St-AB.nl

 

  

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Algemene bijstandswet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant

 

REGELING  BIJSTANDVERLENING  AAN  ZELFSTANDIGEN  IN  HET  BUITENLAND


18 september 2000, Stcrt. 2000, 188
Inwerkingtreding: 30 september 2000
(T.a.v. artt. 144a:1 Abw en 37:1 Bbz 2004)

 

  
 

 

 
18 september 2000/nr. BZ/ACT/00/43225
Directie Bijstandszaken

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op artikel 144a, eerste lid, van de Algemene bijstandswet;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet werk en bijstand;
b. het Bbz 2004: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;
c. de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
d. boekjaar: de periode van twaalf maanden waarover de administratie van de zelfstandige wordt gevoerd.

 

Art. 2. [Voorwaarden bijstandverlening | Indiening aanvraag]
-1. De bijstand, bedoeld in artikel 37 van het Bbz 2004, kan worden verleend indien de zelfstandige gedurende een periode van ten minste drie weken als gevolg van zeer dringende redenen van tijdelijke aard zijn bedrijf of beroep in het buitenland niet heeft kunnen uitoefenen en hij daarna niet over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien.
-2. Voor het verlenen van bijstand wordt door tussenkomst van het hoofd van de Nederlandse diplomatieke of consulaire post van het ressort waar de zelfstandige zich bevindt een aanvraag ingediend bij de minister die is ingericht overeenkomstig het model dat als bijlage bij deze regeling behoort.

 

Art. 3. [Hoogte bijstand]
-1. De bijstand omvat bijstand in de noodzakelijke kosten van het bestaan en voor zover nodig bijstand in de kosten van voortzetting van de reis of terugkeer naar Nederland.
-2. De bijstand in de noodzakelijke kosten van het bestaan bedraagt per kalendermaand voor:
a. de zelfstandige en zijn in het buitenland verblijvende gezinsleden: de voor hen geldende bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, van de wet;
b. de zelfstandige van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die alleenstaande of alleenstaande ouder is: de voor hem geldende bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, van de wet, verhoogd met de toeslag, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de wet.

 

Art. 4. [Uitbetaling bijstand]
De bijstand kan worden betaald door tussenkomst van het hoofd van de Nederlandse diplomatieke of consulaire post, bedoeld in artikel 2, tweede lid.

 

Art. 5. [Terugbetaling bijstand]
-1. De bijstand, bedoeld in artikel 3, die op grond van artikel 11, tweede lid, van het Bbz 2004 niet wordt omgezet in een bedrag om niet, wordt uiterlijk binnen één jaar na afloop van het boekjaar waarin de bijstand is verleend, terugbetaald.
-2. De zelfstandige legt hiertoe binnen zes maanden na afloop van het boekjaar zijn administratie over aan de minister.

 

Art. 6. [Inlichtingenverstrekking]
hoofdstuk 6, paragraaf 6.6, van de wet is van overeenkomstige toepassing op het voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijke verstrekken van opgaven en inlichtingen aan en door de minister.

 

Art. 7. [Inwerkingtreding]
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

 

Art. 7a. Wijziging wettelijke grondslag
Deze regeling berust op artikel 37, eerste lid, van het Bbz 2004.

 

Art. 8. [Citeertitel]
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bijstandverlening aan zelfstandigen in het buitenland.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.¹

1. Raadpleeg voor de modelformulieren Staatscourant 2000, 188, red.

 

‘s-Gravenhage, 18 september 2000.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.

 

 

 

TOELICHTING
[18 september 2000]

 

Algemeen

 

     De herinrichting van de Algemene bijstandswet (Abw) van 1 januari 1996 maakte een eind aan de mogelijkheid bijstand te verlenen aan Nederlanders in het buitenland. Hierdoor kwam ook een einde aan de mogelijkheid bijstand te verlenen aan Nederlandse binnenvaartondernemers die door weersomstandigheden in financiële moeilijkheden raakten wanneer zij geen reserves hadden en de bank niet bereid was krediet te verlenen of de kredietverlening uit te breiden. In een aantal gevallen leidde dit er na 1996 toe dat binnenvaartondernemers in die omstandigheden in financiële moeilijkheden geraakten en niet in de kosten van hun bestaan konden voorzien.
     Dit noopte het kabinet tot wijziging van de Abw, hetgeen resulteerde in de Wet van 1 juli 1998 (Stb. 1998, 451) en invoeging van de artikelen 144a en 25a. Ingevolge artikel 144a Abw kan bij zeer dringende redenen van tijdelijke aard aan zelfstandigen in het buitenland bijstand worden verleend. Ingevolge artikel 25a Abw wordt deze bijstand verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening.
     In de Regeling bijstandverlening aan zelfstandigen in het buitenland (Rbzb) wordt uitvoering gegeven aan artikel 144a Abw. De regeling beperkt zich niet tot de binnenvaartondernemers, maar voorziet in bijstandverlening aan de zelfstandige die in het buitenland in financiële moeilijkheden raakt en tijdelijk zijn bedrijf of beroep niet kan uitoefenen, aan wie de bank geen krediet (meer) verleent zodat de zelfstandige niet langer in de noodzakelijke kosten van het bestaan kan voorzien en/of voortzetting van de reis of terugkeer naar Nederland niet mogelijk is.
     Het betreft hier dus tijdelijke ondersteuning in acute (nood)situaties van beperkte duur in de sfeer van levensonderhoud. De regeling voorziet niet in verstrekking van bedrijfskapitaal voor het doen van noodzakelijke investeringen. Bij behoefte aan dergelijk bedrijfskapitaal kan de zelfstandige in Nederland een aanvraag indienen in het kader van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz); de binnenvaartondernemer kan dit doen bij één van de in artikel 25 Bbz aangewezen gemeenten.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 2

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan bij zeer dringende redenen van tijdelijke aard aan de zelfstandige die zich vanwege zijn bedrijf of beroep tijdelijk in het buitenland bevindt bijstand verlenen. Voorwaarde is dat de zelfstandige als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens van een gemeente.
     Op grond van ervaringsgegevens wordt iedere zelfstandige geacht om ten minste drie weken in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Indien de zelfstandige verwacht dat hij zijn bedrijf of beroep langer dan drie weken niet kan uitoefenen en daardoor in het buitenland niet beschikt over voldoende middelen van bestaan, kan hij een aanvraag voor bijstand indienen bij het hoofd van de Nederlandse diplomatieke of consulaire post van het ressort waar hij zich bevindt. De aanvraag kan dus worden ingediend vóórdat de termijn van drie weken is verstreken. Recht op bijstand bestaat echter niet eerder dan nadat de zelfstandige vanaf het moment dat hij in financiële moeilijkheden is geraakt drie weken zelf in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Dient de zelfstandige een aanvraag in nadat hij al drie weken of langer in moeilijkheden verkeert en in zijn levensonderhoud heeft voorzien, dan wordt bij de bijstandverlening uitgegaan van de datum van aanvraag.
     De beoordeling van het recht op bijstand vindt plaats aan de hand van de door de zelfstandige overgelegde administratie over het aan de aanvraag voorafgaande jaar. Het gaat daarbij om het op deze administratie gebaseerde boekhoudverslag. Indien de zelfstandige het boekhoudverslag niet al bij het indienen van de aanvraag kan overleggen, dient de zelfstandige het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te machtigen tot het opvragen van het boekhoudverslag bij de boekhouder/accountant.
     Bij de aanvraag wordt gebruik gemaakt van het model dat als bijlage bij deze regeling hoort. Het hoofd van de Nederlandse diplomatieke of consulaire post leidt deze aanvraag zo spoedig mogelijk door naar het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, alwaar op korte termijn wordt beslist op de aanvraag.

 

Artikel 3

     De bijstand bedraagt per kalendermaand de voor de zelfstandige en zijn in het buitenland verblijvende gezinsleden geldende bijstandsnorm, bedoeld in de artikelen 29 tot en met 32 van de Abw. Voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar wordt deze bijstandsnorm verhoogd met de toeslag, genoemd in artikel 33, tweede lid, van de Abw. Bijstandverlening voor kosten van voortzetting van de reis of terugkeer naar Nederland vindt plaats voor zover deze kosten redelijk zijn.

 

Artikel 4

     Omdat de zelfstandige zich na de aanvraag waarschijnlijk nog enige tijd in het ressort bevindt van de Nederlandse diplomatieke of consulaire post, kan de Nederlandse vertegenwoordiger aldaar de bijstand aan de zelfstandige uitbetalen. Afhankelijk van de situatie kan de uitbetaling ook op andere wijze plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld via de bankrekening van de zelfstandige.

 

Artikel 5

     Ingevolge artikel 25a Abw heeft de verstrekte bijstand voorlopig de vorm van een renteloze geldlening. Artikel 23, tweede lid, Abw is hierop van toepassing.
     Zodra het inkomen bekend is over het boekjaar waarin de bijstand is verleend, wordt de hoogte van de bijstand definitief vastgesteld en wordt besloten, aan de hand van inkomen en eigen vermogen, of de renteloze lening geheel of gedeeltelijk wordt omgezet in bijstand om niet. In het geval dat het jaarinkomen van de zelfstandige hoger is dan de bijstandsnorm over een heel jaar, of zijn eigen vermogen meer blijkt te bedragen dan de in het Bbz gestelde grens, dient de lening geheel of gedeeltelijk te worden terugbetaald.
     Aangezien boekjaar en kalenderjaar niet altijd samenvallen, is bij de beoordeling, in navolging van het Bbz, aangesloten bij het begrip boekjaar zoals dit gehanteerd wordt door de fiscus ten aanzien van het bedrijfsinkomen. Het boekjaar is de periode waarover de zelfstandige de administratie voert. Voor de definitieve vaststelling van het jaarinkomen en het eigen vermogen van de zelfstandige is overlegging van de administratie/het boekhoudverslag vereist over het boekjaar waarin de bijstandverlening heeft plaatsgevonden. Om ruim vóór de vervaldatum van de als renteloze geldlening verleende bijstand definitief vast te stellen, is bepaald dat dit verslag binnen een termijn van maximaal zes maanden na afloop van het boekjaar dient te worden overgelegd.

 

Artikel 6

     Teneinde de minister in staat te stellen de door de zelfstandige verstrekte gegevens zoals opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage te kunnen verifiëren, zijn in het onderhavige artikel de bepalingen, bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk IX van de wet, betreffende de inlichtingenverplichtingen van overeenkomstige toepassing verklaard. Het gaat hier om het uitwisselen van gegevens met onder meer gemeenten en uitvoeringsinstanties op het terrein van de uitvoering van de sociale zekerheid. Uiteraard zal van de bevoegdheid tot informatieverstrekking alleen gebruik worden gemaakt voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van deze regeling.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | inhoud Abw | Abw-praktijk | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x