|
TITEL 8.1
Algemene bepalingen
over het beroep in
eerste aanleg
AFDELING 8.1.1
Bevoegdheid
Art. 8:1.
[Beroep
bij bestuursrechter] (8.1.1.1) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis; Stb. 1995, 250; Stb.
1997, 139; versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682 + bis] •
[Jurisprudentie: LJN
AB0236; AD5103]
Een belanghebbende kan tegen een besluit
beroep instellen bij de bestuursrechter.
Art. 8:2.
[Gelijkstelling
met besluit] (8.1.1.2) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis; versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682 + bis]
-1. Met een besluit wordt gelijkgesteld:
a. een andere handeling van een
bestuursorgaan waarbij de volgende personen, hun nagelaten betrekkingen
of hun rechtverkrijgenden belanghebbende zijn:
1º. een ambtenaar als bedoeld in artikel
1 van de Ambtenarenwet
als zodanig;
2º. een militair ambtenaar als bedoeld
in artikel 1 van de Militaire
Ambtenarenwet 1931 als zodanig;
3º. een lid van het personeel van een
zelfstandig bestuursorgaan waarop ingevolge artikel 15 van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen de ambtelijke rechtspositieregels van
overeenkomstige toepassing zijn als zodanig;
4º. een dienstplichtige als bedoeld in
hoofdstuk 2 van de Kaderwet
dienstplicht als zodanig;
b. een andere publiekrechtelijke
handeling van een bij of krachtens de Wet
op de bedrijfsorganisatie ingesteld bestuursorgaan.
-2. Met een besluit wordt gelijkgesteld de
schriftelijke beslissing, inhoudende de weigering van de goedkeuring
van:
a. een besluit, inhoudende een algemeen
verbindend voorschrift of een beleidsregel of de intrekking of de
vaststelling van de inwerkingtreding van een algemeen verbindend
voorschrift of een beleidsregel;
b. een besluit ter voorbereiding van een
privaatrechtelijke rechtshandeling.
Art. 8:3.
[Uitsluiting
beroepsrecht bij avv, beleidsregel en voorbereiding privaatrechtelijke
rechtshandeling] (8.1.1.3) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis; versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682] •
[Jurisprudentie: LJN
AE6166]
-1. Geen beroep kan worden ingesteld tegen
een besluit:
a. inhoudende een algemeen verbindend
voorschrift of een beleidsregel;
b. inhoudende de intrekking of de
vaststelling van de inwerkingtreding van een algemeen verbindend
voorschrift of een beleidsregel;
c. inhoudende de goedkeuring van een
besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een
beleidsregel of de intrekking of de vaststelling van de inwerkingtreding
van een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel.
-2. Geen beroep kan worden ingesteld tegen
een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke
rechtshandeling.
Art. 8:4.
[Uitsluiting
beroepsrecht bij bepaalde besluiten] (8.1.1.5) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis; Stb. 1995, 250; Stb.
1997, 139; versie
1 januari 1998; Stb. 2001, 705
+ bis; Stb.
2002, 111; Stb. 2002, 318;
Stb. 2004, 214; Stb.
2004, 220; Stb. 2004, 672;
Stb. 2006, 418; Stb.
2007, 208; Stb. 2008, 200;
Stb.
2008, 405; Stb. 2009, 384; Stb. 2009, 264;
Stb.
2012, 682; Stb. 2013, 50]
-1. Geen beroep kan worden ingesteld tegen
een besluit:
a. inhoudende een weigering op grond van
artikel 2:15;
b. inhoudende een aanmaning als bedoeld
in artikel 4:112 of een dwangbevel;
c. als bedoeld in artikel 7:1a, vierde
lid;
d. inhoudende schorsing of vernietiging
van een besluit van een ander bestuursorgaan;
e. als bedoeld in artikel 3:21, eerste
lid, onderdeel b.
-2. Geen beroep kan worden ingesteld tegen
een besluit:
a. op grond van een in enig wettelijk
voorschrift voor het geval van buitengewone omstandigheden toegekende
bevoegdheid of opgelegde verplichting in deze omstandigheden genomen;
b. genomen op grond van een wettelijk
voorschrift ter beveiliging van de militaire belangen van het Koninkrijk
of zijn bondgenoten;
c. genomen op grond van een wettelijk
voorschrift inzake de verplichte krijgsdienst, voor zover het keuring,
herkeuring, werkelijke dienst, groot verlof of diensteindiging betreft,
tenzij het besluit betrekking heeft op verlenging van werkelijke dienst
of kostwinnersvergoeding.
-3. Geen beroep kan worden ingesteld tegen
een besluit:
a. tot benoeming of aanstelling, tenzij
beroep wordt ingesteld door een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van
de Ambtenarenwet als zodanig, een militair ambtenaar als bedoeld in
artikel 1 van de Militaire
Ambtenarenwet 1931 als zodanig, een lid van
het personeel van een zelfstandig bestuursorgaan waarop ingevolge
artikel 15 van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen de ambtelijke
rechtspositieregels van overeenkomstige toepassing zijn als zodanig, een
dienstplichtige als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Kaderwet
dienstplicht als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun
rechtverkrijgenden;
b. inhoudende een beoordeling van het
kennen of kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is
geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel
inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere
regels voor die examinering of toetsing;
c. inhoudende een technische beoordeling
van een voertuig of een luchtvaartuig, dan wel een meetmiddel, een
onderdeel daarvan of een hulpinrichting daarvoor.
-4. Geen beroep kan worden ingesteld tegen
een besluit:
a. inzake de nummering van
kandidatenlijsten, de geldigheid van lijstverbindingen, het verloop van
de stemming, de stemopneming, de vaststelling van de stemwaarden en de
vaststelling van de uitslag bij verkiezingen van de leden van
vertegenwoordigende organen, de benoemdverklaring in opengevallen
plaatsen, alsmede de toelating van nieuwe leden van provinciale staten,
van de gemeenteraad en van het algemeen bestuur van een waterschap,
alsmede de verlening van tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en
bevalling of ziekte;
b. houdende een ambtshandeling van een
gerechtsdeurwaarder of notaris.
Art. 8:5.
[Negatieve
lijst beroepsrecht; administratief beroep] (8.1.1.6) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis; versie
1 januari 1998; Stb. 2002, 53;
Stb.
2012, 682]
-1. Geen beroep kan worden ingesteld tegen
een besluit als bedoeld in artikel 1 van de bij deze wet behorende
Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak.
-2. Geen beroep kan worden ingesteld tegen
een besluit waartegen administratief beroep kan worden ingesteld of door
de belanghebbende kon worden ingesteld.
Art. 8:6.
[Bevoegde
bestuursrechter in eerste aanleg] (8.1.1.6a) [Geschiedenis:
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682; Stb. 2013, 50]
-1. Het beroep kan worden ingesteld bij de
rechtbank, tenzij een andere bestuursrechter bevoegd is ingevolge
hoofdstuk 2 van de bij deze wet behorende
Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak
dan wel ingevolge een ander wettelijk voorschrift.
-2. Bij elk van de bestuursrechters,
genoemd in hoofdstuk 2 van de bij deze wet behorende
Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, kan beroep worden ingesteld
tegen een besluit waarover die rechter in hoger beroep oordeelt indien
hij toepassing heeft gegeven aan artikel 8:113, tweede lid.
Art. 8:7.
[Bevoegde rechtbank] (8.1.1.7)
[Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis; versie
1 januari 1998; Stb. 2002, 53
+ bis; Stb.
2011, 255; Stb. 2012, 313
+ bis; Stb.
2012, 316 + bis; Stb.
2012, 682]
-1. Indien beroep wordt ingesteld tegen
een besluit van een bestuursorgaan van een provincie,
een gemeente, een
waterschap of een regio als bedoeld in artikel 21 van de Politiewet
1993 dan wel tegen een besluit van een gemeenschappelijk orgaan of een
bestuursorgaan van een openbaar lichaam dat is ingesteld met toepassing
van de Wet
gemeenschappelijke regelingen, is bevoegd de rechtbank
binnen
het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft.
-2. Indien beroep wordt ingesteld tegen
een besluit van een ander bestuursorgaan, is bevoegd de rechtbank binnen
het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn
woonplaats in Nederland heeft. Indien de indiener van het beroepschrift
geen woonplaats in Nederland heeft, is bevoegd de rechtbank binnen het
rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft.
-3. Indien beroep wordt ingesteld tegen
een besluit als bedoeld in hoofdstuk 3 van de bij deze wet behorende
Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, is in afwijking van het eerste
en tweede lid slechts de door dat hoofdstuk aangewezen rechtbank
bevoegd.
-4. Het eerste en tweede lid zijn
van overeenkomstige toepassing indien beroep in eerste aanleg kan worden
ingesteld bij een gerechtshof.
Art. 8:8.
[Meer dan één
bevoegde rechtbank] (8.1.1.7a) [Geschiedenis:
versie
1 januari 1998; Stb. 2004, 220;
Stb. 2012, 313; Stb.
2012, 682]
-1. Indien tegen hetzelfde besluit bij
meer dan één bevoegde rechtbank beroep is ingesteld, worden de zaken
verder behandeld door de bevoegde rechtbank waarbij als eerste beroep is
ingesteld. Indien gelijktijdig bij meer dan één bevoegde rechtbank als
eerste beroep is ingesteld, worden de zaken verder behandeld door de
bevoegde rechtbank die als eerste wordt genoemd in de Wet
op de rechterlijke indeling.
-2. De andere rechtbank verwijst
onderscheidenlijk de andere rechtbanken verwijzen de daar aanhangig
gemaakte zaak of zaken naar de rechtbank die de zaken verder behandelt.
De op de zaak of zaken betrekking hebbende stukken worden toegezonden
aan de rechtbank die de zaken verder behandelt.
-3. Indien tegen hetzelfde besluit bij
meer dan één rechtbank beroep is ingesteld, doet het bestuursorgaan
daarvan onverwijld mededeling aan die rechtbanken.
-4. Indien het bestuursorgaan ingevolge
artikel 7:1a, vijfde of zesde lid, twee of meer bezwaarschriften
doorzendt, zendt het bestuursorgaan deze door aan de rechtbank die
ingevolge de tweede volzin van het eerste lid de zaak zal behandelen.
-5. Het eerste tot en met het vierde lid
zijn van overeenkomstige toepassing indien beroep in eerste aanleg kan
worden ingesteld bij een gerechtshof.
Art. 8:9.
[Jurisdictiegeschillen] (8.1.1.8) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis; versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
De Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale
Raad van Beroep, onderscheidenlijk het
College van Beroep voor het bedrijfsleven, oordelen in hoogste
ressort over geschillen tussen de rechtbanken
over de toepassing van artikel 8:7
in zaken tot de kennisneming waarvan zij in hoger beroep bevoegd
zijn.
AFDELING
8.1.2
Behandeling door een
enkelvoudige, meervoudige of grote kamer
Art. 8:10.
[Unus iudex] (8.1.2.1) [Geschiedenis:
VvW;
MvT; versie
1 januari 1998] •
[Jurisprudentie: LJN
AE6141]
-1. De zaken die bij de rechtbank
aanhangig worden gemaakt, worden in behandeling
genomen door een enkelvoudige kamer.
-2. Indien een zaak naar
het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor
behandeling door één rechter, verwijst zij deze naar een
meervoudige kamer. De enkelvoudige kamer kan ook in andere
gevallen een zaak naar een meervoudige kamer verwijzen.
-3. Indien een zaak naar
het oordeel van de meervoudige kamer geschikt is voor verdere
behandeling door één rechter, kan zij deze verwijzen naar een
enkelvoudige kamer.
-4. Verwijzing kan
geschieden in elke stand van het geding. Een verwezen zaak wordt
voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.
Art.
8:10a. [Meervoudige en grote kamer]
[Geschiedenis:
Stb.
2012, 682]
-1. De zaken die bij een andere
bestuursrechter dan de rechtbank
aanhangig worden gemaakt, worden in
behandeling genomen door een meervoudige kamer.
-2. Indien een zaak naar het oordeel van
de meervoudige kamer geschikt is voor verdere behandeling door één
rechter, kan zij deze verwijzen naar een enkelvoudige kamer.
-3. Indien een zaak naar het oordeel van
de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling door één rechter,
verwijst zij deze naar een meervoudige kamer.
-4. De meervoudige kamer kan een zaak
voorts verwijzen naar een grote kamer indien haar dit met het oog op de
rechtseenheid of de rechtsontwikkeling geraden voorkomt. De eerste
volzin geldt niet indien de zaak aanhangig is bij een gerechtshof.
-5. Verwijzing kan geschieden in elke
stand van het geding. Een verwezen zaak wordt voortgezet in de stand
waarin zij zich bevindt.
Art. 8:11.
[Taken en bevoegdheden kamers] (8.1.2.2)
[Geschiedenis:
VvW;
MvT; versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
-1. De voorschriften omtrent de
behandeling van het beroep zijn van toepassing op de behandeling door
elk van de kamers, bedoeld in de artikelen 8:10 en
8:10a.
-2. Degene die zitting heeft in een
enkelvoudige kamer heeft tevens de bevoegdheden en de verplichtingen van
de voorzitter.
Art. 8:12.
[Rechter-commissaris] (8.1.2.3) [Geschiedenis:
VvW;
MvT; versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
De bestuursrechter kan aan een
rechter-commissaris opdragen het vooronderzoek of een gedeelte
daarvan te verrichten.
AFDELING
8.1.2A
Conclusie
Art.
8:12a. [Conclusie] [Geschiedenis:
Stb.
2012, 682]
-1.
De voorzitter van de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State, de president van de Centrale
Raad van Beroep en de president van het
College van Beroep voor het bedrijfsleven kunnen in zaken die in
hun college in behandeling zijn bij een meervoudige of grote
kamer, een lid van het desbetreffende college verzoeken een
conclusie te nemen.
-2. Een dergelijk verzoek kan ook
worden gericht aan een lid van één van de andere colleges in
overeenstemming met de voorzitter onderscheidenlijk de president
van dat college.
-3. De conclusie wordt schriftelijk
genomen, is met redenen omkleed en vermeldt:
a. de naam van degene die haar heeft genomen; en
b. de dag waarop zij is genomen.
-4. De conclusie wordt uiterlijk zes
weken na sluiting van het onderzoek ter zitting ter kennis van het
college gebracht en in afschrift aan partijen toegezonden. Aan artikel 8:64
behoeft daarbij geen toepassing te worden gegeven.
-5. Partijen kunnen binnen twee weken
na verzending van het afschrift van de conclusie hun schriftelijk
commentaar daarop aan het college doen toekomen.
-6. Artikel 8:79,
tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
-7. Degene die de conclusie heeft
genomen, neemt geen deel aan de beraadslagingen over de zaak.
-8. De conclusie bindt het college
niet.
AFDELING
8.1.3
Verwijzing, voeging en
splitsing
Art. 8:13.
[Verwijzing]
(8.1.3.1) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis; versie
1 januari 1998; Stb. 2002, 53;
Stb. 2012, 313; Stb.
2012, 682]
-1. De rechtbank
kan een
bij haar aanhangig gemaakte zaak ter verdere behandeling verwijzen
naar de rechtbank waar een andere zaak aanhangig is gemaakt
indien naar haar oordeel behandeling van die zaken door één
rechtbank gewenst is.
-2. Een verzoek tot wijziging kan worden gedaan tot de aanvang van het onderzoek ter zitting.
-3. Indien de rechtbank
waarnaar een zaak is verwezen, instemt met de verwijzing, worden
de op de zaak betrekking hebbende stukken aan haar toegezonden.
-4. Het eerste tot en met derde lid zijn
van overeenkomstige toepassing indien beroep in eerste aanleg kan worden
ingesteld bij een gerechtshof.
Art.
8:13a. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; Stb. 2009, 570;
Stb.
2012, 682]
Art. 8:14.
[Voeging en
splitsing] (8.1.3.2) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
-1. De
bestuursrechter kan
zaken over hetzelfde of een verwant onderwerp ter behandeling
voegen en de behandeling van gevoegde zaken splitsen.
-2. Een verzoek daartoe
kan worden gedaan tot de sluiting van het onderzoek ter zitting.
AFDELING
8.1.4
Wraking en verschoning van
rechters
Art. 8:15.
[Wrakingsverzoek] (8.1.4.1) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998]
Op verzoek van een partij
kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt
op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke
onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Art. 8:16.
[Vereisten wrakingsverzoek] (8.1.4.2)
[Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998]
-1. Het verzoek wordt
gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend
zijn geworden.
-2. Het verzoek geschiedt
schriftelijk en is gemotiveerd. Na de aanvang van het onderzoek
ter zitting onderscheidenlijk na de aanvang van het horen van
partijen of getuigen in het vooronderzoek kan het ook mondeling
geschieden.
-3. Alle feiten of
omstandigheden moeten tegelijk worden voorgedragen.
-4. Een volgend verzoek
om wraking van dezelfde rechter wordt niet in behandeling genomen,
tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het
eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.
-5. Geschiedt het verzoek
ter zitting, dan wordt het onderzoek ter zitting geschorst.
Art. 8:17.
[Berusting]
(8.1.4.3) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998]
Een rechter wiens wraking
is verzocht, kan in de wraking berusten.
Art. 8:18.
[Behandeling
en beslissing] (8.1.4.4) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb. 2002, 53;
Stb.
2012, 682]
-1. Het verzoek om
wraking wordt zo spoedig mogelijk ter zitting behandeld door een meervoudige
kamer waarin de rechter wiens wraking is verzocht, geen zitting
heeft.
-2. De verzoeker en de
rechter wiens wraking is verzocht, worden in de gelegenheid
gesteld te worden gehoord. De bestuursrechter kan ambtshalve of op
verzoek van de verzoeker of de rechter wiens wraking is verzocht,
bepalen dat zij niet in elkaars aanwezigheid zullen worden gehoord.
-3. De bestuursrechter beslist
zo spoedig mogelijk. De bestuursrechter spreekt de beslissing in het
openbaar uit. De beslissing is gemotiveerd en wordt
onverwijld aan de verzoeker, de andere partijen en de rechter
wiens wraking was verzocht, medegedeeld.
-4. In geval van misbruik
kan de bestuursrechter bepalen dat een volgend verzoek niet in
behandeling wordt genomen. Hiervan wordt in de beslissing melding
gemaakt.
-5. Tegen de beslissing
staat geen rechtsmiddel open.
Art. 8:19.
[Verschoningsverzoek]
(8.1.4.5) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998]
-1. Op grond van feiten
of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:15 kan elk van de
rechters die een zaak behandelen, verzoeken zich te mogen
verschonen.
-2. Het verzoek geschiedt
schriftelijk en is gemotiveerd. Na de aanvang van het onderzoek
ter zitting onderscheidenlijk na de aanvang van het horen van
partijen of getuigen in het vooronderzoek kan het ook mondeling
geschieden.
-3. Geschiedt het verzoek
ter zitting, dan wordt het onderzoek ter zitting geschorst.
Art. 8:20.
[Behandeling
en beslissing] (8.1.4.6) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
-1. Het verzoek om
verschoning wordt zo spoedig mogelijk behandeld door een
meervoudige kamer waarin de rechter die om verschoning heeft
verzocht, geen zitting heeft.
-2. De bestuursrechter beslist
zo spoedig mogelijk. De beslissing is gemotiveerd en wordt
onverwijld aan partijen en de rechter die om verschoning had
verzocht, medegedeeld.
-3. Tegen de beslissing
staat geen rechtsmiddel open.
AFDELING
8.1.5
Partijen
Art. 8:21.
[Vertegenwoordiging handelingsonbekwame] (8.1.5.1) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682] •
[Jurisprudentie: LJN
AD5479]
-1. Natuurlijke personen,
onbekwaam om in rechte te staan, worden in het geding
vertegenwoordigd door hun vertegenwoordigers naar burgerlijk
recht. De wettelijke vertegenwoordiger behoeft niet de
machtiging van de kantonrechter, bedoeld in artikel 349 van
Boek 1 van
het Burgerlijk Wetboek.
-2. De in het eerste lid
bedoelde personen kunnen zelf in het geding optreden indien zij
tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden
geacht.
-3. Indien geen
wettelijke vertegenwoordiger aanwezig is, of deze niet beschikbaar
is en de zaak spoedeisend is, kan de bestuursrechter een voorlopige
vertegenwoordiger benoemen. De benoeming vervalt zodra een
wettelijke vertegenwoordiger aanwezig is of de wettelijke
vertegenwoordiger weer beschikbaar is.
Art. 8:22.
[Faillissement
of surseance van betaling] (8.1.5.2) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb. 1998, 448;
Stb.
2012, 682]
-1. In geval van
faillissement of surseance van betaling of toepassing van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen zijn de artikelen
25, 27 en 31 van de Faillissementswet
van overeenkomstige
toepassing.
-2. De artikelen 25,
tweede lid, en 27 vinden geen toepassing indien partijen vóór
de faillietverklaring zijn uitgenodigd om op een zitting van de
bestuursrechter te verschijnen.
Art. 8:23.
[Vertegenwoordiging bestuursorgaan] (8.1.5.3) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998]
-1. Een bestuursorgaan
dat een college is, wordt in het geding vertegenwoordigd door één
of meer door het bestuursorgaan aangewezen leden.
-2. De Kroon wordt in het
geding vertegenwoordigd door Onze Minister wie het aangaat
onderscheidenlijk door één of meer van Onze Ministers wie het
aangaat.
Art. 8:24.
[Bijstand en
vertegenwoordiging] (8.1.5.4) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb. 2008, 100;
Stb.
2012, 682]
-1. Partijen kunnen zich
laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.
-2. De bestuursrechter kan van
een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.
-3. Het tweede lid is niet
van toepassing ten aanzien van advocaten.
Art. 8:25.
[Weigering bijstand of vertegenwoordiging] (8.1.5.5)
[Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb. 2008, 100;
Stb.
2012, 682]
-1. De
bestuursrechter kan
bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige
bezwaren bestaan, weigeren.
-2. De betrokken partij
en de in het eerste lid bedoelde persoon worden onverwijld in
kennis gesteld van de weigering en de reden daarvoor.
-3. Het eerste lid is
niet van toepassing ten aanzien van advocaten.
Art. 8:26.
[Belanghebbenden als partij] (8.1.5.6) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682] •
[Jurisprudentie: LJN
AA8680]
-1. De
bestuursrechter kan tot
de sluiting van het onderzoek ter zitting ambtshalve, op verzoek
van een partij of op hun eigen verzoek belanghebbenden in de
gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen.
-2. Indien de bestuursrechter vermoedt dat er onbekende belanghebbenden zijn, kan
hij in de
Staatscourant doen aankondigen dat een zaak bij hem aanhangig
is. Naast de aankondiging in de Staatscourant kan ook een ander
middel voor de aankondiging worden gebruikt.
Art. 8:27.
[Verschijningsplicht] (8.1.5.7) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
-1. Partijen die door de
bestuursrechter zijn opgeroepen om in persoon dan wel in persoon of bij
gemachtigde te verschijnen, al dan niet voor het geven van
inlichtingen, zijn verplicht te verschijnen en de verlangde
inlichtingen te geven. Partijen worden hierop gewezen, alsmede op
artikel 8:31.
-2. Indien het een
rechtspersoon betreft of een bestuursorgaan dat een college is,
kan de bestuursrechter één of meer bepaalde bestuurders onderscheidenlijk
één of meer bepaalde leden
oproepen.
Art. 8:28.
[Informatieplicht] (8.1.5.8) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
Partijen aan wie door de
bestuursrechter is verzocht schriftelijk inlichtingen te geven, zijn
verplicht de verlangde inlichtingen te geven. Partijen worden
hierop gewezen, alsmede op artikel 8:31.
Art.
8:28a. [Zwijgrecht en cautie]
[Geschiedenis:
MvT; Stb. 2009, 264;
Stb.
2012, 682]
-1. Indien het beroep is ingesteld
tegen een bestuurlijke boete, is, in afwijking van de artikelen
8:27 en 8:28, de partij aan wie de
bestuurlijke boete is opgelegd niet verplicht omtrent de
overtreding verklaringen af te leggen.
-2. Vóór de bestuursrechter deze
partij verhoort, deelt hij haar mede dat zij niet verplicht is tot
antwoorden.
Art. 8:29.
[Geheimhouding] (8.1.5.9) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb. 2002, 53;
Stb.
2012, 682]
-1. Partijen die
verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te
leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het
geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken
weigeren of de bestuursrechter
mededelen dat uitsluitend hij kennis zal
mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.
-2. Gewichtige redenen
zijn voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig voor
zover ingevolge de Wet
openbaarheid van bestuur de verplichting
zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen
stukken, in te willigen.
-3. De bestuursrechter beslist
of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de
beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
-4. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de
verplichting.
-5. Indien de bestuursrechter
heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is,
kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op
de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken
uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de
zaak verwezen naar een andere kamer.
Art. 8:30.
[Medewerking
aan deskundigenonderzoek] (8.1.5.10) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998]
Partijen zijn verplicht
mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel
8:47,
eerste lid. Partijen worden hierop gewezen, alsmede op artikel
8:31.
Art. 8:31.
[Gevolgtrekkingen bij niet voldoen] (8.1.5.11) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682] •
[Jurisprudentie: LJN
AA4021; AD3849; AF0896]
Indien een partij niet
voldoet aan de verplichting te verschijnen, inlichtingen te geven,
stukken over te leggen of mee te werken aan een onderzoek als
bedoeld in artikel 8:47, eerste lid, kan de bestuursrechter
daaruit de
gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.
Art. 8:32.
[Kennisneming door gemachtigde] (8.1.5.12)
[Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
-1. De
bestuursrechter kan,
indien de vrees bestaat dat kennisneming van stukken door een
partij haar lichamelijke of geestelijke gezondheid zou schaden,
bepalen dat deze kennisneming is voorbehouden aan een gemachtigde
die advocaat of arts is dan wel daarvoor van de bestuursrechter bijzondere toestemming heeft gekregen.
-2. De bestuursrechter kan,
indien kennisneming van stukken door een partij de persoonlijke
levenssfeer van een ander onevenredig zou schaden, bepalen dat
deze kennisneming is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat
of arts is dan wel daarvoor van de bestuursrechter bijzondere
toestemming heeft gekregen.
AFDELING
8.1.6
Getuigen, deskundigen en
tolken
Art. 8:33.
[Verplichtingen getuige]
(8.1.6.1) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb. 2001, 581;
Stb.
2012, 682]
-1. Ieder die door de
bestuursrechter als getuige wordt opgeroepen, is verplicht aan de
oproeping gevolg te geven en getuigenis af te leggen.
-2. In de oproeping
worden vermeld de plaats en het tijdstip waarop de getuige zal
worden gehoord, de feiten waarop het horen betrekking zal hebben
en de gevolgen die zijn verbonden aan het niet verschijnen.
-3. De artikelen 165, tweede en
derde lid, 172, 173, eerste lid, eerste volzin, tweede en derde
lid, 174, eerste lid, 175, 176, eerste en derde lid, 177, eerste
lid, en 178 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering zijn
van overeenkomstige toepassing.
-4. De bestuursrechter kan
bepalen dat getuigen niet zullen worden gehoord dan na het
afleggen van de eed of de belofte. Zij leggen in dat geval de eed
of de belofte af dat zij zullen zeggen de gehele waarheid en niets
dan de waarheid.
Art. 8:34.
[Verplichtingen deskundige]
(8.1.6.2) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb. 2001, 581]
-1. De deskundige die
zijn benoeming heeft aanvaard, is verplicht zijn opdracht
onpartijdig en naar beste weten te vervullen.
-2. Artikel 165, tweede
lid, onderdeel b, en derde lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.
Art. 8:35.
[Verplichtingen tolk]
(8.1.6.3) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb. 2001, 581;
Stb.
2012, 682]
-1. De tolk die zijn
benoeming heeft aanvaard en die door de bestuursrechter wordt
opgeroepen, is verplicht aan de oproeping gevolg te geven en
zijn opdracht onpartijdig en naar beste weten te vervullen. De
artikelen 172 en 178 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
-2. In de oproeping
worden vermeld de plaats en het tijdstip waarop de opdracht moet
worden vervuld en de gevolgen die zijn verbonden aan het niet
verschijnen.
Art. 8:36.
[Vergoeding] (8.1.6.4) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
-1. Aan de door de
bestuursrechter opgeroepen getuigen, deskundigen en tolken en de
deskundigen die een onderzoek als bedoeld in artikel
8:47, eerste
lid, hebben ingesteld, wordt ten laste van het Rijk een vergoeding
toegekend. Het bij en krachtens de Wet
tarieven in strafzaken bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
-2. De partij die een
getuige of deskundige heeft meegebracht of opgeroepen, dan wel
aan wie een verslag van een deskundige is uitgebracht, is aan deze
een vergoeding verschuldigd. Het bij en krachtens de Wet tarieven
in strafzaken bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
AFDELING
8.1.7
Verzending van stukken
Art. 8:37.
[Verzending]
(8.1.7.1) [Geschiedenis:
VvW;
MvT;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
-1. Oproepingen, de
uitnodiging om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen,
alsmede de verzending van een afschrift van de uitspraak en van
het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak geschieden door de
griffier bij aangetekende brief of bij brief met
ontvangstbevestiging, tenzij de bestuursrechter anders bepaalt.
-2. Voor het overige
geschiedt de verzending van stukken door de griffier bij gewone
brief, tenzij de bestuursrechter anders bepaalt.
-3. In een brief wordt de
datum van verzending vermeld.
Art. 8:38.
[Terugontvangst]
(8.1.7.2) [Geschiedenis:
VvW;
MvT;
versie
1 januari 1998]
-1. Indien de griffier
een bij aangetekende brief of bij brief met ontvangstbevestiging
verzonden stuk terugontvangt en hem blijkt dat de geadresseerde op
de dag van verzending of uiterlijk één week daarna in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens stond
ingeschreven op het op het stuk vermelde adres, dan verzendt hij
het stuk zo spoedig mogelijk bij gewone brief.
-2. In de overige
gevallen waarin de griffier een bij aangetekende brief of bij
brief met ontvangstbevestiging verzonden stuk terugontvangt,
verbetert hij, indien mogelijk, het op het stuk vermelde adres en
verzendt hij het stuk opnieuw bij aangetekende brief of bij brief
met ontvangstbevestiging.
Art. 8:39.
[Toezending
stukken] (8.1.7.3) [Geschiedenis:
VvW;
MvT;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
-1. De griffier zendt de
op de zaak betrekking hebbende stukken zo spoedig mogelijk aan
partijen, voor zover de bestuursrechter niet op grond van de
artikelen
8:29 of 8:32 anders heeft beslist.
-2. De griffier kan de
toezending van zeer omvangrijke stukken of van stukken die
bezwaarlijk kunnen worden vermenigvuldigd, achterwege laten. Hij
stelt partijen daarvan in kennis en vermeldt daarbij dat deze
stukken gedurende een door hem te bepalen termijn van ten minste
één week ter griffie ter inzage worden gelegd.
-3. Partijen kunnen
afschriften van of uittreksels uit de in het tweede lid bedoelde
stukken verkrijgen. Met betrekking tot de kosten is het bij en
krachtens de Wet
tarieven in strafzaken bepaalde van
overeenkomstige toepassing.
Art. 8:40.
[Toezending
bij indiening door twee of meer personen] (8.1.7.4)
[Geschiedenis:
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
Indien het beroepschrift
is ingediend door twee of meer personen, kan worden volstaan met
verzending van de oproeping, de uitnodiging om op een zitting van
de bestuursrechter te verschijnen, de op de zaak betrekking hebbende
stukken en een afschrift van de uitspraak of van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak aan de persoon die als
eerste in het beroepschrift is vermeld.
Art.
8:40a. [Elektronisch verkeer met
bestuursrechter] [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2010, 173]
-1. Afdeling
2.3 is van overeenkomstige toepassing op het verkeer met de
bestuursrechter.
-2. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het
elektronisch verkeer met de bestuursrechter. [Bevb]
-3. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de
toepassing van videoconferentie.
TITEL
8.2
Behandeling van het beroep
in eerste aanleg
AFDELING 8.2.1
Griffierecht
Art. 8:41.
[Griffierecht]
(8.2.1.1) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 1995, 250; Stb.
1997, 112; Stb. 1997,
139; versie
1 januari 1998; Stb. 1998, 744;
Stb. 2001, 481; Stb.
2001, 538; Stb. 2001,
664; Stb. 2003, 20;
Stb. 2003, 500; Stb.
2004, 37; Stb. 2004, 325;
Stb. 2005, 16; Stb.
2005, 345; Stb. 2005,
26; Stb. 2006, 593;
Stb. 2007, 28; Stb.
2008, 20; Stb. 2008, 600;
Stb. 2009, 25; Stb.
2009, 264; Stb.
2010, 24; Stb. 2010,
768; Stb. 2011, 528;
Stcrt. 2012, 26652;
Stb.
2012, 682] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3611; AA3687]
-1. Van de indiener van het beroepschrift
wordt door de griffier een griffierecht geheven.
-2. Het griffierecht bedraagt:
a. €|44,00 indien door een
natuurlijk
persoon beroep is ingesteld tegen een besluit als omschreven in de bij
deze wet behorende Regeling verlaagd griffierecht;
b. €|160,00 indien door een
natuurlijk
persoon beroep is ingesteld tegen een ander besluit;
c. €|318,00 indien anders dan door een
natuurlijk persoon beroep is ingesteld.
-3. Indien het een beroepschrift tegen
twee of meer samenhangende besluiten dan wel van twee of meer indieners
tegen hetzelfde besluit betreft, is eenmaal griffierecht verschuldigd.
Dit griffierecht is gelijk aan het hoogste van de bedragen die bij
toepassing van het tweede lid verschuldigd zouden zijn geweest.
-4. De griffier deelt de indiener van het
beroepschrift mede welk griffierecht is verschuldigd en wijst hem
daarbij op het bepaalde in het vijfde en zesde lid.
-5. Het griffierecht dient binnen vier
weken na verzending van de mededeling van de griffier te zijn
bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn
gestort.
-6. Indien het bedrag niet tijdig is
bijgeschreven of gestort, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij
redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is
geweest.
-7. Indien het beroep wordt ingetrokken
omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het
beroepschrift is tegemoetgekomen, vergoedt het bestuursorgaan aan de
indiener het door deze betaalde griffierecht.
-8. In andere gevallen kan het
bestuursorgaan, indien het beroep wordt ingetrokken, het betaalde
griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoeden.
AFDELING
8.2.1A
Algemene
bepaling
Art.
8:41a. [Definitieve
geschilbeslechting] [Geschiedenis:
Stb.
2012, 682]
De bestuursrechter beslecht het hem
voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief.
AFDELING
8.2.2
Vooronderzoek
Art. 8:42.
[Termijn indiening verweerschrift en
inzending ambtsberichten] (8.2.2.1) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682] •
[Jurisprudentie: LJN
AA4021; AD3849; AF0896]
-1. Binnen vier weken na
de dag van verzending van het beroepschrift aan het bestuursorgaan
zendt dit de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter
en dient het een verweerschrift in.
-2. De bestuursrechter kan de
in het eerste lid bedoelde termijn verlengen.
Art. 8:43.
[Repliek en
dupliek] (8.2.2.2) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
-1. De
bestuursrechter kan de
indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen
schriftelijk te repliceren. In dat geval wordt het
bestuursorgaan in de gelegenheid gesteld schriftelijk te dupliceren. De
bestuursrechter stelt de termijnen voor repliek en
dupliek vast.
-2. De bestuursrechter stelt
andere partijen dan de in het eerste lid bedoelde in de
gelegenheid om ten minste eenmaal een schriftelijke uiteenzetting
over de zaak te geven. Hij stelt hiervoor een termijn vast.
Art. 8:44.
[Horen partijen] (8.2.2.3) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682 + bis]
-1. De
bestuursrechter kan
partijen oproepen om in persoon dan wel in persoon of bij
gemachtigde te verschijnen om te worden gehoord, al dan niet voor
het geven van inlichtingen. Indien niet alle partijen worden
opgeroepen, worden de niet opgeroepen partijen in de gelegenheid
gesteld het horen bij te wonen en een uiteenzetting over de zaak
te geven.
-2. Van het geven van
inlichtingen wordt door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.
-3. Het wordt door de voorzitter en de griffier ondertekend.
Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in het
proces-verbaal vermeld.
Art. 8:45.
[Schriftelijke
inlichtingen; consultatie EC] (8.2.2.4) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
-1. De
bestuursrechter kan
partijen en anderen verzoeken binnen een door haar ¹ te bepalen
termijn schriftelijk inlichtingen te geven en onder hen berustende
stukken in te zenden.
-2. Bestuursorganen zijn,
ook als zij geen partij zijn, verplicht aan het verzoek, bedoeld
in het eerste lid, te voldoen. Artikel 8:29 is van overeenkomstige
toepassing.
-3. Werkgevers van
partijen zijn, ook als zij geen partij zijn, verplicht aan het
verzoek, bedoeld in het eerste lid, te voldoen. Artikel 8:29 is
van overeenkomstige toepassing.
-4. Van het voornemen van de
bestuursrechter tot het vragen van inlichtingen of advies aan de
Europese Commissie krachtens artikel 15, eerste lid, van Verordening
(EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de
uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het
Verdrag (PbEG 2003, L 1) wordt aan partijen mededeling gedaan. De
bestuursrechter kan partijen in de gelegenheid stellen om hun wensen
omtrent de te vragen inlichtingen of het te vragen advies binnen een
door hem te bepalen termijn schriftelijk aan hem kenbaar te maken.
-5. Op het verstrekken van inlichtingen of
advies door de Europese Commissie is artikel 8:29 van overeenkomstige
toepassing.
-6. Partijen kunnen binnen vier weken na
de dag van verzending aan hen van de inlichtingen of het advies van de
Europese Commissie schriftelijk hun zienswijze met betrekking tot de
inlichtingen of het advies naar voren brengen. De rechtbank
kan deze
termijn verlengen.
1. Volgens de redactie dient
"haar" te worden vervangen door: hem.
Art.
8:45a. [Amicus curiae-bevoegdheid EC en
ACM] [Geschiedenis:
Stb.
2012, 682 ; Stb.
2013, 102]
-1. De Europese Commissie en de Autoriteit Consument en Markt kunnen, niet
optredende als partij, schriftelijke opmerkingen maken krachtens artikel
15, derde lid, eerste alinea, van de in artikel
8:45, vierde lid,
genoemde verordening indien zij de wens daartoe te kennen hebben
gegeven. De bestuursrechter kan daarvoor een termijn vaststellen.
-2. Met toestemming van de bestuursrechter
kunnen de Europese Commissie en de Autoriteit Consument en Markt ook mondelinge
opmerkingen maken. De bestuursrechter kan de Europese Commissie en de
Autoriteit Consument en Markt voor het maken van mondelinge opmerkingen uitnodigen.
Partijen worden in de gelegenheid gesteld daarbij aanwezig te zijn.
Artikel 8:44, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-3. De bestuursrechter doet partijen
schriftelijk mededeling van de stukken die hij krachtens artikel 15,
derde lid, tweede alinea, van de verordening aan de Europese Commissie
of de Autoriteit Consument en Markt verstrekt met het oog op de door hen te maken
opmerkingen.
-4. Partijen kunnen binnen vier weken na
de dag van verzending aan hen van de opmerkingen dan wel van het
proces-verbaal van de opmerkingen van de Europese Commissie of de
Autoriteit Consument en Markt schriftelijk hun zienswijze met betrekking tot de
opmerkingen naar voren brengen. De bestuursrechter kan deze termijn
verlengen.
Art. 8:46.
[Oproeping getuigen]
(8.2.2.5) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb. 2001, 581;
Stb.
2012, 682]
-1. De
bestuursrechter kan
getuigen oproepen.
-2. De bestuursrechter deelt de
namen en woonplaatsen van de getuigen, de plaats en het tijdstip
waarop dezen zullen worden gehoord en de feiten waarop het horen
betrekking zal hebben, ten minste één week tevoren aan partijen
mee.
-3. De artikelen 179,
eerste, tweede en derde lid, eerste volzin, en 180, eerste tot en
met derde en vijfde lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 8:47.
[Benoeming deskundige] (8.2.2.6) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
-1. De
bestuursrechter kan een
deskundige benoemen voor het instellen van een onderzoek.
-2. Bij de benoeming
worden vermeld de opdracht die moet worden vervuld en de termijn,
bedoeld in het vierde lid.
-3. Van het voornemen tot
het benoemen van een deskundige als bedoeld in het eerste lid
wordt aan partijen mededeling gedaan. De bestuursrechter kan partijen in
de gelegenheid stellen om hun wensen omtrent het onderzoek binnen
een door hem te bepalen termijn schriftelijk aan hem kenbaar te
maken.
-4. De bestuursrechter
stelt
een termijn binnen welke de deskundige aan hem een schriftelijk
verslag van het onderzoek uitbrengt.
-5. Partijen kunnen
binnen vier weken na de dag van verzending van het verslag aan hen
schriftelijk hun zienswijze met betrekking tot het verslag naar
voren brengen.
-6. De bestuursrechter
kan de
in het vijfde lid bedoelde termijn verlengen.
Art. 8:48.
[Inwinning inlichtingen door arts] (8.2.2.7)
[Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998]
-1. De arts die voor het
instellen van een onderzoek als bedoeld in artikel
8:47, eerste
lid, een persoon moet onderzoeken, kan de voor het onderzoek van
belang zijnde inlichtingen over deze persoon inwinnen bij de
behandelend arts of de behandelende artsen, de verzekeringsarts en
de adviserend arts van het bestuursorgaan.
-2. Zij verstrekken
de gevraagde inlichtingen voor zover daardoor de persoonlijke
levenssfeer van de betrokken persoon niet onevenredig wordt
geschaad.
Art. 8:49.
[Benoeming tolken]
(8.2.2.8) [Geschiedenis:
VvW;
MvT;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
De bestuursrechter kan tolken
benoemen.
Art. 8:50.
[Onderzoek ter plaatse] (8.2.2.9)
[Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
-1. De
bestuursrechter kan een
onderzoek ter plaatse instellen. Hij heeft daarbij toegang tot
elke plaats voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van
zijn taak nodig is.
-2. Bestuursorganen
verlenen de medewerking die in het belang van het onderzoek is
vereist.
-3. Van plaats en
tijdstip van het onderzoek wordt aan partijen mededeling gedaan.
Zij kunnen bij het onderzoek aanwezig zijn.
-4. Van het onderzoek
wordt door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.
-5. Het wordt door de
voorzitter en de griffier ondertekend.
Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in het
proces-verbaal vermeld.
Art. 8:51.
[Opdracht tot onderzoek ter plaatse] (8.2.2.10)
[Geschiedenis:
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
-1. De
bestuursrechter kan aan
een door hem aangewezen gerechtsauditeur of aan de griffier
opdragen een onderzoek ter plaatse in te stellen. Deze heeft
daarbij toegang tot elke plaats voor zover dat redelijkerwijs voor
de vervulling van de hem opgedragen taak nodig is. De bestuursrechter
is
bevoegd tot het geven van een machtiging tot binnentreden.
-2. Artikel 8:50, tweede
en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-3. Van het onderzoek
wordt door de gerechtsauditeur of de griffier een proces-verbaal
opgemaakt, dat door hem wordt ondertekend.
AFDELING
8.2.2A
Bestuurlijke
lus
Art.
8:51a. [Herstel gebrek bestreden
besluit] [Geschiedenis:
MvT; Stb. 2009, 570;
Stb.
2012, 682]
-1. De bestuursrechter
kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het
bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De vorige
volzin vindt geen toepassing indien belanghebbenden die niet als
partij aan het geding deelnemen daardoor onevenredig kunnen worden
benadeeld.
-2. De bestuursrechter
bepaalt de termijn waarbinnen het bestuursorgaan
het gebrek kan herstellen. Hij kan deze termijn verlengen.
Art.
8:51b. [Reactie bestuursorgaan op
tussenuitspraak; indiening zienswijzen] [Geschiedenis:
MvT; Stb. 2009, 570;
Stb.
2012, 682]
-1. Het
bestuursorgaan deelt de bestuursrechter
zo
spoedig mogelijk mede of het gebruik maakt van de gelegenheid om
het gebrek te herstellen of te laten herstellen.
-2. Indien het bestuursorgaan
overgaat tot herstel van het gebrek, deelt het de bestuursrechter
zo
spoedig mogelijk schriftelijk mede op welke wijze het gebrek is
hersteld.
-3. Partijen kunnen binnen vier weken
na verzending van de mededeling, bedoeld in het tweede lid,
schriftelijk hun zienswijze over de wijze waarop het gebrek is
hersteld naar voren brengen. De bestuursrechter
kan deze termijn
verlengen.
Art.
8:51c. [Vervolgbehandeling]
[Geschiedenis:
MvT; Stb. 2009, 570;
Stb.
2012, 682]
De bestuursrechter
deelt partijen mede op welke
wijze het beroep verder wordt behandeld binnen vier weken na:
a.
ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan dat het geen
gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen of te
laten herstellen;
b.
het ongebruikt verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel
8:51a, tweede lid;
c.
ontvangst van de zienswijzen; of
d.
het ongebruikt verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel
8:51b, derde lid.
Art.
8:51d. [Opdracht tot herstel gebrek
bestreden besluit in hoogste aanleg]
[Geschiedenis:
Stb.
2012, 682]
Indien de bestuursrechter in hoogste
aanleg uitspraak doet, kan hij het bestuursorgaan opdragen een gebrek in
het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De artikelen
8:51a, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, 8:51b, tweede en derde
lid, en 8:51c, aanhef en onder
b tot en met d, zijn van toepassing.
AFDELING
8.2.3
Versnelde behandeling
Art. 8:52.
[Versnelde
behandeling] (8.2.3.1) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3687; AA7188]
-1. De
bestuursrechter kan,
indien de zaak spoedeisend is, bepalen dat deze versneld wordt
behandeld.
-2. In dat geval kan de
bestuursrechter:
a. de in artikel
8:41, vijfde lid, bedoelde termijn verkorten;
b. de in artikel
8:42,
eerste lid, bedoelde termijn verkorten;
c. artikel
8:43, tweede
lid, geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten;
d. artikel
8:47, derde
lid, geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten;
e. de in artikel
8:47,
vijfde lid, bedoelde termijn verkorten; en
f. de in artikel 8:58, eerste lid,
bedoelde termijn verkorten.
-3. Indien de bestuursrechter bepaalt dat de zaak versneld wordt behandeld, bepaalt
hij tevens
zo spoedig mogelijk het tijdstip waarop de zitting zal
plaatsvinden en doet hij daarvan onverwijld mededeling aan
partijen. Artikel 8:56 is niet van toepassing.
Art. 8:53.
[Beëindiging
versnelde behandeling] (8.2.3.2) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3687]
Blijkt aan de bestuursrechter bij de behandeling dat de zaak niet voldoende spoedeisend is om
een versnelde behandeling te rechtvaardigen of dat de zaak een
gewone behandeling vordert, dan bepaalt hij dat de zaak verder op
de gewone wijze wordt behandeld.
AFDELING
8.2.4
Vereenvoudigde behandeling
Art. 8:54.
[Vereenvoudigde behandeling] (8.2.4.1) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682] •
[Jurisprudentie: LJN
AA8237; AB0236]
-1. Totdat partijen zijn
uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan
de bestuursrechter het onderzoek sluiten indien voortzetting van het
onderzoek niet nodig is, omdat:
a. de bestuursrechter kennelijk
onbevoegd is;
b. het beroep kennelijk
niet-ontvankelijk is;
c. het beroep kennelijk
ongegrond is; of
d. het beroep kennelijk
gegrond is.
-2. In de uitspraak na
toepassing van het eerste lid worden partijen gewezen op artikel
8:55, eerste lid.
Art.
8:54a. [Ten
onrechte rechtstreeks
beroep] [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2004, 220; Stb.
2012, 682]
-1. Totdat partijen zijn
uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de
bestuursrechter het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig
is, omdat het bestuursorgaan kennelijk ten onrechte heeft ingestemd met
rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter.
-2. In dat geval strekt de
uitspraak ertoe dat het bestuursorgaan het beroepschrift als
bezwaarschrift behandelt. Artikel 7:10 is van overeenkomstige
toepassing.
Art. 8:55.
[Verzet]
(8.2.4.2) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 1995, 250; versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682] •
[Jurisprudentie: LJN
AA8237]
-1. Tegen de uitspraak, bedoeld in artikel
8:54, tweede lid, kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan verzet
doen bij de bestuursrechter.
-2. De artikelen 6:4, derde lid, 6:5 tot
en met 6:9, 6:11, 6:14,
6:15, 6:17 en
6:21 zijn van overeenkomstige
toepassing.
-3. Indien bij wet de werking van een
uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van
hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is ingesteld, op het
hoger beroep is beslist, wordt de werking van de uitspraak, bedoeld in
artikel 8:54, tweede lid, op overeenkomstige wijze opgeschort.
-4. Alvorens uitspraak te doen op het
verzet, stelt de bestuursrechter de indiener van het verzetschrift die
daarom heeft gevraagd in de gelegenheid op een zitting te worden
gehoord, tenzij hij van oordeel is dat het verzet gegrond is. In andere
gevallen kan de bestuursrechter de indiener in de gelegenheid stellen op
een zitting te worden gehoord.
-5. De bestuursrechter kan ook de andere
partijen in de gelegenheid stellen op de zitting, bedoeld in het vierde
lid, te worden gehoord.
-6. Indien de uitspraak waartegen verzet
is gedaan, is gedaan door een meervoudige kamer, wordt uitspraak op het
verzet gedaan door een meervoudige kamer. Van de kamer die uitspraak
doet op het verzet maakt geen deel uit degene die zitting heeft gehad in
de kamer die de uitspraak heeft gedaan waartegen verzet is gedaan.
-7. De uitspraak strekt tot:
a. niet-ontvankelijkverklaring van het verzet;
b. ongegrondverklaring van het verzet; of
c. gegrondverklaring van het verzet.
-8. Indien de bestuursrechter het verzet
niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart, blijft de uitspraak waartegen
verzet was gedaan in stand.
-9. Indien de bestuursrechter het verzet
gegrond verklaart, vervalt de uitspraak waartegen verzet was gedaan en
wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
-10. Indien de bestuursrechter het verzet
gegrond verklaart, kan hij tevens uitspraak doen op het beroep, mits:
a. nader onderzoek redelijkerwijs niet
kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak; en
b. de partijen in de gelegenheid zijn
gesteld op een zitting te worden gehoord en daarbij zijn gewezen op de
bevoegdheid om tevens uitspraak te doen op het beroep.
AFDELING
8.2.4A
Beroep
bij niet tijdig handelen
Art.
8:55a. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT2
+ bis; Stb. 2009, 383 + bis]
Art.
8:55b. [Afdoening buiten zitting]
[Geschiedenis:
MvT2;
Stb. 2009, 383; Stb.
2012, 682]
-1. Indien het beroep is gericht
tegen het niet tijdig nemen van een besluit, doet de bestuursrechter
binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen en aan de
vereisten van artikel 6:5 is voldaan,
uitspraak met toepassing van artikel 8:54,
tenzij de bestuursrechter
een onderzoek ter zitting nodig acht.
-2. Indien de bestuursrechter
een onderzoek
ter zitting nodig acht, deelt hij dit zo spoedig mogelijk aan
partijen mede.
-3. Indien de bestuursrechter
een onderzoek
ter zitting nodig acht, behandelt hij het beroep zo mogelijk met
toepassing van artikel 8:52. In dat geval doet
de bestuursrechter
zo mogelijk binnen dertien weken uitspraak.
Art.
8:55c. [Vaststelling hoogte dwangsom] [Geschiedenis:
MvT2;
Stb. 2009, 383; Stb.
2009, 503; Stb.
2012, 682]
Indien het beroep gegrond is, stelt de
bestuursrechter desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling
4.1.3 verbeurde dwangsom vast. De artikelen 611a, vierde lid, 611b tot
en met 611d en 611g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering zijn
van overeenkomstige toepassing.
Art.
8:55d. [Inhoud uitspraak]
[Geschiedenis:
MvT2;
Stb. 2009, 383; Stb.
2012, 682]
-1. Indien het beroep gegrond is en
nog geen besluit is bekendgemaakt, bepaalt de bestuursrechter
dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de
uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.
-2. De bestuursrechter
verbindt aan zijn uitspraak een nadere dwangsom voor iedere dag dat het
bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. De artikelen 611a, vierde lid, 611b tot en met
611d en 611g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van
overeenkomstige toepassing.
-3. In bijzondere gevallen of indien
de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, kan
de bestuursrechter
een andere termijn bepalen of een andere voorziening
treffen.
Art.
8:55e. [Verzet] [Geschiedenis:
MvT2;
Stb. 2009, 383; Stb.
2012, 682]
-1. Indien tegen de met toepassing
van artikel 8:54 gedane uitspraak verzet wordt
gedaan, beslist de bestuursrechter
daarover
binnen zes weken.
-2. Artikel 8:55,
derde lid, is niet van toepassing.
-3. Indien het verzet gegrond is,
beslist de bestuursrechter
zo spoedig mogelijk op het beroep.
Art.
8:55f. [Beroep bij niet tijdig
bekendmaken beschikking van rechtswege] [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2009, 503; Stb.
2012, 682]
-1. Tegen het niet tijdig bekendmaken
van een beschikking van rechtswege kan de belanghebbende beroep
bij de bestuursrechter
instellen.
-2. Deze afdeling is van
overeenkomstige toepassing.
AFDELING
8.2.5
Onderzoek ter zitting
Art. 8:56.
[Uitnodiging zitting] (8.2.5.1)
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
Na afloop van het
vooronderzoek worden partijen ten minste drie weken tevoren
uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en
tijdstip op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen.
Art. 8:57.
[Afdoening
zonder zitting] (8.2.5.2) [Geschiedenis:
VvW;
MvT;
versie
1 januari 1998; Stb. 2009, 570;
Stb.
2012, 682 •
[Jurisprudentie: LJN
AB2256]
-1.
De bestuursrechter kan bepalen dat het onderzoek
ter zitting achterwege blijft indien partijen daarvoor toestemming
hebben verleend.
-2. Is het beroep reeds ter zitting
behandeld, dan kan de bestuursrechter na toepassing van artikel
8:51a bepalen dat een nader onderzoek ter zitting
achterwege blijft, indien:
a.
het bestuursorgaan heeft medegedeeld dat het geen gebruik maakt
van de gelegenheid om het gebrek te herstellen of te laten
herstellen;
b.
de termijn als bedoeld in artikel 8:51a,
tweede lid, ongebruikt is verstreken;
c.
partijen hun zienswijzen over de wijze waarop het gebrek is
hersteld naar voren hebben gebracht; of
d.
de termijn als bedoeld in artikel 8:51b,
derde lid, ongebruikt is verstreken, tenzij partijen daardoor
kunnen worden benadeeld.
-3. Als de bestuursrechter bepaalt dat het
onderzoek of het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft,
sluit hij het onderzoek.
Art. 8:58.
[Indienen
nadere stukken] (8.2.5.3) [Geschiedenis:
VvW;
MvT;
versie
1 januari 1998]
-1. Tot tien dagen vóór
de zitting kunnen partijen nadere stukken indienen.
-2. Op deze bevoegdheid
worden partijen in de uitnodiging, bedoeld in artikel
8:56,
gewezen.
Art. 8:59.
[Verschijning in persoon of bij gemachtigde] (8.2.5.4)
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
De bestuursrechter kan een
partij oproepen om in persoon dan wel in persoon of bij
gemachtigde te verschijnen, al dan niet voor het geven van
inlichtingen.
Art. 8:60.
[Getuigen,
deskundigen en tolken] (8.2.5.5) [Geschiedenis:
VvW;
MvT;
versie
1 januari 1998; Stb. 2001, 581;
Stb.
2012, 682]
-1. De
bestuursrechter kan
getuigen oproepen en deskundigen en tolken benoemen.
-2. De opgeroepen getuige
en de deskundige of de tolk die zijn benoeming heeft aanvaard en
door de bestuursrechter wordt opgeroepen, zijn verplicht aan de
oproeping gevolg te geven. De artikelen 172 en 178 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige
toepassing. In de oproeping van de deskundige worden vermeld de
opdracht die moet worden vervuld, de plaats en het tijdstip waarop
de opdracht moet worden vervuld en de gevolgen die zijn verbonden
aan het niet verschijnen.
-3. Namen en woonplaatsen
van de opgeroepen getuigen en deskundigen en de feiten waarop het
horen betrekking zal hebben onderscheidenlijk de opdracht die moet
worden vervuld, worden bij de uitnodiging, bedoeld in artikel
8:56, aan partijen zoveel mogelijk medegedeeld.
-4. Partijen kunnen
getuigen en deskundigen meebrengen of bij aangetekende brief of
deurwaardersexploit oproepen, mits daarvan uiterlijk één week vóór
de dag van de zitting aan de bestuursrechter en aan de andere partijen
mededeling is gedaan, met vermelding van namen en woonplaatsen. Op
deze bevoegdheid worden partijen in de uitnodiging, bedoeld in
artikel 8:56, gewezen.
Art.
8:60a. [Indieningstermijn schriftelijke
opmerkingen EC of ACM] [Geschiedenis:
Stb.
2012, 682 ; Stb.
2013, 102]
-1. De schriftelijke opmerkingen van de
Europese Commissie of de Autoriteit Consument en Markt, bedoeld in artikel 8:45a, eerste lid, kunnen tot
tien dagen vóór de zitting worden ingediend.
-2. Indien de Europese Commissie of de Autoriteit Consument en
Markt ter zitting verschijnt voor het maken van mondelinge
opmerkingen, wordt dit zoveel mogelijk aan partijen meegedeeld bij de
uitnodiging voor de zitting. Artikel 8:45a, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Art. 8:61.
[Zitting en proces-verbaal] (8.2.5.6)
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
-1. De voorzitter
heeft de leiding van de zitting.
-2. De griffier houdt
aantekening van het verhandelde ter zitting.
-3. De griffier maakt van de zitting een
proces-verbaal op:
a. indien de bestuursrechter dit
ambtshalve of op verzoek van een partij die daarbij belang heeft,
bepaalt; of
b. op verzoek van de hogerberoepsrechter
of de Hoge Raad.
-4. Het bevat de namen
van de rechter of de rechters die de zaak behandelt
onderscheidenlijk behandelen, die van partijen en van hun
vertegenwoordigers of gemachtigden die op de zitting zijn
verschenen en van degenen die hen hebben bijgestaan, en die van de
getuigen, deskundigen en tolken die op de zitting zijn verschenen.
-5. Het houdt een
vermelding in van hetgeen op de zitting met betrekking tot de zaak
is voorgevallen.
-6. Het wordt door de
voorzitter en de griffier ondertekend.
Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in het
proces-verbaal vermeld.
-7. Aan het
proces-verbaal kunnen overgelegde pleitnotities worden gehecht.
-8. De bestuursrechter kan
bepalen dat de verklaring van een partij, getuige of deskundige
geheel in het proces-verbaal zal worden opgenomen. In dat geval
wordt de verklaring onverwijld op schrift gesteld en aan de
partij, getuige of deskundige voorgelezen. Deze mag daarin
wijzigingen aanbrengen, die op schrift worden gesteld en aan de
partij, getuige of deskundige worden voorgelezen. De verklaring
wordt door de partij, getuige of deskundige ondertekend. Heeft
ondertekening niet plaats, dan wordt de reden daarvan in het
proces-verbaal vermeld.
-9. De griffier die een proces-verbaal
opmaakt, zendt dit aan partijen.
Art. 8:62.
[Openbaarheid zitting] (8.2.5.7)
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
-1. De zitting is
openbaar.
-2. De bestuursrechter kan
bepalen dat het onderzoek ter zitting geheel of gedeeltelijk zal
plaatshebben met gesloten deuren:
a. in het belang van de
openbare orde of de goede zeden;
b. in het belang van de
veiligheid van de Staat;
c. indien de belangen van
minderjarigen of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer
van partijen dit eisen; of
d. indien openbaarheid
het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden.
Art. 8:63.
[Horen getuigen en deskundigen] (8.2.5.8)
[Geschiedenis:
VvW;
MvT;
versie
1 januari 1998; Stb. 2001, 581;
Stb.
2012, 682]
-1. Op het horen van
getuigen en deskundigen is artikel 179, tweede en derde lid,
eerste volzin, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van
overeenkomstige toepassing. Op het horen van getuigen is artikel
179, eerste lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.
-2. De bestuursrechter kan
afzien van het horen van door een partij meegebrachte of
opgeroepen getuigen en deskundigen indien hij van oordeel is dat
dit redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de
zaak.
-3. Indien een door een
partij opgeroepen getuige of deskundige niet is verschenen, kan de
bestuursrechter
deze oproepen. In dat geval schorst de bestuursrechter
het
onderzoek ter zitting.
Art. 8:64.
[Schorsing onderzoek ter zitting]
(8.2.5.9) [Geschiedenis:
VvW;
MvT;
versie
1 januari 1998; Stb. 2009, 570;
Stb.
2012, 682]
-1. De
bestuursrechter kan het
onderzoek ter zitting schorsen. Hij kan daarbij bepalen dat het
vooronderzoek wordt hervat.
-2. Indien bij de
schorsing geen tijdstip van de nadere zitting is bepaald, bepaalt
de bestuursrechter
dit zo spoedig mogelijk. De griffier doet zo spoedig
mogelijk mededeling aan partijen van het tijdstip van de nadere
zitting.
-3. In de gevallen waarin
schorsing van het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden,
wordt de zaak op de nadere zitting hervat in de stand waarin zij
zich bevond.
-4. De bestuursrechter
kan
bepalen dat het onderzoek ter zitting opnieuw wordt aangevangen.
-5. De bestuursrechter
kan bepalen dat de
nadere zitting achterwege blijft indien partijen daarvoor
toestemming hebben gegeven. Artikel 8:57,
tweede en derde lid, is van toepassing.
Art. 8:65.
[Sluiting
onderzoek ter zitting] (8.2.5.10) [Geschiedenis:
VvW;
MvT;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
-1. De
bestuursrechter sluit
het onderzoek ter zitting wanneer hij van oordeel is dat het is
voltooid.
-2. Voordat het onderzoek
ter zitting wordt gesloten, hebben partijen het recht voor het
laatst het woord te voeren.
-3. Zodra het onderzoek
ter zitting is gesloten, deelt de voorzitter mee wanneer uitspraak
zal worden gedaan.
AFDELING
8.2.6
Uitspraak
Art. 8:66.
[Termijn
uitspraak] (8.2.6.1) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
-1. Tenzij mondeling
uitspraak wordt gedaan, doet de bestuursrechter binnen zes weken na de
sluiting van het onderzoek schriftelijk uitspraak.
-2. In bijzondere
omstandigheden kan de bestuursrechter deze termijn met ten hoogste zes
weken verlengen.
-3. Van deze verlenging
wordt aan partijen mededeling gedaan.
Art. 8:67.
[Mondelinge
uitspraak] (8.2.6.2) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
-1. De
bestuursrechter kan na
de sluiting van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling
uitspraak doen. De uitspraak kan voor ten hoogste één week worden
verdaagd onder aanzegging aan partijen van het tijdstip van de
uitspraak.
-2. De mondelinge
uitspraak bestaat uit de beslissing en de gronden van de
beslissing.
-3. Van de mondelinge
uitspraak wordt door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.
-4. Het wordt door de
voorzitter en de griffier ondertekend.
Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in het
proces-verbaal vermeld.
-5. De bestuursrechter spreekt
de beslissing, bedoeld in het tweede lid, in het openbaar uit, in
tegenwoordigheid van de griffier. Daarbij wordt vermeld door wie,
binnen welke termijn en bij welke bestuursrechter welk
rechtsmiddel kan worden aangewend.
-6. De mededeling,
bedoeld in het vijfde lid, tweede volzin, wordt in het
proces-verbaal vermeld.
Art. 8:68.
[Heropening
onderzoek] (8.2.6.3) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682] •
[Jurisprudentie: LJN AE2487]
-1. Indien de
bestuursrechter van oordeel is dat het onderzoek niet volledig is geweest, kan
hij
het heropenen. De bestuursrechter
bepaalt daarbij op welke wijze het
onderzoek wordt voortgezet.
-2. De griffier doet zo
spoedig mogelijk mededeling daarvan aan partijen.
Art. 8:69.
[Grondslag uitspraak; verbod van reformatio
in peius] (8.2.6.4) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682] •
[Jurisprudentie: LJN
AB0596; AE3721; AE7599]
-1. De
bestuursrechter doet
uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde
stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het
onderzoek ter zitting.
-2. De bestuursrechter vult
ambtshalve de rechtsgronden aan.
-3. De bestuursrechter kan
ambtshalve de feiten aanvullen.
Art.
8:69a. [Relativiteitsvereiste]
[Geschiedenis:
Stb.
2012, 682]
De bestuursrechter vernietigt een besluit
niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven
rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel indien deze regel of dit
beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van
degene die zich daarop beroept.
Art. 8:70.
[Strekking uitspraak] (8.2.6.5)
[Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
De uitspraak strekt tot:
a. onbevoegdverklaring
van de bestuursrechter;
b.
niet-ontvankelijkverklaring van het beroep;
c. ongegrondverklaring
van het beroep; of
d. gegrondverklaring van
het beroep.
Art. 8:71.
[Binding burgerlijke rechter aan uitspraak]
(8.2.6.5a) [Geschiedenis:
versie
1 januari 1998] •
[Jurisprudentie: LJN
AB0950]
Voor zover uitsluitend
een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld,
wordt dit in de uitspraak vermeld. De burgerlijke rechter is aan
die beslissing gebonden.
Art. 8:72.
[Vernietiging bestreden besluit] (8.2.6.6)
[Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb. 2002, 53;
Stb. 2009, 264; Stb.
2009, 570; Stb.
2012, 682] • [Jurisprudentie:
LJN AA3763; AA3943;
AA3977; AA4021; AA5738;
AA5881; AA6362;
AA6935; AA6936;
AA8506; AA8508;
AA8511; AA8538;
AA8680; AA8683;
AA8926; AB0950;
AB1019; AB1806;
AB2276; AB2277;
AB2485; AB2488;
AB3076; AD3412;
AD5014; AD7123;
AD7718; AD9662;
AE1887;
AE3170; AE3713;
AE3721;
AE3731; AE3732;
AE3802;
AE3952; AE4538;
AE6141;
AE6365;
AE6820;
AE6822;
AE8636;
AF0905]
-1. Indien de bestuursrechter het beroep
gegrond verklaart, vernietigt hij het bestreden besluit geheel of
gedeeltelijk.
-2. De vernietiging van een besluit of een
gedeelte van een besluit brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van
dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee.
-3. De bestuursrechter kan bepalen dat:
a. de rechtsgevolgen van het vernietigde
besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in
stand blijven; of
b. zijn uitspraak in de plaats treedt van
het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.
-4. De bestuursrechter kan, indien
toepassing van het derde lid niet mogelijk is, het bestuursorgaan
opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te
verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij:
a. bepalen dat wettelijke voorschriften
over de voorbereiding van het nieuwe besluit of de andere handeling
geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven;
b. het bestuursorgaan een termijn stellen
voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere
handeling.
-5. De bestuursrechter kan zo nodig een
voorlopige voorziening treffen. Daarbij bepaalt hij het tijdstip waarop
de voorlopige voorziening vervalt.
-6. De bestuursrechter kan bepalen dat,
indien of zolang het bestuursorgaan niet voldoet aan een uitspraak, het
bestuursorgaan aan een door hem aangewezen partij een in de uitspraak
vast te stellen dwangsom verbeurt. De artikelen 611a, vierde lid,
611b
tot en met 611d en 611g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
Art.
8:72a. [Vernietiging
boetebeschikking] [Geschiedenis:
MvT; Stb. 2009, 264;
Stb.
2012, 682]
Indien de bestuursrechter een beschikking tot
het opleggen van een bestuurlijke boete vernietigt, neemt hij een
beslissing omtrent het opleggen van de boete en bepaalt hij dat
zijn uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde
beschikking.
Art. 8:73.
[Schadevergoeding] (8.2.6.7) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb. 2009, 264;
Stb.
2012, 682; Stb. 2013, 50]
•
[Jurisprudentie: LJN
AA3468; AA3543; AA6778;
AA6935; AB0578;
AB3333; AD5912;
AD7718;
AE0174; AE6057]
-1. Indien de
bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, kan hij, indien daarvoor gronden
zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die die
partij lijdt.
-2. Indien de bestuursrechter
de omvang van de schadevergoeding bij zijn uitspraak niet of
niet volledig kan vaststellen, bepaalt hij in zijn uitspraak dat
ter voorbereiding van een nadere uitspraak daarover het
onderzoek wordt heropend. De bestuursrechter
bepaalt daarbij op welke
wijze het onderzoek wordt voortgezet.
Art. 8:73a.
[Schadevergoeding bij intrekking beroep] [Geschiedenis:
MvT;
Stb. 2002, 53; Stb.
2009, 264; Stb.
2012, 682; Stb. 2013, 50]
-1. In geval van intrekking van het
beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de
indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de
bestuursrechter,
op verzoek van de indiener, het bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:73
veroordelen tot vergoeding van de schade die de verzoeker lijdt.
Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het
beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek
niet-ontvankelijk verklaard.
-2. De bestuursrechter stelt de verzoeker
zo nodig in de gelegenheid het verzoek schriftelijk toe te lichten
en stelt het bestuursorgaan in de gelegenheid een verweerschrift
in te dienen. Hij stelt hiervoor termijnen vast. Indien het
verzoek mondeling wordt gedaan, kan de bestuursrechter
bepalen dat het
toelichten van het verzoek en het voeren van verweer onmiddellijk
mondeling geschieden.
-3. Indien het toelichten van het
verzoek en het voeren van verweer mondeling zijn geschied, sluit
de bestuursrechter
het onderzoek. In de overige gevallen zijn de
afdelingen 8.2.4 en 8.2.5 van overeenkomstige toepassing.
Art. 8:74.
[Vergoeding
griffierecht] (8.2.6.8) [Geschiedenis:
VvW;
MvT;
versie
1 januari 1998; Stb. 2009, 264;
Stb. 2009, 265; Stb.
2012, 682] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3611; AA3687; AD5103]
-1. Indien de
bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, houdt de uitspraak tevens in dat aan
de indiener van het beroepschrift het door hem betaalde
griffierecht wordt vergoed door het bestuursorgaan.
-2. In de overige
gevallen kan de uitspraak inhouden dat het betaalde griffierecht
door het bestuursorgaan geheel of
gedeeltelijk wordt vergoed.
Art. 8:75.
[Proceskostenveroordeling] (8.2.6.9) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 1995, 250; versie
1 januari 1998; Stb. 2001, 581;
Stb. 2002, 55 + bis;
Stb. 2009, 264; Stb.
2010, 715; Stb.
2012, 682] • [Jurisprudentie:
LJN AA3687; AB1315;
AB2488; AE3721]
-1. De
bestuursrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten
die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep
bij de bestuursrechter en van het bezwaar of van het administratief
beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen
7:15, tweede tot en met vierde lid, en 7:28, tweede,
vierde en vijfde lid, zijn van
toepassing. Een natuurlijk
persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van
kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Bij algemene
maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten
waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin
uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de
uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. [Bpb]
-2. In geval van een veroordeling in de
kosten ten behoeve van een partij aan wie ter zake van het beroep bij de
bestuursrechter, het bezwaar of het administratief beroep een toevoeging
is verleend krachtens de Wet
op de rechtsbijstand, wordt het bedrag van
de kosten betaald aan de rechtsbijstandverlener. De
rechtsbijstandverlener stelt de belanghebbende zoveel mogelijk
schadeloos voor de door deze voldane eigen bijdrage. De
rechtsbijstandverlener doet aan de Raad voor
rechtsbijstand opgave van
een kostenvergoeding door het bestuursorgaan.
Art. 8:75a.
[Proceskostenveroordeling bij intrekking beroep] [Geschiedenis:
Stb. 1995, 250; versie
1 januari 1998; Stb. 2002, 53;
Stb. 2013, 50]
-1. In geval van
intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of
gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet
gekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener
bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in de
kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met
de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is
voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
-2. Artikel 8:73a, tweede
en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Art. 8:76. [Executoriale
titel vergoeding schade, griffierecht of proceskosten] (8.2.6.10)
[Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb. 2009, 264;
Stb. 2013, 50]
Voor zover een uitspraak strekt tot vergoeding van schade,
griffierecht of proceskosten als bedoeld in de artikelen
8:73, 8:73a, 8:74,
8:75, 8:75a, 8:82,
vierde lid, of artikel 8:87, derde lid, levert
zij een executoriale titel op, die met toepassing van de
voorschriften van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden ten uitvoer gelegd.
Art. 8:77.
[Vereisten schriftelijke uitspraak] (8.2.6.12)
[Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
-1. De schriftelijke
uitspraak vermeldt:
a. de namen van partijen
en van hun vertegenwoordigers of gemachtigden;
b. de gronden van de
beslissing;
c. de beslissing;
d. de naam van de rechter
of de namen van de rechters die de zaak heeft onderscheidenlijk
hebben behandeld;
e. de dag waarop de
beslissing is uitgesproken; en
f. door wie, binnen welke
termijn en bij welke bestuursrechter welk rechtsmiddel
kan worden aangewend.
-2. Indien de uitspraak
strekt tot gegrondverklaring van het beroep, wordt in de uitspraak
vermeld welke geschreven of ongeschreven rechtsregel of welk
algemeen rechtsbeginsel geschonden wordt geoordeeld.
-3. De uitspraak wordt
ondertekend door de voorzitter en de
griffier. Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt
dit in de uitspraak vermeld.
Art. 8:78.
[Openbaarmaking beslissing] (8.2.6.13)
[Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
De bestuursrechter spreekt de
beslissing, bedoeld in artikel 8:77, eerste lid, onderdeel c, in
het openbaar uit, in tegenwoordigheid van de griffier.
Art. 8:79.
[Toezending en verkrijging afschrift uitspraak] (8.2.6.14)
[Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
-1. Binnen twee weken na
de dagtekening van de uitspraak zendt de griffier kosteloos een
afschrift van de uitspraak of van het proces-verbaal van de
mondelinge uitspraak aan partijen.
-2. Anderen dan partijen
kunnen afschriften of uittreksels van de uitspraak of van het
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak verkrijgen. Met
betrekking tot de kosten is het bij en krachtens de Wet
tarieven in strafzaken bepaalde van overeenkomstige toepassing.
-3. In afwijking van het tweede lid
verstrekt de griffier, indien de uitspraak betrekking heeft op de
toepassing van de artikelen 101 of 102 van het Verdrag betreffende de
werking van de Europese Unie, overeenkomstig artikel 15, tweede lid, van
de in artikel 8:45, vierde lid, genoemde verordening onverwijld en
kosteloos een afschrift van de uitspraak of van het proces-verbaal van
de mondelinge uitspraak aan de Europese Commissie. De verstrekking
geschiedt door tussenkomst van de Raad voor de rechtspraak, tenzij het
een uitspraak van de Hoge Raad of van de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State betreft.
Art. 8:80.
[Bekendmaking uitspraak] (8.2.6.15)
[Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682]
Indien de bestuursrechter bepaalt dat
zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde
besluit, wordt de uitspraak bovendien overeenkomstig de voor dat
besluit voorgeschreven wijze bekendgemaakt door het bevoegde
bestuursorgaan.
AFDELING
8.2.7
Tussenuitspraak
Art.
8:80a. [Vereisten tussenuitspraak]
[Geschiedenis:
MvT; Stb. 2009, 570;
Stb.
2012, 682]
-1. Als
de bestuursrechter
artikel 8:51a
toepast, doet hij een tussenuitspraak.
-2. De tussenuitspraak vermeldt
zoveel mogelijk op welke wijze het gebrek kan worden hersteld.
-3. De artikelen 8:72, vierde lid, tweede volzin,
aanhef en onder a, 8:77, 8:78,
8:79 en 8:119
zijn van
overeenkomstige toepassing.
Art.
8:80b. [Tijdstip tussenuitspraak |
Voorlopige voorziening] [Geschiedenis:
MvT; Stb. 2009, 570;
Stb.
2012, 682]
-1. De bestuursrechter
kan de tussenuitspraak ook doen voordat partijen zijn uitgenodigd
om op een zitting van de bestuursrechter
te verschijnen.
-2. De bestuursrechter
kan de
tussenuitspraak ook mondeling doen. Artikel 8:67,
tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-3. De bestuursrechter
kan zo nodig een
voorlopige voorziening treffen. In dat geval bepaalt hij wanneer
de voorlopige voorziening vervalt.
-4. De voorlopige voorziening als
bedoeld in het derde lid vervalt in ieder geval zodra:
a. het beroep is ingetrokken;
of
b.
de bestuursrechter
uitspraak als bedoeld in artikel 8:66,
eerste lid, heeft gedaan, tenzij bij die uitspraak een ander
tijdstip is bepaald.
TITEL
8.3
Voorlopige voorziening
en onmiddellijke uitspraak in
de hoofdzaak
Art. 8:81.
[Verzoek voorlopige
voorziening] (8.3.1) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb. 2001, 584;
Stb. 2002, 53; Stb.
2012, 682] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3567: AA4136;
AD8380; AU0687]
-1. Indien tegen een
besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand
aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of
administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de
bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek
een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet
op de betrokken belangen, dat vereist.
-2. Indien bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, kan een verzoek om voorlopige
voorziening worden gedaan door een partij in de hoofdzaak.
-3. Indien voorafgaand
aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt of
administratief beroep is ingesteld, kan een verzoek om voorlopige
voorziening worden gedaan door de indiener van het bezwaarschrift,
onderscheidenlijk door de indiener van het beroepschrift of door
de belanghebbende die geen recht heeft tot het instellen van
administratief beroep.
-4. De artikelen
6:4,
derde lid, 6:5, 6:6,
6:14, 6:15,
6:17, 6:19 en 6:21 zijn van
overeenkomstige toepassing. De indiener van het verzoekschrift die
bezwaar heeft gemaakt dan wel beroep heeft ingesteld, legt
daarbij een afschrift van het bezwaar- of beroepschrift over.
-5. Indien een verzoek om voorlopige
voorziening is gedaan nadat bezwaar is gemaakt of administratief
beroep is ingesteld en op dit bezwaar of beroep wordt beslist
voordat de zitting heeft plaatsgevonden, wordt de verzoeker in de
gelegenheid gesteld beroep bij de bestuursrechter in te stellen. Het
verzoek om voorlopige voorziening wordt gelijkgesteld met een
verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de
bestuursrechter.
Art. 8:82. [Griffierecht]
(8.3.2) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 1995, 250; versie
1 januari 1998; Stb. 2001, 584;
Stb. 2009, 264; Stb.
2012, 682]
-1. Van de verzoeker wordt door de
griffier een griffierecht geheven.
-2. Het griffierecht is gelijk aan het
griffierecht dat de verzoeker ten tijde van de indiening van het verzoek
voor de hoofdzaak verschuldigd is of zou zijn.
-3. Artikel 8:41, derde tot en met zesde
lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de
termijn voor de bijschrijving of storting van het griffierecht twee
weken bedraagt. De voorzieningenrechter kan een kortere termijn stellen.
-4. De griffier betaalt het griffierecht
terug indien het verzoek wordt ingetrokken:
a. omdat het bestuursorgaan aan de
voorzieningenrechter schriftelijk heeft medegedeeld de uitvoering van
het bestreden besluit tijdens de procedure over de hoofdzaak op te
schorten; of
b. omdat de belanghebbende tot wie het
bestreden besluit is gericht, aan de voorzieningenrechter schriftelijk
heeft medegedeeld de gevraagde voorlopige maatregelen te zullen nemen.
-5. De uitspraak kan inhouden dat het
betaalde griffierecht door het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk
wordt vergoed.
-6. In andere gevallen kan het
bestuursorgaan het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk
vergoeden.
Art. 8:83.
[Procedure] (8.3.3) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 1995, 250; versie
1 januari 1998; Stb. 2001, 584;
Stb.
2012, 682]
-1. Partijen worden zo spoedig mogelijk
uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip
op een zitting te verschijnen. Binnen een door de voorzieningenrechter
te bepalen termijn zendt het bestuursorgaan de op de zaak betrekking
hebbende stukken aan hem. De artikelen
8:45, vierde tot en met zesde
lid, en 8:45a zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat de voorzieningenrechter kan bepalen dat de in deze artikelen
bedoelde zienswijzen mondeling ter zitting naar voren worden gebracht.
Artikel 8:58 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
tot één dag vóór de zitting nadere stukken kunnen worden ingediend. De
artikelen 8:59, 8:60, 8:60a, tweede lid, en
8:61 tot en met 8:65 zijn
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat getuigen en
deskundigen kunnen worden meegebracht of opgeroepen zonder dat de in
artikel 8:60, vierde lid, eerste volzin, bedoelde mededeling is
gedaan.
-2. Indien administratief
beroep is ingesteld, wordt het beroepsorgaan eveneens uitgenodigd
om op de zitting te verschijnen. Het beroepsorgaan wordt in de
gelegenheid gesteld ter zitting een uiteenzetting over de zaak te
geven.
-3. Indien de voorzieningenrechter
kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk,
kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, kan de
voorzieningenrechter uitspraak doen zonder toepassing van het eerste lid.
-4. Indien onverwijlde
spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden
geschaad, kan de voorzieningenrechter ook in andere gevallen uitspraak doen
zonder toepassing van het eerste lid.
Art. 8:84.
[Strekking uitspraak]
(8.3.4) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
Stb. 1995, 250; versie
1 januari 1998; Stb. 2001, 584;
Stb.
2012, 682] •
[Jurisprudentie: LJN
AF1533; AF1552]
-1. De voorzieningenrechter doet zo
spoedig mogelijk schriftelijk of mondeling uitspraak.
-2. De uitspraak strekt
tot:
a. onbevoegdverklaring
van de voorzieningenrechter;
b.
niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek;
c. afwijzing van het
verzoek; of
d. gehele of
gedeeltelijke toewijzing van het verzoek.
-3. De voorzieningenrechter kan aan de
gehele of gedeeltelijke toewijzing van het verzoek de voorwaarde
verbinden dat de indiener van het verzoekschrift financiële zekerheid
stelt ten behoeve van de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan
behoort.
-4. De griffier zendt
onverwijld een afschrift van de uitspraak of van het
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak kosteloos aan partijen.
-5. De artikelen
8:67,
tweede tot en met vijfde lid, 8:68, 8:69,
8:72, vierde lid,
tweede volzin, aanhef en onder b, en zesde lid, 8:75, 8:75a,
8:76, 8:77, eerste en derde lid,
8:78, 8:79, tweede en derde
lid, en 8:80 zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 8:85.
[Verval voorlopige voorziening]
(8.3.7) [Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb. 2001, 584;
Stb.
2012, 682] •
[Jurisprudentie: LJN
AB1608]
-1. De voorzieningenrechter kan in
zijn uitspraak bepalen wanneer de voorlopige voorziening vervalt.
-2. De voorlopige
voorziening vervalt in ieder geval zodra:
a. de termijn voor het
instellen van beroep bij de bestuursrechter tegen het besluit dat op
bezwaar of in administratief beroep is genomen, ongebruikt is
verstreken;
b. het bezwaar of het
beroep is ingetrokken; of
c. de bestuursrechter uitspraak
heeft gedaan.
Art. 8:86.
[Uitspraak in de hoofdzaak] (8.3.8)
[Geschiedenis:
VvW;
MvT
+ bis;
versie
1 januari 1998; Stb. 2001, 584;
Stb.
2012, 682] • [Jurisprudentie:
LJN AA3555; AA3717;
AA5019] •
[Jurisprudentie: LJN
AA6725; AB0226; AB1608;
AE1901; AU0687]
-1. Indien het verzoek
wordt gedaan indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in
artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan
bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij onmiddellijk
uitspraak doen in de hoofdzaak.
-2. Indien de bestuursrechter in eerste en
hoogste aanleg uitspraak doet, kan het eerste lid slechts worden
toegepast indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven.
-3. Partijen worden in de uitnodiging,
bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, gewezen op de bevoegdheid, bedoeld
in het eerste lid, en indien de bestuursrechter in eerste en hoogste
aanleg uitspraak doet, tevens op de voorwaarde, bedoeld in het tweede
lid.
Art. 8:87.
[Opheffing en wijziging voorlopige
voorziening] (8.3.8a) [Geschiedenis:
Stb. 1995, 250; versie
1 januari 1998; Stb. 2001, 584;
Stb. 2009, 264; Stb.
2012, 682]
-1. De voorzieningenrechter kan, ook
ambtshalve, een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen, ook als zij is getroffen met toepassing van artikel
8:72,
vijfde lid.
-2. De artikelen
8:81,
tweede, derde en vierde lid, en 8:82 tot en met 8:86 zijn van
overeenkomstige toepassing. Indien voorafgaand aan een mogelijk
beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt of administratief
beroep is ingesteld, kan een verzoek om opheffing of wijziging
eveneens worden gedaan door een belanghebbende die door de
voorlopige voorziening rechtstreeks in zijn belang wordt
getroffen, door het bestuursorgaan of door het beroepsorgaan.
-3. Indien een verzoek om
opheffing of wijziging is gedaan door het bestuursorgaan of het
beroepsorgaan en het verzoek geheel of gedeeltelijk wordt
toegewezen, kan de uitspraak inhouden dat het betaalde
griffierecht door de griffier aan het bestuursorgaan wordt
terugbetaald.
TITEL
8.4
Schadevergoeding
Art.
8:88. Nog niet in werking getreden. [Bereik
schadeverzoekschriftprocedure] [Geschiedenis:
Stb. 2013, 50]
Art.
8:89. Nog niet in werking getreden. [Bereik
schadeverzoekschriftprocedure: bevoegdheidsverdeling] [Geschiedenis:
Stb. 2013, 50]
Art.
8:90. Nog niet in werking getreden. [Schadevergoedingsverzoek
na (hoger) beroep] [Geschiedenis:
Stb. 2013, 50]
Art.
8:91. Nog niet in werking getreden. [Schadevergoedingsverzoek
tijdens (hoger) beroep] [Geschiedenis:
Stb. 2013, 50]
Art.
8:92. Nog niet in werking getreden. [Vereisten
verzoekschrift] [Geschiedenis:
Stb. 2013, 50]
Art.
8:93. Nog niet in werking getreden. [Verjaringstermijn] [Geschiedenis:
Stb. 2013, 50]
Art.
8:94. Nog niet in werking getreden. [Schakelbepaling
| Griffierecht] [Geschiedenis:
Stb. 2013, 50]
Art.
8:95. Nog niet in werking getreden. [Veroordeling
tot schadevergoeding] [Geschiedenis:
Stb. 2013, 50]
Art.
8:96 t/m 8:103. Gereserveerd.
TITEL
8.5
Hoger
beroep
Art.
8:104. [Instelling
hoger beroep; uitsluiting hogerberoepsrecht]
[Geschiedenis:
Stb.
2012, 682; Stb. 2013, 50]
-1. Een belanghebbende en het
bestuursorgaan kunnen hoger beroep instellen tegen:
a. een uitspraak als bedoeld in artikel
8:66, eerste lid, of artikel 8:67, eerste lid, van de
rechtbank; en
b. een uitspraak als bedoeld in artikel
8:86, eerste lid, van de voorzieningenrechter van de rechtbank.
-2. Geen hoger beroep kan worden ingesteld
tegen:
a. een uitspraak van de rechtbank na
toepassing van artikel 8:54, eerste
lid;
b. een uitspraak van de rechtbank als
bedoeld in artikel 8:54a, tweede
lid;
c. een uitspraak van de rechtbank als
bedoeld in artikel 8:55, zevende lid;
d. een uitspraak van de
voorzieningenrechter als bedoeld in artikel
8:84, eerste lid;
e. een uitspraak van de
voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, in
verband met artikel 8:84, vijfde lid; en
f. een uitspraak van de
voorzieningenrechter als bedoeld in artikel
8:87.
-3. Tegelijkertijd met het hoger beroep
tegen de in het eerste lid bedoelde uitspraak kan hoger beroep worden
ingesteld tegen:
a. een tussenuitspraak als bedoeld in
artikel 8:80a; of
b. een andere beslissing van de
rechtbank.
-4. Geen hoger beroep kan worden ingesteld
tegen de voorlopige voorziening, bedoeld in artikel
8:72, vijfde lid.
Art.
8:105. [Bevoegde
hogerberoepsrechter] [Geschiedenis:
Stb.
2012, 682; Stb. 2013, 50]
Het hoger beroep wordt ingesteld bij de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State, tenzij een andere
hogerberoepsrechter bevoegd is ingevolge hoofdstuk 4 van de bij deze wet
behorende
Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak
dan wel ingevolge een
ander wettelijk voorschrift.
Art.
8:106. [Schorsende
werking hoger beroep] [Geschiedenis:
Stb.
2012, 682]
-1. De werking van een uitspraak van de
rechtbank of van de voorzieningenrechter wordt opgeschort totdat de
termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken of, indien
hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep is beslist, indien:
a. de uitspraak betreft een besluit als
bedoeld in artikel 9 van de bij deze wet behorende
Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak; of
b. tegen de uitspraak hoger beroep kan
worden ingesteld bij een gerechtshof.
-2. Het eerste lid geldt niet indien de
uitspraak een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
betreft.
Art.
8:107. [Toezending
gedingstukken door griffier rechtbank] [Geschiedenis:
Stb.
2012, 682]
-1. De griffier van de hogerberoepsrechter
doet van het ingestelde hoger beroep zo spoedig mogelijk mededeling aan
de griffier van de rechtbank die de uitspraak heeft gedaan.
-2. De griffier van de rechtbank zendt de
gedingstukken met de aantekeningen van de zitting, voor zover deze op de
zaak betrekking hebben, en een afschrift van de uitspraak binnen één
week na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde mededeling aan de
griffier van de hogerberoepsrechter.
-3. Op verzoek van de hogerberoepsrechter
zendt de griffier van de rechtbank het proces-verbaal van de zitting aan
de griffier van de hogerberoepsrechter binnen een door de
hogerberoepsrechter te bepalen termijn.
Art.
8:108. [Schakelbepalingen
hoger beroep] [Geschiedenis:
Stb.
2012, 682; Stb. 2013, 50]
-1. Voor zover in deze titel niet anders
is bepaald, zijn op het hoger beroep de titels 8.1 tot en met 8.3 van
overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 8:1 tot en
met 8:10, 8:41, tweede lid, en 8:74.
-2. Indien hoger beroep kan worden
ingesteld bij een gerechtshof, is voorts hoofdstuk V van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen van toepassing.
Art.
8:109. [Griffierecht] [Geschiedenis:
Stcrt.
2012, 26652; Stb.
2012, 682]
-1. Het griffierecht voor het hoger beroep
bedraagt:
a. €|118,00 indien door een
natuurlijk
persoon hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak omtrent een
besluit als omschreven in de bij deze wet behorende Regeling verlaagd griffierecht;
b. €|239,00 indien door een
natuurlijk
persoon hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak omtrent een ander
besluit; of
c. €|478,00 als anders dan door een
natuurlijk persoon hoger beroep is ingesteld.
-2. Indien het bestuursorgaan hoger beroep
heeft ingesteld en de aangevallen uitspraak in stand blijft, wordt van
het bestuursorgaan een griffierecht geheven dat gelijk is aan het in het
eerste lid, onderdeel c, genoemde bedrag.
Art.
8:110.¹ Nog niet in werking getreden. [Incidenteel
hoger beroep] [Geschiedenis:
Stb.
2012, 682]
-1. Indien hoger beroep is ingesteld, kan
degene die ook hoger beroep had kunnen instellen, incidenteel hoger
beroep instellen. De voorschriften omtrent het hoger beroep zijn van
toepassing, tenzij in deze titel anders is bepaald.
-2. Het incidenteel hoger beroep wordt
ingesteld binnen zes weken nadat de hogerberoepsrechter de gronden van
het hoger beroep aan de desbetreffende partij heeft verzonden.
-3. Binnen vier weken nadat de
hogerberoepsrechter de gronden van het incidenteel hoger beroep aan
partijen heeft verzonden, kunnen deze partijen schriftelijk hun
zienswijze omtrent het incidenteel hoger beroep naar voren brengen.
-4. De hogerberoepsrechter kan de in het
tweede en derde lid genoemde termijnen verlengen.
-5. Voor het incidenteel hoger beroep is
geen griffierecht verschuldigd.
1. Treedt in werking op een nader te bepalen
tijdstip, red.
Art.
8:111.¹ Nog niet in werking getreden. [Incidenteel
hoger beroep als zelfstandig rechtsmiddel] [Geschiedenis:
Stb.
2012, 682]
-1. Niet-ontvankelijkheid van het hoger
beroep heeft geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van het incidenteel
hoger beroep, tenzij die niet-ontvankelijkheid het gevolg is van:
a. overschrijding van de termijn voor het
instellen van hoger beroep;
b. overschrijding van de termijn voor
betaling van het griffierecht; of
c. de omstandigheid dat degene die het
hoger beroep heeft ingesteld daartoe niet gerechtigd was.
-2. Intrekking van het hoger beroep na
aanvang van de termijn voor het instellen van incidenteel hoger beroep
heeft geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van het incidenteel hoger
beroep.
1. Treedt in werking op een nader te bepalen
tijdstip, red.
Art.
8:112.¹ Nog niet in werking getreden. [Voorwaardelijk
incidenteel hoger beroep] [Geschiedenis:
Stb.
2012, 682]
-1. Incidenteel hoger beroep kan worden
ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep gegrond is.
-2. Een voorwaardelijk incidenteel hoger
beroep vervalt als het hoger beroep niet-ontvankelijk of ongegrond is,
dan wel wordt ingetrokken. In het laatste geval deelt de griffier de
indiener mee dat zijn hoger beroep is vervallen.
1. Treedt in werking op een nader te bepalen
tijdstip, red.
Art.
8:113. [Strekking
uitspraak] [Geschiedenis:
Stb.
2012, 682]
-1. De hogerberoepsrechter bevestigt de
uitspraak van de rechtbank hetzij met overneming, hetzij met
verbetering van de gronden, of doet, met gehele of gedeeltelijke
vernietiging van de uitspraak, hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.
-2. Indien de uitspraak van de
hogerberoepsrechter ertoe strekt dat het bestuursorgaan een nieuw
besluit neemt, kan de uitspraak tevens inhouden dat beroep tegen dat
besluit slechts kan worden ingesteld bij de hogerberoepsrechter.
Art.
8:114. [Vergoeding
griffierecht] [Geschiedenis:
Stb.
2012, 682]
-1. Indien de hogerberoepsrechter de
uitspraak van de rechtbank geheel of gedeeltelijk vernietigt, houdt de
uitspraak tevens in dat het bestuursorgaan aan de indiener van het
beroepschrift het door hem betaalde griffierecht vergoedt, tenzij de
hogerberoepsrechter bepaalt dat het griffierecht door de griffier aan de
indiener wordt terugbetaald.
-2. In andere gevallen kan de uitspraak
inhouden dat het bestuursorgaan of de griffier het betaalde griffierecht
geheel of gedeeltelijk vergoedt.
Art.
8:115. [Terugwijzing
naar rechtbank] [Geschiedenis:
Stb.
2012, 682]
-1. De hogerberoepsrechter wijst de zaak
terug naar de rechtbank die deze in eerste aanleg heeft behandeld,
indien:
a. de rechtbank haar onbevoegdheid of de
niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft uitgesproken en de
hogerberoepsrechter deze uitspraak vernietigt met bevoegdverklaring van
de rechtbank, onderscheidenlijk ontvankelijkverklaring van het beroep;
of
b. de hogerberoepsrechter om andere
redenen van oordeel is dat de zaak opnieuw door de rechtbank moet worden
behandeld.
-2. De griffier zendt de gedingstukken en
een afschrift van de uitspraak zo spoedig mogelijk aan de griffier van
de rechtbank.
Art.
8:116. [Afdoening
zonder terugwijzing] [Geschiedenis:
Stb.
2012, 682]
In de gevallen, bedoeld in artikel
8:115,
eerste lid, onderdeel a, kan de hogerberoepsrechter de zaak zonder
terugwijzing afdoen indien deze naar zijn oordeel geen nadere
behandeling door de rechtbank behoeft.
Art.
8:117. [Gedektverklaring
uitspraak onbevoegdheid rechtbank] [Geschiedenis:
Stb.
2012, 682]
Indien de uitspraak is gedaan door een
andere rechtbank dan de bevoegde, kan de hogerberoepsrechter de
uitspraak als bevoegdelijk gedaan aanmerken.
Art.
8:118. [Proceskostenveroordeling bij
intrekking hoger beroep bestuursorgaan] [Geschiedenis:
Stb.
2012, 682;
Stb. 2013, 50]
-1. In geval van intrekking van het hoger
beroep door het bestuursorgaan kan het bestuursorgaan op verzoek van een
partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van
artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld.
-2. Indien het hoger beroep mondeling
wordt ingetrokken, wordt het verzoek door de partij die daarbij aanwezig
is mondeling gedaan, tegelijk met de intrekking van het hoger beroep.
Indien aan dit vereiste niet is voldaan, is het verzoek
niet-ontvankelijk.
-3. Indien het hoger beroep schriftelijk
wordt ingetrokken, wordt het verzoek schriftelijk gedaan. In dat geval
zijn de artikelen 6:5 tot en met 6:9, 6:11,
6:14, 6:15,
6:17 en 6:21 van
overeenkomstige toepassing.
-4. Artikel 8:73a, tweede en derde lid, is
van overeenkomstige toepassing.
TITEL
8.6
Herziening
Art.
8:119.
[Herziening uitspraak]
(8.4.1) [Geschiedenis:
VvW;
MvT;
versie
1 januari 1998; Stb.
2012, 682 + bis] •
[Jurisprudentie: LJN
AA3555; AT0309]
-1. De
bestuursrechter kan op
verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak
herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden
vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van
het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en
redelijkerwijs niet bekend konden zijn; en
c. waren zij bij de
bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden
hebben kunnen leiden.
-2. Hoofdstuk 6, titel
8.1, met
uitzondering van afdeling 8.1.1 en artikel
8:13, titel 8.2, met
uitzondering van artikel 8:41, tweede lid,
titel 8.3 en titel
8.5, met
uitzondering van artikel 8:109, zijn voor zover nodig van
overeenkomstige toepassing.
-3. Het griffierecht is gelijk aan het
griffierecht dat ten tijde van de indiening van het verzoek verschuldigd
zou zijn geweest voor het beroep of hoger beroep dat heeft geleid tot de
uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd.
-4. Indien de uitspraak wordt herzien,
betaalt de griffier het griffierecht terug.
|
|