St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

Algemene wet bestuursrecht
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant

 

HOOFDSTUK  3

Algemene bepalingen over besluiten

 

 

 

 
AFDELING  3.1

Inleidende bepalingen

 

Art. 3:1. [Reikwijdte; schakelbepaling] (3.1.1)  [GeschiedenisVvWMvT + bisStb. 1995, 355Stb. 1997, 510versie 1 januari 1998Stb. 2006, 24]
-1. Op besluiten, inhoudende algemeen verbindende voorschriften:
a. is afdeling 3.2 slechts van toepassing, voor zover de aard van de besluiten zich daartegen niet verzet;
b. zijn de afdelingen 3.6 en 3.7 niet van toepassing.
-2. Op andere handelingen van bestuursorganen dan besluiten zijn de afdelingen 3.2 tot en met 3.4 van overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de handelingen zich daartegen niet verzet.
 
 

 

AFDELING  3.2

Zorgvuldigheid en belangenafweging

 

Art. 3:2. [Zorgvuldige voorbereiding] (3.2.1)  [GeschiedenisVvWMvT + bis + bisversie 1 januari 1998]      [JurisprudentieLJN AA3508AA3716AA3943AA4623AA5668AA6465AA6936AA7064AA7188AA8538AB0237AB2206AB2260AB2279AB2280AD3845AD7844AE3268AE3723AE3724AE4069AE4236AE6817AP1140AT0206]
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

 

Art. 3:3. [Verbod van détournement de pouvoir] (3.2.2)  [GeschiedenisVvWMvT + bis + bisversie 1 januari 1998]
Het bestuursorgaan gebruikt de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.

 

Art. 3:4. [Belangenafweging; evenredigheid] (3.2.3)  [GeschiedenisVvWMvT + bis + bisversie 1 januari 1998]      [JurisprudentieLJN AA6465AB2279AB2280AE3732AE4538]
-1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
-2. De voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

 

 

AFDELING  3.3

Advisering

 

Art. 3:5. [Begrip adviseur] (3.3.1)  [GeschiedenisVvWMvT + bis + bisStb. 1995, 355versie 1 januari 1998]
-1. In deze afdeling wordt verstaan onder adviseur: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan.
-2. Deze afdeling is niet van toepassing op het horen van de Raad van State.

 

Art. 3:6. [Adviestermijn] (3.3.2)  [GeschiedenisVvWMvT + bis + bisStb. 1995, 355versie 1 januari 1998]
-1. Indien aan de adviseur niet reeds bij wettelijk voorschrift een termijn is gesteld, kan het bestuursorgaan aangeven binnen welke termijn een advies wordt verwacht. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn dat de adviseur zijn taak niet naar behoren kan vervullen.
-2. Indien het advies niet tijdig wordt uitgebracht, staat het enkele ontbreken daarvan niet in de weg aan het nemen van het besluit.

 

Art. 3:7. [Beschikbaarstelling gegevens] (3.3.3)  [GeschiedenisVvWMvT + bis + bisversie 1 januari 1998]
-1. Het bestuursorgaan waaraan advies wordt uitgebracht, stelt aan de adviseur, al dan niet op verzoek, de gegevens ter beschikking die nodig zijn voor een goede vervulling van diens taak.
-2. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 3:8. [Vermelding adviseur] (3.3.4)  [GeschiedenisVvWMvT + bis + bisversie 1 januari 1998]
In of bij het besluit wordt de adviseur vermeld die advies heeft uitgebracht.

 

Art. 3:9. [Controle zorgvuldigheid onderzoek] (3.3.5)  [GeschiedenisVvWMvT + bis + bisversie 1 januari 1998]      [JurisprudentieLJN AP1140]
Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

 

Art. 3:9a. [Voorstellen van wet]  [GeschiedenisStb. 1995, 355versie 1 januari 1998]
Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op voorstellen van wet.

 

 

AFDELING  3.4

Uniforme openbare voorbereidingsprocedure

 

Art. 3:10. [Reikwijdte] (3.4.1)  [GeschiedenisVvWMvT + bis + bisversie 1 januari 1998Stb. 2002, 54Stb. 2005, 282Stb. 2011, 201]
-1. Deze afdeling is van toepassing op de voorbereiding van besluiten indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald.
-2. Tenzij bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan anders is bepaald, is deze afdeling niet van toepassing op de voorbereiding van een besluit inhoudende de afwijzing van een aanvraag tot intrekking of wijziging van een besluit.
-3.
Afdeling 4.1.1 is mede van toepassing op andere besluiten dan beschikkingen indien deze op aanvraag worden genomen en voorbereid overeenkomstig deze afdeling.
-4. Indien deze afdeling van toepassing is op de voorbereiding van een besluit, is paragraaf 4.1.3.3 niet van toepassing.

 

Art. 3:11. [Terinzagelegging] (3.4.2)  [GeschiedenisVvWMvT + bis + bisversie 1 januari 1998Stb. 2002, 54]
-1. Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.
-2. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing. Indien op grond daarvan bepaalde stukken niet ter inzage worden gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan.
-3. Tegen vergoeding van ten hoogste de kosten verstrekt het bestuursorgaan afschrift van de ter inzage gelegde stukken.
-4. De stukken liggen ter inzage gedurende de in artikel 3:16, eerste lid, bedoelde termijn.
 
 

Art. 3:12. [Openbare kennisgeving] (3.4.3)  [GeschiedenisVvWMvT + bis + bisversie 1 januari 1998Stb. 2002, 54]
-1. Voorafgaand aan de terinzagelegging geeft het bestuursorgaan in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp. Volstaan kan worden met het vermelden van de zakelijke inhoud.
-2. Indien het een besluit van een tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan betreft, wordt de kennisgeving in ieder geval in de Staatscourant geplaatst, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
-3. In de kennisgeving wordt vermeld:
a. waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen;
b. wie in de gelegenheid worden gesteld om zienswijzen naar voren te brengen;
c. op welke wijze dit kan geschieden;
d. indien toepassing is gegeven aan artikel 3:18, tweede lid, de termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen.

 

Art. 3:13. [Toezending ontwerp-besluit aan belanghebbenden en aanvrager] (3.4.4)  [GeschiedenisVvWMvT + bis + bisversie 1 januari 1998Stb. 2002, 54]
-1. Indien het besluit tot één of meer belanghebbenden zal zijn gericht, zendt het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerp toe aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
-2. Artikel 3:12, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 3:14. [Nieuwe stukken en gegevens] (3.4A.1.1)  [Geschiedenisversie 1 januari 1998Stb. 2002, 54]
-1. Het bestuursorgaan vult de ter inzage gelegde stukken aan met nieuwe relevante stukken en gegevens.
-2. Artikel 3:11, tweede tot en met vierde lid, is van toepassing.

 

Art. 3:15. [Naar voren brengen van zienswijzen] (3.4A.1.2)  [Geschiedenisversie 1 januari 1998Stb. 1999, 30Stb. 2002, 54]
-1. Belanghebbenden kunnen bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen.
-2. Bij wettelijk voorschrift of door het bestuursorgaan kan worden bepaald dat ook aan anderen de gelegenheid moet worden geboden hun zienswijze naar voren te brengen.
-3. Indien het een besluit op aanvraag betreft, stelt het bestuursorgaan de aanvrager zo nodig in de gelegenheid te reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen.
-4. Indien het een besluit tot wijziging of intrekking van een besluit betreft, stelt het bestuursorgaan degene tot wie het te wijzigen of in te trekken besluit is gericht zo nodig in de gelegenheid te reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen.

 

Art. 3:16. [Termijn naar voren brengen van zienswijzen] (3.4A.2.1)  [Geschiedenisversie 1 januari 1998Stb. 2002, 54Stb. 2012, 682]
-1. De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen en het uitbrengen van adviezen als bedoeld in afdeling 3.3 bedraagt zes weken, tenzij bij wettelijk voorschrift een langere termijn is bepaald.
-2. De termijn vangt aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd.
-3. Op schriftelijk naar voren gebrachte zienswijzen zijn de artikelen 6:9, 6:10 en 6:15 van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 3:17. [Verslag] (3.4A.2.2)  [Geschiedenisversie 1 januari 1998Stb. 2002, 54]
Van hetgeen overeenkomstig artikel 3:15 mondeling naar voren is gebracht, wordt een verslag gemaakt.

 

Art. 3:18. [Beslistermijn] (3.4A.2.3)  [Geschiedenisversie 1 januari 1998Stb. 2002, 54]
-1. Indien het een besluit op aanvraag betreft, neemt het bestuursorgaan het besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag.
-2. Indien de aanvraag een zeer ingewikkeld of omstreden onderwerp betreft, kan het bestuursorgaan, alvorens een ontwerp ter inzage te leggen, binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag de in het eerste lid bedoelde termijn met een redelijke termijn verlengen. Voordat het bestuursorgaan een besluit tot verlenging neemt, stelt het de aanvrager in de gelegenheid zijn zienswijze daarover naar voren te brengen.
-3. In afwijking van het eerste lid neemt het bestuursorgaan het besluit uiterlijk twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerp indien het een besluit betreft:
a. inzake intrekking van een besluit;
b. inzake wijziging van een besluit en de aanvraag is gedaan door een ander dan degene tot wie het te wijzigen besluit is gericht.
-4. Indien geen zienswijzen naar voren zijn gebracht, doet het bestuursorgaan daarvan zo spoedig mogelijk nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken mededeling op de wijze, bedoeld in artikel 3:12, eerste en tweede lid. In afwijking van het eerste of derde lid neemt het bestuursorgaan het besluit in dat geval binnen vier weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken.

 

 

AFDELING 3.5

Samenhangende besluiten

 

§ 3.5.1.  Algemeen

 

Art. 3:19. [Reikwijdte] (3.4A.3.1)  [Geschiedenisversie 1 januari 1998Stb. 2002, 54Stb. 2008, 200]
Deze afdeling is van toepassing op besluiten die nodig zijn om een bepaalde activiteit te mogen verrichten en op besluiten die strekken tot het vaststellen van een financiële aanspraak met het oog op die activiteit.

 

 

§ 3.5.2.  Informatie

 

Art. 3:20. [Informatieverschaffing] (3.4A.3.2)  [Geschiedenisversie 1 januari 1998Stb. 2002, 54Stb. 2008, 200]
-1. Het bestuursorgaan bevordert dat een aanvrager in kennis wordt gesteld van andere op aanvraag te nemen besluiten waarvan het bestuursorgaan redelijkerwijs kan aannemen dat deze nodig zijn voor de door de aanvrager te verrichten activiteit.
-2. Bij de kennisgeving wordt per besluit in ieder geval vermeld:
a. naam en adres van het bestuursorgaan bevoegd tot het nemen van het besluit;
b. krachtens welk wettelijk voorschrift het besluit wordt genomen.

 

   

§ 3.5.3.  Coördinatie van besluitvorming en rechtsbescherming

 

Art. 3:21. [Reikwijdte] (3.4A.3.3)  [Geschiedenisversie 1 januari 1998Stb. 2002, 54Stb. 2008, 200]
-1. Deze paragraaf is van toepassing op besluiten ten aanzien waarvan dit is bepaald:
a. bij wettelijk voorschrift; of
b. bij besluit van de tot het nemen van die besluiten bevoegde bestuursorganen.
-2. Deze paragraaf is niet van toepassing op besluiten als bedoeld in artikel 4:21, tweede lid, of ten aanzien waarvan bij of krachtens wettelijk voorschrift een periode is vastgesteld na afloop waarvan wordt beslist op aanvragen die in die periode zijn ingediend.

 
 

Art. 3:22. [Coördinerend bestuursorgaan] (3.4A.3.4)  [Geschiedenisversie 1 januari 1998Stb. 2002, 54Stb. 2008, 200]
Bij of krachtens het in artikel 3:21, eerste lid, onderdeel a, bedoelde wettelijk voorschrift of bij het in artikel 3:21, eerste lid, onderdeel b, bedoelde besluit wordt één van de betrokken bestuursorganen aangewezen als coördinerend bestuursorgaan.

 

Art. 3:23. [Coördinatie en medewerking] (3.4A.4.1)  [Geschiedenisversie 1 januari 1998Stb. 2002, 54Stb. 2008, 200]
-1. Het coördinerend bestuursorgaan bevordert een doelmatige en samenhangende besluitvorming, waarbij de bestuursorganen bij de beoordeling van de aanvragen in ieder geval rekening houden met de onderlinge samenhang daartussen en tevens letten op de samenhang tussen de te nemen besluiten.
-2. De andere betrokken bestuursorganen verlenen de medewerking die voor het welslagen van een doelmatige en samenhangende besluitvorming nodig is.

 

Art. 3:24. [Indiening aanvragen] (3.4A.4.2)  [Geschiedenisversie 1 januari 1998Stb. 2002, 54Stb. 2008, 200]
-1. De besluiten worden zoveel mogelijk gelijktijdig aangevraagd, met dien verstande dat de laatste aanvraag niet later wordt ingediend dan zes weken na ontvangst van de eerste aanvraag.
-2. De aanvragen worden ingediend bij het coördinerend bestuursorgaan. Het coördinerend bestuursorgaan zendt terstond na ontvangst van de aanvragen een afschrift daarvan aan de bevoegde bestuursorganen.
-3. Indien een aanvraag voor één van de besluiten ontbreekt, stelt het coördinerend bestuursorgaan de aanvrager in de gelegenheid de ontbrekende aanvraag binnen een door het coördinerend bestuursorgaan te bepalen termijn in te dienen. Indien de ontbrekende aanvraag niet tijdig wordt ingediend, is het coördinerend bestuursorgaan bevoegd om deze paragraaf ten aanzien van bepaalde besluiten buiten toepassing te laten. In dat geval wordt voor de toepassing van bij wettelijk voorschrift geregelde termijnen het tijdstip waarop tot het buiten toepassing laten wordt beslist, gelijkgesteld met het tijdstip van ontvangst van de aanvraag.
-4. Bij het in artikel 3:21, eerste lid, onderdeel a, bedoelde wettelijk voorschrift kan worden bepaald dat de aanvraag voor een besluit niet wordt behandeld indien niet tevens de aanvraag voor een ander besluit is ingediend.

 

Art. 3:25. [Aanvang beslistermijn] (3.4A.4.3)  [Geschiedenisversie 1 januari 1998Stb. 2002, 54Stb. 2008, 200]
Onverminderd artikel 3:24, derde en vierde lid, vangt de termijn voor het nemen van de besluiten aan met ingang van de dag waarop de laatste aanvraag is ontvangen.

 

Art. 3:26. [Voorbereiding] (3.4A.4.4)  [Geschiedenisversie 1 januari 1998Stb. 2002, 54Stb. 2008, 200]
-1. Indien op de voorbereiding van één van de besluiten afdeling 3.4 van toepassing is, is die afdeling van toepassing op de voorbereiding van alle besluiten, met inachtneming van het volgende:
a. de ingevolge de artikelen 3:11 en 3:44, eerste lid, onderdeel a, vereiste terinzagelegging geschiedt in ieder geval ten kantore van het coördinerend bestuursorgaan;
b. het coördinerend bestuursorgaan draagt er zorg voor dat de gelegenheid tot het mondeling naar voren brengen van zienswijzen wordt gegeven met betrekking tot de ontwerpen van alle besluiten gezamenlijk;
c. zienswijzen kunnen in ieder geval bij het coördinerend bestuursorgaan naar voren worden gebracht;
d. indien over het ontwerp van één van de besluiten zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder, geldt dit eveneens met betrekking tot de ontwerpen van de andere besluiten;
e. de ingevolge die afdeling en afdeling 3.6 vereiste mededelingen, kennisgevingen en toezendingen geschieden door het coördinerend bestuursorgaan;
f. alle besluiten worden genomen binnen de termijn die geldt voor het besluit met de langste beslistermijn;
g. de dag van terinzagelegging bij het coördinerend bestuursorgaan is bepalend voor de aanvang van de beroepstermijn ingevolge artikel 6:8, vierde lid.
-2. Indien afdeling 3.4 niet van toepassing is, geschiedt de voorbereiding met toepassing of overeenkomstige toepassing van afdeling 4.1.2 en de onderdelen b tot en met f van het eerste lid van dit artikel.

 

Art. 3:27. [Bekendmaking] (3.4A.4.5)  [Geschiedenisversie 1 januari 1998Stb. 2002, 54Stb. 2008, 200]
-1. De bevoegde bestuursorganen zenden de door hen genomen besluiten toe aan het coördinerend bestuursorgaan.
-2. Het coördinerend bestuursorgaan maakt de besluiten gelijktijdig bekend en legt deze gelijktijdig ter inzage.

 

Art. 3:28. [Bezwaar en administratief beroep] (3.4A.5.1)  [Geschiedenisversie 1 januari 1998Stb. 2002, 54Stb. 2008, 200Stb. 2012, 682]
-1. Indien tegen één van de besluiten bezwaar kan worden gemaakt of administratief beroep kan worden ingesteld, geschiedt dit door het indienen van het bezwaar- of beroepschrift bij het coördinerend bestuursorgaan. Het coördinerend bestuursorgaan zendt terstond na ontvangst van het bezwaar- of beroepschrift een afschrift daarvan aan het bevoegde bestuursorgaan.
-2. De bevoegde bestuursorganen zenden de door hen genomen beslissingen op bezwaar of beroep toe aan het coördinerend bestuursorgaan. Het coördinerend bestuursorgaan maakt de beslissingen gelijktijdig bekend en doet de ingevolge artikel 7:12, derde lid, of 7:26, vierde lid, vereiste mededelingen.
-3. Een beslissing op een verzoek in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter als bedoeld in artikel 7:1a, vierde lid, wordt genomen door het coördinerend bestuursorgaan. Onverminderd artikel 7:1a, tweede lid, wijst het coördinerend bestuursorgaan het verzoek in ieder geval af indien tegen één van de andere besluiten een bezwaarschrift is ingediend waarin eenzelfde verzoek ontbreekt.

 

Art. 3:29. [Beroep bij de bestuursrechter] (3.4A.5.2)  [Geschiedenisversie 1 januari 1998Stb. 1999, 30Stb. 2002, 54Stb. 2008, 200Stb. 2011, 4Stb. 2012, 682]
-1. Indien tegen één of meer van de besluiten beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank, staat tegen alle besluiten beroep open bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het coördinerend bestuursorgaan zijn zetel heeft.
-2. Indien tegen alle besluiten beroep kan worden ingesteld bij een andere bestuursrechter dan de rechtbank, staat tegen alle besluiten beroep open bij:
a. de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, indien tegen één of meer van de besluiten bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
b. het College van Beroep voor het bedrijfsleven, indien tegen één of meer van de besluiten beroep kan worden ingesteld bij het College en onderdeel a niet van toepassing is;
c. de Centrale Raad van Beroep, indien tegen één of meer van de besluiten beroep kan worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep en de onderdelen a en b niet van toepassing zijn.
-3. Indien tegen de uitspraak van de rechtbank inzake één of meer besluiten hoger beroep kan worden ingesteld bij:
a. de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, staat inzake alle besluiten hoger beroep open bij de Afdeling;
b. het College van Beroep voor het bedrijfsleven en onderdeel a niet van toepassing is, staat inzake alle besluiten hoger beroep open bij het College;
c. de Centrale Raad van Beroep en de onderdelen a en b niet van toepassing zijn, staat inzake alle besluiten hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
-4. De ingevolge het eerste lid bevoegde rechtbank of de ingevolge het tweede of derde lid bevoegde bestuursrechter kan de behandeling van de beroepen in eerste aanleg dan wel de hoger beroepen verwijzen naar een andere rechtbank onderscheidenlijk een andere bestuursrechter die voor de behandeling ervan meer geschikt wordt geacht. Artikel 8:13, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 3:30. Vervallen. (3.4A.6.1)  [Geschiedenisversie 1 januari 1998Stb. 2002, 54]

 

Art. 3:31. Vervallen. (3.4A.6.2)  [Geschiedenisversie 1 januari 1998Stb. 2002, 54]

 

Art. 3:32. Vervallen. (3.4A.6.3)  [Geschiedenisversie 1 januari 1998Stb. 2002, 54]

 

Art. 3:33. Vervallen. (3.4A.6.4)  [Geschiedenisversie 1 januari 1998Stb. 2002, 54]

 

 

AFDELING  3.6

Bekendmaking en mededeling

 

Art. 3:40. [Inwerkingtreding besluit] (3.5.1)  [GeschiedenisVvWMvT + bis + bisversie 1 januari 1998]      [JurisprudentieLJN AD9031]
Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt.

 

Art. 3:41. [Bekendmaking besluit] (3.5.2)  [GeschiedenisVvWMvT + bis + bisStb. 1996, 333versie 1 januari 1998]      [JurisprudentieLJN AD9031]
-1. De bekendmaking van besluiten die tot één of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
-2. Indien de bekendmaking van het besluit niet kan geschieden op de wijze als voorzien in het eerste lid, geschiedt zij op een andere geschikte wijze.

 

Art. 3:42. [Openbare bekendmaking; terinzagelegging] (3.5.3)  [GeschiedenisVvWMvT + bis + bis;  Stb. 1996, 333versie 1 januari 1998Stb. 2004, 214Stb. 2008, 551]
-1. De bekendmaking van besluiten van een tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan die niet tot één of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door kennisgeving van het besluit of van de zakelijke inhoud ervan in de Staatscourant, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
-2. De bekendmaking van besluiten van een niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan die niet tot één of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door kennisgeving van het besluit of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Elektronische bekendmaking vindt uitsluitend plaats in een van overheidswege uitgegeven blad, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
-3. Indien alleen van de zakelijke inhoud wordt kennisgegeven, wordt het besluit tegelijkertijd ter inzage gelegd. In de kennisgeving wordt vermeld waar en wanneer het besluit ter inzage ligt.

 

Art. 3:43. [Mededelingsplicht] (3.5.4)  [GeschiedenisVvWMvT + bis + bisversie 1 januari 1998Stb. 2002, 54]
-1. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking wordt van het besluit mededeling gedaan aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht. Aan een adviseur als bedoeld in artikel 3:5 wordt in ieder geval mededeling gedaan indien van het advies wordt afgeweken.
-2. Bij de mededeling van een besluit wordt tevens vermeld wanneer en hoe de bekendmaking ervan heeft plaatsgevonden.

 

Art. 3:44. [Mededelen van besluit] (3.5.4a)  [Geschiedenisversie 1 januari 1998Stb. 2002, 54]
-1. Indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4, geschiedt de mededeling, bedoeld in artikel 3:43, eerste lid:
a. met overeenkomstige toepassing van de artikelen 3:11 en 3:12, eerste of tweede lid, en derde lid, onderdeel a, met dien verstande dat de stukken ter inzage liggen totdat de beroepstermijn is verstreken; en
b. door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht.
-2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan het bestuursorgaan:
a. indien de omvang van het besluit daartoe aanleiding geeft, volstaan met een ieder van de daar bedoelde personen de strekking van het besluit mee te delen;
b. indien een zienswijze door meer dan vijf personen naar voren is gebracht bij hetzelfde geschrift, volstaan met toezending van een exemplaar aan de vijf personen wier namen en adressen als eerste in dat geschrift zijn vermeld;
c. indien een zienswijze naar voren is gebracht door meer dan vijf personen bij hetzelfde geschrift en de omvang van het besluit daartoe aanleiding geeft, volstaan met het meedelen aan de vijf personen wier namen en adressen als eerste in dat geschrift zijn vermeld, van de strekking van het besluit;
d. indien toezending zou moeten geschieden aan meer dan 250 personen, die toezending achterwege laten.

 

Art. 3:45. [Vermelding rechtsmiddelen] (3.5.5)  [GeschiedenisVvWMvT + bis + bisVvW2MvT2versie 1 januari 1998]
-1. Indien tegen een besluit bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld, wordt daarvan bij de bekendmaking en bij de mededeling van het besluit melding gemaakt.
-2. Hierbij wordt vermeld door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld.

 

 

AFDELING  3.7

Motivering

 

Art. 3:46. [Deugdelijke motivering] (4.1.4.1) (3.6.1)  [GeschiedenisVvWMvT + bis + bis + bisStb. 1996, 333versie 1 januari 1998]      [JurisprudentieLJN AA3508AA6465AA8538AE4247]
Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

 

Art. 3:47. [Vermelding motivering] (4.1.4.2) (3.6.2)  [GeschiedenisVvWMvT + bis + bis + bisStb. 1996, 333versie 1 januari 1998]
-1. De motivering wordt vermeld bij de bekendmaking van het besluit.
-2. Daarbij wordt zo mogelijk vermeld krachtens welk wettelijk voorschrift het besluit wordt genomen.
-3. Indien de motivering in verband met de vereiste spoed niet aanstonds bij de bekendmaking van het besluit kan worden vermeld, verstrekt het bestuursorgaan deze binnen één week na de bekendmaking.
-4. In dat geval zijn de artikelen 3:41 tot en met 3:43 van overeenkomstige toepassing.

 

Art. 3:48. [Achterwege laten motivering] (4.1.4.4) (3.6.3)  [GeschiedenisVvWMvT + bis + bis + bisStb. 1996, 333versie 1 januari 1998]
-1. De vermelding van de motivering kan achterwege blijven indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
-2. Verzoekt een belanghebbende binnen een redelijke termijn om de motivering, dan wordt deze zo spoedig mogelijk verstrekt.

 

Art. 3:49. [Verwijzing naar advies] (4.1.4.5) (3.6.4)  [GeschiedenisVvWMvT + bis + bis + bisStb. 1996, 333versie 1 januari 1998]
Ter motivering van een besluit of een onderdeel daarvan kan worden volstaan met een verwijzing naar een met het oog daarop uitgebracht advies indien het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven.

 

Art. 3:50. [Afwijking advies] (4.1.4.6) (3.6.5)  [GeschiedenisVvWMvT + bis + bis + bisStb. 1996, 333versie 1 januari 1998]
Indien het bestuursorgaan een besluit neemt dat afwijkt van een met het oog daarop krachtens wettelijk voorschrift uitgebracht advies, wordt zulks met de redenen voor de afwijking in de motivering vermeld.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | inhoud Awb | geschiedenis | jurisprudentie | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x