|
- Bijstandsregeling
vakantietoeslag
- Bijstandsregeling
vakantietoeslag 1996
12 december 2000/nr. BZ/IW/00/81420
Directie Bijstandszaken
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 46
van de Algemene bijstandswet;
Besluit:
Art.
1.
Begrippen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. inkomen: het in aanmerking
te nemen inkomen, bedoeld in artikel 47,
eerste lid, van de Algemene bijstandswet,
voor zover daarover aanspraak op vakantietoeslag bestaat, zonder
de daarin begrepen aanspraak op vakantietoeslag, na aftrek van de
daarover verschuldigde loonbelasting, premies, bijdragen en
inhoudingen, bedoeld in artikel 45 van die wet;
b. aanspraak op
vakantietoeslag: de aanspraak op vakantietoeslag over het inkomen,
bedoeld in artikel 46 van de Algemene bijstandswet,
na aftrek van de daarover verschuldigde loonbelasting, premies,
bijdragen en inhoudingen, bedoeld in artikel
45 van die wet;
c. algemene heffingskorting:
de tot een bedrag per maand omgerekende algemene heffingskorting,
bedoeld in artikel 22 van de Wet
op de loonbelasting 1964;
d. arbeidskorting: de
arbeidskorting, bedoeld in artikel 22a van de Wet
op de loonbelasting 1964.
Art.
2.
Reikwijdte
Deze regeling is van toepassing op de vaststelling van de
aanspraak op vakantietoeslag over een inkomen ontvangen in de
periode van 1 april 2003 tot en met 31 december 2003.
Art.
3.
In aanmerking te nemen vakantietoeslag
Indien over het inkomen van de belanghebbende aanspraak op
vakantietoeslag bestaat, nemen burgemeester en wethouders bij de
vaststelling van de hoogte van de algemene bijstand mede de op
grond van artikel 4, 5, 6
of
7 berekende aanspraak op vakantietoeslag in
aanmerking.
Art.
4.
Vakantieaanspraak voor personen jonger dan 65 jaar met inkomen
uit tegenwoordige arbeid
Indien de belanghebbende jonger dan 65 jaar is, het in aanmerking
te nemen inkomen loon uit tegenwoordige arbeid betreft en voor de
inhouding van loonheffing rekening is gehouden met de
arbeidskorting en de algemene heffingskorting, wordt de aanspraak
op vakantietoeslag vastgesteld aan de hand van de navolgende
tabel, waarbij onder "ink" het inkomen wordt verstaan:
| Bij
een inkomen gelijk aan of meer dan: |
en minder dan: |
bedraagt
de aanspraak op vakantietoeslag: |
| €|
| 0,00 |
€|
430,44 |
8,00%
x ink |
| €|
430,44 |
€|
521,21 |
7,76%
x ink - €|11,43 |
| €|
521,21 |
€|
945,02 |
6,69%
x ink - €| 5,87 |
| €|
945,02 |
€|
948,66 |
1,13%
x ink + €|46,72 |
| €|
948,66 |
€|1013,01 |
1,01%
x ink + €|42,21 |
| €|1013,01 |
|
6,03%
x ink - €| 8,65 |
Art.
5.
Vakantieaanspraak voor personen jonger dan 65 jaar met inkomen
uit vroegere arbeid
Indien de belanghebbende jonger dan 65 jaar is, het in aanmerking te
nemen inkomen loon uit vroegere arbeid betreft en voor de inhouding van
loonheffing rekening is gehouden met de algemene heffingskorting, wordt
de aanspraak op vakantietoeslag vastgesteld aan de hand van de
navolgende tabel, waarbij onder "ink" het inkomen wordt
verstaan:
Bij
een inkomen gelijk
aan of meer dan: |
en minder dan: |
bedraagt
de aanspraak op vakantietoeslag: |
| €|
|0,00 |
€|406,43 |
8,00%
x ink |
| €|406,43 |
€|863,78 |
8,01%
x ink - €|11,80 |
| €|863,78 |
€|866,88 |
1,34%
x ink + €|45,73 |
| €|866,88 |
€|921,09 |
1,21%
x ink + €|41,29 |
| €|921,09 |
|
7,22%
x ink - €|14,10 |
Art.
6.
Vakantieaanspraak voor personen jonger dan 65 jaar voor wie
geen rekening is gehouden met de algemene heffingskorting
Indien de belanghebbende jonger dan 65 jaar is en voor de
inhouding van loonheffing geen rekening is gehouden met de
algemene heffingskorting, wordt de aanspraak op vakantietoeslag
vastgesteld aan de hand van de navolgende tabel, waarbij onder
"ink" het inkomen wordt verstaan:
| Bij
een inkomen gelijk aan of meer dan: |
en minder dan: |
bedraagt
de aanspraak op vakantietoeslag: |
| €|
|0,00 |
€|716,36 |
8,00%
x ink |
| €|716,36 |
€|719,33 |
1,34%
x ink + €|47,71 |
| €|719,33 |
€|773,67 |
1,01%
x ink + €|43,17 |
| €|773,67 |
|
7,22%
x ink - €| 3,44 |
Art.
7.
Vakantieaanspraak voor personen van 65 jaar of ouder
-1. Indien de belanghebbende 65 jaar
of ouder is en het inkomen van de belanghebbende bestaat uit een
gekort pensioen als bedoeld in artikel 13
van de Algemene
Ouderdomswet, bedraagt de daarbij behorende aanspraak op
vakantietoeslag 5,30% van dat inkomen.
-2. Indien de belanghebbende 65 jaar
of ouder is en naast het inkomen, bedoeld in het eerste lid, een
ander inkomen heeft dat recht geeft op een vakantietoeslag,
bedraagt de aanspraak op die vakantietoeslag 8,00% van dat andere
inkomen.
Art.
8.
Intrekking van een regeling
De Bijstandsregeling vakantietoeslag 1996 wordt ingetrokken.
Art.
9.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.
Art.
10.
Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Bijstandsregeling
vakantietoeslag 2001.
Deze regeling
zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
's Gravenhage, 12 december 2000.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
TOELICHTING
[12 december 2000]
Algemeen
Op grond van artikel 46
van de
Algemene bijstandswet worden regels
gesteld voor het in aanmerking nemen van de aanspraak op vakantietoeslag
over een inkomen. Op grond van deze regeling wordt de aanspraak op
vakantietoeslag die over een inkomen bestaat niet vastgesteld op het te
zijner tijd feitelijk uit te betalen bedrag, maar wordt deze op grond
van het maandinkomen forfaitair vastgesteld. Reden voor deze forfaitaire
vaststelling van de aanspraak op vakantiegeld is gelegen in de netto
inkomensverrekening van de bijstand. Aangezien in de bijstandsnorm de
vakantietoeslag is begrepen, moet - voor een juiste verrekening van het
aanmerking te nemen inkomen - in dat inkomen ook de vakantietoeslag zijn
begrepen. Duidelijkheid over de nettoaanspraak op vakantiegeld bestaat
niet eerder dan bij de uitbetaling daarvan. Dit betekent dat, ingeval de
belanghebbende een te verrekenen inkomen ontvangt, de definitieve
aanspraak op bijstand over de betreffende periode pas feitelijk kan
worden vastgesteld als de uitbetaling van het vakantiegeld heeft
plaatsgevonden. Dit gegeven zou de verrekening van het vakantiegeld tot
een aanmerkelijke administratieve belasting maken voor de gemeenten.
Bovendien moet de gemeente in dat geval voor de vaststelling van de over
de bijstandsuitkering uit te betalen vakantietoeslag afzonderlijk
inlichtingen vragen over het ontvangen vakantiegeld. In sommige gevallen
kan het daarbij voorkomen dat blijkt dat het ontvangen vakantiegeld meer
bedraagt dan de over de bijstandsuitkering opgebouwde aanspraak of dat
door het vakantiegeld het totale inkomen de bijstandsnorm te boven gaat.
Eén en ander brengt specifieke verrekenings- en
terugvorderingsproblemen met zich mee. In voorkomende gevallen biedt het
feitelijk uitbetaalde vakantiegeld bovendien nog geen duidelijkheid over
het bedrag dat met de bijstand moet worden verrekend, namelijk indien de
periode waarop het uitbetaalde vakantiegeld betrekking heeft niet
samenvalt met de periode waarover bijstand is verleend. Het ontvangen
vakantiegeld dient dan te worden toegerekend aan de onderscheiden
periodes. Als de hoogte van het betreffende inkomen - en derhalve ook
van de daarbij opgebouwde aanspraken op vakantiegeld - van maand tot
maand niet gelijk was, dient de toerekening naar rato te geschieden.
Om de hier geschetste administratieve problemen
te vermijden, voorziet de Algemene bijstandswet
in een forfaitaire vaststelling van de - netto - aanspraak op
vakantiegeld. Deze regeling strekt daartoe.
Uitgangspunt bij de opstelling van de
rekenregels is dat het op grond daarvan forfaitair vast te stellen
nettovakantiegeld slechts binnen een beperkte marge mag afwijken van het
feitelijk door de belanghebbende te ontvangen bedrag. Een al te grove
benadering zou niet in overeenstemming zijn met het
minimumbehoeftekarakter van de Algemene bijstandswet. Tegelijk dienen de
te hanteren regels echter zodanig te zijn dat deze voor de gemeenten ook
daadwerkelijk tot een administratieve verlichting leiden. De in deze
regeling opgenomen bepalingen voldoen aan deze voorwaarden. Naast de
hoogte van het nettomaandinkomen en de leeftijd (jonger dan 65 jaar of
65 jaar of ouder) behoeft de gemeente slechts over informatie te
beschikken over de aard van het inkomen om op grond daarvan de
nettoaanspraak op vakantietoeslag te kunnen berekenen. In de onderhavige
regeling wordt namelijk onderscheid gemaakt tussen inkomens uit
tegenwoordige arbeid en inkomen uit vroegere arbeid. Dit houdt verband
met de verschillende bruto-nettotrajecten.
Een onderdeel van het bruto-nettotraject is de
ingehouden loonheffing. In de huidige regeling is daarbij uitgegaan van
het stelsel van belastingvrije en tariefgroepen. Als gevolg van de
inwerkingtreding van de Wet
inkomstenbelasting 2001 per 1 januari 2001 worden de belastingvrije
sommen en de tariefgroepen vervangen door een stelsel van
heffingskortingen. Dit heeft gevolgen voor de berekening van de
verschuldigde loonheffing. De huidige regeling is gepubliceerd in
Staatscourant 1995, 248, en is nadien aangepast als gevolg van de
gewijzigde belastingtarieven en premies. Als gevolg van de in de
regeling gebruikte en verouderde terminologie wordt de bestaande
regeling ingetrokken.
Hieronder wordt nader ingegaan op de
aansluiting tussen de berekende en de feitelijk ontvangen
nettovakantietoeslag.
In deze regeling wordt als uitgangspunt voor de
berekening van de nettoaanspraak op vakantiegeld van het
nettomaandinkomen uitgegaan. Netto-inkomens vormen immers de basis voor
de beoordeling van het recht op bijstand.
Uitgaande van dit nettomaandinkomen zijn de
volgende relaties met de nettoaanspraak op vakantietoeslag van belang.
De nettovakantietoeslag is het resultaat van de inhouding van belasting
en premies op de brutovakantietoeslag. Gegeven de systematiek van de
belasting en premieheffing bestaat tussen beide een bepaalde verhouding.
De brutovakantietoeslag bedraagt op zijn beurt een bepaald percentage
van het bruto-inkomen. Het bruto-inkomen kan ten slotte worden
voorgesteld als het netto-inkomen vermeerderd met de ingehouden
belasting en premies. Ook hierbij geldt dat, gegeven de belasting- en
premieheffingsystematiek, tussen deze elementen eveneens een bepaalde
verhouding bestaat.
Het forfaitaire karakter van de rekenregels
waarin deze regeling voorziet, komt tot uitdrukking in de aannamen die
worden gemaakt ten aanzien van de over het maandinkomen en vakantiegeld
verschuldigde belasting en premies alsmede van de hoogte van het
percentage vakantiegeld waarop aanspraak bestaat. Wat dit laatste
betreft, wordt uitgegaan van een aanspraak op vakantiegeld ter hoogte
van 8 procent van het bruto-inkomen. Op grond van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag kan ten minste op dit
percentage vakantiegeld aanspraak worden gemaakt. De veronderstelde
aanspraak kan er derhalve niet toe leiden dat de belanghebbende een
hoger vakantiegeld wordt toegerekend dan deze in feite ontvangt. Voor
zover het feitelijke vakantiegeld hoger is, leidt de gehanteerde aanname
tot een onderschatting en daarmee tot een feitelijk iets te hoge
uitkering. Gelet op het zeer geringe aantal gevallen dat het hier
betreft, is dat geen aanleiding voor een verbijzondering van de regels,
mede gelet op de administratieve complicaties die hieruit voor de
gemeenten zouden voortvloeien.
Voor de hoogte van de verschuldigde belasting
en premies wordt aangesloten bij het loonheffingsregime dat geldt op het
moment van ontvangst van het inkomen waarover de aanspraak op
vakantiegeld wordt vastgesteld. Voor aanspraken die in de loop van het
vakantiejaar worden opgebouwd, kan het veronderstelde loonheffingsregime
afwijken van het regime dat feitelijk van toepassing is op het
vakantiegeld. De inhouding van loonbelasting en premies op het
vakantiegeld vindt namelijk niet plaats op het moment van opbouw van de
aanspraken, maar op het moment van feitelijke uitbetaling. De
verschillen zijn evenwel doorgaans beperkt tot hooguit enkele guldens
per maand en blijken elkaar in de loop der jaren goeddeels op te heffen.
Voor de verschuldigde belastingen en premies
wordt een onderscheid gemaakt naar personen jonger dan 65 jaar en
personen van 65 jaar of ouder.
Bij degenen jonger dan 65 jaar is bij de
opstelling van de rekenregels ervan uitgegaan dat de belanghebbenden
verplicht verzekerd zijn op grond van de Ziekenfondswet
en dat over het inkomen werknemerspremies verschuldigd zijn of een
daaraan gelijke inhouding. Voor de premies werknemersverzekeringen wordt
uitgegaan van het gemiddelde percentage zoals dat wordt gehanteerd voor
de vaststelling van het nettominimumloon als
koppelingsgrondslag voor het
sociaal minimum en voor de vereveningsbijdrage die op bruto
vastgestelde uitkeringen wordt ingehouden. Deze aannamen blijken slechts
in zeer beperkte mate te leiden tot een over- of onderschatting van de
nettovakantietoeslag.
Personen van 65 jaar of ouder zijn geen premie
ingevolge de
Algemene Ouderdomswet (AOW) verschuldigd. Bovendien is er bij hen
van uitgegaan dat over het ontvangen inkomen geen premies op grond van
de werknemersverzekeringen verschuldigd zijn of een daaraan equivalente
inhouding (vereveningsbijdrage) plaatsvindt. Hierdoor verschilt bij hen
de verhouding tussen netto- en bruto-inkomen aanzienlijk van die van
personen jonger dan 65 jaar. Evenals bij personen jonger dan 65 jaar is
er bij de berekeningen van uitgegaan dat de belanghebbende van 65 jaar
of ouder bij een ziekenfonds is verzekerd.
Bij de opstelling van deze rekenregels is
bovendien onderscheid gemaakt tussen loon uit tegenwoordige arbeid en
loon uit vroegere arbeid. Dit is nodig omdat met name de inhouding van
loonheffing van elkaar verschillen. Bij het inkomen uit tegenwoordige
arbeid is er sprake van een arbeidskorting. Bij inkomsten uit vroegere
arbeid is dat niet het geval.
Naast het hierboven genoemde onderscheid naar
de leeftijd van de belanghebbende en de aard van het inkomen is
uiteraard de netto-inkomenshoogte van belang voor de vaststelling van
het daarover te ontvangen nettovakantiegeld en wel in verhouding tot de
toepasselijke algemene heffingskorting en arbeidskorting, en de
premievrije voet die van toepassing is bij de vaststelling van de
werkloosheidspremie. Door de invloed van met name deze elementen is er
sprake van afwijkende verhoudingen tussen het nettomaandinkomen en het
nettovakantiegeld naargelang de hoogte van het nettomaandinkomen.
Als de verschuldigde loonheffing lager is dan
de algemene heffingskorting en eventuele arbeidskorting, dan is er geen
inhouding van loonheffing. Het netto-inkomen is dan gelijk is aan het
bruto-inkomen verminderd met het werknemersdeel in de premie
Ziekenfondswet. Bij dergelijke inkomens vindt
ook geen inhouding van loonheffing plaats op het vakantiegeld. In dit
inkomenstraject is de netto verhouding tussen het vakantiegeld en het
maandinkomen dan ook dezelfde als de bruto verhouding.
Bij hogere maandinkomens is er als gevolg van
het inkomensonafhankelijke effect van de algemene heffingskorting en de
eventuele arbeidskorting geen sprake van een evenredige verhouding
tussen het netto- en het brutomaandinkomen. Voor de herleiding van het
brutomaandinkomen - en daarmee van het bruto- en vervolgens het
nettovakantiegeld - is de verhouding tussen het inkomen en de
toepasselijke heffingskorting doorslaggevend.
De volgens deze uitgangspunten en aannamen
opgestelde rekenregels hebben een grote mate van nauwkeurigheid. Over
het algemeen zijn de verschillen met de feitelijk uit te betalen
nettovakantietoeslag beperkt tot bedragen die ruim onder de ƒ1,- per
maand liggen.
De op grond van dit besluit forfaitair
vastgestelde vakantieaanspraak laat in beginsel geen correcties meer
toe.
Deze regeling is als ontwerp bij brief van 15
september 2000, kenmerk BZ/IW/00/61277, aan de gemeenten gezonden. Nu de
tarieven voor 2001 bekend zijn, is de regeling definitief vastgesteld.
De systematiek van de regeling is ten opzichte van de ontwerp-regeling
niet gewijzigd.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel 1.
Begrippen
In
dit artikel worden omschrijvingen gegeven van enkele in deze regeling
voorkomende begrippen. Voor de hier niet omschreven termen zijn de
begripsbepalingen van de wet zelf van
toepassing.
Het begrip "inkomen", dat het
uitgangspunt vormt voor de berekening van de aanspraak op vakantiegeld,
sluit aan bij het inkomensbegrip van de artikelen 45
en
47 van de wet.
Het gaat om het in het kader van de bijstandverlening gebruikelijke
nettomaandinkomen, dat wil zeggen na aftrek van premies en
loonbelasting. Vergoedingen van de werkgever worden niet tot het inkomen
gerekend. In afwijking van
artikel 47 van de wet behoort de
aanspraak op vakantiegeld uiteraard niet tot het inkomensbegrip. De
volgens deze regeling vast te stellen aanspraak op vakantietoeslag is,
zoals blijkt uit de definitie in onderdeel b, eveneens een netto
bedrag.
Voor de berekening van de nettoaanspraak op
vakantiegeld is, naast onder andere de hoogte van het inkomen, de op dat
inkomen toegepaste heffingskorting van belang. Wanneer de belanghebbende
meer dan één te verrekenen inkomen ontvangt, kan voor deze inkomens
onder het huidige fiscale regime een verschillende kolomindeling van
toepassing zijn. Het hier omschreven begrip sluit aan bij de feitelijke
kolomindeling waarin het inkomen is ingedeeld en niet de indeling waarop
de belanghebbende aanspraak kan maken. Dit staat uiteraard niet in de
weg voor een afwijkende inkomensvaststelling, op grond van onder meer artikel 42
van de Algemene bijstandswet, als de
belanghebbende verwijtbaar geen gebruik maakt van een gunstiger
kolomindeling. Omdat in deze regeling wordt uitgegaan van maandinkomens,
wordt de heffingskorting herleid tot een bedrag per maand.
Artikel 2.
Reikwijdte
De
in deze regeling gegeven rekenregels sluiten aan op de voor de belasting
en premieheffing toepasselijke percentages en bedragen voor het
kalenderjaar 2001. Deze regels kunnen derhalve alleen van toepassing
zijn op inkomens die in dat jaar worden ontvangen. Hoewel dat over het
algemeen samenvalt, is niet van belang op welk jaar dat inkomen
betrekking heeft, maar in welk jaar het feitelijk is ontvangen. In de
regel zal het geen probleem zijn om vast te stellen in welk jaar een
inkomen is ontvangen. Om deze aansluiting bij de belasting en
premieheffing te verzekeren, dienen hierbij in voorkomende gevallen de
criteria te worden gevolgd die de loonbelasting hiervoor hanteert. In
het incidentele geval dat over een inkomen uit een voorafgaand jaar de
aanspraak op vakantiegeld moet worden vastgesteld, kan de gemeente
in beginsel geen gebruik maken van deze rekenregels. Het ligt voor de
hand dat de gemeente dan uitgaat van het feitelijk netto ontvangen
vakantiegeld.
Artikel 3.
In aanmerking te nemen
vakantietoeslag
Met
nadruk zij er hier op gewezen dat het forfaitaire karakter van deze
regeling beperkt blijft tot de vaststelling van een aanspraak op
vakantietoeslag en niet op de aanwezigheid van een dergelijke aanspraak
als zodanig. Als over een inkomen geen aanspraak op vakantietoeslag
bestaat, zoals doorgaans het geval is bij alimentatie of een particulier
ouderdomspensioen, is toepassing van deze regeling derhalve niet aan de
orde. Er is dan immers geen sprake van een aanspraak op vakantietoeslag
die dient te worden vastgesteld.
Artikel 4.
Vakantieaanspraak voor personen jonger dan 65 jaar met inkomen uit
tegenwoordige arbeid
Bij
het samenstellen van de in dit artikel opgenomen rekenregels is
uitgegaan van het bruto-nettotraject zoals dat geldt voor inkomens uit
tegenwoordige arbeid. Daarop zijn de witte tabellen loonbelasting/premie
volksverzekeringen van toepassing. Specifiek voor inkomsten uit
tegenwoordige arbeid is de arbeidskorting. Deze is verwerkt in de kolom
waarin de loonheffingskorting is verwerkt. In de tabel die in dit
artikel is opgenomen, is met inhouding van loonheffing volgens deze
kolom rekening gehouden.
Afhankelijk van de hoogte van het inkomen zijn
er verschillende trajecten te onderscheiden:
- er wordt geen loonheffing ingehouden omdat de verschuldigde
loonheffing lager is dan de loonheffingskorting. Bovendien is er - gelet
op de hoogte van de premievrije voet - geen inhouding van de
werkloosheidspremie.
- er vindt geen inhouding plaats van de werkloosheidspremie op het
maandinkomen, wel op de vakantieaanspraak.
- er vindt inhouding van de werkloosheidspremie plaats op zowel het
maandloon als op de vakantieaanspraak.
- de over de vakantieaanspraak verschuldigde loonheffing wordt berekend
naar inhouding volgens de tweede belastingschijf.
Artikel 5.
Vakantieaanspraak voor personen jonger dan 65 jaar met inkomen uit
vroegere arbeid
Bij
het samenstellen van de in dit artikel opgenomen rekenregels is
uitgegaan van het bruto-nettotraject zoals dat geldt voor inkomens uit
vroegere arbeid. Daarop is de groene tabel loonbelasting/premie
volksverzekeringen van toepassing. Deze tabel kent voor personen die
jonger zijn dan 65 jaar twee kolommen: één waarin geen
loonheffingskorting is verwerkt en één waarin de loonheffingskorting
(bestaande uit de algemene heffingskorting) is verwerkt. In de tabel die
in dit artikel is opgenomen, is met inhouding van loonheffing via deze
kolom rekening gehouden.
Dezelfde bruto-nettotrajecten zijn te
onderscheiden als de trajecten, genoemd in artikel 4.
Het verschil wordt veroorzaakt doordat bij de samenstelling van de in
dit artikel genoemde formules geen rekening is gehouden met de
arbeidskorting.
Artikel 6.
Vakantieaanspraak voor personen jonger dan 65 jaar voor wie geen rekening is
gehouden met de algemene heffingskorting
In
de bruto-nettotrajecten waarvan is uitgegaan bij samenstelling van de
tabel in de artikelen 4 en
5 is ten aanzien van de verschuldigde loonheffing
rekening gehouden met de toepasselijke loonheffingskorting. Omdat niet
is toegestaan dat bij meer dan één inhoudingsplichtige de
loonheffingskorting wordt vergolden, is voor de situatie dat er meerdere
inkomens zijn die aan voorheffing zijn onderworpen een tabel
samengesteld waarbij ten aanzien van de verschuldigde loonheffing geen
rekening is gehouden met de loonheffingskorting. Aangezien het
bruto-nettotraject voor loon uit tegenwoordige arbeid gelijk is aan het
traject voor loon uit vroegere arbeid, hoeft hier geen onderscheid naar
soort inkomen te worden gemaakt.
Artikel 7.
Vakantieaanspraak voor personen van 65 jaar of ouder
De
in dit artikel opgenomen rekenregels zijn van toepassing op inkomens
ontvangen door personen van 65 jaar of ouder. In het algemene gedeelte
van deze toelichting is al opgemerkt dat de verhouding tussen netto- en
bruto-inkomen aanzienlijk verschilt van die van degenen jonger dan 65
jaar.
Voor de situatie dat een persoon die ouder is
dan 65 jaar naast zijn
AOW-pensioen nog inkomsten geniet, is er bij de
vaststelling van het in het eerste lid genoemde percentage van uitgegaan
dat bij de inhouding van loonheffing over het AOW-pensioen door de
uitkerende instantie al rekening is gehouden met de algemene
heffingskorting en de ouderenkorting en voor zover van toepassing met de
aanvullende ouderenkorting.
Ten aanzien van de in het tweede lid genoemde
percentage is uitgegaan van een inhouding van loonheffing op het
onvolledige AOW-pensioen, waarbij rekening is gehouden met de
ouderenkorting en voor zover van toepassing de aanvullende
ouderenkorting.
Artikel 8.
Intrekking van een regeling
In
het algemene deel van de toelichting is al aangegeven dat door de
invoering van de Belastingherziening 2001 de systematiek van loonheffing
is gewijzigd en de terminologie is verouderd. Om deze reden wordt de
bestaande regeling geheel herzien en kan worden ingetrokken.
Artikel 9.
Inwerkingtreding
Met
de datum van inwerkingtreding van deze regeling wordt aangesloten bij de
datum van inwerkingtreding van de
Wet
inkomstenbelasting 2001.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
|
|