|
TITEL 4.1
Beschikkingen
AFDELING 4.1.1
De aanvraag
Art. 4:1.
[Indiening aanvraag] (4.1.1.1)
[Geschiedenis:
VvW; MvT
+ bis + bis
+ bis; versie
1 januari 1998]
Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is
bepaald, wordt de aanvraag tot het geven van een beschikking
schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op
de aanvraag te beslissen.
Art. 4:2.
[Vereisten aanvraag] (4.1.1.2)
[Geschiedenis:
VvW; MvT
+ bis + bis
+ bis; versie
1 januari 1998]
-1. De aanvraag wordt ondertekend en bevat ten
minste:
a. de naam en het adres van de
aanvrager;
b. de dagtekening;
c. een aanduiding van de beschikking die
wordt gevraagd.
-2. De aanvrager verschaft voorts de gegevens
en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en
waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
Art. 4:3.
[Weigering vertrouwelijke
gegevens] (4.1.1.3) [Geschiedenis:
VvW; MvT
+ bis + bis
+ bis; versie
1 januari 1998] •
[Jurisprudentie: LJN
AB1309]
-1. De aanvrager kan weigeren gegevens en
bescheiden te verschaffen voor zover het belang daarvan voor de
beslissing van het bestuursorgaan niet opweegt tegen het belang
van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, met inbegrip van de bescherming van medische en psychologische
onderzoeksresultaten, of tegen het belang van de bescherming van
bedrijfs- en fabricagegegevens.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op
bij wettelijk voorschrift aangewezen gegevens en bescheiden
waarvan is bepaald dat deze dienen te worden overgelegd.
Art. 4:3a.
[Ontvangstbevestiging elektronisch
ingediende aanvraag] [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2004, 214]
Het bestuursorgaan bevestigt
de ontvangst van een elektronisch ingediende aanvraag.
Art. 4:4.
[Aanvraagformulier]
(4.1.1.4) [Geschiedenis:
VvW; MvT
+ bis + bis
+ bis; versie
1 januari 1998]
Het bestuursorgaan dat bevoegd is op de
aanvraag te beslissen, kan voor het indienen van aanvragen en het
verstrekken van gegevens een formulier vaststellen, voor zover
daarin niet is voorzien bij wettelijk voorschrift.
Art. 4:5.
[Niet behandelen aanvraag]
(4.1.1.5) [Geschiedenis:
VvW; MvT
+ bis + bis
+ bis; versie
1 januari 1998; Stb. 2004, 214]
•
[Jurisprudentie: LJN
AD3847; AD5103;
AD9662; AF0905]
-1. Het bestuursorgaan kan
besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:
a. de aanvrager niet heeft
voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van
de aanvraag; of
b. de aanvraag geheel of
gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel
2:15; of
c. de verstrekte gegevens en
bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag
of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de
gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan
gestelde termijn aan te vullen.
-2. Indien de aanvraag of één van de daarbij
behorende gegevens of bescheiden in een vreemde taal is gesteld en
een vertaling daarvan voor de beoordeling van de aanvraag of voor
de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de
aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het
bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag met een vertaling aan
te vullen.
-3. Indien de aanvraag of één van de daarbij
behorende gegevens of bescheiden omvangrijk of ingewikkeld is en
een samenvatting voor de beoordeling van de aanvraag of voor de
voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de
aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het
bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag met een samenvatting
aan te vullen.
-4. Een besluit om de aanvraag niet te
behandelen, wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken
nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde
termijn ongebruikt is verstreken.
Art. 4:6.
[Hernieuwde aanvraag bij nova] (4.1.1.7)
[Geschiedenis:
VvW; MvT
+ bis + bis
+ bis; versie
1 januari 1998] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3943;
AA4136; AD5103;
AE3716; AE4494;
AT0123; AT0173]
-1. Indien na een geheel of gedeeltelijk
afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de
aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde
omstandigheden te vermelden.
-2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of
veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan
zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen
onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
AFDELING
4.1.2
De voorbereiding
Art. 4:7.
[Horen aanvrager bij afwijzende beschikking] (4.1.2.1)
[Geschiedenis:
VvW; MvT
+ bis + bis
+ bis; versie
1 januari 1998]
-1. Voordat een bestuursorgaan een aanvraag tot
het geven van een beschikking geheel of gedeeltelijk afwijst,
stelt het de aanvrager in de gelegenheid zijn zienswijze naar
voren te brengen, indien:
a. de afwijzing zou steunen op gegevens
over feiten en belangen die de aanvrager betreffen; en
b. die gegevens afwijken van gegevens
die de aanvrager ter zake zelf heeft verstrekt.
-2. Het eerste lid geldt niet indien sprake is
van een afwijking van de aanvraag die slechts van geringe
betekenis voor de aanvrager kan zijn.
Art. 4:8.
[Horen belanghebbenden] (4.1.2.2)
[Geschiedenis:
VvW; MvT
+ bis + bis
+ bis; versie
1 januari 1998]
-1. Voordat een bestuursorgaan een beschikking
geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft
aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, stelt het die
belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te
brengen, indien:
a. de beschikking zou steunen op
gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen;
en
b. die gegevens niet door de
belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.
-2. Het eerste lid geldt niet indien de
belanghebbende niet heeft voldaan aan een wettelijke verplichting
gegevens te verstrekken.
Art.
4:9.
[Schriftelijke of mondelinge toelichting] (4.1.2.3)
[Geschiedenis:
VvW; MvT
+ bis + bis
+ bis; versie
1 januari 1998]
Bij toepassing van de artikelen 4:7 en 4:8 kan
de belanghebbende naar keuze schriftelijk of mondeling zijn
zienswijze naar voren brengen.
Art.
4:10. Vervallen.
(4.1.2.4) [Geschiedenis:
VvW; MvT
+ bis + bis
+ bis; versie
1 januari 1998; Stb. 2002, 54]
Art. 4:11.
[Achterwege laten horen]
(4.1.2.5) [Geschiedenis:
VvW; MvT
+ bis + bis
+ bis; versie
1 januari 1998; Stb. 2002, 53]
Het bestuursorgaan kan toepassing van de
artikelen 4:7 en 4:8 achterwege laten, voor
zover:
a. de vereiste spoed zich daartegen
verzet;
b. de belanghebbende reeds
eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te
brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden
hebben voorgedaan; of
c. het met de beschikking beoogde doel
slechts kan worden bereikt indien de belanghebbende daarvan niet
reeds tevoren in kennis is gesteld.
Art. 4:12.
[Geen hoorplicht bij
beschikkingen financiële aard] (4.1.2.5a) [Geschiedenis:
VvW; MvT
+ bis + bis
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. Het bestuursorgaan kan toepassing van de
artikelen 4:7 en 4:8 voorts achterwege laten bij een beschikking
die strekt tot het vaststellen van een financiële verplichting of
aanspraak, indien:
a. tegen die beschikking bezwaar kan
worden gemaakt of administratief beroep kan worden ingesteld; en
b. de nadelige gevolgen na bezwaar of
administratief beroep volledig ongedaan kunnen worden gemaakt.
-2. Het eerste lid geldt niet bij een
beschikking die strekt tot:
a. het op grond van artikel 4:35 of met
toepassing van artikel 4:51 weigeren van een subsidie;
b. het op grond van artikel
4:46, tweede
lid, lager vaststellen van een subsidie; of
c. het intrekken of ten nadele van de
ontvanger wijzigen van een subsidieverlening of een
subsidievaststelling.
AFDELING
4.1.3
Beslistermijn
§
4.1.3.1. Beslistermijn
Art. 4:13.
[Beslistermijn] (4.1.3.1) [Geschiedenis:
VvW; MvT
+ bis + bis;
versie
1 januari 1998; Stb. 2002, 53;
Stb. 2009, 383]
-1. Een beschikking dient te worden gegeven
binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het
ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na
ontvangst van de aanvraag.
-2. De in het eerste lid bedoelde redelijke
termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan
binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking
heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel
4:14,
derde lid, heeft gedaan.
Art. 4:14.
[Verlenging beslistermijn] (4.1.3.2)
[Geschiedenis:
VvW; MvT
+ bis + bis;
versie
1 januari 1998; Stb. 2002, 53;
Stb. 2009, 383]
-1. Indien een beschikking
niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn kan
worden gegeven, deelt het bestuursorgaan dit aan de aanvrager mede
en noemt het daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de
beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
-2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien het bestuursorgaan na het verstrijken van de bij
wettelijk voorschrift bepaalde termijn niet langer bevoegd is.
-3. Indien, bij het ontbreken van
een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, een beschikking
niet binnen acht weken kan worden gegeven, deelt het
bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede en
noemt het daarbij een redelijke termijn binnen welke de
beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Art. 4:15.
[Opschorting beslistermijn]
(4.1.3.3) [Geschiedenis:
VvW; MvT
+ bis + bis;
versie
1 januari 1998; Stb. 2009, 384; Stb. 2009, 383]
-1.
De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met
ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan:
a. de aanvrager krachtens artikel
4:5 uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de
aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt
is verstreken; of
b. de aanvrager mededeelt dat
voor de beschikking op de aanvraag redelijkerwijs noodzakelijke
informatie aan een buitenlandse instantie is gevraagd, tot de dag
waarop deze informatie is ontvangen of verder uitstel niet meer
redelijk is.
-2. De termijn voor het geven van een
beschikking wordt voorts opgeschort:
a. gedurende de termijn
waarvoor de aanvrager schriftelijk met uitstel heeft ingestemd;
b. zolang de vertraging aan de
aanvrager kan worden toegerekend; of
c. zolang het bestuursorgaan
door overmacht niet in staat is een beschikking te geven.
-3. In geval van overmacht deelt het
bestuursorgaan zo spoedig mogelijk aan de aanvrager mede dat de
beslistermijn is opgeschort, alsmede binnen welke termijn de
beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
-4. Indien de opschorting eindigt,
doet het bestuursorgaan daarvan in de gevallen, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b, of het tweede lid, onderdeel b
en c, zo spoedig mogelijk mededeling aan de aanvrager,
onder vermelding van de termijn binnen welke de beschikking alsnog
moet worden gegeven.
§
4.1.3.2. Dwangsom bij niet tijdig beslissen
Art. 4:16.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998; Stb. 2009, 383
+ bis]
Art.
4:17. [Verschuldigdheid en hoogte
dwangsom] [Geschiedenis:
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998; Stb. 2009, 383]
-1.
Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven,
verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor
elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De
Algemene
termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
-2.
De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen €|20,00
per dag, de daaropvolgende veertien dagen €|30,00
per dag en de overige dagen €|40,00
per dag.
-3.
De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag
waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor
het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan
van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft
ontvangen.
-4.
Indien de aanvraag elektronisch kon worden gedaan, is artikel
4:3a van overeenkomstige toepassing op de
ingebrekestelling.
-5.
Beroep tegen het niet tijdig geven van de beschikking schort de
dwangsom niet op.
-6.
Geen dwangsom is verschuldigd, indien:
a.
het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld;
b.
de aanvrager geen belanghebbende is; of
c.
de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.
-7.
Indien er meer dan één aanvrager is, is de dwangsom aan ieder
van de aanvragers voor een gelijk deel verschuldigd.
-8.
De in het tweede lid genoemde bedragen kunnen bij algemene
maatregel van bestuur worden gewijzigd voor zover de
consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.
Art.
4:18. [Vaststelling en betaling
dwangsom] [Geschiedenis:
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998; Stb. 2009, 265;
Stb. 2009, 383]
Het bestuursorgaan stelt de
verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vast
binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom
verschuldigd was.
Art.
4:19. [Rechtsmiddelen bijkomende
dwangsombeschikking] [Geschiedenis:
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998; Stb. 2009, 383;
Stb.
2012, 682]
-1.
Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking op de
aanvraag heeft mede betrekking op een beschikking tot vaststelling
van de hoogte van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze
beschikking betwist.
-2. De bestuursrechter kan de
beslissing op het beroep of hoger beroep inzake de beschikking tot
vaststelling van de hoogte van de dwangsom echter verwijzen naar
een ander orgaan indien behandeling door dit orgaan gewenst is.
-3. In beroep of hoger beroep legt de
belanghebbende zo mogelijk een afschrift over van de beschikking
die hij betwist.
-4. Het eerste tot en met het derde
lid zijn van overeenkomstige toepassing op een verzoek om
voorlopige voorziening.
Art.
4:20. [Terugvordering dwangsom] [Geschiedenis:
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998; Stb. 2009, 265;
Stb. 2009, 383]
Het bestuursorgaan kan onverschuldigd betaalde dwangsommen
terugvorderen voor zover na de dag waarop de beschikking, bedoeld
in artikel 4:18, is vastgesteld
nog geen vijf jaren zijn verstreken.
§
4.1.3. 3.
Positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen
Art.
4:20a. [Reikwijdte] [Geschiedenis:
MvT; Stb. 2009, 503]
-1. Deze paragraaf is van toepassing
indien dit bij wettelijk voorschrift is bepaald.
-2. Paragraaf
4.1.3.2 is niet van toepassing indien deze paragraaf van
toepassing is.
Art.
4:20b. [Beschikking van rechtswege]
[Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 503]
-1. Indien niet tijdig op de aanvraag
tot het geven van een beschikking is beslist, is de gevraagde
beschikking van rechtswege gegeven.
-2. De verlening van rechtswege geldt
als een beschikking.
-3. In afwijking van artikel
3:40 treedt de beschikking in werking op de derde dag na
afloop van de beslistermijn.
Art.
4:20c. [Bekendmaking beschikking van
rechtswege] [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 503]
-1. Het bestuursorgaan maakt de
beschikking bekend binnen twee weken nadat zij van rechtswege is
gegeven.
-2. Bij de bekendmaking en mededeling
van de beschikking wordt vermeld dat de beschikking van rechtswege
is gegeven.
Art.
4:20d. [Dwangsom bij niet-tijdige
bekendmaking] [Geschiedenis:
MvT; Stb. 2009, 503;
Stb.
2012, 682]
-1. Indien het bestuursorgaan de
beschikking niet overeenkomstig artikel 4:20c
binnen twee weken heeft bekendgemaakt, verbeurt het na een
daaropvolgende ingebrekestelling door de aanvrager een dwangsom
vanaf de dag dat twee weken zijn verstreken sinds die
ingebrekestelling.
-2. De dwangsom wordt berekend
overeenkomstig artikel 4:17, eerste en tweede
lid.
-3. De artikelen 4:17,
vierde lid, en zesde lid, onderdeel a en b, en 4:18 tot en met
4:20 zijn van overeenkomstige toepassing.
Art.
4:20e. [Voorschriften beschikking van
rechtswege] [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 503]
Indien in een wettelijk voorschrift of een beleidsregel is bepaald
dat in een beschikking steeds bepaalde voorschriften worden
opgenomen, dan maken deze ook deel uit van de beschikking van
rechtswege.
Art.
4:20f. [Wijziging of intrekking
beschikking van rechtswege] [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 503]
-1. Het bestuursorgaan kan aan de
beschikking van rechtswege alsnog voorschriften verbinden of de
beschikking intrekken voor zover dit nodig is om ernstige gevolgen
voor het algemeen belang te voorkomen.
-2. Een beschikking als bedoeld in
het eerste lid kan slechts worden genomen binnen zes weken na de
bekendmaking van de beschikking van rechtswege.
-3. Het bestuursorgaan vergoedt de
schade die door de wijziging of intrekking, bedoeld in het eerste
lid, wordt veroorzaakt.
TITEL
4.2
Subsidies
AFDELING 4.2.1
Inleidende bepalingen
Art. 4:21.
[Begrip
subsidie] (4.2.1.1) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998; Stb.
2005, 37; Stb.
2006, 644]
-1. Onder subsidie wordt verstaan: de aanspraak
op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met
het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als
betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of
diensten.
-2. Deze titel is niet van
toepassing op aanspraken of verplichtingen die voortvloeien uit een
wettelijk voorschrift inzake:
a. belastingen;
b. de heffing van een premie
dan wel een premievervangende belasting ingevolge de Wet
financiering sociale verzekeringen; of
c. de heffing van een
inkomensafhankelijke bijdrage dan wel een bijdragevervangende
belasting ingevolge de Zorgverzekeringswet.
-3. Deze titel is niet van toepassing op de
aanspraak op financiële middelen die worden verstrekt op grond
van een wettelijk voorschrift dat uitsluitend voorziet in
verstrekking aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn
ingesteld.
-4. Deze titel is van overeenkomstige
toepassing op de bekostiging van het onderwijs en onderzoek.
Art. 4:22.
[Subsidieplafond] (4.2.1.2) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
Onder subsidieplafond wordt verstaan: het
bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar
is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald
wettelijk voorschrift.
Art. 4:23.
[Grondslag subsidie] (4.2.1.3)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333 + bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
-1. Een bestuursorgaan verstrekt slechts
subsidie op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor
welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt.
-2. Indien een zodanig wettelijk voorschrift is
opgenomen in een niet op een wet berustende algemene maatregel van
bestuur, vervalt dat voorschrift vier jaren nadat het in werking
is getreden, tenzij vóór dat tijdstip een voorstel van wet bij de
Staten-Generaal is ingediend waarin de subsidie wordt geregeld.
-3. Het eerste lid is niet van toepassing:
a. in afwachting van de totstandkoming van
een wettelijk voorschrift gedurende ten hoogste één jaar of totdat
een binnen dat jaar bij de Staten-Generaal ingediend wetsvoorstel
is verworpen of tot wet is verheven en in werking is getreden;
b. indien de subsidie rechtstreeks op
grond van een door de Raad van de Europese Unie, het Europees
Parlement en de Raad gezamenlijk of de
Europese Commissie vastgesteld programma wordt verstrekt;
c. indien de begroting de
subsidieontvanger en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste
kan worden vastgesteld, vermeldt; of
d. in incidentele gevallen, mits de
subsidie voor ten hoogste vier jaren wordt verstrekt.
-4. Het bestuursorgaan publiceert jaarlijks een
verslag van de verstrekking van subsidies met toepassing van het
derde lid, onderdeel a en d.
Art. 4:24.
[Verslag] (4.2.1.4) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
Indien een subsidie op een wettelijk
voorschrift berust, wordt ten minste eenmaal in de vijf jaren een
verslag gepubliceerd over de doeltreffendheid en de effecten van
de subsidie in de praktijk, tenzij bij wettelijk voorschrift
anders is bepaald.
AFDELING
4.2.2
Het subsidieplafond
Art. 4:25.
[Weigering subsidie] (4.2.2.1)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. Een subsidieplafond kan slechts bij of
krachtens wettelijk voorschrift worden vastgesteld.
-2. Een subsidie wordt geweigerd voor zover
door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden
overschreden.
-3. Indien niet tijdig, dan wel in bezwaar of
beroep of ter uitvoering van een rechterlijke uitspraak omtrent
verstrekking wordt beslist, geldt de verplichting van het tweede
lid slechts voor zover zij ook gold op het tijdstip waarop de beslissing in
eerste aanleg werd genomen of had moeten worden
genomen.
Art. 4:26.
[Verdeling subsidie] (4.2.2.2)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. Bij of krachtens wettelijk voorschrift
wordt bepaald hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld.
-2. Bij de bekendmaking van het subsidieplafond
wordt de wijze van verdeling vermeld.
Art. 4:27.
[Bekendmaking subsidieplafond] (4.2.2.4)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. Het subsidieplafond wordt bekendgemaakt vóór de aanvang van het tijdvak waarvoor het is vastgesteld.
-2. Indien het subsidieplafond of een verlaging
daarvan later wordt bekendgemaakt, heeft deze bekendmaking geen
gevolgen voor voordien ingediende aanvragen.
Art. 4:28.
[Afwijking artikel 4:27, tweede lid]
(4.2.2.5) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
Artikel 4:27, tweede lid, is niet van
toepassing, indien:
a. de aanvragen voor het tijdvak
waarvoor het subsidieplafond is vastgesteld ingevolge wettelijk
voorschrift moeten worden ingediend op een tijdstip waarop de
begroting nog niet is vastgesteld of goedgekeurd;
b. het een verlaging betreft die
voortvloeit uit de vaststelling of goedkeuring van de begroting; en
c. bij de bekendmaking van het
subsidieplafond is gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de
gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen.
AFDELING
4.2.3
De subsidieverlening
Art. 4:29.
[Subsidieverlening vóór
vaststelling] (4.2.3.1) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is
bepaald, kan voorafgaand aan een subsidievaststelling een
beschikking omtrent subsidieverlening worden gegeven indien een
aanvraag daartoe is ingediend vóór de afloop van de activiteit of
het tijdvak waarvoor de subsidie wordt gevraagd.
Art. 4:30.
[Vereisten beschikking] (4.2.3.2)
[Geschiedenis:
MvT;
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. De beschikking tot subsidieverlening bevat
een omschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt
verleend.
-2. De omschrijving kan later worden
uitgewerkt, voor zover de beschikking tot subsidieverlening dit
vermeldt.
Art. 4:31.
[Vermelding subsidiebedrag] (4.2.3.3)
[Geschiedenis:
MvT;
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. De beschikking tot subsidieverlening
vermeldt het bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit
bedrag wordt bepaald.
-2. Indien de beschikking tot subsidieverlening
het bedrag van de subsidie niet vermeldt, vermeldt zij het bedrag
waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, tenzij bij
wettelijk voorschrift anders is bepaald.
Art. 4:32.
[Vermelding tijdvak] (4.2.3.4)
[Geschiedenis:
MvT;
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
Een subsidie in de vorm van een periodieke
aanspraak op financiële middelen wordt verleend voor een bepaald
tijdvak, dat in de beschikking tot subsidieverlening wordt
vermeld.
Art. 4:33.
[Voorwaarden] (4.2.3.5) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
Een subsidie kan niet worden verleend onder de
voorwaarde dat uitsluitend het bestuursorgaan of uitsluitend de
subsidieontvanger een bepaalde handeling verricht, tenzij het
betreft de voorwaarde dat:
a. de subsidieontvanger medewerkt aan
de totstandkoming van een overeenkomst ter uitvoering van de
beschikking tot subsidieverlening; of
b. de subsidieontvanger aantoont dat
een gebeurtenis, niet zijnde een handeling van het bestuursorgaan
of van de subsidieontvanger, heeft plaatsgevonden.
Art. 4:34.
[Begrotingsvoorwaarde] (4.2.3.6)
[Geschiedenis:
MvT;
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. Voor zover een subsidie wordt verleend ten
laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of
goedgekeurd, kan zij worden verleend onder de voorwaarde dat
voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.
-2. De voorwaarde kan niet worden
gesteld voor
zover zulks voortvloeit uit het wettelijk voorschrift waarop de
subsidie berust.
-3. De voorwaarde vervalt indien het
bestuursorgaan daarop niet binnen vier weken na de vaststelling of
goedkeuring van de begroting een beroep heeft gedaan.
-4. Het beroep op de voorwaarde geschiedt bij
een subsidie voor een activiteit die door het bestuursorgaan ook
in het voorafgaande begrotingsjaar werd gesubsidieerd door een intrekking wegens veranderde omstandigheden overeenkomstig
artikel 4:50.
-5. In andere gevallen geschiedt het beroep op
de voorwaarde door een intrekking overeenkomstig artikel
4:48, eerste lid.
Art. 4:35.
[Weigering subsidie] (4.2.3.7)
[Geschiedenis:
MvT;
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998; Stb. 1998, 448;
Stb. 2002, 53]
-1. De subsidieverlening kan in ieder geval
worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen
dat:
a. de activiteiten niet of niet geheel
zullen plaatsvinden;
b. de aanvrager niet zal voldoen aan de
aan de subsidie verbonden verplichtingen;
c. de aanvrager niet op een behoorlijke
wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte
activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor
zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.
-2. De subsidieverlening kan voorts in ieder
geval worden geweigerd, indien de aanvrager:
a. in het kader van de aanvraag onjuiste
of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van
deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou
hebben geleid; of
b. failliet is verklaard of aan hem
surseance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank
is
ingediend.
Art. 4:36.
[Subsidieovereenkomst] (4.2.3.8)
[Geschiedenis:
MvT;
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. Ter uitvoering van de beschikking tot
subsidieverlening kan een overeenkomst worden gesloten.
-2. Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is
bepaald of de aard van de subsidie zich daartegen verzet, kan in
de overeenkomst worden bepaald dat de subsidieontvanger verplicht
is de activiteiten te verrichten waarvoor de subsidie is verleend.
AFDELING
4.2.4
Verplichtingen van de
subsidieontvanger
Art. 4:37.
[Verplichtingen subsidieontvanger]
(4.2.4.0) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333;
Stb.
1997, 510; versie
1 januari 1998]
-1. Het bestuursorgaan kan de subsidieontvanger verplichtingen opleggen met betrekking tot:
a. aard en omvang van de activiteiten
waarvoor subsidie wordt verleend;
b. de administratie van aan de
activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten;
c. het vóór de subsidievaststelling
verstrekken van gegevens en bescheiden die nodig zijn voor een
beslissing omtrent de subsidie;
d. de te verzekeren risico's;
e. het stellen van zekerheid voor
verleende voorschotten;
f. het afleggen van rekening en
verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan
verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de
vaststelling van de subsidie van belang zijn;
g. het beperken of wegnemen van de
nadelige gevolgen van de subsidie voor derden;
h. het uitoefenen van controle door een
accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek op het door het bestuursorgaan gevoerde
financiële beheer en de financiële verantwoording daarover.
-2. Indien een verplichting als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel c, wordt opgelegd, zijn de artikelen
4:3 en 4:4 van overeenkomstige toepassing.
Art. 4:38.
[Andere verplichtingen] (4.2.4.1)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. Het bestuursorgaan kan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen opleggen die strekken
tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.
-2. Indien de subsidie op een wettelijk
voorschrift berust, worden de verplichtingen opgelegd bij
wettelijk voorschrift of krachtens wettelijk voorschrift bij de
subsidieverlening.
-3. Indien de subsidie niet op een wettelijk
voorschrift berust, kunnen de verplichtingen worden opgelegd bij
de subsidieverlening.
Art. 4:39.
[Verplichtingen bij wettelijk
voorschrift] (4.2.4.1a) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. Verplichtingen die niet strekken tot
verwezenlijking van het doel van de subsidie kunnen slechts aan de
subsidie worden verbonden voor zover dit bij wettelijk voorschrift
is bepaald.
-2. Verplichtingen als bedoeld in het eerste
lid kunnen slechts betrekking hebben op de wijze waarop of de
middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht.
Art. 4:40.
[Uitwerking verplichtingen] (4.2.4.3)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
De verplichtingen kunnen na de
subsidieverlening worden uitgewerkt, voor zover de beschikking tot
subsidieverlening dit vermeldt.
Art. 4:41.
[Vergoeding bij vermogensvorming] (4.2.4.4)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. In de gevallen, genoemd in het tweede lid,
is de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de
subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een
vergoeding verschuldigd aan het bestuursorgaan, mits:
a. dit bij wettelijk voorschrift of,
indien de subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust, bij
de subsidieverlening is bepaald; en
b. daarbij is aangegeven hoe de hoogte
van de vergoeding wordt bepaald.
-2. De vergoeding is slechts verschuldigd,
indien:
a. de subsidieontvanger voor de
gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen
vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan wijzigt;
b. de subsidieontvanger een
schadevergoeding ontvangt voor verlies of beschadiging van voor de
gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen;
c. de gesubsidieerde activiteiten geheel
of gedeeltelijk worden beëindigd;
d. de subsidieverlening of de
subsidievaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt
beëindigd; of
e. de rechtspersoon die de subsidie
ontving, wordt ontbonden.
-3. De vergoeding wordt vastgesteld binnen
één
jaar nadat het bestuursorgaan op de hoogte is gekomen of kon
zijn van de gebeurtenis die het recht op vergoeding deed ontstaan,
doch in ieder geval binnen vijf jaren na de bekendmaking van de
laatste beschikking tot subsidievaststelling.
AFDELING
4.2.5
De subsidievaststelling
Art. 4:42.
[Beschikking subsidievaststelling]
(4.2.5.1) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
De beschikking tot subsidievaststelling stelt
het bedrag van de subsidie vast en geeft aanspraak op betaling van
het vastgestelde bedrag overeenkomstig afdeling
4.2.7.
Art. 4:43.
[Aanduiding activiteiten] (4.2.5.2)
[Geschiedenis:
MvT;
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. Indien geen beschikking tot
subsidieverlening is gegeven, bevat de beschikking tot
subsidievaststelling een aanduiding van de activiteiten waarvoor
subsidie wordt verstrekt.
-2. De artikelen
4:32, 4:35, tweede lid, 4:38
en 4:39 zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 4:44.
[Aanvraag tot vaststelling |
Ambtshalve vaststelling] (4.2.5.3) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. Indien een beschikking tot
subsidieverlening is gegeven, dient de subsidieontvanger na
afloop van de activiteiten of het tijdvak waarvoor de subsidie is
verleend een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in, tenzij:
a. de subsidie met toepassing van
artikel 4:47, onderdeel a, ambtshalve wordt vastgesteld;
b. bij wettelijk voorschrift of bij de
subsidieverlening is bepaald dat de aanvraag wordt ingediend
telkens na afloop van een gedeelte van het tijdvak waarvoor de
subsidie is verleend; of
c. de vaststelling van de subsidie bij
een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36, eerste lid, anders
is geregeld.
-2. Indien bij wettelijk voorschrift geen
termijn is bepaald, wordt de aanvraag tot vaststelling ingediend
binnen een bij de subsidieverlening te bepalen termijn.
-3. Indien voor de indiening van de aanvraag
tot vaststelling geen termijn is bepaald of de aanvraag na afloop
van de daarvoor bepaalde termijn niet is ingediend, kan het
bestuursorgaan de subsidieontvanger een termijn stellen binnen
welke de aanvraag moet zijn ingediend.
-4. Indien na afloop van deze termijn geen
aanvraag is ingediend, kan de subsidie ambtshalve worden
vastgesteld.
Art. 4:45.
[Rekening en verantwoording] (4.2.5.4)
[Geschiedenis:
MvT;
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. Bij de aanvraag tot subsidievaststelling
toont de aanvrager aan dat de activiteiten hebben plaatsgevonden
overeenkomstig de aan de subsidie verbonden verplichtingen, tenzij
de subsidie vóór de aanvang van de activiteiten wordt vastgesteld.
-2. Bij de aanvraag tot subsidievaststelling
legt de aanvrager rekening en verantwoording af omtrent de aan de
activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor
de vaststelling van de subsidie van belang zijn.
Art. 4:46.
[Vaststelling subsidie] (4.2.5.5)
[Geschiedenis:
MvT;
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. Indien een beschikking tot
subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de
subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.
-2. De subsidie kan lager worden vastgesteld,
indien:
a. de activiteiten waarvoor subsidie is
verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;
b. de subsidieontvanger niet heeft
voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;
c. de subsidieontvanger onjuiste of
onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste
of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag
tot subsidieverlening zou hebben geleid; of
d. de subsidieverlening anderszins
onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te
weten.
-3. Voor zover het bedrag van de subsidie
afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten
waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die in redelijkheid
niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de vaststelling
van de subsidie niet in aanmerking genomen.
Art. 4:47.
[Ambtshalve subsidievaststelling] (4.2.5.6)
[Geschiedenis:
MvT;
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
Het bestuursorgaan kan de subsidie geheel of
gedeeltelijk ambtshalve vaststellen, indien:
a. bij wettelijk voorschrift of bij de
subsidieverlening een termijn is bepaald binnen welke de subsidie
ambtshalve wordt vastgesteld;
b. toepassing wordt gegeven aan
artikel 4:44, vierde lid; of
c. de beschikking tot subsidieverlening
of de beschikking tot subsidievaststelling wordt ingetrokken of
ten nadele van de ontvanger wordt gewijzigd.
AFDELING
4.2.6
Intrekking en wijziging
Art. 4:48.
[Intrekking of wijziging
subsidieverlening] (4.2.6.1) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. Zolang de subsidie niet is vastgesteld, kan
het bestuursorgaan de subsidieverlening intrekken of ten nadele
van de subsidieontvanger wijzigen, indien:
a. de activiteiten waarvoor subsidie is
verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen
plaatsvinden;
b. de subsidieontvanger niet heeft
voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;
c. de subsidieontvanger onjuiste of
onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste
of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag
tot subsidieverlening zou hebben geleid;
d. de subsidieverlening anderszins
onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te
weten; of
e. met toepassing van artikel
4:34,
vijfde lid, een beroep wordt gedaan op de voorwaarde dat voldoende
gelden ter beschikking worden gesteld.
-2. De intrekking of wijziging werkt terug tot
en met het tijdstip waarop de subsidie is verleend, tenzij bij de
intrekking of wijziging anders is bepaald.
Art. 4:49.
[Intrekking of wijziging
subsidievaststelling] (4.2.6.2) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. Het bestuursorgaan kan de
subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger
wijzigen:
a. op grond van feiten of omstandigheden
waarvan het bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de
hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld;
b. indien de subsidievaststelling
onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te
weten; of
c. indien de
subsidieontvanger na de
subsidievaststelling niet heeft voldaan aan de aan de subsidie
verbonden verplichtingen.
-2. De intrekking of wijziging werkt terug tot
en met het tijdstip waarop de subsidie is vastgesteld, tenzij bij
de intrekking of wijziging anders is bepaald.
-3. De subsidievaststelling kan niet meer
worden ingetrokken of ten nadele van de ontvanger worden
gewijzigd indien vijf jaren zijn verstreken sedert de dag waarop
zij is bekendgemaakt dan wel, in het geval, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel c, sedert de dag waarop de handeling
in strijd met de verplichting is verricht of de dag waarop aan de
verplichting had moeten zijn voldaan.
Art. 4:50.
[Intrekking of wijziging
subsidieverlening | Vergoeding schade] (4.2.6.3) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. Zolang de subsidie niet is vastgesteld, kan
het bestuursorgaan de subsidieverlening met inachtneming van een
redelijke termijn intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger
wijzigen:
a. voor zover de subsidieverlening
onjuist is;
b. voor zover veranderde omstandigheden
of gewijzigde inzichten zich in overwegende mate tegen
voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie
verzetten; of
c. in andere bij wettelijk voorschrift
geregelde gevallen.
-2. Bij intrekking of wijziging op grond van
het eerste lid, onderdeel a of b, vergoedt het
bestuursorgaan de schade die de subsidieontvanger lijdt doordat
hij in vertrouwen op de subsidie anders heeft gehandeld dan hij
zonder subsidie zou hebben gedaan.
Art. 4:51.
[Weigering voortzetting subsidie] (4.2.6.4)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. Indien aan een subsidieontvanger voor drie
of meer achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt voor
dezelfde of in hoofdzaak dezelfde voortdurende activiteiten,
geschiedt gehele of gedeeltelijke weigering van de subsidie voor
een daarop aansluitend tijdvak op de grond dat veranderde
omstandigheden of gewijzigde inzichten zich tegen voortzetting of
ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten, slechts met
inachtneming van een redelijke termijn.
-2. Voor zover aan het einde van het tijdvak
waarvoor subsidie is verleend sedert de bekendmaking van het
voornemen tot weigering voor een daarop aansluitend tijdvak nog
geen redelijke termijn is verstreken, wordt de subsidie voor het
resterende deel van die termijn verleend, zo nodig in afwijking
van artikel 4:25, tweede lid.
AFDELING
4.2.7
Betaling en terugvordering
Art. 4:52.
[Betaling subsidie] (4.2.7.1) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998; Stb. 2009, 264]
-1.
Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de subsidievaststelling
betaald.
-2. Indien de subsidie niet op een
wettelijk voorschrift berust, kan bij de subsidieverlening, of,
indien geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven, bij de
subsidievaststelling, een van artikel 4:87,
eerste lid, afwijkende termijn voor de betaling van het
subsidiebedrag worden vastgesteld.
Art. 4:53.
[Betaling in gedeelten] (4.2.7.2)
[Geschiedenis:
MvT;
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. Het subsidiebedrag kan in gedeelten worden
betaald, mits bij wettelijk voorschrift is bepaald hoe de
gedeelten worden berekend en op welke tijdstippen zij worden
betaald.
-2. Indien de subsidie niet op een wettelijk
voorschrift berust, kan het subsidiebedrag in gedeelten worden
betaald, mits bij de subsidieverlening, of indien geen beschikking
tot subsidieverlening is gegeven, bij de subsidievaststelling, is
bepaald hoe de gedeelten worden berekend en op welke tijdstippen
zij worden betaald.
Art. 4:54.
Vervallen. (4.2.7.3) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998; Stb. 2009, 264]
Art. 4:55.
Vervallen. (4.2.7.4) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998; Stb. 1999, 30;
Stb. 2009, 264]
Art. 4:56.
[Opschorting betaling] (4.2.7.5)
[Geschiedenis:
MvT;
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
De verplichting tot betaling van een
subsidiebedrag of een voorschot wordt opgeschort met ingang van de
dag waarop het bestuursorgaan aan de subsidieontvanger
schriftelijk kennisgeeft van het ernstige vermoeden dat er grond
bestaat om toepassing te geven aan artikel 4:48 of
4:49, tot en
met de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking of
wijziging is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de kennisgeving
van het ernstige vermoeden dertien weken zijn verstreken.
Art. 4:57.
[Terugvordering] (4.2.7.6) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998; Stb. 2009, 264]
-1.
Het bestuursorgaan kan onverschuldigd betaalde subsidiebedragen
terugvorderen.
-2. Het bestuursorgaan kan het terug
te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen.
-3. Het bestuursorgaan kan het terug
te vorderen bedrag verrekenen met een aan dezelfde
subsidieontvanger voor dezelfde activiteiten verstrekte subsidie
voor een ander tijdvak.
-4. Terugvordering van een
subsidiebedrag of een voorschot vindt niet plaats voor zover na de
dag waarop de subsidie is vastgesteld, dan wel de handeling,
bedoeld in artikel 4:49, eerste lid, onderdeel
c, heeft plaatsgevonden, vijf jaren zijn verstreken.
AFDELING
4.2.8
Per boekjaar verstrekte subsidies aan
rechtspersonen
§ 4.2.8.1. Inleidende bepalingen
Art. 4:58.
[Subsidies per boekjaar] (4.2.8.1.1)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. Deze afdeling is van toepassing op per
boekjaar verstrekte subsidies indien dat bij wettelijk
voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur kan
worden bepaald dat deze afdeling van toepassing is op daarbij
aangewezen subsidies.
Art. 4:59.
[Aanwijzing toezichthouder] (4.2.8.1.2)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. Het bestuursorgaan dat met toepassing van
deze afdeling een subsidie verleent, kan één of meer
toezichthouders aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de
naleving van de aan de ontvanger van die subsidie opgelegde
verplichtingen.
-2. De toezichthouder beschikt niet over de
bevoegdheden, vermeld in de artikelen 5:18 en
5:19.
§ 4.2.8.2.
De aanvraag
Art. 4:60.
[Indiening subsidieaanvraag] (4.2.8.2.1)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is
bepaald, wordt de aanvraag van de subsidie uiterlijk dertien weken
vóór de aanvang van het boekjaar ingediend.
Art. 4:61.
[Vereisten aanvraag] (4.2.8.2.2)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. De aanvraag van de subsidie gaat in ieder
geval vergezeld van:
a. een activiteitenplan, tenzij
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte is;
en
b. een begroting, tenzij deze voor de
berekening van het bedrag van de subsidie niet van belang is.
-2. Indien de aanvrager beschikt over een
egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4:72, vermeldt de
aanvraag de omvang daarvan.
Art. 4:62.
[Activiteitenplan] (4.2.8.2.3)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
Het activiteitenplan behelst een overzicht van
de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd en de daarmee
nagestreefde doelstellingen en vermeldt per activiteit de daarvoor
benodigde personele en materiële middelen.
Art. 4:63.
[Begroting] (4.2.8.2.4) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. De begroting behelst een overzicht van de
voor het boekjaar geraamde inkomsten en uitgaven van de aanvrager,
voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.
-2. De begrotingsposten worden ieder
afzonderlijk van een toelichting voorzien.
-3. Tenzij voor de activiteiten waarop de
aanvraag betrekking heeft nog niet eerder subsidie werd verstrekt,
behelst de begroting een vergelijking met de begroting van
het lopende boekjaar en de gerealiseerde inkomsten en uitgaven van
het jaar voorafgaand aan het lopende boekjaar.
Art. 4:64.
[Overige vereisten aanvraag] (4.2.8.2.5)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. Tenzij de aanvraag wordt ingediend door een krachtens
publiekrecht ingestelde rechtspersoon, gaat deze,
indien voor het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar geen
subsidie werd aangevraagd, voorts vergezeld van:
a. een afschrift van de oprichtingsakte
van de rechtspersoon dan wel van de statuten zoals deze
laatstelijk zijn gewijzigd; en
b. de laatst opgemaakte jaarrekening als
bedoeld in artikel 361 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek,
dan
wel de balans en de staat van baten en lasten en de toelichting
daarop of, indien deze bescheiden ontbreken, een verslag over de
financiële positie van de aanvrager op het moment van de
aanvraag.
-2. De in het eerste lid, onderdeel
b,
bedoelde bescheiden dan wel het verslag over de financiële
positie zijn voorzien van een van een accountant als bedoeld in
artikel 393, eerste lid, van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek afkomstige
schriftelijke verklaring omtrent de getrouwheid onderscheidenlijk
een mededeling, inhoudende dat van onjuistheden niet is gebleken.
-3. Bij wettelijk voorschrift of bij besluit
van het bestuursorgaan kan vrijstelling of ontheffing worden
verleend van het in het tweede lid bepaalde.
Art. 4:65.
[Meerdere subsidieaanvragen] (4.2.8.2.6)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
Voor zover de aanvrager voor dezelfde begrote
uitgaven tevens subsidie heeft aangevraagd bij één of meer andere
bestuursorganen, doet hij daarvan mededeling in de aanvraag, onder
vermelding van de stand van zaken met betrekking tot de
beoordeling van die aanvraag of aanvragen.
§ 4.2.8.3.
De subsidieverlening
Art. 4:66.
[Verlening aan rechtspersoon] (4.2.8.3.1)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
De subsidie wordt slechts verleend aan een
rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid.
Art. 4:67.
[Subsidieverlening per boekjaar |
Gegevensverstrekking] (4.2.8.3.2) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. De subsidie wordt voor één boekjaar of voor
een bepaald aantal boekjaren verleend.
-2. Indien de subsidie voor twee of meer
boekjaren wordt verleend, wordt aan de subsidie de verplichting
verbonden tot het periodiek aan het bestuursorgaan verstrekken van
de gegevens die voor de vaststelling van de subsidie van belang
zijn.
-3. De beschikking tot subsidieverlening
vermeldt welke gegevens de subsidieontvanger krachtens het tweede
lid moet verstrekken, alsmede op welke tijdstippen de gegevens
moeten worden verstrekt.
§ 4.2.8.4.
Verplichtingen van de subsidieontvanger
Art. 4:68.
[Boekjaar] (4.2.8.4.1) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
Tenzij bij wettelijk voorschrift of bij de
subsidieverlening anders is bepaald, stelt de subsidieontvanger
het boekjaar gelijk aan het kalenderjaar.
Art. 4:69.
[Administratie
subsidieontvanger] (4.2.8.4.2) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998; Stb. 1998, 184]
-1. De subsidieontvanger voert een zodanig
ingerichte administratie dat daaruit te allen tijde de voor de
vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en
verplichtingen alsmede de betalingen en de ontvangsten kunnen
worden nagegaan.
-2. De administratie en de daartoe behorende
bescheiden worden gedurende zeven jaren bewaard.
Art. 4:70.
[Onverwijlde mededeling afwijking begroting]
(4.2.8.4.3) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
Indien gedurende het boekjaar aanmerkelijke
verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke
uitgaven en inkomsten en de begrote uitgaven en inkomsten, doet de
subsidieontvanger daarvan onverwijld mededeling aan het bestuursorgaan onder vermelding van de oorzaak van de
verschillen.
Art. 4:71.
[Toestemming bestuursorgaan] (4.2.8.4.4)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998; Stb. 1999, 30;
Stb. 2009, 503]
-1. Indien dit bij wettelijk voorschrift of bij
de subsidieverlening is bepaald, behoeft de subsidieontvanger de
toestemming van het bestuursorgaan voor:
a. het oprichten van dan wel deelnemen
in een rechtspersoon;
b. het wijzigen van de statuten;
c. het in eigendom verwerven, het
vervreemden of het bezwaren van registergoederen indien zij mede
zijn verworven door middel van de subsidiegelden, dan wel de
lasten daarvoor mede worden bekostigd uit de subsidiegelden;
d. het aangaan en beëindigen van
overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding of bezwaring van
registergoederen of tot huur, verhuur of pacht daarvan indien
deze goederen geheel of gedeeltelijk zijn verworven door middel
van de subsidie dan wel de uitgaven daarvoor mede zijn bekostigd
uit de subsidie;
e. het aangaan van kredietovereenkomsten
en van overeenkomsten van geldlening;
f. het aangaan van overeenkomsten
waarbij de subsidieontvanger zich verbindt tot zekerheidstelling
met inbegrip van zekerheidstelling voor schulden van derden of
waarbij hij zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt
of zich voor een derde sterk maakt;
g. het vormen van fondsen en
reserveringen;
h. het vaststellen of wijzigen van
tarieven voor door de subsidieontvanger in de gewone uitoefening
van zijn gesubsidieerde activiteiten te verrichten prestaties;
i. het ontbinden van de rechtspersoon;
j. het doen van aangifte tot zijn
faillissement of het aanvragen van zijn surseance van betaling.
-2. Het bestuursorgaan beslist binnen vier
weken omtrent de toestemming.
-3. De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste
vier weken worden verdaagd.
-4. Paragraaf
4.1.3.3 is van toepassing.
Art. 4:72.
[Egalisatiereserve] (4.2.8.4.5)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. Indien dit bij wettelijk voorschrift of bij
de subsidieverlening is bepaald, vormt de ontvanger een
egalisatiereserve.
-2. Het verschil tussen de vastgestelde
subsidie en de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor
subsidie werd verleend, komt ten gunste onderscheidenlijk ten laste
van de egalisatiereserve.
-3. De egalisatiereserve wordt zo hoog rentend
en zo veilig als redelijkerwijs mogelijk is, belegd.
-4. De van de egalisatiereserve genoten rente
wordt aan de egalisatiereserve toegevoegd.
-5. In de gevallen, bedoeld in artikel
4:41,
tweede lid, onderdeel c, d en e, is de
subsidieontvanger ter zake van de egalisatiereserve vergoedingsplichtig naar evenredigheid van de mate
waarin de
subsidie aan de egalisatiereserve heeft bijgedragen.
§ 4.2.8.5.
De subsidievaststelling
Art. 4:73.
[Vaststelling per boekjaar] (4.2.8.5.1)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
De subsidie wordt per boekjaar vastgesteld.
Art. 4:74.
[Aanvraagtermijn] (4.2.8.5.2) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
De subsidieontvanger dient binnen zes maanden
na afloop van het boekjaar een aanvraag tot vaststelling van de
subsidie in, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of
de subsidie met toepassing van artikel 4:67, tweede lid, voor twee
of meer boekjaren is verleend.
Art. 4:75.
[Vereisten aanvraag] (4.2.8.5.3)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. De aanvraag tot vaststelling gaat in ieder
geval vergezeld van een financieel verslag en een
activiteitenverslag.
-2. Indien de subsidieontvanger ingevolge
wettelijk voorschrift verplicht is tot het opstellen van een
jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek, of indien dit bij de subsidieverlening is
bepaald, legt hij in plaats van het financieel verslag de
jaarrekening over, onverminderd artikel 4:45, tweede lid.
Art. 4:76.
[Vereisten jaarstukken bij inkomsten geheel
uit subsidie] (4.2.8.5.4) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. Indien de subsidieontvanger zijn inkomsten
geheel ontleent aan de subsidie, omvat het financiële verslag de
balans en de exploitatierekening met de toelichting en zijn het
tweede tot en met vijfde lid van toepassing.
-2. Het financiële verslag geeft volgens
normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden
beschouwd een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan
worden gevormd omtrent:
a. het vermogen en het exploitatiesaldo;
en
b. voor zover de aard van het
financiële verslag dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de
liquiditeit van de subsidieontvanger.
-3. De balans met de toelichting geeft getrouw,
duidelijk en stelselmatig de grootte en de samenstelling in
actief- en passiefposten van het vermogen op het einde van het
boekjaar weer.
-4. De exploitatierekening met de toelichting
geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte van het
exploitatiesaldo van het boekjaar weer.
-5. Het financiële verslag sluit aan op de
begroting waarvoor subsidie is verleend en behelst een
vergelijking met de gerealiseerde inkomsten en uitgaven van het
jaar voorafgaand aan het boekjaar.
Art. 4:77.
[Vereisten jaarstukken bij inkomsten
merendeels uit subsidie] (4.2.8.5.5) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
Indien de subsidieontvanger zijn inkomsten in
overwegende mate ontleent aan de subsidie, kan bij wettelijk
voorschrift of bij de subsidieverlening worden bepaald dat artikel
4:76 van overeenkomstige toepassing is.
Art. 4:78.
[Onderzoek accountant] (4.2.8.5.6)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. De subsidieontvanger geeft opdracht tot
onderzoek van het financiële verslag aan een accountant als
bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek.
-2. De accountant onderzoekt of het financiële
verslag voldoet aan de bij of krachtens de wet gestelde
voorschriften en of het activiteitenverslag, voor zover hij dat
verslag kan beoordelen, met het financiële verslag verenigbaar
is.
-3. De accountant geeft de uitslag van zijn
onderzoek weer in een schriftelijke verklaring omtrent de
getrouwheid van het financiële verslag.
-4. De aanvraag tot vaststelling van de
subsidie gaat vergezeld van de in het derde lid bedoelde
verklaring.
-5. Bij wettelijk voorschrift of bij de
subsidieverlening kan vrijstelling of ontheffing worden verleend
van het eerste tot en met het vierde lid.
Art. 4:79.
[Onderzoek naleving
verplichtingen] (4.2.8.5.7) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
-1. Bij wettelijk voorschrift of bij de
subsidieverlening kan worden bepaald dat de in artikel
4:78,
eerste lid, bedoelde opdracht tevens strekt tot onderzoek van de
naleving van aan de subsidie verbonden verplichtingen.
-2. Bij toepassing van het eerste lid gaat de
opdracht vergezeld van een bij of krachtens wettelijk voorschrift
of bij de subsidieverlening vast te stellen aanwijzing over de
reikwijdte en de intensiteit van de controle.
-3. Bij toepassing van het eerste
lid gaat het
financiële verslag tevens vergezeld van een schriftelijke
verklaring van de accountant over de naleving door de
subsidieontvanger van de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
Art. 4:80.
[Activiteitenverslag] (4.2.8.5.8)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
Het activiteitenverslag beschrijft de aard en
omvang van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend en
bevat een vergelijking tussen de nagestreefde en de gerealiseerde
doelstellingen en een toelichting op de verschillen.
TITEL
4.3
Beleidsregels
Art. 4:81.
[Bevoegdheid vaststellen beleidsregels]
(4.4.1) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998] •
[Jurisprudentie: LJN
AD3472; AD4971]
-1. Een bestuursorgaan kan beleidsregels
vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn
verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde
bevoegdheid.
-2. In andere gevallen kan een bestuursorgaan
slechts beleidsregels vaststellen voor zover dit bij wettelijk
voorschrift is bepaald.
Art. 4:82.
[Beleidsregel ter motivering] (4.4.3)
[Geschiedenis:
MvT;
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998] •
[Jurisprudentie: LJN
AD3472; AD4971]
Ter motivering van een besluit kan slechts
worden volstaan met een verwijzing naar een vaste gedragslijn voor
zover deze is neergelegd in een beleidsregel.
Art. 4:83.
[Vermelding wettelijk
voorschrift] (4.4.4) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998]
Bij de bekendmaking van het besluit, inhoudende
een beleidsregel, wordt zo mogelijk het wettelijk voorschrift
vermeld waaruit de bevoegdheid waarop het besluit, inhoudende een
beleidsregel, betrekking heeft, voortvloeit.
Art. 4:84.
[Handelen conform beleidsregel] (4.4.5)
[Geschiedenis:
MvT;
Stb. 1996, 333; versie
1 januari 1998] •
[Jurisprudentie: LJN
AA4268; AE3732]
Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de
beleidsregel, tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen
zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn
in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
TITEL
4.4
Bestuursrechtelijke geldschulden
AFDELING
4.4.1
Vaststelling en inhoud van de verplichting tot
betaling
Art.
4:85. [Reikwijdte] (4.4.1.1)
[Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 264; Stb.
2012, 682]
-1. Deze titel is van
toepassing op geldschulden die voortvloeien uit:
a. een wettelijk voorschrift
dat een verplichting tot betaling uitsluitend aan of door een
bestuursorgaan regelt; of
b. een besluit dat vatbaar
is voor bezwaar of beroep.
-2. Deze titel is niet van
toepassing op verplichtingen tot betaling van een geldsom voor het in
behandeling nemen van een aanvraag.
-3. Deze titel is niet van
toepassing op verplichtingen tot betaling die bij uitspraak van de
bestuursrechter zijn opgelegd.
Art.
4:86. [Beschikking
betalingsverplichting]
(4.4.1.2) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 264]
-1. De verplichting tot
betaling van een geldsom wordt bij beschikking vastgesteld.
-2. De beschikking vermeldt
in ieder geval:
a. de te betalen geldsom;
b. de termijn waarbinnen de
betaling moet plaatsvinden.
Art.
4:87. [Betalingstermijn]
(4.4.1.3) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 264]
-1. De betaling geschiedt
binnen zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is
bekendgemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.
-2. Bij of krachtens
wettelijk voorschrift kan een andere termijn voor de betaling worden
vastgesteld.
Art.
4:88. [Geen
verplichte beschikking]
(4.4.1.4) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 264]
-1. Bij wettelijk voorschrift
kan worden bepaald dat een geldsom moet worden betaald zonder dat
dit bij beschikking is vastgesteld.
-2. In dat geval wordt tevens
bepaald binnen welke termijn de betaling moet plaatsvinden.
-3. Indien de belanghebbende
binnen redelijke termijn daarom verzoekt, wordt de op het
bestuursorgaan rustende verplichting tot betaling zo spoedig mogelijk alsnog bij
beschikking vastgesteld.
Art.
4:89. [Girale
betaling]
(4.4.1.5) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 264]
-1. Tenzij bij wettelijk
voorschrift anders is bepaald, geschiedt betaling door bijschrijving op een
daartoe door de schuldeiser bestemde bankrekening.
-2. Betaling geschiedt in
euro, tenzij bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan
anders is bepaald.
-3. Betaling door
bijschrijving op een bankrekening geschiedt op het tijdstip waarop de rekening
van de schuldeiser wordt gecrediteerd.
-4. Bij wettelijk voorschrift
kan worden bepaald dat betaling aan een ander dan de schuldeiser
geschiedt.
Art.
4:90. [Afwijking
girale betaling]
(4.4.1.6) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 264]
-1. Indien girale betaling
naar het oordeel van het bestuursorgaan bezwaarlijk is, kan het
betaling in andere vorm ontvangen of verrichten.
-2. De schuldeiser is
verplicht voor iedere contante betaling een kwitantie af te geven,
tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
Art.
4:91. [Kosten
betaling]
(4.4.1.7) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 264]
-1. De kosten van betaling
komen ten laste van de schuldenaar.
-2. Indien een bestuursorgaan
betaalt aan een schuldeiser buiten de Europese Unie, kunnen de
daaraan verbonden kosten op het te betalen bedrag in mindering worden
gebracht, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
Art.
4:92. [Volgorde
toerekening schuldbestanddelen]
(4.4.1.8) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 264]
-1. Betaling ter voldoening
van een bepaalde geldschuld strekt in de eerste plaats tot mindering
van de kosten, vervolgens tot mindering van de verschenen rente en ten
slotte tot mindering van de hoofdsom en de lopende rente.
-2. Indien een schuldenaar
verschillende geldschulden heeft bij dezelfde schuldeiser, kan de
schuldenaar bij de betaling de geldschuld aanwijzen waaraan de betaling moet
worden toegerekend.
Art.
4:93. [Verrekening
met bestaande vordering]
(4.4.1.9) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 264]
-1. Verrekening van een
geldschuld met een bestaande vordering geschiedt slechts voor zover
in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien.
-2. Verrekening geschiedt
onder vermelding van de vordering waarmee de geldschuld is verrekend
alsmede de hoogte van het bedrag van de verrekening.
-3. De verrekening werkt
terug overeenkomstig artikel 129, eerste en tweede lid, van Boek
6 van het Burgerlijk Wetboek.
-4. De schuldenaar is niet
bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de
schuldeiser nietig zou zijn.
-5. Uitstel van betaling
staat aan verrekening niet in de weg.
Art.
4:94. [Uitstel
van betaling]
(4.4.1.10) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 264]
-1. Het bestuursorgaan kan de
wederpartij uitstel van betaling verlenen.
-2. Gedurende het uitstel kan
het bestuursorgaan niet aanmanen of invorderen.
-3. De beschikking tot
uitstel van betaling vermeldt de termijn waarvoor het uitstel geldt.
-4. Het bestuursorgaan kan
aan de beschikking tot uitstel van betaling voorschriften verbinden.
Art.
4:95. [Voorschot]
(4.4.1.11) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 264]
-1. Het bestuursorgaan kan
vooruitlopend op de vaststelling van een verplichting tot betaling
van een geldsom een voorschot verlenen indien redelijkerwijs kan worden
aangenomen dat een verplichting tot betaling zal worden vastgesteld,
tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
-2. In de beschikking tot
verlening van een voorschot kan, in afwijking van artikel
4:86, tweede
lid, onderdeel a, worden volstaan met de vermelding van de wijze
waarop het bedrag van het voorschot wordt bepaald.
-3. Bij de beschikking tot
verlening van een voorschot kan een van artikel
4:87, eerste lid, afwijkende
termijn voor de betaling van het voorschot worden vastgesteld.
-4. Betaalde voorschotten
worden verrekend met de te betalen geldsom. Onverschuldigd betaalde
voorschotten kunnen worden teruggevorderd.
-5. Het bestuursorgaan kan
het terug te vorderen voorschot bij dwangbevel invorderen voor zover deze
bevoegdheid ook ten aanzien van de terugvordering van de
hoofdsom is toegekend.
-6. Het bestuursorgaan kan
aan de beschikking tot verlening van een voorschot voorschriften
verbinden.
Art.
4:96. [Intrekking
of wijziging beschikking uitstel/voorschot]
(4.4.1.12) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 264]
Het bestuursorgaan kan de
beschikking tot uitstel van betaling onderscheidenlijk tot
verlening van een voorschot intrekken of wijzigen:
a. indien de voorschriften
niet worden nageleefd;
b. indien de wederpartij
onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking
van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking zou
hebben geleid; of
c. voor zover veranderde
omstandigheden zich verzetten tegen voortduring van het uitstel
onderscheidenlijk tegen de verlening van het voorschot.
AFDELING
4.4.2
Verzuim en wettelijke rente
Art.
4:97. [Tijdstip
verzuim]
(4.4.2.1) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 2009, 264]
De schuldenaar is in verzuim
indien hij niet binnen de voorgeschreven termijn heeft betaald.
Art.
4:98. [Wettelijke
rente bij verzuim]
(4.4.2.2) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 2009, 264;
Stb.
2012, 682]
-1. Het verzuim heeft de
verschuldigdheid van wettelijke rente tot gevolg overeenkomstig de artikelen
119, eerste en tweede lid, en 120, eerste lid, van Boek
6 van het Burgerlijk Wetboek.
-2. Wettelijke rente is niet
verschuldigd indien het bedrag ervan bij enige of laatste betaling minder
bedraagt dan €|20,00, dan wel, indien het bestuursorgaan de
schuldenaar is, €|10,00.
-3. Indien na het intreden
van het verzuim de koers van het geld waarin de geldschuld moet worden
betaald zich heeft gewijzigd, is artikel 125 van Boek
6 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing.
Art.
4:99. [Beschikking
rentebedrag]
(4.4.2.3) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 2009, 264]
Het bestuursorgaan stelt het
bedrag van de verschuldigde wettelijke rente bij beschikking vast.
Art.
4:100. [Aanvang
wettelijke rente bij beslisverzuim]
(4.4.2.4) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 2009, 264]
Indien het bestuursorgaan de
beschikking tot betaling van een door hem verschuldigde geldsom
niet tijdig geeft, is het wettelijke rente verschuldigd vanaf het
tijdstip waarop het in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de
laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven.
Art.
4:101. [Wettelijke
rente bij uitstel of schorsing]
(4.4.2.5) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 2009, 264]
Voor zover het
bestuursorgaan uitstel van betaling heeft verleend of de rechter de verplichting tot
betaling heeft geschorst, is de schuldenaar over de termijn van uitstel of
schorsing wettelijke rente verschuldigd, tenzij bij het uitstel of de schorsing
anders is bepaald.
Art.
4:102. [Wettelijke
rente bij onjuiste beschikking]
(4.4.2.6) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 2009, 264]
-1. Indien een betaling aan
het bestuursorgaan is geschied op grond van een beschikking die in
bezwaar of in beroep is gewijzigd of vernietigd, is het bestuursorgaan over de
termijn tussen de betaling en de terugbetaling wettelijke rente
verschuldigd over het te veel betaalde bedrag.
-2. Indien een afwijzende
beschikking tot betaling door het bestuursorgaan als gevolg van bezwaar of
beroep wordt vervangen door een beschikking tot betaling, is
het bestuursorgaan wettelijke rente verschuldigd vanaf het
tijdstip waarop het in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de
laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven.
-3. Wettelijke rente is niet
verschuldigd voor zover de belanghebbende onjuiste of onvolledige
gegevens heeft verstrekt, dan wel aan de belanghebbende is toe te
rekenen dat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt.
-4. Dit artikel is van
overeenkomstige toepassing indien het bestuursorgaan de beschikking tot betaling
met terugwerkende kracht wijzigt of intrekt.
Art.
4:103. [Bijzondere
wetgeving]
(4.4.2.7) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 2009, 264]
Deze afdeling is niet van
toepassing indien bij de wet een andere regeling omtrent verzuim en
de gevolgen daarvan is getroffen.
AFDELING
4.4.3
Verjaring
Art.
4:104. [Verjaring
geldschuld]
(4.4.3.1) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 2009, 264]
-1. De rechtsvordering tot
betaling van een geldsom verjaart vijf jaren nadat de voorgeschreven
betalingstermijn is verstreken.
-2. Na voltooiing van de
verjaring kan het bestuursorgaan zijn bevoegdheden tot aanmaning en verrekening
en tot uitvaardiging en tenuitvoerlegging van een dwangbevel niet meer
uitoefenen.
Art.
4:105. [Stuitingsgronden]
(4.4.3.2) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 2009, 264]
-1. De verjaring wordt
gestuit door een daad van rechtsvervolging overeenkomstig artikel 316,
eerste lid, van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 316, tweede
lid, van Boek 3
van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige
toepassing.
-2. Erkenning van het recht
op betaling stuit de verjaring van de rechtsvordering tegen hem
die het recht erkent.
Art.
4:106. [Uitbreiding
stuitingsgronden bestuursorgaan]
(4.4.3.3) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 2009, 264]
Het bestuursorgaan kan de
verjaring ook stuiten door een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112,
een beschikking tot verrekening of een dwangbevel dan wel door een
daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel.
Art.
4:107. [Uitbreiding
stuitingsgronden burger]
(4.4.3.4) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 2009, 264]
De schuldeiser van het
bestuursorgaan kan de verjaring ook stuiten door een schriftelijke
aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin hij zich ondubbelzinnig zijn
recht op betaling voorbehoudt.
Art.
4:108. [Geen
verjaring verrekeningsrecht burger]
(4.4.3.5) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 2009, 264]
Indien de schuldeiser van
het bestuursorgaan een recht tot verrekening als bedoeld in artikel 4:93
heeft, eindigt dit recht niet door verjaring van de rechtsvordering.
Art.
4:109. [Reikwijdte
artikelen 4:107 en 4:108]
(4.4.3.6) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 2009, 264]
Indien de schuldeiser van
het bestuursorgaan zelf een bestuursorgaan is, zijn de artikelen 4:107
en 4:108 niet van toepassing.
Art.
4:110. [Verjaringstermijn
na stuiting]
(4.4.3.7) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 2009, 264]
-1. Door stuiting van de
verjaring begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de
volgende dag.
-2. De nieuwe termijn is
gelijk aan de oorspronkelijke, doch niet langer dan vijf jaren.
-3. Wordt de verjaring echter
gestuit door het instellen van een eis die door toewijzing wordt
gevolgd, dan is artikel 324 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek van
overeenkomstige toepassing.
Art.
4:111. [Verlengingsgronden
verjaring]
(4.4.3.8) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb. 2009, 264]
-1. De verjaringstermijn van
de rechtsvordering tot betaling aan een bestuursorgaan wordt
verlengd met de tijd gedurende welke de schuldenaar na de aanvang van die
termijn uitstel van betaling heeft.
-2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing, indien:
a. de schuldenaar in
surseance van betaling verkeert;
b. de schuldenaar in staat
van faillissement verkeert;
c. ten aanzien van de
schuldenaar de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is;
d. de tenuitvoerlegging van
een dwangbevel is geschorst ingevolge een lopend rechtsgeding, met
dien verstande dat de termijn waarmee de verjaringstermijn wordt
verlengd een aanvang neemt op de dag waarop het rechtsgeding door middel
van dagvaarding aanhangig wordt gemaakt.
AFDELING
4.4.4
Aanmaning en invordering bij dwangbevel
§
4.4.4.1
De
aanmaning
Art.
4:112. [Vereisten
aanmaning]
(4.4.4.1.1) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 264]
-1. Het bestuursorgaan maant
de schuldenaar die in verzuim is schriftelijk aan tot betaling binnen twee
weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de aanmaning is
toegezonden.
-2. Bij wettelijk voorschrift
kan een andere termijn worden vastgesteld.
-3. De aanmaning vermeldt dat
bij niet-tijdige betaling deze kan worden afgedwongen door op kosten
van de schuldenaar uit te voeren invorderingsmaatregelen.
Art.
4:113. [Vergoeding
aanmaningskosten]
(4.4.4.1.2) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 264; Stcrt.
2012, 26652; Stb.
2012, 682]
-1. Het bestuursorgaan kan
voor de aanmaning een vergoeding in rekening brengen. De
vergoeding bedraagt €|6,00 indien de schuld minder dan €|454,00 bedraagt en €|15,00 indien de schuld €|454,00 of meer bedraagt.
-2. De aanmaning vermeldt de
vergoeding die in rekening wordt gebracht.
§
4.4.4.2
Invordering bij dwangbevel
Art.
4:114. [Begrip
dwangbevel]
(4.4.4.2.1) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 264]
Onder dwangbevel wordt
verstaan: een schriftelijk bevel van een bestuursorgaan dat ertoe
strekt de betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 4:85 af te
dwingen.
Art.
4:115. [Wettelijke
dwangbevelbevoegdheid]
(4.4.4.2.2) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 264]
De bevoegdheid tot
uitvaardiging van een dwangbevel bestaat slechts indien zij bij de wet is
toegekend.
Art.
4:116. [Dwangbevel
als executoriale titel]
(4.4.4.2.3) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 264]
Een dwangbevel levert een
executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden ten uitvoer gelegd.
Art.
4:117. [Aanvang
dwangbevelbevoegdheid]
(4.4.4.2.4) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 264]
-1. Een dwangbevel wordt
slechts uitgevaardigd wanneer binnen de overeenkomstig artikel 4:112
gestelde aanmaningstermijn niet volledig is betaald.
-2. Bij de wet kan evenwel
worden bepaald dat het dwangbevel zo nodig zonder aanmaning en vóór het
verstrijken van bij wettelijk voorschrift gestelde of eerder gegunde
betalings- of aanmaningstermijnen kan worden uitgevaardigd of ten
uitvoer gelegd.
Art.
4:118. [Uitsluiting
hoorplicht]
(4.4.4.2.5) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 264]
Artikel 4:8 is niet van
toepassing op de aanmaning en het dwangbevel.
Art.
4:119. [Invorderingsposten
| Bundeling vorderingen]
(4.4.4.2.6) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 264]
-1. Bij het dwangbevel kunnen
tevens de aanmaningsvergoeding, de wettelijke rente en de
kosten van het dwangbevel worden ingevorderd.
-2. Het dwangbevel kan
betrekking hebben op verschillende verplichtingen tot betaling van een geldsom
door de schuldenaar aan het bestuursorgaan.
Art.
4:120. [Executiekosten]
(4.4.4.2.7) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 264]
-1. De betekening en de
tenuitvoerlegging van het dwangbevel geschieden op kosten van
degene tegen wie het is uitgevaardigd.
-2. De gerechtelijke kosten
worden berekend met toepassing van de op grond van artikel 434a van
het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering vastgestelde tarieven. De buitengerechtelijke kosten worden berekend
met toepassing van bij
algemene maatregel van bestuur vast te stellen tarieven. [Bbk]
-3. De kosten zijn ook
verschuldigd indien het dwangbevel door betaling van verschuldigde bedragen
niet of niet volledig ten uitvoer is gelegd.
Art.
4:121. [Invorderbare
termijnen bij beslaglegging]
(4.4.4.2.8) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 264]
Indien een dwangbevel dat is
uitgevaardigd voor een gedeelte van een verplichting tot betaling
van een geldsom ten uitvoer wordt gelegd door beslaglegging, kunnen bij
datzelfde dwangbevel alle tot het tijdstip van beslaglegging vervallen
termijnen van die verplichting worden ingevorderd, mits het op dat tijdstip
invorderbare bedrag uit het dwangbevel is op te maken.
Art.
4:122. [Vereisten
dwangbevel]
(4.4.4.2.9) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 264]
-1. Het dwangbevel vermeldt
in ieder geval:
a. aan het hoofd het woord "dwangbevel";
b. het bedrag van de
invorderbare hoofdsom;
c. de beschikking of het
wettelijk voorschrift waaruit de geldschuld voortvloeit;
d. de kosten van het dwangbevel; en
e. dat het op kosten van de
schuldenaar ten uitvoer kan worden gelegd.
-2. Het dwangbevel vermeldt,
indien van toepassing:
a. het bedrag van de aanmaningsvergoeding; en
b. de ingangsdatum van de
wettelijke rente.
Art.
4:123. [Bekendmaking
dwangbevel; rechtsmiddelclausule]
(4.4.4.2.10) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 264]
-1. De bekendmaking van een
dwangbevel geschiedt door middel van de betekening van een exploot
als bedoeld in het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering. De
artikelen 3:41 tot en met 3:45 zijn niet van toepassing.
-2. Het exploot vermeldt in
ieder geval de rechtbank waarbij tegen het dwangbevel en de
tenuitvoerlegging ervan overeenkomstig de artikelen 438 en 438a van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden opgekomen.
Art.
4:124. [Privaatrechtelijke
bevoegdheden]
(4.4.4.2.11) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 264]
Het bestuursorgaan beschikt
ten aanzien van de invordering ook over de bevoegdheden die een
schuldeiser op grond van het privaatrecht heeft.
AFDELING
4.4.5
Bezwaar en beroep
Art.
4:125. [Rechtsmiddelen
bijkomende beschikking]
(4.4.5.1) [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 264; Stb.
2012, 682]
-1. Het bezwaar, beroep of
hoger beroep tegen de beschikking waarbij de verplichting tot betaling
van een geldsom is vastgesteld, heeft mede betrekking op een bijkomende
beschikking van hetzelfde bestuursorgaan omtrent verrekening, uitstel
van betaling, verlening van een voorschot, vaststelling van de rente of
gehele of gedeeltelijke kwijtschelding, voor zover de belanghebbende deze
beschikking betwist.
-2. Het bezwaar, beroep of
hoger beroep tegen een bijkomende beschikking heeft mede
betrekking op een latere bijkomende beschikking met betrekking tot dezelfde
geldschuld, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
-3. De bestuursrechter kan de beslissing op het beroep of hoger beroep inzake de bijkomende
beschikking echter verwijzen naar een ander orgaan indien behandeling
door dit orgaan gewenst is.
-4. In beroep of hoger beroep
legt de belanghebbende zo mogelijk een afschrift over van de
bijkomende beschikking die hij betwist.
-5. Het eerste tot en met het
vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een verzoek om
voorlopige voorziening.
TITEL
4.5
Nadeelcompensatie
Art.
4:126. Nog niet in werking getreden. [Grondslag
nadeelcompensatie; égalitébeginsel] [Geschiedenis:
Stb. 2013, 50]
Art.
4:127. Nog niet in werking getreden. [Inhoud
aanvraag] [Geschiedenis:
Stb. 2013, 50]
Art.
4:128. Nog niet in werking getreden. [Heffing
recht] [Geschiedenis:
Stb. 2013, 50]
Art.
4:129. Nog niet in werking getreden. [Kostenvergoeding]
[Geschiedenis:
Stb. 2013, 50]
Art.
4:130. Nog niet in werking getreden. [Beslistermijn]
[Geschiedenis:
Stb. 2013, 50]
Art.
4:131. Nog niet in werking getreden. [Verjaringstermijn]
[Geschiedenis:
Stb. 2013, 50]
|