|
- Regeling
kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1996
- Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang
alleenstaande ouders 1997
- Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang
alleenstaande ouders 1998
- Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang
alleenstaande ouders 1999
- Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang
alleenstaande ouders 2000
- Regeling
kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders
2001
21 december 2001/nr.
BZ/ACT/01/86395
Directie Bijstandszaken
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 3,
eerste lid, en 8, eerste lid, van de Kaderwet
SZW-subsidies;
Besluit:
Art. 1.
Definities
-1. In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. de minister: de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. alleenstaande ouder:
ongehuwde dan wel degene die
duurzaam gescheiden leeft van de persoon met
wie hij gehuwd is en die de
volledige zorg heeft voor één of meer
tot zijn last komende kinderen en geen
gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft
een bloedverwant in de eerste graad;
c. ten laste komend kind:
kind in de leeftijd van 0 jaar tot
de leeftijd waarop het primair onderwijs
voor dat kind eindigt en voor wie
de alleenstaande ouder aanspraak op kinderbijslag op grond van de
Algemene
Kinderbijslagwet kan
maken;
d. kinderopvang: het in
georganiseerd verband tegen vergoeding
verzorgen en opvoeden van kinderen
door anderen dan de eigen ouder,
pleeg- of stiefouder op uren dat
deze zelf hiervoor niet beschikbaar is
wegens de omstandigheden, bedoeld
in artikel 2, eerste lid;
e. kinderopvangplaats:
aanbod van kinderopvang dat voldoet
aan de eisen gesteld bij of krachtens het Tijdelijk besluit
kwaliteitsregels kinderopvang, waarbij de volgende soorten worden onderscheiden:
1º. dagopvang:
aanbod van kinderopvang voor kinderen in de
leeftijd van 0 jaar tot en met 4
jaar;
2º. buitenschoolse
opvang: het in georganiseerd verband
tegen vergoeding bieden van verzorging,
opvoeding, toezicht en
vrijetijdsactiviteiten aan kinderen in de
leeftijd van 4 jaar tot de leeftijd waarop
het primair onderwijs voor dat kind
eindigt, door anderen dan de eigen
ouders, pleeg- of stiefouders, waarbij in
ieder geval opvang wordt geboden na school en in schoolvakanties;
3º. gastouderopvang:
kinderopvang voor kinderen in de
leeftijd van 0 jaar tot de leeftijd waarop
het primair onderwijs voor dat kind
eindigt in een gezinssituatie die
tot stand komt door bemiddeling van een
gastouderbureau en die
betrekking heeft op gelijktijdig ten hoogste
vier kinderen;
f. kalenderjaar: het jaar
waarop de subsidie betrekking
heeft.
-2. Het college van burgemeester en wethouders
kan voor de toepassing van
deze regeling besluiten gehuwden, als
partners geregistreerden of
ongehuwd samenwonenden gelijk te stellen met een alleenstaande ouder in
het geval één van de partners door
omstandigheden de volledige zorg voor
één of meer tot hun last komende
kinderen op zich heeft genomen.
Art. 2.
Subsidie aan
de gemeente
-1. De minister verstrekt
op aanvraag aan een gemeente subsidie
voor de door de gemeenten in het
kalenderjaar te maken kosten voor
kinderopvangplaatsen voortvloeiend uit
overeenkomsten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, ten behoeve
van alleenstaande ouders die als zodanig in
dat jaar:
a. algemene bijstand
ontvangen op grond van de Wet
werk en bijstand en:
1º. betaalde arbeid verrichten; of
2º. gebruik maakt van een
voorziening gericht op
arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste
lid, onderdeel a, van de Wet
werk en bijstand;
b. geen algemene bijstand
meer ontvangen als bedoeld in de Wet werk
en bijstand wegens het direct
daarop aansluitend verrichten van betaalde
arbeid, waaronder begrepen arbeid in
de vorm van een voorziening als bedoeld in artikel
7, eerste lid, onderdeel
a,
van de Wet
werk en bijstand, en arbeid
als bedoeld in de Regeling
schoonmaakdiensten particulieren, waarbij, met inachtneming van artikel
12, naar het
oordeel van het college van burgemeester en wethouders het bekostigen van de
kinderopvang nog steeds noodzakelijk is om
die arbeid te kunnen blijven verrichten;
c. een uitkering
ontvangen als bedoeld in de Wet
inkomensvoorziening kunstenaars;
d. de leeftijd van 18
jaar nog niet hebben bereikt, scholing
of een opleiding volgen dan wel betaalde
arbeid verrichten en met
toepassing van artikel 16 of
artikel 18, eerste of vierde lid, van de Wet
werk en bijstand algemene bijstand ontvangen of kunnen
ontvangen.
-2. Met algemene bijstand
als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b en d, wordt gelijkgesteld een
uitkering op grond van enige socialezekerheidswet waarvan de hoogte de
bijstandsuitkering voor een alleenstaande
ouder niet te boven gaat indien naar het oordeel van het college van burgemeester en
wethouders het ontbreken van de
bekostiging van kinderopvang ten
aanzien van de betreffende
alleenstaande ouder zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.
-3. Gemeenten hebben geen
recht op subsidie voor de te maken
kosten voor kinderopvang op
basis van deze regeling voor
alleenstaande ouders ten aanzien van wie
artikel 74 van de Werkloosheidswet of
artikel 22a van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten van toepassing is.
Art. 3.
Subsidievoorwaarden
-1. De subsidie wordt
verleend indien het college
van burgemeester en wethouders voor de
alleenstaande ouder of de alleenstaande
ouder zelf met instemming van het college
van burgemeester en wethouders, met een instelling of een natuurlijke persoon die de
kinderopvangplaats verzorgt, daartoe een
schriftelijke overeenkomst sluit.
-2. In de overeenkomst is
op duidelijke en overzichtelijke wijze
vermeld:
a. de instelling jegens
welke of de natuurlijke persoon
jegens wie de uitgaven worden gedaan;
b. de instelling of de
natuurlijke persoon die de kinderopvang
verricht indien deze een andere is
dan bedoeld in onderdeel a;
c. naam en geboortedatum
van de kinderen voor wie de
kinderopvang pleegt te worden genoten;
d. naam en adres van de
alleenstaande ouder ten behoeve van wie
de overeenkomst, bedoeld in
het eerste lid, wordt aangegaan;
e. de periode waarin en het aantal
dagen van de week waarop naar kinderopvang, buitenschoolse opvang of
gastouderopvang onderscheiden, van deze regeling gebruik pleegt te
worden gemaakt;
f. het adres waar de
kinderopvang pleegt plaats te vinden.
-3. Het college van
burgemeester en wethouders of de alleenstaande ouder, bedoeld in het eerste lid,
die de overeenkomst aangaat, draagt er zorg voor
dat in de overeenkomst:
a. geen langere
opzegtermijn wordt opgenomen dan twee maanden; en
b. wordt vastgelegd dat
de instelling of de natuurlijke
persoon, bedoeld in onderdeel a of b van het
tweede lid, verplicht is het college van burgemeester en wethouders te berichten indien zich onregelmatigheden voordoen ten aanzien van het
gebruik van de kinderopvangplaats.
-4. Na de ontvangst van
een bericht als bedoeld in het derde
lid, onderdeel b, onderzoekt
het college van burgemeester en wethouders of de
overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt voortgezet. Zo nodig zegt het college van burgemeester en
wethouders de
overeenkomst op.
-5. Aan de gemeente wordt
geen subsidie verleend voor zover ten
aanzien van de overeenkomst voor
de kinderopvangplaats recht bestaat op een andere subsidie of werkgeversbijdrage.
Art. 4.
Beschikbaar
budget en verdeling van het budget
-1. Het voor het jaar 2004
beschikbare budget bedraagt €|70 700
000,00.
-2. De maximale subsidie per gemeente
wordt op basis van het bedrag, genoemd in het eerste lid, bepaald naar
evenredigheid van het aantal alleenstaande ouders dat volgens de door
het Centraal Bureau
voor de Statistiek vervaardigde Abw-statistiek per ultimo 2002 in
de gemeente woonplaats had en als zodanig algemene bijstand op grond van
de Algemene bijstandswet ontving, waarbij
de subsidie in ieder geval per gemeente die een aanvraag doet op basis
van deze regeling ten minste €|12 870,00
bedraagt. De uit de eerste volzin voortvloeiende maximaal beschikbare
subsidie per gemeente is opgenomen in bijlage 1
bij deze regeling.
-3. Indien de ontwikkeling
van de lonen in de gepremieerde
en gesubsidieerde sector of de ontwikkeling
van het prijsindexcijfer van
de particuliere gezinsconsumptie daartoe aanleiding geeft, wordt het bedrag,
bedoeld in het eerste lid, door de minister
herzien en bekendgemaakt in de Staatscourant.
Art. 5.
Vervallen.
Art. 6.
Aanvraag
-1. Het college van burgemeester
en wethouders draagt er zorg voor dat de minister
uiterlijk op 1 nei van
het kalenderjaar een aanvraag heeft
ontvangen om in aanmerking te komen
voor subsidie.
-2. Bij de aanvraag wordt
aangegeven tot welk subsidiebedrag het college van burgemeester en
wethouders voornemens is in het kalenderjaar door middel
van overeenkomsten als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
kinderopvangplaatsen voor alleenstaande ouders aan
te gaan. Daarbij kan het college van burgemeester en wethouders aangeven voor meer of
minder subsidie in aanmerking te
willen komen dan bij toepassing
van artikel 4, tweede lid, voor die gemeente beschikbaar is. De
aanvraag is ingericht volgens de bij deze
regeling behorende bijlage 2.
-3. Indien het college van burgemeester en wethouders
bij de aanvraag te kennen geeft het maximumsubsidiebedrag
dat volgt uit de toepassing van artikel 4, tweede lid, niet of niet
volledig te zullen aanwenden, kan de
minister voor die gemeente een lagere
maximale subsidie verlenen, overeenkomstig
het door die gemeente aangegeven
bedrag.
-4. Indien de aanvraag,
bedoeld in het eerste lid, niet
uiterlijk op 1 mei is ontvangen door de
minister, kan de minister de subsidie
ambtshalve op nihil vaststellen en
wordt het voorschot, bedoeld in artikel 7,
eerste lid, teruggevorderd.
-5. Indien de minister
gebruik gemaakt heeft van de bevoegdheid,
bedoeld in het derde of vierde lid,
kan hij de daardoor resterende
subsidie toedelen aan de gemeenten die meer subsidie hebben aangevraagd dan
het maximale subsidiebedrag en voor
die gemeenten een hogere maximale
subsidie verlenen. Artikel 4, tweede lid, is
van overeenkomstige toepassing.
-6. Het college van
burgemeester en wethouders dat zorg draagt dat de
aanvraag, bedoeld in het eerste lid, tijdig is ontvangen door de minister, ontvangt
vóór 1 juli van het kalenderjaar
van de minister een beschikking tot
subsidieverlening waarin de maximale subsidie
voor dat jaar is opgenomen.
Art. 7.
Bevoorschotting
-1. De minister
betaalt op
of omstreeks 15 februari van het
kalenderjaar aan gemeenten een
voorschot van 50% van de maximale
subsidie, bedoeld in artikel 4,
tweede lid, zonder dat daartoe door het college van burgemeester en
wethouders reeds een
aanvraag is ingediend.
-2. Gemeenten die over het jaar 2002 geen
of een nihiljaaropgave als bedoeld in artikel 8 van de Regeling kinderopvang en
buitenschoolse opvang alleenstaande
ouders 2001 en over het jaar 2003 geen aanvraag voor kinderopvang
als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van deze regeling
hebben ingediend, ontvangen geen voorschot in het kalenderjaar, tenzij
de aanvraag, bedoeld in artikel 6, eerste lid, vóór 1
maart van het kalenderjaar door de minister is ontvangen. In dat geval
ontvangt de gemeente het voorschot, bedoeld in het eerste lid, op of
omstreeks 15 april van het kalenderjaar.
-3. De minister betaalt op
of omstreeks 15 juni van het
kalenderjaar aan gemeenten een voorschot van 80% van de maximale
subsidie, bedoeld in artikel 6,
zesde lid. Bij de betaalbaarstelling van
dit voorschot wordt het voorschot,
bedoeld in het eerste of tweede lid,
verrekend dan wel teruggevorderd.
-4. Indien de minister
gebruik maakt van zijn bevoegdheid,
bedoeld in artikel 4, derde lid, wordt de daaruit
voortvloeiende hogere subsidie zo
spoedig mogelijk bij wijze van voorschot
in één keer aan gemeenten betaalbaar
gesteld tot 80% van de maximale
subsidie, bedoeld in artikel 6,
zesde lid.
Art. 8.
Jaaropgave
-1.
Het college van burgemeester en wethouders draagt er zorg voor dat
uiterlijk op 20 september van het jaar
volgend op het kalenderjaar de minister opgave van de voor subsidie in aanmerking komende kosten
voortvloeiend uit overeenkomsten voor
kinderopvang, bedoeld in deze regeling, daaronder niet begrepen
uitvoeringskosten,
heeft ontvangen. Deze jaaropgave is,
indien de opgave betrekking heeft
op een subsidiebedrag hoger dan €|50 000,00,
voorzien van een verklaring van
de accountant belast met de in
artikel 213 van de Gemeentewet
voorgeschreven controle omtrent de
juistheid van gegevens.
-2. De jaaropgave en de
verklaring, bedoeld in het eerste
lid, zijn ingericht overeenkomstig de bij
deze regeling behorende bijlage 3
respectievelijk bijlage 4.
-3. De verklaring van de accountant, bedoeld in het eerste
lid, is gebaseerd op een controle die is
uitgevoerd overeenkomstig het in
bijlage 5 bij deze regeling beschreven controle- en rapportageprotocol.
Art. 9.
Administratieve verplichtingen
-1. Het college van burgemeester en wethouders
draagt er zorg voor dat de
administratie voor de uitvoering van
deze regeling zodanig wordt ingericht
dat, naast de in artikel 3, eerste lid,
bedoelde overeenkomsten, dan wel indien de
alleenstaande ouder zelf met instemming van het college van
burgemeester en wethouders een
overeenkomst sluit een afschrift van
deze overeenkomst, alle overige van belang
zijnde vastleggingen en
bewijsstukken ten behoeve van het
besluitvormings-, uitvoerings-, controle- en
verantwoordingsproces zichtbaar en
controleerbaar zijn vastgelegd.
-2. Het college van burgemeester
en wethouders maakt hierbij gebruik van
de daarvoor door de minister verstrekte formulieren, die zijn ingericht
overeenkomstig de in artikel 6, tweede
lid, en artikel 8, tweede lid,
bedoelde bijlagen en zijn voorzien van een
voor iedere gemeente uniek
kenmerk.
Art. 10.
Verantwoording
Met het toezicht op de
naleving van de subsidievoorwaarden is
belast de Accountantsdienst van het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
Art. 11.
Informatieverstrekking
Het college van
burgemeester en wethouders verstrekt desgevraagd aan de minister, de
Inspectie Werk en Inkomen, genoemd in hoofdstuk 7 van de
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, of de
Accountantsdienst, bedoeld in artikel 10,
kosteloos alle inlichtingen die hij
voor het toezicht en de beleidsvorming met
betrekking tot deze regeling nodig
heeft en verlenen inzage in de
administratie ter zake van belang zijnde bescheiden.
Art. 12.
Subsidievaststelling
-1. Met inachtneming van
de artikelen 2 en 3 stelt de minister
de subsidie vast binnen twaalf maanden na
ontvangst van de jaaropgave,
bedoeld in artikel 8, eerste lid.
-2. Indien de jaaropgave
niet is ontvangen binnen achttien maanden na het kalenderjaar waarop deze
betrekking heeft, dan wel niet is
voorzien van de verklaring, bedoeld in artikel 8, eerste lid, stelt de minister de
subsidie ambtshalve vast.
-3. De vastgestelde
subsidie kan van de verleende en betaalde
subsidie afwijken indien het college van burgemeester en wethouders
afwijkt van deze
regeling.
Art. 13.
Subsidie en
betaalde arbeid
-1. Het college van
burgemeester en wethouders van een gemeente dat ten behoeve van
een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b,
in het kalenderjaar oordeelt over
de noodzaak van voortzetting van de
bekostiging van de kinderopvang ten behoeve
van die alleenstaande ouder, neemt
daarbij in acht dat de minister in
ieder geval tot één jaar na de aanvang van de
arbeid van de alleenstaande ouder de
subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, verleent.
-2. Na het jaar, bedoeld
in het eerste lid, wordt de subsidie,
bedoeld in artikel 3, eerste lid,
door de minister slechts verleend indien het college van burgemeester en wethouders
aantoont dat het door de alleenstaande ouder
ontvangen loon inclusief de tot het
loon te rekenen vergoedingen en eventueel
daarenboven te verstrekken toeslagen
die op grond van de artikelen
10, 10a en 11 van de Wet
op de loonbelasting 1964 tot het loon worden gerekend, ten hoogste 130% van het voor
hem geldende minimumloon op grond van
de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag bedraagt.
-3. In afwijking van het
tweede lid verleent de minister de
subsidie, bedoeld in dat lid, nog tot maximaal zes maanden na afloop van
de periode van één jaar, bedoeld in
dat lid, indien het college van burgemeester en wethouders beslist dat het
stopzetten van de bekostiging van de kinderopvang ten behoeve van de
alleenstaande ouder zou leiden tot
onbillijkheden van overwegende aard.
-4. Dit artikel is van
overeenkomstige toepassing op de
alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onderdeel c, van de Regeling
kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1998, voor wie
de kinderopvang werd bekostigd op grond
van genoemde regeling, zoals
die luidde tot de datum van
inwerkingtreding van deze regeling.
Art. 14.
De Algemene Regeling
SZW-subsidies is niet van toepassing.
Art. 15.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking met ingang van de tweede dag
na de dagtekening van de Staatscourant
waarin zij wordt geplaatst en
werkt terug tot en met 1 januari 2002.
Art. 16.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling kinderopvang en
buitenschoolse opvang alleenstaande ouders.
Deze regeling zal met de
toelichting en de bijlagen 1, 2 en 3
in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlagen 4 en 5 worden
uiterlijk 1 mei 2002 ter inzage gelegd in
de bibliotheek van het ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
te Den Haag.¹
1. Raadpleeg voor bijlage
2 Staatscourant 2004, 27. Bijlagen 3, 4 en 5 liggen vóór 1
maart 2004 ter inzage in de bibliotheek van het ministerie
van SZW (Stcrt. 2004, 27). Bijlage 1
is hieronder geplaatst, red.
’s-Gravenhage, 21
december 2001.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
TOELICHTING
[21 december 2001]
Algemeen
1. Inleiding
De sinds 1996 jaarlijks
vastgestelde Regeling kinderopvang en
buitenschoolse opvang alleenstaande
ouders wordt de komende jaren
voortgezet, in afwachting van de in
het Regeerakkoord 1998
aangekondigde Wet basisvoorziening
kinderopvang (Wbk) [zie Wet
kinderopvang, red.]. De Wbk zal een
toekomstbestendig kader bieden voor opvang van kinderen tot en met
12 jaar. Overeenkomstig de medio
2000 aan de Tweede Kamer
aangeboden Hoofdlijnennota Wet
basisvoorziening kinderopvang (Kamerstukken II 1999-2000, 26 587, nr. 9)
zullen in
de wet de structuur van de kinderopvang, de verantwoordelijkheidsverdeling,
de kwaliteit en het toezicht
daarop alsmede de financiering worden
geregeld. De wet zal naar
verwachting met ingang van 1 januari
2004 in werking treden.
In verband met de
voortzetting van de tot nu bestaande
kinderopvangregeling voor alleenstaande ouders
is een nieuwe regeling
opgesteld: de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande
ouders (KOA-regeling).
De KOA-regeling heeft,
evenals voorgaande jaren, een wettelijke
basis in de Kaderwet
SZW-subsidies. Hieronder wordt in grote
lijnen uiteengezet wat de voorgeschiedenis
is van deze regeling, de
doelstelling daarvan en de wijze
waarop de voortzetting in de komende jaren
plaatsvindt. Ten slotte wordt ingegaan
op de bekostigingswijze en
het toezicht op de regeling.
De sinds 1999 gehanteerde subsidie- en afrekensystematiek van de
regeling is ongewijzigd
gehandhaafd. Voor een toelichting daarop wordt
verwezen naar de Regeling
kinderopvang en buitenschoolse opvang
alleenstaande ouders 1999.
2. Voorgeschiedenis
De Regeling kinderopvang
en buitenschoolse opvang alleenstaande
ouders dateert van het jaar
1996. De regeling kwam tot stand in het
kader van de kabinetsnota "De andere kant van Nederland". Ten behoeve
van de preventie en bestrijding van stille
armoede en sociale uitsluiting
zijn destijds structureel middelen
beschikbaar gesteld teneinde de kinderopvangcapaciteit voor (kinderen van)
alleenstaande ouders in de bijstand te vergroten. De middelen die in de
vorm van een subsidie van het
Rijk aan gemeenten
beschikbaar
worden gesteld, zijn bedoeld om
belemmeringen voor uitstroom naar werk of het volgen van scholing,
gelegen in het niet kunnen beschikken
over kinderopvang, weg te nemen.
De sinds 1996
vastgestelde regelingen zijn gepubliceerd in de Staatscourant.¹ De regelingen zijn
jaarlijks aangepast aan
de prijs- en loonindexering. Met
ingang van 1 januari 1999 heeft een
wijziging van de declaratiesystematiek
plaatsgevonden. De subsidie aan gemeenten wordt vanaf dat tijdstip
toegekend op basis van het aantal ten behoeve van de doelgroep gesloten
contracten met kinderopvanginstellingen.
Met ingang van het jaar
2000 is de regeling uitgebreid met
twee nieuwe doelgroepen, te weten
minderjarige alleenstaande ouders (de
zogenoemde tienermoeders) en alleenstaande ouders die deelnemen aan
socialeactiveringsactiviteiten.
In verband met de
voortzetting van de regeling gedurende
meerdere jaren is deze in structurele
zin geformuleerd.
Het voor de onderhavige
regeling beschikbare bedrag is
voor het jaar 2002 vastgesteld op €|68,4 miljoen.
1. Stcrt. 1996, 43;
Stcrt.
1997, 42; Stcrt. 1997, 243; Stcrt. 1998, 249; Stcrt.
1999, 250; Stcrt. 2000, 250.
3. Hoofdlijnen regeling
Doel regeling
De onderhavige regeling
biedt gemeenten de mogelijkheid
kinderopvangcapaciteit in te kopen bij derden door middel van het
afsluiten van schriftelijke
overeenkomsten (contracten).
Zoals hiervoor reeds is
vermeld, is de doelstelling van de
regeling om eventuele belemmeringen weg te
nemen bij alleenstaande ouders ten
aanzien van de uitstroom naar betaald
werk, scholing of sociale activering door middel van het bieden van kinderopvang. Wat betreft scholing gaat
het dan om de opleidings- of
scholingsfase die aan de uitstroom voorafgaat. Het kan dus voorkomen dat
een persoon gedurende de hele
trajectbemiddelingsfase gebruik maakt van deze kinderopvang.
Teneinde het beroep op de
regeling, met inachtneming van het
doel daarvan, te beperken en doorstroom
naar reguliere gesubsidieerde
kinderopvang te realiseren, geldt met
ingang van 1 januari 1999 een
inkomensgrens voor alleenstaande ouders die langer dan één jaar gebruik maken
van de kinderopvang. Tot 1999 was de gemeente vrij in het bepalen van
de duur waarvoor iemand - na
uitstroom uit de bijstand - voor kinderopvang in het kader van deze
regeling in aanmerking kon komen. Vanaf 1999 wordt de duur beperkt in
die zin dat er, één jaar na
uitstroom, een grens van 130% WML wordt
gesteld als maximaal inkomen dat een
uitstromer mag verdienen. De
gemeente blijft overigens vrij om zelf te
bepalen hoe lang de alleenstaande
ouder in aanmerking kan blijven komen voor
kinderopvang als het inkomen van de alleenstaande ouder onder deze beloningsgrens
zit (zie artikel 13 van
de regeling).
Het staat de gemeente
vrij om te bepalen of al dan niet
een eigen ouderbijdrage is verschuldigd. Belangrijk is dat de
uitstroom naar werk dat op of rond het minimumniveau wordt beloond, of de
uitstroom naar scholing of sociale
activering voor degene die in een
uitkeringssituatie verkeert, niet wordt
belemmerd door het heffen van een
eigen bijdrage. Gebleken is dat circa 90%
van de gemeenten de
alleenstaande ouder gratis kinderopvang
biedt. De kinderopvang is voor de ouder
vrijgesteld van de inkomstenbelasting
(artikel 17, eerste lid, onderdeel g,
van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)
Doelgroep regeling
De doelgroep aan wie de
kinderopvang ten gunste kan komen,
bestaat in de eerste plaats uit
alleenstaanden die algemene bijstand op
grond van de Algemene bijstandswet (Abw) ontvangen en betaalde arbeid
verrichten (bijvoorbeeld parttimewerk) of deelnemen aan een
reïntegratietraject zoals het volgen van
scholing of opleiding of deelname aan socialeactiveringsactiviteiten.
Tot de doelgroep behoren ook minderjarige alleenstaande ouders (de
zogenoemde tienermoeders) en
alleenstaande ouders die geen bijstand
(of slechts aanvullende bijstand)
meer ontvangen omdat zij zijn
uitgestroomd naar regulier of additioneel
werk. Onder additioneel werk wordt
verstaan een aanstelling in het kader
van het Besluit in- en doorstroombanen, een dienstbetrekking op grond
van de Wet inschakeling
werkzoekenden dan wel een
arbeidsovereenkomst overeenkomstig artikel 5 van die wet of
de Regeling
schoonmaakdiensten particulieren.
Alleenstaande ouders die
een uitkering ontvangen op grond van de
Wet inkomensvoorziening
kunstenaars (Wik) behoren ook tot de
doelgroep (artikel 2, eerste lid).
Het kan voorkomen dat
alleenstaande ouders met een andere socialezekerheidsuitkering dan
de hierboven genoemde zich bij de
sociale dienst melden om in aanmerking
te komen voor kinderopvang in
verband met de uitstroom naar scholing
of werk. Als dit een uitkering is op
grond van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) of
de Algemene nabestaandenwet
(Anw), is het voor burgemeester en wethouders mogelijk om zo iemand ook
kinderopvang in het kader van deze
regeling te bieden. Hiertoe is in
artikel 2, tweede lid, van de
regeling een hardheidsclausule opgenomen. Voorwaarde voor de
gelijkstelling is wel dat burgemeester en
wethouders in het betreffende geval
van oordeel zijn dat het ontbreken
van de bekostiging van kinderopvang zou
leiden tot onbillijkheden van
overwegende aard. De zinsnede "ten aanzien van de betreffende ouder"
impliceert dat zogenoemde categoriale
gelijkstellingen in het kader van deze
subsidieregeling niet toelaatbaar zijn. Er
moet dus gekeken worden naar
de individuele situatie en het inkomen
van die persoon.
Met ingang van 1 juli
2001 is een nieuwe regeling in
werking getreden die de financiering van
kinderopvang voor personen met een
uitkering op grond van de
Werkloosheidswet (WW), de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) of de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering jonggehandicapten (Wajong) die deelnemen aan een
reïntegratietraject, regelt. De regeling is
opgenomen in artikel 74 van de WW en
artikel 22a van de
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet
Rea) en wordt uitgevoerd door het Uitvoeringinstituut
werknemersverzekeringen (UWV).
Artikel 2, derde lid,
ziet op de situatie waarin sprake is van
samenloop van UWV-uitkering en een
gemeentelijke uitkering. In dat geval
is het UWV verantwoordelijk voor de
reïntegratie en de eventuele
financiering van kinderopvang en kan de betrokken alleenstaande ouder geen
beroep doen op de Regeling
kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders. Op grond van de
artikelen 10 en 12 van de Wet Rea
heeft het UWV tot taak de
inschakeling in het arbeidsproces te
bevorderen van de arbeidsgehandicapte
werknemer die een
arbeidsongeschiktheidsuitkering of WW-uitkering ontvangt.
De gemeenten hebben op grond
van artikel 2 van de Wet inschakeling
werkzoekenden tot taak de inschakeling
in het arbeidsproces te bevorderen van arbeidsgehandicapten die
uitsluitend een uitkering op grond
van de Abw, de Ioaw, de Ioaz, de Wik
of de Anw ontvangen (alsmede
van werkloos werkzoekende
arbeidsgehandicapten zonder uitkering). Dit
impliceert dat het UWV verantwoordelijk is voor de reïntegratie
en dus voor de financiering van
kinderopvang van arbeidsgehandicapten bij
samenloop van uitkeringen. Op grond
van artikel 72 WW is het de taak van
het UWV de inschakeling van
(alle) WW-gerechtigden in de arbeid te bevorderen. Daarop wordt geen
uitzondering gemaakt in het geval de
WW-gerechtigde een aanvullende
bijstandsuitkering ontvangt.
De regeling kent voorts
een bepaling waardoor uitgesloten
wordt dat voor een contract dat
reeds uit anderen hoofde kan worden
gesubsidieerd, subsidie vanuit de
Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders
verleend kan worden (artikel 3, vijfde
lid). Hierbij kan gedacht worden aan
bijvoorbeeld een werkgeversbijdrage
voor kinderopvang.
Voorheen had deze
samenloopbepaling ook betrekking op
kinderopvangplaatsen die gefinancierd zijn met behulp van VWS-middelen
in het kader van de Regeling
uitbreiding kinderopvang en
buitenschoolse opvang. Omdat sinds 1999
aan plaatsen uit de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang
alleenstaande ouders niet meer de eis
wordt gesteld dat deze nieuw
gerealiseerd zijn, is er formeel geen sprake meer
van samenloop. Gemeenten kunnen de
subsidie op grond van de
onderhavige regeling dan ook benutten voor
plaatsen waarmee de algemene
kinderopvangcapaciteit in de gemeente is uitgebreid.
4. Bekostiging en
verdeelsleutel
Het kabinetsbeleid is
erop gericht de participatiemogelijkheden
voor alleenstaande ouders met jonge kinderen
te vergroten. Het is de
bedoeling dat iedere gemeente de mogelijkheid krijgt om door middel van
deze regeling contracten aan te gaan
voor kinderopvang bestemd voor de
doelgroep. Voor de berekening van de evenredige verdeling van
het jaarlijks vast te stellen
beschikbare budget wordt gebruik gemaakt van de zogenoemde Abw-statistiek,
zoals vervaardigd door het Centraal Bureau
voor de Statistiek [CBS, red.], waaruit
het aantal alleenstaande ouders
blijkt dat in de gemeente woonplaats had
en bijstand ontving. Uitgaande van
het voor een kalenderjaar totale
beschikbare budget en op basis van
voornoemde statistiek wordt naar evenredigheid
eerst een maximaal
subsidiebedrag per gemeente vastgesteld. Op
het aldus per gemeente vastgestelde
maximale subsidiebedrag ontvangen
de gemeenten die al eerder feitelijk gebruik hebben gemaakt van de regeling,
op of omstreeks 15 februari van
het kalenderjaar een voorschot van 50%.
Deze berekening houdt geen
rekening met de werkelijke behoefte,
maar is gebaseerd op het aantal
alleenstaande ouders dat in de gemeente
woonplaats had en bijstand ontving.
De gemeenten wordt de
gelegenheid geboden vóór 1 april
van het kalenderjaar een aanvraag in te dienen
op basis van de feitelijk
verwachte behoefte voor dat jaar.
Hieruit kan een herverdeling van
middelen voortvloeien. Daar waar gemeenten
aangeven dat hun behoefte geringer
of juist hoger is dan volgens de
CBS-statistiek berekend, zal dit
namelijk leiden tot een naar beneden of naar boven bijstellen van de
oorspronkelijke toekenning. Uitgangspunt hierbij is
echter dat het jaarlijks totale
beschikbare budget niet wordt
overschreden. Na herberekening wordt het
dan geldende subsidieplafond rond 1
juni van het kalenderjaar aan de gemeenten bekendgemaakt. Van
gemeenten die een hoger voorschot
ontvingen dan het bedrag waarop zij op
basis van hun aanvraag aanspraak
maken, zal het onverschuldigd betaalde voorschot worden teruggevorderd. De
overige gemeenten zal
rond 15 juni van het kalenderjaar een
(aanvullend) voorschot worden
verstrekt tot 80% op het voor hen vastgestelde subsidiebedrag. Deze
bevoorschottingswijze sluit aan op de
gebruikelijke wijze van bevoorschotting van
subsidies en is gelijk aan de
bevoorschottingswijze op grond van de regeling
voor het jaar 2001.
Ten slotte wordt
opgemerkt dat het voor een kalenderjaar
vast te stellen budget is gebaseerd op
het loon- en prijsniveau van het
voorafgaande jaar. Aanpassing van het loon- en prijsniveau zal in de
loop van het kalenderjaar plaatsvinden
en in de Staatscourant bekend
worden gemaakt.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
1. Definities
Het begrippenkader van de
voorliggende Regeling kinderopvang en
buitenschoolse opvang alleenstaande ouders is gelijk aan dat
van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande
ouders 2001. Met het oog op het
meerjarige karakter van de regeling
is in onderdeel f van het onderhavige artikel het begrip "kalenderjaar"
toegevoegd als aanduiding van het jaar
waarop de subsidie betrekking heeft.
Op grond van het tweede
lid is het, evenals in de regeling
voor het jaar 2001, mogelijk dat een
ouder in de bijstand die gehuwd, als
partner geregistreerd of samenwonend is, maar die geen gezamenlijke
huishouding voert met die echtgeno(o)t(e) en ook geen financiële
ondersteuning ontvangt van die echtgeno(o)t(e)
voor de tot zijn of haar last komende kinderen, tot de doelgroep van de
regeling behoort. Het is aan het
college van burgemeester en
wethouders om (verifieerbaar) te besluiten op welke manier hier invulling aan
wordt gegeven met betrekking tot de
duur van de afwezigheid en de achterliggende reden van de afwezigheid.
In de meeste voorkomende gevallen gaat
het hier om een gehuwd, als
partner geregistreerde of
samenwonend alleenstaande ouder van
wie de partner langdurig in een
strafinrichting of psychiatrische inrichting
verblijft.
Met betrekking tot het
begrip "buitenschoolse opvang" kan nog worden opgemerkt dat ook in de
kosten van noodzakelijke
voorschoolse opvang subsidie kan worden
verleend.
Artikel
2. Subsidie aan
de gemeente
Het Rijk verleent op
aanvraag een subsidie aan gemeenten als tegemoetkoming voor de kosten van
kinderopvangplaatsen die de gemeente ten behoeve van nader
omschreven alleenstaande ouders
aangaat door middel van te sluiten
overeenkomsten met kinderopvanginstellingen. De subsidie is een
tegemoetkoming in voornoemde kosten en zal
voor de gemeenten daarom niet
altijd kostendekkend zijn.
In het eerste lid is een
opsomming van de doelgroep "alleenstaande ouders" gegeven. Het
betreft alleenstaande ouders met een Abw-uitkering of zodanige ouders die
juist geen Abw-uitkering meer
hebben, omdat zij zojuist zijn "uitgestroomd"
naar betaald werk en naar het
oordeel van de gemeente het
bekostigen van de kinderopvang nog steeds noodzakelijk is om die "uitstroom"
te kunnen continueren (eerste lid,
onderdeel a, onder 1º, en onderdeel b). Deze laatste toevoeging omtrent het
gemeentelijk oordeel is opgenomen,
omdat een persoon die uitstroomt
naar een (zeer) goed betaalde baan beter in staat is om in de
bekostiging van kinderopvang bij te dragen. Deze
persoon dient gebruik te maken
van een reguliere gesubsidieerde
kinderopvangplaats of een bedrijfsplaats.
Met betrekking tot de
formulering van het eerste lid,
onderdeel a, onder 2º, is aangesloten bij de
formulering van de doelgroep van de eerder genoemde regeling voor de
financiering van kinderopvang voor WW-gerechtigden en arbeidsgehandicapten, bedoeld in de
artikelen 74 WW en 22a
Wet Rea, en is deze
tevens aangepast aan de wijzigingen op
grond van de Invoeringswet Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. De bepaling houdt in dat
alleenstaande ouders
waarvoor de gemeente reïntegratieverantwoordelijkheid draagt en die deelnemen
aan een reïntegratietraject,
tot de doelgroep van de onderhavige
regeling behoren. Het volgen van
een noodzakelijk geachte scholing of
opleiding of deelname aan socialeactiveringsactiviteiten wordt beschouwd als
deelname aan een
reïntegratietraject.
Voor de duidelijkheid
wordt nog opgemerkt dat
alleenstaande ouders die een studietoelage
ontvangen op grond van de Wet op de
studiefinanciering [Wet
studiefinanciering 2000, red.] niet onder de doelgroep
van deze regeling vallen,
omdat zij geen Abw-uitkering ontvangen.
De in het tweede lid van
dit artikel opgenomen
hardheidsclausule is reeds toegelicht in het algemeen deel van de
toelichting, evenals de in het derde
lid opgenomen bepaling inzake de
samenloop met de regeling voor de
financiering van kinderopvang voor WW-gerechtigden en arbeidsongeschikten,
bedoeld in de eerder genoemde artikelen 74 WW en
22a Wet
Rea.
Artikel
3.
Subsidievoorwaarden
De
gemeente kan subsidie
verkrijgen voor het aangaan van
contracten voor kinderopvang voor
alleenstaande ouders in de bijstand. In
de meeste gevallen zullen de gemeenten dit doen door kinderopvangplaatsen
in te kopen bij kinderopvanginstellingen. Hiertoe zal de gemeente,
of de alleenstaande ouder zelf met instemming van de gemeente, een
overeenkomst afsluiten met een kinderopvanginstelling. Dit artikel beschrijft
aan welke voorwaarden de
overeenkomst dient te voldoen. Deze
voorwaarden zijn zo gekozen dat in feite uit
het contract afgelezen kan worden dat
de kinderopvangplaats in aanmerking komt voor subsidie op grond
van de voorwaarden van de regeling. Zo zal
bijvoorbeeld in het contract opgenomen moeten zijn voor welk
kind de opvang wordt ingekocht en
hoe oud dat kind is. Dit artikel
is op dezelfde wijze vormgegeven als in
de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande
ouders 2001.
Indien de ouder is
opgegeven voor scholing, maar er geldt
nog een wachttijd, dan is het uitgangspunt dat gedurende deze wachttijd
de kinderopvang niet subsidiabel is.
Hierop kunnen echter twee
uitzonderingen worden gemaakt:
1. als de opvangplaats
binnen een redelijke termijn vóór
aanvang van de scholing beschikbaar
komt;
2. indien de scholing
meerdere dagen in de week gaat
plaatsvinden, kan het verstandig zijn om het
kind, voorafgaande aan de daadwerkelijke ingangsdatum van de
opleiding, gedurende een periode al een
dagdeel of één dag per week aan de
opvang te laten wennen. Ten aanzien
van de ingangsdatum van de
aanvaarding van arbeid geldt hetzelfde. In de lijn van het voorgaande kan de
gemeente de periode tussen twee banen in, of tussen opleiding en baan,
het contract laten doorlopen indien
het om een niet al te lange periode
gaat.
In het derde lid is in
onderdeel a een bepaling opgenomen
met betrekking tot de opzegtermijn die
in het contract opgenomen dient
te worden. De maximale opzegtermijn
is, in overeenstemming met
hetgeen gebruikelijk is in de kinderopvang, gesteld op twee maanden.
Onderdeel b van het derde
lid heeft betrekking op de
meldingsplicht van de kinderopvanginstelling
aan de gemeente in het geval dat
zich onregelmatigheden voordoen. Hierbij kan gedacht worden aan
bijvoorbeeld veelvuldig kortdurend niet-gebruik van de kinderopvangplaats
of niet-gebruik gedurende een langere aaneengesloten periode.
Het vijfde lid bevat een anticumulatie- of samenloopregeling voor
het geval uit anderen hoofde
subsidie voor de
kinderopvangplaatsen kan worden verkregen of er
sprake is van een werkgeversbijdrage
voor kinderopvang. De onderhavige regeling heeft ten opzichte van
dergelijke voorliggende
voorzieningen en regelingen een complementair karakter: kinderopvangplaatsen
worden derhalve slechts in aanmerking
genomen voor zover zij niet
elders voor subsidie in aanmerking kunnen
worden gebracht. Deze bepaling
is verder toegelicht in het algemeen deel van
deze toelichting.
Als een contract
tussentijds wordt gewijzigd, moet aan
dezelfde voorwaarden worden voldaan als bij
het aangaan van de
oorspronkelijke overeenkomst.
Artikelen 4 en
7.
Beschikbare budget en verdeling van het
budget en bevoorschotting
Het voor 2002 beschikbare
budget ten behoeve van deze
regeling is €|68,4 miljoen (artikel
4,
eerste lid). Voor iedere gemeente wordt op basis van het bepaalde in het tweede lid de maximaal mogelijke
subsidie voor het jaar 2002 berekend. Voor
de berekening wordt ervan uitgegaan dat
alle gemeenten aan deze
regeling deelnemen.
De maximale subsidie op
basis van dit artikel is opgenomen
in bijlage 1 bij deze regeling.
Bijlage 1 is de basis van de bevoorschotting,
bedoeld in artikel 7, eerste lid. Gemeenten van wie over het jaar 2000 op
grond van de kinderopvangregeling
voor dat jaar geen jaaropgave is
ontvangen (of een nihilopgave is
ontvangen) en van wie tevens over het jaar
2001 op grond van de
kinderopvangregeling voor dat jaar geen
aanvraag is ontvangen, ontvangen genoemd
voorschot niet. Gemeenten die in
2002 voor het eerst aan de
regeling deel willen nemen, moeten, om
genoemd voorschot te verkrijgen, ervoor zorg dragen dat de aanvraag, bedoeld
in artikel 6, vóór 1
februari 2002 (in plaats van vóór 1
april) door de minister
is ontvangen. In
dat geval wordt aan die gemeenten omstreeks 15 maart 2002 alsnog het
voorschot uitbetaald (artikel 7,
eerste en tweede lid).
Het beschikbare
subsidiebedrag zal in de loop van het jaar
worden aangepast aan het loon- en
prijsniveau. De aanpassing wordt in de
Staatscourant bekendgemaakt.
Artikel
5. Subsidiebedrag
In dit artikel zijn voor
de verschillende vormen van kinderopvang
de maximumbedragen opgenomen
van de subsidie per volledige
plaats per jaar. De subsidiebedragen
zijn gebaseerd op het loon- en
prijsniveau van het voorgaande
kalenderjaar en zullen in de loop van het jaar
waarop de subsidie betrekking
heeft, worden herzien. De herziening zal in de Staatscourant bekend
worden gemaakt.
Artikelen
6, 7 en 10.
Aanvraag en bevoorschotting
Om voor de subsidie in
het kader van deze regeling in
aanmerking te komen, zorgt de gemeente ervoor
dat de subsidieaanvraag vóór 1 april door de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid (SZW) is
ontvangen (artikel 6, eerste lid).
Van gemeenten die niet zorgen voor een
tijdige ontvangst, kan het voorschot,
bedoeld in artikel 7, eerste lid,
worden teruggevorderd (artikel 6, vierde lid).
Voor de aanvraag is een standaardformulier ontworpen (bijlage 2 bij
de regeling). In verband met de geautomatiseerde verwerking van de
aanvragen dienen gemeenten gebruik
te maken van het door de minister
daartoe beschikbaar gesteld
formulier (artikel 9, tweede lid). Op de
aanvraag kan de gemeente aangeven voor
meer of minder dan de maximaal beschikbare subsidie, bedoeld in
artikel 4, tweede lid, in aanmerking te
willen komen (artikel 6, derde lid).
Gemeenten die meer
subsidie aanvragen, kunnen daarvoor in
aanmerking komen als er genoeg
gemeenten minder of helemaal geen subsidie
aanvragen. De herverdeling van de
subsidie geschiedt langs dezelfde
verdeelsleutel als die van artikel 4,
tweede lid (artikel 6, vijfde lid).
Na de herverdeling
ontvangen de gemeenten van de minister
een beschikking waarin de
voor het kalenderjaar maximaal toe
te kennen subsidie is opgenomen (artikel 6, zesde lid). Deze zal voor
gemeenten die bij de aanvraag
minder subsidie hebben aangevraagd,
liggen op de door de gemeenten
aangevraagde (lagere) maximale subsidie.
Nadat de beschikking is
verzonden, vindt overeenkomstig
artikel 7, derde lid, een nieuwe
bevoorschottingsronde plaats.
Indien in de loop van het
jaar het beschikbare
subsidiebedrag en de maximumbedragen voor de
verschillende vormen van kinderopvang
worden aangepast aan het loon-
en prijsniveau, heeft de gemeente recht
op een hoger voorschot. De
wijze waarop dit gebeurt, is beschreven
in
artikel 7, vierde lid.
Artikel
8. Jaaropgave
Indien de jaaropgave
betrekking heeft op een bedrag van minder
dan €|50 000,-, behoeft de gemeente
de jaaropgave niet te laten voorzien
van een accountantsverklaring.
Wel kan de minister, vanuit zijn
verantwoordelijkheid voor een juist financieel beheer, de gemeenten ook
in deze situatie om aanvullende
inlichtingen vragen (op basis van
artikel 11 van de regeling) om de
juistheid van de in de jaaropgave
verantwoorde kosten te kunnen toetsen.
Het model van de
jaaropgave is opgenomen in bijlage 3 bij deze
regeling. Ten behoeve van de
accountantsverklaring wordt gebruik gemaakt van een modelverklaring overeenkomstig
bijlage 4. Deze
verklaring is gebaseerd op een controle die is uitgevoerd overeenkomstig het bij
deze regeling behorende
controle- en rapportageprotocol, opgenomen in bijlage 5.
Artikelen
9, 10 en 11.
Administratieve verplichtingen;
verantwoording; informatieverstrekking
Burgemeester en
wethouders dienen er zorg voor te dragen
dat de administratie voor de uitvoering van
deze regeling zodanig is
ingericht dat - naast een nauwkeurige en inzichtelijke vastlegging van de
trajecten en de gerealiseerde uitstroom
daaruit - alle van belang zijnde
vastleggingen en bewijsstukken ten behoeve
van het besluitvormings-, uitvoerings-, controle- en verantwoordingsproces
zichtbaar en controleerbaar zijn
vastgelegd (artikel 9).
Uit artikel 8 van de Kaderwet
SZW-subsidies blijkt dat met het
toezicht op de naleving van de bij
of krachtens die wet
aan de
subsidieontvanger opgelegde verplichtingen belast zijn de door de Minister van
SZW aangewezen personen. In het kader
van deze regeling zijn
daartoe aangewezen de ambtenaren van de Accountantsdienst van het ministerie
van SZW. Het toezicht,
bedoeld in artikel 10 van deze
regeling, heeft betrekking op de
getrouwheid van de verantwoording en de
naleving van de subsidievoorwaarden
door de gemeenten die subsidie
hebben aangevraagd.
Artikel 11 regelt de
informatie die burgemeester en
wethouders aan de minister in het kader van
zijn verantwoordelijkheid voor beleidsvorming en toezicht op de
uitvoering verstrekken.
De toezichthouder baseert
zich op de verantwoordingsinformatie
van de gemeenten en het
eventueel daarop betrekking hebbende
accountantsoordeel. Daarbij kan steekproefsgewijs onderzoek bij de
gemeenten plaatsvinden om de betrouwbaarheid van de gemeentelijke
verantwoordingsinformatie vast te stellen.
De minister kan aan
gemeenten die in het kader van deze
regeling subsidie hebben aangevraagd tevens
inlichtingen vragen die van belang
zijn voor de beleidsvorming.
Daarnaast kan informatie
namens de minister worden
opgevraagd door de Inspectie Werk en Inkomen
(IWI), genoemd in hoofdstuk 7
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen.
Artikel
12.
Subsidievaststelling
In het tweede lid van dit
artikel is bepaald dat de minister de subsidie ambtshalve vaststelt
indien de jaaropgave niet binnen achttien maanden is
ontvangen. Deze bepaling sluit aan
bij andere SZW-subsidieregelingen.
Artikel
13. Subsidie en
betaalde arbeid
Dit artikel ziet primair
op alleenstaande ouders die gebruik hebben gemaakt van de Regeling
kinderopvang en buitenschoolse opvang
2001 en geen algemene bijstand meer ontvangen. Sinds 1998 is in de
regelingen telkens opgenomen (steeds
in artikel 2, eerste lid, onderdeel b) dat in die situatie door
burgemeester en wethouders de kinderopvang kan
blijven worden bekostigd als naar
hun oordeel dat nog steeds noodzakelijk is om de arbeid van de
alleenstaande ouder te kunnen blijven
verrichten. Hiervoor wordt door de minister
aan de gemeenten ook subsidie
verstrekt. Vanaf 1999 is bepaald
dat burgemeester en wethouders bij hun
oordelen betrekken dat de subsidie
van de minister aan de gemeente
in ieder geval gedurende het
eerste jaar na de aanvang van de arbeid nog
door de minister wordt verleend
(eerste lid). Daarbij zal in het kader
van het toezicht op de uitvoering van de
regeling niet naar het inkomen van
de alleenstaande ouder worden gekeken. Pas in het tweede jaar wordt
om nog voor subsidie in
aanmerking te komen een toets op het
inkomen van de alleenstaande ouder
noodzakelijk. Als het inkomen onder
130% van het wettelijk minimumloon
blijft, wordt de subsidie door de
minister gecontinueerd indien de overeenkomst
door burgemeester en
wethouders niet wordt beëindigd (tweede
lid). Daarbij gaat het om het
bruto-inkomen van betrokkene. Komt het
inkomen van de alleenstaande ouder boven 130% van het wettelijk
minimumloon, dan zal de minister de
gemeenten hiervoor - eventueel na een
overgangsperiode die op grond van het
derde lid van het onderhavige artikel
nog mogelijk is - geen subsidie meer
verlenen. Deze toets op het inkomen
is ook noodzakelijk als de
alleenstaande ouder gebruik maakt van
een regeling voor de gesubsidieerde
arbeid waarbij het loon op grond van die
regeling ligt beneden 130% van het
wettelijk minimumloon. Dit omdat
de alleenstaande ouder extra inkomsten zou kunnen hebben uit
bijvoorbeeld bijverdiensten.
De toetsing van het
inkomen dient plaats te vinden aan de
hand van het actuele maandsalaris,
bijvoorbeeld aan de hand van de meest
recente salarisstrook.
Voor minderjarige
alleenstaande ouders is alleen het
eigen inkomen bepalend, niet dat van de (groot)ouders. Zij zijn
immers niet onderhoudsplichtig voor
hun kleinkind.
Alleenstaande ouders die
vanuit de Wet inschakeling
werkzoekenden zonder voorafgaande uitkering
gebruik maakten van de Regeling
kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1998
kunnen ook in 2002 gebruik
blijven maken van deze vorm van
kinderopvang, zolang daar, met
inachtneming van artikel 12 van deze
regeling, aanleiding toe bestaat (vierde lid).
Overigens blijven
burgemeester en wethouders vrij om ook
gedurende het eerste jaar reeds een
inkomenstoets in te voeren. Ook kunnen
ze op een lager percentage dan 130% uitkomen bij hun oordeel over
voortzetting van de bekostiging. Ook
het al of niet toepassen van de
overgangsperiode, bedoeld in het derde lid,
is een keuze die burgemeester en
wethouders zelf kunnen maken. Artikel 13
stelt alleen grenzen aan de subsidie
die de gemeenten van de minister
ontvangt in het kader van de
regeling. Zolang binnen die grenzen wordt
gebleven, loopt de subsidie van de
minister aan de gemeente geen gevaar.
Bijlagen
Bij deze regeling zijn
vijf bijlagen gevoegd, te weten:
- bijlage 1, de
maximale subsidie per gemeente (artikel
4,
tweede lid);
- bijlage 2, het
aanvraagformulier (artikel 6, tweede lid);
- bijlage 3, de
jaaropgave (artikel 8, tweede lid);
- bijlage 4, de
accountantsverklaring (artikel 8, tweede lid);
en
- bijlage 5, het
controle- en rapportageprotocol (artikel 8, derde lid).
De bijlagen
1, 2 en 3
zijn direct bij deze regeling gevoegd. De
bijlagen 4 en 5 zullen vóór 1 mei
2002 ter inzage worden gelegd in de
bibliotheek van het ministerie van SZW.¹ De bijlagen zullen voorts aan de
gemeenten die deelnemen aan deze
regeling worden gezonden.
1. Raadpleeg voor bijlage
2 Staatscourant 2004, 27. Bijlagen 3, 4 en 5 liggen vóór 1
maart 2004 ter inzage in de bibliotheek van het ministerie
van SZW (Stcrt. 2004, 27). Bijlage 1
is hieronder geplaatst, red.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
W.A. Vermeend.
BIJLAGE
1
KOA-budgetten
2004 per gemeente/Wgr
[Stcrt. 2004, 27]
| Nr. |
Gemeentenaam |
Alleenstaande
ouders in Abw
op 31-12-2002 |
Maximale
subsidie in
2004 (€) |
| 1680 |
Aa
en Hunze |
40xx |
30
622,-xx |
| 738 |
Aalburg |
10xx |
12
870,-xx |
| 358 |
Aalsmeer |
30xx |
22
966,-xx |
| 197 |
Aalten |
30xx |
22
966,-xx |
| 305 |
Abcoude |
10xx |
12
870,-xx |
| 59 |
Achtkarspelen |
90xx |
68
899,-xx |
| 482 |
Alblasserdam |
70xx |
53
588,-xx |
| 613 |
Albrandswaard |
30xx |
22
966,-xx |
| 483 |
Alkemade |
20xx |
15
311,-xx |
| 361 |
Alkmaar |
670xx |
512
917,-xx |
| 141 |
Almelo |
600xx |
459
329,-xx |
| 34 |
Almere |
1
340xx |
1
025 835,-xx |
| 484 |
Alphen
aan den Rijn |
270xx |
206
698,-xx |
| 1723 |
Alphen-Chaam |
10xx |
12
870,-xx |
| 1679 |
Ambt
Montfort |
20xx |
15
311,-xx |
| 60 |
Ameland |
10xx |
12
870,-xx |
| 306 |
Amerongen |
10xx |
12
870,-xx |
| 307 |
Amersfoort |
770xx |
589
472,-xx |
| 362 |
Amstelveen |
200xx |
153
110,-xx |
| 363 |
Amsterdam |
10
400xx |
7
961 702,-xx |
| 364 |
Andijk |
20xx |
15
311,-xx |
| 199 |
Angerlo |
0xx |
12
870,-xx |
| 366 |
Anna
Paulowna |
40xx |
30
622,-xx |
| 200 |
Apeldoorn |
750xx |
574
161,-xx |
| 3 |
Appingedam |
80xx |
61
244,-xx |
| 885 |
Arcen
en Velden |
10xx |
12
870,-xx |
| 202 |
Arnhem |
1
590xx |
1
217 222,-xx |
| 106 |
Assen |
380xx |
290
908,-xx |
| 743 |
Asten |
20xx |
15
311,-xx |
| 744 |
Baarle-Nassau |
10xx |
12
870,-xx |
| 308 |
Baarn |
80xx |
61244,-xx |
| 489 |
Barendrecht |
40xx |
30.622,-xx |
| 203 |
Barneveld |
90xx |
68
899,-xx |
| 144 |
Bathmen |
0xx |
12
870,-xx |
| 5 |
Bedum |
30xx |
22
966,-xx |
| 888 |
Beek |
50xx |
38
277,-xx |
| 370 |
Beemster |
10xx |
12
870,-xx |
| 889 |
Beesel |
40xx |
30
622,-xx |
| 7 |
Bellingwedde |
30xx |
22
966,-xx |
| 372 |
Bennebroek |
10xx |
12
870,-xx |
| 491 |
Bergambacht |
10xx |
12
870,-xx |
| 1724 |
Bergeijk |
20xx |
15
311,-xx |
| 893 |
Bergen
(L) |
30xx |
22
966,-xx |
| 373 |
Bergen
(NH) |
70xx |
53
588,-xx |
| 748 |
Bergen
op Zoom |
300xx |
229
664,-xx |
| 207 |
Bergh |
50xx |
38
277,-xx |
| 492 |
Bergschenhoek |
30xx |
22
966,-xx |
| 493 |
Berkel
en Rodenrijs |
40xx |
30
622,-xx |
| 1721 |
Bernheze |
60xx |
45
933,-xx |
| 568 |
Bernisse |
10xx |
12
870,-xx |
| 753 |
Best |
60xx |
45
933,-xx |
| 209 |
Beuningen |
90xx |
68
899,-xx |
| 375 |
Beverwijk |
230xx |
176
076,-xx |
| 1728 |
Bladel |
20xx |
15
311,-xx |
| 376 |
Blaricum |
10xx |
12
870,-xx |
| 495 |
Bleiswijk |
10xx |
12
870,-xx |
| 377 |
Bloemendaal |
20xx |
15
311,-xx |
| 55 |
Boarnsterhim |
50xx |
38
277,-xx |
| 497 |
Bodegraven |
30xx |
22
966,-xx |
| 755 |
Boekel |
10xx |
12
870,-xx |
| 64 |
Bolsward |
60xx |
45
933,-xx |
| 211 |
Borculo |
20xx |
15
311,-xx |
| 1681 |
Borger-Odoorn |
80xx |
61
244,-xx |
| 147 |
Borne |
40xx |
30
622,-xx |
| 654 |
Borsele |
40xx |
30
622,-xx |
| 499 |
Boskoop |
40xx |
30
622,-xx |
| 756 |
Boxmeer |
60xx |
45
933,-xx |
| 757 |
Boxtel |
90xx |
68
899,-xx |
| 758 |
Breda |
1
100xx |
842
103,-xx |
| 311 |
Breukelen |
10xx |
12
870,-xx |
| 501 |
Brielle |
40xx |
30
622,-xx |
| 213 |
Brummen |
60xx |
45
933,-xx |
| 899 |
Brunssum |
210xx |
160
765,-xx |
| 312 |
Bunnik |
10xx |
12
870,-xx |
| 313 |
Bunschoten |
20xx |
15
311,-xx |
| 214 |
Buren |
30xx |
22
966,-xx |
| 381 |
Bussum |
90xx |
68
899,-xx |
| 502 |
Capelle
aan den IJssel |
520xx |
398
085,-xx |
| 383 |
Castricum |
60xx |
45
933,-xx |
| 109 |
Coevorden |
140xx |
107
177,-xx |
| 1706 |
Cranendonck |
50xx |
38
277,-xx |
| 1684 |
Cuijk |
90xx |
68
899,-xx |
| 216 |
Culemborg |
80xx |
61
244,-xx |
| 148 |
Dalfsen |
30xx |
22
966,-xx |
| 65 |
Dantumadeel |
70xx |
53
588,-xx |
| 310 |
De
Bilt |
120xx |
91
866,-xx |
| 1663 |
De
Marne |
60xx |
45
933,-xx |
| 736 |
De
Ronde Venen |
60xx |
45
933,-xx |
| 1690 |
De
Wolden |
30xx |
22
966,-xx |
| 503 |
Delft |
780xx |
597
128,-xx |
| 10 |
Delfzijl |
230xx |
176
076,-xx |
| 518 |
Den
Haag |
5
630xx |
4
310 037,-xx |
| 400 |
Den
Helder |
610xx |
466
984,-xx |
| 762 |
Deurne |
80xx |
61
244,-xx |
| 150 |
Deventer |
520xx |
398
085,-xx |
| 218 |
Didam |
50xx |
38
277,-xx |
| 384 |
Diemen |
110xx |
84
210,-xx |
| 1774 |
Dinkelland |
20xx |
15
311,-xx |
| 219 |
Dinxperlo |
20xx |
15
311,-xx |
| 504 |
Dirksland |
10xx |
12
870,-xx |
| 221 |
Doesburg |
60xx |
45
933,-xx |
| 222 |
Doetinchem |
250xx |
191
387,-xx |
| 766 |
Dongen |
70xx |
53
588,-xx |
| 58 |
Dongeradeel |
100xx |
76
555,-xx |
| 315 |
Doorn |
20xx |
15
311,-xx |
| 505 |
Dordrecht |
1
280xx |
979
902,-xx |
| 498 |
Drechterland |
10xx |
12
870,-xx |
| 316 |
Driebergen-Rijsenburg |
40xx |
30
622,-xx |
| 1719 |
Drimmelen |
30xx |
22
966,-xx |
| 303 |
Dronten |
170xx |
130
143,-xx |
| 225 |
Druten |
50xx |
38
277,-xx |
| 30002 |
DSZW
Noardwest Fryslân |
290xx |
234
878,-xx |
| 226 |
Duiven |
90xx |
68
899,-xx |
| 1711 |
Echt-Susteren |
90xx |
68
899,-xx |
| 385 |
Edam-Volendam |
50xx |
38
277,-xx |
| 228 |
Ede |
350xx |
267
942,-xx |
| 317 |
Eemnes |
20xx |
15
311,-xx |
| 1651 |
Eemsmond |
80xx |
61
244,-xx |
| 770 |
Eersel |
40xx |
30
622,-xx |
| 229 |
Eibergen |
40xx |
30
622,-xx |
| 905 |
Eijsden |
20xx |
15
311,-xx |
| 772 |
Eindhoven |
1
400xx |
1
071 768,-xx |
| 230 |
Elburg |
40xx |
30
622,-xx |
| 114 |
Emmen |
630xx |
482
295,-xx |
| 388 |
Enkhuizen |
80xx |
61
244,-xx |
| 153 |
Enschede |
1
280xx |
979
902,-xx |
| 232 |
Epe |
60xx |
45
933,-xx |
| 233 |
Ermelo |
70xx |
53
588,-xx |
| 777 |
Etten-Leur |
150xx |
114
832,-xx |
| 1722 |
Ferwerderadiel |
30xx |
22
966,-xx |
| 653 |
Gaasterlân-Sleat |
10xx |
12
870,-xx |
| 779 |
Geertruidenberg |
60xx |
45
933,-xx |
| 236 |
Geldermalsen |
40xx |
30
622,-xx |
| 1771 |
Geldrop-Mierlo |
150xx |
114
832,-xx |
| 1652 |
Gemert-Bakel |
50xx |
38
277,-xx |
| 237 |
Gendringen |
60xx |
45
933,-xx |
| 907 |
Gennep |
40xx |
30
622,-xx |
| 784 |
Gilze
en Rijen |
70xx |
53
588,-xx |
| 511 |
Goedereede |
10xx |
12
870,-xx |
| 664 |
Goes |
170xx |
130
143,-xx |
| 785 |
Goirle |
50xx |
38
277,-xx |
| 239 |
Gorssel |
20xx |
15
311,-xx |
| 513 |
Gouda |
420xx |
321
530,-xx |
| 693 |
Graafstroom |
10xx |
12
870,-xx |
| 365 |
Graft-De
Rijp |
10xx |
12
870,-xx |
| 786 |
Grave |
40xx |
30
622,-xx |
| 240 |
Groenlo |
20xx |
15
311,-xx |
| 241 |
Groesbeek |
60xx |
45
933,-xx |
| 14 |
Groningen |
1
950xx |
1
492 819,-xx |
| 15 |
Grootegast |
30xx |
22
966,-xx |
| 1729 |
Gulpen-Wittem |
20xx |
15
311,-xx |
| 158 |
Haaksbergen |
40xx |
30
622,-xx |
| 788 |
Haaren |
10xx |
12
870,-xx |
| 392 |
Haarlem |
780xx |
597
128,-xx |
| 393 |
Haarlemmerliede
en Spaarnwoude |
10xx |
12
870,-xx |
| 394 |
Haarlemmermeer |
310xx |
237
320,-xx |
| 914 |
Haelen |
20xx |
15
311,-xx |
| 1655 |
Halderberge |
80xx |
61
244,-xx |
| 160 |
Hardenberg |
130xx |
99
521,-xx |
| 243 |
Harderwijk |
150xx |
114
832,-xx |
| 17 |
Haren |
30xx |
22
966,-xx |
| 395 |
Harenkarspel |
30xx |
22
966,-xx |
| 244 |
Hattem |
10xx |
12
870,-xx |
| 1937 |
Heel |
10xx |
12
870,-xx |
| 396 |
Heemskerk |
240xx |
183
732,-xx |
| 397 |
Heemstede |
50xx |
38
277,-xx |
| 246 |
Heerde |
20xx |
15
311,-xx |
| 74 |
Heerenveen |
190xx |
145
454,-xx |
| 398 |
Heerhugowaard |
180xx |
137
799,-xx |
| 917 |
Heerlen |
920xx |
704
304,-xx |
| 1658 |
Heeze-Leende |
20xx |
15
311,-xx |
| 399 |
Heiloo |
40xx |
30
622,-xx |
| 918 |
Helden |
20xx |
15
311,-xx |
| 163 |
Hellendoorn |
80xx |
61
244,-xx |
| 530 |
Hellevoetsluis |
250xx |
191
387,-xx |
| 794 |
Helmond |
570xx |
436
362,-xx |
| 531 |
Hendrik-Ido-Ambacht |
30xx |
22
966,-xx |
| 248 |
Hengelo
(Gld) |
10xx |
12
870,-xx |
| 164 |
Hengelo
(Ov) |
420xx |
321
530,-xx |
| 796 |
´s-Hertogenbosch |
790xx |
604
783,-xx |
| 252 |
Heumen |
60xx |
45
933,-xx |
| 797 |
Heusden |
110xx |
84
210,-xx |
| 920 |
Heythuysen |
20xx |
15
311,-xx |
| 534 |
Hillegom |
30xx |
22
966,-xx |
| 798 |
Hilvarenbeek |
10xx |
12
870,-xx |
| 402 |
Hilversum |
340xx |
260
286,-xx |
| 1735 |
Hof
van Twente |
60xx |
45
933,-xx |
| 118 |
Hoogeveen |
240xx |
183
732,-xx |
| 18 |
Hoogezand-Sappemeer |
230xx |
176
076,-xx |
| 405 |
Hoorn |
400xx |
306
219,-xx |
| 1507 |
Horst
aan de Maas |
40xx |
30
622,-xx |
| 321 |
Houten |
100xx |
76
555,-xx |
| 406 |
Huizen |
140xx |
107
177,-xx |
| 677 |
Hulst |
50xx |
38
277,-xx |
| 256 |
Hummelo
en Keppel |
10xx |
12
870,-xx |
| 925 |
Hunsel |
10xx |
12
870,-xx |
| 353 |
IJsselstein |
150xx |
114
832,-xx |
| 30005 |
ISD
Alblasserwaard-Oost / Vijfheerenlanden |
40xx |
53
921,-xx |
| 30003 |
ISD
De Rijnstreek |
280xx |
219
568,-xx |
| 166 |
Kampen |
150xx |
114
832,-xx |
| 678 |
Kapelle |
20xx |
15
311,-xx |
| 537 |
Katwijk |
100xx |
76
555,-xx |
| 928 |
Kerkrade |
380xx |
290
908,-xx |
| 929 |
Kessel |
10xx |
12
870,-xx |
| 79 |
Kollumerland
en Nieuwkruisland |
30xx |
22
966,-xx |
| 542 |
Krimpen
aan den IJssel |
90xx |
68
899,-xx |
| 1659 |
Laarbeek |
30xx |
22
966,-xx |
| 1685 |
Landerd |
20xx |
15
311,-xx |
| 882 |
Landgraaf |
210xx |
160
765,-xx |
| 415 |
Landsmeer |
20xx |
15
311,-xx |
| 416 |
Langedijk |
70xx |
53
588,-xx |
| 417 |
Laren |
20xx |
15
311,-xx |
| 22 |
Leek |
80xx |
61
244,-xx |
| 326 |
Leersum |
10xx |
12
870,-xx |
| 80 |
Leeuwarden |
910xx |
696
649,-xx |
| 81 |
Leeuwarderadeel |
20xx |
15
311,-xx |
| 546 |
Leiden |
930xx |
711
960,-xx |
| 547 |
Leiderdorp |
70xx |
53
588,-xx |
| 1916 |
Leidschendam-Voorburg |
420xx |
321
530,-xx |
| 995 |
Lelystad |
580xx |
444
018,-xx |
| 82 |
Lemsterland |
50xx |
38
277,-xx |
| 327 |
Leusden |
50xx |
38
277,-xx |
| 260 |
Lichtenvoorde |
20xx |
15
311,-xx |
| 733 |
Lingewaal |
20xx |
15
311,-xx |
| 1705 |
Lingewaard |
110xx |
84
210,-xx |
| 553 |
Lisse |
30xx |
22
966,-xx |
| 808 |
Lith |
10xx |
12
870,-xx |
| 140 |
Littenseradiel |
20xx |
15
311,-xx |
| 262 |
Lochem |
30xx |
22
966,-xx |
| 329 |
Loenen |
20xx |
15
311,-xx |
| 809 |
Loon
op Zand |
40xx |
30
622,-xx |
| 331 |
Lopik |
20xx |
15
311,-xx |
| 24 |
Loppersum |
40xx |
30
622,-xx |
| 168 |
Losser |
50xx |
38
277,-xx |
|
332 |
Maarn |
10xx |
12
870,-xx |
|
333 |
Maarssen |
150xx |
114
832,-xx |
|
933 |
Maasbracht |
40xx |
30
622,-xx |
|
934 |
Maasbree |
30xx |
22
966,-xx |
|
1671 |
Maasdonk |
10xx |
12
870,-xx |
|
263 |
Maasdriel |
40xx |
30
622,-xx |
|
556 |
Maassluis |
180xx |
137
799,-xx |
|
935 |
Maastricht |
910xx |
696
649,-xx |
|
936 |
Margraten |
20xx |
15
311,-xx |
|
25 |
Marum |
40xx |
30
622,-xx |
|
420 |
Medemblik |
40xx |
30
622,-xx |
|
993 |
Meerlo-Wanssum |
10xx |
12
870,-xx |
|
938 |
Meerssen |
40xx |
30
622,-xx |
|
941 |
Meijel |
10xx |
12
870,-xx |
|
1987 |
Menterwolde |
50xx |
38
277,-xx |
|
119 |
Meppel |
150xx |
114
832,-xx |
|
687 |
Middelburg |
270xx |
206
698,-xx |
|
559 |
Middelharnis |
30xx |
22
966,-xx |
|
1842 |
Midden-Delfland |
0xx |
12
870,-xx |
|
1731 |
Midden-Drenthe |
70xx |
53
588,-xx |
|
815 |
Mill en Sint Hubert |
10xx |
12
870,-xx |
|
265 |
Millingen aan de Rijn |
20xx |
15
311,-xx |
|
1709 |
Moerdijk |
100xx |
76
555,-xx |
|
335 |
Montfoort |
10xx |
12
870,-xx |
|
944 |
Mook en Middelaar |
20xx |
15
311,-xx |
|
563 |
Moordrecht |
20xx |
15
311,-xx |
|
424 |
Muiden |
10xx |
12
870,-xx |
|
425 |
Naarden |
30xx |
22
966,-xx |
|
1740 |
Neder-Betuwe |
30xx |
22
966,-xx |
|
643 |
Nederlek |
30xx |
22
966,-xx |
|
946 |
Nederweert |
10xx |
12
870,-xx |
|
266 |
Neede |
20xx |
15
311,-xx |
|
304 |
Neerijnen |
20xx |
15
311,-xx |
|
412 |
Niedorp |
20xx |
15
311,-xx |
|
356 |
Nieuwegein |
280xx |
214
354,-xx |
|
567 |
Nieuwerkerk aan den IJssel |
60xx |
45
933,-xx |
|
571 |
Nieuw-Lekkerland |
20xx |
15
311,-xx |
|
104 |
Nijefurd |
20xx |
15
311,-xx |
|
267 |
Nijkerk |
60xx |
45
933,-xx |
|
268 |
Nijmegen |
1
620xx |
1
240 188,-xx |
|
1695 |
Noord-Beveland |
10xx |
12
870,-xx |
|
1699 |
Noordenveld |
70xx |
53
588,-xx |
|
529 |
Noorder-Koggenland |
10xx |
12
870,-xx |
|
171 |
Noordoostpolder |
200xx |
153
110,-xx |
|
575 |
Noordwijk |
30xx |
22
966,-xx |
|
576 |
Noordwijkerhout |
30xx |
22
966,-xx |
|
820 |
Nuenen, Gerwen en
Nederwetten |
70xx |
53
588,-xx |
|
302 |
Nunspeet |
60xx |
45
933,-xx |
|
951 |
Nuth |
40xx |
30
622,-xx |
|
429 |
Obdam |
10xx |
12
870,-xx |
|
579 |
Oegstgeest |
30xx |
22
966,-xx |
|
823 |
Oirschot |
20xx |
15
311,-xx |
|
824 |
Oisterwijk |
50xx |
38
277,-xx |
|
269 |
Oldebroek |
30xx |
22
966,-xx |
|
173 |
Oldenzaal |
100xx |
76
555,-xx |
|
1773 |
Olst-Wijhe |
40xx |
30
622,-xx |
|
175 |
Ommen |
30xx |
22
966,-xx |
|
881 |
Onderbanken |
20xx |
15
311,-xx |
|
826 |
Oosterhout |
180xx |
137
799,-xx |
|
580 |
Oostflakkee |
20xx |
15
311,-xx |
|
85 |
Ooststellingwerf |
110xx |
84
210,-xx |
|
431 |
Oostzaan |
10xx |
12
870,-xx |
|
432 |
Opmeer |
20xx |
15
311,-xx |
|
86 |
Opsterland |
70xx |
53
588,-xx |
|
828 |
Oss |
350xx |
267
942,-xx |
|
437 |
Ouder-Amstel |
30xx |
22
966,-xx |
|
644 |
Ouderkerk |
10xx |
12
870,-xx |
|
589 |
Oudewater |
10xx |
12
870,-xx |
|
1734 |
Overbetuwe |
120xx |
91
866,-xx |
|
590 |
Papendrecht |
110xx |
84
210,-xx |
|
765 |
Pekela |
80xx |
61
244,-xx |
|
1926 |
Pijnacker-Nootdorp |
90xx |
68
899,-xx |
|
439 |
Purmerend |
410xx |
313
875,-xx |
|
273 |
Putten |
40xx |
30
622,-xx |
|
177 |
Raalte |
80xx |
61
244,-xx |
|
595 |
Reeuwijk |
20xx |
15
311,-xx |
|
1661 |
Reiderland |
30xx |
22
966,-xx |
|
703 |
Reimerswaal |
60xx |
45
933,-xx |
|
274 |
Renkum |
100xx |
76
555,-xx |
|
339 |
Renswoude |
10xx |
12
870,-xx |
|
1667 |
Reusel-De Mierden |
10xx |
12
870,-xx |
|
275 |
Rheden |
180xx |
137
799,-xx |
|
340 |
Rhenen |
40xx |
30
622,-xx |
|
597 |
Ridderkerk |
190xx |
145
454,-xx |
|
602 |
Rijnsburg |
30xx |
22
966,-xx |
|
196 |
Rijnwaarden |
40xx |
30
622,-xx |
|
1672 |
Rijnwoude |
20xx |
15
311,-xx |
|
1742 |
Rijssen-Holten |
50xx |
38
277,-xx |
|
603 |
Rijswijk |
310xx |
237
320,-xx |
|
1669 |
Roerdalen |
40xx |
30
622,-xx |
|
957 |
Roermond |
310xx |
237
320,-xx |
|
1670 |
Roggel en Neer |
10xx |
12
870,-xx |
|
1674 |
Roosendaal |
370xx |
283
253,-xx |
|
599 |
Rotterdam |
11
430xx |
8
750 216,-xx |
|
600 |
Rozenburg |
70xx |
53
588,-xx |
|
277 |
Rozendaal |
0xx |
12
870,-xx |
|
30007 |
RSD Hoeksche Waard |
140xx |
107
176,-xx |
|
840 |
Rucphen |
70xx |
53
588,-xx |
|
278 |
Ruurlo |
10xx |
12
870,-xx |
|
604 |
Sassenheim |
30xx |
22
966,-xx |
|
441 |
Schagen |
60xx |
45
933,-xx |
| 39 |
Scheemda |
40xx |
30
622,-xx |
|
458 |
Schermer |
10xx |
12
870,-xx |
|
279 |
Scherpenzeel |
10xx |
12
870,-xx |
|
606 |
Schiedam |
810xx |
620
094,-xx |
|
88 |
Schiermonnikoog |
0xx |
12
870,-xx |
|
844 |
Schijndel |
50xx |
38
277,-xx |
|
962 |
Schinnen |
40xx |
30
622,-xx |
|
608 |
Schoonhoven |
30xx |
22
966,-xx |
|
1676 |
Schouwen-Duiveland |
80xx |
61
244,-xx |
|
964 |
Sevenum |
10xx |
12
870,-xx |
|
965 |
Simpelveld |
30xx |
22
966,-xx |
|
1702 |
Sint Anthonis |
10xx |
12
870,-xx |
|
845 |
Sint-Michielsgestel |
40xx |
30
622,-xx |
|
846 |
Sint-Oedenrode |
30xx |
22
966,-xx |
|
1883 |
Sittard-Geleen |
660xx |
505
262,-xx |
|
51 |
Skarsterlân |
60xx |
45
933,-xx |
|
610 |
Sliedrecht |
70xx |
53
588,-xx |
|
40 |
Slochteren |
30xx |
22
966,-xx |
|
1714 |
Sluis |
50xx |
38
277,-xx |
|
90 |
Smallingerland |
380xx |
290
908,-xx |
|
91 |
Sneek |
260xx |
199
043,-xx |
|
342 |
Soest |
140xx |
107
177,-xx |
|
847 |
Someren |
20xx |
15
311,-xx |
|
848 |
Son en Breugel |
40xx |
30
622,-xx |
|
612 |
Spijkenisse |
700xx |
535
884,-xx |
|
37 |
Stadskanaal |
190xx |
145
454,-xx |
| 180 |
Staphorst |
10xx |
12
870,-xx |
|
532 |
Stede Broec |
90xx |
68
899,-xx |
|
851 |
Steenbergen |
60xx |
45
933,-xx |
|
280 |
Steenderen |
0xx |
12
870,-xx |
|
1708 |
Steenwijkerland |
170xx |
130
143,-xx |
|
971 |
Stein |
80xx |
61
244,-xx |
|
617 |
Strijen |
20xx |
15
311,-xx |
|
975 |
Swalmen |
40xx |
30
622,-xx |
|
9 |
Ten Boer |
20xx |
15
311,-xx |
|
715 |
Terneuzen |
260xx |
199
043,-xx |
|
93 |
Terschelling |
10xx |
12
870,-xx |
|
448 |
Texel |
50xx |
38
277,-xx |
|
716 |
Tholen |
60xx |
45
933,-xx |
|
977 |
Thorn |
0xx |
12
870,-xx |
|
281 |
Tiel |
210xx |
160
765,-xx |
|
855 |
Tilburg |
1
640xx |
1
255 499,-xx |
|
183 |
Tubbergen |
10 xx |
12
870,-xx |
|
1700 |
Twenterand |
90xx |
68
899,-xx |
|
1730 |
Tynaarlo |
40xx |
30
622,-xx |
|
737 |
Tytsjerksteradiel |
80xx |
61
244,-xx |
|
282 |
Ubbergen |
10xx |
12
870,-xx |
|
856 |
Uden |
170xx |
130
143,-xx |
|
450 |
Uitgeest |
20xx |
15
311,-xx |
|
451 |
Uithoorn |
60xx |
45
933,-xx |
|
184 |
Urk |
30xx |
22
966,-xx |
|
344 |
Utrecht |
1
830xx |
1
400 953,-xx |
|
981 |
Vaals |
50xx |
38
277,-xx |
|
619 |
Valkenburg |
0xx |
12
870,-xx |
|
994 |
Valkenburg aan de Geul |
60xx |
45
933,-xx |
|
858 |
Valkenswaard |
120xx |
91
866,-xx |
|
47 |
Veendam |
120xx |
91
866,-xx |
|
345 |
Veenendaal |
280xx |
214
354,-xx |
|
717 |
Veere |
30xx |
22
966,-xx |
|
860 |
Veghel |
90xx |
68
899,-xx |
|
861 |
Veldhoven |
130xx |
99
521,-xx |
|
453 |
Velsen |
260xx |
199
043,-xx |
|
454 |
Venhuizen |
10xx |
12
870,-xx |
|
983 |
Venlo |
530xx |
405
741,-xx |
|
984 |
Venray |
140xx |
107
177,-xx |
|
620 |
Vianen |
90xx |
68
899,-xx |
|
622 |
Vlaardingen |
690xx |
528
228,-xx |
|
48 |
Vlagtwedde |
30xx |
22
966,-xx |
|
718 |
Vlissingen |
420xx |
321
530,-xx |
|
623 |
Vlist |
10xx |
12
870,-xx |
|
986 |
Voerendaal |
40xx |
30
622,-xx |
|
625 |
Voorhout |
10xx |
12
870,-xx |
|
626 |
Voorschoten |
70xx |
53
588,-xx |
|
285 |
Voorst |
30xx |
22
966,-xx |
|
286 |
Vorden |
10xx |
12
870,-xx |
|
865 |
Vught |
60xx |
45
933,-xx |
|
866 |
Waalre |
40xx |
30
622,-xx |
|
867 |
Waalwijk |
160xx |
122
488,-xx |
|
627 |
Waddinxveen |
60xx |
45
933,-xx |
|
289 |
Wageningen |
160xx |
122
488,-xx |
|
628 |
Warmond |
10xx |
12
870,-xx |
|
291 |
Warnsveld |
30xx |
22
966,-xx |
|
629 |
Wassenaar |
60xx |
45
933,-xx |
|
852 |
Waterland |
20xx |
15
311,-xx |
|
988 |
Weert |
170xx |
130
143,-xx |
|
457 |
Weesp |
70xx |
53
588,-xx |
|
292 |
Wehl |
10xx |
12
870,-xx |
|
870 |
Werkendam |
50xx |
38
277,-xx |
|
459 |
Wervershoof |
20xx |
15
311,-xx |
|
668 |
West Maas en Waal |
30xx |
22
966,-xx |
|
558 |
Wester-Koggenland |
10xx |
12
870,-xx |
|
1701 |
Westerveld |
40xx |
30
622,-xx |
|
293 |
Westervoort |
110xx |
84
210,-xx |
|
1783 |
Westland |
180xx |
137
799,-xx |
|
98 |
Weststellingwerf |
100xx |
76
555,-xx |
|
614 |
Westvoorne |
20xx |
15
311,-xx |
|
189 |
Wierden |
20xx |
15
311,-xx |
|
462 |
Wieringen |
20xx |
15
311,-xx |
|
463 |
Wieringermeer |
40xx |
30
622,-xx |
|
296 |
Wijchen |
110xx |
84
210,-xx |
|
1696 |
Wijdemeren |
40xx |
30
622,-xx |
|
352 |
Wijk bij Duurstede |
50xx |
38
277,-xx |
|
52 |
Winschoten |
140xx |
107
177,-xx |
|
53 |
Winsum |
50xx |
38
277,-xx |
|
294 |
Winterswijk |
70xx |
53
588,-xx |
|
295 |
Wisch |
50xx |
38
277,-xx |
|
873 |
Woensdrecht |
50xx |
38
277,-xx |
|
632 |
Woerden |
90xx |
68
899,-xx |
|
466 |
Wognum |
10xx |
12
870,-xx |
|
880 |
Wormerland |
30xx |
22
966,-xx |
|
351 |
Woudenberg |
20xx |
15
311,-xx |
|
874 |
Woudrichem |
20xx |
15
311,-xx |
|
710 |
Wûnseradiel |
30xx |
22
966,-xx |
|
683 |
Wymbritseradiel |
30xx |
22
966,-xx |
|
479 |
Zaanstad |
860xx |
658
371,-xx |
|
297 |
Zaltbommel |
40xx |
30
622,-xx |
|
473 |
Zandvoort |
80xx |
61
244,-xx |
|
478 |
Zeevang |
0xx |
12
870,-xx |
|
50 |
Zeewolde |
60xx |
45
933,-xx |
|
355 |
Zeist |
220xx |
168
421,-xx |
|
298 |
Zelhem |
10xx |
12
870,-xx |
|
299 |
Zevenaar |
100xx |
76
555,-xx |
|
1666 |
Zevenhuizen-Moerkapelle |
10xx |
12
870,-xx |
|
476 |
Zijpe |
20xx |
15
311,-xx |
|
637 |
Zoetermeer |
750xx |
574
161,-xx |
|
638 |
Zoeterwoude |
10xx |
12
870,-xx |
|
56 |
Zuidhorn |
50xx |
38
277,-xx |
|
879 |
Zundert |
30xx |
22
966,-xx |
|
301 |
Zutphen |
320xx |
244
975,-xx |
|
1896 |
Zwartewaterland |
40xx |
30
622,-xx |
|
642 |
Zwijndrecht |
190xx |
145
454,-xx |
|
193 |
Zwolle |
750xx |
574
161,-xx |
| |
|
|
|
| 467 |
|
91
670xx |
70
700 000,-xx |
|
|