|
28 februari 1997/nr.
BZ/VOL/97/6562
Directie Bijstandszaken
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid:
Besluit:
§ 1. Begripsbepalingen
Art. 1.
[Definities]
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de minister: de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. alleenstaande ouder: ongehuwde die de volledige zorg
heeft voor één of meer tot zijn last
komende kinderen en geen gezamenlijke
huishouding voert met een ander,
tenzij het betreft een bloedverwant in de
eerste graad;
c. ten laste komend kind:
kind in de leeftijd van 0 tot en met
einde basisschoolleeftijd voor wie de alleenstaande ouder aanspraak op kinderbijslag
op grond van de Algemene
Kinderbijslagwet kan maken;
d. kinderopvang: het in
georganiseerd verband tegen vergoeding verzorgen en opvoeden van kinderen
door anderen dan de eigen ouder,
pleeg- of stiefouder op uren dat deze zelf
hiervoor niet beschikbaar is
wegens het verrichten van één van de
activiteiten, bedoeld in artikel 2,
eerste lid;
e. kinderopvangplaats:
aanbod van kinderopvang dat voldoet
aan de eisen gesteld bij of krachtens
het Tijdelijk besluit kwaliteitsregels
kinderopvang, waarbij de volgende
soorten worden onderscheiden:
1º. hele-dagopvang: aanbod
van kinderopvang voor kinderen in de
leeftijd van 0 tot en met 4 jaar
gedurende negen of meer aaneengesloten uren per werk- of studiedag;
2º. halve-dagopvang:
aanbod van kinderopvang voor kinderen in de
leeftijd van 0 tot en met 4 jaar
gedurende minimaal vijf, maar minder dan negen aaneengesloten uren per
werk- of studiedag;
3º. buitenschoolse opvang:
aanbod van kinderopvang voor kinderen in de schoolgaande leeftijd
gedurende de gehele dag minus de
schooltijden en de overblijftijd;
4º. gastouderopvang:
kinderopvang in een gezinssituatie gedurende ten minste vijf uren per week en die
betrekking heeft op gelijktijdig ten
hoogste vier kinderen;
f. gerealiseerde nieuwe
kinderopvangplaats:
1º. kinderopvangplaats die
gemeten naar de stand per 31 december 1995, zoals tot uitdrukking
komend in een door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport geaccepteerde "Financiële
verantwoording Stimuleringsmaatregel
kinderopvang 1994-1995", extra wordt gecreëerd in 1997, dan
wel extra is gecreëerd in 1996 en in
1997 wordt gecontinueerd;
2º. kinderopvangplaats die
vóór 31 december 1995 is
gecreëerd, doch die eerst in 1996 en 1997,
dan wel in 1997 feitelijk wordt bezet
door een ten laste komend kind;
g. Algemene bijstandswet:
Algemene bijstandswet (Stb. 1995, 199), Algemene Bijstandswet
(Stb. 1973, 395) of de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet
(Stb.1995,
200).
§ 2. Subsidie aan de
gemeente
Art. 2.
[Subsidie
aan de gemeente]
-1. De minister verleent
op aanvraag aan een gemeente subsidie als tegemoetkoming in de door deze in het
kalenderjaar 1997 te maken kosten voor het realiseren van
nieuwe kinderopvangplaatsen ten
behoeve van alleenstaande ouders
die als zodanig in dat jaar:
a. algemene bijstand
ontvangen en:
1º. arbeid verrichten; of
2º. ten aanzien van wie
het volgen van scholing of een opleiding noodzakelijk wordt geacht voor de
inschakeling in de arbeid; dan wel
b. geen algemene bijstand
meer ontvangen wegens het verrichten van arbeid, waaronder
begrepen deelname aan de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen
1996, het Tijdelijk besluit
subsidiëring experimenten activering
van uitkeringsgelden, de Jeugdwerkgarantiewet, het Experiment
marktverruiming in de schoonmaakbranche
of de Rijksbijdrageregeling Banenpools ¹, waarbij naar het oordeel
van burgemeester en wethouders het bekostigen van de kinderopvang nog
steeds noodzakelijk is om die arbeid te
kunnen blijven verrichten.
-2. Met algemene bijstand
als bedoeld in het eerste lid, onderdeel
a en b, wordt gelijkgesteld een
uitkering ingevolge enige socialezekerheidswet waarvan de hoogte de
bijstandsuitkering voor een alleenstaande ouder
niet te boven gaat indien naar het
oordeel van burgemeester en wethouders het
ontbreken van de bekostiging van
kinderopvang ten aanzien van de
betreffende alleenstaande ouder zou
leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.
-3. De kosten van
kinderopvangplaatsen kunnen ontstaan:
a. doordat de gemeente
zelf in het treffen van die plaatsen voorziet;
b. door het betalen van
een vergoeding aan een derde instelling op grond van een schriftelijke
overeenkomst, waarbij die derde zich
jegens de gemeente verplicht heeft
tot het bieden van één of meer
kinderopvangplaatsen;
c. door het betalen van
een vergoeding aan de alleenstaande ouder die met een derde
schriftelijk een overeenkomst gesloten heeft, waarbij
die derde zich jegens de
ouder verplicht heeft tot het bieden van één of meer kinderopvangplaatsen.
-4. Geen subsidie wordt
verleend ten aanzien van kinderopvangplaatsen die uit anderen hoofde worden
vergoed.
Zie voor deze regelingen de memorie
van toelichting bij de Wiw, red.
Art. 3.
[Subsidievoorwaarden]
De subsidie voor
gerealiseerde nieuwe kinderopvangplaatsen wordt aan de gemeente
verleend onder
de voorwaarden dat:
a. in de schriftelijke
overeenkomst, bedoeld in artikel 2,
derde lid, onderdeel b en c, ten minste is
vastgelegd het aantal kinderopvangplaatsen als bedoeld in deze regeling,
alsmede het tijdstip waarop en de
periode gedurende welke deze plaatsen zijn gerealiseerd;
b. in de
jaarverantwoording van de derde instelling, bedoeld
in artikel 2, derde lid, onderdeel b,
over het jaar waarin de in de regeling
bedoelde plaatsen zijn
gerealiseerd tevens de gerealiseerde plaatsen
worden verantwoord, de periode gedurende
welke deze feitelijk zijn
bezet, alsmede het aantal gerealiseerde
kinderopvangplaatsen per 31 december 1995
wordt vermeld; en
c. deze
jaarverantwoording voorzien is van een verklaring van een registeraccountant
of een Accountant-Administratieconsulent
ten aanzien van wie bij de
inschrijving in het in artikel 36, eerste lid,
van de Wet
op de Accountants-Administratieconsulenten bedoelde register een
aantekening is geplaatst als bedoeld in
artikel 36, derde lid, van die
wet.
Art. 4.
[Beschikbaar
budget en verdeling van het budget]
-1. Het voor deze regeling
beschikbare budget bedraagt ƒ85
miljoen.
-2. De maximale subsidie
per gemeente wordt op basis van dat bedrag vastgesteld naar evenredigheid van
het aantal alleenstaande ouders dat
volgens de facettencode CBS (per ultimo 1994) in de gemeente woonplaats
had en als zodanig algemene bijstand
op grond van de Algemene Bijstandswet ontving.
-3. Indien een gemeente te
kennen geeft het maximumsubsidiebedrag dat volgt uit de toepassing
van het eerste en tweede lid niet te
zullen aanwenden, kan de minister voor die gemeente een lager maximum
vaststellen, overeenkomstig het door
die gemeente aangegeven bedrag.
-4. Indien de minister
gebruik gemaakt heeft van de bevoegdheid, bedoeld in het derde lid, kan hij de
daardoor resterende subsidie toevoegen aan de gemeenten die meer
subsidie hebben aangevraagd dan uit de
toepassing van het eerste en tweede lid zou volgen. De toevoeging vindt
zoveel mogelijk naar rato van het
bepaalde in het tweede lid plaats.
-5. Indien de op grond van
dit artikel berekende aantallen of bedragen niet op een geheel getal
uitkomen, worden die op een door de
minister te bepalen wijze afgerond op een
geheel getal.
Art. 5.
[Subsidiebedrag]
-1. Met inachtneming van
de artikelen 2 en 3 bedraagt de subsidie per gerealiseerde nieuwe kinderopvangplaats
op alle werk- of studiedagen
van de week: ƒ18 000,00 voor het gehele
kalenderjaar vermenigvuldigd met de in
het tweede lid omschreven omrekenfactor.
-2. De omrekenfactor
bedraagt bij:
a. hele-dagopvang: 1;
b. halve-dagopvang: 0,66;
c. buitenschoolse opvang:
0,66;
d. gastouderopvang: 0,4.
-3. De subsidie wordt naar
evenredigheid verlaagd, indien:
a. de kinderopvangplaats,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, b of c, niet op alle werk- of
studiedagen van de week wordt gerealiseerd of slechts gedurende een gedeelte
van het kalenderjaar; of
b. de kinderopvangplaats,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, slechts gedurende een gedeelte
van het kalenderjaar wordt gerealiseerd.
-4. De na toepassing van
de leden 1, 2 en 3 berekende subsidie wordt verlaagd indien de gemiddelde
feitelijke bezetting van de gerealiseerde nieuwe kinderopvangplaatsen over
1997 lager is dan 75%. Voor zover
deze gemiddelde bezetting beneden de 75% blijft, wordt het
verschil in procentpunten vermenigvuldigd met 1,33
en vervolgens in mindering
gebracht op de subsidie.
Art. 6.
[Indiening
aanvraag]
-1. Burgemeester en
wethouders dienen hun aanvraag in vóór 1 juni 1997.
-2. Bij de aanvraag wordt
in elk geval opgave gedaan van het aantal nieuwe kinderopvangplaatsen dat
burgemeester en wethouders voornemens
zijn in 1997 te realiseren op
jaarbasis en de in 1996 gerealiseerde
kinderopvangplaatsen die zij voornemens zijn
in 1997 te continueren. Deze opgave
wordt ingericht volgens het bij deze
regeling behorende model.
-3. Op de
aanvraag wordt ten aanzien van
elke gemeente ten minste één
kinderopvangplaats toegewezen.
Art. 7.
[Subsidievaststelling]
-1. De minister
stelt de
subsidie vast binnen twaalf maanden na ontvangst
van de jaaropgave, bedoeld in
artikel 11, eerste lid.
-2. Indien de jaaropgave
niet tijdig is ontvangen, dan wel niet
is voorzien van de verklaring,
bedoeld in artikel 11, eerste lid, kan de minister de bijdrage ambtshalve vaststellen.
§ 3. Bevoorschotting
Art. 8.
[Bevoorschotting]
De minister betaalt op of
omstreeks:
a. 1 maart 1997 aan alle gemeenten een voorschot van 50% van de maximale subsidie, bedoeld in
artikel 4, tweede lid;
b. 1 oktober 1997 aan
alle gemeenten die een aanvraag hebben ingediend een voorschot tot ten
hoogste 80% van het bedrag dat op de
aanvraag is toegekend.
§ 4. Administratieve
verplichtingen
Art. 9.
[Administratieve
verplichtingen]
-1. Burgemeester en
wethouders dragen er zorg voor dat de administratie voor de uitvoering van
deze regeling zodanig wordt ingericht
dat alle van belang zijnde
vastleggingen en bewijsstukken ten behoeve van het besluitvormings-,
uitvoerings-, controle-
en verantwoordingsproces
zichtbaar en controleerbaar zijn
vastgelegd.
-2. De administratie van
de gemeente bevat in elk geval een overzicht waaruit kan worden afgeleid:
a. welke alleenstaande
ouders gebruik hebben gemaakt van de feitelijk gerealiseerde kinderopvangplaatsen;
b. het aantal feitelijk
gerealiseerde kinderopvangplaatsen ultimo 1995 en gedurende 1997, alsmede
de periode in 1997, waarin de gerealiseerde kinderopvangplaatsen ook daadwerkelijk
bezet zijn geweest;
c. de soort opvangplaats.
Art. 10.
[Toezicht]
-1. Het toezicht op de
uitvoering van deze regeling berust bij
de minister.
-2. Burgemeester en
wethouders verstrekken desgevraagd aan de minister kosteloos alle
inlichtingen die hij voor het toezicht op de uitvoering en de beleidsvorming met
betrekking tot deze regeling nodig heeft
en verlenen hem inzage in de
administratie.
Art. 11.
[Jaaropgave]
-1. Burgemeester en
wethouders doen vóór 20 september 1998 aan de minister
opgave van het aantal
feitelijk gerealiseerde nieuwe
kinderopvangplaatsen, de feitelijke bezetting
van die plaatsen door ten
laste komende kinderen, alsmede de
soort opvangplaatsen. Deze jaaropgave is
ingericht overeenkomstig het bij
deze regeling behorende model en is
voorzien van een verklaring van een deskundige belast met de in artikel
213 van de Gemeentewet voorgeschreven controle omtrent de juistheid van gegevens.
-2. De verklaring dat aan
de voorwaarden van deze regeling is voldaan, is gebaseerd op een controle
die is uitgevoerd overeenkomstig
algemene uitgangspunten. Deze verklaring is ingericht overeenkomstig het bij
deze regeling behorende model, inclusief de bijbehorende
aandachtspuntenlijst.
-3. Indien de
jaarverantwoording van de derde instelling,
bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b,
wordt gecontroleerd door een ander dan de accountant, bedoeld in het
eerste lid, kan de accountant van
de gemeente
bij de controle van de
opgave, indien dit naar zijn
oordeel doelmatig is, gebruik maken van de
controle die de registeraccountant of
de Accountant-Administratieconsulent
uitvoert in het kader van de jaarverantwoording van de derde instelling,
bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b.
§ 5. Intrekking van de
toekenning en terugvordering
Art. 12.
[Intrekking toekenning en terugvordering]
De minister kan een
besluit tot toekenning van subsidie geheel of gedeeltelijk intrekken en een reeds
uitbetaalde subsidie of voorschot
terugvorderen, indien:
a. niet is voldaan aan
het bepaalde in paragraaf 2 of 4;
b. de gemeente onjuiste
of onvolledige gegevens heeft verstrekt.
§ 6. Slotbepalingen
Art. 13.
[Inwerkingtreding]
Deze regeling treedt in
werking met ingang van de tweede dag
na de dagtekening van de Staatscourant
waarin zij wordt geplaatst en
werkt terug tot en met 1 januari 1997.
Art. 14.
[Citeertitel]
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande
ouders 1997.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
’s-Gravenhage, 28
februari 1997.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.
|
|