden
uitgevoerd. De subsidiabele activiteiten worden conform het goedgekeurde projectplan uitgevoerd.
De begroting geeft inzicht in de baten en lasten van het project. De begroting
is voorzien van een postgewijze toelichting. Indien de gemeente voor dezelfde subsidiabele activiteiten
tevens subsidie ontvangt van een ander bestuursorgaan of dit heeft aangevraagd, dan wel in verband
daarmee van anderen inkomsten verwerft, dan doet zij hiervan mededeling in de aanvraag. Bij de
subsidieverstrekking
wordt met die andere subsidies of inkomsten rekening gehouden.
Het in de beschikking genoemde maximale bedrag is
gebaseerd op de ingediende begroting en het projectplan, zoals goedgekeurd door de
minister. Blijkt tijdens de uitvoering van de subsidiabele activiteiten dat de
werkelijke daarop betrekking hebbende uitgaven of ontvangsten aanzienlijk lager blijven dan wel hoger zijn
dan de in de goedgekeurde begroting opgenomen bedragen en/of wijzigingen plaatsvinden in de activiteiten,
dan deelt de gemeente dit zo spoedig mogelijk aan de minister mede, onder opgave van de verschillen en
oorzaken
daarvan. Wijzigingen in het projectplan en de begroting behoeven de toestemming van de minister.
De gemeente dient binnen vier maanden na afloop van het
tijdvak waarover subsidie is verleend een verantwoording in bij de minister. Bij deze verantwoording wordt een
declaratie
ingediend. De verantwoording geeft duidelijk inzicht in de aard, de duur en de omvang van de
gesubsidieerde activiteiten. De declaratie geeft duidelijk de baten en lasten weer welke op de gesubsidieerde
activiteiten betrekking hebben. De declaratie moet aansluiten bij de door de
minister goedgekeurde begroting. Belangrijke verschillen tussen de declaratie en de goedgekeurde
begroting worden toegelicht.
In het kader van de Algemene Regeling SZW-subsidies zal
de minister per jaar 25% van de verleende subsidie in het kader van de Stimuleringsregeling sociale activering
bevoorschotten. Een eerste voorschot van 25% van het in
de beschikking opgenomen bedrag zal worden verstrekt bij de toekenning. Op of rond
15 februari van de jaren 2001 en 2002 zal wederom een bedrag van 25% van het in de
beschikking opgenomen subsidiebedrag in de vorm van een voorschot beschikbaar worden
gesteld. De vaststelling van de subsidie zal plaatsvinden binnen één jaar na ontvangst van de
verantwoordingsstukken.
Tevens zal dan de subsidie tot het vastgestelde bedrag worden verrekend.
Met deze regeling wordt beoogd gemeenten in de
gelegenheid te stellen om sociale activering een extra impuls te geven. Toetsing aan de vraag of
gemeenten ook over eventuele andere middelen beschikken om die activiteiten te financieren als bedoeld in
artikel
6, eerste lid, onderdeel a en c, van de Algemene Regeling SZW-subsidies blijft dan ook achterwege.
Voor verdere toelichting wordt verwezen naar de
Algemene Regeling SZW-subsidies.
Artikel 5
Voor de onderhavige regeling geldt een
subsidieplafond
van ƒ40 miljoen. Dit betekent dat de subsidieaanvragen worden behandeld in volgorde
van binnenkomst van de aanvraag, totdat het subsidieplafond van ƒ40 miljoen is
bereikt.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries.
|
|