|
27 februari 1996/nr.
BZ/VOL/96/627
Directie Bijstandszaken
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, handelende na overleg
met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport;
Besluit:
§ 1. Begripsbepalingen
Art. 1.
[Definities]
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de minister: de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. alleenstaande ouder: ongehuwde die de volledige zorg
heeft voor één of meer tot zijn last
komende kinderen en geen gezamenlijke
huishouding voert met een ander,
tenzij het betreft een bloedverwant in de
eerste graad;
c. ten laste komend kind:
kind in de leeftijd van 0 tot en met
12 jaar voor wie de alleenstaande
ouder aanspraak op kinderbijslag op grond
van de Algemene Kinderbijslagwet
kan maken;
d. kinderopvang: het in
georganiseerd verband tegen vergoeding verzorgen en opvoeden van kinderen
door anderen dan de eigen ouder,
pleeg- of stiefouder op uren dat deze zelf
hiervoor niet beschikbaar is
wegens het verrichten van één van de
activiteiten als opgesomd in artikel 2,
eerste lid;
e. kinderopvangplaats:
aanbod van kinderopvang dat voldoet
aan de eisen gesteld bij of krachtens
het Tijdelijk besluit kwaliteitsregels
kinderopvang, waarbij de volgende
soorten worden onderscheiden:
1º. hele-dagopvang:
aanbod van kinderopvang voor
kinderen in de leeftijd van 0 tot en met 4 jaar
gedurende negen of meer aaneengesloten uren per werk- of studiedag;
2º. halve-dagopvang:
aanbod van kinderopvang voor kinderen in de
leeftijd van 0 tot en met 4 jaar
gedurende minimaal vijf, maar minder dan negen aaneengesloten uren per
werk- of studiedag;
3º. buitenschoolse
opvang: aanbod van kinderopvang voor kinderen in de schoolgaande leeftijd
gedurende de gehele dag minus de
schooltijden en de overblijftijd;
4º. gastouderopvang:
kinderopvang in een gezinssituatie gedurende ten minste vijf uren per week en die
betrekking heeft op gelijktijdig ten
hoogste vier kinderen;
f. nieuwe
kinderopvangplaats: elke kinderopvangplaats die gemeten naar de stand per 31 december
1995 extra wordt gecreëerd in 1996;
g. Algemene bijstandswet:
Algemene bijstandswet (Stb. 1995, 199), Algemene Bijstandswet
(Stb. 1973, 395) of de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet
(Stb. 1995,
200).
§ 2. Subsidie aan de
gemeenten
Art. 2.
[Subsidie
aan de gemeente]
-1. De minister verleent
op aanvraag aan een gemeente subsidie als tegemoetkoming in de door
deze in het kalenderjaar 1996 te maken kosten voor het realiseren van
nieuwe kinderopvangplaatsen ten behoeve van alleenstaande ouders die als zodanig in
dat jaar:
a. algemene bijstand
ontvangen en:
1º. arbeid verrichten; of
2º. ten aanzien van wie
het volgen van scholing of een opleiding noodzakelijk worden geacht voor de
inschakeling in de arbeid; dan wel
b. geen algemene bijstand
meer ontvangen wegens het verrichten van arbeid, waarbij naar het
oordeel van burgemeester en wethouders het bekostigen van de
kinderopvang nog steeds noodzakelijk is om
die arbeid te kunnen blijven
verrichten.
-2. Met algemene bijstand
als bedoeld in het eerste lid, onderdeel
a en b, wordt gelijkgesteld een
uitkering ingevolge enige socialezekerheidswet waarvan de hoogte de
bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder niet
te boven gaat indien naar het
oordeel van burgemeester en
wethouders het ontbreken van de bekostiging van
kinderopvang ten aanzien van de
betreffende alleenstaande ouder zou
leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.
-3. De kosten van
kinderopvangplaatsen kunnen ontstaan:
a. doordat de gemeente
zelf in het treffen van die plaatsen voorziet;
b. door het betalen van
een vergoeding aan een derde instelling op grond van een schriftelijke
overeenkomst, waarbij die derde zich
jegens de gemeente verplicht heeft
tot het bieden van één of meer
kinderopvangplaatsen;
c. door het betalen van
een vergoeding aan de alleenstaande ouder die met een derde
schriftelijk een overeenkomst gesloten heeft, waarbij
die derde zich jegens de
ouder verplicht heeft tot het bieden van één of meer kinderopvangplaatsen.
-4. Geen subsidie wordt
verleend ten aanzien van kosten die
uit anderen hoofde worden vergoed.
Art. 3.
[Subsidievoorwaarden]
De subsidie voor
gerealiseerde nieuwe kinderopvangplaatsen wordt aan de gemeente
verleend onder
de voorwaarden dat:
a. in de schriftelijke
overeenkomst, bedoeld in artikel 2,
derde lid, onderdeel b en c, ten minste is
vastgelegd het aantal kinderopvangplaatsen als bedoeld in deze regeling,
alsmede het tijdstip waarop en de
periode waarin deze plaatsen zijn gerealiseerd;
b. in de
jaarverantwoording van de derde instelling, bedoeld
in artikel 2, derde lid, onderdeel b,
over het jaar waarin de in de regeling
bedoelde plaatsen zijn
gerealiseerd tevens de feitelijk gerealiseerde
plaatsen worden verantwoord, alsmede het
aantal feitelijk gerealiseerde
kinderopvangplaatsen per 31 december 1995 wordt vermeld; en
c. deze
jaarverantwoording voorzien is van een verklaring van een registeraccountant
of een Accountant-Administratieconsulent
ten aanzien van wie bij de
inschrijving in het in artikel 36, eerste lid,
van de Wet
op de Accountants-Administratieconsulenten bedoelde register een
aantekening is geplaatst als bedoeld in
artikel 36, derde lid, van die
wet.
Art. 4.
[Beschikbaar
budget en verdeling van het budget]
-1. Het voor deze regeling
beschikbare budget bedraagt ƒ85 miljoen.
-2. De maximale subsidie
per gemeente wordt op basis van dat bedrag vastgesteld naar evenredigheid van
het aantal alleenstaande ouders dat
volgens de facettencode CBS
(1993) in de gemeente woonplaats had
en als zodanig algemene bijstand op grond van de Algemene Bijstandswet
ontving.
-3. Indien een gemeente te
kennen geeft het maximumsubsidiebedrag dat volgt uit de toepassing
van het eerste en tweede lid niet te
zullen aanwenden, kan de minister voor die gemeente een lager maximum
vaststellen, overeenkomstig het door
die gemeente aangegeven bedrag.
-4. Indien de minister
gebruik gemaakt heeft van de bevoegdheid, bedoeld in het derde lid, kan hij de
daardoor resterende subsidie toevoegen aan de gemeenten die meer
subsidie hebben aangevraagd dan uit de
toepassing van het eerste en tweede lid zou volgen. De toevoeging vindt
zoveel mogelijk naar rato van het
bepaalde in het tweede lid plaats.
-5. Indien de op grond van
dit artikel berekende aantallen of bedragen niet op een geheel getal
uitkomen, worden die op een door de
minister te bepalen wijze afgerond op een
geheel getal.
Art. 5.
[Subsidiebedrag]
-1. Met inachtneming van
de artikelen 2 en 3 bedraagt de subsidie per gerealiseerde nieuwe kinderopvangplaats
op alle werk- of studiedagen
van de week: ƒ18 000,00 voor het gehele
kalenderjaar vermenigvuldigd met de in
het tweede lid omschreven omrekenfactor.
-2. De omrekenfactor
bedraagt bij:
a. hele-dagopvang: 1;
b. halve-dagopvang: 0,66;
c. buitenschoolse opvang:
0,66;
d. gastouderopvang: 0,33.
-3. De subsidie wordt naar
evenredigheid verlaagd indien de kinderopvangplaats niet op alle werk- of
studiedagen van de week wordt
gerealiseerd of slechts gedurende een
gedeelte van het kalenderjaar.
Art. 6.
[Indiening
aanvraag]
-1. Burgemeester en
wethouders dienen hun aanvraag in vóór 1 juni 1996.
-2. Bij de aanvraag wordt
in elk geval opgave gedaan van het aantal nieuwe kinderopvangplaatsen dat
burgemeester en wethouders voornemens
zijn in 1996 te realiseren, over
welke perioden in 1996 die voornemens
zich uitstrekken, alsmede de soort
opvangplaatsen. Deze opgave wordt
ingericht volgens het bij deze
regeling behorende model.
-3. Op de aanvraag wordt
ten aanzien van elke gemeente ten minste één kinderopvangplaats
toegewezen.
Art. 7.
[Subsidievaststelling]
-1. De minister
stelt de
subsidie vast binnen één jaar na ontvangst van
de jaaropgave, bedoeld in artikel 11,
eerste lid.
-2. Indien de jaaropgave
niet is ontvangen binnen achttien maanden na het
kalenderjaar 1996, dan wel niet is
voorzien van de verklaring, kan de
minister de bijdrage ambtshalve
vaststellen.
§ 3. Bevoorschotting
Art. 8.
[Bevoorschotting]
De minister betaalt aan
de gemeente op of omstreeks:
a. 1 maart 1996 een
voorschot van 50% van de maximale subsidie, bedoeld in artikel
4, tweede lid;
b. 1 september 1996 een
voorschot tot ten hoogste 100% van het bedrag dat op de aanvraag is
toegekend.
§ 4. Administratieve
verplichtingen
Art. 9.
[Administratieve
verplichtingen]
-1. Burgemeester en
wethouders dragen er zorg voor dat de administratie voor de uitvoering van
deze regeling zodanig wordt ingericht
dat alle van belang zijnde
vastleggingen en bewijsstukken ten behoeve van het besluitvormings-,
uitvoerings-, controle-
en verantwoordingsproces
zichtbaar en controleerbaar zijn
vastgelegd.
-2. De administratie van
de gemeente bevat in elk geval een overzicht waaruit kan worden afgeleid:
a. welke alleenstaande
ouders gebruik hebben gemaakt van de feitelijk gerealiseerde kinderopvangplaatsen;
b. het aantal feitelijk
gerealiseerde kinderopvangplaatsen ultimo 1995 en gedurende 1996.
Art. 10.
[Toezicht]
-1. Het toezicht op de
uitvoering van deze regeling berust bij
de minister.
-2. Burgemeester en
wethouders verstrekken desgevraagd aan de minister kosteloos alle
inlichtingen die hij voor het toezicht op de uitvoering en de beleidsvorming met
betrekking tot deze regeling nodig heeft
en verlenen hem inzage in de
administratie.
Art. 11.
[Jaaropgave]
-1. Burgemeester en
wethouders doen vóór 20 september 1997 aan de minister
opgave van het aantal
feitelijk gerealiseerde nieuwe
kinderopvangplaatsen, de perioden waarover die plaatsen beschikbaar zijn
geweest, alsmede de soort opvangplaatsen. Deze jaaropgave is ingericht
overeenkomstig het bij deze regeling behorende model en is voorzien van een
verklaring van een deskundige belast
met de in artikel 213 van de Gemeentewet
voorgeschreven controle omtrent de
juistheid van gegevens.
-2. De verklaring dat aan
de voorwaarden van deze regeling is voldaan, is gebaseerd op een controle
die is uitgevoerd overeenkomstig algemene
uitgangspunten. Deze verklaring is ingericht overeenkomstig het bij
deze regeling behorende model.
-3. Indien de
jaarverantwoording van de derde instelling,
bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b,
wordt gecontroleerd door een ander dan de accountant, bedoeld in het
eerste lid, kan de accountant van de gemeente
bij de controle van de
opgave, indien dit naar zijn oordeel
doelmatig is, gebruik maken van de
controle die de registeraccountant of de Accountant-Administratieconsulent
uitvoert in het kader van de jaarverantwoording van de derde, bedoeld in
artikel 2, derde lid, onderdeel b.
§ 5. Intrekking van de
toekenning en terugvordering
Art. 12.
[Intrekking toekenning en terugvordering]
De minister kan een
besluit tot toekenning van subsidie geheel of gedeeltelijk intrekken en een reeds
uitbetaalde subsidie of voorschot
terugvorderen, indien:
a. de subsidie niet is
besteed aan de bestrijding van kosten
van nieuwe kinderopvangplaatsen als
bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid;
b. niet is voldaan aan
het bepaalde in artikel 3 of paragraaf
4;
c. de gemeente onjuiste
of onvolledige gegevens heeft verstrekt.
§ 6. Slotbepalingen
Art. 13.
[Inwerkingtreding]
Deze regeling treedt in
werking met ingang van de tweede dag
na de dagtekening van de
Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en
werkt terug tot en met 1 januari 1996.
Art. 14.
[Citeertitel]
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande
ouders 1996.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
’s-Gravenhage, 27
februari 1996.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.
|