27 maart 2001/nr.
SUWI/SEC/2001/109
De
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
Gelet op artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet
SZW-subsidies en artikel 4 van het Tijdelijk besluit samenwerking
CWI;
Besluiten:
Art.
1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. CWI: een Centrum voor werk en
inkomen, als bedoeld in artikel 1 van het Tijdelijk besluit samenwerking
CWI;
b.
SUWI-bedrijfsverzamelgebouw: gebouw dat mede omvat de vestiging van een CWI en waarin het
onderdeel van de gemeente dat
belast is met de uitvoering van de
Algemene bijstandswet en aanverwante wetten en
een uitvoeringsinstelling, als bedoeld in artikel
41, derde lid, van de
Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997, al dan niet samen met andere dienstverleners, in
aanvulling op de bij of krachtens het
Tijdelijk besluit samenwerking CWI
vastgestelde werkzaamheden, andere werkzaamheden op het terrein van werk
en inkomen verrichten of laten
verrichten;
c. kerngemeente: de gemeente die is aangewezen als plaats van
vestiging van een CWI, genoemd in
de bijlage behorend bij het
Tijdelijk besluit samenwerking CWI;
d. fte: een arbeidsplaats
op basis van een volledige werkweek;
e. m²-prijs: de
feitelijke huurprijs van het pand dat wordt verlaten bij vestiging in een
bedrijfsverzamelgebouw dan wel de gebruikelijke regionale huurprijs per
m² bruto
vloeroppervlak van een vergelijkbaar
gehuurd pand, indien het pand dat
verlaten wordt in eigendom verworven was;
f. de minister: de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Art. 2.
Subsidie voor SUWI-bedrijfsverzamelgebouw
-1. De minister kan op
aanvraag subsidie verstrekken ter stimulering van de totstandkoming van een
SUWI-bedrijfsverzamelgebouw.
-2. De subsidie wordt
aangevraagd door de kerngemeente, dan wel een andere rechtspersoon die
daartoe door de partijen die in het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw zullen samenwerken is aangewezen.
-3. De subsidie wordt
verstrekt aan de subsidieaanvrager.
Art. 3.
Subsidieaanvraag
-1. Bij de
subsidieaanvraag wordt overgelegd een door de partijen die in het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw zullen samenwerken
ondertekend document waaruit blijkt
dat deze partijen gezamenlijk de opzet
hebben om te komen tot een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw en de kerngemeente, dan
wel een andere
rechtspersoon als subsidieaanvrager aanwijzen.
-2. De aanvraag wordt
ingediend uiterlijk op 31 december 2001.
Art. 4.
Subsidiabele
kosten
-1. Voor subsidie kunnen
in aanmerking worden gebracht:
a. kosten met betrekking
tot het opstellen van een plan
van aanpak;
b. de in artikel 6,
eerste en tweede lid, bedoelde leegstandskosten
van een pand dat verlaten wordt
in verband met de verhuizing naar
het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw, gedurende ten hoogste twaalf
maanden, voor zover deze kosten geen
betrekking hebben op de bij of
krachtens het Tijdelijk besluit
samenwerking CWI vastgestelde werkzaamheden;
c. verhuiskosten;
d. kosten gemaakt ten
behoeve van de opening van het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw;
e.
improductiviteitskosten in verband met opleidingen van personeel, nodig in verband met de
overgang naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw;
f. kosten, vooruitlopend
op de mogelijke vestiging van andere dienstverleners, als bedoeld in artikel
1,
onderdeel b, in het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw.
-2. Geen subsidie wordt
verleend voor:
a. investeringskosten in
gebouwen en materiaal;
b. opleidingskosten
personeel;
c. kosten die geen
verband houden met het uitoefenen van gezamenlijke activiteiten op het
terrein van werk en inkomen;
d. kosten van andere dienstverleners als bedoeld in
artikel 1, onderdeel b.
Art. 5.
Omvang subsidie
-1. De subsidie voor de
kosten bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, bedraagt ƒ50
000,00.
-2. De subsidie voor de
kosten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b tot en met f, bedraagt 100% van
de werkelijke kosten tot het maximum,
bedoeld in artikel 6, eerste tot
en met zesde lid.
Art. 6.
Maximale
subsidie
-1. De maximale subsidie
voor de leegstandskosten bij gemeenten bedraagt het aantal fte’s dat
overgaat naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw,
vermenigvuldigd met 12 m², maal de m²-prijs in het pand dat
verlaten wordt.
-2. De maximale subsidie
voor de leegstandskosten bij een uitvoeringsinstelling als bedoeld in
artikel 41, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 bedraagt:
a. voor de kamers van
klantmanagers: het aantal fte’s dat overgaat naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw vermenigvuldigd met 12
m², maal de m²-prijs in het
pand dat verlaten wordt;
b. voor de spreekkamers
van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen: het aantal fte’s dat
overgaat naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw
vermenigvuldigd met 20 m², maal de m²-prijs in het pand dat
verlaten wordt;
c. voor de
onderzoekkamers van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen: het aantal fte’s dat
overgaat naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw gedeeld door twee en vermenigvuldigd
met 25 m², maal de m²-prijs in het pand dat verlaten
wordt;
d. voor de kamers ten
behoeve van de bijzondere controles: het aantal fte’s dat overgaat naar
het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw vermenigvuldigd met 12 m², maal de m²-prijs in het pand dat verlaten
wordt;
e. voor de hoorzalen: het
aantal hoorzalen vermenigvuldigd met 25 m², maal de m²-prijs in
het pand dat verlaten wordt.
-3. De maximale subsidie
voor de verhuiskosten bedraagt ƒ500,00 per fte dat naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw overgaat.
-4. De maximale subsidie
voor de kosten gemaakt ten behoeve van
de opening van het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw bedraagt ƒ7500,00.
-5. De maximale subsidie
voor improductiviteitskosten bedraagt ƒ800,00 per fte dat naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw overgaat.
-6. De maximale subsidie
voor kosten, vooruitlopend op de mogelijke vestiging van andere
dienstverleners, bedraagt 5% van de in
artikel 6, eerste en tweede lid, bedoelde leegstandskosten. Leegstand die zich na het
operationeel worden van het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw voordoet, komt niet voor subsidie
in aanmerking.
Art. 7.
Plan van aanpak
Uiterlijk vier maanden
nadat het document, bedoeld in
artikel 3, is overgelegd, zendt de
subsidieaanvrager aan de minister een plan
van aanpak waarin ten minste is
opgenomen:
a. een postgewijze
begroting met betrekking tot de in
artikel 4, eerste lid, onderdeel b tot en met f, bedoelde kosten;
b. een overzicht van
klantenstromen en volumina in relatie
tot de lokale en regionale arbeidsmarkt;
c. een programma van
eisen met betrekking tot de ruimte
van het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw;
d. een onderbouwing van
de gemaakte huisvestingskeuze aan de
hand van een overzicht van in de
overweging genomen huisvestingsmogelijkheden en de daaraan verbonden
financiële gevolgen;
e. de planning van de
implementatie.
Art. 8.
Aanvullende
weigeringsgronden
-1. Geen subsidie wordt
verstrekt:
a. indien het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw niet wordt gevestigd in
een kerngemeente, hetzij
b. in het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw geen CWI wordt gevestigd.
-2. Geen subsidie als
bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b
tot en met f, wordt verstrekt indien
de minister de gemaakte huisvestingskeuze, gelet op de beschikbare
alternatieven en na overleg met de
subsidieaanvrager, niet redelijk acht.
Art. 9.
Subsidieverlening, subsidievaststelling
-1. De minister
stelt de
subsidie, bedoeld in artikel 4,
eerste lid, onderdeel a, vast na ontvangst van
het in artikel 3 bedoelde document.
-2. Na ontvangst van het
plan van aanpak, bedoeld in
artikel 7, geeft de minister met betrekking
tot de subsidie, bedoeld in artikel 4,
eerste lid, onderdeel b tot en met f, een
beschikking tot subsidieverlening af
met een voorschotverlening van 80%.
-3. De subsidieaanvrager
doet de minister schriftelijk mededeling van het tijdstip waarop het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw
operationeel wordt; de verantwoording
en declaratie, bedoeld in artikel 14 van
de Algemene Regeling SZW-subsidies, wordt ingediend binnen
vier maanden na dat tijdstip.
Art. 10.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking met ingang van 1 april 2001.
Art. 11.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Tijdelijke stimuleringsregeling SUWI-bedrijfsverzamelgebouw.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
‘s-Gravenhage, 27
maart 2001.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.
TOELICHTING
[27 maart 2001]
Algemeen
In het Nader Kabinetsstandpunt
SUWI (Kamerstukken II 1999-2000, 26 448, nr. 7) wordt
door het kabinet aangegeven dat het vanuit het oogpunt van een sluitende
keten van dienstverlening aan de
cliënten zinvol is om een groot aantal activiteiten te positioneren op de
lokatie van het CWI. Dit betreft zowel
publieke activiteiten van de gemeenten en UWV als private activiteiten
van bijvoorbeeld uitzendbureaus en reïntegratiebedrijven. In het SUWI-wetsvoorstel
(Kamerstukken II
2000-2001, 27 221, nrs. 1-3) [zie Wet SUWI, red.]
wordt deze
gedachte verder uitgewerkt.
Tegen deze achtergrond
ligt het ook in de rede dat de
overheid de vorming van deze
bedrijfsverzamelgebouwen financieel ondersteunt.
De stimuleringsregeling is zodanig vormgegeven dat maatwerk kan worden
geboden en de vergoeding aansluit bij de locale situatie. Tevens is van
belang dat het vestigingsplan aansluit
bij het CWI-spreidingsplan en de initiatieven die in CWI-kader worden
ontplooid. De basis voor de financiële
bijdrage vormt derhalve een plan
van aanpak waarin de voornemens
nader uiteen worden gezet.
De subsidie zal worden
verstrekt aan een door de samenwerkende
partijen aangewezen rechtspersoon.
Dit zal veelal de kerngemeente zijn die met name het initiatief zal nemen om te komen tot de vorming van
een bedrijfsverzamelgebouw.
Hierbij is wel van belang dat de kerngemeente mede namens de overige
samenwerkende publieke partijen
optreedt. Omdat een kerngemeente meerdere CWI’s
kan huisvesten, kan een
kerngemeente ook meerdere aanvragen
indienen in het kader van deze regeling
voor de verschillende bedrijfsverzamelgebouwen.
In het plan van aanpak
zal, naast een beschrijving van de participanten en de voorziene lokatie,
moeten worden ingegaan op de kosten die
zullen gaan ontstaan bij de
overgang naar een bedrijfsverzamelgebouw. Het betreft derhalve niet de
reguliere exploitatielasten van het
bedrijfsverzamelgebouw. Van belang is vooral ook het aantal fte’s dat in
een bedrijfsverzamelgebouw zal worden gehuisvest. In de subsidievoorwaarden
worden de diverse kostensoorten genormeerd. Alle aanvragen zullen
individueel worden getoetst, waarbij de
Algemene Regeling SZW-subsidies
van toepassing is, inclusief de bevoorschottings- en verantwoordingssystematiek.
Naar verwachting zullen
niet alle bedrijfsverzamelgebouwen
in 2001 kunnen worden ingericht.
Het kabinet wil echter ook na 2001 de
vorming van
bedrijfsverzamelgebouwen financieel ondersteunen. Om
technische redenen wordt de regeling echter beperkt tot het jaar 2001,
omdat in dat jaar de Wet SUWI nog
niet van kracht is. In 2001 is de
regeling nog gericht op de samenwerkende partijen zoals genoemd in het
Tijdelijk Besluit samenwerking CWI. Vanaf
2002 zal een nieuwe regeling van kracht worden met dezelfde strekking,
echter gericht op de in de Wet SUWI genoemde publieke
uitvoeringsorganisaties.
Artikelsgewijs
Artikel 1
In het onderhavige artikel wordt voor de begripsomschrijving van een
Centrum voor werk en inkomen (CWI) aangesloten bij de definitie die in
het Tijdelijk besluit samenwerking CWI is opgenomen, te weten: een
vestiging waarin de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.], het Landelijk instituut
sociale verzekeringen [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] en
gemeenten in gezamenlijke afstemming
de bij of krachtens dat tijdelijke
besluit vastgestelde werkzaamheden verrichten
of laten verrichten.
In het verlengde van die
omschrijving wordt onder een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw verstaan een
gebouw dat mede
omvat de
vestiging van een CWI en waarin het
onderdeel van de gemeente dat
belast is met de uitvoering van de
Algemene bijstandswet en aanverwante wetten
(veelal: de gemeentelijke sociale
dienst) en de uitvoeringsorganisatie van de sociale
zekerheid, al dan niet
samen met andere
(privaatrechtelijke) dienstverleners, in aanvulling op de bij
of krachtens het Tijdelijk besluit
samenwerking CWI vastgestelde werkzaamheden, andere
werkzaamheden op het terrein van werk
en inkomen verrichten of laten
verrichten.
Met betrekking tot het
onderdeel van de gemeente dat
belast is met de uitvoering van de
Algemene bijstandswet en aanverwante wetten, en
de uitvoeringsorganisatie van de sociale zekerheid, betreft het in
ieder geval activiteiten op het gebied van activering en controle,
claimbeoordeling (met name ook
medische/arbeidskundige klantcontacten) en klantmanagement, kortom die activiteiten
die bij uitstek door de zogenaamde "frontoffices" van deze organisaties
worden verricht. De omschrijving
van het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw
laat echter uitdrukkelijk open dat vorenbedoelde gemeentelijke uitvoerder
en/of de uitvoeringsorganisatie
van de sociale zekerheid (ook)
andere activiteiten op het terrein van werk
en inkomen vanuit het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw ontplooien. Hierdoor is
het mogelijk dat
bijvoorbeeld (ook) sociale activering, het
verlenen van bijzondere bijstand en
schuldsanering in het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw worden ondergebracht.
Artikelen 2 en
3
Uit
artikel 2 blijkt dat
de subsidie ter stimulering van de totstandkoming van een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw aangevraagd dient te
worden door en verstrekt zal
worden aan de kerngemeente dan wel een
andere rechtspersoon die door de partijen die in het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw zullen samenwerken
daartoe is aangewezen. In artikel 3
is bepaald dat bij de
subsidieaanvraag een document overlegd moet worden
waaruit blijkt dat die partijen
de kerngemeente dan wel een andere
rechtspersoon aanwijzen als
subsidieaanvrager. Hoewel in het kader van
deze stimuleringsregeling niet wordt geëist dat
uit dit (of een ander)
document blijkt op welke wijze de subsidie
doorgesluisd zal worden naar de
(andere) betrokken partijen, ligt het
natuurlijk wel in de rede dat partijen onderling hierover sluitende afspraken
maken. Mede in verband met de
verstrekking van een subsidie voor het
(doen) opstellen van een plan
van aanpak wordt in het kader van
deze regeling overigens wél
uitdrukkelijk geëist dat uit het document waarbij de kerngemeente, of een andere
rechtspersoon, als subsidieaanvrager
wordt aangewezen, blijkt dat de betrokken partijen daadwerkelijk gezamenlijk
de opzet hebben om tot een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw te komen.
Subsidieaanvragen kunnen
op grond van deze tijdelijke regeling tot uiterlijk 31 december
2001 worden ingediend. Op basis van
de stand van zaken per 1 januari 2002
zal een (analoge) subsidieregeling tot
stand gebracht worden die aansluit op de terminologie van de Wet
SUWI.
Artikelen 4 tot en met 6
De regeling voorziet erin
dat een financiële
tegemoetkoming wordt verleend voor bepaalde incidentele
kosten die direct aan de
voorbereiding en totstandkoming van een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw verbonden
zijn. Zo kunnen de kosten
die verband houden met het (doen)
opstellen van een (concept-)plan
van aanpak, alsmede bepaalde
transitie- en migratiekosten, voor subsidie in
aanmerking worden gebracht. Voor wat
de laatstbedoelde kosten betreft, ziet de
regeling op de leegstandskosten
(vervroegde afschrijving huisvesting, afkoop huurcontract, dubbele
huur), verhuiskosten, kosten gemaakt ten
behoeve van de opening van het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw (waaronder begrepen de kosten
van de
daarmee samenhangende PR-activiteiten), improductiviteitskosten
in verband met opleidingen van personeel, noodzakelijk in verband met de
overgang naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw (kosten van opleidingen/workshops
die specifiek gericht
zijn op de migratie), alsmede kosten die gemaakt zijn in verband met de mogelijke aansluiting van private partijen. Bij
dit laatste dient bij uitstek
gedacht te worden aan het reeds
(doen) reserveren van ruimten voor private
partijen, terwijl nog niet
vaststaat dat deze partijen zich ook daadwerkelijk in
het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw
zullen vestigen.
De investeringskosten in
gebouwen en materiaal komen terug in de reguliere exploitatielasten en zijn
derhalve niet subsidiabel. Ook de
(niet specifiek op de migratie naar het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw gerichte)
opleidingskosten van het CWI-personeel komen niet voor subsidie
in deze in aanmerking. Het
betreft hier immers de normale, op
verhoging van de deskundigheid van het
personeel gerichte opleidingen, die
als zodanig geheel losstaan van de
totstandbrenging van een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw. Voorts zijn
niet-subsidiabel de kosten die geen
verband houden met de uitoefening van activiteiten op het terrein van werk en
inkomen. Indien een gemeente
bijvoorbeeld zou besluiten om een deel van
de afdeling burgerzaken (zoals
aangiften van geboorten; afgifte van
rijbewijzen/paspoorten) in het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw onder te brengen, zijn de
kosten die met de
overdracht van deze gemeentelijke taken samenhangen niet subsidiabel. Tot slot
komen niet voor subsidie in aanmerking de
kosten waarvoor private dienstverleners zich gesteld zien; de
onderhavige stimuleringsregeling richt zich op de publieke dienstverleners.
Als tegemoetkoming voor
de kosten voor het (doen) opstellen van een plan van aanpak wordt - los
van de werkelijke kosten - een vast
bedrag van ƒ50
000,- verleend. De
subsidie voor de in artikel 4, eerste
lid, onderdeel b tot en met f, bedoelde kosten vindt wél plaats op basis van
de werkelijke kosten, met dien
verstande dat de subsidie niet hoger kan
zijn dan het voor de desbetreffende
kosten geldende maximum, zoals vervat in artikel 6, eerste tot en met zesde
lid.
Artikelen 7 en
8
Uiterlijk
vier maanden
nadat de subsidieaanvraag en het daarbij behorende document, waaruit onder
meer dient te blijken dat de
betrokken partijen gezamenlijk de opzet
hebben om te komen tot een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw, aan de minister
is
overlegd, dient de
subsidieaanvrager een concreet plan van aanpak
aan de minister voor te leggen.
In dit plan van aanpak dient in ieder
geval een raming van de diverse in artikel 4, eerste lid, onderdeel b tot
en met f, bedoelde kosten te zijn opgenomen, op uiteraard een zodanige
wijze dat aan de hand daarvan het
in artikel 6 bedoelde maximum
vastgesteld kan worden. Dit betekent
onder meer dat relevant inzicht wordt verschaft in het aantal bij de
desbetreffende kostensoort behorende fte’s. Tevens dient in het
verlengde van een over te leggen overzicht
van klantenstromen en volume in relatie tot
de lokale en regionale
arbeidsmarkt en een door de betrokken
partijen opgesteld programma van eisen met betrekking tot de ruimte
van het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw een onderbouwing van de
gemaakte huisvestingskeuze overlegd te worden,
alsmede de planning van de
implementatie. Het plan van aanpak wordt
door de minister getoetst. Uit artikel 8 blijkt dat ingeval de
minister - gelet op de beschikbare alternatieven en na overleg met de
subsidieaanvrager - van oordeel is dat de
gemaakte huisvestingskeuze (bijvoorbeeld vanwege de exorbitant hoge kosten
die daaraan ook op de langere termijn
verbonden zijn) niet redelijk is,
de subsidie wordt geweigerd.
De subsidie wordt
eveneens geweigerd indien blijkt dat het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw niet wordt
gevestigd in een kerngemeente en/of in het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw geen
CWI wordt gevestigd.
Artikel 9
Na ontvangst van het
document waaruit blijkt dat de
betrokken partijen én gezamenlijk de opzet
hebben om te komen tot een SUWI-bedrijfsverzamelgebouw én de
kerngemeente
dan wel een andere rechtspersoon als subsidieaanvrager
aanwijzen, wordt de subsidie voor de kosten
met betrekking tot het opstellen van een
plan van aanpak vastgesteld en
de vaste vergoeding van ƒ50 000,-
betaalbaar gesteld.
Na ontvangst van het plan
van aanpak wordt op basis van de werkelijk kosten en rekening
houdende met de in artikel 6 vervatte
maxima een beschikking afgegeven met
betrekking tot de subsidieverlening
inzake de overige te subsidiëren
kosten. Van deze subsidie wordt 80% bevoorschot. Eindverrekening vindt
plaats op basis van de verantwoording en
declaratie die de subsidieaanvrager
binnen vier maanden nadat het SUWI-bedrijfsverzamelgebouw operationeel is geworden
bij de minister
dient in
te dienen.
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.
|
|