|
12 december 2000/nr. BZ/BU/00/74081
Directie Bijstandszaken
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen
4, eerste lid, 9, 11, tweede lid,
12, eerste lid,
aanhef en onder a, 13, eerste lid, en
15, aanhef en onder b,
van de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz, de
artikelen 71, eerste lid, aanhef en onder b, 71, tweede lid, aanhef en onder c,
117,
tweede lid, en 130, vijfde lid, van de Algemene
bijstandswet, de artikelen 19, eerste lid, aanhef en onder b,
19, tweede lid, aanhef en onder c, 41, tweede lid, en
52, vijfde
lid, van de Wet Inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de artikelen
19, eerste lid, aanhef en onder b, 19, tweede lid, aanhef en
onder c, 41, tweede lid, en 52, vijfde lid, van de Wet
Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen, alsmede de artikelen 36, derde lid,
37, derde lid, 39, derde lid, en
40, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars;
Besluit:
Art. 1.
Begripsbepalingen
In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. minister: Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. Ioaw: Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
c. Ioaz: Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
d. Abw: Algemene bijstandswet;
e. Wwb: Wet werk en bijstand;
f. Bbz 2004: Besluit
bijstandverlening zelfstandigen 2004;
g. declaratie: opgave van
kosten als bedoeld in artikel 56 van het Bbz
2004;
h. de ten laste van de gemeente
gebleven kosten: de lasten in een jaar verminderd met de baten in dat
jaar in verband met de door de gemeente verleende bijstand, bedoeld in artikel 48,
eerste en tweede lid, van het
Bbz 2004, waaronder begrepen de baten
door toepassing van artikel 14a van de Abw;
i. tekortkoming: het niet
hebben voldaan door burgemeester en
wethouders aan de bij of krachtens het Bbz
2004 gestelde regels;
j. financieel beslag: het
verschil tussen het bedrag van de ten laste
van burgemeester en wethouders gebleven
kosten bij een onjuiste
wetsuitvoering en dat bij een juiste wetsuitvoering;
k. financiële fouten:
tekortkomingen waarbij met zekerheid kan
worden vastgesteld dat de uitkering of bijstand onrechtmatig is verstrekt of
is teruggevorderd of verhaald zonder
inachtneming van de daarvoor geldende
wettelijke bepalingen;
l. financiële onzekerheden:
tekortkomingen waarbij niet met zekerheid
kan worden vastgesteld dat de uitkering of bijstand rechtmatig is
verstrekt;
m. uitkeringskosten:
de kosten van uitkeringen, bedoeld in artikel
48, eerste lid, van het
Bbz 2004;
n. uitvoeringskosten: de
uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 56,
eerste lid, van het Bbz 2004.
Art. 2.
Voorschot Bbz 2004
-1.
De minister
stelt maandvoorschotten vast ten behoeve
van de vergoeding van de uitkeringskosten, bedoeld in artikel
48, eerste lid, van het
Bbz 2004, en de uitvoeringskosten en
kosten van onderzoek, bedoeld in artikel
56, eerste lid, van het
Bbz 2004.
-2. De maandvoorschotten voor een kalenderjaar
worden betaald op of omstreeks de vijftiende van de
maand waarop zij betrekking hebben, op basis van het over het twee jaar
terugliggende kalenderjaar door burgemeester en wethouders gedeclareerde
bedrag, waarbij afstemming
plaatsvindt op de landelijk verwachte kosten voor het Bbz 2004.
Art. 3. Opschorting en terugvordering
van uitkering en voorschotten
-1.
Indien het beeld van de uitvoering, bedoeld in de artikelen 54,
tweede lid, van de Ioaw
en 54,
tweede lid, van de Ioaz,
niet op de in artikel 7b,
eerste lid, genoemde datum is ontvangen, schort de minister
de betaling van de uitkering, bedoeld in artikel
69, eerste lid, van de Wwb, voor het lopende vergoedingsjaar op met ingang van de kalendermaand
volgend op de kalendermaand waarop de ontvangsttermijn is verlopen, doch
niet gedurende de periode waarover door de minister aan het college in
geval van overmacht uitstel is verleend.
-2. Indien het beeld van de uitvoering,
bedoeld in artikel 77, tweede lid, van de Wwb,
niet op de in artikel 4, eerste lid, van
de Regeling Wwb en WIJ genoemde datum is
ontvangen, schort de minister de betaling van de maandvoorschotten Bbz 2004
voor het lopende vergoedingsjaar op met ingang van de kalendermaand
volgend op de kalendermaand waarop de ontvangsttermijn is verlopen, doch
niet gedurende de periode waarover door de minister aan het college in
geval van overmacht uitstel is verleend.
-3. Indien de verantwoordingsinformatie,
bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet,
met betrekking tot de uitvoering van het Bbz
2004 niet door de Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is ontvangen binnen
twaalf maanden na het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft, worden de maandvoorschotten
met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar op nihil vastgesteld
en worden de reeds betaalde voorschotten teruggevorderd.
-4. De betaling van de uitkeringen en de
maandvoorschotten wordt
bij de toepassing van het eerste en het tweede lid hervat op de vijftiende van de
kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin het beeld van de
uitvoering is ontvangen.
-5. Het eerste, tweede en vierde lid zijn van
overeenkomstige toepassing indien het college in gebreke blijft om
binnen een door de minister vastgestelde termijn aanvullende informatie
te verstrekken die noodzakelijk is voor het financieel beheer van de Ioaw,
de Ioaz
of het Bbz
2004.
Art. 4. Betaling
uitkering Bbz 2004, verhoging en aanvullende uitkering
-1. De uitkering, bedoeld in
artikel 50, eerste lid, van het Bbz
2004, wordt in gelijke
maandelijkse delen gedurende het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft, betaald, telkens op of omstreeks
de vijftiende van de maand.
-2. Indien de uitkering op grond van artikel
51 van het Bbz
2004 wordt verhoogd in het jaar waarop de uitkering
betrekking heeft, wordt het bedrag waarmee de uitkering wordt verhoogd in
gelijke maandelijkse delen, met ingang van de maand volgend op de maand waarin het bedrag is
vastgesteld,
gedurende het restant van het kalenderjaar betaald, telkens op of omstreeks de
vijftiende van de maand.
-3. Indien de uitkering op grond van artikel
51 van het Bbz 2004 wordt verhoogd in het jaar volgend op het jaar
waarop
de uitkering betrekking heeft, wordt het bedrag waarmee de uitkering wordt
verhoogd, betaald op of omstreeks de vijftiende van de maand volgend op de maand waarin het
bedrag is vastgesteld.
-4. Aan gemeenten die in aanmerking komen voor de aanvullende uitkering, bedoeld in
artikel 52 van het Bbz
2004,
wordt deze betaald op of omstreeks de vijftiende van de maand volgend op de maand
waarin deze is vastgesteld.
Art. 5. Bedragen vergoeding uitvoeringskosten
en kosten van onderzoek Bbz 2004
-1. De vergoeding per besluit op een aanvraag van ondernemers in de
binnenvaart
om verlening van bijstand, bedoeld in artikel 56, eerste
lid, onderdeel a, van het Bbz 2004, bedraagt €|298,00.
-2. De kosten, bedoeld in artikel 56, eerste
lid, onderdeel b, van het Bbz 2004, van
een aan derden opgedragen onderzoek inzake verlening van algemene bijstand en bijstand ter voorziening in
de behoefte aan bedrijfskapitaal aan zelfstandigen als bedoeld in artikel 2 van het Bbz
2004 komen voor vergoeding in aanmerking, voor zover zij niet meer bedragen dan:
a. €|2926,00 voor een uitgebreid rapport en
€|1730,00 voor een verkort
rapport
betrekking hebbend op bijstandverlening aan een gevestigde of een startende zelfstandige als bedoeld
in
artikel 2, eerste lid, onderdeel a en b, van
het Bbz 2004;
b. €|1063,00 voor een rapport betrekking hebbend op
bijstandverlening aan een oudere of een beëindigende
zelfstandige als bedoeld in artikel
2, eerste lid, onderdeel c en
d, van het Bbz 2004 of een nader
of vervolgrapport betrekking hebbend op bijstandverlening aan een
zelfstandige.
Art. 6. Vervallen.
Art. 7.
Vervallen .
Art. 7a. Vervallen.
Art. 7b.
Beeld van de uitvoering
-1. Het beeld van de uitvoering,
bedoeld in de artikelen
54, tweede lid,
van de Ioaw
en 54,
tweede lid, van de Ioaz,
wordt uiterlijk op 28 februari van het kalenderjaar volgend op het
kalenderjaar waarop het beeld van de uitvoering betrekking heeft door de
minister
ontvangen.
-2. Het beeld van de uitvoering, bedoeld in
het eerste lid artikel 77, tweede lid, van de Wwb,
omvat mede een declaratie van de uitkeringskosten, bedoeld in artikel
48, eerste lid, van het Bbz 2004,
en de uitvoeringskosten en kosten van onderzoek, bedoeld in artikel
56, eerste lid, van het Bbz 2004,
over het afgelopen kalenderjaar.
-3. Het beeld van de uitvoering
wordt ingediend
onder gebruikmaking van een formulier dat door de minister elektronisch
beschikbaar wordt gesteld met het Digitaal Verantwoordingssysteem.
-4. Op basis van het beeld van de uitvoering,
bedoeld in het tweede lid, vindt
een voorlopige verrekening plaats met de verleende voorschotten, bedoeld
in artikel 2, eerste lid.
Art. 8. Vervallen.
Art. 9. Berekening
financieel beslag van tekortkomingen Bbz 2004
-1. Het financieel beslag van
tekortkomingen in de uitvoering van het Bbz 2004
wordt bepaald op het totaal van de financiële fouten en financiële
onzekerheden met betrekking tot dat besluit.
-2.
Het financieel beslag van financiële onzekerheden
wordt bepaald op:
a.
0,5% van de ten laste van de gemeente
gebleven kosten indien in 15% of meer van de in een kalenderjaar
verrichte onderzoeken sprake is van een onvolledig onderzoek als bedoeld
in artikel 66,
tweede lid, van de Abw,
bij een onvolledig heronderzoek als bedoeld in artikel 66,
derde lid, van de Abw,
bij een onvolledig beëindigingsonderzoek als bedoeld in artikel 66,
vijfde lid, van de Abw of bij een onvolledig debiteurenonderzoek als bedoeld in
artikel 66,
zesde lid, van de Abw;
b. 0,5% van de ten laste van de
gemeente gebleven kosten indien in 15% of meer van de in een
kalenderjaar te verrichten onderzoeken sprake is van een niet-tijdig
heronderzoek als bedoeld in artikel 66,
derde lid, van de Abw,
bij een niet-tijdig beëindigingsonderzoek als bedoeld in artikel 66,
vijfde lid, van de Abw of bij een niet-tijdig debiteurenonderzoek als bedoeld in
artikel 66,
zesde lid, van de Abw.
-3. Bij samenloop van tekortkomingen als
bedoeld in het tweede lid worden de afzonderlijk berekende financiële
uitkomsten bij elkaar opgeteld.
-4. Voor de vaststelling van de ten laste
van de gemeente gebleven kosten in het kalenderjaar 2009 en daaraan
voorafgaande kalenderjaren is artikel 1, onderdeel h,
zoals dat luidde op 31 december 2010 van toepassing.
Art. 9a. Wijziging
wettelijke grondslag
Deze regeling berust mede op artikel 54, derde
lid, van de
Ioaw,
artikel 54, derde lid, van de Ioaz
en de artikelen 49, eerste lid,
50, tweede lid, 53,
56, eerste lid, en 57, eerste lid, van
het Bbz 2004.
Art. 10. Overgangsbepaling
Bij de opschorting en
terugvordering van voorschotten over het vergoedingsjaar 2009 en
eerdere vergoedingsjaren wordt beslist met toepassing van artikel
3, zoals dat luidde op 31 december 2009.
Art. 11. Wijziging Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften Wik
De Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften Wik wordt als
volgt gewijzigd:
A.
In de artikelen 4, tweede lid, eerste volzin, en derde lid, eerste volzin, en
6b, eerste lid, tweede volzin, wordt "vóór" vervangen door: uiterlijk op.
B.
In de artikelen 6, derde en zesde lid, en
6c, derde lid, wordt
"vóór" vervangen
door: uiterlijk op.
C.
Artikel 6a wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding
"-1" geplaatst.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-2. Ter zake van de uitvoeringskosten vergoedt het Rijk aan de adviserende
instelling voor de jaren 2001 en 2002:
a. ƒ1,8 miljoen per kalenderjaar; en
b. ten hoogste eenmaal per kalenderjaar, ƒ600,00 per belanghebbende ten
aanzien van wie in het kalenderjaar op verzoek van burgemeester en
wethouders
advies is uitgebracht.
D.
Het controle- en rapportageprotocol, bedoeld in artikel
4, derde lid,
tweede volzin, wordt voor het jaar 2000 vervangen door de bij deze
regeling
behorende bijlage "controle- en rapportageprotocol Wik 2000".
E.
Het model van de jaaropgave, bedoeld in artikel
4, vierde lid, wordt voor het jaar 2000 vervangen door de
bij deze regeling behorende bijlage "jaaropgave Wik 2000".
F.
Het model van de kwartaaldeclaratie, bedoeld in artikel
4, vierde lid,
wordt voor het vierde kwartaal van het jaar 2000 vervangen door de bij deze regeling behorende bijlage
"kwartaaldeclaratie Wik vierde kwartaal 2000".
G.
Het model van de verklaring, bedoeld in artikel
4, vierde lid, wordt voor het jaar 2000 vervangen door de
bij deze regeling behorende bijlage "verklaring Wik 2000".
H.
Het controle- en rapportageprotocol, bedoeld in artikel 6b, derde lid,
derde volzin, wordt voor het jaar 2000 vervangen door de bij deze
regeling
behorende bijlage "controle- en rapportageprotocol VvK 2000".
I.
Het model van de jaaropgave, bedoeld in artikel 6b, tweede lid, wordt voor het jaar 2000 vervangen
door de bij deze regeling behorende bijlage "jaaropgave VvK 2000".
J.
Het model van de verklaring, bedoeld in artikel 6b, tweede lid, wordt voor het jaar 2000 vervangen
door de bij deze regeling behorende bijlage "verklaring VvK 2000".
Art. 12. Inwerkingtreding
-1. Deze regeling treedt, met
uitzondering van artikel 11, onderdeel D tot
en met J, in werking met ingang van 1 januari 2001.
-2. Artikel 11, onderdeel D,
E, G, H, I en
J, treedt in werking met ingang
van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst en werkt
terug tot en met 1 januari 2000.
-3. Artikel 11, onderdeel
F, treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de
Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst en werkt terug tot en
met 1 oktober 2000.
Art. 13. Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling financiering en
verantwoording Ioaw, Ioaz
en Bbz 2004.
Deze regeling zal met de toelichting, de modellen en de bijlagen, met
uitzondering
van het model van de verklaring en het controle- en rapportageprotocol,
bedoeld in artikel 7, eerste lid, en de bijlagen, bedoeld in
artikel 11,
onderdeel D, G, H en J,
in de Staatscourant worden geplaatst. Het model van de verklaring en het controle- en rapportageprotocol, bedoeld in
artikel 7, eerste lid, en de
bijlagen, bedoeld in artikel 11,
onderdeel D, G, H en J, liggen met ingang van 1 januari 2001 ter inzage
in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.¹
1. De bij deze
regeling behorende bijlage "Voorlopig verslag over de uitvoering 2006
Ioaw/Ioaz/Bbz
2004" (Stcrt. 2006,
243) is ingevolge artikel II, onderdeel B, van de Regeling van
de Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid van 6 december 2007, nr. W&B/SFI/07/33656,
houdende wijziging van een drietal regelingen in verband met
de digitalisering van het voorlopig verslag en technische
aanpassingen van diverse verantwoordingsdocumenten (Stcrt.
2007, 242), met ingang van 1 januari 2008 komen te vervallen, red.
's-Gravenhage, 12 december 2000.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
TOELICHTING
[12 december 2000;
zie ook de toelichting bij de Aanpassingsregeling
Wwb]
Algemeen
De invoering van de Wet financiering Abw, Ioaw en
Ioaz (WFA) per 1 januari 2001 betekent een fundamentele
wijziging van de financiële verhouding tussen Rijk en gemeenten op het bijstandsterrein. De
Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vergoedt in het nieuwe systeem 75 procent
van de uitkeringskosten. Voor de overige uitkeringskosten ontvangen de
gemeenten
een budget. Tekorten op het budget zijn voor rekening van de gemeenten, met een maximum van
15% van het toegekende budget dan wel ƒ15,- per inwoner;
overschotten
mogen gemeenten naar eigen inzicht besteden, zij het dat bij de behandeling van het wetsvoorstel in
de Tweede Kamer wel is aangegeven dat dit in het verlengde van de doelen
van de WFA moet gebeuren. Met deze vorm van financiering wordt de doelmatigheid en de doeltreffendheid
van de uitvoering van de Abw, Ioaw en
Ioaz door gemeenten gestimuleerd.
De WFA noodzaakt tot enkele wijzigingen in de regels inzake de
financiering
van en de verantwoording over de uitvoering van de Abw,
Ioaw en Ioaz. De Regeling
financiering
en verantwoording Abw, Ioaw en Ioaz (Rfa) heeft betrekking op deze wijzigingen. In de
artikelen 2, 3, 4 en 9 wordt de financiering van de uitkeringskosten (vergoeding en budget)
nader geregeld. De uitvoeringskosten komen aan de orde in de artikelen 5 en
6.
De artikelen 7 en 8 betreffen de verantwoording.
Met de invoering van de WFA zijn
de financieringshoofdstukken van de Abw, Ioaw en Ioaz vervallen. Als gevolg hiervan zijn van rechtswege
ook de op deze bepalingen gebaseerde besluiten en regelingen vervallen. Dit
betreft het Besluit weigering rijksvergoeding Abw, Ioaw en
Ioaz, de Regeling forfaitaire percentages
maatregelen
Abw, Ioaw en Ioaz, het Besluit onderzoekskosten Ioaz en de Regeling uitvoerings- en
onderzoekskosten zelfstandigen. Verder worden met deze regeling (artikelen 10 en
11) de
Regeling
administratieve uitvoeringsvoorschriften Abw, Ioaw en Ioaz 1996 en de
Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften Wik
gewijzigd.
Artikelsgewijs
Artikel 1.
Begripsbepalingen
In artikel 1 zijn enkele voor zich sprekende begripsbepalingen opgenomen
waar in de regeling naar verwezen wordt.
Artikel 2 en
artikel 9, eerste lid. Kwartaal- en maandvoorschotten
vergoeding
In deze artikelen is nadere invulling gegeven aan artikel
4, eerste lid, van
de WFA. De maandvoorschotten worden voor de maanden van een kwartaal gebaseerd op de twee
kwartalen
daaraan voorafgaande declaratie met een aanpassing voor een landelijke
verwachte ontwikkeling van de ten laste van de gemeente gebleven kosten op basis van een zogenoemde
snelstatistiek. Om het totaal van de maandvoorschotten voor een kwartaal
zo goed mogelijk af te kunnen stemmen op de werkelijk ten laste van de gemeente gebleven kosten is
het dan ook noodzakelijk dat de declaraties uiterlijk op de twintigste van
de tweede maand na afloop van het kwartaal waarover wordt gedeclareerd bij het
ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid zijn ontvangen. Te hoge of te lage
maandvoorschotten
worden met het kwartaalvoorschot rechtgetrokken. Als bijvoorbeeld uit de kwartaaldeclaratie
blijkt dat de kosten voor een gemeente hoger zijn uitgevallen dan werd verwacht bij de bepaling van de
maandvoorschotten, wordt het verschil nabetaald door een
kwartaalvoorschot
te verlenen onder verrekening van de eerder verleende maandvoorschotten.
Deze systematiek wijkt niet af van die van vóór de totstandkoming van
de WFA. Om deze systematiek zonder onderbreking onder de WFA voort te kunnen
zetten en niet
eerst met de maandvoorschotten van het derde kwartaal van 2001, is hiertoe in
artikel 9, eerste lid, een overgangsbepaling opgenomen. Op grond van deze overgangsbepaling worden de
maandvoorschotten van het eerste en tweede kwartaal van 2001 gebaseerd op de kwartaaldeclaraties van
respectievelijk
het derde en vierde kwartaal van 2000, die nog op grond van de Regeling administratieve
uitvoeringsvoorschriften
Abw, Ioaw en Ioaz 1996 worden ontvangen.
Artikel 3 en
artikel 9, tweede en derde lid. Opschorting en terugvordering
voorschotten
In deze artikelen is nadere invulling gegeven aan
artikel 4, eerste lid, van
de WFA. Dit artikel strekt ertoe de minister
instrumenten te geven om de
naleving van de ontvangstdata voor verantwoordingsdocumenten te bevorderen. Het gaat hier
om de declaraties, de accountantsverklaring met verslag van bevindingen en het
verslag over de uitvoering, waar de jaaropgave onderdeel van uitmaakt. In deze instrumenten is een
zekere gelaagdheid aangebracht. Het niet tijdig ontvangen van een declaratie leidt
namelijk in eerste instantie tot opschorting van maandvoorschotten en in tweede instantie, bij het
uitblijven van de declaratie, na circa een halfjaar tot terugvordering van de
eerder verleende maandvoorschotten. Bij het niet tijdig ontvangen van de
andere genoemde documenten (die telkens 20 september moeten zijn
ontvangen)
worden zowel de maand- als kwartaalvoorschotten met ingang van het vierde kwartaal aangehouden. In
deze situatie worden dus de kwartaalvoorschotten over het vierde kwartaal
en volgende en de maandvoorschotten met ingang van de maand oktober aangehouden.
De wijze waarop de minister gebruik maakt van deze instrumenten is vastgelegd in beleidsregels
(Stcrt.
2000, 113). Deze beleidsregels blijven van kracht onder de WFA. In essentie komen deze beleidsregels
erop neer dat de bevoegdheid, bedoeld in artikel 3, wordt uitgeoefend, tenzij
een met redenen omkleed verzoek tot uitstel van indiening tijdig is
ontvangen
en gehonoreerd. Een dergelijk verzoek wordt alleen gehonoreerd indien het gevraagde uitstel direct
samenhangt met oorzaken of situaties die niet door burgemeester en
wethouders
waren te beïnvloeden.
Indien voorschotten zijn opgeschort, wordt in de maand volgend op de maand waarin de ontbrekende
verantwoordingsdocumenten zijn ontvangen, op of omstreeks de vijftiende
van die maand de voorschotbetaling weer hervat en worden de aangehouden
betalingen nabetaald.
In artikel 9, tweede en derde lid, is geregeld dat artikel 3 van
overeenkomstige
toepassing is op declaraties respectievelijk verantwoordingsdocumenten van vóór 1 januari 2001.
Artikel 4. Betaling uitkering, verhoging en aanvullende uitkering
In dit artikel is nadere invulling gegeven aan artikel 9 van de WFA. In dit
artikel wordt geregeld wanneer de betalingen plaatsvinden van de
uitkering.
De uitkering wordt in gelijke maandelijkse delen in het kalenderjaar betaald. Als lopende het
jaar de uitkering wordt verhoogd, wordt de verhoging in gelijke maandelijkse
delen in het resterende deel van het kalenderjaar betaald en bij de
verhoging
van de uitkering na afloop van het kalenderjaar wordt de verhoging in
één keer in de daaropvolgende maand betaald.
Als bij de definitieve vaststelling van de rijksvergoeding blijkt dat
een gemeente recht heeft op een aanvullende uitkering, dan wordt deze in de
maand na de vaststelling in één keer betaald.
Artikelen 5 en
6. Bedragen vergoeding uitvoeringskosten
Op grond van artikel 12 van de WFA vergoedt de
minister aan de
gemeenten
bepaalde uitvoeringskosten. In het eerste lid is de vergoeding vastgelegd
voor de behandeling van de aanvragen van ondernemers in de binnenvaart.
In artikel 25 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen
(Bbz) zijn negen
gemeenten aangewezen voor de behandeling van de aanvragen van binnenvaartondernemers.
In het tweede en vierde lid van
artikel 5 wordt de hoogte van de vergoeding geregeld van de specifieke en
noodzakelijke onderzoeks- en uitvoeringskosten in verband met de
uitvoering
van de Ioaz en het Bbz. Onder onderzoek wordt, op grond van
artikel 12, derde lid, van de WFA, verstaan een bedrijfseconomisch of een bedrijfstechnisch onderzoek,
waaronder
begrepen de taxatie van vermogensbestanddelen, afgerond met een schriftelijke
rapportage, voor zover dit onderzoek noodzakelijk is voor de uitvoering van de
Ioaz of het Bbz.
Aangezien de duur en het karakter van het onderzoek wordt beïnvloed door de aard van
de aanvraag om een uitkering, gelden uiteenlopende bedragen voor de verschillende
categorieën.
Er wordt onderscheid gemaakt naar:
a. onderzoek, gericht op aanvragen van beginnende of gevestigde
zelfstandigen
resulterend in een uitgebreide rapportage. Een uitgebreid rapport zal uitgebracht worden in
het geval het gaat om een bestaand bedrijf dat door interne problemen tijdelijk in
financiële moeilijkheden is komen te verkeren. Een analyse van de
oorzaken
van deze problemen, het aangeven van oplossingsrichtingen en een beoordeling van
de levensvatbaarheid en eventueel over de hoogte en de vorm van bijstand zullen in een
dergelijk
rapport aan de orde kunnen komen. Bij een starter kan het bedrijfsverleden niet beoordeeld
worden. Bij deze groep zal een analyse van het bedrijfsplan voor de opbouw
van een volwaardig bedrijf meer het uitgangspunt zijn;
b. onderzoek, gericht op aanvragen van beginnende of gevestigde
zelfstandigen
resulterend in een verkorte rapportage. Soms zijn de problemen vrij snel aan te geven,
bijvoorbeeld wanneer het bedrijf door een duidelijke oorzaak in moeilijkheden is
gekomen.
Ook is het mogelijk dat direct duidelijk is dat het bedrijf niet
levensvatbaar
is of dat de aanvraag om een andere duidelijke reden moet worden afgewezen. Dan kan worden volstaan
met een verkorte rapportage;
c. onderzoek, gericht op aanvragen van oudere of beëindigende
zelfstandigen
resulterend in een rapportage waarbij meestal alleen maar een uitkering
voor levensonderhoud aan de orde is. Onder deze categorie valt ook een onderzoek gericht op
aanvragen waarbij in eerdere instantie al een rapport is uitgebracht. Hierbij speelt
geen rol tot welke doelgroep de zelfstandige behoort. Het kan zowel
aanvragen
betreffen waarvoor ten behoeve van een eerste beslissing aanvullende gegevens nodig zijn als
aanvragen waarbij de gemeente het bijvoorbeeld na de bijstandverlening nodig acht de
ontwikkelingen te blijven volgen;
d. onderzoek, gericht op aanvragen om een uitkering op grond van de Ioaz. Een rapport dat dient zowel
voor een bijstandsbeslissing inzake een beëindigende zelfstandige als voor
een beslissing op grond van de Ioaz is slechts eenmaal declarabel. In het derde lid van
artikel 5 wordt
de vergoeding vastgelegd voor de kosten van begeleiding. In onderdeel a betreft het de begeleiding van
beginnende zelfstandigen in het eerste jaar na de start van het bedrijf. In
onderdeel b betreft het de begeleiding van uitkeringsgerechtigden die zijn
toegelaten tot de voorbereidingsperiode om zich te oriënteren op het
zelfstandig
ondernemerschap.
Voor de
onderzoeks- en
rapportagekosten voor aanvragen uit de agrarische
sector worden, gezien artikel 6, afwijkende tarieven gehanteerd. Voor het Bbz wordt uitgegaan van twee
onderzoekstarieven ongeacht tot welke categorie de aanvragende agrariër
behoort: een basisrapport en een nader of vervolgrapport. Daarnaast is er een tarief voor een rapport in
verband met een aanvraag om een uitkering op grond van de
Ioaz in de agrarische sector. Een rapport dat dient zowel voor
een bijstandsbeslissing inzake een beëindigende zelfstandige als voor een beslissing op grond
van de Ioaz is slechts eenmaal declarabel.
Het onderzoek en de begeleiding moet overigens door een deskundige, onafhankelijke derde verricht worden.
Als het onderzoek of de begeleiding is opgedragen aan een deskundige derde
die onder verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders werkzaam is, dan worden op grond van
artikel 15, aanhef en onder a, van de WFA de kosten niet vergoed.
In het
tweede, derde en vierde lid van artikel 5 en in artikel 6 worden op grond van
artikel 15, aanhef en
onder b, van de WFA voor de daar genoemde
onderzoeks- en
begeleidingskosten
bepaalde maximumbedragen vastgesteld. Deze kosten worden, gezien artikel
12, eerste lid,
onderdeel b, c en d, van de WFA, voor 90% vergoed, voor zover ze niet meer bedragen dan deze maxima.
De maximale vergoedingsbedragen voor de onderzoeken, bedoeld in artikel
5,
tweede lid, onderdeel a, zijn dus feitelijk ƒ4077,- respectievelijk
ƒ2412,-.
Op grond van artikel 12, tweede lid, van de WFA worden de in het tweede en
derde lid van artikel 5 genoemde kosten wel volledig tot de daar bepaalde
maximumbedragen vergoed indien het onderzoek of de begeleiding betrekking heeft op (gewezen)
ondernemers
in de binnenvaart als bedoeld in artikel 63, tweede lid, van de
Abw.
De bedragen, genoemd in de
artikelen 5 en 6, zullen worden herzien voor zover de ontwikkeling van de
lonen van werknemers in particuliere bedrijven daartoe aanleiding geeft.
Artikel 7. Verslag en verklaring
In dit artikel is invulling gegeven aan de artikelen
130, vijfde lid,
van de
Abw, 52, vijfde lid, van de Ioaw en
52, vijfde lid, van de
Ioaz. De nadere
regels hebben betrekking op het verslag over de uitvoering (waaronder de jaaropgave), de declaratie, de
verklaring en het onderzoek dat - overeenkomstig het controle- en
rapportageprotocol - resulteert in deze verklaring. Uitgangspunt bij deze regels is dat de
minister over
voldoende
informatie beschikt om zijn toezichthoudende taak uit te kunnen voeren. De modellen van het verslag
over de uitvoering en de declaratie (inclusief hun toelichtingen) zijn
sturend
voor de inrichting van de gemeentelijke administratie en
informatievoorziening.
In verband daarmee is het van belang dat gemeenten tijdig geïnformeerd worden over de
inrichting van de modellen.
Gemeenten verstrekken na afloop van het vergoedingsjaar een verslag over de uitvoering aan de minister.
Het verslag wordt daarmee de voornaamste informatiebron voor het rijkstoezicht
om de uitvoering door de gemeente te beoordelen. Hiermee is uitwerking gegeven aan het
single-audit-uitgangspunt waarbij het Rijk zich bij het toezicht waar mogelijk baseert op informatie
van de gemeenten over de uitvoering.
De modellen voor de declaratie en de jaaropgave (als onderdeel van het
verslag over de uitvoering) zijn zodanig ingericht dat rekening wordt gehouden met de vernieuwde
bekostigingsstructuur op grond van de WFA, zonder dat de
informatiewaarde
van de modellen op grond van de Abw, de Ioaw en de
Ioaz verloren gaat. De declaratie is volgens twee
maatstaven ingedeeld, enerzijds gebudgetteerde en niet-gebudgetteerde kostensoorten en anderzijds de Abw,
de Ioaw en de Ioaz. Voor de gebudgetteerde kostensoorten geldt een vergoedingspercentage van 75,
voor de niet-gebudgetteerde een van 90 of 100. De indeling naar de Abw,
Ioaw en Ioaz voorkomt informatieverlies
ten opzichte van de situatie vóór 2001. In verband met het vervallen van de
zogenoemde evenredige toerekening is het declaratiemodel ook
vereenvoudigd doordat het
onderscheid tussen norm en toeslag bij de ontvangsten is komen te
vervallen.
De indeling van het declaratiemodel klinkt door in het model voor de jaaropgave. Voorts is de
berekening
van de aanvullende uitkering nieuw en is het mutatieverslag "ondernemers
in de binnenvaart" vervallen. Met het vervallen van de
debiteurenincentive
is het mutatieverslag hiervan eveneens komen te vervallen. In verband met de geautomatiseerde
verwerking van de declaratie en de jaaropgave dienen gemeenten gebruik te
maken van de daarvoor aan iedere gemeente afzonderlijk beschikbaar gestelde formulieren op de
bij deze formulieren aangegeven wijze.
Het onderzoek en de
verklaring van de bij de gemeente fungerende accountant moet plaatsvinden met
inachtneming van het bij het model van de verklaring behorende controle- en rapportageprotocol. Het
protocol geeft de opzet en reikwijdte aan van de door de accountant uit te
voeren
controle.
Het gemeentebestuur is
verantwoordelijk voor juiste, tijdige en volledige
aanlevering van het verslag over de uitvoering en de op dit verslag betrekking hebbende
accountantsverklaring
en -rapportage. Bij de bepaling van de ontvangstdatum is gekozen voor een datum die ligt na
de datum van de indiening van de gemeenterekening bij Gedeputeerde
Staten, opdat deze past
binnen de gemeentelijke procedures.
Artikel 8. Bedragen niet in aanmerking te nemen kosten
In dit artikel wordt een nadere
invulling gegeven aan artikel 11, tweede
lid, van de WFA. Hierbij wordt aangesloten op de met de invoering van de WFA vervallen
Regeling forfaitaire
percentages maatregelen Abw, Ioaw en Ioaz (Rfpm). De invoering van de budgetsystematiek in het
kader van de WFA geeft echter wel aanleiding tot een herziening van het beleid
inzake forfaitaire maatregelen. Indien het forfaitaire stelsel van de Rfpm ongewijzigd zou zijn
overgenomen
in deze regeling, zouden de percentages en (absolute) bedragen die daarmee
gemoeid zijn in termen van financiële prikkelwerking hun kracht verliezen in vergelijking met de
omvang van de (absolute) bedragen die verbonden zijn aan het
(gemaximeerde)
percentuele risico dat gemeenten lopen in het kader van de budgetsystematiek van de
WFA. Dit
maakt een ophoging van de forfaitaire percentages noodzakelijk. De in deze regeling
opgehoogde percentages waarborgen een evenwichtige (proportionele) verhouding tussen de
forfaitaire
percentages en het percentuele risico dat de gemeenten in het kader van de
WFA lopen.
De aanpassing van het beleid
inzake forfaitaire maatregelen geeft eveneens
uitdrukking aan de wens tot vereenvoudiging van het toezichtsbeleid. Die vereenvoudiging is zichtbaar in
de reductie (van vier naar drie) van de mogelijke percentages per
tekortkoming
en het verdwijnen van de onderverdeling binnen de tekortkomingen. Bij deze aanpassingen speelt
tevens de overweging dat de huidige verfijnde en gedetailleerde systematiek
niet spoort met de eenvoud van de WFA. Nieuw in de huidige regeling is ook dat een forfaitaire maatregel kan
worden toegepast ingeval de tekortkoming verband houdt met onvolledige
of onjuiste besluiten tot toekenning of voortzetting van bijstand of uitkering
(artikel 8, tweede lid, onderdeel
d). Deze mogelijkheid kan onder meer toegepast worden in situaties waarin de gemeente ten onrechte
nalaat arbeidsverplichtingen op te leggen.
De aanpassing van het beleid
inzake forfaitaire maatregelen laat onverlet
dat de gemeente voor de tekortkomingen waarop dit beleid van toepassing
is de minister kan
verzoeken
gebruik te maken van zijn bevoegdheid ervan af te zien om de met een tekortkoming
samenhangende
kosten buiten aanmerking te laten. De wijze waarop en de omstandigheden
waaronder de minister gebruik maakt van deze in artikel
11, derde lid, onderdeel
b,
van de WFA geregelde bevoegdheid worden vastgelegd in beleidsregels (Beleidsregels
verbetertraject
en zelfstandig beroep), die in de Staatscourant gepubliceerd
worden.
Artikel 10. Wijziging Rau 1996
De in de
onderdelen A, E en F
opgenomen wijzigingen van de Regeling
administratieve uitvoeringsvoorschriften Abw, Ioaw en Ioaz 1996
(Rau 1996) zijn het gevolg van het overhevelen
van de bepalingen over wijze en tijdstip van declareren (paragraaf 4
met
artikel 7) en voorschotten (paragraaf 5 en
artikel 8) naar de onderhavige
regeling. In de onderdelen B en A is het vervallen van respectievelijk deze
bepalingen en de definitiebepalingen die erop betrekking hebben, geregeld.
Artikel 6, derde lid, van de Rau 1996 wordt in
onderdeel C in
overeenstemming
gebracht met de nieuwe situatie.
De wijzigingen van de onderdelen
B, C en D zijn tot stand gekomen in het kader van een nader onderzoek
naar mogelijkheden tot vereenvoudiging van de uitvoering van de
bijstand.
Bij dit onderzoek, dat heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de invoering van de
WFA, was de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten betrokken.
Aan artikel 2, eerste lid, is een extra onderdeel
(d) toegevoegd betreffende de bepaling van de start
van de periode van acht maanden indien de uitkering met terugwerkende kracht wordt
toegekend. In dat geval is de aanvraagdatum de ingangsdatum van de uitkering. Als
burgemeester en wethouders in januari de uitkering toekennen over
januari,
ongeacht de datum waarop de toekenning geschiedt, dan geldt de maand januari als eerste
uitkeringsmaand. Wordt de uitkering in januari toegekend, ingaande februari, dan
geldt februari als eerste uitkeringsmaand. Wordt de uitkering in
februari
toegekend met terugwerkende kracht tot januari, dan geldt januari als eerste uitkeringsmaand. Met de
wijziging van het tweede lid van artikel 2 is een tweetal beperkingen
weggenomen.
Ten eerste is het niet meer nodig dat het heronderzoeksplan wordt vastgesteld
vóór 1 januari van
het jaar waarvoor het moet gaan gelden en ten tweede is de beperking in
werkingsduur (één jaar) geschrapt. Ten tweede is de verplichting
vervallen
om in het heronderzoeksplan de omvang van de categorieën
uitkeringsgerechtigden
te bepalen. Deze wijzigingen zijn doorgevoerd om gemeenten in staat te stellen flexibel
om te gaan met de heronderzoeksplannen. De van de Rau
1996 afwijkende termijnen, waarop een nieuw of
gewijzigd heronderzoeksplan betrekking heeft, kunnen door het
gemeentebestuur
alleen voor de toekomst vastgesteld worden; terugwerkende kracht is uitgesloten. Achterstanden
in heronderzoeken worden door een nieuw heronderzoeksplan niet
automatisch
rechtgetrokken. Deze achterstanden zullen op basis van de regelgeving of een
reeds bestaand/voorafgaand heronderzoeksplan moeten worden weggewerkt (onderdeel
B).
Wat betreft de relatie
heronderzoeksplan en beleidsplan wordt opgemerkt
dat het aan gemeenten zelf is om te bepalen of het heronderzoeksplan als onderdeel van het beleidsplan
wordt opgenomen. Ondanks het feit dat voor het beleidsplan blijft gelden
dat het jaarlijks vóór 1 januari, van het jaar waarvoor het moet gelden,
vastgesteld moet worden, zijn de versoepelde bepalingen ten aanzien van
het heronderzoeksplan ook van toepassing indien de gemeente het niet als zelfstandig plan,
maar als onderdeel van het beleidsplan vaststelt. Het ligt in de rede dat gemeenten in hun
beleidsplan en -verslag gegevens op zullen nemen over de omvang van de onderscheiden
categorieën uitkeringsgerechtigden, omdat deze gegevens van wezenlijk belang zijn
voor gemeentelijke beleidskeuzen.
Teneinde voldoende ruimte te scheppen om met de
problematiek van de zogenaamde "draaideurcliënten", dat wil zeggen cliënten die
regelmatig
binnen korte tijd in en uit de uitkering stromen, op een efficiënte wijze om te gaan, wordt met
de in onderdeel C opgenomen wijziging de termijn van het
beëindigingsonderzoek
verlengd van drie naar zes maanden. Daarbij wordt verondersteld dat daar waar er geen sprake is
van te voorziene instroom in de uitkering binnen die zes maanden gemeenten in die gevallen de
beëindiging
zo snel mogelijk afwikkelen. In het geval dat cliënten een hernieuwd beroep op bijstand doen binnen de
hierboven genoemde zes maanden, is het mogelijk om een vereenvoudigde aanvraagprocedure toe te passen. Van
een vereenvoudigde aanvraagprocedure is sprake indien een cliënt
schriftelijk
verklaart dat de hem door de gemeente voorgelegde gegevens, die van belang zijn voor het recht op
uitkering
en de gemeente bekend zijn op basis van de eerdere uitkeringsrelatie, nog juist
en volledig zijn. Dit laat onverlet de verantwoordelijkheid van de gemeente voor de juistheid en
volledigheid
van de gegevens op grond waarvan het recht op bijstand of uitkering herleeft.
De wijzigingen van onderdeel D betreffen het
debiteurenonderzoeksplan, te weten het laten vervallen van de jaarlijkse verplichting van het
opstellen van een nieuw plan en van het opnemen van de omvang van de categorieën van
vorderingen erin. Aan deze wijzigingen liggen dezelfde overwegingen ten grondslag als aan
de vergelijkbare wijzigingen met betrekking tot het heronderzoeksplan (onderdeel
B).
Artikel
11. Wijziging Rau Wik
Met de wijzigingen van de
onderdelen A en B zijn de ontvangstbepalingen
van de Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften Wik
en de onderhavige regeling
geharmoniseerd.
De wijziging van artikel 6a
(onderdeel C) is op de eerste plaats noodzakelijk omdat de vaste vergoeding van ƒ1,5 miljoen per
kalenderjaar voor de uitvoeringskosten aan de adviserende instelling is vastgesteld voor de jaren
1999 en 2000; zonder aanpassing van het artikel zou de rechtsgrond voor voortzetting van deze vergoeding
ontbreken.
Van de gelegenheid is tevens gebruik gemaakt om de hoogte van de vergoedingen (vast en variabel)
aan te passen aan het niveau van de jaren 2001 en 2002.
De onderdelen D, E,
G, H, I en J betreffen de vervanging van de
verantwoordingsdocumenten 1999 van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars
(Wik) door die voor
2000. Verder is een specifieke kwartaaldeclaratie voor het vierde
kwartaal
van het verantwoordingsjaar 2000 (onderdeel F) noodzakelijk in verband met het feit dat het sinds
11 oktober 2000 voor kunstenaars met een eigen woning mogelijk is om een beroep te doen op de
Wik; de te
verlenen uitkering wordt in dat geval verstrekt in de vorm van een
geldlening
onder verband van krediethypotheek. Aan de kwartaaldeclaratie (en aan de jaaropgave 2000) is daarom
een onderdeel krediethypotheek toegevoegd.
Artikel
12. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt, met
uitzondering van artikel 11, onderdeel D tot
en met J, gelijktijdig met de Wet financiering Abw,
Ioaw en Ioaz met ingang van 1 januari 2001 in
werking.
Bij deze regeling horen in totaal
dertien
modellen/bijlagen. Het betreft:
1. het verslag over de uitvoering Abw, Ioaw en
Ioaz 2001;
2. de jaaropgave Abw, Ioaw en Ioaz 2001;
3. de verklaring Abw, Ioaw en Ioaz 2001;
4. de declaratie Abw, Ioaw en
Ioaz 2001 in euro’s;
5. de declaratie Abw, Ioaw en Ioaz 2001 in guldens;
6. het controle- en rapportageprotocol Abw, Ioaw en Ioaz 2001;
7. het controle- en rapportageprotocol Wik 2000;
8. de jaaropgave Wik 2000;
9. de kwartaaldeclaratie Wik vierde kwartaal 2000;
10. de verklaring Wik 2000;
11. het controle- en rapportageprotocol VvK 2000;
12. de jaaropgave VvK 2000;
13. de verklaring VvK 2000.
Deze modellen/bijlagen zijn, met
uitzondering
van de verklaringen en de controle- en rapportageprotocollen, met deze regeling in de
Staatscourant
geplaatst. De verklaringen en de protocollen liggen met ingang van 1 januari 2001 ter inzage
in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid. Alle bijlagen
worden verder aan de gemeenten toegezonden.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
BIJLAGE
Beleidsregels verbetertraject en
zelfstandig
beroep
Vervallen
m.i.v. 1 januari 2004
(art. 2:1 IWwb)
[DATUM]/nr. PM
Directie Toezicht
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 11, derde lid, aanhef
en onder b, van de Wet financiering Abw, Ioaw en
Ioaz;
Besluit:
Art. 1. Definitiebepalingen
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
a. minister: de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. rijksconsulent: de Rijksconsulent Sociale Zekerheid;
c. Abw: Algemene bijstandswet;
d. Ioaw: Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers;
e. Ioaz: Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen;
f. WFA: Wet
financiering Abw, Ioaw en Ioaz;
g. verbeterplan: het, op basis van een analyse van de aard en omvang van
de tekortkomingen, door het gemeentebestuur vastgestelde samenhangende geheel van door de
gemeente te
verrichten inspanningen om tekortkomingen in de uitvoering van de Abw, Ioaw of
Ioaz binnen een benoemde periode op te heffen;
h. verbetertraject: de feitelijke uitvoering van een
verbeterplan ten aanzien waarvan de minister in een
beschikking
heeft aangegeven onder welke voorwaarden hij zijn bevoegdheid, bedoeld in
artikel 11, derde lid, aanhef
en onder b, van de WFA, toepast;
i. zelfstandig
beroep: een verzoek als bedoeld in artikel 7, eerste lid;
j. gecertificeerde verantwoordingsinformatie: informatie ten behoeve van de door de minister te nemen besluiten in
het kader van het vaststellings- en maatregelenbeleid, waarvan is
vastgesteld
dat deze voldoet aan de eisen van juistheid en volledigheid en waarvan de daaraan ten grondslag liggende
gegevens naar het oordeel van de minister navolgbaar zijn;
k. inspanningsverplichting: de verplichting van het gemeentebestuur vervat in
de beschikking van de minister naar aanleiding van het verzoek van de gemeente, bedoeld in
artikel 2, eerste lid, met betrekking tot een bepaalde te verrichten inspanning die noodzakelijk
is voor het slagen van een verbeterplan;
l. ijkmoment: het
moment waarop het gemeentebestuur aantoonbaar één of meer inspanningsverplichtingen
nagekomen moet zijn, waarmee een periode gemarkeerd wordt waarover de minister feitelijk gebruik maakt van
zijn bevoegdheid, bedoeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van
de WFA;
m. vervolgplan: het, op basis van een analyse van de aard en omvang van de tekortkomingen, door het
gemeentebestuur
vastgestelde samenhangende geheel van door de gemeente te verrichten inspanningen om de, na de
einddatum van het verbetertraject, resterende tekortkomingen in de
uitvoering
van de Abw, Ioaw of Ioaz binnen een benoemde periode op te heffen;
n. vervolgtraject: de feitelijke uitvoering van een
vervolgplan ten aanzien waarvan de minister in een
beschikking
heeft aangegeven onder welke voorwaarden hij zijn bevoegdheid, bedoeld in
artikel 11, derde lid, aanhef
en onder b, van de WFA, toepast.
Art. 2. Voorwaarden
verbetertraject
-1. Voor de toepassing van de
bevoegdheid, bedoeld in artikel 11, derde lid,
aanhef en onder b, van de WFA, is vereist dat het gemeentebestuur binnen
zes maanden na het ontstaan van de tekortkomingen dan wel binnen zes maanden na de datum
waarop het gemeentebestuur het ontstaan van de tekortkomingen redelijkerwijze had
kunnen constateren, daartoe een verzoek indient bij de minister, onder gelijktijdige
dan wel zo spoedig mogelijke overlegging van het door het gemeentebestuur vastgestelde
verbeterplan.
-2. Van de bevoegdheid, bedoeld in artikel
11, derde lid, aanhef en onder
b, van de WFA, wordt alleen gebruik gemaakt voor tekortkomingen die:
a. een structureel karakter dragen;
b. niet het gevolg zijn van bewust gemeentelijk uitvoeringsbeleid in strijd
met de Abw, Ioaw en
Ioaz;
c. in redelijkheid niet binnen zes maanden opgeheven kunnen worden.
-3. Voor de toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in
artikel 11, derde lid,
aanhef en onder b, van de WFA, is vereist dat het verbeterplan:
a. een integraal karakter draagt;
b. gericht is op een structurele opheffing van de tekortkomingen;
c. naar het oordeel van de minister voldoende is om de uitvoering zo spoedig mogelijk op orde te krijgen;
d. erin voorziet dat het gemeentebestuur na het verstrijken van een
ijkmoment
en na de einddatum van het verbetertraject verantwoording aflegt aan de minister.
-4. De periode waarover de in artikel
11, derde lid, aanhef en onder
b, van
de WFA bedoelde bevoegdheid wordt toegepast, bedraagt ten hoogste drie jaren.
Art. 3. Beoordeling tussentijdse
inspanningsverplichtingen gemeente
-1. Op basis van gecertificeerde
verantwoordingsinformatie, die het gemeentebestuur
binnen twee maanden na afloop van ieder ijkmoment aan de rijksconsulent zendt, wordt door de minister
beoordeeld of het gemeentebestuur op de ijkmomenten zijn inspanningsverplichtingen is
nagekomen.
-2. Ingeval het laatste ijkmoment samenvalt met de einddatum van het verbetertraject, wordt de betreffende
gemeentelijke verantwoordingsinformatie tegelijk met de in artikel
4,
eerste lid, bedoelde verantwoordingsinformatie aan de rijksconsulent gezonden.
-3. Indien het gemeentebestuur zijn inspanningsverplichtingen op een
ijkmoment nog niet geheel is nagekomen en dientengevolge bij de minister
onvoldoende vertrouwen bestaat in een juiste en tijdige afronding van
het verbetertraject door het gemeentebestuur, wordt vanaf het onmiddellijk
daaraan voorafgaande ijkmoment geen gebruik meer gemaakt van de in artikel
11, derde lid, aanhef en onder
b, van de WFA bedoelde bevoegdheid.
-4. Indien de in het derde lid bedoelde omstandigheid zich voordoet bij het
eerste ijkmoment, wordt vanaf de ingangsdatum van het verbetertraject geen gebruik meer
gemaakt van de in artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de
WFA bedoelde bevoegdheid.
-5. Indien de minister, overeenkomstig het derde en vierde lid, geen gebruik
meer maakt van zijn in artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de
WFA bedoelde bevoegdheid
en het gemeentebestuur nadien op basis van gecertificeerde informatie aantoont
dat hij erin is geslaagd om de tekortkomingen in de uitvoering binnen de looptijd van het verbetertraject op te
heffen, maakt de minister over het jaar waarin het verbetertraject is
afgerond alsnog gebruik van deze bevoegdheid.
Art. 4. Eindverantwoording door
gemeente
-1. Op basis van gecertificeerde
verantwoordingsinformatie, die het gemeentebestuur
binnen drie maanden na de einddatum van het verbetertraject aan de rijksconsulent zendt, wordt door de minister
beoordeeld of de uitvoering van de Abw,
Ioaw en Ioaz
integraal
en structureel op orde is gebracht.
-2. De verantwoordingsinformatie, bedoeld in het eerste lid, is voorzien van een verklaring van een
deskundige, bedoeld in de artikelen 130, vierde lid, van de
Abw, 52, vierde lid, van
de Ioaw en 52, vierde lid, van de Ioaz, omtrent de juistheid en volledigheid
van die informatie.
-3. Indien het gemeentebestuur op de einddatum van het verbetertraject wel
de tekortkomingen heeft opgeheven, maar niet geheel heeft voldaan aan zijn laatste
inpanningsverplichtingen en dientengevolge bij de minister onvoldoende vertrouwen bestaat dat
de verbetering van de uitvoering een structureel karakter heeft, wordt over
de periode tussen het voorlaatste ijkmoment en de einddatum van het
verbetertraject geen gebruik meer gemaakt van de in artikel
11, derde lid, aanhef en onder
b,
van de WFA bedoelde bevoegdheid.
-4. Indien het gemeentebestuur wel aan zijn laatste inspanningsverplichtingen
heeft voldaan, maar desondanks de tekortkomingen bij afloop van het verbetertraject niet
volledig heeft opgeheven, wordt de in artikel
11, derde lid, aanhef en onder
b, van de WFA bedoelde bevoegdheid toegepast over de periode tussen het voorlaatste
ijkmoment en de einddatum van het verbetertraject. Voor de nog niet
opgeheven tekortkomingen wordt deze bevoegdheid niet toegepast na de
einddatum van het verbetertraject, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 5
of artikel 7.
-5. Indien het gemeentebestuur op de einddatum van het verbetertraject de
uitvoering niet structureel op orde heeft en niet voldaan heeft aan de laatste
inspanningsverplichtingen, wordt vanaf het voorlaatste ijkmoment geen gebruik meer gemaakt van
de in artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de WFA bedoelde bevoegdheid.
Art. 5. Vervolgtraject
-1. Direct aansluitend op een
verbetertraject kan de minister
op verzoek van het gemeentebestuur aan zijn
beslissing om de ten laste van de gemeente gebleven kosten ondanks
tekortkomingen in de gemeentelijke uitvoering niet buiten aanmerking te laten
eenmalig
een vervolg geven indien het gemeentebestuur, als gevolg van hem niet te verwijten omstandigheden, er in
redelijkheid niet in heeft kunnen slagen om binnen de looptijd van het
verbetertraject alle noodzakelijke inspanningsverplichtingen af te ronden dan
wel alle tekortkomingen structureel op te heffen.
-2. In het door het gemeentebestuur vast te stellen vervolgplan, dat
overgelegd wordt bij het in het eerste lid bedoelde verzoek, worden de relevante
inspanningen voor het welslagen van dit plan in de regel per kwartaal
gefaseerd
en benoemd.
-3. De artikelen 2, 3 en
4 zijn van
overeenkomstige toepassing.
-4. De looptijd van het vervolgtraject bedraagt niet meer dan de helft van de
looptijd van het verbetertraject.
-5. Van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid wordt door de minister geen gebruik gemaakt indien de
structurele verbetering van de uitvoering binnen drie maanden na de einddatum
van het verbetertraject alsnog kan worden bereikt.
Art. 6. Duurzaamheidsbeoordeling
-1. Indien het gemeentebestuur op grond van
artikel 4, eerste lid, heeft
verklaard dat de uitvoering integraal en structureel op orde is, beoordeelt
de minister, in afwachting van de indiening over het daaropvolgende jaar
door het gemeentebestuur van het verslag over de uitvoering, bedoeld in de artikelen
130, tweede lid,
Abw, 52,
tweede lid, van de Ioaw en 52, tweede lid, van de
Ioaz, en de daarop betrekking hebbende verklaring,
indicatief of de gerealiseerde juiste wetsuitvoering een duurzaam karakter heeft.
-2. De uitkomsten van deze beoordeling laten onverlet dat de
vaststelling, bedoeld in artikel 10 van de WFA, plaatsvindt op grond van het door het
gemeentebestuur ingediende verslag over de uitvoering, bedoeld in de
artikelen 130, tweede lid,
Abw, 52, tweede lid, van de Ioaw en
52, tweede lid, van de
Ioaz.
Art. 7. Zelfstandig
beroep
-1. In afwijking van
artikel 2, eerste
lid, wordt voor de opheffing van structurele tekortkomingen waarvoor het gemeentebestuur een periode van
minder dan zes maanden nodig heeft gehad de bevoegdheid, bedoeld in
artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de WFA, alleen toegepast op grond van een verzoek van het
gemeentebestuur dat gelijktijdig wordt ingediend met de inzending van het
verslag over de uitvoering, bedoeld in de artikelen 130, tweede lid, van de
Abw, 52, tweede lid, van de Ioaw en
52, tweede lid, van de
Ioaz.
-2. In het in het eerste lid bedoelde
verzoek licht het gemeentebestuur toe dat de activiteiten een integraal
karakter hadden en hebben geleid tot een structurele opheffing van de
tekortkomingen.
-3. Artikel 2, tweede lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing.
Art. 8. Beperking hernieuwde
toepassing verbetertraject en zelfstandig beroep
De bevoegdheid, bedoeld in
artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de
WFA, wordt niet toegepast indien in een gemeente
structurele
tekortkomingen in de uitvoering ontstaan binnen een periode van drie jaar, te rekenen
na de einddatum van het verbetertraject of het vervolgtraject dan wel vanaf het vergoedingsjaar waarover
toepassing is gegeven aan het zelfstandig beroep.
Art. 9. Opheffingsgemeente
-1. De toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in
artikel 11, derde lid,
aanhef en onder b, van de WFA, wordt in ieder geval beëindigd met ingang van
de datum waarop de gemeente als gevolg van de wijziging van de gemeentelijke
indeling, bedoeld in
titel VI van de Gemeentewet, ophoudt te bestaan als zelfstandige gemeente.
-2. In geval van beëindiging van het verbetertraject, bedoeld in het eerste
lid, draagt het na de wijziging van de gemeentelijke indeling
verantwoordelijke gemeentebestuur zorg voor de verantwoordingen, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, en artikel
4, eerste
lid.
-3. Ook indien een gemeente, bedoeld in het eerste lid, lopende het proces
van de wijziging van de gemeentelijke indeling tekortkomingen kent in de
uitvoering van de Abw, Ioaw of
Ioaz, kan gebruik gemaakt worden van de bevoegdheid, bedoeld in
artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de WFA, tenzij:
a. de minister
het op basis van de feitelijke omstandigheden redelijk
oordeelt dat het gemeentebestuur de
opheffing van de tekortkomingen tot aan de gemeentelijke herindeling
achterwege laat en voorrang geeft aan het proces van de wijziging van de
gemeentelijke indeling;
b. voor het opheffen van de tekortkomingen geen aanpassingen van de bestaande organisatie vereist zijn.
-4. In de situatie, bedoeld in het
derde lid, onderdeel a, wordt toepassing gegeven aan de bevoegdheid, bedoeld in
artikel 11, derde lid, aanhef en onder a, van de WFA.
-5. In de situatie, bedoeld in het
derde lid, onderdeel b, wordt desgevraagd toepassing gegeven aan het zelfstandig beroep, waarbij voor de periode van
herstel, in afwijking van artikel 7, eerste lid, een periode van uiterlijk
negen maanden geldt.
Art. 10.
Inwerkingtredings- en overgangsbepaling
-1. Deze beleidsregels gelden met ingang van 1 januari
2001.
-2. Deze beleidsregels zijn, met
uitzondering van artikel 8, niet van toepassing op verbetertrajecten en
vervolgtrajecten van vóór deze datum. Op deze trajecten blijft de
werkinstructie verbetertrajecten, zoals aan gemeenten
kenbaar gemaakt bij Circulaire van
14 juli 2000, kenmerk TZ/TG/2000/39667-b, van toepassing, zoals deze vóór dit tijdstip gold.
-3. Op vervolgtrajecten die na 1
januari 2001 zijn aangevangen, ongeacht of ze aansluiten op een verbetertraject van
vóór of na deze datum, zijn deze beleidsregels van toepassing.
Art. 11.
Citeertitel
Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels verbetertraject en
zelfstandig beroep.
Deze beleidsregels zullen met de
toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
TOELICHTING
(12 december 2000)
Algemeen
De Wet financiering Abw,
Ioaw en Ioaz (WFA) geeft vanaf
1 januari 2001 nieuwe regels met betrekking tot de financiering van de
desbetreffende wetten. Voor de ten laste van de
gemeente
gebleven uitkeringskosten
verstrekt de minister
een vergoeding en een uitkering. Kosten die verband
houden met een onrechtmatige wetsuitvoering worden hierbij niet in
aanmerking genomen. De gronden en de
wijzen waarop het buiten aanmerking laten van de uitkeringskosten dient plaats te vinden, zijn geregeld in
artikel 11 van de WFA. Het derde lid van dit artikel geeft de minister de
bevoegdheid ervan af te zien om de kosten buiten aanmerking te laten, voor zover hij van oordeel is
dat burgemeester en wethouders zich voldoende hebben ingespannen om de
tekortkomingen in de wetsuitvoering op te heffen. Deze bepaling is gelijkluidend
aan artikel 4, eerste lid, van het Besluit weigering rijksvergoeding Abw,
Ioaw en Ioaz, welk besluit is ingetrokken met de inwerkingtreding van de
WFA. De beleidsregels op grond
van de WFA betreffen dan ook overwegend een voortzetting van het oude beleid, zoals vastgelegd in de
werkinstructie verbetertraject, die laatstelijk bij Circulaire van 14 juli 2000,
kenmerk TZ/TG/2000/39667-b aan gemeenten kenbaar is gemaakt.
Centraal blijft staan dat de primaire verantwoordelijkheid
voor een juiste wetsuitvoering bij het gemeentebestuur berust, waaronder mede wordt
verstaan
dat het aan het gemeentebestuur is om tekortkomingen in de uitvoering op
te sporen en verbetering aan te brengen. Met het oog op het opheffen van tekortkomingen in de uitvoering is
in het kader van het toezicht op de huidige Abw het verbetertraject als een nieuw bestuurlijk
toezichtsinstrument geïntroduceerd.
Bij de invoering van het
verbetertraject was de landelijke uitvoeringssituatie verre van rooskleurig. De
tekortkomingen, die deels al vóór 1996 waren ontstaan en deels verband
hielden met implementatieproblemen van de nieuwe Abw, kwamen op ruime schaal voor en waren
veelal complex van aard. Die situatie vergde een ruim inzetbaar
toezichtsinstrument. Door
de energieke aanpak van de uitvoeringsproblemen door gemeenten en de toepassing van het verbetertraject is
de landelijke uitvoeringssituatie
inmiddels substantieel verbeterd. Met de toepassing van het verbetertraject en het
single-auditprincipe is een impuls
gegeven aan de realisatie van de gewenste situatie waarin gemeenten
"in control" zijn. Deze ontwikkeling
wordt verder versterkt door de WFA, aangezien aan
deze wet het sturingsconcept
ten grondslag ligt dat de nieuwe bekostigingswijze van de bijstand voor gemeenten een optimale stimulans
biedt voor een zo doeltreffend en doelmatig mogelijk wetsuitvoering. Als gevolg van deze ontwikkelingen zal
gaandeweg minder behoefte bestaan om de uitvoering via de inzet van het verbetertraject bij te sturen. Daar
waar die inzet nog wel wenselijk is,
zal sprake zijn van kortlopende trajecten. Om de toepassing van het instrument
verbetertraject door de minister zo goed mogelijk te laten aansluiten bij
de actuele uitvoeringssituatie is het beleid als volgt aangepast:
a. de duur van het verbetertraject wordt beperkt tot maximaal drie jaar, als
gevolg waarvan de maximale looptijd van een vervolgtraject beperkt blijft
tot achttien maanden;
b. de termijn waarbinnen na afronding van een geslaagd verbetertraject wederom een verbetertraject aan de
orde kan zijn, wordt gewijzigd van twee jaar in drie jaar;
c. de bevoegdheid om de met de tekortkomingen verband houdende kosten niet buiten aanmerking te
laten, zal alleen toegepast worden indien het gemeentebestuur het
verzoek
indient binnen zes maanden na het ontstaan van de tekortkoming(en);
d. het zelfstandig beroep op
artikel 11 van de WFA zal alleen worden toegepast voor minder complexe
uitvoeringsproblemen, waarvoor de inzet
van het instrument verbetertraject te zwaar is; alle complexe
uitvoeringsproblemen
dienen vooraf gemeld te worden.
Genoemde aanpassingen hebben geen betrekking op de
werking en de opzet van het verbetertraject als
bestuurlijk toezichtsinstrument. Deze aspecten, die de effectiviteit van
het verbetertraject als toezichtsinstrument
betreffen, komen aan de orde bij de evaluatie van het verbetertraject. Op basis van
de uitkomsten van die evaluatie zal bezien worden of de beleidsregels
inzake verbetertrajecten en zelfstandig beroep verder aanpassing behoeven.
De minister kan zijn bevoegdheid om de ten laste van de gemeente gebleven
kosten, ondanks tekortkomingen in de gemeentelijke uitvoering, niet buiten
aanmerking te laten op twee momenten toepassen. Deze momenten worden onderscheidenlijk aangeduid als
het verbetertraject en het zelfstandig beroep. Het verbetertraject is alleen
van toepassing voor complexe uitvoeringsproblemen, zijnde structurele tekortkomingen waarvoor het
gemeentebestuur
ten minste een periode van zes maanden nodig heeft om die op te heffen. Ten aanzien van dergelijke
uitvoeringsproblemen past de minister zijn genoemde bevoegdheid alleen toe
indien het gemeentebestuur hem daarom vooraf verzoekt, onder overlegging
van het door het gemeentebestuur vastgestelde verbeterplan. Het doel van deze regel is te voorkomen dat de
minister achteraf voor voldongen feiten wordt geplaatst, waardoor hij belemmerd kan worden in de vereiste
invulling van zijn verantwoordelijkheid voor een juiste uitvoering van de
wet en de rechtmatigheid van de departementale uitgaven. De toepassing van het zelfstandig beroep blijft
beperkt tot de uitvoeringsproblemen die binnen een periode van zes
maanden
opgelost kunnen worden.
Uit de verankering in
artikel 11 van de
WFA vloeit voort dat
de bevoegdheid van de minister direct gerelateerd is aan de verstrekking van de
rijksvergoeding, zodat hij deze bevoegdheid niet kan toepassen met betrekking tot
verbeteringen inzake bijzondere bijstand en de doeltreffendheid van de uitvoering. Voor de toepassing van
het instrument verbetertraject door gemeenten geldt een dergelijke
beperking uiteraard niet. De essentiële betekenis van de toepassing van het
instrument
verbetertraject door de minister is dat hij - op verzoek van het
gemeentebestuur - vooraf kenbaar
maakt dat hij de voorgestane aanpak van de door het gemeentebestuur zelf
onderkende tekortkomingen, blijkens het overgelegde gemeentelijk plan, als
voldoende inspanningen aanmerkt. Met de schriftelijke reactie van de minister, welke de status
heeft van
een beschikking, wordt bij het gemeentebestuur de verwachting gewekt dat de tekortkomingen niet tot een
financiële maatregel zullen leiden. Voorwaarde is wel dat het gemeentebestuur zijn eigen
plan correct uitvoert en dat hij zich ook houdt aan de in de beschikking
opgenomen verplichtingen. De beslissing van de minister heeft overigens uitsluitend betrekking op het onder
voorwaarden niet toepassen van een financiële maatregel. De beslissing
van de minister heeft niet het karakter
van het al dan niet goedkeuring verlenen aan het gemeentelijk verbeterplan. Het
op orde brengen van de uitvoering en de wijze waarop dat geschiedt, is een
door het gemeentebestuur te nemen verantwoordelijkheid, waarvoor geen toestemming van de minister vereist
is. De onderhavige beleidsregels belichten het instrument verbetertraject
uitsluitend vanuit de ministeriële verantwoordelijkheid. Waar die
verantwoordelijkheid - bij toepassing van het instrument door de minister
- samengaat met verantwoordelijkheden van
het gemeentebestuur, komen ook aspecten van de gemeentelijke
verbeterplannen in deze beleidsregels aan bod. Niet in alle situaties lopen die
verantwoordelijkheden gelijk op. Soms kan de minister het instrument niet
toepassen, bijvoorbeeld indien de tekortkoming betrekking heeft op
bijzondere bijstand of de doeltreffendheid van de uitvoering, maar ook
wanneer
de tekortkoming een incidenteel karakter draagt of binnen een periode van
zes maanden verholpen zal zijn. In situaties waarin de minister geheel of gedeeltelijk geen toepassing geeft dan
wel kan geven aan het instrument verbetertraject, blijft de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor een juiste
wetsuitvoering onverkort van kracht. Het is dan ook aan het
gemeentebestuur om op passende wijze de tekortkomingen het hoofd te bieden. Op die
gemeentelijke aanpak hebben de onderhavige beleidsregels evenwel geen betrekking.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel 1.
Definitiebepalingen
In
artikel 1 zijn enkele
begripsbepalingen opgenomen waar in de beleidsregels naar verwezen wordt.
Artikel 2.
Voorwaarden verbetertraject
In dit artikel wordt aangegeven aan
welke voorwaarden voldaan moet zijn voor toepassing van het instrument verbetertraject door de minister. De
eerste voorwaarde behelst dat het gemeentebestuur de minister tijdig,
dat wil zeggen binnen zes maanden na het ontstaan van de tekortkomingen, moet
verzoeken zijn bevoegdheid toe te passen. Deze voorwaarde sluit het best
aan bij de huidige bestuurlijke verantwoordelijkheidsverdeling, waarbij
primair het gemeentebestuur verantwoordelijk
is voor een juiste wetsuitvoering met inbegrip van het toezicht daarop. Dit laatste aspect brengt onder meer
met zich mee dat van het gemeentebestuur verwacht wordt dat hij
tekortkoming(en) in zijn uitvoering tijdig
onderkent en direct initiatieven onderneemt voor de structurele opheffing daarvan. In de praktijk is het niet
altijd mogelijk te bepalen op welke datum een tekortkoming is ontstaan. In een dergelijke situatie wordt de
datum waarop het gemeentebestuur het ontstaan van de tekortkoming redelijkerwijze had kunnen
constateren, aangemerkt als de datum waarop de tekortkoming is ontstaan. Deze
bepaling is van belang omdat het gemeentelijk verzoek binnen zes maanden ingediend moet zijn.
Eerder genoemde
toezichtsverantwoordelijkheid brengt met zich dat het gemeentebestuur er zorg voor moet dragen dat hij
"in control" is, zodat tussen
het optreden en het feitelijk constateren van een tekortkoming slechts een
korte periode kan liggen. Tegen deze achtergrond en op basis van de
feitelijke omstandigheden wordt het criterium "redelijkerwijze" toegepast. Een
situatie waarin het gemeentebestuur in de loop van jaar t, bijvoorbeeld bij
het opmaken van de jaarverantwoording, voor het eerst constateert dat zich
tekortkomingen hebben voorgedaan in het verantwoordingsjaar t-1, voldoet
niet aan het criterium
"redelijkerwijze". Alleen indien het gemeentebestuur aannemelijk kan maken dat hij de
tekortkoming onmogelijk eerder had kunnen constateren, is uitzondering mogelijk. In de (in aansluiting op de
beleidsregels aangepaste) werkinstructie verbetertraject ten behoeve van de rijksconsulent wordt nadere
toelichting gegeven inzake de vereisten waaraan de aanvraag dient te voldoen, het
model aanvraagformulier, het overleg dat naar aanleiding van de aanvraag
zal plaatsvinden tussen de rijksconsulent en de gemeente
alsook de rol die de rijksconsulent in dat overleg
vervult. Uitgangspunt is dat bij de indiening van het verzoek het door het
gemeentebestuur vastgestelde verbeterplan overgelegd wordt. In complexe situaties kan het voorkomen dat het
gemeentebestuur meer tijd nodig heeft om het plan vast te stellen. In een
dergelijke situatie dient het verbeterplan zo spoedig mogelijk na de indiening
van het verzoek overgelegd te worden. In overleg tussen de rijksconsulent en
het gemeentebestuur wordt bepaald, op basis van de specifieke
omstandigheden, binnen welke redelijke termijn de indiening van het vastgestelde
verbeterplan dient plaats te vinden. De eis dat het verbeterplan door het
gemeentebestuur vastgesteld moet zijn, houdt verband met én de
verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur voor een juiste wetsuitvoering
én om
zeker te stellen dat de voor het plan
te ondernemen acties op voldoende bestuurlijk draagvlak kunnen rekenen en dat
de daarvoor benodigde middelen daadwerkelijk beschikbaar worden gesteld.
Primair moet het verbeterplan de minister het vertrouwen
geven dat het gemeentebestuur de uitvoering zo spoedig mogelijk structureel op orde
brengt. Verder geldt dat het instrument verbetertraject alleen wordt
toegepast indien het gemeentebestuur voor nog te verrichten inspanningen
ter opheffing van structurele tekortkomingen welke niet het gevolg zijn van bewust gemeentelijk beleid in strijd
met de Abw, Ioaw en
Ioaz, een minimale periode nodig heeft van zes
maanden. In de volgende gevallen
wordt geen toepassing gegeven aan het instrument verbetertraject, maar
uitsluitend aan het zelfstandig beroep, bedoeld in artikel
7:
a. het gemeentebestuur heeft voor het opheffen van structurele
tekortkomingen minder nodig dan zes maanden respectievelijk negen maanden
in geval van
gemeentelijke herindeling;
b. het gemeentebestuur heeft op het moment van de aanvraag om een
verbetertraject de betreffende tekortkomingen recentelijk geheel opgelost dan
wel voor een deel opgelost, waarbij de resterende activiteiten een periode
van minder dan zes maanden in beslag zullen nemen.
Het door het gemeentebestuur
vastgestelde verbeterplan moet een integraal karakter dragen. Dit betekent
niet alleen dat de gemeente alle bestaande tekortkomingen in de
uitvoering een plaats moet geven in het plan, maar ook dat het oplossen van
de bestaande tekortkoming(en) niet mag leiden tot het ontstaan van tekortkomingen ten
aanzien van andere, reeds op orde zijnde uitvoeringsaspecten. De integrale aanpak is een
voorwaarde voor het realiseren van een structurele oplossing door de gemeente. De integrale aanpak door
het gemeentebestuur dient zich uit te strekken tot al die uitvoeringsaspecten
waarvoor bij wet- en regelgeving eisen zijn gesteld, met inbegrip van de
hierin verweven bepalingen die gericht zijn op het voorkomen en bestrijding van
misbruik en oneigenlijk gebruik (M&O). Omdat de wet daarnaast geen specifieke eisen stelt aan de
gemeentelijke M&O-aanpak, is het niet vereist dat het gemeentebestuur in zijn
verbeterplan een afzonderlijke M&O-paragraaf opneemt. In het verbeterplan
geeft het gemeentebestuur ten aanzien van de onderscheidene
tekortkomingen
aan op welke wijze en binnen welk tijdsbestek een structurele opheffing gerealiseerd wordt.
De inspanningen van de gemeenten moeten er niet alleen op gericht zijn dat
aan het einde van het verbetertraject de tekortkomingen zijn weggewerkt,
maar dienen tevens waarborgen te bieden om te voorkomen dat op een later tijdstip opnieuw een terugval zal
optreden. Het gemeentebestuur vermeldt in het plan welke voor het slagen van het plan noodzakelijke inspanningen verricht
moeten worden en aan welke outputeisen moet worden voldaan om te kunnen
concluderen
dat een structurele opheffing van de tekortkoming heeft plaatsgevonden. In
het verbeterplan dient het gemeentebestuur aan te geven op welke wijze hij na het verstrijken van de
ijkmomenten en na de einddatum van het traject verantwoording aan de minister
zal afleggen. In het vierde lid wordt aangegeven dat de minister zijn bevoegdheid om tijdens de looptijd
van een verbetertraject geen financiële maatregelen te treffen, voor de nieuwe
generatie verbetertrajecten beperkt
tot drie jaar. In artikel 10 wordt geregeld dat deze beperking niet geldt voor
verbetertrajecten van vóór 1 januari 2001. Het bepaalde in het vierde lid moet
niet alleen zo worden uitgelegd dat de minister de toepassing van zijn bevoegdheid in de tijd beperkt, maar
ook dat het gemeentebestuur te allen tijde de tekortkoming(en) binnen die
periode moet hebben verholpen. Indien het gemeentebestuur om hem moverende reden tot een langer
verbetertraject wil komen, zal de minister zijn bevoegdheid - wegens het
ontbreken van vertrouwen in een tijdige, integrale en structurele verbetering
van de uitvoering - in het geheel niet toepassen.
Artikel
3. Beoordeling tussentijdse inspanningsverplichtingen
gemeente
Indien de minister
begunstigend
beschikt op een verzoek, bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt in de beschikking ook
aangegeven onder welke voorwaarden van een financiële maatregel wordt afgezien. Het
moment waarop één of meer voorwaarden nagekomen moeten zijn, is het
ijkmoment.
Het ijkmoment markeert een periode waarover de minister er feitelijk vanaf ziet om voor een
tekortkoming een maatregel te treffen. Loopt een verbetertraject over de
datum 31 december heen, dan wordt altijd een ijkmoment op 31 december gelegd. Gaat het om een meerjarig
verbetertraject, dan kan tussen de twee op 31 december vallende ijkmomenten
een extra ijkmoment ingelast worden. In beginsel valt het laatste ijkmoment
samen met de datum waarop het verbetertraject afloopt. Binnen twee maanden na het verstrijken van een
ijkmoment legt het gemeentebestuur verantwoording af omtrent de
realisatie van de aangegeven inspanningsverplichting. Voor de eindverantwoording omtrent de opheffing van de
tekortkomingen geldt een termijn van drie maanden.
Op basis van de door het
gemeentebestuur aangeleverde gecertificeerde informatie beoordeelt de
rijksconsulent of het gemeentebestuur de in de beschikking van de minister
genoemde inspanningsverplichtingen heeft geleverd. In de situatie waarin het gemeentebestuur juist en volledig
heeft voldaan aan de in de beschikking opgenomen inspanningsverplichtingen,
leiden de tekortkomingen in de uitvoering over de daaraan voorafgaande periode (te
rekenen vanaf de ingangsdatum van het verbetertraject respectievelijk het vorige
ijkmoment) niet tot
het buiten aanmerking laten van de daarmee verband houdende
uitkeringskosten.
Indien het gemeentebestuur de vereiste inspanningen nog niet geheel heeft geleverd, wordt
- gegeven het feit dat in de beschikking van de minister alleen inspanningsverplichtingen zijn
opgenomen die van wezenlijk belang zijn voor het welslagen van het
verbetertraject -
zorgvuldig bepaald welke consequenties de minister hieraan dient te verbinden.
Bij de weging worden in ieder geval de volgende
omstandigheden betrokken:
• in welke (indicatieve) mate is het
aan het gemeentebestuur te verwijten dat één of meer vereiste inspanningen niet
verricht zijn;
• welke betekenis moet aan de achterblijvende inspanning(en) toegekend worden in het geheel van de op
het ijkmoment na te komen inspanningsverplichtingen;
• is het aannemelijk dat het gemeentebestuur de betreffende inspanningen binnen korte termijn alsnog zal
verrichten.
Indien uit de weging van genoemde en andere, naar het oordeel van de
minister, relevante factoren de conclusie getrokken wordt dat de minister
vertrouwen kan blijven houden in een juiste en tijdige afronding van het
verbetertraject door het gemeentebestuur, wordt het ijkmoment inhoudelijk en
procedureel afgewikkeld als ware de inspanningen juist en volledig
verricht. Zo nodig wordt een extra controle ingelast met betrekking tot het op
korte termijn inlopen van de achterstallige inspanningen. Bij een
voorzienbare vertraging van de realisatie van
de betreffende inspanning(en) van meer dan drie maanden dient het gemeentebestuur gemotiveerd aan te
geven dat de ontstane vertraging geen nadelige invloed heeft op de verdere,
correcte en tijdige uitvoering van het verbeterplan. In alle gevallen geldt
dat het gemeentebestuur de betreffende inspanning(en) verricht moet hebben
voordat de rijksvergoeding over het betreffende uitvoeringsjaar wordt
vastgesteld.
Indien uit de weging van genoemde en andere, naar het
oordeel van de minister, relevante factoren de conclusie getrokken wordt dat hij geen
vertrouwen meer kan hebben in een juiste en tijdige afronding van het
verbetertraject
door het gemeentebestuur, leiden de tekortkomingen in de uitvoering over de daaraan
voorafgaande periode (te rekenen vanaf de ingangsdatum van het verbetertraject
respectievelijk het vorige ijkmoment) ertoe dat de daarmee verband houdende
uitkeringskosten op grond van
artikel 11 van de WFA buiten aanmerking
worden
gelaten. Vanaf het begin van die periode wordt gehandeld alsof er geen verbetertraject
(meer) aan de orde is geweest. Indien evenwel blijkt dat het gemeentebestuur aan het einde van het
verbetertraject toch alle tekortkomingen heeft opgeheven, zal over het gehele vergoedingsjaar waarin het
verbetertraject succesvol is beëindigd alsnog afgezien worden van een
financiële maatregel.
Onder gecertificeerde informatie wordt in dit verband
verstaan informatie waarop de minister met vertrouwen, in termen van juistheid en
volledigheid, kan steunen bij het nemen van een gerichte beslissing in het
kader van het vaststellings- en maatregelenbeleid. Belangrijke elementen hierin zijn:
1. de informatie moet volledig zijn (het weglaten van informatie kan
leiden tot een onjuiste beslissing);
2. de informatie moet juist zijn (voor de minister moet duidelijk zijn dat
hij op het waarheidsgehalte van de informatie kan vertrouwen en dus een
terechte beslissing kan nemen);
3. de aan de informatie ten grondslag liggende gegevens moeten navolgbaar
zijn, ten behoeve van het controlespoor.
In het kader van de in het eerste lid bedoelde
verantwoording behoeft de
informatie niet noodzakelijkerwijs door een accountant gecertificeerd te
worden. De certificering kan ook anderszins geschieden, bijvoorbeeld via Interne Controle. In eerste aanleg
is het het gemeentebestuur dat aangeeft welke informatie wordt verstrekt en waarom het gerechtvaardigd is dat
de minister op die informatie kan vertrouwen. Het is aan de minister om daarover vooraf een oordeel uit te
spreken. Tijdens het overleg tussen gemeente
en rijksconsulent worden heldere afspraken gemaakt over de
wijze van verantwoording.
Artikel 4.
Eindverantwoording door
gemeente
Binnen drie maanden na de einddatum
van het verbetertraject dient het gemeentebestuur te verantwoorden dat de uitvoering structureel op orde is.
Dit betekent niet alleen dat de uitvoeringsaspecten waarop de
verbeteractiviteiten specifiek gericht waren, opgeheven moeten zijn, maar dat
- gelet op het integrale karakter van het verbetertraject - ook de overige
uitvoeringsaspecten nog steeds op orde moeten
zijn. Indien het gemeentebestuur ook inspanningen diende te verrichten tussen het voorlaatste ijkmoment en
de einddatum van het verbetertraject, zal het gemeentebestuur zich ook over
die inspanningen dienen te verantwoorden. Bij de verantwoording door het
gemeentebestuur kunnen zich de volgende situaties voordoen:
a. uitvoering is structureel op orde
en aan laatste inpanningsverplichting is voldaan.
In de situatie waarin het gemeentebestuur de uitvoering structureel op orde heeft en ook heeft voldaan aan de
laatste inspanningsverplichting, geldt dat de tekortkomingen in de
uitvoering over de periode tussen het voorlaatste ijkmoment en de einddatum van het verbetertraject niet tot een
financiële maatregel leiden.
b. uitvoering is structureel op orde, maar aan laatste
inpanningsverplichting
is niet voldaan.
In de situatie waarin het gemeentebestuur niet de laatste
inspanningsverplichting is nagekomen, maar wel verantwoordt dat hij de uitvoering structureel op orde heeft gebracht, lijkt sprake van een ongerijmdheid. De
inspanningsverplichting wordt immers noodzakelijk geacht voor het slagen
van het verbeterplan. De minister
zal in deze situatie bepalen of het niet
(geheel) nakomen van de laatste inspanningsverplichting door het gemeentebestuur
van invloed is op het vereiste vertrouwen dat de uitvoering structureel op orde is gebracht. Bij
het oordeel dat het verzuim geen nadelig effect heeft dan wel zal hebben op
het structurele karakter van de verbetering, is onderdeel a van
overeenkomstige toepassing. Bij het oordeel dat
het verzuim wel nadelig effect heeft dan wel zal hebben op het structurele
karakter van de verbetering, geldt dat de tekortkomingen in de uitvoering
over de periode tussen het voorlaatste ijkmoment en de einddatum van het
verbetertraject zullen leiden tot het niet in aanmerking nemen van de daarmee verband houdende kosten,
zodat bij de vaststelling van de rijksvergoeding over het jaar waarin de looptijd van het verbetertraject is
afgelopen een financiële maatregel aan de orde zal zijn.
c. uitvoering is niet structureel op
orde, maar aan laatste inpanningsverplichting is voldaan.
Heeft het gemeentebestuur wel aan zijn laatste inspanningsverplichting voldaan, maar zijn de
tekortkomingen desondanks niet (volledig) opgeheven, dan geldt dat de tekortkomingen in de
uitvoering over de periode tussen het voorlaatste ijkmoment en de
einddatum
van het verbetertraject niet tot een financiële maatregel leiden, maar ook dat bij de vaststelling van de
rijksvergoeding vanaf het moment waarop de looptijd van het
verbetertraject is beëindigd in principe een financiële maatregel aan de orde zal
zijn. Een dergelijke maatregel zal niet geëffectueerd worden indien het
gemeentebestuur bij de indiening van de jaaropgave kan aantonen dat hij de
resttekortkoming(en) binnen zes maanden na de einddatum van het niet-geslaagde verbetertraject alsnog heeft
verholpen.
d. uitvoering is niet structureel op orde en aan laatste
inpanningsverplichting
is niet voldaan.
In deze situatie geldt dat twee financiële maatregelen aan de orde zijn. De eerste maatregel heeft
- wegens het
niet nakomen van de laatste inspanningsverplichting - betrekking op de periode tussen het voorlaatste ijkmoment en
de einddatum van het verbetertraject. De tweede maatregel heeft betrekking
op de periode na afloop van het verbetertraject, voor zover de
tekortkoming
in de uitvoering voortbestaat. Ten aanzien van de tweede maatregel geldt dat die maatregel niet
geëffectueerd
zal worden indien het gemeentebestuur bij de indiening van de jaaropgave
kan aantonen dat hij de resttekortkoming(en) binnen zes maanden na de einddatum van het
niet-geslaagde verbetertraject alsnog heeft
verholpen.
Artikel
5.
Vervolgtraject
In de
toelichting op artikel 2 is al
aangegeven dat het gemeentebestuur in het verbeterplan moet aangeven hoe
en binnen welk tijdsbestek hij de onderscheidene tekortkomingen
structureel zal opheffen. Bij het opstellen van het verbeterplan, zeker als de
looptijd één jaar of meer beslaat, kan het gemeentebestuur niet alle
toekomstige interne en externe ontwikkeling (geheel) overzien. Vanuit zijn
verantwoordelijkheid voor een juiste uitvoering van het eigen verbeterplan is het
derhalve van groot belang dat het gemeentebestuur zich regelmatig laat informeren over
de stand van zaken van de uitvoering van het plan en dat hij waar nodig aanvullende
maatregelen treft om juiste uitvoering van het plan te blijven verzekeren.
Desondanks kan het voorkomen dat bij de beëindiging van het
verbetertraject
enkele tekortkomingen resteren, waarvoor de gemeente
een vervolgtraject wil uitvoeren.
In het eerste lid zijn de
belangrijkste voorwaarden opgenomen voor toepassing van het zogeheten vervolgtraject:
het moet direct aansluiten op het verbetertraject en de omstandigheden die
aan het niet volledig welslagen van
het verbetertraject ten grondslag hebben gelegen, moeten het gemeentebestuur
niet verwijtbaar zijn. Voorts is in
het eerste lid de beperking opgenomen dat een vervolgtraject slechts eenmalig
aan de orde kan zijn. Heeft het gemeentebestuur na de einddatum van het
vervolgtraject de uitvoering nog niet geheel op orde, dan kan een tweede
vervolgtraject nimmer aan de orde zijn, ongeacht de omstandigheden. Uit genoemde voorwaarden en beperking
komt het uitzonderlijke karakter van een vervolgtraject naar voren.
Kenmerkend voor de systematiek van het vervolgtraject is
dat het in
tijd gezien altijd aansluit op het verbetertraject. De afgegeven beschikking
verbetertraject blijft in stand, in die zin dat er geen langere looptijd in de
beschikking wordt opgenomen. Ook niet als het gemeentebestuur al in een vroeg stadium meldt dat het
verbetertraject niet tijdig tot het gewenste resultaat zal leiden.
De einddatum van het
verbetertraject blijft altijd overeind.
Indien het - vóór afloop van het
verbetertraject in te dienen - verzoek van het gemeentebestuur inzake een
vervolgtraject wordt gehonoreerd, start het vervolgtraject op de eerste dag na de
einddatum van het verbetertraject.
De beoordeling of het niet slagen van het verbetertraject
het gemeentebestuur al dan niet verwijtbaar is, geschiedt vanuit een bestuurlijke
optiek. Dit betekent dat bij de beoordeling van de verwijtbaarheid rekening
wordt gehouden met zowel omgevings- als sturingsfactoren. De
omgevingsfactoren
betreffen de van buiten komende, niet door het gemeentebestuur
beïnvloedbare
omstandigheden. Sturingsfactoren hebben daarentegen betrekking op omstandigheden die wel
binnen de invloedssfeer van het gemeentebestuur liggen en waarvoor hij dan ook het risico loopt,
bijvoorbeeld ziekteverzuim personeel, automatiseringsproblemen, in gebreke
blijvende derden, etc. Bij de omgevingsfactoren gaat het derhalve over de vraag of de onmogelijkheid om het
verbeterplan binnen de gestelde periode juist uit te voeren het
gemeentebestuur niet toegerekend kan worden. De sturingsfactoren houden verband
met de adequate invulling door het gemeentebestuur van zijn
verantwoordelijkheid
voor een juiste uitvoering van de wet en het daarop gerichte
verbeterplan. In dit kader wordt beoordeeld of het gemeentebestuur
voldoende
sturing geeft aan het traject naar een juiste wetsuitvoering door tijdig
de juiste maatregelen te nemen bij (dreigende) tegenslag.
De beoordeling van de verwijtbaarheid omvat de volgende
vragen:
1. Waren problemen niet te voorzien bij aanvang van het verbetertraject?
2. Is aangetoond dat de problemen redelijkerwijs bepalend van invloed zijn op de realisatie van het
verbetertraject?
3. Hebben de problemen betrekking op de bestaande
tekortkomingen (dus er zijn geen nieuwe tekortkomingen ontstaan)?
4. Heeft het gemeentebestuur alles gedaan wat redelijkerwijze in zijn
feitelijke macht ligt om toch het beoogde resultaat te bereiken of de stagnatie
in de realisering tot een minimum te beperken?
Pas als alle vragen positief beantwoord kunnen worden, komt het verzoek van het gemeentebestuur voor
inwilliging in aanmerking.
Ten aanzien van de vraag inzake de voorzienbaarheid van
de problemen geldt dat problemen nooit onvoorzienbaar geacht worden in de gevallen dat het gemeentebestuur aan
het begin van het verbetertraject hetzij een verkeerde analyse van de oorzaken van de uitvoeringsproblemen heeft gemaakt als gevolg waarvan zich
problemen voordoen ten aanzien van de realisering van het verbetertraject,
hetzij bewust risico’s neemt die lopende het verbetertraject een struikelblok
blijken.
Gegeven de uitzonderlijke situatie van het
vervolgtraject is
het van belang dat het gemeentebestuur in beginsel per kwartaal benoemt welke
inspanningen verricht moeten worden om de uitvoering zo spoedig mogelijk
na de einddatum van het verbetertraject op orde te krijgen. Bij elk
ijkmoment dient in ieder geval als inspanningsverplichting geformuleerd te worden dat een overzicht van de stand
van zaken ten aanzien van de inloop van achterstanden of ten aanzien van
de uitvoering wordt opgesteld. Van het gemeentebestuur wordt niet geëist
dat hij op bepaalde tijdstippen de achterstand in bijvoorbeeld
heronderzoeken tot een bepaald niveau heeft ingelopen, maar wel wordt van hem
gevraagd op elk ijkmoment de stand van zaken inzichtelijk te maken. Daarmee kan in een tijdig stadium
bezien worden of de vervolgaanpak daadwerkelijk tot succes leidt.
Artikel 6.
Duurzaamheidsbeoordeling
Het doel van een verbetertraject is
dat het gemeentebestuur zijn uitvoering structureel op orde gaat brengen. Bij
afloop van een verbetertraject kan wel worden geconstateerd dat de
uitvoering op dat moment over de volle breedte op orde is, doch zekerheid
over het structurele karakter daarvan wordt eerst later verkregen. Omdat
tussen het moment van beëindiging van het verbetertraject en de formele
verantwoording, bedoeld in de artikelen 130
Abw, 52
Ioaw en 52 Ioaz, over het
daaropvolgende jaar een
aanzienlijke periode kan liggen, is
het wenselijk om duurzaamheid van de getroffen verbeteringen tussentijds te
volgen. Ter voorkoming van een doublure met de gemeentelijke
verantwoording en bijbehorende accountantsverklaring wordt de duurzaamheid indicatief beoordeeld op basis van reeds
bestaande informatiestromen binnen de gemeente. Het gaat erom dat de gemeente bij de
duurzaamheidsbeoordeling, die in voornoemde periode een- à tweemaal zal worden uitgevoerd, aannemelijk kan
maken dat de uitvoering nog steeds op orde is. Binnen redelijke grenzen zal
de gemeente moeten kunnen staven dat haar uitvoering nog steeds op orde is,
bijvoorbeeld met de uitkomsten van de interne controle. In deze vorm is
de duurzaamheidsbeoordeling niet geheel vrijblijvend, maar ook niet al te
belastend voor de gemeente en draagt het bij aan een versterking van de
eerstelijnsuitvoeringscontrole binnen de gemeente. Het integrale karakter van
verbetertrajecten betekent onder meer dat na afloop ervan de uitvoering in de
volle breedte op orde moet zijn. In
het verlengde van deze doelstelling is de beoordeling van de duurzaamheid ook
gericht op de uitvoering in de volle breedte en blijft de beoordeling niet
beperkt tot uitsluitend de opgeheven tekortkomingen.
Is het gemeentebestuur niet in staat de door de minister
verlangde informatie te leveren, dan zal de minister, gelet op het doel en karakter van de
duurzaamheidsbeoordeling, geen gebruik maken van de mogelijkheid tot eigenstandig
onderzoek.
Een duurzaamheidsbeoordeling kan grofweg tot één van
de volgende conclusies leiden dat het gemeentebestuur:
a. aannemelijk heeft gemaakt dat de uitvoering nog steeds op orde is;
b. niet of onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de uitvoering nog steeds op orde is;
c. niet (voldoende) in staat is
gebleken de door de minister gevraagde informatie te verstrekken.
Maakt het gemeentebestuur niet of onvoldoende
aannemelijk dat de uitvoering nog steeds op orde is, dan treden het bestaande toezichtsbeleid en
de bestaande bijsturende toezichtsinstrumenten in werking. Kan het gemeentebestuur de door de minister
verlangde informatie niet leveren, ook niet nadat hem een extra termijn van
twee à drie maanden is gegeven, dan wordt het gemeentebestuur gewezen op het verhoogde risico bij de vaststelling
van de rijksvergoeding indien achteraf
bij de indiening van de jaaropgave blijkt dat sprake is geweest van een onjuiste
uitvoering. Uiteraard zal in deze situatie met het gemeentebestuur
besproken worden op welke wijze hij zo
spoedig mogelijk goede invulling gaat geven aan de
eerstelijnsuitvoeringscontrole.
Artikel
7.
Zelfstandig beroep
Voor de minder complex op te lossen
uitvoeringsproblemen wordt de inzet van het verbetertraject te zwaar
geoordeeld. Voor een dergelijke situatie kan het gemeentebestuur gebruik maken
van het zelfstandig beroep op
artikel 11 van de WFA, gelijktijdig met de
inzending van het verslag over de uitvoering. Uiteraard zal het
gemeentebestuur zijn verzoek wel moeten onderbouwen.
In de toelichting op artikel 2 is al aangegeven dat de nadere verfijning hiervan toegelicht zal worden in de werkinstructie voor de
rijksconsulent. In
artikel 7 wordt het begrip "minder complex op te
lossen uitvoeringsproblemen"
geobjectiveerd op structurele tekortkomingen ter opheffing waarvan het
gemeentebestuur
een periode van minder dan zes maanden nodig heeft gehad. In de
toelichting op de artikelen 2 en 4 is reeds vermeld dat het zelfstandig beroep
ook van toepassing is indien het gemeentebestuur na een niet-succesvolle beëindiging van zijn
verbetertraject
binnen zes maanden de resttekortkomingen heeft verholpen. In artikel 9 wordt bepaald dat
in geval van een
gemeentelijke herindeling de termijn negen in plaats van zes maanden bedraagt.
Artikel
8.
Beperking hernieuwde
toepassing verbetertraject en zelfstandig beroep
De toezichtsinstrumenten
verbetertraject en het zelfstandig beroep worden ingezet met als doel dat een
gemeente zodanige maatregelen treft dat bestaande tekortkomingen in de
uitvoering op zo kort mogelijk termijn worden opgeheven. De aanpak van de
tekortkomingen door het gemeentebestuur dient een integraal karakter te dragen en de inspanningen van het
gemeentebestuur moeten gericht zijn op de structurele opheffing van de tekortkoming(en), ongeacht of het
gaat om het verbetertraject of het zelfstandig beroep. Deze vereisten
impliceren dat het gemeentebestuur de uitvoering bij beëindiging van het verbetertraject of vervolgtraject dan
wel na toepassing van bedoeld zelfstandig beroep over de volle breedte op orde moet
hebben en houden. In het geval waarin een gemeente onverhoopt binnen een periode van drie
jaar na de einddatum van het verbetertraject of vervolgtraject dan wel na toepassing van bedoeld zelfstandig
beroep wederom te kampen krijgt met één of meer structurele
tekortkomingen
in de uitvoering, zal hij weliswaar zijn verantwoordelijkheid moeten nemen om de tekortkomingen
op te heffen, maar zal van rijkswege niet opnieuw van een financiële maatregel
worden afgezien. Het is hierbij niet van belang - gegeven de integrale
benadering - op welk uitvoeringsaspect de nieuwe tekortkoming betrekking
heeft. De toepassingsbeperking moet ruim worden uitgelegd, dus niet alleen als
na de einddatum van een eerder verbetertraject een nieuw verbetertraject wordt aangevraagd of na een eerdere
toepassing van het zelfstandig beroep het gemeentebestuur hierop wederom
een beroep doet, maar ook als het gemeentebestuur na de einddatum van een verbetertraject een zelfstandig
beroep doet op
artikel 11 van de WFA en omgekeerd.
Met de periode van drie jaar wordt aangegeven wat de
ondergrens is voor de eis dat de uitvoering structureel
op orde moet zijn.
Artikel
9.
Opheffingsgemeente
Als gevolg van gemeentelijke
herindelingen kunnen gemeenten geconfronteerd worden met samenvoeging en
opheffing. Samenvoeging en opheffing leidt in veel gevallen tot het
opzetten van een geheel nieuwe organisatie. Het vergt in ieder geval veel inspanningen
van de betreffende gemeenten, hetgeen invloed heeft op de bestaande
organisaties.
In artikel 9 wordt aangegeven welk beleid wordt gevoerd ten aanzien van de opheffingsgemeente die
actuele tekortkomingen in de uitvoering kent.
Indien de gemeente die een verzoek indient inzake een
verbetertraject verwikkeld is in een gemeentelijke herindeling, zal de minister
zijn
bevoegdheid
ervan af te zien om de met de onrechtmatige wetsuitvoering samenhangende
kosten buiten aanmerking te laten, toepassen tot aan de datum waarop de gemeentelijke
herindeling een feit wordt. Die datum is niet
altijd bekend wanneer de minister op het verzoek van de gemeente beschikt. In
de beschikking wordt dan de vereiste looptijd opgenomen. Het eerste lid geeft aan dat het verbetertraject
voortijdig wordt beëindigd indien later blijkt dat de gemeentelijke
herindeling formeel plaatsvindt voordat de in de beschikking van de minister vermelde
looptijd is verstreken. Het is immers niet op voorhand bekend hoe de
resterende
tekortkomingen van de opgeheven gemeente uitpakken voor de nieuw gevormde gemeente. De
uitvoeringssituatie van de andere bij de herindeling betrokken gemeente(n) is
hiervoor ook van belang, evenals de onderlinge verhoudingen in aantallen
cliënten, enzovoorts. Mocht blijken
dat in de nieuwe gemeente direct al sprake is van een structurele tekortkoming in
één of meer aspecten van de wetsuitvoering, kan het nieuw gevormde gemeentebestuur een verzoek inzake
een verbetertraject indienen.
Het eerste en tweede lid hebben betrekking op de situatie
dat een gemeentelijke herindeling invloed uitoefent op een reeds lopend
verbetertraject. Het derde tot en met het
vijfde lid regelen het beleid indien de datum van gemeentelijke herindeling al
formeel vaststaat op het moment dat de gemeente het verzoek inzake een
verbetertraject bij de minister indient. Indien, op basis van de door het
gemeentebestuur verstrekte informatie, vast komt te staan dat de opheffing
van de tekortkomingen in de uitvoering onvermijdelijk gepaard zullen gaan met aanpassingen van de bestaande, doch binnen afzienbare
tijd op te heffen organisatie, zal beoordeeld worden of dat verantwoord wordt geoordeeld, gelet op hetgeen
gelijktijdig van de gemeente wordt verlangd in het kader van de herindeling. Ligt de kern van de oplossing
bijvoorbeeld in de aanschaf van een nieuw computersysteem, dan is het niet
verantwoord hierin te investeren indien voorzienbaar is dat de tekortkomingen
het hoofd geboden worden in het nieuwe computersysteem dat de nieuw te vormen gemeente in
gebruik zal gaan nemen. Is de minister van oordeel dat een aanpassing van de bestaande organisatie niet
verantwoord
is, dan wordt het instrument verbetertraject niet toegepast. Gelet
op de aard van de afwegingen die hieraan ten grondslag liggen, zullen de
tekortkomingen wel als "van bijzondere aard" aangemerkt worden, zodat
een financiële maatregel achterwege
blijft. Het feit dat een verbetertraject niet verantwoord wordt geacht, ontslaat
het gemeentebestuur niet van zijn verantwoordelijkheid om de
tekortkomingen zoveel als mogelijk te beperken. Binnen de grenzen van de
redelijkheid
dient het gemeentebestuur alles op alles te zetten om tot een zo goed mogelijke startpositie van de
nieuw te vormen gemeente te komen.
Is een aanpassing van de bestaande organisatie niet nodig
om de tekortkomingen op te heffen, dan zal de oplossing gezocht moeten worden in het
zelfstandig beroep, aangezien dit voor de gemeente een minder belastend
instrument
is dan het verbetertraject. Voor het zelfstandig beroep geldt dat de tekortkomingen binnen een periode
van zes maanden opgelost moeten zijn. Om de bij de herindeling betrokken gemeenten iets meer armslag te
geven, is deze termijn voor hen in het vijfde lid opgerekt tot negen maanden.
Artikel
10.
Inwerkingtredings- en
overgangsbepaling
De overgangsbepaling is in het
bijzonder van belang voor die aspecten van het beleid die ingaande 1 januari 2001
worden aangepast. Uitgangspunt is dat het gewijzigde beleid alleen van toepassing is op nieuwe
verbetertrajecten en op nieuwe verzoeken van gemeenten
in de zin van zelfstandige
beroep. Op verbetertrajecten die vóór 1 januari 2001 zijn aangevangen en op
ieder zelfstandig beroep dat vóór die datum is ingediend, blijven de
werkinstructies verbetertrajecten, zoals aan gemeenten kenbaar gemaakt bij
Circulaire van 14 juli 2000, kenmerk TZ/TG/2000/39667-b, van toepassing.
Het derde lid geeft aan dat wanneer een vóór 1 januari 2001 aangevangen verbetertraject na die datum wordt
beëindigd en aansluitend een vervolgtraject aan de orde is, de nieuwe beleidsregels van toepassing zijn op
dat vervolgtraject.
|
|