|
20 december 2001/nr. PO/2001/86018
Directie Bureau Opsporingsbeleid
De
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Gelet op artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet
SZW-subsidies;
Besluit:
Art. 1.
Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. opsporing: de opsporing van
misbruik in het kader van de Algemene
bijstandswet, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers, de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen of de Wet
inkomensvoorziening kunstenaars door ambtenaren in dienst van een gemeente
die
op grond van artikel 142 van het Wetboek
van Strafvordering met de opsporing
van strafbare feiten zijn belast;
b. opsporingssamenwerkingsverband: een organisatorisch
verband waarin gemeenten op het terrein van de opsporing samenwerken op basis van
een daartoe strekkende samenwerkingsovereenkomst;
c. samenwerkingsovereenkomst: een geschrift waaruit blijkt dat
tussen twee of meer gemeentebesturen
overeenstemming bestaat om een
opsporingssamenwerkingsverband op te zetten dan wel uit te breiden;
d. sturingsinformatie:
managementinformatie die inzicht geeft in aantallen opsporingszaken, soorten
opsporingszaken en doorlooptijden van
opsporingszaken, opdat het samenwerkingsverband doeltreffend kan worden aangestuurd
door de betrokken gemeenten;
e. kosten
opsporingssamenwerkingsverband: de eenmalige kosten die in de periode voorafgaande aan de
operationele start van het nieuwe
opsporingssamenwerkingsverband worden gemaakt, alsmede de eenmalige
kosten voor uitbreiding van een bestaand opsporingssamenwerkingsverband,
welke kosten niet terugkomen in de jaarlijkse exploitatie van het opsporingssamenwerkingsverband;
f. de minister: de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Art. 2.
Subsidie
opsporingssamenwerkingsverband
-1. De minister kan op aanvraag
subsidie verstrekken ter stimulering van de totstandkoming of de
uitbreiding van een opsporingssamenwerkingsverband.
-2. De subsidie wordt aangevraagd door een
rechtspersoon die
daartoe door de gemeentebesturen die bij
de samenwerkingsovereenkomst zijn betrokken, is aangewezen.
-3. De subsidie wordt verstrekt aan
de subsidieaanvrager.
Art. 3.
Subsidieaanvraag
-1. Bij de subsidieaanvraag wordt overgelegd:
a. een door de in het
opsporingssamenwerkingsverband samenwerkende gemeentebesturen ondertekend
document waaruit blijkt dat de
rechtspersoon die de subsidie aanvraagt daartoe door hen is aangewezen;
b. een afschrift van de
samenwerkingsovereenkomst;
c. een activiteitenplan en een
daarbij behorende postgewijze begroting
van de eenmalige kosten die ten
behoeve van de totstandkoming of de
uitbreiding van een opsporingssamenwerkingsverband worden gemaakt;
d. een protocol als bedoeld in
artikel 4.
-2. De minister
ontvangt uiterlijk
1 juli 2003 de subsidieaanvraag.
Art. 4.
Protocol
opsporingssamenwerkingsverband
Het protocol, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel d, bevat in
ieder geval:
a. een beschrijving van de
werkwijze van het opsporingssamenwerkingsverband, alsmede van de wijze waarop
in sturingsinformatie wordt
voorzien;
b. waarborgen met betrekking tot
de bescherming van de persoonlijk levenssfeer van het subject van opsporing;
c. regels met betrekking tot de
inhoud en frequentie van rapportages aan
de betrokken gemeentebesturen;
d. regels met betrekking tot de
financiële verantwoording, gescheiden naar de bij het onderzoek betrokken
gemeente; en
e. regels met betrekking tot de
frequentie van het afleggen van financiële verantwoording.
Art. 5.
Subsidiabele kosten
-1. Voor subsidie kosten
opsporingssamenwerkingsverband kunnen in aanmerking worden gebracht:
a. kosten met betrekking tot het opstellen van een projectplan
met betrekking tot het tot stand brengen
of uitbreiden van een opsporingssamenwerkingsverband;
b. verhuiskosten in verband met
het overbrengen van opsporingsactiviteiten naar een centrale lokatie;
c. inrichtingskosten van de
gezamenlijke huisvesting;
d. kosten voor aanpassing van de automatisering.
-2. Subsidie wordt slechts
verstrekt voor zover de kosten van het
opsporingssamenwerkingsverband noodzakelijk zijn en betrekking hebben op:
a. de totstandbrenging van een opsporingssamenwerkingsverband
van twee of meer gemeentebesturen waarin, uitgaande van
arbeidsplaatsen op basis van een volledige
werkweek, ten minste vijf ambtenaren belast met opsporing samenwerken, indien nog geen
opsporingssamenwerkingsverband van ten minste die omvang bestaat; of
b. de uitbreiding van een
opsporingssamenwerkingsverband van twee of meer gemeentebesturen met
één of
meer andere gemeentebesturen,
waarbij een opsporingssamenwerkingsverband dat reeds voldoet aan de in het
tweede lid, onderdeel a, bedoelde omvang van ten minste vijf ambtenaren belast met opsporing, wordt
vergroot tot een opsporingssamenwerkingsverband waarin, uitgaande van arbeidsplaatsen op basis van een
volledige werkweek, ten minste tien
ambtenaren belast met opsporing samenwerken.
-3. Geen subsidie wordt verleend indien het protocol niet voldoet
aan
artikel 4.
Art. 6.
Omvang subsidie
-1. De subsidie bedraagt 100% van
de werkelijk gemaakte kosten voortvloeiend uit de subsidiabele activiteiten,
tot een maximum van €|110
000,00 bij de totstandbrenging van een
opsporingssamenwerkingsverband en €|110
000,00 bij de
uitbreiding van een bestand
opsporingssamenwerkingsverband overeenkomstig artikel 5, tweede lid, onderdeel
b, van deze
regeling.
-2. Indien de
samenwerkingsovereenkomst betrekking heeft op gemeenten die allen tot hetzelfde
arrondissement behoren, wordt de subsidie eenmalig verhoogd met
€|45 000,00.
Art. 7.
Subsidieplafond
Voor de toepassing van deze
regeling is ten hoogste €|6
800 000,00 beschikbaar.
Art. 8.
Verantwoording
De minister
ontvangt uiterlijk 31 december 2003 van de subsidieontvanger
een verantwoording. Bij deze verantwoording wordt een
declaratie ingediend.
Art. 9.
Inwerkingtreding
-1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2002
en
vervalt met ingang van 1 juli 2003.
-2. De regeling, zoals die vóór de datum waarop deze vervalt
geldt, blijft van toepassing op de
financiële afwikkeling van de subsidie van de minister
aan de subsidieontvanger.
Art. 10.
Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald
als: Tijdelijke stimuleringsregeling
opsporingssamenwerkingsverbanden.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
‘s-Gravenhage, 20 december
2001.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
TOELICHTING
[20 december 2001]
Algemeen
In het kabinetsstandpunt over
bijzondere opsporingsdiensten (Kamerstukken II 1999-2000, 26 955)
geeft het kabinet aan dat er meer eenheid en bundeling moet komen binnen de bijzondere
opsporing.
Dit kabinetsstandpunt betekent dat
binnen het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) een Sociale Inlichtingen- en
Opsporingsdienst (SIOD) wordt opgericht voor de zware
opsporingszaken. Ook wordt één centraal punt binnen het ministerie van SZW
verantwoordelijk voor de coördinatie van de beleidsmatige aansturing
van de opsporing.
De uitwerking van het kabinetsstandpunt heeft daarnaast
tot gevolg dat een landelijk
dekkend netwerk aan gemeentelijke opsporingssamenwerkingsverbanden tot stand gebracht wordt.
Deze
samenwerking in de opsporing levert
schaalvoordelen op, omdat kennis en expertise worden gedeeld door een aantal
gemeenten. Bovendien kan door de samenwerking de organisatie zo
worden vormgegeven dat personeel
flexibel kan worden ingezet.
Tegen deze achtergrond ligt het in
de rede dat de overheid de vorming van deze samenwerkingsverbanden financieel
ondersteunt. Het kabinet beoogt hiermee de totstandkoming
en uitbreiding van
opsporingssamenwerkingsverbanden te stimuleren vanuit de gedachte dat een adequate,
constante sociale recherche noodzakelijk is voor de handhaving van de regelgeving
op het terrein van de Abw, Ioaw,
Ioaz en Wik.
Bij het opzetten van dit landelijk
dekkend netwerk wordt aangesloten bij de reeds bestaande
initiatieven binnen gemeenten om
intergemeentelijke samenwerking op het terrein van de sociale recherche tot stand te
brengen. Er is daarom afgezien van het geven van richtlijnen voor het
opzetten van samenwerkingsverbanden volgens een vooraf gemaakte landelijke
indeling. Dit betekent dat de
indeling van de samenwerkingsverbanden niet (altijd) samenvalt met de indeling
in arrondissementen. Aansluiting bij arrondissementen is wel aan te
bevelen. Daarom wordt aansluiting door samenwerkingsverbanden bij één arrondissement met een extra
subsidiemogelijkheid ondersteund (maximaal €|45
000,- per
samenwerkingsverband).
Als basismodel voor
samenwerkingsverbanden is gekozen voor samenwerking met ten minste tien fte’s
(arbeidsplaatsen op basis van een
volledige werkweek) aan
opsporingscapaciteit. De bedoeling is dat stapsgewijs naar deze structuur wordt
toegewerkt, te beginnen met een opschaling tot in ieder geval vijf fte’s opsporingscapaciteit per
samenwerkingsverband.
Deze tijdelijke
stimuleringsregeling biedt gemeenten de mogelijkheid om eenmalige kosten in verband met de
totstandkoming of uitbreiding van opsporingssamenwerkingsverbanden (verhuiskosten,
inrichtingskosten, kosten met betrekking tot
opstellen van een projectplan, kosten van
automatisering) vergoed te krijgen. Om de initiatieven en ontwikkelingen
door gemeenten niet te doorkruisen,
worden in deze subsidieregeling slechts minimumvoorwaarden gesteld aan de samenwerkingsverbanden voor het
verkrijgen van subsidie.
Voor de regeling is in totaal €|6
800 000,-
beschikbaar
gesteld. Per samenwerkingsverband is maximaal €|110
000,- beschikbaar,
hetgeen eenmalig verhoogd wordt met €|45
000,- indien wordt aangesloten bij de
arrondissementsindeling.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel 1. Begripsbepalingen
In het
kader van deze regeling is de opsporing beperkt tot de opsporing van
misbruik in het kader van de Algemene
bijstandswet, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet inkomensvoorziening kunstenaars
door gemeenteambtenaren die op grond van artikel 142 van het Wetboek
van Strafvordering met de
opsporing van strafbare feiten
zijn belast. In de praktijk betreft dit
veelal personen die werkzaam bij de
sociale recherche.
De regeling strekt ertoe te
bevorderen dat twee of meer gemeenten die nog geen
opsporingssamenwerkingsverband hebben, dan wel een
opsporingssamenwerkingsverband hebben met een zeer geringe omvang, een opsporingssamenwerkingsverband
opzetten waarin - uitgaande van arbeidsplaatsen op basis van een
volledige werkweek - ten minste vijf opsporingsambtenaren werkzaam (zullen) zijn,
alsmede om te bevorderen dat die gemeenten die reeds zo’n opsporingssamenwerkingsverband
met een omvang van vijf met opsporing belaste ambtenaren hebben, dat
opsporingssamenwerkingsverband
samen met weer nieuwe gemeenten uitbreiden tot een
samenwerkingsverband waarin (uitgaande van
arbeidsplaatsen op basis van een volledige werkweek) ten minste tien met
opsporing belaste ambtenaren werkzaam (zullen) zijn. De samenwerking
tussen gemeenten dient te blijken uit een door de gemeente getekende samenwerkingsovereenkomst.
Dit kan een formele overeenkomst zijn, maar
bijvoorbeeld ook een tussen de gemeentebesturen (schriftelijk) overeengekomen
regeling. De kosten voor het opzetten van een opsporingssamenwerkingsverband
zijn, zo blijkt uit het onderhavige artikel, beperkt tot
de eenmalige kosten die verband
houden met de opzet en voorafgaande aan
de operationele start van het
opsporingssamenwerkingsverband zijn gemaakt, dan wel verband houden met de
uitbreiding van een bestaand
samenwerkingsverband. Deze eenmalige kosten mogen/kunnen, gelet op hun aard,
uiteraard niet terugkomen in de
jaarlijkse exploitatie van het opsporingssamenwerkingsverband.
Artikelen
2, 3 en 4. Subsidie
opsporingssamenwerkingsverband; Subsidieaanvraag; Protocol
opsporingssamenwerkingsverband
Teneinde
de totstandkoming van een opsporingssamenwerkingsverband met ten minste
vijf opsporingsambtenaren, dan wel de verdere uitbreiding van een reeds
bestaand opsporingssamenwerkingsverband tot meer gemeenten en
ten minste tien
opsporingsambtenaren te stimuleren, kan, op verzoek, subsidie worden
verleend. Het daartoe strekkende verzoek,
dat uiterlijk 1 juli 2003 door de minister ontvangen dient te zijn, moet
worden ingediend door een rechtspersoon
die daartoe door de gemeentebesturen
die een opsporingssamenwerkingsverband opzetten dan wel uitbreiden, is
aangewezen. Die rechtspersoon kan één van de gemeenten zijn die bij
opsporingssamenwerkingsverband is betrokken, maar ook een andere (zelfstandige)
rechtspersoon. Bij de subsidieaanvraag moet in ieder
geval een document overgelegd worden waaruit blijkt dat de
rechtspersoon die de subsidie aanvraagt ook
daadwerkelijk als subsidieaanvrager is aangewezen door de
gemeentebesturen die bij het opsporingssamenwerkingsverband zijn betrokken.
Tegen de achtergrond van het feit dat de subsidie wordt
toegekend
aan de subsidieaanvrager wordt in de praktijk veelal in het verlengde
van het document waarbij de rechtspersoon/subsidieaanvrager wordt
aangewezen, tevens een ander document opgesteld, waarin de afspraken
zijn opgenomen over de wijze van
doorsluizen van de subsidiegelden naar de diverse partijen die bij de
samenwerkingsovereenkomst betrokken zijn. Dit laatste document betreft bij
uitstek de relatie tussen de partijen bij de samenwerkingsovereenkomst en
valt als zodanig buiten het kader
van deze regeling.
Bij de subsidieaanvraag dient
naast het document waarbij de rechtspersoon/subsidieaanvrager wordt
aangewezen, tevens overgelegd te worden een afschrift van de samenwerkingsovereenkomst,
alsmede een activiteitenplan en een daarbij behorende postgewijze begroting van de
eenmalige kosten die in verband met de totstandbrenging dan wel de uitbreiding van een
opsporingssamenwerkingsverband (zullen) worden gemaakt.
Tot slot dient te worden
overgelegd een protocol met betrekking tot de werkwijze van het
opsporingssamenwerkingsverband en de wijze waarop in sturingsinformatie wordt
voorzien. Dit protocol dient daarnaast in
ieder geval waarborgen te bevatten met betrekking tot de bescherming van
de persoonlijk levenssfeer van het
subject van opsporing en duidelijke
regels te bevatten met betrekking tot de inhoud en frequentie van rapportages
en financiële verantwoording.
Artikelen
5, 6 en 7. Subsidiabele
kosten; Omvang subsidie; Subsidieplafond
In het
kader van de onderhavige subsidieregeling, waarop de Algemene Regeling
SZW-subsidies van toepassing is, kan een beperkt aantal (eenmalige) kosten voor subsidie in aanmerking
worden gebracht. Het betreft hier de kosten die betrekking hebben op het opstellen van een
projectplan met betrekking tot het tot stand
brengen of uitbreiden van een opsporingssamenwerkingsverband, de
verhuiskosten
indien besloten wordt om de opsporingsactiviteiten op één lokatie te concentreren, de
inrichtingskosten van de gezamenlijke huisvesting
van de opsporingsambtenaren die in een opsporingssamenwerkingsverband samenwerken en de kosten
van (aanpassing van) automatisering. Voor al deze kosten geldt dat zij slechts
dan subsidiabel zijn indien zij
noodzakelijk zijn en verband houden met de totstandkoming of uitbreiding van
een opsporingssamenwerkingsverband.
Overigens is in dit verband niet elke vorm van totstandbrenging
of uitbreiding subsidiabel. Bij de
totstandbrenging dient er sprake te zijn van de situatie dat er nog geen
opsporingssamenwerkingsverband bestaat waarin, uitgaande van arbeidsplaatsen op basis van een
volledige werkweek, ten minste vijf
ambtenaren belast met de opsporing in de zin van deze regeling samenwerken
(dit is overigens niet alleen het geval indien er in het geheel nog geen
opsporingssamenwerkingsverband bestaat, maar uiteraard ook het
geval indien er een
opsporingsamenwerkingsverband bestaat waarin minder dan bedoelde vijf ambtenaren
werkzaam zijn) en twee of meer
gemeentebesturen een opsporingssamenwerkingsverband tot stand brengen waarin,
eveneens uitgaande van arbeidsplaatsen op basis van een volledige werkweek,
wél ten minste vijf
met opsporing belaste ambtenaren gaan samenwerken. Bij de
uitbreiding dient er sprake te zijn van de
situatie dat er een opsporingssamenwerkingsverband van ten minste vijf met
opsporing belaste ambtenaren bestaat en twee of meer gemeentebesturen - samen met weer nieuwe
gemeenten - besluiten dat
opsporingssamenwerkingsverband uit te breiden tot ten minste tien met opsporing
belaste ambtenaren. Ook in deze
situatie wordt uitgegaan van de uitbreiding van het aantal arbeidsplaatsen
op basis van een volledige
werkweek. Voor de goede orde zij er in
verband op gewezen dat de ambtenaren die in het opsporingssamenwerkingsverband
samenwerken niet op individuele basis fulltime werkzaam behoeven
te zijn; het betreft hier de formele
formatie van het opsporingssamenwerkingsverband die (uiteraard) feitelijk
door parttimeambtenaren ingevuld kan worden. Voor de bepaling van de volledige werkweek wordt
aangesloten bij de vigerende CAO voor de desbetreffende ambtenaren.
De subsidie wordt in ieder geval geweigerd indien het protocol
niet dan wel onvoldoende voldoet aan hetgeen dienaangaande in
artikel 4 is bepaald.
Volledigheidshalve zij er nog op gewezen dat het van toepassing
zijn van de Algemene Regeling
SZW-subsidies onder andere met zich brengt dat subsidieverstrekking slechts
plaats vindt voor zover het werkelijk gemaakte kosten ter uitvoering van subsidiabele activiteiten betreft.
Subsidieverstrekking vindt niet plaats voor zover het onredelijk gemaakte
kosten ter uitvoering van
subsidiabele activiteiten betreft, dan wel
betrekking heeft op kosten gemaakt ter
uitvoering van activiteiten die
redelijkerwijs niet passen in de omschreven subsidiabele activiteiten.
De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele
kosten als
bedoeld
in artikel 5 van de regeling, met
dien verstande dat bij het tot stand brengen
van een opsporingssamenwerkingsverband de subsidie nooit hoger kan
zijn dan €|110 000,-
en bij de uitbreiding van een opsporingssamenwerkingsverband
de subsidie nooit hoger kan
zijn dan €|110 000,-.
Gelet op het feit dat het vanuit een
oogmerk van doelmatigheid de voorkeur
verdient dat een opsporingssamenwerkingsverband zich binnen één arrondissement
concentreert, wordt, teneinde die concentratie te
bevorderen, de subsidie eenmalig verhoogd met
€|45 000,-
indien
deze beoogde concentratie plaatsvindt.
Voor de toepassing van deze
regeling is ten hoogste €|6
800 000,- beschikbaar. Mede tegen de
achtergrond hiervan worden, overeenkomstig artikel 5, vierde lid, van de
Algemene Regeling SZW-subsidies,
de subsidieaanvragen in volgorde van binnenkomst behandeld.
De Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
|
|