St-AB.nl

 

 

 
                   

 

 

ALGEMENE  WET  BESTUURSRECHT

Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant

 

 

 

 
WET van 4 juni 1992, Stb. 1992, 315, houdende algemene regels van bestuursrecht (Algemene wet bestuursrecht). Laatste tekstplaatsing: Stb. 1998, 1. Inwerkingtreding: 1 januari 1994 (Stb. 1993, 693).
x
x

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
x
     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ingevolge artikel 107, tweede lid, van de Grondwet de wet algemene regels van bestuursrecht dient vast te stellen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
 
 

 

HOOFDSTUK  1

Inleidende bepalingen

 

TITEL  1.1

Definities en reikwijdte

 

Art. 1:1. [Begrip bestuursorgaan] (1.1)  [GeschiedenisVvWMvTVvW2MvT2Stb. 1995, 704versie 1 januari 1998Stb. 2001, 582Stb. 2001, 583Stb. 2002, 148Stb. 2004, 215Stb. 2005, 71Stb. 2009, 8 + bisStb. 2009, 264Stb. 2011, 4Stb. 2012, 313]
-1. Onder bestuursorgaan wordt verstaan:
a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld; of
b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.
-2. De volgende organen, personen en colleges worden niet als bestuursorgaan aangemerkt:
a. de wetgevende macht;
b. de kamers en de verenigde vergadering der Staten-Generaal;
c. onafhankelijke, bij de wet ingestelde organen die met rechtspraak zijn belast, alsmede de Raad voor de rechtspraak en het College van afgevaardigden;
d. de Raad van State en zijn afdelingen;
e. de Algemene Rekenkamer;
f. de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsmannen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman, en ombudsmannen en ombudscommissies als bedoeld in artikel 9:17, onderdeel b;
g. de voorzitters, leden, griffiers en secretarissen van de in de onderdelen b tot en met f bedoelde organen, de procureur-generaal, de plaatsvervangend procureur-generaal en de advocaten-generaal bij de Hoge Raad, de besturen van de in onderdeel c bedoelde organen alsmede de voorzitters van die besturen, alsmede de commissies uit het midden van de in de onderdelen b tot en met f bedoelde organen;
h. de commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, bedoeld in artikel 64 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002.
-3.
Een ingevolge het tweede lid uitgezonderd orgaan, persoon of college wordt wel als bestuursorgaan aangemerkt voor zover het orgaan, de persoon of het college besluiten neemt of handelingen verricht ten aanzien van een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden, met uitzondering van een voor het leven benoemde ambtenaar werkzaam bij de Raad van State en zijn afdelingen en de Algemene Rekenkamer.
-4. De vermogensrechtelijke gevolgen van een handeling van een bestuursorgaan treffen de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort.

 

Art. 1:2. [Begrip belanghebbende] (1.2)  [GeschiedenisVvWMvTversie 1 januari 1998]      [JurisprudentieLJN AB2488AE1887AE3721]
-1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
-2. Ten aanzien van bestuursorganen worden de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd.
-3. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

 

Art. 1:3. [Begrippen besluit, beschikking, aanvraag en beleidsregel] (1.3)  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1996, 333versie 1 januari 1998]      [JurisprudentieLJN AA3543AA3611AA3977AA6935AA7084AA8349AA9587AB0950AB1806AB2483AB2485AB3075AD5103AD7519AD7523AE4494AE6166AF0888AF1533]
-1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
-2. Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.
-3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen.
-4. Onder beleidsregel wordt verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.

 

Art. 1:4. [Begrip bestuursrechter en hogerberoepsrechter] (1.4)  [GeschiedenisVvWMvTVvW2MvT2versie 1 januari 1998Stb. 1998, 621Stb. 2012, 682]
-1. Onder bestuursrechter wordt verstaan: een onafhankelijk, bij de wet ingesteld orgaan dat met bestuursrechtspraak is belast.
-2. Onder hogerberoepsrechter wordt verstaan: een bestuursrechter die in hoger beroep oordeelt.
-3. Een tot de rechterlijke macht behorend gerecht wordt als
bestuursrechter aangemerkt voor zover hoofdstuk 8 of de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften - met uitzondering van hoofdstuk VIII - van toepassing of van overeenkomstige toepassing is.

 

Art. 1:5. [Begrippen maken van bezwaar en instellen van (administratief) beroep] (1.5)  [GeschiedenisVvWMvTversie 1 januari 1998Stb. 2012, 682]
-1. Onder het maken van bezwaar wordt verstaan: het gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid voorziening tegen een besluit te vragen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.
-2. Onder het instellen van administratief beroep wordt verstaan: het gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid voorziening tegen een besluit te vragen bij een ander bestuursorgaan dan hetwelk het besluit heeft genomen.
-3. Onder het instellen van beroep wordt verstaan: het instellen van administratief beroep, dan wel van beroep bij een bestuursrechter.

 

Art. 1:6. [Reikwijdte hoofdstukken 2 t/m 8 en 10] (1.6)  [GeschiedenisVvWMvTversie 1 januari 1998Stb. 1999, 214Stb. 2000, 496Stb. 2001, 194]
De hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van deze wet zijn niet van toepassing op:
a. de opsporing en vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen;
b. de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende maatregelen op grond van de Vreemdelingenwet 2000;
c.
de tenuitvoerlegging van andere vrijheidsbenemende maatregelen in een inrichting die in hoofdzaak bestemd is voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen;
d. besluiten en handelingen ter uitvoering van de Wet militair tuchtrecht;
e. besluiten en handelingen ter uitvoering van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.

 

 

TITEL  1.2

Uitvoering van bindende besluiten van organen van de Europese Gemeenschappen

 

Art. 1:7. [Advies; extern overleg] (1.2.1)  [GeschiedenisStb. 1995, 250versie 1 januari 1998Stb. 2012, 682]
-1. Indien door een bestuursorgaan ingevolge enig wettelijk voorschrift advies moet worden gevraagd of extern overleg moet worden gevoerd inzake een besluit alvorens een zodanig besluit kan worden genomen, geldt dat voorschrift niet indien het voorgenomen besluit uitsluitend strekt tot uitvoering van een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Europese Commissie.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op het horen van de Raad van State.

 

Art. 1:8. [Kennisgeving] (1.2.2)  [GeschiedenisStb. 1995, 250versie 1 januari 1998Stb. 2009, 489Stb. 2012, 682]
-1. Indien door een bestuursorgaan ingevolge enig wettelijk voorschrift van het ontwerp van een besluit kennis moet worden gegeven alvorens een zodanig besluit kan worden genomen, geldt dat voorschrift niet indien het voorgenomen besluit uitsluitend strekt tot uitvoering van een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Europese Commissie.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op de overlegging van het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling aan de Staten-Generaal, indien:
a. bij de wet is bepaald dat door of namens één der kamers der Staten-Generaal of door een aantal leden daarvan de wens te kennen kan worden gegeven dat het onderwerp of de inwerkingtreding van die algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling bij de wet wordt geregeld; of
b. artikel 21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer van toepassing is.

 

Art. 1:9. [Voorstellen van wet] (1.2.3)  [Geschiedenisversie 1 januari 1998]
Deze titel is van overeenkomstige toepassing op voorstellen van wet.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | inhoud Awb | geschiedenis | jurisprudentie | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x