21 december 1999/nr.
BZ/ACT/99/82110
Directie Bijstandszaken
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 3, eerste lid, en 8, eerste
lid, van de Kaderwet
SZW-subsidies;
Besluit:
Art. 1. Definities
-1. In deze regeling wordt verstaan
onder:
a. de minister: de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. alleenstaande ouder: ongehuwde
dan wel degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij
gehuwd is, en die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn
last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een
ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
c. ten laste komend kind: kind in
de leeftijd van 0 jaar tot de leeftijd waarop het primair onderwijs voor
dat kind eindigt en voor wie de alleenstaande ouder aanspraak op kinderbijslag
op grond van de Algemene
Kinderbijslagwet kan maken;
d. kinderopvang: het in
georganiseerd verband tegen vergoeding verzorgen en opvoeden van
kinderen door anderen dan de eigen ouder, pleeg- of stiefouder op uren
dat deze zelf hiervoor niet beschikbaar is wegens de omstandigheden,
bedoeld in artikel 2, eerste lid;
e. kinderopvangplaats: aanbod van
kinderopvang dat voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens het
Tijdelijk besluit kwaliteitsregels kinderopvang, waarbij de volgende
soorten worden onderscheiden:
1º. hele-dagopvang: aanbod van
kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van 0 jaar tot en met 4 jaar
gedurende negen of meer aaneengesloten uren per werk- of studiedag;
2º. halve-dagopvang: aanbod van
kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van 0 jaar tot en met 4 jaar
gedurende minimaal vijf, maar minder dan negen aaneengesloten uren per
werk- of studiedag;
3º. buitenschoolse opvang: het in
georganiseerd verband tegen vergoeding bieden van verzorging, opvoeding,
toezicht en vrijetijdsactiviteiten aan kinderen in de leeftijd van 4
jaar tot de leeftijd waarop het primair onderwijs voor dat kind eindigt,
door anderen dan de eigen ouders, pleeg- of stiefouders, waarbij in
ieder geval opvang wordt geboden na school en in schoolvakanties;
4º. gastouderopvang: kinderopvang voor
kinderen in de leeftijd van 0 jaar tot de leeftijd waarop het primair
onderwijs voor dat kind eindigt in een gezinssituatie die tot stand
komt door bemiddeling van een gastouderbureau gedurende ten minste vijf
uren per week en die betrekking heeft op gelijktijdig ten hoogste vier
kinderen.
-2. Burgemeester en wethouders kunnen
voor de toepassing van deze regeling besluiten gehuwden, als partners
geregistreerden of ongehuwd samenwonenden gelijk te stellen met een
alleenstaande ouder in het geval één van de partners door
omstandigheden de volledige zorg voor één of meer tot hun last komende
kinderen op zich heeft genomen.
Art. 2.
Subsidie
aan de gemeente
-1. De minister verstrekt op aanvraag
aan een gemeente subsidie als tegemoetkoming in de door de gemeente in
het kalenderjaar 2000 te maken kosten voor kinderopvangplaatsen
voortvloeiend uit overeenkomsten als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
ten behoeve van alleenstaande ouders die als zodanig in dat jaar:
a. algemene bijstand ontvangen
als bedoeld in de Algemene
bijstandswet en:
1º. betaalde arbeid verrichten; of
2º. ten aanzien van wie het volgen van
scholing of een opleiding noodzakelijk wordt geacht voor de inschakeling
in de arbeid; of
3º. deelnemen aan activiteiten die
bijdragen tot sociale activering;
b. geen algemene bijstand meer
ontvangen als bedoeld in de Algemene bijstandswet wegens het direct
daarop aansluitend verrichten van betaalde arbeid, waaronder begrepen
arbeid die met overheidsbijdragen wordt gefinancierd dan wel waarvoor de
werkgever subsidie ontvangt op grond van de Wet
inschakeling werkzoekenden, het Besluit in- en doorstroombanen of de
Regeling schoonmaakdiensten particulieren, waarbij, met inachtneming van
artikel 12, naar het oordeel van burgemeester en wethouders het
bekostigen van de kinderopvang nog steeds noodzakelijk is om die arbeid
te kunnen blijven verrichten;
c. een uitkering ontvangen als
bedoeld in de Wet inkomensvoorziening kunstenaars;
d. de leeftijd van 18 jaar nog niet
hebben bereikt, scholing of een opleiding volgen dan wel betaalde arbeid
verrichten, en met toepassing van artikel 11 of
13, vierde lid, van de
Algemene bijstandswet algemene bijstand ontvangen of kunnen ontvangen.
-2. Met algemene bijstand als bedoeld in
het eerste lid, onderdeel a, b en d, wordt
gelijkgesteld een uitkering op grond van enige socialezekerheidswet
waarvan de hoogte de bijstandsuitkering voor een alleenstaande ouder
niet te boven gaat indien naar het oordeel van burgemeester en
wethouders het ontbreken van de bekostiging van kinderopvang ten aanzien
van de betreffende alleenstaande ouder zou leiden tot onbillijkheden van
overwegende aard.
Art. 3.
Subsidievoorwaarden
-1. De subsidie wordt verleend indien de gemeente voor de
alleenstaande ouder zelf met instemming van de gemeente, met een
instelling of een natuurlijk persoon die de kinderopvangplaats
verzorgt, daartoe een schriftelijke overeenkomst sluit.
-2. In de overeenkomst is op duidelijke en
overzichtelijke wijze vermeld:
a. de instelling jegens welke of de
natuurlijke persoon jegens wie de uitgaven worden gedaan;
b. de instelling of de natuurlijke
persoon die de kinderopvang verricht indien deze een andere is dan
bedoeld in onderdeel a;
c. naam en geboortedatum van de
kinderen voor wie de kinderopvang pleegt te worden genoten;
d. naam en adres van de
alleenstaande ouder ten behoeve van wie de overeenkomst, bedoeld in het
eerste lid, wordt aangegaan;
e. de periode waarin en het aantal
dagen van de week waarop naar hele-dagopvang, halve-dagopvang,
buitenschoolse opvang of gastouderopvang onderscheiden, van deze
regeling gebruik pleegt te worden gemaakt;
f. het adres waar de kinderopvang
pleegt plaats te vinden.
-3. Burgemeester en wethouders, of de
alleenstaande ouder, bedoeld in het eerste lid, die de overeenkomst
aangaat, dragen er zorg voor dat in de overeenkomst:
a. geen langere opzegtermijn wordt
opgenomen dan zes weken; en
b. de instelling of de natuurlijke
persoon, bedoeld in onderdeel a of b van het tweede lid,
verplicht is de gemeente te berichten indien van de kinderopvangplaats
zonder opgaaf van redenen over een periode langer dan twee weken feitelijk
geen gebruik wordt gemaakt.
-4. Na de ontvangst van een bericht als
bedoeld in het derde lid, onderdeel b, onderzoeken burgemeester
en wethouders of de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, moet worden
voortgezet. Zo nodig zeggen burgemeester en wethouders de overeenkomst
op.
-5. Aan de gemeente wordt geen subsidie
verleend voor zover ten aanzien van de kinderopvangplaats recht bestaat
op een andere subsidie.
Art. 4.
Beschikbaar
budget en verdeling van het budget
-1. Het voor deze regeling beschikbare
budget bedraagt ƒ125 600 000,00.
-2. De maximale subsidie per gemeente
wordt op basis van het bedrag, genoemd in het eerste lid, bepaald naar
evenredigheid van het aantal alleenstaande ouders dat volgens de
facettencode CBS per ultimo 1998 in de gemeente woonplaats had en als
zodanig algemene bijstand op grond van de Algemene
bijstandswet ontving, waarbij de subsidie in ieder geval per
gemeente die een aanvraag doet op basis van deze regeling het equivalent
is van één volledige kinderopvangplaats. De uit de eerste volzin
voortvloeiende maximaal beschikbare subsidie per gemeente is opgenomen
in bijlage 1 bij deze regeling.
-3. Indien de ontwikkeling van de lonen
in de gepremieerde en gesubsidieerde sector of de ontwikkeling van het
prijsindexcijfer van de particuliere gezinsconsumptie daartoe aanleiding
geeft, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, door de minister
herzien en bekendgemaakt in de Staatscourant.
Art. 5.
Subsidiebedrag
-1. De subsidie voor een kinderopvangplaats in de vorm van
hele-dagopvang voor vijf of meer werk- of studiedagen per week gedurende
een geheel kalenderjaar bedraagt ƒ19 900,00.
-2. De subsidie voor een kinderopvangplaats
in de vorm van halve-dagopvang of buitenschoolse opvang voor vijf of
meer werk- of studiedagen per week gedurende een geheel kalenderjaar
bedraagt ƒ13 135,00.
-3. De subsidie voor een kinderopvangplaats
in de vorm van gastouderopvang gedurende een geheel kalenderjaar
bedraagt ƒ7960,00.
-4. De subsidie wordt naar evenredigheid
verlaagd, indien:
a. de kinderopvangplaats, bedoeld in
het eerste of tweede lid, voor minder dan vijf werk- of studiedagen van
de week wordt overeengekomen of slechts gedurende een gedeelte van het
kalenderjaar; of
b. de kinderopvangplaats, bedoeld in
het derde lid, slechts gedurende een gedeelte van het kalenderjaar wordt
overeengekomen.
-5. Artikel 4, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing op de bedragen genoemd in dit artikel.
Art. 6.
Indiening
aanvraag
-1. Burgemeester en wethouders dienen hun
aanvraag om in aanmerking te komen voor de subsidie bij de minister
in vóór
1 april 2000.
-2. Bij de aanvraag wordt aangegeven tot
welk subsidiebedrag burgemeester en wethouders voornemens zijn in 2000
door middel van overeenkomsten als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
kinderopvangplaatsen voor alleenstaande ouders aan te gaan. Daarbij
kunnen burgemeester en wethouders aangeven voor meer of minder subsidie
in aanmerking te willen komen dan bij toepassing van artikel
4, tweede
lid, voor die gemeente beschikbaar is. De aanvraag is ingericht volgens
de bij deze regeling behorende bijlage 2.
-3. Indien burgemeester en wethouders bij
de aanvraag te kennen geven het maximumsubsidiebedrag dat volgt uit de
toepassing van artikel 4, tweede lid, niet of niet volledig te zullen
aanwenden, kan de minister voor die gemeente een lagere maximale
subsidie verlenen, overeenkomstig het door die gemeente aangegeven
bedrag.
-4. Indien burgemeester en wethouders vóór
1 april 2000 geen aanvraag indienen, kan de minister de subsidie
ambtshalve op nihil vaststellen en het voorschot, bedoeld in artikel
7,
eerste lid, terugvorderen.
-5. Indien de minister gebruik gemaakt
heeft van de bevoegdheid, bedoeld in het derde of vierde lid, kan hij de
daardoor resterende subsidie toevoegen aan de gemeenten die meer
subsidie hebben aangevraagd dan het maximale subsidiebedrag en voor die
gemeenten een hogere maximale subsidie verlenen. Artikel 4, tweede lid,
is van overeenkomstige toepassing.
-6. Burgemeester en wethouders van
gemeenten die de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, hebben ingediend,
ontvangen vóór 1 juni 2000 van de minister een beschikking tot
subsidieverlening waarin de maximale subsidie voor het jaar 2000 is
opgenomen.
Art. 7.
Bevoorschotting
-1. De minister
betaalt op of omstreeks 15
januari 2000 aan gemeenten een voorschot van 50% van de maximale
subsidie, bedoeld in artikel 4, tweede lid, zonder dat daartoe door
burgemeester en wethouders reeds een aanvraag is ingediend.
-2. Gemeenten die over het jaar 1998 geen
of een nihiljaaropgave als bedoeld in artikel 11 van de Regeling
kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1998 en over
het jaar 1999 geen aanvraag voor kinderopvang als bedoeld in artikel
6,
eerste lid, van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang
alleenstaande ouders 1999 hebben ingediend, ontvangen geen voorschot,
tenzij de aanvraag, bedoeld in artikel 6, eerste lid, vóór 1 februari
2000 door de minister is ontvangen. In dat geval ontvangt de gemeente
het voorschot, bedoeld in het eerste lid, op of omstreeks 1 maart 2000.
-3. De minister betaalt op of omstreeks 15
juni 2000 aan gemeenten een voorschot van 80% van de maximale subsidie,
bedoeld in artikel 6, zesde lid. Bij de betaalbaarstelling van dit
voorschot wordt het voorschot, bedoeld in het eerste of tweede lid,
verrekend dan wel teruggevorderd.
-4. Indien de minister gebruik maakt van
zijn bevoegdheid, bedoeld in artikel 4, derde lid, of 5, vijfde lid,
wordt de daartoe voortvloeiende hogere subsidie zo spoedig mogelijk bij
wijze van voorschot in één keer aan gemeenten betaalbaar gesteld tot
80% van de maximale subsidie, bedoeld in artikel 6, zesde lid.
Art. 8.
Jaaropgave
-1. Burgemeester en wethouders doen vóór
20 september 2001 aan de minister opgave van de in het kalenderjaar 2000
voor subsidie in aanmerking komende kosten van kinderopvang, bedoeld in
deze regeling. Deze jaaropgave is, indien de opgave betrekking heeft op
het equivalent van meer dan één volledige kinderopvangplaats, voorzien
van een verklaring van een deskundige belast met de in artikel 213 van
de Gemeentewet voorgeschreven controle omtrent de juistheid van
gegevens.
-2. De jaaropgave en de verklaring, bedoeld
in het eerste lid, zijn ingericht overeenkomstig de bij deze regeling
behorende bijlage 3 respectievelijk bijlage 4.
-3. De verklaring van de deskundige,
bedoeld in het eerste lid, is gebaseerd op een controle die is
uitgevoerd overeenkomstig het in bijlage 5 bij deze regeling beschreven
controle- en rapportageprotocol.
Art. 9.
Toezicht
-1. Met het toezicht op de naleving van
deze regeling zijn belast de ambtenaren van de Directie Toezicht van het
ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
-2. Burgemeester en wethouders verstrekken
desgevraagd aan de minister kosteloos alle inlichtingen die hij voor
het toezicht en de beleidsvorming met betrekking tot deze regeling nodig
heeft en verlenen inzage in de administratie ter zake van belang zijnde
bescheiden.
Art. 10.
Administratieve
verplichtingen
Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat de administratie voor
de uitvoering van deze regeling zodanig wordt ingericht dat, naast de in
artikel 3, eerste lid, bedoelde overeenkomsten, dan wel indien de
alleenstaande ouder zelf met instemming van de gemeente
een overeenkomst
sluit een afschrift van deze overeenkomst, alle overige van belang
zijnde vastleggingen en bewijsstukken ten behoeve van het
besluitvormings-, uitvoerings-, controle- en verantwoordingsproces
zichtbaar en controleerbaar zijn vastgelegd.
Art. 11.
Subsidievaststelling
-1. Met inachtneming van de artikelen
2, 3
en 5 stelt de minister de subsidie vast binnen twaalf maanden na ontvangst
van de jaaropgave, bedoeld in artikel 8, eerste lid.
-2. Indien de jaaropgave niet tijdig is
ontvangen, dan wel niet is voorzien van de verklaring, bedoeld in
artikel 8, eerste lid, kan de minister de subsidie ambtshalve
vaststellen.
Art. 12.
Subsidie
en betaalde arbeid
-1. Burgemeester en wethouders van een gemeente
die ten behoeve van een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel
2, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling kinderopvang en
buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1999 in het jaar 2000
oordelen over de noodzaak van voortzetting van de bekostiging van de
kinderopvang ten behoeve van die alleenstaande ouder, nemen daarbij in
acht dat de minister in ieder geval tot één jaar na de aanvang van de
arbeid van de alleenstaande ouder de subsidie, bedoeld in artikel
3,
eerste lid, verleent.
-2. Na het jaar, bedoeld in het eerste lid,
wordt de subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, door de minister
slechts verleend indien burgemeester en wethouders aantonen dat het door
de alleenstaande ouder ontvangen loon inclusief de tot het loon te
rekenen vergoedingen en de eventueel daarenboven te verstrekken
toeslagen die op grond van artikel 10 juncto artikel 11 van de Wet
op de loonbelasting 1964 tot het loon worden gerekend, ten hoogste 130% van het
voor hem geldende minimumloon op grond van de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag bedraagt.
-3. In afwijking van het tweede lid
verleent de minister de subsidie, bedoeld in dat lid, nog maximaal zes maanden na afloop van de periode van
één jaar, bedoeld in dat lid,
indien burgemeester en wethouders beslissen dat het stopzetten van de
bekostiging van de kinderopvang ten behoeve van de alleenstaande ouder
zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.
-4. Dit artikel is van overeenkomstige
toepassing op de alleenstaande ouder, bedoeld in artikel
2, eerste lid,
onderdeel c, van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse
opvang alleenstaande ouders 1998, voor wie de kinderopvang werd
bekostigd op grond van genoemde regeling zoals die regeling luidde tot
de datum van inwerkingtreding van deze regeling.
Art. 13.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2000.
Art. 14.
Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling kinderopvang en
buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 2000.