|
12 december 1997/nr. BZ/VOL/97/10297
Directie Bijstandszaken
De
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Gelet op artikel 3, eerste lid, en 8, eerste
lid, van de Kaderwet
SZW-subsidies;
Besluit:
§ 1. Begripsbepalingen
Art. 1.
[Definities]
-1. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de minister: de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. alleenstaande ouder:
ongehuwde die de volledige zorg heeft voor
één of meer tot zijn last komende
kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het
betreft een bloedverwant in de eerste
graad;
c. ten laste komend kind:
kind in de leeftijd van 0 tot en met einde
leeftijd primair onderwijs voor wie de
alleenstaande ouder aanspraak op kinderbijslag op grond van de
Algemene Kinderbijslagwet kan maken;
d. kinderopvang: het in
georganiseerd verband tegen vergoeding verzorgen
en opvoeden van kinderen door
anderen dan de eigen ouder, pleeg- of
stiefouder op uren dat deze zelf hiervoor niet beschikbaar is wegens het
verrichten van één van de activiteiten, bedoeld in artikel
2, eerste lid;
e. kinderopvangplaats:
aanbod van kinderopvang dat voldoet aan de
eisen gesteld bij of krachtens het
Tijdelijk besluit kwaliteitsregels
kinderopvang, waarbij de volgende soorten worden onderscheiden:
1º. hele-dagopvang: aanbod van
kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van 0 tot en met 4 jaar gedurende negen of meer
aaneengesloten uren per werk- of studiedag;
2º. halve-dagopvang: aanbod van
kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van 0 tot en met 4 jaar gedurende minimaal vijf,
maar minder dan negen aaneengesloten uren per werk- of studiedag;
3º. buitenschoolse opvang: het in
georganiseerd verband tegen vergoeding bieden van verzorging, opvoeding,
toezicht en vrijetijdsactiviteiten
aan kinderen in de leeftijd dat zij
naar het primair onderwijs gaan door
anderen dan de eigen ouders, pleeg- of
stiefouders, waarbij in ieder geval opvang wordt geboden na school en in
schoolvakanties;
4º. gastouderopvang: kinderopvang
in een gezinssituatie die tot stand
komt door bemiddeling van een
gastouderbureau gedurende ten minste vijf uren per week en die betrekking
heeft
op gelijktijdig ten hoogste vier
kinderen;
f. gerealiseerde nieuwe
kinderopvangplaats:
1º. kinderopvangplaats die gemeten naar de stand per 31 december
1995, zoals tot uitdrukking komend in
een door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport geaccepteerde
"Financiële
verantwoording Stimuleringsmaatregel kinderopvang 1994-1995", extra
wordt gecreëerd in 1998, dan wel extra
is gecreëerd in 1996 of 1997 en in
1998 wordt gecontinueerd;
2º. kinderopvangplaats die vóór
31 december 1995 is gecreëerd, doch
die eerst in 1996, 1997 en 1998, dan
wel in 1998 feitelijk wordt bezet door
een ten laste komend kind.
-2. Onder gerealiseerde nieuwe
kinderopvangplaats als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, wordt niet
verstaan een kinderopvangplaats die geheel
of gedeeltelijk wordt bekostigd op
grond van de Tijdelijke
stimuleringsmaatregel buitenschoolse opvang.
-3. Burgemeester en wethouders
kunnen voor de toepassing van deze
regeling gehuwden of samenwonenden gelijkstellen met een
alleenstaande ouder in het geval één van de
partners door omstandigheden de volledige zorg voor één of meer tot hun
last komende kinderen op zich heeft
genomen.
§ 2. Subsidie aan de gemeente
Art. 2.
[Subsidie
aan de gemeente]
-1. De minister verleent op
aanvraag aan een gemeente subsidie als
tegemoetkoming in de door deze in het kalenderjaar 1998 te maken kosten voor het realiseren van nieuwe
kinderopvangplaatsen ten behoeve van alleenstaande ouders die als
zodanig in dat jaar:
a. algemene bijstand ontvangen als bedoeld in de Algemene bijstandswet en:
1º. arbeid
verrichten; of
2º. ten aanzien van wie het volgen
van scholing of een opleiding
noodzakelijk wordt geacht voor de inschakeling
in de arbeid;
b. geen algemene bijstand meer
ontvangen als bedoeld in de Algemene bijstandswet wegens het verrichten van arbeid,
waaronder begrepen arbeid die met overheidsbijdrage wordt gefinancierd, dan wel
waarvoor de werkgever subsidie ontvangt op grond van de Regeling extra
werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1996, 1997 en 1998 ¹, het Tijdelijk
besluit subsidiëring experimenten
activering van uitkeringsgelden of de
Regeling schoonmaakdiensten particulieren, waarbij naar het oordeel van
burgemeester en wethouders het bekostigen van de kinderopvang nog steeds
noodzakelijk is om die arbeid te kunnen blijven verrichten;
c. een dienstbetrekking vervullen
op grond van de Wet inschakeling
werkzoekenden of een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan overeenkomstig
artikel 5 van
die wet.
-2. Met algemene bijstand als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b,
wordt gelijkgesteld een uitkering op grond van enige socialezekerheidswet
waarvan de hoogte de bijstandsuitkering voor
een alleenstaande ouder niet te boven
gaat indien naar het oordeel van
burgemeester en wethouders het ontbreken van de bekostiging van kinderopvang ten
aanzien van de betreffende alleenstaande ouder zou leiden tot
onbillijkheden van overwegende aard.
-3. De kosten van
kinderopvangplaatsen kunnen ontstaan:
a. doordat de gemeente zelf in het treffen van die plaatsen voorziet;
b. door het betalen van een
vergoeding aan een derde instelling op grond van een schriftelijke
overeenkomst, waarbij die derde zich jegens de gemeente verplicht heeft tot het
bieden van één of meer
kinderopvangplaatsen;
c. door het betalen van een
vergoeding aan de alleenstaande ouder die met een derde instelling
schriftelijk een overeenkomst gesloten heeft, waarbij die derde zich jegens de
ouder verplicht heeft tot het bieden van één of meer kinderopvangplaatsen.
-4. Geen subsidie wordt verleend
ten aanzien van kinderopvangplaatsen
die geheel of gedeeltelijk worden bekostigd op grond van de Tijdelijke
stimuleringsmaatregel buitenschoolse opvang, dan wel uit anderen hoofde worden
vergoed.
1. Zie de memorie
van toelichting bij de
Wiw, red.
Art. 3.
[Subsidievoorwaarden]
De subsidie voor gerealiseerde
nieuwe kinderopvangplaatsen wordt aan de gemeente
verleend onder de
voorwaarden dat:
a. in de schriftelijke
overeenkomst, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b en c, ten minste is vastgelegd het aantal kinderopvangplaatsen,
bedoeld in deze regeling, alsmede
het tijdstip waarop en de periode
gedurende welke deze plaatsen zijn gerealiseerd; en
b. in de jaarverantwoording van de derde instelling, bedoeld in
artikel 2,
derde lid, onderdeel b, over het jaar
waarin de in de regeling bedoelde
plaatsen zijn gerealiseerd tevens de gerealiseerde plaatsen worden verantwoord, de
periode gedurende welke deze
feitelijk zijn bezet, alsmede het aantal gerealiseerde kinderopvangplaatsen per 31
december 1995 wordt vermeld; en
c. deze jaarverantwoording
voorzien is van een verklaring van een
accountant als bedoeld in artikel 393, eerste
lid, van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek.
Art. 4.
[Beschikbaar
budget en verdeling van het budget]
-1. Het voor deze regeling
beschikbare budget bedraagt ƒ85 miljoen.
-2. De maximale subsidie per gemeente
wordt op basis van dat bedrag
vastgesteld naar evenredigheid van het aantal alleenstaande ouders dat volgens
de facettencode CBS (per ultimo
1995) in de gemeente woonplaats had en
als zodanig algemene bijstand op grond van de Algemene Bijstandswet ontving,
zoals die wet luidde tot
inwerkingtreding van de Algemene bijstandswet.
-3. Indien een gemeente te kennen geeft het
maximumsubsidiebedrag
dat volgt uit de toepassing van het
eerste en tweede lid niet te zullen
aanwenden, kan de minister voor die gemeente een lager maximum vaststellen,
overeenkomstig het door die gemeente aangegeven bedrag.
-4. Indien de minister gebruik
gemaakt heeft van de bevoegdheid, bedoeld
in het derde lid, kan hij de daardoor resterende subsidie toevoegen aan de
gemeenten die meer subsidie hebben aangevraagd dan uit de toepassing
van het eerste en tweede lid zou
volgen. De toevoeging vindt zoveel mogelijk naar rato van het bepaalde in het
tweede lid plaats.
-5. Indien de op grond van dit
artikel berekende aantallen of bedragen
niet op een geheel getal uitkomen,
worden die op een door de minister te
bepalen wijze afgerond op een geheel
getal.
Art. 5.
[Subsidiebedrag]
-1. Met inachtneming van de
artikelen 2 en 3 bedraagt de subsidie per
gerealiseerde nieuwe kinderopvangplaats op alle werk- of studiedagen van de
week: ƒ18
000,00 voor het gehele kalenderjaar vermenigvuldigd met de in het
tweede lid omschreven omrekenfactor.
-2. De omrekenfactor bedraagt bij:
a. hele-dagopvang: 1;
b. halve-dagopvang: 0,66;
c. buitenschoolse opvang: 0,66;
d. gastouderopvang: 0,4.
-3. De subsidie wordt naar
evenredigheid verlaagd, indien:
a. de kinderopvangplaats, bedoeld
in het tweede lid, onderdeel a, b of c, niet op alle werk- of studiedagen
van de week wordt gerealiseerd of
slechts gedurende een gedeelte van het kalenderjaar; of
b. de kinderopvangplaats, bedoeld
in het tweede lid, onderdeel d,
slechts gedurende een gedeelte van het kalenderjaar wordt gerealiseerd.
-4. De na toepassing van het
eerste, tweede en derde lid berekende
subsidie wordt verlaagd indien de
gemiddelde feitelijke bezetting van de
gerealiseerde nieuwe kinderopvangplaatsen over 1998 lager is dan 80%.
Voor zover
deze gemiddelde bezetting beneden de 80% blijft, wordt het verschil in procentpunten vermenigvuldigd
met 1,25 en vervolgens in
mindering gebracht op de subsidie.
Art. 6.
[Indiening
aanvraag]
-1. Burgemeester en wethouders
dienen hun aanvraag in vóór 1 juni
1998.
-2. Bij de aanvraag wordt in elk
geval opgave gedaan van het aantal
nieuwe kinderopvangplaatsen dat
burgemeester en wethouders voornemens zijn in 1998 te realiseren op
jaarbasis
en voor ¹ de in 1996 of 1997 gerealiseerde
kinderopvangplaatsen die zij voornemens zijn in 1998 te continueren. Deze
opgave wordt ingericht volgens de bij
deze regeling behorende bijlage 1. Op
de aanvraag wordt ten aanzien van
elke gemeente subsidie voor ten minste
één kinderopvangplaats verleend.
1. Volgens de redactie
dient "voor" te worden vervangen door: van.
Art. 7.
[Subsidievaststelling]
-1. De minister
stelt de subsidie
vast binnen twaalf maanden na ontvangst van de jaaropgave, bedoeld in artikel
11,
eerste lid.
-2. Indien de jaaropgave niet
tijdig is ontvangen, dan wel niet is voorzien van de verklaring, bedoeld in
artikel 11, eerste lid, kan de minister de
subsidie ambtshalve vaststellen.
§ 3. Bevoorschotting
Art. 8.
[Bevoorschotting]
De minister betaalt op of
omstreeks:
a. 1 maart 1998 aan alle gemeenten een voorschot van 50% van de
maximale subsidie, bedoeld in artikel 4, tweede lid;
b. 1 oktober 1998 aan alle
gemeenten die een aanvraag hebben ingediend een voorschot tot ten hoogste 80%
van het bedrag dat op de aanvraag
is verleend.
§ 4. Administratieve
verplichtingen
Art. 9.
[Administratieve
verplichtingen]
-1. Burgemeester en wethouders
dragen er zorg voor dat de administratie voor de uitvoering van deze
regeling zodanig wordt ingericht dat alle
van belang zijnde vastleggingen en bewijsstukken ten behoeve van het
besluitvormings-, uitvoerings-,
controle- en verantwoordingsproces zichtbaar en controleerbaar zijn vastgelegd.
-2. De administratie van de gemeente
bevat in elk geval een overzicht
waaruit kan worden afgeleid:
a. welke alleenstaande ouders
gebruik hebben gemaakt van de feitelijk
gerealiseerde kinderopvangplaatsen op basis van deze regeling;
b. het aantal feitelijk
gerealiseerde kinderopvangplaatsen ultimo 1995;
c. het aantal feitelijk
gerealiseerde kinderopvangplaatsen op basis van deze regeling dat in 1998 is
gerealiseerd en het aantal plaatsen dat is gecontinueerd in 1998 op basis van de
Regeling kinderopvang en buitenschoolse
opvang alleenstaande ouders 1996
en de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang
1997;
d. de periode in 1998 waarin het
aantal feitelijk gerealiseerde kinderopvangplaatsen, bedoeld in het tweede
lid, onderdeel b, ook daadwerkelijk
bezet zijn geweest;
e. de soort opvangplaats.
Art. 10.
[Toezicht]
-1. Met het toezicht op de naleving
van deze regeling zijn belast de
ambtenaren van de Directie Toezicht van het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
-2. Burgemeester en wethouders
verstrekken desgevraagd aan de minister kosteloos alle inlichtingen die
hij voor het toezicht op de uitvoering en
de beleidsvorming met betrekking tot deze regeling nodig heeft en
verlenen hem inzage in de administratie.
Art. 11.
[Jaaropgave]
-1. Burgemeester en wethouders doen vóór 20 september 1999 aan de
minister opgave van het aantal feitelijk gerealiseerde nieuwe
kinderopvangplaatsen, de feitelijke bezetting van die plaatsen door ten laste
komende kinderen, alsmede de soort opvangplaatsen. Deze jaaropgave is ingericht
overeenkomstig de bij deze
regeling behorende bijlage 2 en is voorzien
van een verklaring van een deskundige belast met de in artikel 213 van de
Gemeentewet voorgeschreven
controle omtrent de juistheid van gegevens.
-2. De verklaring dat aan de
voorwaarden van deze regeling is voldaan, is gebaseerd op een controle die is
uitgevoerd overeenkomstig algemene
uitgangspunten. Deze verklaring is ingericht overeenkomstig de bij deze regeling behorende
bijlage 3,
inclusief de bijbehorende
aandachtspuntenlijst.
-3. Indien de jaarverantwoording
van de derde instelling, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, wordt
gecontroleerd door een ander dan de accountant, bedoeld in het eerste lid,
kan de accountant van de gemeente
bij de controle van de opgave, indien dit
naar zijn oordeel doelmatig is,
gebruik maken van de controle van de
accountant, bedoeld in artikel 3, onderdeel c.
§ 5. Slotbepalingen
Art. 12.
[Inwerkingtreding]
-1. Deze regeling treedt in werking
met ingang van 1 januari 1998.
-2. De bij deze regeling behorende
bijlagen liggen met ingang van 1 januari 1998 ter inzage bij het ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Art. 13.
[Citeertitel]
Deze regeling wordt aangehaald
als: Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders
1998.
Deze
regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
’s-Gravenhage, 12 december
1997.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.
|
|