30 januari 2003/nr.
B&GA/BR&I/02/100056
Directie Bijstand en Gemeentelijk Activeringsbeleid
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M. Rutte;
Gelet op artikel 11 van de Wet financiering
Abw, Ioaw en Ioaz;
Besluit:
Art. 1. Begripsbepalingen
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
a. minister: Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. Abw: Algemene bijstandswet;
c. Ioaw: Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
d. Ioaz: Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
e. WFA: Wet financiering
Abw, Ioaw en Ioaz;
f. Rfa: Regeling
financiering en verantwoording Abw, Ioaw en Ioaz;
g. de ten laste van de
gemeente gebleven kosten: de in een
kalenderjaar door de gemeente
verleende bijstand en uitkering verminderd
met alle ontvangsten van de gemeente in dat
jaar in verband met de
verlening van bijstand en uitkering, bedoeld in artikel
3, eerste lid, onderdeel
a
tot en met e, van de WFA, verminderd
met alle ontvangsten van de
gemeenten in dat jaar in verband met de
verlening van bijstand en uitkering,
waaronder begrepen de bedragen die
de gemeente ontvangt door toepassing
van de artikelen 14a van de Abw,
20a van de
Ioaw en 20a
van de Ioaz;
h. vaststelling: de
vaststelling van de ten laste van de gemeente
gebleven kosten, de vergoeding,
het terug te vorderen bedrag en de
aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de WFA;
i. tekortkoming: het niet
hebben voldaan door burgemeester en
wethouders aan de bij of krachtens
respectievelijk de Abw, de Ioaw of de Ioaz gestelde regels;
j. maatregel: het bij de
vaststelling geheel of gedeeltelijk
buiten aanmerking laten van de ten laste
van de gemeente gebleven kosten
als bedoeld in de artikelen 3 en 5
van de WFA, als gevolg van het niet
hebben voldaan door burgemeester en
wethouders aan de bij of krachtens
respectievelijk de Abw, de Ioaw of de Ioaz gestelde regels;
k. financieel beslag: het
verschil tussen het bedrag van de ten
laste van de gemeente gebleven
kosten bij een onjuiste wetsuitvoering
en dat bij een juiste wetsuitvoering;
l. verslag over de
uitvoering: het verslag, bedoeld in artikel 7,
eerste lid, van de Rfa.
Art. 2.
Foutentolerantie
-1. Binnen de in het
tweede en derde lid van dit artikel
genoemde tekortkomingspercentages, de foutentolerantie, wordt geen maatregel
opgelegd.
-2. Indien de vastgestelde
tekortkoming met zekerheid leidt tot
onrechtmatige verstrekking van bijstand
of uitkering, wordt een
foutentolerantie gehanteerd van maximaal 5
procent van het relevante
bestand.
-3. Indien de vastgestelde
tekortkoming leidt tot onzekerheid
over de rechtmatigheid van de
verstrekking van bijstand of
uitkering, wordt een foutentolerantie
gehanteerd van maximaal 15 procent van het
relevante bestand.
Art. 3. Tekortkomingen
van bijzondere aard
-1. De minister kan
tekortkomingen aanmerken als
tekortkomingen van bijzondere aard als er
buitengewone omstandigheden aanwezig
zijn die maken dat een daardoor veroorzaakte tekortkoming de
gemeente niet kan worden toegerekend.
-2. De minister kan
tekortkomingen voorts aanmerken als
tekortkomingen van bijzondere aard
indien de gemeente aantoonbaar
maakt dat het bedrag van de getroffen
maatregelen het met de tekortkoming
gemoeide financieel beslag met
meer dan €|454,00 per wettelijke
regeling per vergoedingsjaar overtreft.
Art. 4. Tekortkomingen
van geringe betekenis
-1. De minister
kan
tekortkomingen aanmerken als
tekortkomingen van geringe betekenis als
het gaat om tekortkomingen waarmee
slechts een gering financieel belang
is gemoeid.
-2. Een
termijnoverschrijding van minder dan één maand bij
(her)onderzoeken, beëindigingsonderzoeken
en debiteurenonderzoeken kan
worden aangemerkt als een tekortkoming van geringe betekenis.
-3. Tekortkomingen die
leiden tot een maatregel van minder dan €|454,00 per wettelijke regeling per
vergoedingsjaar worden aangemerkt als
tekortkomingen van geringe betekenis.
Art. 5. Bewust
gemeentelijke uitvoering in strijd met de wet
-1. In afwijking van het
bepaalde in de artikelen 2 en 4 wordt
altijd een maatregel getroffen
indien de tekortkoming voortkomt uit een bewuste beslissing van de
gemeente tot een
uitvoering in strijd met
de Abw, Ioaw en Ioaz.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing op artikel 3, eerste lid.
Art. 6.
Tekortschietende uitvoering van het incassobeleid
Indien de
gemeente tekortschiet bij de uitvoering van het
incassobeleid, wordt het financieel
beslag van de gemiste incasso-opbrengst
bepaald op het in afwijking van het
in de beschikking vastgelegde
betalingsritme niet-geïncasseerde
bedrag van de vordering.
Art. 7. Geen instelling
van actie tot verhaal op een
onderhoudsplichtige
Indien de
gemeente ten
onrechte geen actie tot verhaal instelt
op een onderhoudsplichtige, wordt het financieel beslag van de gemiste
verhaalsopbrengst per geval per maand
bepaald op 30 procent van de van
toepassing zijnde netto algemene
bijstand voor een alleenstaande, met
inbegrip van de vakantietoeslag en de maximale toeslag op grond van
artikel 33 Abw.
Art. 8. Geen adequate
instelling van actie tot verhaal op een
onderhoudsplichtige
Indien de
gemeente geen
adequate actie tot verhaal instelt
op een onderhoudsplichtige, wordt het financieel beslag van de gemiste
verhaalsopbrengst per geval bepaald op de
door de gemeente vastgestelde
onderhoudsbijdrage.
Art. 9.
Inwerkingtredingsbepaling
Deze beleidsregels treden
in werking met ingang van de tweede
dag na de dagtekening van de
Staatscourant waarin zij worden geplaatst en werken terug tot en met 1
januari 2003.
Art. 10. Citeertitel
Deze beleidsregels worden
aangehaald als: Beleidsregels
financieel maatregelenbeleid Abw, Ioaw en Ioaz.
Deze beleidsregels zullen
met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 30
januari 2003.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte.
TOELICHTING
[30 januari 2003]
Algemeen
Uit hoofde van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid acht de minister
het
van belang dat openbaar wordt gemaakt wat in materiële zin de
consequenties voor gemeenten zijn van een uitvoering die niet in
overeenstemming is met de wettelijke
voorschriften en welke normen daarvoor worden gehanteerd. De Wet
financiering Abw, Ioaw en Ioaz (WFA) geeft vanaf 1 januari
2001 nieuwe regels met betrekking tot
de financiering van de desbetreffende wetten. Kosten die verband houden
met een onrechtmatige wetsuitvoering worden bij de vaststelling niet
in aanmerking genomen, dat wil zeggen komen niet ten laste van ’s Rijks
kas. Een financiële maatregel bestaat uit het
bij de vaststelling geheel of
gedeeltelijk buiten aanmerking laten van de
ten laste van de gemeente gebleven
kosten van op grond van de Abw
verstrekte bijstand en op grond van de Ioaw
en Ioaz verstrekte
uitkeringen, omdat zij verband houden met
een onrechtmatige wetsuitvoering.
De gronden en de wijze
waarop het buiten aanmerking laten
van de uitkeringskosten dient plaats te vinden, zijn geregeld in artikel
11 van de WFA. Op grond van het
eerste lid van dit artikel worden de
ten laste van de gemeente gebleven
kosten van op grond van de Abw
verstrekte bijstand en op grond van de Ioaw
en Ioaz verstrekte uitkeringen buiten aanmerking gelaten
indien zij onrechtmatig zijn. De
omvang van de niet in aanmerking te
nemen kosten sluit aan bij het
financieel beslag van de onrechtmatigheid in de
uitvoering. Indien niet kan worden
vastgesteld of en voor welk bedrag de
ten laste van de gemeenten gebleven
kosten buiten aanmerking moeten worden
gelaten, wordt op grond van het
tweede lid van dit artikel hiervoor
een bedrag vastgesteld. Op grond van
artikel 8 van de Regeling
financiering en verantwoording Abw, Ioaw en Ioaz (Rfa) wordt dit bedrag
vastgesteld op een percentage van de volgens opgave van burgemeester en
wethouders ten laste gebleven kosten. Ten slotte is in het derde lid van artikel
11 van de WFA geregeld dat de
minister kan afzien van het buiten
aanmerking laten van de ten laste
van de gemeente gebleven kosten voor
zover naar het oordeel van de
minister de tekortkomingen in de gemeentelijke uitvoering van bijzondere aard of
geringe betekenis zijn of voor
zover de gemeente zich naar het
oordeel van de minister voldoende
heeft ingespannen om geconstateerde
tekortkomingen op te heffen.
In de onderhavige
beleidsregels wordt nader invulling gegeven
aan artikel 11 van de WFA en wordt
aangegeven op welke wijze de ten laste
van de gemeente gebleven kosten
buiten aanmerking dienen te worden gelaten indien deze kosten verband houden
met een onrechtmatige
uitvoering. Bovendien is in de
beleidsregels aangegeven op welke wijze de
minister gebruik maakt van zijn
bevoegdheid om af te zien van een
financiële maatregel indien naar het
oordeel van de minister de tekortkomingen in de gemeentelijke uitvoering
van bijzondere aard of geringe betekenis
zijn.
Bij het formuleren van
deze beleidsregels is
aansluiting gezocht bij de systematiek van het
met de invoering van de WFA vervallen
Besluit weigering rijksvergoeding
Abw, Ioaw en Ioaz. De
onderhavige beleidsregels op grond
van de WFA betreffen overwegend een
voortzetting van het oude
maatregelenbeleid, zoals vastgelegd in de werkinstructies, die laatstelijk bij
Circulaire van 14 juli 2000 (kenmerk TZ/TG/2000/39667-b) aan gemeenten kenbaar
zijn gemaakt. Hoewel de systematiek van het maatregelenbeleid in essentie niet is
gewijzigd, is met de invoering van
de WFA wel de normatiek
veranderd. Met de invoering van de
WFA vallen de verplichte totstandkoming van een plan en beleidsverslag op
grond van de artikelen 118 van de Abw,
42 van de Ioaw
en 42 van de Ioaz en de verplichting tot
samenwerking ter bevordering van een
zelfstandige bestaansvoorziening op
grond van de artikelen 111 van de Abw,
34 van de Ioaw
en 34 van de Ioaz
niet langer onder het financieel maatregelenbeleid. Het financieel
maatregelenbeleid heeft nu uitsluitend
betrekking op de rechtmatigheid van
de verstrekking van bijstand en uitkering
door gemeenten. Met de
invoering van de Rfa per 1 januari 2001 is
ook het beleid ten aanzien van
forfaitaire maatregelen gewijzigd.
Ten opzichte van de met de invoering
van de WFA en de Rfa vervallen
Regeling forfaitaire percentages maatregelen
Abw, Ioaw en Ioaz (Rfpm) zijn de forfaitaire maatregelpercentages
verhoogd en is het forfaitaire
stelsel vereenvoudigd. De vereenvoudiging is zichtbaar in de
vermindering van het aantal mogelijke
percentages per tekortkoming (van vier
naar drie) en het verdwijnen van de onderverdeling van de
termijnoverschrijdingen bij de heronderzoeken. Tevens
wordt op grond van artikel 8,
tweede lid, onderdeel e, van de Rfa niet langer onderscheid gemaakt
tussen debiteurenonderzoeken op belanghebbenden en debiteurenonderzoeken
op derden. Naast de vereenvoudiging
van het forfaitaire stelsel heeft
ook een wijziging van de maatregelgronden
plaatsgevonden. In artikel 8, tweede lid, onderdeel a en b, van de
Rfa zijn de onvolledigheid van de
aanvragen en de onvolledigheid van de
heronderzoeken nu als twee afzonderlijke maatregelgronden opgenomen. In artikel
8, tweede lid,
onderdeel b, c en e, van de Rfa
zijn
tevens de onvolledigheid en de niet-tijdigheid van
de heronderzoeken,
beëindigingsonderzoeken en debiteurenonderzoeken
als afzonderlijke
maatregelgronden vermeld. Nieuw is ook dat op
grond van artikel 8, tweede lid,
onderdeel d, van de Rfa een forfaitaire maatregel kan worden toegepast ingeval
de tekortkoming verband houdt met onvolledige of onjuiste besluiten tot
toekenning of voortzetting van
bijstand of uitkering. Deze
mogelijkheid kan onder meer worden
toegepast in situaties waarin de gemeente ten
onrechte nalaat
arbeidsverplichtingen op te leggen.
Met de invoering van de
financiële incentive per 1 januari
1999 mochten gemeenten boven een per
gemeente vastgesteld drempelbedrag
75 procent van de ontvangsten uit
hoofde van terugvordering en verhaal
zelf houden; onder de drempel kwam 10 procent van deze ontvangsten aan gemeenten toe. In het
maatregelenbeleid voor de vergoedingsjaren
1999 en 2000 is rekening gehouden
met deze financiële incentive door de omvang van het bedrag van de
financiële maatregel vast te stellen
op het bedrag dat door de
nalatigheid van de gemeente niet ten bate
van het Rijk is gekomen. Met de
invoering van de WFA is de
financiële incentive komen te vervallen en is
het rijksaandeel in zowel de
bijstandsuitgaven als in de ontvangsten
verlaagd naar 75 procent. Dit heeft ook
gevolgen voor het maatregelenbeleid. De
ontvangsten uit hoofde van
terugvordering en verhaal en overige
ontvangsten (zoals ontvangsten uit administratieve boeten als bedoeld in de
artikelen 14a van de Abw,
20a van de Ioaw
en 20a van de Ioaz) vallen
nu gewoon onder de werking van
artikel 11, eerste lid, van de WFA. Dit
betekent dat de omvang van de
financiële maatregel wordt
vastgesteld op het financieel beslag van de
onjuiste wetsuitvoering.
Een financiële maatregel
bestaat uit het bij de vaststelling
buiten aanmerking laten van de ten laste
van de gemeente gebleven kosten,
die verband houden met een onrechtmatige wetsuitvoering. Gelet op
de toezichtsverantwoordelijkheid van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op grond
van de Abw, de Ioaw en Ioaz
alsmede op de door de Comptabiliteitswet
2001 gestelde eisen inzake het departementale financieel beheer, is het
financiële maatregelenbeleid
uitsluitend gericht op een correctie van een
onjuiste wetsuitvoering. Het is
steeds de bedoeling de feitelijke
uitvoeringspraktijk in overeenstemming te
brengen met de door de wetgever
beoogde. De omvang van de
financiële maatregel sluit aan bij
het financieel beslag van de onjuiste
wetsuitvoering, zijnde het verschil
tussen het bedrag van de ten laste van de
gemeente gebleven kosten bij een
onjuiste wetsuitvoering en dat bij een juiste
wetsuitvoering. Bij de toepassing van het financiële
maatregelenbeleid wordt niet uitgegaan van een
boetestelsel.
Een financiële maatregel
heeft betrekking op
tekortkomingen in de uitvoering ten opzichte
van een bij of krachtens de wet
vastgelegde norm. De gronden voor het treffen van een financiële maatregel
zijn limitatief opgesomd in
artikel 11,
eerste lid, van de WFA. Deze gronden zijn
samengevat:
- het verstrekken van
bijstand of uitkering in strijd met hetgeen bij
en krachtens wet is bepaald;
- het niet voldoen aan
bepaalde uitvoeringsvoorschriften;
- het niet of niet
volledig terugvorderen en verhalen van bijstand
of uitkering;
- het niet voldoen aan
de verplichting om een maatregel op te
leggen bij het niet nakomen van bepaalde
verplichtingen door belanghebbenden,
respectievelijk de verplichting tot het
opleggen van een boete bij het
niet nakomen van de inlichtingenverplichting door belanghebbenden.
Uit de verankering in
artikel 11 van de WFA vloeit voort
dat het financieel maatregelenbeleid direct gerelateerd is aan de
tegemoetkoming in de uitkeringslasten aan gemeenten ten laste van ’s Rijks
kas, zodat het financieel
maatregelenbeleid niet van toepassing is op
bijzondere bijstand en de doeltreffendheid
van de uitvoering.
Uitgangspunt bij het
maatregelenbeleid is dat de omvang van de
financiële maatregel aansluit bij
het financieel beslag van de onjuiste wetsuitvoering. Slechts
indien de financiële omvang van de
tekortkoming ook niet bij benadering
kan worden gekwantificeerd,
wordt ingevolge
artikel 11, tweede lid,
van de WFA teruggevallen op een
forfaitair stelsel. Op grond van artikel
8, eerste lid, van de Rfa wordt het
bedrag van de maatregel dan
vastgesteld op een percentage van de volgens
opgave van burgemeester en
wethouders ten laste gebleven kosten. De
tekortkomingen waarvoor het forfaitair
stelsel geldt, zijn limitatief
opgesomd in artikel
8, tweede lid, van de Rfa. In dit artikel zijn tevens voor
de onderscheiden tekortkomingen de
forfaitaire maatregelpercentages
aangegeven. In de hoogte van het
forfaitaire maatregelpercentage weerspiegelt zich de ernst van de
tekortkoming. De percentages kennen onderling een
consistente verhouding in relatie tot
de ernst van de tekortkoming.
Voor zover de
kostenopgave van burgemeester en
wethouders kosten bevat die geen kosten van
bijstand of uitkering ingevolge de Ioaw of Ioaz zijn, worden deze
kosten uiteraard niet vergoed. Op grond
van artikel
8, eerste lid, van de Rfa worden de forfaitaire
maatregelpercentages toegepast op het
totaalbedrag van de volgens opgave van
burgemeester en wethouders ten laste
gebleven kosten. Indien de opgave van
burgemeester en wethouders kosten
bevat die geen kosten van bijstand of uitkering zijn, wordt in het geval van
een forfaitaire maatregel het
maatregelbedrag in beginsel berekend door
toepassing van het forfaitaire
percentage op het totaalbedrag van de
volgens opgave van burgemeester en
wethouders ten laste gebleven kosten. Indien deze handelwijze voor de
gemeente leidt tot meer dan marginale
gevolgen, dat wil zeggen tot een
materieel effect van meer dan €|454,- per
wettelijke regeling (Abw, Ioaw en Ioaz) per
vergoedingsjaar, wordt de forfaitaire maatregel berekend over
de werkelijke kosten van bijstand of
uitkering.
De gemeente dient ernaar
te streven om zonder uitzondering de
wet juist uit te voeren.
Tekortkomingen op bepaalde onderdelen
kunnen niet worden gecompenseerd door
een goede uitvoering op
andere onderdelen. Evenmin kunnen rechtmatigheidtekortkomingen worden gecompenseerd
door een doeltreffende uitvoering.
Formele tekortkomingen in
een verordening kunnen leiden
tot materieel onrechtmatige uitgaven,
dat wil zeggen tot het geheel of
gedeeltelijk ten onrechte verstrekken
van toeslagen en het ten onrechte niet
of onvoldoende toepassen van verlagingen
op bijstand. In het kader
van het financiële maatregelenbeleid worden
de materiële gevolgen van
een onjuiste verordening financieel
gecorrigeerd. Dit geldt eveneens voor
de materiële gevolgen van een onjuiste
toepassing van een verordening. Een feitelijk toegekende toeslag mag niet hoger
zijn dan waarop de
belanghebbende volgens de verordening recht
heeft. In beginsel worden aan een
te laag vastgestelde toeslag geen financiële
gevolgen verbonden bij de
vaststelling van de ten laste van de gemeente gebleven kosten, omdat hier geen
sprake is van kosten van onrechtmatig verstrekte bijstand of uitkering.
Bovendien kan een te lage toeslag
worden gecorrigeerd op basis van de door de Algemene wet
bestuursrecht geboden rechtsbescherming.
artikel 11, derde lid,
aanhef en onder a, van de WFA voorziet erin dat de minister in geval
van tekortkomingen van bijzondere aard of
van geringe betekenis kan
afzien van het treffen van een
maatregel. In de artikelen 3 en 4 van deze
beleidsregels worden de situaties
benoemd waarin de minister gebruik maakt
van deze bevoegdheid.
Tevens maakt
artikel 11,
derde lid, aanhef en onder b, van de WFA
het mogelijk om af te zien
van een maatregel wanneer de gemeente zich
naar het oordeel van de
minister voldoende heeft ingespannen om de
tekortkomingen op te heffen. De wijze
waarop en de omstandigheden
waaronder de minister gebruik maakt van
deze bevoegdheid zijn vastgelegd in de Beleidsregels
verbetertraject en zelfstandig beroep (Stcrt. 2000,
251). Indien de minister
begunstigend beschikt op een verzoek
inzake een verbetertraject of zelfstandig beroep, wordt in de beschikking
ook aangegeven onder welke voorwaarden
van een financiële maatregel
wordt afgezien.
Voor de ten laste van de
gemeente gebleven uitkeringskosten
verstrekt de minister een vergoeding
en een uitkering. Het op grond van
artikel 11 van de WFA buiten aanmerking
laten van de ten laste van de
gemeente gebleven kosten betekent dat voor deze kosten geen vergoeding wordt
gegeven als bedoeld in artikel 3 van
de WFA en dat deze kosten evenmin
worden betrokken bij de
beoordeling van de vraag of recht bestaat op
een aanvullende uitkering als bedoeld in
artikel 8 van de WFA. Het op grond van
artikel 11 van de
WFA buiten aanmerking laten van de ten laste
van de gemeente gebleven kosten
kan er verder toe leiden dat de in
artikel 5 van de WFA bedoelde
uitkering, op grond van artikel 7 van
de WFA, gedeeltelijk moet worden teruggevorderd. Het
één en ander wordt verduidelijkt in de toelichting bij
artikel 11, derde lid, van de WFA.
Vooruitlopend op een
formele financiële maatregel kan
in materiële zin daarmee reeds rekening worden gehouden door de
bevoorschotting hiervoor aan te passen.
Op grond van artikel 4, tweede lid,
van de WFA kan de minister bij
ernstige tekortkomingen in de uitvoering van de
Abw, Ioaw of Ioaz besluiten de
voorschotten lager vast te stellen.
Artikelsgewijs
Artikel
1. Begripsbepalingen
In artikel 1 zijn enkele begripsbepalingen opgenomen waar in deze
beleidsregels naar wordt verwezen.
Artikel
2. Foutentolerantie
In het maatregelenbeleid wordt een onderscheid gemaakt tussen
incidentele en structurele tekortkomingen in de uitvoering. Een
incidentele tekortkoming is een tekortkoming
waarbij de fout valt binnen
bepaalde te tolereren grenzen, de foutentolerantie, en waarbij er geen maatregel
wordt opgelegd. Een structurele tekortkoming is een tekortkoming
waarbij de fout valt buiten de
foutentolerantie. De omvang van de
foutentolerantie is afhankelijk van de aard
van de tekortkoming:
1. indien de vastgestelde
tekortkoming met zekerheid leidt tot
onrechtmatige verstrekking van bijstand
of uitkering, zoals bij
tekortkomingen bij de vaststelling van het recht op uitkering en bij
tekortkomingen bij het terugvorderen of
verhalen van een ten onrechte verstrekte
uitkering, wordt een
foutentolerantie gehanteerd van maximaal 5 procent
van het relevante bestand;
2. indien de vastgestelde
tekortkoming leidt tot onzekerheid
over de rechtmatigheid van de
verstrekking van bijstand of
uitkering, geldt een hogere foutentolerantie, namelijk van maximaal 15 procent van
het relevante bestand.
De genoemde percentages
zijn gerelateerd aan het relevante
bestand. Onder relevant bestand
wordt begrepen het bestand dat
representatief is in relatie tot één of
meer aspecten van de uitvoering en
waarop het onderzoek zich richt ter
beoordeling van deze aspecten. Het
betreft hier dus een percentage van
het aantal onderzochte waarnemingen,
niet van het financieel belang.
Algemeen uitgangspunt bij
het financieel maatregelenbeleid is een
foutentolerantie van maximaal 5 procent. Slechts in de situaties
waarin niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de bijstand of uitkering
rechtmatig is verstrekt, geldt een
hogere foutentolerantie van maximaal 15 procent. Het betreft hier
tekortkomingen, waarbij mogelijk sprake
is van een onrechtmatige
verstrekking. De onzekerheid over de onrechtmatigheid
van de uitkeringsverstrekking
rechtvaardigt dat hier een hogere foutentolerantie wordt gehanteerd. De
tekortkomingen waarvoor een hogere foutentolerantie van
maximaal 15 procent geldt, zijn
limitatief opgesomd in artikel 8, tweede lid,
onderdeel a tot en met f, van de Rfa.
Artikel
3. Tekortkomingen
van bijzondere aard
Op grond van
artikel 11,
derde lid, aanhef en onder a, van de WFA
heeft de minister de
bevoegdheid in geval van tekortkomingen van
bijzondere aard af te zien van het treffen van een maatregel. In dit
artikel worden de situaties benoemd
waarin de minister een tekortkoming
kan aanmerken als een tekortkoming van
bijzondere aard.
De minister heeft de
bevoegdheid af te zien van een
financiële maatregel indien er sprake is van
een niet toerekenbare onmogelijkheid voor de gemeente
om haar verplichting tot
een juiste wetsuitvoering
na te komen. Buitengewone omstandigheden kunnen een situatie van
overmacht opleveren die het de
gemeente onmogelijk dan wel
bezwaarlijk maakt om haar
verplichting tot een juiste wetsuitvoering
volledig na te komen. Als overmacht voor
de gemeente geldt iedere onvoorzienbare omstandigheid die het
nakomen van de verplichting door de gemeente zodanig bemoeilijkt dat
tijdelijk een juiste wetsuitvoering
onmogelijk dan wel bezwaarlijk wordt.
De buitengewone
omstandigheden ontslaan de gemeente niet
van haar verplichting om alles in
het werk te stellen om tekortkomingen
te voorkomen, te verminderen en indien mogelijk te herstellen. De
minister houdt bij de beoordeling van de toerekenbaarheid rekening met de reële
krachtsinspanningen die
de uitvoerder zich heeft getroost om
tot een juiste wetsuitvoering te komen.
Bij de beoordeling of sprake is
van tekortkomingen van bijzondere aard wordt meegewogen of de gemeente, binnen
de grenzen van haar
mogelijkheden, alles heeft gedaan om het probleem te ondervangen. Het afzien
van een maatregel is nimmer aan
de orde bij tekortkomingen die de
uitvoerder redelijkerwijs had kunnen
voorkomen of had behoren te
voorkomen. Voorbeelden
van buitengewone omstandigheden die een
situatie van overmacht kunnen
opleveren, zijn onder andere brand,
onvoorzienbare storingen bij de automatisering en belemmeringen en/of
tekortkoming door derden. Een ander voorbeeld is de toepassing van fysiek
geweld door cliënten of de reële
dreiging ermee, waardoor de veiligheid
van uitvoerende ambtenaren of
gemeentebestuurders in gevaar kan komen. In
het laatstgenoemde voorbeeld
zal de gemeente aannemelijk moeten maken dat er sprake is van een
situatie waarin de naleving van de verplichting tot een juiste
wetsuitvoering redelijkerwijs niet van
de gemeente kan worden verlangd. De
feiten en de onderbouwing van de door
de gemeente aangevoerde
argumenten zullen een belangrijke
rol spelen bij de beoordeling of de tekortkomingen kunnen worden aangemerkt
als tekortkomingen van
bijzondere aard. Onder tekortkoming door
derden wordt in ieder geval
verstaan tekortkoming door het CWI [Centrum voor
werk en inkomen, bedoeld wordt echter volgens de redactie de Centrale
organisatie werk en inkomen (de CWI)]. Door het
niet nakomen van
verplichtingen door het CWI kan het voor de gemeente onmogelijk worden om haar
verplichting tot een juiste
wetsuitvoering volledig na te komen, bijvoorbeeld
als het CWI de benodigde
gegevens voor het vaststellen van het
recht op bijstand niet, niet tijdig,
onvolledig of onjuist levert. De gemeente moet aannemelijk maken dat de door het CWI
veroorzaakte tekortkoming de gemeente niet kan worden
toegerekend en dat zij bij het
constateren van de tekortkoming
tijdig en adequaat heeft gereageerd naar het
CWI. Bij de beoordeling of de
door het CWI veroorzaakte
tekortkoming de gemeente niet kan worden toegerekend, zal worden meegewogen of
de gemeente heeft gedaan wat
in redelijkheid van haar verwacht mag
worden om de schade te beperken
en eventueel te herstellen.
Bij de beoordeling van de toerekenbaarheid
zal indien nodig worden meegewogen of er tussen de gemeente en
het CWI een schriftelijke
overeenkomst bestaat waarin de
wederzijdse verplichtingen zijn vastgelegd en waarin afspraken zijn vastgelegd
over de definitie van juistheid,
volledigheid en consistentie van de door
het CWI aan de gemeente over te
dragen gegevens en eventueel over een verlenging van de wettelijke termijn van
acht werkdagen voor de overdracht van
een aanvraag voor algemene bijstand. Dergelijke afspraken
zullen over het algemeen zijn vastgelegd
in een zogenaamde Service Niveau Overeenkomst.
Onder tekortkoming door
derden wordt tevens verstaan
tekortkoming door door de gemeente
ingeschakelde reïntegratiebedrijven.
Door het niet nakomen van verplichtingen door reïntegratiebedrijven
kan het voor de gemeente onmogelijk worden om haar verplichting tot een
juiste wetsuitvoering volledig na te komen, bijvoorbeeld als het
reïntegratiebedrijf de benodigde gegevens
voor het handhaven van aan
cliënten opgelegde verplichtingen niet
levert. De gemeente moet aannemelijk maken dat de door het
reïntegratiebedrijf veroorzaakte tekortkoming
de gemeente niet kan worden
toegerekend en dat zij bij het
constateren van de tekortkoming
tijdig en adequaat heeft gereageerd naar het
reïntegratiebedrijf. Bij de beoordeling of de door het
reïntegratiebedrijf veroorzaakte tekortkoming de gemeente
niet kan worden toegerekend,
zal worden meegewogen of de gemeente
heeft gedaan wat in redelijkheid van haar verwacht mag worden om de
schade te beperken en eventueel te herstellen. Bij de beoordeling van de
toerekenbaarheid zal indien nodig worden meegewogen of er tussen
de gemeente en het
reïntegratiebedrijf een schriftelijke overeenkomst bestaat die
voldoet aan eisen zoals gesteld
in artikel 4.1, eerste lid, van het
Besluit SUWI. Onder overmacht wordt in
ieder geval niet verstaan:
gebrek aan personeel, ziekte van personeel en
verlate aanlevering of
ongeschiktheid van automatiseringsprogrammatuur.
Als een gemeente vanwege
krapte op de arbeidsmarkt niet
voldoende of niet voldoende gekwalificeerd
personeel kan aantrekken, is dat op
zich onvoldoende reden om te kunnen
spreken van een tekortkoming van
bijzondere aard. De uit het
personeelsgebrek voortkomende tekortkoming
kan alleen dan worden
aangemerkt als een tekortkoming van bijzondere aard als de gemeente
aannemelijk maakt alles binnen haar
vermogen in het werk te hebben
gesteld om het personeelstekort te
voorkomen en te verminderen.
Bij de beoordeling of
sprake is van tekortkomingen van
bijzondere aard wordt ook de reële
toekomstverwachting meegewogen. Indien de
verwachting is dat het probleem ook
in een aansluitend
vergoedingsjaar aan de orde zal zijn of indien
de periode waarin door overmacht
nakoming van de verplichting van
de gemeente niet mogelijk is langer
duurt dan zes maanden, ligt niet de
toepassing van "tekortkoming van
bijzondere aard" voor de hand, maar wel de
toepassing van een verbetertraject of een zelfstandig beroep op
artikel 11 van
de WFA.
Indien de gemeente van
mening is dat er sprake is van
tekortkomingen van bijzondere aard, kan
de gemeente bij inzending van het
verslag over de uitvoering een met
redenen omkleed verzoek doen aan de
minister om gebruik te maken van zijn
bevoegdheid om in geval van
tekortkomingen van bijzondere aard af te
zien van het treffen van een
maatregel. Als op dat moment het verzoek wordt
gedaan, kan hiermee bij de
vaststelling rekening worden gehouden. De
beoordeling van de mate van
toerekenbaarheid van de tekortkomingen
vindt plaats op basis van de
weging van de feitelijke situatie en
per individuele uitvoerder. De
beoordeling van de mate van toerekenbaarheid
vindt uitsluitend achteraf plaats, bij de
vaststelling van de ten laste van de gemeente gebleven kosten.
Hieruit volgt dat hierop bij de uitvoeringscontrole en de rapportage daarover
niet geanticipeerd mag en
kan worden.
De minister heeft voorts
de bevoegdheid af te zien
van een financiële maatregel als het bedrag
van de getroffen maatregelen het
met de tekortkoming gemoeide financieel beslag met meer dan €|454,- per wettelijke regeling
(Abw, Ioaw
en Ioaz) per vergoedingsjaar
overtreft. Als gevolg van de gekozen
systematiek kan eenzelfde tekortkoming aanleiding geven tot meer dan één
maatregel. Door samenloop van verschillende maatregelen
die verband houden met in de kern
dezelfde tekortkoming kan het
bedrag van de maatregel het hiermee
gemoeide financieel beslag in
bepaalde mate overtreffen. Als een
gemeente aantoonbaar maakt dat het bedrag van de getroffen maatregelen
het met de tekortkoming gemoeide
financieel beslag met meer dan €|454,- overtreft, kan een nadere afweging
plaatsvinden.
artikel 11, derde lid, aanhef en onder a, van de WFA
biedt
de ruimte om bij de definitieve
vaststelling van de maatregel met die
gegevens rekening te houden. De financiële
maatregel kan dan gedeeltelijk
ongedaan worden gemaakt door een
tekortkoming (gedeeltelijk) aan te merken als een tekortkoming van
bijzondere aard. De bewijslast
berust bij de gemeente.
Samenloop van
verschillende maatregelen die verband houden met in
de kern dezelfde tekortkoming kan zich bijvoorbeeld voordoen bij
tekortkomingen in de sfeer van de
debiteurenadministratie of het
debiteurenonderzoek. Dit type tekortkoming leidt, gelet op het bepaalde in
artikel
8, tweede lid, onderdeel a,
van de Rfa, tot een financiële
maatregel door middel van een forfaitair
vastgesteld percentage. Daarnaast is
het goed mogelijk dat de
tekortkoming ook leidt tot het buiten
invordering stellen van vorderingen wegens
het verstrijken van de verjaringstermijn,
eventueel in een ander
vergoedingsjaar. De aldus buiten invordering
gestelde bedragen vallen onder het
bereik van
artikel 11, eerste lid, WFA.
Uiteraard kan ook tussen
de in artikel
8, tweede lid, onderdeel a
tot en met f, van de Rfa opgenomen
tekortkomingen samenloop optreden.
Artikel
4. Tekortkomingen
van geringe betekenis
Ingevolge
artikel 11,
derde lid, aanhef en onder a, van de WFA
heeft de minister de bevoegdheid
in geval van tekortkomingen van
geringe betekenis af te zien van het treffen van een maatregel. In dit artikel
worden de situaties benoemd waarin de minister een tekortkoming zal
aanmerken als een tekortkoming van
geringe betekenis.
Een termijnoverschrijding
van minder dan één maand bij
(her)onderzoeken, beëindigingsonderzoeken
en debiteurenonderzoeken kan worden aangemerkt als een tekortkoming van geringe betekenis. Om de
minister in staat te stellen om een termijnoverschrijding van minder dan één
maand aan te merken als een
tekortkoming van geringe betekenis,
kan de gemeente
in het verslag
over de uitvoering aanvullend specificeren
welk aandeel van de
termijnoverschrijvingen bij (her)onderzoeken, beëindigingsonderzoeken
en debiteurenonderzoeken betrekking heeft op termijnoverschrijdingen
van minder dan één maand. Als op
dat moment deze specificatie wordt
gegeven, wordt bij de vaststelling
van het maatregelbedrag uitsluitend rekening gehouden met
termijnoverschrijdingen van méér dan een maand. Uiteraard is de extra specificatie
in het verslag over de uitvoering van
het aandeel termijnoverschrijvingen
van minder dan één maand alleen zinvol indien deze daadwerkelijk kan
leiden tot een vermindering van het
maatregelbedrag. De beoordeling of sprake
is van een tekortkoming van
geringe betekenis vindt uitsluitend
achteraf plaats, bij de vaststelling van
de ten laste van de gemeente gebleven
kosten. Dit betekent dat hierop bij
de uitvoeringscontrole en de rapportage daarover niet geanticipeerd mag
worden. Financiële maatregelen
van in totaal minder dan €|454,- per
wettelijke regeling (Abw, Ioaw
en Ioaz) per vergoedingsjaar worden niet geëffectueerd. Voor de bepaling of een
bedrag minder is dan €|454,- geldt als uitgangspunt de niet in
aanmerking te nemen kosten.
Een tekortkoming van
geringe betekenis wordt wel altijd
opgenomen in de vaststellingsbeschikking, daar het in wezen gaat om een meer
dan incidentele tekortkoming die
uitsluitend vanwege het geringe
financieel belang niet wordt geëffectueerd.
Artikel
5. Bewust
gemeentelijke uitvoering in strijd met de wet
Indien de tekortkoming
voortkomt uit een bewust - in de
zin van opzettelijk - onjuiste
wetsuitvoering, wordt altijd een financiële
maatregel getroffen. Dit geldt ook voor
incidentele tekortkomingen en
tekortkomingen van geringe betekenis.
Dit impliceert dat bij de vaststelling
van de omvang van de financiële
maatregel geen foutentolerantie wordt gehanteerd en dat de maatregel zal worden
geëffectueerd ongeacht het ermee
gemoeide financiële belang.
De minister kan van
oordeel zijn dat de bewust gemeentelijke
uitvoering in strijd met de wet
voortkomt uit een situatie van overmacht,
die maakt dat een daardoor veroorzaakte
tekortkoming de gemeente
niet kan
worden toegerekend. De minister kan dan de tekortkomingen aanmerken
als tekortkomingen van
bijzondere aard (zie artikel 3).
Artikel
6.
Tekortschietende uitvoering van het incassobeleid
Uitgangspunt is dat de
omvang van de maatregel
correspondeert met het gekwantificeerde
financieel beslag dat feitelijk gemoeid is met
een tekortschietend gemeentelijk
debiteurenbeheer. Het incassobeleid van de gemeente
dient erop gericht te zijn
het in de beschikking
vastgelegde betalingsritme (bedragen
en termijnen) in stand te houden en zo nodig af te dwingen. De
verplichting tot verhaal beperkt zich niet
alleen tot de formele aspecten (de
besluitvorming), maar strekt zich ook uit
tot de materiële aspecten ervan (de feitelijke incasso). In de situatie
waarin de gemeente weliswaar de
besluitvorming tijdig en juist heeft
verzorgd, maar vervolgens inadequaat
reageert tegenover de debiteur die zijn
verplichtingen niet of slechts onregelmatig nakomt, wordt het bedrag
van de financiële maatregel
vastgesteld op het bedrag dat door de
nalatigheid van de gemeente niet
wordt geïncasseerd.
De financiële maatregel
is onherroepelijk, dat wil zeggen dat
eventuele incasso nadien door de
gemeente geen invloed meer heeft op de
omvang van de opgelegde financiële
maatregel. Dit betekent overigens ook
dat wanneer de gemeente de gelden waarop de maatregel betrekking heeft later alsnog van de debiteur ontvangt,
zij deze niet meer met het
Rijk behoeft te verrekenen.
Artikel
7. Geen instelling
van actie tot verhaal
Uitgangspunt is dat de
omvang van de maatregel
correspondeert met het gekwantificeerde
financieel beslag dat feitelijk gemoeid is met
de formeel of materieel tekortschietende uitvoering van de verplichting tot
verhaal. Indien de gemeente
ten onrechte
geen actie tot verhaal instelt bij
een onderhoudsplichtige, wordt de omvang van de door de gemeente gemiste
verhaalsopbrengst forfaitair per geval per
maand bepaald op 30 procent van
de van toepassing zijnde netto
algemene bijstand voor een alleenstaande,
met inbegrip van de
vakantietoeslag en de maximale toeslag op grond
van artikel 33 Abw. Voor de
toepassing van deze norm maakt het geen verschil of bijstand wordt verleend aan een
alleenstaande dan wel aan een alleenstaande ouder. Bij de bepaling
van het financieel beslag van de
tekortkoming wordt uitgegaan van een
forfaitaire gevalsbenadering, omdat
de werkelijke financiële omvang van de
tekortkoming niet kan worden
gekwantificeerd. Er is immers door de gemeente geen onderzoek ingesteld
naar de individuele omstandigheden van de verhaalsdebiteur.
De te hanteren norm voor
de niet in aanmerking te nemen
kosten is een maandnorm. Indien
gedurende het gehele vergoedingsjaar
bijstand is verleend, wordt de bedoelde maandnorm twaalfmaal genomen.
Indien slechts gedurende één of meer
gedeelten van het vergoedingsjaar
bijstand is verleend (bijvoorbeeld omdat het
recht op bijstand eerst lopende
het vergoedingsjaar is toegekend of omdat het recht op bijstand is
onderbroken vanwege verworven inkomsten uit arbeid), wordt het bedrag naar rato
bepaald.
Artikel
8. Geen adequate
instelling van actie tot verhaal op een
onderhoudsplichtige
Uitgangspunt is dat de
omvang van de maatregel
correspondeert met het gekwantificeerde
financieel beslag dat feitelijk gemoeid is met
de formeel of materieel tekortschietende uitvoering van de
verhaalsverplichting. Indien de gemeente
geen adequate
actie tot verhaal heeft ingesteld waardoor
de gemeente een deel van de vordering niet juridisch
afdwingbaar kan verhalen, geldt dat het financieel
beslag van de tekortkoming (de
misgelopen verhaalsopbrengst)
bepaald wordt door over de periode
waarover de gemeente geen
verhaalsactie heeft ingezet de hoogte van de
(te laat) vastgestelde
onderhoudsbijdrage te berekenen.
Indien de gemeente op
enig moment in een vergoedingsjaar
een actie tot verhaal instelt, doch
eerst later in dat jaar dan bij een juiste
wetsuitvoering het geval zou zijn, is
uitsluitend voor dat jaar sprake van het
niet adequaat instellen van een actie tot verhaal. De beoordeling of sprake is
van een tekortkoming die valt
onder "geen instelling van actie tot
verhaal" dan wel onder "geen
adequate instelling van actie tot verhaal"
kan alleen plaatsvinden per
afzonderlijk vergoedingsjaar.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte.
|
|