|
- Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1996
- Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1997
- Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1998
- Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1999
- Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 2000
- Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang
alleenstaande ouders 2002
18 december 2000/nr. BZ/ACT/00/83688
Directie Bijstandszaken
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 3, eerste lid, en 8, eerste lid, van de
Kaderwet SZW-subsidies;
Besluit:
Art. 1.
Definities
-1. In deze regeling wordt verstaan
onder:
a. de minister: de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. alleenstaande ouder: ongehuwde
dan wel degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd
is, en die de volledige zorg
heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen
gezamenlijke
huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
c. ten laste komend kind: kind
in de leeftijd van 0 jaar tot de leeftijd waarop het primair onderwijs voor dat kind eindigt en voor wie de
alleenstaande ouder aanspraak op kinderbijslag op grond van de
Algemene
Kinderbijslagwet kan maken;
d. kinderopvang: het in
georganiseerd verband tegen vergoeding verzorgen en opvoeden van kinderen door
anderen dan de eigen ouder, pleeg- of stiefouder op uren dat deze zelf hiervoor niet beschikbaar is wegens de
omstandigheden, bedoeld in artikel 2, eerste lid;
e. kinderopvangplaats: aanbod
van kinderopvang dat voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens het Tijdelijk
besluit kwaliteitsregels kinderopvang, waarbij de volgende soorten worden
onderscheiden:
1º. hele-dagopvang: aanbod van kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van 0 jaar tot en met 4 jaar gedurende
negen of meer aaneengesloten uren per werk- of studiedag;
2º. halve-dagopvang: aanbod van kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van 0 jaar tot en met 4 jaar gedurende
minimaal vijf, maar minder dan negen aaneengesloten uren per werk- of
studiedag;
3º. buitenschoolse opvang: het in georganiseerd verband tegen vergoeding bieden van verzorging, opvoeding,
toezicht en vrijetijdsactiviteiten aan kinderen in de leeftijd van 4 jaar tot de leeftijd waarop het primair onderwijs
voor dat kind eindigt, door anderen dan de eigen ouders, pleeg- of
stiefouders, waarbij in ieder geval opvang wordt geboden na school en in
schoolvakanties;
4º. gastouderopvang: kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van 0
jaar tot de leeftijd waarop het primair onderwijs voor dat kind eindigt in een
gezinssituatie die tot stand komt
door bemiddeling van een gastouderbureau gedurende ten minste vijf uren per
week en die betrekking heeft op gelijktijdig ten hoogste vier kinderen.
-2. Burgemeester en wethouders kunnen voor de toepassing van deze
regeling
besluiten gehuwden, als partners geregistreerden of ongehuwd
samenwonenden gelijk te stellen met een alleenstaande ouder in het geval
één van de partners door omstandigheden de volledige zorg voor één of meer
tot hun last komende kinderen op zich heeft genomen.
Art. 2.
Subsidie aan de gemeente
-1. De minister verstrekt op aanvraag
aan een gemeente subsidie voor de door de gemeente in het kalenderjaar 2001 te maken kosten voor
kinderopvangplaatsen voortvloeiend uit overeenkomsten als bedoeld in artikel
3,
eerste lid, ten behoeve van alleenstaande ouders die als zodanig in dat jaar:
a. algemene bijstand ontvangen als bedoeld in de Algemene bijstandswet en:
1º. betaalde arbeid verrichten; of
2º. ten aanzien van wie het volgen
van scholing of een opleiding noodzakelijk wordt geacht voor de inschakeling
in de arbeid; of
3º. deelnemen aan activiteiten die
bijdragen tot sociale activering;
b. geen algemene bijstand meer ontvangen als bedoeld in de Algemene bijstandswet wegens het direct daarop
aansluitend verrichten van betaalde arbeid, waaronder begrepen arbeid die
met overheidsbijdragen wordt gefinancierd dan wel waarvoor de werkgever
subsidie ontvangt op grond van de Wet inschakeling
werkzoekenden, het Besluit in- en doorstroombanen of de
Regeling schoonmaakdiensten particulieren, waarbij, met inachtneming van
artikel 12, naar het oordeel van
burgemeester en wethouders het bekostigen van de kinderopvang nog steeds
noodzakelijk is om die arbeid te kunnen blijven verrichten;
c. een uitkering ontvangen als bedoeld in de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars;
d. de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt, scholing of een opleiding volgen dan wel betaalde arbeid
verrichten, en met toepassing van artikel 11 of
13, vierde lid, van de Algemene
bijstandswet algemene bijstand ontvangen of kunnen ontvangen.
-2. Met algemene bijstand als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel
a, b en d, wordt gelijkgesteld een uitkering op grond van enige socialezekerheidswet
waarvan de hoogte de bijstandsuitkering voor een alleenstaande ouder niet te boven gaat indien naar het oordeel
van burgemeester en wethouders het ontbreken van de bekostiging van
kinderopvang
ten aanzien van de betreffende alleenstaande ouder zou leiden tot onbillijkheden van
overwegende aard.
-3. Gemeenten hebben geen recht op subsidie voor de te maken kosten voor kinderopvang op basis van deze
regeling voor alleenstaande ouders ten aanzien van wie artikel 74 van de
Werkloosheidswet of artikel 22a
van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten van toepassing is.
Art. 3.
Subsidievoorwaarden
-1. De subsidie wordt verleend indien
de gemeente voor de alleenstaande ouder of de alleenstaande ouder zelf met
instemming van de gemeente, met een instelling of een natuurlijk
persoon die de kinderopvangplaats verzorgt, daartoe een schriftelijke
overeenkomst sluit.
-2. In de overeenkomst is op duidelijke en overzichtelijke wijze vermeld:
a. de instelling jegens welke of de natuurlijke persoon jegens wie de
uitgaven worden gedaan;
b. de instelling of de natuurlijke persoon die de kinderopvang verricht indien deze een andere is dan bedoeld
in onderdeel a;
c. naam en geboortedatum van de kinderen voor wie de kinderopvang pleegt te worden genoten;
d. naam en adres van de alleenstaande ouder ten behoeve van wie de
overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt aangegaan;
e. de periode waarin en het aantal dagen van de week waarop naar
hele-dagopvang, halve-dagopvang, buitenschoolse opvang of gastouderopvang
onderscheiden, van deze regeling gebruik pleegt te worden gemaakt;
f. het adres waar de kinderopvang pleegt plaats te vinden.
-3. Burgemeester en wethouders, of de alleenstaande ouder, bedoeld in het
eerste lid, die de overeenkomst aangaat, dragen er zorg voor dat in de overeenkomst:
a. geen langere opzegtermijn wordt opgenomen dan twee maanden; en
b. de instelling of de natuurlijke persoon, bedoeld in onderdeel
a of b van het tweede lid, is verplicht de gemeente te berichten indien zich
onregelmatigheden voordoen ten aanzien van het gebruik van de kinderopvangplaats.
-4. Na de ontvangst van een bericht als bedoeld in het derde lid, onderdeel
b,
onderzoeken burgemeester en wethouders of de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid,
moet worden
voortgezet. Zo nodig zeggen burgemeester en wethouders de overeenkomst op.
-5. Aan de gemeente wordt geen subsidie verleend voor zover ten aanzien van de overeenkomst voor de
kinderopvangplaats
recht bestaat op een andere subsidie of werkgeversbijdrage.
Art. 4.
Beschikbaar budget en verdeling van het budget
-1. Het voor deze regeling beschikbare
budget bedraagt ƒ131 100 000,00.¹
-2. De maximale subsidie per gemeente wordt op basis van het bedrag, genoemd in het eerste lid, bepaald naar
evenredigheid van het aantal alleenstaande ouders dat volgens de
facettencode CBS per ultimo 1999 in de
gemeente woonplaats had en als zodanig algemene bijstand op grond van de
Algemene bijstandswet ontving, waarbij de subsidie in ieder geval per gemeente die een aanvraag doet op
basis van deze regeling het equivalent is van één volledige
kinderopvangplaats. De uit de eerste volzin voortvloeiende maximaal beschikbare
subsidie per gemeente is opgenomen in
bijlage 1 bij deze regeling.
-3. Indien de ontwikkeling van de lonen in de gepremieerde en
gesubsidieerde sector of de ontwikkeling van het prijsindexcijfer van de
particuliere gezinsconsumptie daartoe aanleiding geeft, wordt het bedrag, bedoeld in het
eerste lid, door de minister
herzien
en bekendgemaakt in de Staatscourant.
1. Raadpleeg voor het eurobedrag het
supplement "Aanpassingsregelingen euro" bij Staatscourant
2001, 214, red.
Art. 5.
Subsidiebedrag
-1. De subsidie voor een
kinderopvangplaats in de vorm van hele-dagopvang voor vijf of meer werk- of studiedagen
per week gedurende een geheel kalenderjaar bedraagt ƒ20 765,00.¹
-2. De subsidie voor een kinderopvangplaats in de vorm van
halve-dagopvang of buitenschoolse opvang voor
vijf of meer werk- of studiedagen per week gedurende een geheel
kalenderjaar bedraagt ƒ13 705,00.¹
-3. De subsidie voor een kinderopvangplaats in de vorm van
gastouderopvang gedurende een geheel kalenderjaar bedraagt ƒ8305,00.¹
-4. De subsidie wordt naar evenredigheid verlaagd, indien:
a. de kinderopvangplaats, bedoeld in het eerste of tweede lid, voor minder
dan vijf werk- of studiedagen van de week wordt overeengekomen of slechts
gedurende een gedeelte van het kalenderjaar; of
b. de kinderopvangplaats, bedoeld in het derde lid, slechts gedurende een
gedeelte van het kalenderjaar wordt overeengekomen.
-5. Artikel 4, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing op de bedragen genoemd in dit artikel.
1. Raadpleeg voor de eurobedragen het
supplement "Aanpassingsregelingen euro" bij Staatscourant
2001, 214, red.
Art. 6.
Indiening aanvraag
-1. Burgemeester en wethouders dragen
zorg dat de minister uiterlijk op 1
april 2001 een aanvraag heeft ontvangen om in aanmerking te komen voor subsidie.
-2. Bij de aanvraag wordt aangegeven tot welk subsidiebedrag burgemeester
en wethouders voornemens zijn in 2001 door middel van overeenkomsten als bedoeld in
artikel 3, eerste lid, kinderopvangplaatsen voor alleenstaande ouders aan te gaan. Daarbij kunnen
burgemeester en wethouders aangeven voor meer of minder subsidie in
aanmerking te willen komen dan bij toepassing van artikel
4, tweede lid, voor
die gemeente beschikbaar is. De aanvraag is ingericht volgens de bij deze
regeling behorende bijlage 2.
-3. Indien burgemeester en wethouders bij de aanvraag te kennen geven het
maximumsubsidiebedrag dat volgt uit de toepassing van artikel
4, tweede
lid, niet of niet volledig te zullen aanwenden, kan de minister voor die
gemeente een lagere maximale subsidie verlenen, overeenkomstig het door die gemeente aangegeven bedrag.
-4. Indien de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, niet uiterlijk op 1 april
is ontvangen door de minister, kan de minister de subsidie ambtshalve op
nihil vaststellen en het voorschot, bedoeld in artikel 7, eerste lid,
terugvorderen.
-5. Indien de minister gebruik gemaakt heeft van de bevoegdheid, bedoeld in
het derde lid of vierde lid, kan hij de daardoor resterende subsidie
toevoegen aan de gemeenten die meer subsidie hebben aangevraagd dan het
maximale
subsidiebedrag en voor die gemeenten een hogere maximale subsidie verlenen.
Artikel 4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
-6. Burgemeester en wethouders van gemeenten die
zorg dragen dat de
aanvraag, bedoeld in het eerste lid, tijdig is ontvangen door de minister,
ontvangen vóór 1 juni 2001 van de minister een beschikking tot subsidieverlening
waarin de maximale subsidie voor het jaar 2001 is opgenomen.
Art. 7.
Bevoorschotting
-1. De minister
betaalt op of omstreeks
15 februari 2001 aan gemeenten een voorschot van 50% van de maximale subsidie, bedoeld in
artikel 4, tweede
lid, zonder dat daartoe door burgemeester en wethouders reeds een
aanvraag is ingediend.
-2. Gemeenten die over het jaar 1999 geen of een
nihiljaaropgave als bedoeld in artikel 11 van de Regeling
kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1999 en over het jaar 2000 geen aanvraag voor
kinderopvang als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Regeling
kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 2000 hebben
ingediend,
ontvangen geen voorschot, tenzij de aanvraag, bedoeld in artikel
6, eerste lid, uiterlijk op 1 februari
2001 door de minister is ontvangen. In dat geval ontvangt de gemeente het
voorschot, bedoeld in het eerste lid, op of omstreeks 15 maart 2001.
-3. De minister betaalt op of omstreeks 15 juni 2001 aan gemeenten een
voorschot van 80% van de maximale subsidie, bedoeld in artikel
6, zesde lid. Bij
de betaalbaarstelling van dit
voorschot wordt het voorschot, bedoeld in het eerste of tweede lid, verrekend dan
wel teruggevorderd.
-4. Indien de minister gebruik maakt van zijn bevoegdheid, bedoeld in
artikel 4, derde lid, of artikel 5, vijfde
lid, wordt de daaruit voortvloeiende hogere subsidie zo spoedig mogelijk bij wijze van voorschot in één keer aan
gemeenten betaalbaar gesteld tot 80% van de maximale subsidie, bedoeld in
artikel 6, zesde lid.
Art. 8.
Jaaropgave
-1. Burgemeester en wethouders dragen
zorg dat uiterlijk op 20 september 2002 de minister
opgave van de in het
kalenderjaar 2001 voor subsidie in aanmerking komende kosten
voortvloeiend uit overeenkomsten voor kinderopvang, bedoeld in deze regeling,
heeft ontvangen. Deze jaaropgave is, indien de opgave betrekking heeft op
een subsidiebedrag hoger dan ƒ100 000,00 ¹, voorzien van een verklaring van een
deskundige belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet
voorgeschreven controle omtrent de juistheid van gegevens.
-2. De jaaropgave en de verklaring, bedoeld in het eerste lid, zijn
ingericht overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 3 respectievelijk
bijlage 4.
-3. De verklaring van de deskundige, bedoeld in het eerste lid, is
gebaseerd op een controle die is uitgevoerd overeenkomstig het in bijlage 5 bij deze
regeling beschreven controle- en rapportageprotocol.
1. Raadpleeg voor het eurobedrag het
supplement "Aanpassingsregelingen euro" bij Staatscourant
2001, 214, red.
Art. 9.
Toezicht
-1. Met het toezicht op de naleving van
deze regeling zijn belast de
ambtenaren van de Directie Toezicht en van de Accountantsdienst van het ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
-2. Burgemeester en wethouders verstrekken desgevraagd aan de
minister kosteloos alle
inlichtingen die hij
voor het toezicht en de beleidsvorming met betrekking tot deze regeling nodig
heeft en verlenen inzage in de administratie ter zake van belang zijnde bescheiden.
Art. 10.
Administratieve verplichtingen
-1. Burgemeester en wethouders dragen
er zorg voor dat de administratie voor de uitvoering van deze regeling
zodanig
wordt ingericht dat, naast de in artikel 3, eerste lid, bedoelde
overeenkomsten, dan wel indien de alleenstaande ouder zelf met instemming
van de gemeente een overeenkomst sluit een afschrift van deze
overeenkomst,
alle overige van belang zijnde vastleggingen en bewijsstukken ten behoeve van het
besluitvormings-, uitvoerings-, controle- en verantwoordingsproces zichtbaar en
controleerbaar
zijn vastgelegd.
-2. Burgemeester en wethouders maken hierbij gebruik van de daarvoor door
de minister verstrekte formulieren,
die zijn ingericht overeenkomstig de in artikel 6, tweede lid, en
artikel 8,
tweede lid, bedoelde bijlagen en zijn voorzien van een voor iedere gemeente uniek kenmerk.
Art. 11.
Subsidievaststelling
-1. Met inachtneming van de
artikelen 2, 3 en 5 stelt de
minister de
subsidie vast binnen twaalf maanden na ontvangst van de jaaropgave, bedoeld in
artikel 8, eerste lid.
-2. Indien de jaaropgave niet is ontvangen binnen
achttien maanden na het
kalenderjaar waarop het betrekking heeft,
dan wel niet is voorzien van de verklaring, bedoeld in artikel
8, eerste lid, stelt de minister de subsidie
ambtshalve vast.
-3. De vastgestelde subsidie kan van de verleende en betaalde subsidie
afwijken indien burgemeester en wethouders afwijken van deze regeling.
Art. 12.
Subsidie en betaalde
arbeid
-1. Burgemeester en wethouders van
een gemeente die ten behoeve van een alleenstaande ouder, bedoeld in
artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling kinderopvang en
buitenschoolse
opvang alleenstaande ouders 2000 in het jaar 2001 oordelen over de noodzaak van voortzetting van
de bekostiging van de kinderopvang ten behoeve van die alleenstaande ouder,
nemen daarbij in acht dat de minister in ieder geval tot één jaar na de
aanvang van de arbeid van de alleenstaande ouder de subsidie, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, verleent.
-2. Na het jaar, bedoeld in het eerste lid, wordt de subsidie, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, door de minister slechts verleend indien burgemeester
en wethouders aantonen dat het door de alleenstaande ouder ontvangen loon inclusief
de tot het loon te rekenen vergoedingen en eventueel daarenboven te verstrekken toeslagen die
op grond van de artikelen 10, 10a en 11 van de Wet
op de loonbelasting 1964 tot het loon worden gerekend,
ten hoogste 130% van het voor hem geldende minimumloon op grond van de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag bedraagt.
-3. In afwijking van het tweede lid
verleent de minister de subsidie, bedoeld in dat lid, nog tot maximaal
zes maanden na afloop van de periode van één jaar, bedoeld in dat lid, indien
burgemeester en wethouders beslissen dat het stopzetten van de bekostiging van
de kinderopvang ten behoeve van de alleenstaande ouder zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.
-4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de alleenstaande ouder,
bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling kinderopvang
en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1998, voor wie de
kinderopvang werd bekostigd op grond van
genoemde regeling zoals die regeling luidde tot de datum van
inwerkingtreding van deze regeling.
Art. 13.
[Opschrift ontbreekt, red.]
De Algemene Regeling SZW-subsidies
is niet van toepassing.
Art. 14.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met
ingang van 1 januari 2001.
Art. 15.
Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als:
Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 2001.
Deze regeling zal met de toelichting
en de bijlagen 1 en 2 in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlagen 3, 4 en
5 worden uiterlijk 1 mei 2001 ter inzage gelegd in de bibliotheek van het
ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Den Haag.
’s-Gravenhage, 18 december 2000.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
TOELICHTING
[18 december 2000]
Algemeen
1. Inleiding
De Regeling kinderopvang en
buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 2000 wordt in het jaar 2001
voortgezet.
Daartoe is voor het jaar 2001 een nieuwe regeling opgesteld: de Regeling kinderopvang en
buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 2001. Deze regeling heeft, evenals
voorgaande jaren, een wettelijke basis in de Kaderwet
SZW-subsidies.
Hieronder wordt uiteengezet wat de voorgeschiedenis is
van deze regeling, wat de doelstelling is en de wijze waarop de voortzetting plaatsvindt in
2001. Ten slotte komen nog aan de orde de bekostigingswijze en het
toezicht.
De subsidie en afrekensystematiek is ten opzichte van de regeling 2000 niet gewijzigd en is bij de
regeling 1999 uitvoerig toegelicht. Deze toelichting kan desgewenst ook
worden
gebruikt ten behoeve van deze regeling. Deze regeling geldt voor geheel 2001.
2. Voorgeschiedenis
In 1996 is de
Regeling kinderopvang
en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders voor het eerst tot stand gekomen. De regeling is in het kader
van de kabinetsnota De andere kant van Nederland opgesteld. Ten behoeve van de preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting
zijn structureel middelen beschikbaar gesteld teneinde de
kinderopvangcapaciteit voor (kinderen van) alleenstaande ouders in de bijstand te
vergroten.
Belemmeringen voor uitstroom naar werk of het volgen van scholing die gelegen zijn in het
niet kunnen beschikken over kinderopvang, worden hiermee weggenomen.
Op 27 februari 1996 is de regeling voor de eerste maal in
de Staatscourant gepubliceerd (Stcrt. 1996, 43). Vervolgens is op 28 februari 1997
de regeling over 1997 gepubliceerd (Stcrt. 1997, 42). Bij vermelding in
Staatscourant nummer 185 (d.d.
25 september 1997) werd de regeling over 1997 met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1997 gewijzigd
in verband met de prijs- en loonindexering, waarmee het beschikbare bedrag voor 1997 is vastgesteld op
ƒ87,5
miljoen. Op 12 december 1997 is de regeling over 1998 gepubliceerd
(Stcrt. 1997, 243). Bij vermelding in Staatscourant
nummer 166 (d.d. 28 augustus 1998) werd
de regeling over 1998 met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1998 gewijzigd in
verband met de prijs- en loonindexering, waarmee het beschikbare bedrag
voor 1998 is vastgesteld op ƒ90 miljoen. De regeling ten behoeve van het subsidiejaar 1999 is van
17 december 1998 en gepubliceerd in Staatscourant 1998, 249. Bij de Regeling van 4
november 1999 is in Staatscourant 217 het beschikbare bedrag voor 1999 in verband met de
prijs- en loonindexering vastgesteld op ƒ92,2 miljoen. Voorts is in 1999 de
declaratiesystematiek gewijzigd. De eis dat er sprake moet zijn van een nieuw gerealiseerde
kinderopvangplaats is komen te vervallen. Vanaf 1999 wordt subsidie aan de
gemeenten
toegekend op basis van het aantal ten behoeve van de doelgroep
afgesloten contracten met kinderopvanginstellingen.
Voor 2000 is de regeling uitgebreid met twee nieuwe
doelgroepen, te weten minderjarige alleenstaande ouders (de zogenoemde
tienermoeders)
en alleenstaande ouders die deelnemen aan socialeactiveringsactiviteiten. In verband hiermee is het budget voor de regeling uitgebreid
naar ƒ123,2 miljoen. De regeling over 2000 is gepubliceerd op 27 december
1999 in Staatscourant 250. Bij vermelding in Staatscourant nummer 126
(d.d. 4 juli 2000) werd de
regeling over 2000 met terugwerkende
kracht tot en met 1 januari 2000 gewijzigd in verband met de prijs- en loonindexering, waarmee het
beschikbare bedrag voor 2000 is vastgesteld op ƒ125,6 miljoen.
Deze regeling geldt voor het jaar 2001. In het
Regeerakkoord 1998 is aangekondigd om met een "Wet basisvoorziening kinderopvang"
(Wbk) [zie Wet
kinderopvang, red.] een belangrijke voorwaarde te scheppen voor het uiteindelijk tot stand
doen komen van een dekkend aanbod aan opvang van kinderen tot en met 12 jaar. Onlangs is de
Hoofdlijnennota Wbk (Tweede Kamer 1999-2000, 26 587, nr. 9, 27 juni 2000)
besproken
in de Tweede Kamer. In deze nota is opgenomen dat in principe de onderhavige regeling zal
worden
opgenomen in de Wbk. Behoud van het participatie-effect voor
werkzoekenden
en garanties voor continuïteit in de financiering zijn daarbij voorwaarden. Ook een voldoende
ontwikkeling van het aanbod is een randvoorwaarde. De basisvoorziening kinderopvang zal naar verwachting
ingevoerd worden per 1 januari 2003.
3. Hoofdlijnen regeling
Doel regeling
De regeling biedt
gemeenten de mogelijkheid
kinderopvangcapaciteit in te kopen bij derden door middel van het afsluiten van schriftelijke
overeenkomsten (contracten).
De doelstelling van de regeling is om eventuele
belemmeringen weg te nemen bij alleenstaande ouders ten aanzien van de uitstroom naar
betaald werk, scholing of sociale activering, door middel van het bieden van kinderopvang. Wat betreft
scholing gaat het dan om de opleidings- of scholingsfase die aan de uitstroom
voorafgaat. Het kan dus voorkomen dat een persoon gedurende de hele trajectbemiddelingsfase
gebruik maakt van deze kinderopvang.
Teneinde het "vollopen" van de regeling te voorkomen,
wordt, indien de alleenstaande ouder langer dan één jaar gebruik maakt van de
kinderopvang, een inkomensgrens gesteld. Gezien het toenemend gebruik van de regeling is
het zaak om doorstroom te realiseren naar de reguliere gesubsidieerde
kinderopvang. Tot 1999 was de gemeente vrij in het bepalen van de duur waarvoor
iemand, na uitstroom uit de bijstand, voor kinderopvang in het kader van
deze regeling in aanmerking kon komen. Vanaf 1999 is de duur beperkt in die zin dat er,
één jaar na
uitstroom, een grens van 130% WML is gesteld als maximaal inkomen dat een uitstromer mag verdienen. De
gemeente blijft overigens vrij om zelf te bepalen voor hoelang de
alleenstaande
ouder in aanmerking kan blijven komen voor kinderopvang als het inkomen van de alleenstaande
ouder onder deze beloningsgrens zit (zie artikel 12 van de regeling).
Het is de gemeente vrij om te bepalen
of een eigen ouderbijdrage geheven wordt of niet. Belangrijk is dat de
uitstroom naar werk dat op of rond het minimumniveau wordt beloond, of de uitstroom naar
scholing of sociale activering voor degene die in een uitkeringssituatie
verkeert, niet wordt belemmerd door het heffen van een eigen bijdrage. Gebleken is
dat circa 90% van de gemeenten de alleenstaande ouder gratis
kinderopvang biedt. De kinderopvang is voor de ouder vrijgesteld van de
inkomstenbelasting (artikel 6, eerste lid, onderdeel h, van de
Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990).
Doelgroep regeling
De doelgroep aan wie de
kinderopvang ten gunste kan
komen, bestaat in de eerste plaats uit alleenstaanden
die bijstand ontvangen en betaalde arbeid verrichten (bijvoorbeeld
parttime
werk) of voor wie het volgen van scholing of opleiding noodzakelijk wordt geacht voor
inschakeling in de arbeid. Tot de doelgroep behoren ook minderjarige alleenstaande ouders (de
zogenoemde tienermoeders), alleenstaande ouders die deelnemen aan socialeactiveringsactiviteiten en
alleenstaande ouders die geen bijstand (of slechts aanvullende bijstand) meer
ontvangen omdat zij zijn uitgestroomd naar regulier of additioneel werk. Onder additioneel werk wordt
verstaan een aanstelling in het kader van het Besluit in- en
doorstroombanen,
een dienstbetrekking op grond van de Wet inschakeling
werkzoekenden dan wel een
arbeidsovereenkomst overeenkomstig artikel 5 van die wet of de Regeling schoonmaakdiensten
particulieren. Alleenstaande ouders die vallen onder de Wet
inkomensvoorziening
kunstenaars (Wik) behoren ook tot de doelgroep.
Per 1 januari 2001 treedt een nieuwe regeling in werking
die de financiering van kinderopvang voor personen met een uitkering op grond van
de Werkloosheidswet, Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering jonggehandicapten
in een reïntegratietraject regelt. Het kan voorkomen dat alleenstaande ouders met een andere
socialezekerheidsuitkering dan de hierboven genoemde zich bij de sociale
dienst melden om in aanmerking te komen voor kinderopvang in verband met de uitstroom naar scholing of
werk. Als dit een uitkering is op grond van de Algemene
nabestaandenwet
of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, is het voor burgemeester en wethouders
mogelijk om zo iemand ook kinderopvang in het kader van deze regeling te bieden. Hiertoe is in
artikel 2, tweede lid, van de regeling een hardheidsclausule opgenomen. Voorwaarde
voor de gelijkstelling is wel dat burgemeester en wethouders in het betreffende geval van oordeel
zijn dat het ontbreken van de bekostiging van kinderopvang zou leiden tot onbillijkheden van overwegende
aard. De zinsnede "ten aanzien van
de betreffende ouder" impliceert dat zogenoemde categoriale
gelijkstellingen in het kader van deze subsidieregeling niet toelaatbaar zijn. Er moet dus gekeken worden naar de
individuele situatie en het inkomen van die persoon.
Het derde lid van artikel 2 ziet op de situatie waarin sprake
is van samenloop van een loondervingsuitkering op grond van de
werknemersverzekeringen en een bijstandsuitkering. In dat geval is het Lisv
[Landelijk instituut sociale verzekeringen, zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] verantwoordelijk voor de reïntegratie en de eventuele financiering van
kinderopvang
en kan de gemeente ten behoeve van de betrokken alleenstaande ouder geen beroep doen op de Regeling kinderopvang en
buitenschoolse opvang alleenstaande ouders. Op grond van de artikelen 10
en 12 van de Wet Rea heeft het Lisv tot taak de inschakeling in het arbeidsproces te bevorderen van de
arbeidsgehandicapte werknemer die een arbeidsongeschiktheidsuitkering of WW-uitkering
ontvangt. De gemeenten hebben tot taak de inschakeling in het arbeidsproces te
bevorderen van arbeidsgehandicapten die
uitsluitend een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet of een andere
vergelijkbare voorziening ontvangen. Dit impliceert dat het Lisv verantwoordelijk is voor de
(re)integratie en dus voor de financiering van kinderopvang van
arbeidsgehandicapten
bij samenloop van uitkeringen. Op grond van artikel 72 WW is het de taak van het Lisv de
inschakeling van (alle) WW-gerechtigden in de arbeid te bevorderen. Daarop wordt
geen uitzondering gemaakt in het geval de WW-gerechtigde een aanvullende bijstandsuitkering ontvangt.
De regeling kent een bepaling waardoor uitgesloten wordt
dat voor een contract dat reeds uit anderen hoofde kan worden gesubsidieerd
subsidie vanuit de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande
ouders verleend kan worden (artikel 3, vijfde lid). Het betreft niet alleen subsidies van de
overheid, maar deze bepaling kan ook betrekking hebben op zogenaamde bedrijfsplaatsen, waarvoor de
werkgever een bijdrage in de kosten levert. Indien in de praktijk voor betrokkene
geen bedrijfsplaats beschikbaar is en dit de uitstroom naar werk in de weg
staat, kan de onderliggende regeling wel toegepast worden.
Vóór 2001 had deze samenloopbepaling ook betrekking op
kinderopvangplaatsen die gefinancierd zijn met behulp van VWS-middelen in het
kader van de Regeling uitbreiding kinderopvang en buitenschoolse opvang. Omdat sinds
1999 aan plaatsen uit de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande
ouders niet meer de eis gesteld wordt dat ze nieuw gerealiseerd zijn, is er
formeel geen sprake meer van samenloop. Concreet betekent dit dat gemeenten de subsidie op grond van
de onderliggende regeling nu ook kunnen benutten voor plaatsen waarmee de algemene
kinderopvangcapaciteit
in de gemeente is uitgebreid.
4. Bekostiging en verdeelsleutel
Het kabinetsbeleid is erop gericht de participatiemogelijkheden voor
alleenstaande ouders met jonge kinderen te vergroten. Het is de bedoeling dat
iedere gemeente de mogelijkheid krijgt om door middel van deze regeling
contracten aan te gaan voor kinderopvang bestemd voor de doelgroep. Voor de berekening van de evenredige verdeling van het
beschikbare budget van ƒ125,6 miljoen wordt gebruik gemaakt van de
facettencode CBS (1999), waaruit het aantal alleenstaande ouders blijkt
dat in de gemeente woonplaats had en bijstand ontving. Uitgaande van het totale beschikbare budget
van ƒ125,6
miljoen en op basis van voornoemde facettencode wordt naar evenredigheid
eerst een maximaal subsidiebedrag per gemeente vastgesteld. Op het aldus per gemeente
vastgestelde maximale subsidiebedrag ontvangen de gemeenten die al eerder feitelijk gebruik hebben gemaakt
van de regeling, op of omstreeks 15 februari 2001 een voorschot van 50%. Deze berekening houdt geen rekening
met de werkelijke behoefte, maar is gebaseerd op het aantal alleenstaande ouders dat in de gemeente
woonplaats
had en bijstand ontving. De gemeenten wordt de gelegenheid geboden uiterlijk op 1 april 2001 een
aanvraag in te dienen op basis van de feitelijk verwachte behoefte. Hieruit
kan een herverdeling van middelen voortvloeien. Daar waar gemeenten aangeven dat hun
behoefte geringer of juist hoger is dan volgens de CBS-statistiek berekend, zal dit namelijk
leiden tot een naar beneden of naar boven bijstellen van de
oorspronkelijke toekenning. Uitgangspunt hierbij is echter dat het totale
beschikbare budget van ƒ125,6 miljoen niet wordt overschreden. Na herberekening
wordt het dan geldende subsidieplafond vóór 1 juni 2001 aan de
gemeenten
bekendgemaakt. Van gemeenten die een hoger voorschot ontvingen dan het bedrag waarop zij op basis
van hun aanvraag aanspraak maken, zal het onverschuldigd betaalde
voorschot worden teruggevorderd. De overige gemeenten zal rond 15 juni 2001 een (aanvullend)
voorschot worden verstrekt tot 80% op het voor hen vastgestelde subsidiebedrag. Deze
bevoorschottingswijze sluit aan op de gebruikelijke wijze van
bevoorschotting van subsidies en is gelijk aan de bevoorschottingswijze in
2000. Een aandachtspunt betreft nog het volgende: de genoemde ƒ125,6 miljoen
is gebaseerd op het loon/prijsniveau
van 2000. Bijstelling naar het loon/prijsniveau van 2001 vindt in de loop van 2001 plaats.
Deze bijstelling zal in de Staatscourant bekend worden gemaakt.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel 1.
Definities
Het begrippenkader van de Regeling kinderopvang en
buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 2001 is gelijk aan dat van de
Regeling
kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 2000. Dit geldt
ook voor de gelijkstelling in het tweede lid van gehuwden, als partners geregisteerden of samenwonenden. Op grond van het
tweede lid is het net als in de regeling voor 2000 mogelijk dat een ouder in de bijstand
die gehuwd, als partner geregistreerd of samenwonend is, maar die geen gezamenlijke huishouding voert met
die echtgeno(o)t(e) en ook geen financiële ondersteuning ontvangt van die
echtgeno(o)t(e) voor de tot zijn of
haar last komende kinderen, tot de doelgroep van de regeling behoort. Het is
aan het college van burgemeester en wethouders om (verifieerbaar) te besluiten op welke manier hier
invulling aan gegeven wordt met betrekking tot de duur van de
afwezigheid
en de achterliggende reden van de afwezigheid. In de meeste voorkomende gevallen gaat het
hier om een gehuwd, als partner geregistreerde of samenwonend
alleenstaande ouder van wie de partner langdurig
in een strafinrichting of psychiatrische inrichting verblijft.
Met betrekking tot het begrip
"buitenschoolse opvang" kan nog worden opgemerkt dat ook in de kosten van
noodzakelijke voorschoolse opvang subsidie kan worden verleend.
Artikel 2.
Subsidie aan de gemeente
Het Rijk verleent op aanvraag een subsidie aan
gemeenten in de kosten van kinderopvangovereenkomsten die de gemeente ten behoeve van nader
omschreven alleenstaande ouders aangaat met kinderopvanginstellingen. De subsidie is een
tegemoetkoming in voornoemde kosten en zal voor de gemeenten daarom niet altijd
kostendekkend zijn. In het eerste lid is een opsomming van de doelgroep
"alleenstaande ouders" gegeven.
Het betreft alleenstaande ouders met een Abw-uitkering of zodanige ouders die
juist geen Abw-uitkering meer hebben, omdat zij zojuist zijn "uitgestroomd"
naar betaald werk en naar het oordeel van de gemeente het bekostigen van de kinderopvang nog
steeds noodzakelijk is om die "uitstroom" te kunnen continueren. Deze
laatste toevoeging omtrent het gemeentelijk oordeel is opgenomen, omdat een persoon die
uitstroomt naar een (zeer) goedbetaalde baan beter in staat is om in de bekostiging
van kinderopvang bij te dragen. Deze persoon dient gebruik te maken van een
reguliere gesubsidieerde kinderopvangplaats of een bedrijfsplaats.
Voor de duidelijkheid wordt nog opgemerkt dat
alleenstaande ouders die een studietoelage ontvangen op grond van de
Wet
studiefinanciering 2000 niet onder de doelgroep van deze regeling vallen, omdat zij geen
Abw [bijstand, red.] ontvangen.
De in het tweede lid opgenomen hardheidsclausule is reeds
toegelicht in het algemeen deel van de toelichting, evenals de in het derde lid
opgenomen bepaling inzake de samenloop
met de kinderopvangregeling voor de socialeverzekeringswetten.
Artikel 3.
Subsidievoorwaarden
De gemeente
kan subsidie verkrijgen voor het aangaan van
contracten voor kinderopvang voor alleenstaande ouders in de bijstand. In de meeste
gevallen zullen de gemeenten dit doen door kinderopvangplaatsen in te kopen bij
kinderopvanginstellingen. En hiertoe zal de gemeente, of de alleenstaande ouder zelf met
instemming van de gemeente, een overeenkomst afsluiten met een
kinderopvanginstelling.
Dit artikel beschrijft aan welke voorwaarden de overeenkomst dient te voldoen. Deze
voorwaarden zijn zo gekozen dat in feite uit het contract afgelezen kan
worden dat de kinderopvangplaats in aanmerking komt voor subsidie op grond van de
voorwaarden van de regeling. Zo zal bijvoorbeeld in het contract opgenomen moeten zijn voor
welk kind de opvang wordt ingekocht en hoe oud dat kind is. Dit artikel is op
dezelfde wijze vormgegeven als in de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang
alleenstaande ouders 2000.
Indien de ouder is opgegeven voor scholing, maar er geldt
nog een wachttijd, dan is het uitgangspunt dat gedurende deze wachttijd de
kinderopvang niet subsidiabel is. Hierop kunnen echter twee uitzonderingen
worden gemaakt:
1. als de opvangplaats binnen een redelijke termijn vóór aanvang van
de scholing beschikbaar komt;
2. indien de scholing meerdere dagen in de week gaat plaatsvinden, kan het
verstandig zijn om het kind, voorafgaande aan de daadwerkelijke ingangsdatum van de
opleiding, gedurende een periode al een dagdeel of één dag per week aan de opvang te
laten wennen. Ten aanzien van de ingangsdatum van de aanvaarding van arbeid geldt
hetzelfde. In de lijn van het voorgaande kan de gemeente de periode tussen twee banen in, of
tussen opleiding en baan, het contract laten doorlopen indien het om een
niet al te lange periode gaat.
In het derde lid is in onderdeel a een bepaling opgenomen
met betrekking tot de opzegtermijn die in het contract opgenomen dient te worden.
De maximale opzegtermijn wordt gesteld op twee maanden. Dit is een wijziging ten
opzichte van de regeling 2000, waarin de maximale opzegtermijn op zes weken werd bepaald. Met
de wijziging wordt aangesloten bij de heersende praktijk in de
kinderopvang,
waarin een opzegtermijn van twee maanden algemeen gebruikelijk is.
Onderdeel b van het derde lid heeft betrekking op
meldingsplicht van de kinderopvanginstelling aan de gemeente in het geval dat zich
onregelmatigheden voordoen. In de regeling over 2000 werd gesproken over
een meldingsplicht wanneer langer dan twee weken zonder opgaaf van reden geen gebruik gemaakt wordt
van de kinderopvangplaats. De regeling 2001 is op dit punt dus
gewijzigd. De reden voor deze wijziging is
dat ook andere bijzonderheden aanleiding voor melding kunnen zijn, gelet op doelmatig gebruik van de regeling, bijvoorbeeld
veelvuldig kortdurend niet-gebruik van de kinderopvangplaats. Anderzijds is de termijn
van twee weken in de praktijk niet goed handhaafbaar gebleken.
Het vijfde lid bevat een anticumulatie- of samenloopregeling voor het geval uit anderen hoofde subsidie
voor de kinderopvangovereenkomsten kan worden verkregen of er sprake is van een
werkgeversbijdrage voor kinderopvang. De onderhavige regeling heeft ten opzichte van dergelijke
voorliggende voorzieningen en regelingen een complementair karakter: kinderopvangovereenkomsten worden
derhalve slechts in aanmerking genomen voor zover zij niet elders voor subsidie in aanmerking kunnen
worden
gebracht. Deze bepaling is verder toegelicht in de algemene toelichting.
Als een contract tussentijds wordt gewijzigd, moet aan
dezelfde voorwaarden worden voldaan als bij het aangaan van de oorspronkelijke
overeenkomst.
Artikelen 4 en
7.
Beschikbare budget en verdeling van het
budget en bevoorschotting
Het voor 2001 beschikbare budget ten behoeve van deze
regeling is ƒ125,6 miljoen. Voor iedere gemeente
wordt op basis van het bepaalde in
het tweede lid de maximaal mogelijke subsidie voor het jaar 2001 berekend.
Voor de berekening wordt ervan uitgegaan dat alle gemeenten aan deze regeling deelnemen. De maximale subsidie op basis van dit artikel is
opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling. Bijlage 1 is de basis van de bevoorschotting, bedoeld in
artikel 7,
eerste lid. Gemeenten die over 1999 geen jaaropgave hebben ingediend (of
een nihilopgave hebben ingediend) en tevens over 2000 geen aanvraag
hebben
ingediend, ontvangen genoemd voorschot niet. Gemeenten die in 2001 voor het
eerst aan de regeling deel willen nemen, moeten om genoemd voorschot te verkrijgen de
aanvraag, bedoeld in artikel 6, uiterlijk op 1 februari 2001 (in plaats van uiterlijk op 1 april) indienen. In dat
geval wordt aan die gemeenten omstreeks 15 maart 2001 alsnog het
voorschot
uitbetaald (zie hiervoor artikel 7, eerste en tweede lid).
Het beschikbare subsidiebedrag zal in de loop van het jaar
nog worden herzien. De herziening zal in de Staatscourant bekend worden gemaakt.
Artikel 5.
Subsidiebedrag
In dit artikel zijn voor de
verschillende vormen van kinderopvang de maximumbedragen opgenomen van de
subsidie per volledige plaats per jaar. De subsidiebedragen zijn
gebaseerd op het loon-/prijsniveau van 2000 en zullen in de loop van 2001
nog worden herzien. De herziening zal in de Staatscourant bekend
worden
gemaakt.
Artikelen
6, 7 en 10.
Indiening
aanvraag en bevoorschotting
Om voor de subsidie in het kader van deze regeling in
aanmerking te komen, moet een aanvraag worden ingediend. De aanvraag moet uiterlijk op 1 april
2001 in het bezit van SZW zijn. Van gemeenten
die geen of niet tijdig een
aanvraag indienen, kan het voorschot als bedoeld in artikel
7, eerste lid,
worden teruggevorderd (vierde lid). Voor de aanvraag is een
standaardformulier ontworpen (bijlage 2 bij de regeling). In verband met de
geautomatiseerde verwerking van de aanvragen dienen gemeenten deze in te
dienen
op het door SZW daartoe beschikbaar gestelde formulier (artikel
10, tweede lid). Op de aanvraag kan de gemeente aangeven voor meer
of minder dan de maximaal beschikbare subsidie, bedoeld in artikel
4, tweede lid, in aanmerking te willen
komen (derde lid).
Gemeenten die meer subsidie aanvragen,
kunnen daarvoor in aanmerking komen als er genoeg gemeenten minder of helemaal geen subsidie
aanvragen. De herverdeling van de subsidie geschiedt langs dezelfde
verdeelsleutel als die van artikel 4, tweede lid (vijfde lid).
Na de herverdeling ontvangen de gemeenten van de
minister een beschikking waarin de voor het jaar 2001 maximaal toe te kennen subsidie
is opgenomen (zesde lid). Deze zal voor gemeenten die bij de aanvraag minder
subsidie hebben aangevraagd, liggen op de door de gemeenten aangevraagde (lagere) maximale subsidie.
Nadat de beschikking is verzonden, vindt overeenkomstig
artikel 7, derde lid, een nieuwe bevoorschottingsronde plaats.
Indien in de loop van het jaar het beschikbare
subsidiebedrag wordt herzien en de maximumbedragen voor de verschillende vormen van
kinderopvang worden aangepast, heeft de gemeente recht op een hoger
voorschot.
De wijze waarop hiermee dan wordt omgegaan, is beschreven in het vierde lid.
Artikel 8.
Jaaropgave
Indien de jaaropgave betrekking heeft op een bedrag van
minder dan ƒ100 000,-, behoeft de gemeente
de jaaropgave niet te laten voorzien van
een accountantsverklaring. In voorgaande regelingen was bepaald dat geen
accountantsverklaring nodig was wanneer het slechts één
kinderopvangplaats
betrof. Met deze wijziging wordt aangesloten bij de Algemene Regeling
SZW-subsidies, die
naar aanleiding van het MDW-traject Doorlichting Regelingen [MDW:
project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit, red.] op dit punt is gewijzigd. Wel kan de
minister,
vanuit zijn verantwoordelijkheid voor een juist financieel beheer, de gemeenten in deze situatie om
aanvullende inlichtingen vragen (op basis van artikel 10 van de regeling) om de
juistheid van de in de jaaropgave verantwoorde kosten te kunnen toetsen.
De jaaropgave kent het model van bijlage 3. Ten behoeve
van de accountantsverklaring wordt gebruik gemaakt van een modelverklaring die
is ingericht overeenkomstig bijlage 4. Deze verklaring is gebaseerd op een
controle die is uitgevoerd overeenkomstig het bij deze regeling
behorende controle- en rapportageprotocol
(bijlage 5).
Artikelen 9 en
10.
Toezicht en administratieve verplichtingen
De Kaderwet
SZW-subsidies regelt dat de
minister de
toezichthouders kan aanwijzen. Het toezicht op de naleving van deze regeling wordt
uitgeoefend door ambtenaren van de Directie Toezicht en de Accountantsdienst op een wijze die
vergelijkbaar is met het toezicht op andere door de gemeente
uit te
voeren
activiteiten op het terrein van uitkeringsverstrekking en toeleiding naar werk. Het toezicht heeft betrekking
op de rechtmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering van deze
regeling.
De toezichtsuitoefening door de minister gaat uit van de
verantwoordelijkheid van gemeenten bij de uitvoering van deze regeling en het
daaraan complementaire toezicht door de gemeenten op de uitvoering. De minister zal zich
daarom bij zijn toezichtsuitoefening, ondermeer voor de vaststelling van de subsidie,
baseren op de verantwoordingsinformatie van de gemeenten en het eventueel
daarop betrekking hebbende accountantsoordeel. In situaties van een
specifiek
en/of actueel uitvoeringsrisico kan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op grond van zijn
toezichtverantwoordelijkheid besluiten eigen onderzoek bij gemeenten uit te voeren. Ook zal steekproefsgewijs
onderzoek bij de gemeenten kunnen plaatsvinden om de betrouwbaarheid van de gemeentelijke
verantwoordingsinformatie en het daarop betrekking hebbende accountantsoordeel te
kunnen vaststellen.
Tevens kan de minister de gemeenten om inlichtingen
vragen die van belang zijn voor de beleidsvorming, verdere beleidsontwikkeling of
evaluatie van deze regeling.
Artikel
11.
Subsidievaststelling
Het tweede lid van
artikel 11 is in de
regeling voor 2001 gewijzigd. In voorgaande regelingen was bepaald dat de
minister de subsidie ambtshalve kan
vaststellen indien de jaaropgave niet tijdig is ontvangen. In de regeling
voor 2001 is "niet tijdig"
gewijzigd in "binnen achttien maanden" en is de ambtshalve vaststelling dwingend
geworden. Met deze wijziging is aansluiting
gezocht bij de andere SZW-subsidieregelingen.
Artikel
12.
Subsidie en betaalde
arbeid
Dit artikel ziet primair op
alleenstaande ouders die gebruik hebben gemaakt van de Regeling
kinderopvang
en buitenschoolse opvang 2000 en geen algemene bijstand meer ontvangen. Sinds 1998 is in de regelingen telkens opgenomen (steeds in
artikel 2, tweede lid, onderdeel b) dat in die situatie door burgemeester en
wethouders de kinderopvang kan blijven worden bekostigd als naar hun
oordeel
dat nog steeds noodzakelijk is om de arbeid van de alleenstaande ouder te kunnen blijven verrichten.
Hiervoor wordt door de minister aan de gemeenten
ook subsidie verstrekt.
Vanaf 1999 is opgenomen dat burgemeester en wethouders bij hun oordelen
betrekken dat de subsidie van de minister aan de gemeente in ieder geval gedurende het eerste jaar na de
aanvang van de arbeid nog door de minister wordt verleend. Daarbij zal in
het kader van het toezicht op de uitvoering van de regeling niet naar het inkomen van de alleenstaande
ouder worden gekeken. Pas in het tweede jaar wordt om nog voor subsidie
in aanmerking te komen een toets op het inkomen van de alleenstaande ouder noodzakelijk. Als het inkomen onder 130% van het
minimumloon blijft, wordt de subsidie door de minister gecontinueerd, indien de
overeenkomst door burgemeester en wethouders niet wordt beëindigd. Daarbij gaat het om het
bruto-inkomen van betrokkene.
Komt het inkomen van de alleenstaande
ouder boven 130%, dan zal de minister de gemeenten hiervoor, eventueel na een overgangsperiode die op
grond van het derde lid van artikel 12 nog mogelijk is, geen subsidie meer
verlenen. Deze toets op het inkomen is ook noodzakelijk als de alleenstaande ouder gebruik maakt van een regeling voor de gesubsidieerde arbeid
waarbij het loon op grond van die regeling ligt beneden 130%. Dit omdat de
alleenstaande ouder extra inkomsten zou kunnen hebben uit bijvoorbeeld bijverdiensten.
De toetsing van het inkomen dient plaats te vinden aan de
hand van het actuele maandsalaris, bijvoorbeeld aan de hand van de meest recente
salarisstrook. Voor minderjarige alleenstaande ouders is alleen het eigen
inkomen bepalend, niet dat van de (groot)ouders. Zij zijn immers niet onderhoudsplichtig voor hun
kleinkind.
Alleenstaande ouders die vanuit de Wet inschakeling
werkzoekenden zonder voorafgaande uitkering gebruik maakten van de Regeling
kinderopvang
en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1998 kunnen ook in 2001 gebruik blijven maken
van deze vorm van kinderopvang, zolang daar, met inachtneming van artikel 12
van deze
regeling, aanleiding toe bestaat (artikel 12, vierde lid).
Overigens blijven burgemeester en wethouders vrij om ook
gedurende het eerste jaar reeds een inkomenstoets in te voeren. Ook kunnen ze op een lager percentage dan 130%
uitkomen bij hun oordeel over voortzetting van de bekostiging. Ook het al of niet
toepassen van de overgangsperiode, bedoeld in het derde lid, is een keuze
die burgemeester en wethouders zelf kunnen maken. Artikel 12 stelt alleen
grenzen aan de subsidie die de gemeente van de minister ontvangt in het kader van de
regeling. Zolang binnen die grenzen wordt gebleven, loopt de subsidie van de minister aan
de gemeente geen gevaar.
Artikel 13
In artikel 13 is expliciet geregeld
dat de Algemene Regeling SZW-subsidies niet van toepassing is. De Regeling
kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 2001 wijkt vanwege haar doel en karakter
af van de Algemene Regeling SZW-subsidies. Niettemin is er tot op heden van uitgegaan dat genoemde Algemene Regeling
SZW-subsidies naast de jaarlijks vastgestelde kinderopvangregelingen een functie had.
Omwille van de eenvoud is er thans voor gekozen de toepasselijkheid van de Algemene Regeling SZW-subsidies
geheel uit te sluiten. De Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 2001 is derhalve
een integrale bijzondere regeling met betrekking tot subsidieverstrekking
op het terrein van werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid ten opzichte van
de algemene regels die op grond van de Algemene Regeling SZW-subsidies voor
SZW-subsidies gelden. Eén van de gevolgen van het niet van
toepassing verklaren van genoemde Algemene Regeling is dat thans in artikel 9
(Toezicht) ook de Accountantsdienst van het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid is aangewezen als toezichthouder. Voorheen was dit in genoemde Algemene
Regeling opgenomen. Verder is aan artikel 12 (Subsidievaststelling) een algemene
vangnetbepaling betreffende terugvordering opgenomen. Voor de praktijk heeft het niet langer van toepassing
zijn van genoemde Algemene Regeling geen consequenties.
Bijlagen
Bij deze regeling zijn vijf bijlagen gevoegd, te weten:
- bijlage 1, de maximale subsidie
per gemeente (artikel 4, tweede lid);
- bijlage 2, het aanvraagformulier (artikel 6, tweede lid);
- bijlage 3, de jaaropgave (artikel 8, tweede lid);
- bijlage 4, de
accountantsverklaring (artikel 8, tweede lid); en
- bijlage 5, het controle- en rapportageprotocol (artikel 8, derde lid).
De bijlagen 1 en 2 zijn direct bij
deze regeling gevoegd. De bijlagen 3, 4 en 5 zullen uiterlijk op 1 mei 2001 ter
inzage worden gelegd in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid. Uiteraard
zullen de bijlagen ook aan de gemeenten die deelnemen aan deze regeling worden gezonden.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
|
|