|
REGELING van de Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M. Rutte, van 21 mei 2003,
Directie Bijstand en Gemeentelijk Activeringsbeleid, nr. B&GA/GAB/03/33336, tot het
verstrekken van subsidie ter stimulering van
de totstandkoming van
samenwerkingsverbanden op het gebied van de uitvoering van het Besluit bijstandverlening
zelfstandigen en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen (Tijdelijke stimuleringsregeling
samenwerkingsverband Bbz en Ioaz)
De Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, M. Rutte;
Gelet op artikel 3, eerste lid, en
artikel 5 van de Kaderwet
SZW-subsidies;
Besluit:
Art. 1.
Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Ioaz: Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
b. Bbz: Besluit
bijstandverlening zelfstandigen;
c. samenwerkingsverband Bbz-Ioaz:
een organisatorisch verband, met
een feitelijke personele formatie van ten minste zes fte’s, waarin colleges van
burgemeester en wethouders van
twee of meer gemeenten op basis van de Wet
gemeenschappelijke regelingen,
dan wel op basis van een
samenwerkingsovereenkomst gezamenlijk het Bbz en de Ioaz uitvoeren;
d.
samenwerkingsovereenkomst: een overeenkomst waarin de
gemeenschappelijke uitvoering van het Bbz en de Ioaz, anders dan op basis
van de Wet gemeenschappelijke
regelingen, door colleges van burgemeester en wethouders van twee of meer
gemeenten binnen een
organisatorisch verband is geregeld;
e. overeenkomst: een
geschrift waaruit blijkt dat tussen colleges van
burgemeester en wethouders van twee of meer gemeenten overeenstemming bestaat dat een
samenwerkingsverband Bbz-Ioaz tot stand wordt gebracht;
f. proceskosten:
eenmalige, onlosmakelijk aan de totstandbrenging van een samenwerkingsverband
Bbz-Ioaz verbonden personele kosten
die in de periode voorafgaande aan de operationele start van het tot
stand te brengen samenwerkingsverband Bbz-Ioaz worden gemaakt;
g.
kwaliteitsfunctionaris: een functionaris die binnen het
samenwerkingsverband Bbz-Ioaz belast is met het toezicht op, en in het verlengde
daarvan, het verbeteren van de kwaliteit van de werkzaamheden van het samenwerkingsverband
Bbz-Ioaz;
h. fte: arbeidsplaats op
basis van een volledige werkweek;
i. de minister: de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Art. 1a.
Voor de uitvoering van deze
regeling wordt voor zover de regeling
betrekking heeft op de periode na 1 januari 2004 met ingang van die datum in
plaats van "Bbz" gelezen: Bbz
2004,
en in plaats van "Besluit bijstandverlening zelfstandigen" gelezen: Besluit
bijstandverlening zelfstandigen 2004.
Art. 2.
Subsidie
samenwerkingsverband Bbz-Ioaz
De minister
kan op aanvraag
subsidie verstrekken ter stimulering van de totstandkoming van een samenwerkingsverband
Bbz-Ioaz.
Art. 3.
Subsidieplafond
Het subsidieplafond bedraagt €|1 600 000,00.
Art. 4.
Subsidieaanvrager
-1. De subsidie wordt aangevraagd door het college van burgemeester
en wethouders dat daartoe door de colleges van burgemeester en wethouders
van de gemeenten die partij zijn
bij de overeenkomst is aangewezen.
-2. De subsidie wordt verstrekt aan
de subsidieaanvrager.
Art. 5.
Subsidieaanvraag
-1. Bij de subsidieaanvraag wordt overgelegd:
a. een door de colleges van
burgemeester en wethouders van de gemeenten die partij zijn bij de
overeenkomst ondertekend document waaruit blijkt dat het college van
burgemeester en wethouders dat de subsidie aanvraagt daartoe door hen is
aangewezen;
b. een afschrift van de
overeenkomst;
c. een projectplan met betrekking
tot de totstandbrenging van een
samenwerkingsverband Bbz-Ioaz;
d. een opgave van de beoogde
feitelijke personele formatie van het tot stand te brengen samenwerkingsverband
Bbz-Ioaz.
-2. De minister
ontvangt uiterlijk 15 november 2003 de
subsidieaanvraag.
Art. 6.
Subsidiabele kosten
Voor subsidie kosten
samenwerkingsverband Bbz-Ioaz
kunnen eenmalig in aanmerking worden gebracht:
a. proceskosten; en
b. over een periode van maximaal twaalf maanden, kosten van
personeel dat onmiddellijk na de
operationele start van het samenwerkingsverband Bbz-Ioaz werkzaam is binnen
het samenwerkingsverband Bbz-Ioaz.
Art. 7.
Omvang subsidie
-1. De subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel
6, onderdeel a,
bedraagt €|20 000,00.
-2. De subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel
6, onderdeel
b, bedraagt:
a. €|80
000,00 indien de
feitelijke personele formatie van het
samenwerkingsverband Bbz-Ioaz
ten minste zes fte’s omvat;
b. €|90
000,00 indien de
feitelijke personele formatie van het
samenwerkingsverband Bbz-Ioaz ten minste zeven fte’s omvat;
c. €|100
000,00 indien
de feitelijke personele formatie van het
samenwerkingsverband Bbz-Ioaz ten minste acht fte’s omvat; of
d. €|110
000,00 indien
de feitelijke personele formatie van het
samenwerkingsverband Bbz-Ioaz ten minste negen fte’s omvat.
Art. 8.
Weigering subsidie
De subsidie voor de kosten,
bedoeld in artikel 6, onderdeel b, wordt geweigerd,
indien:
a. binnen een periode van twaalf maanden na de subsidieaanvraag
geen samenwerkingsverband Bbz-Ioaz
tot stand is gebracht;
b. de feitelijke personele
formatie van het samenwerkingsverband Bbz-Ioaz niet ten minste zes fte’s
omvat;
c. in het samenwerkingsverband Bbz-Ioaz
geen fte wordt vervuld door een kwaliteitsfunctionaris.
Art. 9.
Subsidieverlening,
subsidievaststelling
-1. In afwijking van artikel 8,
eerste lid, van de Algemene Regeling SZW-subsidies zendt de
minister na ontvangst van de subsidieaanvraag en de bescheiden, bedoeld in artikel
5,
eerste lid, met betrekking tot de kosten, bedoeld in artikel
6, een
beschikking tot subsidieverlening met een
voorschotverlening van 100% van de subsidiabele kosten.
-2. Indien het samenwerkingsverband Bbz-Ioaz
niet over een periode van twaalf maanden overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening
operationeel is, stelt de minister de subsidie vast voor de kosten, bedoeld in
artikel 6, onderdeel a,
vermeerderd met een deel van de kosten,
bedoeld in
artikel 6, onderdeel b, dat
wordt vastgesteld naar evenredigheid van het deel van de periode en de
omvang van de personele formatie, als bedoeld in artikel 7, tweede lid,
dat het samenwerkingsverband Bbz-Ioaz feitelijk functioneerde.
-3. Indien de subsidie voor de
kosten, bedoeld in
artikel 6, onderdeel b, geheel wordt geweigerd, stelt de
minister de subsidie vast voor de
kosten, bedoeld in
artikel 6, onderdeel a.
Art. 10.
Verantwoording
-1. De minister
ontvangt uiterlijk 30 april 2006 van de
subsidieontvanger een verantwoording. De verantwoording is voorzien van een verklaring
van een accountant, bedoeld in artikel 16 van de Algemene Regeling
SZW-subsidies.
-2. De verantwoording en de
verklaring van een accountant zijn ingericht overeenkomstig de modellen van
bijlagen 1 en 2 van deze regeling. De verklaring van een accountant is gebaseerd op een controle die is
uitgevoerd overeenkomstig het in bijlage 3 van deze regeling voorgeschreven
controle- en rapportageprotocol.
Art. 11.
Evaluatie
De subsidieontvanger verleent op
verzoek van de minister
alle medewerking aan een door de minister ingesteld evaluatieonderzoek, bedoeld om
te beoordelen in welke mate de
subsidieontvanger met het tot stand brengen
van een samenwerkingsverband
Bbz-Ioaz een bijdrage heeft
geleverd aan de verhoging van de kwaliteit van de uitvoering van het Bbz of
de Ioaz.
Art. 12.
Inwerkingtreding
-1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en
vervalt met ingang van 1 augustus 2006.
-2. De regeling zoals die vóór de datum waarop deze vervalt, geldt,
blijft van toepassing op de
afwikkeling van de subsidie, bedoeld in
artikel 2.
Art. 13.
Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald
als: Tijdelijke stimuleringsregeling
samenwerkingsverband Bbz en Ioaz.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst. De bijlagen 1, 2 en 3 van deze regeling worden met ingang van 1 augustus
2003 ter inzage gelegd in de
bibliotheek van het ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid te Den
Haag.
’s-Gravenhage, 21 mei 2003.
De Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte.
TOELICHTING
[21 mei 2003]
Algemeen
De kwaliteit van de uitvoering van
het Besluit bijstandverlening
zelfstandigen (Bbz) staat onder druk als gevolg
van het relatief geringe beroep dat op
deze regeling wordt gedaan. De
noodzakelijke continuïteit in professionaliteit
en kwaliteitsborging valt hierdoor
onvoldoende te realiseren. Eén van de
conclusies op basis van de evaluatie van het Bbz in 1997 was dat het
concentreren van de uitvoering van het Bbz in regionale samenwerkingsverbanden
het kwaliteitsprobleem zou kunnen
oplossen. De totstandbrenging van samenwerkingsverbanden heeft immers tot
gevolg dat er door de grotere
hoeveelheid aanvragen meer kennis en ervaring wordt opgedaan op het gebied van
(de uitvoering van) het Bbz.
Gezien de raakvlakken tussen de uitvoering
van het Bbz en de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) ligt het in de rede om ook
de uitvoering van de Ioaz onder te
brengen in deze samenwerkingsverbanden.
Tegen de achtergrond van het feit dat de concentratie van de
uitvoering van het Bbz in regionale samenwerkingsverbanden tot op heden in onvoldoende
mate tot stand is gekomen, voorziet de onderhavige regeling
in een financiële ondersteuning, in
de vorm van een subsidie, ter zake. Hierbij is ervoor gekozen om voor
de vaststelling van de hoogte van de
subsidie de samenwerkingsverbanden in te delen in vier categorieën,
afhankelijk van de personeelsformatie van het
samenwerkingsverband. De categorieën zijn: zes, zeven, acht en negen of meer
gemeenteambtenaren op voltijds basis, of het
equivalent daarvan. Er wordt uitgegaan van de personeelsformatie, daar dit een
objectieve en relatief eenvoudige wijze is om de grootte van het
samenwerkingsgebied en daarmee de hoogte van de subsidie vast te stellen.
De stimuleringsregeling biedt
burgemeester en wethouders van samenwerkende gemeenten de mogelijkheid
om voor kosten in verband met de
totstandkoming van samenwerkingsverbanden (de proceskosten), alsmede voor kosten van personeel dat over
een periode van twaalf maanden onmiddellijk na de operationele
start van het samenwerkingsverband
werkzaam is binnen het samenwerkingsverband, eenmalig subsidie te krijgen.
Voor de proceskosten is voorzien
in de verstrekking van een vaste
vergoeding van €|20 000,- Voor de
kosten van personeel dat over een periode van twaalf maanden onmiddellijk na
de operationele start van het samenwerkingsverband werkzaam is binnen het
samenwerkingsverband, is
voorzien in een vaste vergoeding die
afhankelijk is van de omvang van de
personeelsformatie.
Adressanten van de onderhavige regeling zijn burgemeester en
wethouders, belast (voor zover in deze van belang) met de uitvoering van het
Bbz en de Ioaz. Ingevolge artikel 63a, tweede lid, van de
Algemene bijstandswet wordt de aanvraag
voor een Bbz-uitkering bij burgemeester
en wethouders ingediend. Dit geldt, ingevolge de Ioaz, ook voor de aanvraag
voor een Ioaz-uitkering. In dit
verband wordt nog gewezen op artikel 28 van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
(Wet SUWI) dat erin voorziet dat de
Centrale
organisatie werk en inkomen de aanvragen voor (onder andere) een uitkering
op grond van de Ioaz in ontvangst neemt. Dit artikel is echter op
grond van artikel 1, onderdeel b, van
het Besluit van 13 december 2001 (Stb. 2001, 682), houdende de
vaststelling van het tijdstip van
inwerkingtreding van de
Wet SUWI, (nog) niet in
werking is getreden. Mede gelet op de inhoud en strekking van de
onderhavige stimuleringsregeling zal de inwerkingtreding van artikel 28 van de
Wet SUWI, voor zover betrekking hebbende op
Ioaz-aanvragen, voorlopig
niet plaatsvinden.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel 1. Begripsbepalingen
De onderhavige
stimuleringsregeling strekt ertoe dat burgemeester en
wethouders van verschillende gemeenten de voor de uitvoering van het
Bbz
en de Ioaz noodzakelijke expertise daadwerkelijk in een
samenwerkingsverband bundelen en die expertise (aldus verder) verhogen. Die
beoogde bundeling dient gestalte te
krijgen in een "samenwerkingsverband Bbz-Ioaz", zijnde een
organisatorisch verband waarin colleges van
burgemeester en wethouders van twee of meer gemeenten op basis van de Wet
gemeenschappelijke regelingen, dan wel op basis van een
samenwerkingsovereenkomst op een andere grondslag, gezamenlijk het Bbz en de
Ioaz uitvoeren. Onder
samenwerkingsovereenkomst wordt in het kader van deze regeling verstaan: een
overeenkomst waarin de gemeenschappelijke uitvoering van het Bbz en de Ioaz,
anders dan op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen,
door colleges van burgemeester en wethouders van twee of meer gemeenten binnen
een organisatorisch verband is geregeld. Uit de definitie van het samenwerkingsverband
Bbz-Ioaz blijkt impliciet dat ingeval
colleges van burgemeester en wethouders ervoor kiezen om het
organisatorisch verband binnen het kader van de
Wet gemeenschappelijke regelingen vorm en inhoud te geven, vrijelijk
gekozen kan worden uit het al dan niet
toepassen van één van de drie vormen, bedoeld in artikel 8 van die
wet. In de praktijk zal de samenwerking
doorgaans feitelijk inhouden dat daartoe aangewezen
gemeenteambtenaren bepaalde nader aangeduide werkzaamheden op het terrein van
de uitvoering van het Bbz en de Ioaz verrichten. Naast deze
gemeenteambtenaren dient, gelet op het met deze stimuleringsregeling beoogde doel,
binnen het samenwerkingsverband één fte ingeruimd te zijn voor
de kwaliteitsfunctionaris. Deze
functionaris dient te waken over de kwaliteit van de werkzaamheden binnen het
samenwerkingsverband Bbz-Ioaz, waaronder begrepen het verhogen van die kwaliteit.
Aan de (beoogde) samenwerking
tussen burgemeester en wethouders van twee of meer gemeenten op het gebied van de uitvoering van het
Bbz en de Ioaz dient een overeenkomst ten grondslag te liggen. Onder
overeenkomst wordt in dit verband verstaan: een geschrift waaruit blijkt dat
tussen (colleges van) burgemeester
en wethouders van twee of meer gemeenten overeenstemming bestaat om een samenwerkingsverband
Bbz-Ioaz op te zetten.
Artikelen 2 Subsidie
samenwerkingsverband Bbz-Ioaz, 3 Subsidieplafond,
4
Subsidieaanvrager en 5 Subsidieaanvraag
Teneinde te bevorderen dat
samenwerkingsverbanden Bbz-Ioaz
tot stand komen, kan op een daartoe strekkend verzoek subsidie worden verleend. Die subsidie strekt er
met name toe dat samenwerkingsverbanden Bbz-Ioaz daadwerkelijk
operationeel worden. Dat is ook de reden waarom niet alleen (een deel van)
de vóór de operationele start
gemaakte proceskosten subsidiabel zijn,
maar vooral ook (een deel van) de
kosten van het personeel dat in het
samenwerkingsverband Bbz-Ioaz feitelijk werkzaam is. In totaal kan op
basis van deze regeling voor €|1 600
000,- aan subsidies worden verstrekt. De aanvragen voor subsidie worden behandeld volgens het systeem
"wie
het eerst komt, het eerst maalt".
De subsidie wordt aangevraagd door en verstrekt aan het college van
burgemeester en wethouders van de gemeente dat daartoe door de
colleges van burgemeester en wethouders die partij zijn bij de
overeenkomst is aangewezen. Bij de
subsidieaanvraag moet - teneinde vast te kunnen
stellen dat de subsidieaanvrager gemachtigd is om namens de andere colleges
van burgemeester en wethouders die partij zijn bij de overeenkomst
(in en buiten rechte) op te treden - in
ieder geval overgelegd te worden een document waaruit blijkt dat het college van burgemeester en wethouders dat
de subsidie aanvraagt ook
daadwerkelijk door de (andere) colleges van burgemeester en wethouders van de
gemeenten die partij zijn bij de
overeenkomst is aangewezen. Tegen de achtergrond van het feit dat de
subsidie wordt toegekend aan de
subsidieaanvrager wordt in de praktijk veelal in het verlengde van het document
waarbij de
rechtspersoon/subsidieaanvrager wordt aangewezen tevens een ander document
opgesteld waarin
de wijze van doorsluizen van de subsidiegelden naar de diverse bij de
overeenkomst betrokken partijen is geregeld. Dit document betreft bij uitstek
de privaatrechtelijke relatie
tussen de partijen bij de overeenkomst en
valt als zodanig geheel buiten het bestek van deze regeling.
Bij de subsidieaanvraag, die
uiterlijk 15 november 2003 door de minister
ontvangen dient te zijn, wordt
naast het document waarbij
subsidieaanvrager wordt aangewezen, tevens
overgelegd een afschrift van de overeenkomst, een projectplan met betrekking tot de totstandbrenging
van een samenwerkingsverband Bbz-Ioaz, alsmede - gelet op het
feit dat de hoogte van de toe te kennen
subsidie samenhangt met de omvang van de feitelijke personele formatie
van het tot stand te brengen
samenwerkingsverband Bbz-Ioaz - een opgave van de beoogde feitelijke
personele formatie.
Artikelen 6 Subsidiabele
kosten, 7 Omvang subsidie en 8 Weigering
subsidie
In het kader van de onderhavige
regeling, waarop de Algemene Regeling SZW-subsidies van
toepassing is, kunnen uitsluitend
proceskosten en personele kosten voor subsidie in aanmerking worden gebracht.
Onder proceskosten wordt in het kader van deze regeling verstaan:
de eenmalige, onlosmakelijk aan de totstandbrenging van een samenwerkingsverband
Bbz-Ioaz verbonden
personele kosten die in de
periode voorafgaande aan de operationele start van het tot stand te brengen
samenwerkingsverband Bbz-Ioaz worden gemaakt. Hierbij kan
gedacht worden aan kosten van improductiviteit van personeel, omdat personeel in plaats van het verrichten van de
reguliere werkzaamheden tijdelijk geheel of gedeeltelijk wordt ingezet om
het proces van totstandkoming van het samenwerkingsverband Bbz-Ioaz te
begeleiden, kosten verbonden aan het inhuren van extra personeel,
kosten die voortvloeien uit om- en
bijscholing van personeel, enz., enz. Voor de proceskosten wordt een vaste
subsidie van €|20 000,-
verstrekt. Deze subsidie wordt eenmalig verstrekt. Dit heeft tot gevolg dat indien
bijvoorbeeld voor de totstandbrenging van een samenwerkingsverband Bbz-Ioaz
met een beoogde feitelijke
personele formatie van zes fte’s subsidie voor de proceskosten is verleend
en gaandeweg het proces wordt
besloten om dat samenwerkingsverband te
verbreden tot een organisatorisch verband met een beoogde feitelijk
personele formatie van zeven of acht of negen fte’s, dan niet opnieuw de proceskosten
voor dat beoogde grotere
samenwerkingsverband Bbz-Ioaz voor subsidie in aanmerking kunnen worden
gebracht. De proceskosten hebben betrekking op de totstandbrenging van
"een" samenwerkingsverband Bbz-Ioaz, in de zin van deze regeling, ongeacht of de beoogde feitelijke
personele formatie zes of meer fte’s omvat.
Tot de personele kosten worden
gerekend over een periode van maximaal twaalf maanden de kosten van het
personeel dat onmiddellijk na de
operationele start van het samenwerkingsverband werkzaam is binnen het samenwerkingsverband
Bbz-Ioaz. Ook voor deze kosten is voorzien
in een vaste eenmalige tegemoetkoming in deze kosten, waarvan de hoogte afhankelijk is van de omvang van
de feitelijke personele formatie van
het samenwerkingsverband. Bij het
vaststellen van de hoogte van de
tegemoetkoming voor deze personele kosten is ervan uitgegaan dat gedurende
dit eerste jaar na de operationele
start ten minste 15% van de werktijd aangewend zal moeten worden voor de
deskundigheidsbevordering van het personeel (cursussen, inwerken e.d.).
Uitgegaan is van de
DAR-handleiding overheidstarieven 2002.
De subsidie voor de personele
kosten wordt geweigerd wanneer binnen een periode van twaalf maanden na de
subsidieaanvraag niet
daadwerkelijk een samenwerkingsverband Bbz-Ioaz tot stand is gebracht, dan
wel wanneer de feitelijke personele
formatie van het samenwerkingsverband Bbz-Ioaz niet ten minste
zes fte’s
omvat. Een andere weigeringsgrond betreft het ontbreken van een fte
die wordt vervuld door een kwaliteitsfunctionaris. Ook deze weigeringsgrond
betreft uitsluitend de personele kosten en uitdrukkelijk niet de
proceskosten; deze - aan de totstandkoming van een samenwerkingsverband
Bbz-Ioaz voorafgaande - kosten
zijn immers ook gemaakt wanneer er
uiteindelijk geen samenwerkingsverband met vorenbedoelde minimale
formatie tot stand komt.
Artikelen 9 Subsidieverlening,
subsidievaststelling, 10 Verantwoording en
11 Evaluatie
Na ontvangst van de
subsidieaanvraag en de daarbij behorende bescheiden, te weten een door de
colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten die partij zijn
bij de overeenkomst ondertekend document waaruit blijkt dat het college
van burgemeester en wethouders dat de subsidie aanvraagt daartoe door hen is aangewezen, een afschrift
van de overeenkomst, een projectplan
met betrekking tot de totstandbrenging van een samenwerkingsverband Bbz-Ioaz
en een opgave van de beoogde feitelijke personele formatie van
het tot stand te brengen
samenwerkingsverband Bbz-Ioaz, zendt de
minister met betrekking tot de proceskosten en personele kosten een
beschikking tot subsidieverlening met een voorschotverlening van 100% van de subsidiabele
kosten. In deze is gekozen voor een bevoorschotting van 100% van de subsidiabele kosten, omdat
de vaste subsidie voor deze kosten slechts een deel van de werkelijke kosten is. Nadat de minister de
verantwoording heeft ontvangen, stelt hij vervolgens de subsidie vast.
Indien geen samenwerkingsverband Bbz-Ioaz tot stand is gekomen of geen samenwerkingsverband
Bbz-Ioaz tot stand is gekomen met een minimale formatie van ten
minste zes fte’s,
dan wel binnen het samenwerkingsverband Bbz-Ioaz geen fte wordt vervuld
door een kwaltiteitsfunctionaris,
stelt de minister de subsidie voor de proceskosten à raison van €|20
000,-
vast en weigert hij de subsidie voor de personele kosten. Indien wel een
samenwerkingsverband Bbz-Ioaz tot stand is gekomen met de vereiste
minimale personele omvang en de vereiste bezetting, maar dat
samenwerkingverband niet over een periode van twaalf maanden, overeenkomstig
de beschikking tot
subsidieverlening, operationeel is geweest, stelt de
minister eveneens de subsidie voor de
proceskosten à raison van €|20 000,-
vast en vermeerdert hij die subsidie
met een deel van de personele kosten,
dat wordt vastgesteld naar
evenredigheid van het deel van de periode en de omvang van de personele formatie,
bedoeld in artikel 7, tweede lid,
dat het samenwerkingsverband Bbz-Ioaz functioneerde. Zo zal
bijvoorbeeld een samenwerkingsverband Bbz-Ioaz met een personele
formatie van acht fte’s dat drie maanden werkzaam is geweest en vervolgens
negen maanden met een personele formatie van zes fte’s werkzaam is geweest,
in aanmerking komen voor een subsidie van €|20
000,-
(proceskosten) + €|25 000,- (3/12 van €|100
000,-) + €|60 000,- (9/12 van €|80
000,-) = €|105 000,-.
De verantwoording dient uiterlijk
30 april 2006 door de minister
ontvangen te zijn. In het kader van deze verantwoording zal met betrekking tot
de kosten, bedoeld in artikel 6,
onderdeel b, logischerwijs door de subsidieaanvrager/-ontvanger in ieder geval
overgelegd worden een afschrift
van de regeling, bedoeld in de Wet
gemeenschappelijke regelingen, dan wel een afschrift van de
samenwerkingovereenkomst, zodat vastgesteld kan worden of daadwerkelijk sprake
is van een samenwerkingsverband Bbz-Ioaz, alsmede bescheiden met betrekking tot de feitelijke
tewerkstelling van personeel dat werkzaam is binnen het samenwerkingsverband
Bbz-Ioaz, waaronder begrepen bescheiden met betrekking tot de tewerkstelling van
de
kwaliteitsfunctionaris.
De verantwoording zal, gelet op
het feit dat ten aanzien van de
subsidiabele kosten vaste bedragen worden gehanteerd, eenvoudig van opzet
zijn. Tegen de achtergrond dat de
(bevoorschotting van de) subsidie meer dan €|50
000,- bedraagt,
dient de verantwoording voorzien te zijn van een verklaring van een accountant,
bedoeld in artikel 16 van de Algemene Regeling SZW-subsidies. Van zowel de verantwoording als
van de accountantsverklaring zijn
modellen vastgesteld, die met ingang van 1 augustus 2003 ter inzage worden
gelegd in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Den Haag. De
verklaring van een accountant
dient gebaseerd te zijn op een controle
die is uitgevoerd overeenkomstig het voorgeschreven controle- en
rapportageproctocol, dat eveneens per voormelde datum in de bibliotheek van
het ministerie ter inzage wordt
gelegd. In de onderhavige regeling is tot
slot voorzien in een medewerkingsverplichting van de subsidieontvanger aan
een door de minister ingesteld
evaluatieonderzoek, bedoeld om te beoordelen in welke mate de subsidieontvanger
met het tot stand brengen van een samenwerkingsverband Bbz-Ioaz een bijdrage heeft geleverd
aan de verhoging van de kwaliteit van
de uitvoering van het Bbz en de Ioaz.
De Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte.
|
|