|
18 september 2000/nr.
BZ/ACT/00/43225
Directie Bijstandszaken
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 144a,
eerste lid, van de Algemene bijstandswet;
Besluit:
Art.
1.
Begripsbepalingen
In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. de wet: de Wet werk en bijstand;
b. het Bbz 2004: het Besluit
bijstandverlening zelfstandigen 2004;
c. de minister: de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
d. boekjaar: de periode van twaalf maanden waarover de administratie
van de zelfstandige wordt gevoerd.
Art.
2. [Voorwaarden bijstandverlening |
Indiening aanvraag]
-1. De bijstand, bedoeld in artikel 37 van
het Bbz 2004, kan worden verleend indien de zelfstandige
gedurende een periode van ten minste
drie weken als gevolg van zeer dringende
redenen van tijdelijke aard zijn
bedrijf of beroep in het buitenland niet heeft kunnen uitoefenen en hij daarna niet over
voldoende middelen beschikt om in
de noodzakelijke kosten van
het bestaan te kunnen voorzien.
-2. Voor het verlenen van
bijstand wordt door tussenkomst
van het hoofd van de Nederlandse
diplomatieke of consulaire post van
het ressort waar de zelfstandige zich
bevindt een aanvraag ingediend bij de minister die is ingericht
overeenkomstig het model dat als bijlage bij deze
regeling behoort.
Art.
3. [Hoogte bijstand]
-1. De bijstand omvat
bijstand in de noodzakelijke kosten van het bestaan en voor zover nodig
bijstand in de kosten van voortzetting van de
reis of terugkeer naar Nederland.
-2. De bijstand in de
noodzakelijke kosten van het bestaan bedraagt per kalendermaand voor:
a. de zelfstandige en
zijn in het buitenland verblijvende gezinsleden:
de voor hen geldende
bijstandsnorm, bedoeld in
hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, van de wet;
b. de zelfstandige van 21
jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die alleenstaande of alleenstaande ouder
is: de voor hem geldende
bijstandsnorm, bedoeld in
hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, van de wet, verhoogd
met de toeslag, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van
de wet.
Art. 4.
[Uitbetaling bijstand]
De bijstand kan worden
betaald door tussenkomst van het hoofd
van de Nederlandse diplomatieke
of consulaire post, bedoeld in artikel 2, tweede lid.
Art.
5. [Terugbetaling bijstand]
-1. De bijstand, bedoeld
in artikel 3, die op grond van artikel 11, tweede lid, van
het Bbz 2004 niet
wordt omgezet in een bedrag om niet, wordt
uiterlijk binnen één jaar na afloop
van het boekjaar waarin de
bijstand is verleend, terugbetaald.
-2. De zelfstandige legt
hiertoe binnen zes maanden na afloop van het boekjaar zijn administratie over
aan de minister.
Art. 6.
[Inlichtingenverstrekking]
hoofdstuk 6, paragraaf 6.6,
van de wet is van overeenkomstige toepassing op het voor de uitvoering
van deze regeling noodzakelijke verstrekken
van opgaven en inlichtingen
aan en door de minister.
Art. 7.
[Inwerkingtreding]
Deze regeling treedt in
werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant
waarin zij wordt geplaatst.
Art. 7a. Wijziging
wettelijke grondslag
Deze regeling berust op
artikel 37, eerste lid, van het Bbz
2004.
Art. 8.
[Citeertitel]
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling bijstandverlening aan zelfstandigen in het buitenland.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.¹
1. Raadpleeg voor de modelformulieren Staatscourant 2000, 188, red.
‘s-Gravenhage, 18
september 2000.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
TOELICHTING
[18 september 2000]
Algemeen
De herinrichting van de Algemene
bijstandswet (Abw) van 1 januari 1996 maakte een eind aan de
mogelijkheid bijstand te verlenen aan
Nederlanders in het buitenland.
Hierdoor kwam ook een einde aan de
mogelijkheid bijstand te verlenen aan Nederlandse binnenvaartondernemers
die door weersomstandigheden in financiële
moeilijkheden raakten wanneer zij geen
reserves hadden en de bank niet
bereid was krediet te verlenen of de
kredietverlening uit te breiden. In een aantal gevallen leidde dit er na
1996 toe dat binnenvaartondernemers in
die omstandigheden in
financiële moeilijkheden geraakten en niet in de
kosten van hun bestaan konden
voorzien.
Dit noopte het kabinet
tot wijziging van de Abw, hetgeen
resulteerde in de Wet van 1 juli 1998 (Stb.
1998, 451) en invoeging van de
artikelen 144a en 25a. Ingevolge
artikel 144a Abw kan bij zeer dringende
redenen van tijdelijke aard aan zelfstandigen in
het buitenland bijstand worden verleend. Ingevolge artikel
25a Abw wordt deze bijstand verstrekt in de
vorm van een renteloze geldlening.
In de Regeling bijstandverlening aan zelfstandigen in het
buitenland (Rbzb) wordt uitvoering
gegeven aan artikel 144a Abw. De regeling beperkt zich niet tot de
binnenvaartondernemers, maar voorziet in bijstandverlening aan de zelfstandige die
in het buitenland in financiële
moeilijkheden raakt en tijdelijk zijn bedrijf of beroep niet kan uitoefenen, aan
wie de bank geen krediet (meer)
verleent zodat de zelfstandige niet langer
in de noodzakelijke kosten van het bestaan
kan voorzien en/of voortzetting van de reis of terugkeer naar
Nederland niet mogelijk is.
Het betreft hier dus
tijdelijke ondersteuning in acute (nood)situaties
van beperkte duur in de sfeer
van levensonderhoud. De regeling voorziet niet in verstrekking van bedrijfskapitaal
voor het doen van
noodzakelijke investeringen. Bij
behoefte aan dergelijk bedrijfskapitaal kan
de zelfstandige in Nederland een aanvraag
indienen in het kader van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen
(Bbz); de
binnenvaartondernemer kan
dit doen bij één van de in artikel
25 Bbz aangewezen gemeenten.
Artikelsgewijs
Artikel 2
De
Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid kan bij zeer dringende redenen van tijdelijke
aard aan de zelfstandige die zich
vanwege zijn bedrijf of beroep
tijdelijk in het buitenland bevindt bijstand
verlenen. Voorwaarde is dat de
zelfstandige als ingezetene is
ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens van een gemeente.
Op grond van
ervaringsgegevens wordt iedere zelfstandige geacht om ten minste drie weken in
zijn levensonderhoud te kunnen voorzien.
Indien de zelfstandige verwacht
dat hij zijn bedrijf of beroep langer
dan drie weken niet kan uitoefenen
en daardoor in het buitenland niet
beschikt over voldoende middelen
van bestaan, kan hij een aanvraag voor
bijstand indienen bij het hoofd
van de Nederlandse diplomatieke
of consulaire post van het ressort waar
hij zich bevindt. De aanvraag kan
dus worden ingediend vóórdat de
termijn van drie weken is verstreken.
Recht op bijstand bestaat echter niet eerder dan nadat de zelfstandige vanaf het
moment dat hij in financiële
moeilijkheden is geraakt drie weken zelf in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Dient de
zelfstandige een aanvraag in nadat hij
al drie weken of langer in
moeilijkheden verkeert en in zijn
levensonderhoud heeft voorzien, dan wordt bij de bijstandverlening uitgegaan van de datum
van aanvraag.
De beoordeling van het
recht op bijstand vindt plaats aan de hand
van de door de zelfstandige
overgelegde administratie over het aan de aanvraag voorafgaande jaar. Het
gaat daarbij om het op deze
administratie gebaseerde boekhoudverslag. Indien
de zelfstandige het
boekhoudverslag niet al bij het indienen van
de aanvraag kan overleggen, dient de
zelfstandige het ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid te machtigen tot het opvragen van het
boekhoudverslag bij de boekhouder/accountant.
Bij de aanvraag wordt
gebruik gemaakt van het model dat
als bijlage bij deze regeling hoort.
Het hoofd van de Nederlandse diplomatieke of consulaire post leidt deze aanvraag
zo spoedig mogelijk door
naar het ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, alwaar
op korte termijn wordt beslist op de aanvraag.
Artikel 3
De bijstand bedraagt per
kalendermaand de voor de zelfstandige
en zijn in het buitenland
verblijvende gezinsleden geldende bijstandsnorm,
bedoeld in de artikelen 29 tot en
met 32 van de Abw. Voor een
alleenstaande of een alleenstaande ouder van
21 jaar of ouder doch jonger dan 65
jaar wordt deze bijstandsnorm
verhoogd met de toeslag, genoemd in
artikel 33, tweede lid, van de Abw. Bijstandverlening voor kosten van voortzetting van de reis of terugkeer naar
Nederland vindt plaats voor zover deze
kosten redelijk zijn.
Artikel 4
Omdat de zelfstandige
zich na de aanvraag waarschijnlijk nog enige
tijd in het ressort bevindt van
de Nederlandse diplomatieke
of consulaire post, kan de Nederlandse vertegenwoordiger aldaar de bijstand aan de
zelfstandige uitbetalen.
Afhankelijk van de situatie kan de
uitbetaling ook op andere wijze
plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld via de bankrekening van de zelfstandige.
Artikel 5
Ingevolge
artikel 25a Abw
heeft de verstrekte bijstand
voorlopig de vorm van een renteloze
geldlening. Artikel 23, tweede lid, Abw
is
hierop van toepassing.
Zodra het inkomen bekend
is over het boekjaar waarin de bijstand is verleend, wordt de hoogte van de
bijstand definitief vastgesteld en
wordt besloten, aan de hand van
inkomen en eigen vermogen, of de
renteloze lening geheel of gedeeltelijk wordt omgezet in bijstand om niet. In het
geval dat het jaarinkomen van de
zelfstandige hoger is dan de bijstandsnorm over een heel jaar, of zijn eigen
vermogen meer blijkt te bedragen dan de
in het Bbz gestelde grens, dient de
lening geheel of gedeeltelijk te worden
terugbetaald.
Aangezien boekjaar en
kalenderjaar niet altijd samenvallen,
is bij de beoordeling, in navolging van het Bbz,
aangesloten bij het begrip boekjaar
zoals dit gehanteerd wordt door
de fiscus ten aanzien van het
bedrijfsinkomen. Het boekjaar is de
periode waarover de zelfstandige de
administratie voert. Voor de definitieve
vaststelling van het jaarinkomen en het eigen vermogen van de zelfstandige is
overlegging van de administratie/het
boekhoudverslag vereist over het boekjaar waarin de bijstandverlening heeft
plaatsgevonden. Om ruim vóór de
vervaldatum van de als renteloze
geldlening verleende bijstand definitief vast
te stellen, is bepaald dat dit verslag binnen een termijn van maximaal zes maanden
na afloop van het boekjaar
dient te worden overgelegd.
Artikel 6
Teneinde de
minister in
staat te stellen de door de zelfstandige verstrekte gegevens zoals opgenomen
in de bij deze regeling behorende bijlage te kunnen verifiëren, zijn
in het onderhavige artikel de bepalingen,
bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk
IX van de wet, betreffende de
inlichtingenverplichtingen van overeenkomstige
toepassing verklaard. Het gaat hier
om het uitwisselen van
gegevens met onder meer gemeenten en uitvoeringsinstanties op het terrein van de
uitvoering van de sociale zekerheid. Uiteraard zal van de
bevoegdheid tot informatieverstrekking
alleen gebruik worden gemaakt voor zover
dit noodzakelijk is voor de uitvoering van
deze regeling.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
|