|
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 1993-1994, 1994-1995, 1995-1996, 23 700.
Handelingen II 1995-1996, blz. 3634-3673, 3782-3783.
Kamerstukken I 1995-1996, 23 700 (188, 188a, 188b, 188c).
Handelingen I 1995-1996, zie vergadering d.d. 18 juni 1996.
Geschiedenis:
Staatsblad
1996, 333; Staatsblad 1997, 580.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 20 juni 1996, Stb.
1996, 333, tot aanvulling van de Algemene wet
bestuursrecht (Derde tranche Algemene wet bestuursrecht).
Inwerkingtreding: 1 januari 1998 (Stb. 1997,
581).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo wij in overweging genomen hebben,
dat het, ter nadere uitwerking van artikel 107, tweede lid, van de Grondwet,
gewenst is de Algemene wet bestuursrecht
aan te vullen met bepalingen inzake mandaat en delegatie, inzake
toezicht op bestuursorganen, inzake subsidies, inzake
beleidsregels en inzake handhaving;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State
gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze:
Art.
I.
[Wijziging
Awb]
De Algemene wet bestuursrecht wordt
als volgt gewijzigd:
A.
Aan artikel 1:3 wordt een vierde
lid toegevoegd, luidende:
-4. Onder beleidsregel wordt verstaan: een bij besluit
vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend
voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van
feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik
van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.
B.
Artikel 3:41 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding
"-1." geplaatst.
2. Toegevoegd wordt een tweede lid,
luidende:
-2. Indien de bekendmaking van het besluit niet kan geschieden op
de wijze als voorzien in het eerste lid, geschiedt zij op een
andere geschikte wijze.
C.
Artikel 3:42 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding
"-1." geplaatst.
2. Toegevoegd wordt een tweede lid,
luidende:
-2. Indien alleen van de zakelijke inhoud wordt kennisgegeven,
wordt het besluit tegelijkertijd ter inzage gelegd. In de
kennisgeving wordt vermeld waar en wanneer het besluit ter inzage
ligt.
D.
Na artikel 3:45 wordt een nieuwe
afdeling toegevoegd, luidende:
AFDELING 3.7.
Motivering
Art. 3:46.
Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.
Art. 3:47.
-1. De motivering wordt vermeld bij de bekendmaking van het
besluit.
-2. Daarbij wordt zo mogelijk vermeld krachtens welk wettelijk
voorschrift het besluit wordt genomen.
-3. Indien de motivering in verband met de vereiste spoed niet
aanstonds bij de bekendmaking van het besluit kan worden vermeld,
verstrekt het bestuursorgaan deze binnen één week na de
bekendmaking.
-4. In dat geval zijn de
artikelen 3:41 tot en met 3:43 van overeenkomstige toepassing.
Art. 3:48.
-1. De vermelding van de motivering kan achterwege blijven indien
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte
bestaat.
-2. Verzoekt een belanghebbende binnen een redelijke termijn om de
motivering, dan wordt deze zo spoedig mogelijk verstrekt.
Art. 3:49.
Ter motivering van een besluit of een onderdeel daarvan kan worden
volstaan met een verwijzing naar een met het oog daarop
uitgebracht advies indien het advies zelf de motivering bevat en
van het advies kennis is of wordt gegeven.
Art. 3:50.
Indien het bestuursorgaan een besluit neemt dat afwijkt van een
met het oog daarop krachtens wettelijk voorschrift uitgebracht
advies, wordt zulks met de redenen voor de afwijking in de
motivering vermeld.
E.
Artikel 4:12 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding
"-1." geplaatst.
2. Toegevoegd wordt een tweede lid,
luidende:
-2. Het eerste lid geldt niet bij een beschikking die strekt tot:
a. het op grond van artikel
4:35 of met toepassing van artikel 4:51
weigeren van een subsidie;
b. het op grond van artikel 4:46,
tweede lid, lager vaststellen van een subsidie; of
c. het intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen van een
subsidieverlening of een subsidievaststelling.
F.
Afdeling 4.1.4 vervalt.
G.
Na titel 4.1 worden twee nieuwe
titels ingevoegd, luidende:
TITEL 4.2. Subsidies
AFDELING 4.2.1.
Inleidende bepalingen
Art. 4:21.
-1. Onder subsidie wordt verstaan: de aanspraak op financiële
middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op
bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling
voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.
-2. Deze titel is niet van toepassing op aanspraken of
verplichtingen die voortvloeien uit een wettelijk voorschrift
inzake belastingen of de heffing van een premie dan wel een
premievervangende belasting ingevolge de Wet financiering
volksverzekeringen.
-3. Deze titel is niet van toepassing op de aanspraak op
financiële middelen die wordt verstrekt op grond van een
wettelijk voorschrift dat uitsluitend voorziet in verstrekking aan
rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld.
-4. Deze titel is van overeenkomstige toepassing op de bekostiging
van het onderwijs en onderzoek.
Art. 4:22.
Onder subsidieplafond wordt verstaan: het bedrag dat gedurende een
bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking
van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift.
Art. 4:23.
-1. Een bestuursorgaan verstrekt slechts subsidie op grond van een
wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie
kan worden verstrekt.
-2. Indien een zodanig wettelijk voorschrift is opgenomen in een
niet op een wet berustende algemene maatregel van bestuur, vervalt
dat voorschrift vier jaren nadat het in werking is getreden,
tenzij voor dat tijdstip een voorstel van wet bij de
Staten-Generaal is ingediend waarin de subsidie wordt geregeld.
-3. Het eerste lid is niet van toepassing:
a. in afwachting van de totstandkoming van een wettelijk
voorschrift gedurende ten hoogste één jaar of totdat een binnen
dat jaar bij de Staten-Generaal ingediend wetsvoorstel is
verworpen of tot wet is verheven en in werking is getreden;
b. indien de subsidie rechtstreeks op grond van een door de Raad
van de Europese Unie, het Europees Parlement en de Raad
gezamenlijk of de Commissie van de Europese Gemeenschappen
vastgesteld programma wordt verstrekt;
c. indien de begroting de subsidieontvanger en het bedrag waarop
de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, vermeldt; of
d. in incidentele gevallen, mits de subsidie voor ten hoogste
vier jaren wordt verstrekt.
-4. Het bestuursorgaan publiceert jaarlijks een verslag van de
verstrekking van subsidies met toepassing van het derde lid,
onderdeel a en d.
Art. 4:24.
Indien een subsidie op een wettelijk voorschrift berust, wordt ten
minste eenmaal in de vijf jaren een verslag gepubliceerd over de
doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk,
tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
AFDELING 4.2.2.
Het subsidieplafond
Art. 4:25.
-1. Een subsidieplafond kan slechts bij of krachtens wettelijk
voorschrift worden vastgesteld.
-2. Een subsidie wordt geweigerd voor zover door verstrekking van
de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden.
-3. Indien niet tijdig, dan wel in bezwaar of beroep of ter
uitvoering van een rechterlijke uitspraak omtrent verstrekking
wordt beslist, geldt de verplichting van het tweede lid slechts
voor zover zij ook gold op het tijdstip waarop de beslissing in
eerste aanleg werd genomen of had moeten worden genomen.
Art. 4:26.
-1. Bij of krachtens wettelijk voorschrift wordt bepaald hoe het
beschikbare bedrag wordt verdeeld.
-2. Bij de bekendmaking van het subsidieplafond wordt de wijze van
verdeling vermeld.
Art. 4:27.
-1. Het subsidieplafond wordt bekendgemaakt vóór de aanvang van
het tijdvak waarvoor het is vastgesteld.
-2. Indien het subsidieplafond of een verlaging daarvan later
wordt bekendgemaakt, heeft deze bekendmaking geen gevolgen voor
voordien ingediende aanvragen.
Art. 4:28.
Artikel 4:27, tweede lid, is niet van toepassing, indien:
a. de aanvragen voor het tijdvak waarvoor het subsidieplafond is
vastgesteld ingevolge wettelijk voorschrift moeten worden
ingediend op een tijdstip waarop de begroting nog niet is
vastgesteld of goedgekeurd;
b. het een verlaging betreft die voortvloeit uit de vaststelling
of goedkeuring van de begroting; en
c. bij de bekendmaking van het subsidieplafond is gewezen op de
mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds
ingediende aanvragen.
AFDELING 4.2.3.
De subsidieverlening
Art. 4:29.
Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, kan
voorafgaand aan een subsidievaststelling een beschikking omtrent
subsidieverlening worden gegeven indien een aanvraag daartoe is
ingediend vóór de afloop van de activiteit of het tijdvak
waarvoor de subsidie wordt gevraagd.
Art. 4:30.
-1. De beschikking tot subsidieverlening bevat een omschrijving
van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend.
-2. De omschrijving kan later worden uitgewerkt, voor zover de
beschikking tot subsidieverlening dit vermeldt.
Art. 4:31.
-1. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het bedrag van
de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.
-2. Indien de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de
subsidie niet vermeldt, vermeldt zij het bedrag waarop de subsidie
ten hoogste kan worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk
voorschrift anders is bepaald.
Art. 4:32.
Een subsidie in de vorm van een periodieke aanspraak op
financiële middelen wordt verleend voor een bepaald tijdvak, dat
in de beschikking tot subsidieverlening wordt vermeld.
Art. 4:33.
Een subsidie kan niet worden verleend onder de voorwaarde dat
uitsluitend het bestuursorgaan of uitsluitend de subsidieontvanger
een bepaalde handeling verricht, tenzij het betreft de voorwaarde
dat:
a. de subsidieontvanger medewerkt aan de totstandkoming van een
overeenkomst ter uitvoering van de beschikking tot
subsidieverlening; of
b. de subsidieontvanger aantoont dat een gebeurtenis, niet
zijnde een handeling van het bestuursorgaan of van de
subsidieontvanger, heeft plaatsgevonden.
Art. 4:34.
-1. Voor zover een subsidie wordt verleend ten laste van een
begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, kan zij
worden verleend onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter
beschikking worden gesteld.
-2. De voorwaarde kan niet worden gesteld voor zover zulks
voortvloeit uit het wettelijk voorschrift waarop de subsidie
berust.
-3. De voorwaarde vervalt indien het bestuursorgaan daarop niet
binnen vier weken na de vaststelling of goedkeuring van de
begroting een beroep heeft gedaan.
-4. Het beroep op de voorwaarde geschiedt bij een subsidie voor
een activiteit die door het bestuursorgaan ook in het voorafgaande
begrotingsjaar werd gesubsidieerd door een intrekking wegens
veranderde omstandigheden overeenkomstig artikel 4:50.
-5. In andere gevallen geschiedt het beroep op de voorwaarde door
een intrekking overeenkomstig
artikel 4:48, eerste lid.
Art. 4:35.
-1. De subsidieverlening kan in ieder geval worden geweigerd
indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:
a. de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;
b. de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie
verbonden verplichtingen;
c. de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en
verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en
de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor
de vaststelling van de subsidie van belang zijn.
-2. De subsidieverlening kan voorts in ieder geval worden
geweigerd, indien de aanvrager:
a. in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens
heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een
onjuiste beschikking op de aanvraag zouden hebben geleid; of
b. failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is
verleend, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank
is ingediend.
Art. 4:36.
-1. Ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening kan
een overeenkomst worden gesloten.
-2. Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard
van de subsidie zich daartegen verzet, kan in de overeenkomst
worden bepaald dat de subsidieontvanger verplicht is de
activiteiten te verrichten waarvoor de subsidie is verleend.
AFDELING 4.2.4.
Verplichtingen van de subsidieontvanger
Art. 4:37.
-1. Het bestuursorgaan kan de subsidieontvanger verplichtingen
opleggen met betrekking tot:
a. aard en omvang van de activiteiten waarvoor subsidie wordt
verleend;
b. de administratie van aan de activiteiten verbonden uitgaven
en inkomsten;
c. het vóór de subsidievaststelling verstrekken van gegevens
en bescheiden die nodig zijn voor een beslissing omtrent de
subsidie;
d. de te verzekeren risico’s;
e. het stellen van zekerheid voor verleende voorschotten;
f. het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de
verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en
inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie
van belang zijn;
g. het beperken of wegnemen van de nadelige gevolgen van de
subsidie voor derden.
-2. Indien een verplichting als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel c, wordt opgelegd, zijn de
artikelen 4:3 en 4:4 van
overeenkomstige toepassing.
Art. 4:38.
-1. Het bestuursorgaan kan de subsidieontvanger ook andere
verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het
doel van de subsidie.
-2. Indien de subsidie op een wettelijk voorschrift berust, worden
de verplichtingen opgelegd bij wettelijk voorschrift of krachtens
wettelijk voorschrift bij de subsidieverlening.
-3. Indien de subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust,
kunnen de verplichtingen worden opgelegd bij de subsidieverlening.
Art. 4:39.
-1. Verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het
doel van de subsidie kunnen slechts aan de subsidie worden
verbonden voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald.
-2. Verplichtingen als bedoeld in het eerste lid kunnen slechts
betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de
gesubsidieerde activiteit wordt verricht.
Art. 4:40.
De verplichtingen kunnen na de subsidieverlening worden
uitgewerkt, voor zover de beschikking tot subsidieverlening dit
vermeldt.
Art. 4:41.
-1. In de gevallen, genoemd in het tweede lid, is de
subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie
heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding
verschuldigd aan het bestuursorgaan, mits:
a. dit bij wettelijk voorschrift of, indien de subsidie niet op
een wettelijk voorschrift berust, bij de subsidieverlening is
bepaald; en
b. daarbij is aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt
bepaald.
-2. De vergoeding is slechts verschuldigd, indien:
a. de subsidieontvanger voor de gesubsidieerde activiteiten
gebruikte of bestemde goederen vervreemdt of bezwaart of de
bestemming daarvan wijzigt;
b. de subsidieontvanger een schadevergoeding ontvangt voor
verlies of beschadiging van voor de gesubsidieerde activiteiten
gebruikte of bestemde goederen;
c. de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden
beëindigd;
d. de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt
ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd; of
e. de rechtspersoon die de subsidie ontving, wordt ontbonden.
-3. De vergoeding wordt vastgesteld binnen één jaar nadat het
bestuursorgaan op de hoogte is gekomen of kon zijn van de
gebeurtenis die het recht op vergoeding deed ontstaan, doch in
ieder geval binnen vijf jaren na de bekendmaking van de laatste
beschikking tot subsidievaststelling.
AFDELING 4.2.5.
De subsidievaststelling
Art. 4:42.
De beschikking tot subsidievaststelling stelt het bedrag van de
subsidie vast en geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde
bedrag overeenkomstig afdeling
4.2.7.
Art. 4:43.
-1. Indien geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven,
bevat de beschikking tot subsidievaststelling een aanduiding van
de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt.
-2. De artikelen 4:32, 4:35,
tweede lid, 4:38 en 4:39
zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 4:44.
-1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, dient
de subsidieontvanger na afloop van de activiteiten of het tijdvak
waarvoor de subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling van
de subsidie in, tenzij:
a. de subsidie met toepassing van artikel 4:47,
onderdeel a, ambtshalve wordt vastgesteld;
b. bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is
bepaald dat de aanvraag wordt ingediend telkens na afloop van een
gedeelte van het tijdvak waarvoor de subsidie is verleend; of
c. de vaststelling van de subsidie bij een overeenkomst als
bedoeld in artikel
4:36, eerste lid, anders is geregeld.
-2. Indien bij wettelijk voorschrift geen termijn is bepaald,
wordt de aanvraag tot vaststelling ingediend binnen een bij de
subsidieverlening te bepalen termijn.
-3. Indien voor de indiening van de aanvraag tot vaststelling geen
termijn is bepaald of de aanvraag na afloop van de daarvoor
bepaalde termijn niet is ingediend, kan het bestuursorgaan de
subsidieontvanger een termijn stellen binnen welke de aanvraag
moet zijn ingediend.
-4. Indien na afloop van deze termijn geen aanvraag is ingediend,
kan de subsidie ambtshalve worden vastgesteld.
Art. 4:45.
-1. Bij de aanvraag tot subsidievaststelling toont de aanvrager
aan dat de activiteiten hebben plaatsgevonden overeenkomstig de
aan de subsidie verbonden verplichtingen, tenzij de subsidie
vóór de aanvang van de activiteiten wordt vastgesteld.
-2. Bij de aanvraag tot subsidievaststelling legt de aanvrager
rekening en verantwoording af omtrent de aan de activiteiten
verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de
vaststelling van de subsidie van belang zijn.
Art. 4:46.
-1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt
het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening
vast.
-2. De subsidie kan lager worden vastgesteld, indien:
a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet
geheel hebben plaatsgevonden;
b. de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de
subsidie verbonden verplichtingen;
c. de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft
verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou
hebben geleid; of
d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de
subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten.
-3. Voor zover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de
werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is
verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk
kunnen worden beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet
in aanmerking genomen.
Art. 4:47.
Het bestuursorgaan kan de subsidie geheel of gedeeltelijk
ambtshalve vaststellen, indien:
a. bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening een
termijn is bepaald binnen welke de subsidie ambtshalve wordt
vastgesteld;
b. toepassing wordt gegeven aan artikel 4:44,
vierde lid; of
c. de beschikking tot subsidieverlening of de beschikking tot
subsidievaststelling wordt ingetrokken of ten nadele van de
ontvanger wordt gewijzigd.
AFDELING 4.2.6.
Intrekking en wijziging
Art. 4:48.
-1. Zolang de subsidie niet is vastgesteld, kan het bestuursorgaan
de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de
subsidieontvanger wijzigen, indien:
a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet
geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;
b. de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de
subsidie verbonden verplichtingen;
c. de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft
verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou
hebben geleid;
d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de
subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten; of
e. met toepassing van
artikel 4:34, vijfde lid, een beroep wordt gedaan op de voorwaarde
dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.
-2. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip
waarop de subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of
wijziging anders is bepaald.
Art. 4:49.
-1. Het bestuursorgaan kan de subsidievaststelling intrekken of
ten nadele van de ontvanger wijzigen:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de
subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en
op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de
subsidieverlening zou zijn vastgesteld;
b. indien de subsidievaststelling onjuist was en de
subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten; of
c. indien de subsidieontvanger na de subsidievaststelling niet
heeft voldaan aan aan de subsidie verbonden verplichtingen.
-2. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip
waarop de subsidie is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of
wijziging anders is bepaald.
-3. De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of
ten nadele van de ontvanger worden gewijzigd indien vijf jaren
zijn verstreken sedert de dag waarop zij is bekendgemaakt dan wel,
in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
c, sedert de dag waarop de handeling in strijd met de
verplichting is verricht of de dag waarop aan de verplichting had
moeten zijn voldaan.
Art. 4:50.
-1. Zolang de subsidie niet is vastgesteld, kan het bestuursorgaan
de subsidieverlening met inachtneming van een redelijke termijn
intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen:
a. voor zover de subsidieverlening onjuist is;
b. voor zover veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten
zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde
voortzetting van de subsidie verzetten; of
c. in andere bij wettelijk voorschrift geregelde gevallen.
-2. Bij intrekking of wijziging op grond van het eerste lid,
onderdeel a of b, vergoedt het bestuursorgaan de
schade die de subsidieontvanger lijdt doordat hij in vertrouwen op
de subsidie anders heeft gehandeld dan hij zonder subsidie zou
hebben gedaan.
Art. 4:51.
-1. Indien aan een subsidieontvanger voor drie of meer
achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde of in
hoofdzaak dezelfde voortdurende activiteiten, geschiedt gehele of
gedeeltelijke weigering van de subsidie voor een daarop
aansluitend tijdvak op de grond dat veranderde omstandigheden of
gewijzigde inzichten zich tegen voortzetting of ongewijzigde
voortzetting van de subsidie verzetten, slechts met inachtneming
van een redelijke termijn.
-2. Voor zover aan het einde van het tijdvak waarvoor subsidie is
verleend sedert de bekendmaking van het voornemen tot weigering
voor een daarop aansluitend tijdvak nog geen redelijke termijn is
verstreken, wordt de subsidie voor het resterende deel van die
termijn verleend, zo nodig in afwijking van
artikel 4:25, tweede lid.
AFDELING 4.2.7.
Betaling en terugvordering
Art. 4:52.
-1. Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de
subsidievaststelling betaald, onder verrekening van de betaalde
voorschotten.
-2. Het subsidiebedrag wordt binnen vier weken na de
subsidievaststelling betaald, tenzij bij wettelijk voorschrift
anders is bepaald.
-3. Indien de subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust,
kan bij de subsidieverlening, of, indien geen beschikking tot
subsidieverlening is gegeven, bij de subsidievaststelling, een
andere termijn worden bepaald waarbinnen het subsidiebedrag wordt
betaald.
Art. 4:53.
-1. Het subsidiebedrag kan in gedeelten worden betaald, mits bij
wettelijk voorschrift is bepaald hoe de gedeelten worden berekend
en op welke tijdstippen zij worden betaald.
-2. Indien de subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust,
kan het subsidiebedrag in gedeelten worden betaald, mits bij de
subsidieverlening, of, indien geen beschikking tot
subsidieverlening is gegeven, bij de subsidievaststelling, is
bepaald hoe de gedeelten worden berekend en op welke tijdstippen
zij worden betaald.
Art. 4:54.
-1. Het bestuursorgaan kan de subsidieontvanger voorschotten
verlenen, voor zover dit bij wettelijk voorschrift of bij de
subsidieverlening is bepaald.
-2. De beschikking tot voorschotverlening vermeldt het bedrag van
het voorschot, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.
Art. 4:55.
-1. Voorschotten worden overeenkomstig de voorschotverlening
betaald.
-2. Het voorschot worden binnen vier weken na de
voorschotverlening betaald, tenzij bij wettelijk voorschrift of
bij de voorschotverlening anders is bepaald.
Art. 4:56.
De verplichting tot betaling van een subsidiebedrag of een
voorschot wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het
bestuursorgaan aan de subsidieontvanger schriftelijk kennis geeft
van het ernstige vermoeden dat er grond bestaat om toepassing te
geven aan artikel 4:48 of
4:49, tot en met de dag waarop de
beschikking omtrent de intrekking of wijziging is bekendgemaakt of
de dag waarop sedert de kennisgeving van het ernstige vermoeden
dertien weken zijn verstreken.
Art. 4:57.
Onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en voorschotten kunnen
worden teruggevorderd voor zover na de dag waarop de subsidie is
vastgesteld, dan wel de handeling als bedoeld in artikel 4:49,
eerste lid, onderdeel c, heeft plaatsgevonden, nog geen
vijf jaren zijn verstreken.
AFDELING 4.2.8.
Per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen
§ 4.2.8.1.
Inleidende bepalingen
Art. 4:58.
-1. Deze afdeling is van toepassing op per boekjaar verstrekte
subsidies indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van
het bestuursorgaan is bepaald.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat deze
afdeling van toepassing is op daarbij aangewezen subsidies.
Art. 4:59.
-1. Het bestuursorgaan dat met toepassing van deze afdeling een
subsidie verleent, kan één of meer toezichthouders aanwijzen die
zijn belast met het toezicht op de naleving van de aan de
ontvanger van die subsidie opgelegde verplichtingen.
-2. De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, vermeld
in de artikelen 5:18 en
5:19.
§ 4.2.8.2.
De aanvraag
Art. 4:60.
Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, wordt de
aanvraag van de subsidie uiterlijk dertien weken vóór de aanvang
van het boekjaar ingediend.
Art. 4:61.
-1. De aanvraag van de subsidie gaat in ieder geval vergezeld van:
a. een activiteitenplan, tenzij redelijkerwijs kan worden
aangenomen dat daaraan geen behoefte is; en
b. een begroting, tenzij deze voor de berekening van het bedrag
van de subsidie niet van belang is.
-2. Indien de aanvrager beschikt over een egalisatiereserve als
bedoeld in artikel
4:72, vermeldt de aanvraag de omvang daarvan.
Art. 4:62.
Het activiteitenplan behelst een overzicht van de activiteiten
waarvoor subsidie wordt gevraagd en de daarmee nagestreefde
doelstellingen en vermeldt per activiteit de daarvoor benodigde
personele en materiële middelen.
Art. 4:63.
-1. De begroting behelst een overzicht van de voor het boekjaar
geraamde inkomsten en uitgaven van de aanvrager, voor zover deze
betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt
gevraagd.
-2. De begrotingsposten worden ieder afzonderlijk van een
toelichting voorzien.
-3. Tenzij voor de activiteiten waarop de aanvraag betrekking
heeft nog niet eerder subsidie werd verstrekt, behelst de
begroting een vergelijking met de begroting van het lopende
boekjaar en de gerealiseerde inkomsten en uitgaven van het jaar
voorafgaand aan het lopende boekjaar.
Art. 4:64.
-1. Tenzij de aanvraag wordt ingediend door een krachtens
publiekrecht ingestelde rechtspersoon, gaat deze, indien voor het
jaar voorafgaand aan het subsidiejaar geen subsidie werd
aangevraagd, voorts vergezeld van:
a. een afschrift van de oprichtingsakte van de rechtspersoon dan
wel van de statuten zoals deze laatstelijk zijn gewijzigd; en
b. de laatst opgemaakte jaarrekening als bedoeld in artikel 361
van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek dan wel de balans en de staat
van baten en lasten en de toelichting daarop of, indien deze
bescheiden ontbreken, een verslag over de financiële positie van
de aanvrager op het moment van de aanvraag.
-2. De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde bescheiden
dan wel het verslag over de financiële positie zijn voorzien van
een van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek afkomstige schriftelijke
verklaring omtrent de getrouwheid onderscheidenlijk een
mededeling, inhoudende dat van onjuistheden niet is gebleken.
-3. Bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het
bestuursorgaan kan vrijstelling of ontheffing worden verleend van
het in het tweede lid bepaalde.
Art. 4:65.
Voor zover de aanvrager voor dezelfde begrote uitgaven tevens
subsidie heeft aangevraagd bij één of meer andere
bestuursorganen, doet hij daarvan mededeling in de aanvraag, onder
vermelding van de stand van zaken met betrekking tot de
beoordeling van die aanvraag of aanvragen.
§ 4.2.8.3.
De subsidieverlening
Art. 4:66.
De subsidie wordt slechts verleend aan een rechtspersoon met
volledige rechtsbevoegdheid.
Art. 4:67.
-1. De subsidie wordt voor een boekjaar of voor een bepaald aantal
boekjaren verleend.
-2. Indien de subsidie voor twee of meer boekjaren wordt verleend,
wordt aan de subsidie de verplichting verbonden tot het periodiek
aan het bestuursorgaan verstrekken van de gegevens die voor de
vaststelling van de subsidie van belang zijn.
-3. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt welke gegevens
de subsidieontvanger krachtens het tweede lid moet verstrekken,
alsmede op welke tijdstippen de gegevens moeten worden verstrekt.
§ 4.2.8.4.
Verplichtingen van de subsidieontvanger
Art. 4:68.
Tenzij bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening
anders is bepaald, stelt de subsidieontvanger het boekjaar gelijk
aan het kalenderjaar.
Art. 4:69.
-1. De subsidieontvanger voert een zodanig ingerichte
administratie dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling
van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen
alsmede de betalingen en de ontvangsten kunnen worden nagegaan.
-2. De administratie en de daartoe behorende bescheiden worden
gedurende tien jaren bewaard.
Art. 4:70.
Indien gedurende het boekjaar aanmerkelijke verschillen ontstaan
of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke uitgaven en inkomsten
en de begrote uitgaven en inkomsten, doet de subsidieontvanger
daarvan onverwijld mededeling aan het bestuursorgaan onder
vermelding van de oorzaak van de verschillen.
Art. 4:71.
-1. Indien dit bij wettelijk voorschrift of bij de
subsidieverlening is bepaald, behoeft de subsidieontvanger de
toestemming van het bestuursorgaan voor:
a. het oprichten van dan wel deelnemen in een rechtspersoon;
b. het wijzigen van de statuten;
c. het in eigendom verwerven, het vervreemden of het bezwaren
van registergoederen indien zij mede zijn verworven door middel
van de subsidiegelden, dan wel de lasten daarvoor mede worden
bekostigd uit de subsidiegelden;
d. het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot
verkrijging, vervreemding of bezwaring van registergoederen of tot
huur, verhuur of pacht daarvan indien deze goederen geheel of
gedeeltelijk zijn verworven door middel van de subsidie dan wel de
uitgaven daarvoor mede zijn bekostigd uit de subsidie;
e. het aangaan van kredietovereenkomsten en van overeenkomsten
van geldlening;
f. het aangaan van overeenkomsten waarbij de subsidieontvanger
zich verbindt tot zekerheidstelling met inbegrip van
zekerheidstelling voor schulden van derden of waarbij hij zich als
borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt of zich voor een derde
sterk maakt;
g. het vormen van fondsen en reserveringen;
h. het vaststellen of wijzigen van tarieven voor door de
subsidieontvanger in de gewone uitoefening van zijn gesubsidieerde
activiteiten te verrichten prestaties;
i. het ontbinden van de rechtspersoon;
j. het doen van aangifte tot zijn faillissement of het aanvragen
van zijn surséance van betaling.
-2. Het bestuursorgaan beslist binnen vier weken omtrent de
toestemming.
-3. De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste vier weken worden
verdaagd.
-4. Indien omtrent de toestemming niet tijdig is beslist, wordt de
toestemming geacht te zijn verleend.
Art. 4:72.
-1. Indien dit bij wettelijk voorschrift of bij de
subsidieverlening is bepaald, vormt de ontvanger een
egalisatiereserve.
-2. Het verschil tussen de vastgestelde subsidie en de werkelijke
kosten van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend, komt
ten gunste onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve.
-3. De egalisatiereserve wordt zo hoog rentend en zo veilig als
redelijkerwijs mogelijk is, belegd.
-4. De van de egalisatiereserve genoten rente wordt aan de
egalisatiereserve toegevoegd.
-5. In de gevallen, bedoeld in
artikel 4:41, tweede lid, onderdelen c, d en e,
is de subsidieontvanger ter zake van de egalisatiereserve
vergoedingsplichtig naar evenredigheid van de mate waarin de
subsidie aan de egalisatiereserve heeft bijgedragen.
§ 4.2.8.5.
De subsidievaststelling
Art. 4:73.
De subsidie wordt per boekjaar vastgesteld.
Art. 4:74.
De subsidieontvanger dient binnen zes maanden na afloop van het
boekjaar een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in, tenzij
bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de subsidie met
toepassing van artikel
4:67, tweede lid, voor twee of meer boekjaren is verleend.
Art. 4:75.
-1. De aanvraag tot vaststelling gaat in ieder geval vergezeld van
een financieel verslag en een activiteitenverslag.
-2. Indien de subsidieontvanger ingevolge wettelijk voorschrift
verplicht is tot het opstellen van een jaarrekening als bedoeld in
artikel 361 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek, of indien dit bij de
subsidieverlening is bepaald, legt hij in plaats van het
financieel verslag de jaarrekening over, onverminderd artikel
4:45, tweede lid.
Art. 4:76.
-1. Indien de subsidieontvanger zijn inkomsten geheel ontleent aan
de subsidie, omvat het financiële verslag de balans en de
exploitatierekening met de toelichting en zijn het tweede tot en
met vijfde lid van toepassing.
-2. Het financiële verslag geeft volgens normen die in het
maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een
zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd
omtrent:
a. het vermogen en het exploitatiesaldo; en
b. voor zover de aard van het financiële verslag dat toelaat,
omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de
subsidieontvanger.
-3. De balans met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en
stelselmatig de grootte en de samenstelling in actief- en
passiefposten van het vermogen op het einde van het boekjaar weer.
-4. De exploitatierekening met de toelichting geeft getrouw,
duidelijk en stelselmatig de grootte van het exploitatiesaldo van
het boekjaar weer.
-5. Het financiële verslag sluit aan op de begroting waarvoor
subsidie is verleend en behelst een vergelijking met de
gerealiseerde inkomsten en uitgaven van het jaar voorafgaand aan
het boekjaar.
Art.
4:77.
Indien de subsidieontvanger zijn inkomsten in overwegende mate
ontleent aan de subsidie, kan bij wettelijk voorschrift of bij de
subsidieverlening worden bepaald dat
artikel 4:76 van overeenkomstige toepassing is.
Art. 4:78.
-1. De subsidieontvanger geeft opdracht tot onderzoek van het
financiële verslag aan een accountant als bedoeld in artikel 393,
eerste lid, van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek.
-2. De accountant onderzoekt of het financiële verslag voldoet
aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften en of het
activiteitenverslag, voor zover hij dat verslag kan beoordelen,
met het financiële verslag verenigbaar is.
-3. De accountant geeft de uitslag van zijn onderzoek weer in een
schriftelijke verklaring omtrent de getrouwheid van het
financiële verslag.
-4. De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld
van de in het derde lid bedoelde verklaring.
-5. Bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening kan
vrijstelling of ontheffing worden verleend van het eerste tot en
met het vierde lid.
Art. 4:79.
-1. Bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening kan
worden bepaald dat de in artikel
4:78, eerste lid, bedoelde opdracht tevens strekt tot onderzoek van
de naleving van aan de subsidie verbonden verplichtingen.
-2. Bij toepassing van het eerste lid gaat de opdracht vergezeld
van een bij of krachtens wettelijk voorschrift of bij de
subsidieverlening vast te stellen aanwijzing over de reikwijdte en
de intensiteit van de controle.
-3. Bij toepassing van het eerste lid gaat het financiële verslag
tevens vergezeld van een schriftelijke verklaring van de
accountant over de naleving door de subsidieontvanger van de aan
de subsidie verbonden verplichtingen.
Art. 4:80.
Het activiteitenverslag beschrijft de aard en omvang van de
activiteiten waarvoor subsidie werd verleend en bevat een
vergelijking tussen de nagestreefde en de gerealiseerde
doelstellingen en een toelichting op de verschillen.
TITEL 4.3.
Beleidsregels
Art. 4:81.
-1. Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met
betrekking tot een hem toekomende of onder zijn
verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde
bevoegdheid.
-2. In andere gevallen kan een bestuursorgaan slechts
beleidsregels vaststellen voor zover dit bij wettelijk voorschrift
is bepaald.
Art. 4:82.
Ter motivering van een besluit kan slechts worden volstaan met een
verwijzing naar een vaste gedragslijn voor zover deze is
neergelegd in een beleidsregel.
Art. 4:83.
Bij de bekendmaking van het besluit, inhoudende een beleidsregel,
wordt zo mogelijk het wettelijk voorschrift vermeld waaruit de
bevoegdheid waarop het besluit, inhoudende een beleidsregel,
betrekking heeft, voortvloeit.
Art. 4:84.
Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij
dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die
wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding
tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
H.
Na hoofdstuk 4 wordt een nieuw
hoofdstuk ingevoegd, luidende:
HOOFDSTUK 5. Handhaving
AFDELING 5.2.
Toezicht op de naleving
Art. 5:11.
Onder toezichthouder wordt verstaan: een persoon bij of krachtens
wettelijk voorschrift belast met het houden van toezicht op de
naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk
voorschrift.
Art. 5:12.
-1. Bij de uitoefening van zijn taak draagt een toezichthouder een
legitimatiebewijs bij zich, dat is uitgegeven door het
bestuursorgaan onder verantwoordelijkheid waarvan de
toezichthouder werkzaam is.
-2. Een toezichthouder toont zijn legitimatiebewijs desgevraagd
aanstonds.
-3. Het legitimatiebewijs bevat een foto van de toezichthouder en
vermeldt in ieder geval diens naam en hoedanigheid. Het model van
het legitimatiebewijs wordt vastgesteld bij regeling van Onze Minister van
Justitie.
Art. 5:13.
Een toezichthouder maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik
voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak
nodig is.
Art. 5:14.
Bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan
dat de toezichthouder als zodanig aanwijst, kunnen de aan de
toezichthouder toekomende bevoegdheden worden beperkt.
Art. 5:15.
-1. Een toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde
apparatuur, elke plaats te betreden, met uitzondering van een
woning zonder toestemming van de bewoner.
-2. Zo nodig verschaft hij zich toegang met behulp van de sterke
arm.
-3. Hij is bevoegd zich te doen vergezellen door personen die
daartoe door hem zijn aangewezen.
Art. 5:16.
Een toezichthouder is bevoegd inlichtingen te vorderen.
Art. 5:17.
-1. Een toezichthouder is bevoegd inzage te vorderen van zakelijke
gegevens en bescheiden.
-2. Hij is bevoegd van de gegevens en bescheiden kopieën te
maken.
-3. Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden,
is hij bevoegd de gegevens en bescheiden voor dat doel voor korte
tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk
bewijs.
Art. 5:18.
-1. Een toezichthouder is bevoegd zaken te onderzoeken, aan
opneming te onderwerpen en daarvan monsters te nemen.
-2. De toezichthouder neemt op verzoek van de belanghebbende
indien mogelijk een tweede monster, tenzij bij of krachtens
wettelijk voorschrift anders is bepaald.
-3. Hij is bevoegd daartoe verpakkingen te openen.
-4. Indien het onderzoek, de opneming of de monsterneming niet ter
plaatse kan geschieden, is hij bevoegd de zaken voor dat doel voor
korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven
schriftelijk bewijs.
-5. De genomen monsters worden voor zover mogelijk teruggegeven.
-6. De belanghebbende wordt op zijn verzoek zo spoedig mogelijk in
kennis gesteld van de resultaten van het onderzoek, de opneming of
de monsterneming.
Art. 5:19.
-1. Een toezichthouder is bevoegd vervoermiddelen te onderzoeken
met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft.
-2. Hij is bevoegd vervoermiddelen waarmee naar zijn redelijk
oordeel zaken worden vervoerd met betrekking waartoe hij een
toezichthoudende taak heeft, op hun lading te onderzoeken.
-3. Hij is bevoegd van de bestuurder van een vervoermiddel inzage
te vorderen van de wettelijk voorgeschreven bescheiden met
betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft.
-4. Hij is bevoegd met het oog op de uitoefening van deze
bevoegdheden van de bestuurder van een voertuig of van de schipper
van een vaartuig te vorderen dat deze zijn vervoermiddel stilhoudt
en naar een door hem aangewezen plaats overbrengt.
-5. Bij regeling van Onze Minister van Justitie
wordt bepaald op welke wijze de vordering tot stilhouden wordt
gedaan.
Art. 5:20.
-1. Een ieder is verplicht aan een toezichthouder binnen de door
hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die
deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn
bevoegdheden.
-2. Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift
verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van
medewerking weigeren, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht
voortvloeit.
AFDELING 5.3.
Bestuursdwang
Art. 5:21.
Onder bestuursdwang wordt verstaan: het door feitelijk handelen
door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in
strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde
verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.
Art. 5:22.
De bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang bestaat slechts
indien zij bij of krachtens de wet is toegekend.
Art. 5:23.
Deze afdeling is niet van toepassing indien wordt opgetreden ter
onmiddellijke handhaving van de openbare orde.
Art. 5:24.
-1. Een beslissing tot toepassing van bestuursdwang wordt op
schrift gesteld. De schriftelijke beslissing is een beschikking.
-2. De beschikking vermeldt welk voorschrift is of wordt
overtreden.
-3. De bekendmaking geschiedt aan de overtreder, aan de
rechthebbenden op het gebruik van de zaak ten aanzien waarvan
bestuursdwang zal worden toegepast en aan de aanvrager.
-4. In de beschikking wordt een termijn gesteld waarbinnen de
belanghebbenden de tenuitvoerlegging kunnen voorkomen door zelf
maatregelen te treffen. Het bestuursorgaan omschrijft de te nemen
maatregelen.
-5. Geen termijn behoeft te worden gegund indien de vereiste spoed
zich daartegen verzet.
-6. Indien de situatie dermate spoedeisend is dat het
bestuursorgaan de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet
tevoren op schrift kan stellen, zorgt het alsnog zo spoedig
mogelijk voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking.
Art. 5:25.
-1. De overtreder is de kosten verbonden aan de toepassing van
bestuursdwang verschuldigd, tenzij de kosten redelijkerwijze niet
of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.
-2. De beschikking vermeldt dat de toepassing van bestuursdwang op
kosten van de overtreder plaatsvindt.
-3. Indien echter de kosten geheel of gedeeltelijk niet ten laste
van de overtreder zullen worden gebracht, wordt zulks in de
beschikking vermeld.
-4. Onder de kosten, bedoeld in het eerste lid, worden begrepen de
kosten verbonden aan de voorbereiding van bestuursdwang, voor
zover deze kosten zijn gemaakt na het tijdstip waarop de termijn,
bedoeld in artikel
5:24, vierde lid, is verstreken.
-5. De kosten zijn ook verschuldigd indien de bestuursdwang door
opheffing van de onwettige situatie niet of niet volledig is
uitgevoerd.
-6. Onder de kosten, bedoeld in het eerste lid, worden tevens
begrepen de kosten voortvloeiende uit de vergoeding van schade
ingevolge artikel
5:27, zesde lid.
Art. 5:26.
-1. Het bestuursorgaan dat bestuursdwang heeft toegepast, kan van
de overtreder bij dwangbevel de ingevolge artikel 5:25
verschuldigde kosten, verhoogd met de op de invordering vallende
kosten, invorderen.
-2. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij
deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op
in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-3. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet
tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de rechtspersoon
waartoe het bestuursorgaan behoort.
-4. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van de
rechtspersoon kan de rechter de schorsing van de tenuitvoerlegging
opheffen.
Art. 5:27.
-1. Om aan een beslissing tot toepassing van bestuursdwang
uitvoering te geven, hebben personen die daartoe zijn aangewezen
door het bestuursorgaan dat bestuursdwang toepast, toegang tot
elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van
hun taak nodig is.
-2. Voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de
bewoner is het bestuursorgaan dat bestuursdwang toepast bevoegd
tot het geven van een machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene
wet op het binnentreden.
-3. Een plaats die niet bij de overtreding is betrokken, wordt
niet betreden dan nadat het bestuursorgaan dat bestuursdwang
toepast dit de rechthebbende ten minste 48 uren tevoren
schriftelijk heeft aangezegd.
-4. Het derde lid geldt niet indien tijdige aanzegging wegens de
vereiste spoed niet mogelijk is. De aanzegging geschiedt dan zo
spoedig mogelijk.
-5. De aanzegging omschrijft de wijze waarop het betreden zal
plaatsvinden.
-6. De rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort, vergoedt
de schade die door het betreden van een plaats als bedoeld in het
derde lid wordt veroorzaakt, voor zover deze redelijkerwijs niet
ten laste van de rechthebbende behoort te komen, onverminderd het
recht tot verhaal van deze schade op de overtreder ingevolge artikel 5:25,
zesde lid.
Art. 5:28.
Tot de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang behoort het
verzegelen van gebouwen, terreinen en hetgeen zich daarin of
daarop bevindt.
Art. 5:29.
-1. Tot de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang behoort
het meevoeren en opslaan van daarvoor vatbare zaken voor zover de
toepassing van bestuursdwang dit vereist.
-2. Indien zaken zijn meegevoerd en opgeslagen, doet het
bestuursorgaan dat bestuursdwang heeft toegepast daarvan
proces-verbaal opmaken, waarvan afschrift wordt verstrekt aan
degene die de zaken onder zijn beheer had.
-3. Het bestuursorgaan draagt zorg voor de bewaring van de
opgeslagen zaken en geeft deze zaken terug aan de rechthebbende.
-4. Het bestuursorgaan is bevoegd de afgifte op te schorten totdat
de ingevolge artikel 5:25
verschuldigde kosten zijn voldaan. Indien de rechthebbende niet
tevens de overtreder is, is het bestuursorgaan bevoegd de afgifte
op te schorten totdat de kosten van bewaring zijn voldaan.
Art. 5:30.
-1. Het bestuursorgaan dat bestuursdwang heeft toegepast, is
bevoegd, indien een ingevolge
artikel 5:29, eerste lid, meegevoerde en opgeslagen zaak niet binnen
dertien weken na de meevoering kan worden teruggegeven, deze te
verkopen of, indien verkoop naar zijn oordeel niet mogelijk is, de
zaak om niet aan een derde in eigendom over te dragen of te laten
vernietigen.
-2. Gelijke bevoegdheid heeft het bestuursorgaan ook binnen die
termijn, zodra de ingevolge artikel 5:25
verschuldigde kosten, vermeerderd met de voor de verkoop, de
eigendomsoverdracht om niet of de vernietiging geraamde kosten, in
verhouding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog worden.
-3. Verkoop, eigendomsoverdracht of vernietiging vindt niet plaats
binnen twee weken na de verstrekking van het afschrift, bedoeld in artikel
5:29, tweede lid, tenzij het gevaarlijke stoffen of eerder aan
bederf onderhevige stoffen betreft.
-4. Gedurende drie jaren na het tijdstip van verkoop heeft degene
die op dat tijdstip eigenaar was recht op de opbrengst van de zaak
onder aftrek van de ingevolge artikel
5:25 verschuldigde kosten en de kosten van de verkoop. Na het
verstrijken van die termijn vervalt het eventuele batige saldo aan
de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort.
Art. 5:31.
Een beslissing tot toepassing van bestuursdwang wordt niet genomen
zolang een ter zake van de betrokken overtreding reeds gegeven
beschikking tot oplegging van een last onder dwangsom niet is
ingetrokken.
AFDELING 5.4.
Dwangsom
Art. 5:32.
-1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen,
kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom
opleggen.
-2. Een last onder dwangsom strekt ertoe de overtreding ongedaan
te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de
overtreding te voorkomen.
-3. Voor het opleggen van een last onder dwangsom wordt niet
gekozen indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te
beschermen, zich daartegen verzet.
-4. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag
ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet
is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. Het
bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen
dwangsom meer wordt verbeurd. Het vastgestelde bedrag staat in
redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en
de beoogde werking van de dwangsomoplegging.
-5. In de beschikking tot oplegging van een last onder dwangsom
die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het
voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld
gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een
dwangsom wordt verbeurd.
Art. 5:33.
-1. Verbeurde dwangsommen komen toe aan de rechtspersoon waartoe
het bestuursorgaan behoort dat de dwangsom heeft vastgesteld. Het
bestuursorgaan kan bij dwangbevel het verschuldigde bedrag
invorderen.
-2. Artikel 5:26, tweede tot en met
vierde lid, is van toepassing.
Art. 5:34.
-1. Het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd,
kan op verzoek van de overtreder de last opheffen, de looptijd
ervan opschorten voor een bepaalde termijn of de dwangsom
verminderen in geval van blijvende of tijdelijke gehele of
gedeeltelijke onmogelijkheid voor de overtreder om aan zijn
verplichtingen te voldoen.
-2. Het bestuursorgaan dat de last onder dwangsom heeft opgelegd,
kan op verzoek van de overtreder de last opheffen indien de
beschikking één jaar van kracht is geweest zonder dat de
dwangsom is verbeurd.
Art. 5:35.
-1. De bevoegdheid tot invordering van verbeurde bedragen verjaart
door verloop van zes maanden na de dag waarop zij zijn verbeurd.
-2. De verjaring wordt geschorst door faillissement en ieder
wettelijk beletsel voor invordering van de dwangsom.
Art. 5:36.
Een last onder dwangsom wordt niet opgelegd zolang een ter zake
van de betrokken overtreding reeds genomen beslissing tot
toepassing van bestuursdwang niet is ingetrokken.
I.
Artikel 7:14 komt te luiden:
Art. 7:14.
Artikel 3:6, tweede lid, de afdelingen 3.4
en 3.5, de
artikelen 3:41 tot en met 3:45, afdeling
3.7, met uitzondering van artikel 3:49,
en hoofdstuk 4 zijn niet van
toepassing.
J.
Artikel 7:27 komt te luiden:
Art. 7:27.
Artikel 3:6, tweede lid, de afdelingen 3.4
en 3.5, de
artikelen 3:41 tot en met 3:45, afdeling
3.7, met uitzondering van artikel 3:49,
en hoofdstuk 4
zijn niet van toepassing.
K.
Na hoofdstuk 8 wordt, onder
vernummering van hoofdstuk 9 tot hoofdstuk 11
en van de
artikelen 9:1 tot en met 9:4 tot 11:1 tot en met
11:4, een hoofdstuk toegevoegd, luidende:
HOOFDSTUK 10.
Bepalingen over bestuursorganen
TITEL 10.1. Mandaat
en delegatie
AFDELING 10.1.1.
Mandaat
Art. 10:1.
Onder mandaat wordt verstaan: de bevoegdheid om in naam van een
bestuursorgaan besluiten te nemen.
Art. 10:2.
Een door de gemandateerde binnen de grenzen van zijn bevoegdheid
genomen besluit geldt als een besluit van de mandaatgever.
Art. 10:3.
-1. Een bestuursorgaan kan mandaat verlenen, tenzij bij wettelijk
voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich
tegen de mandaatverlening verzet.
-2. Mandaat wordt in ieder geval niet verleend indien het betreft
een bevoegdheid:
a. tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften,
tenzij bij de verlening van die bevoegdheid in mandaatverlening is
voorzien;
b. tot het nemen van een besluit ten aanzien waarvan is bepaald
dat het met versterkte meerderheid moet worden genomen of waarvan
de aard van de voorgeschreven besluitvormingsprocedure zich
anderszins tegen de mandaatverlening verzet;
c. tot het beslissen op een beroepschrift;
d. tot het vernietigen van of tot het onthouden van goedkeuring
aan een besluit van een ander bestuursorgaan.
-3. Mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift wordt niet
verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich
richt, krachtens mandaat heeft genomen.
Art. 10:4.
-1. Indien de gemandateerde niet werkzaam is onder
verantwoordelijkheid van de mandaatgever, behoeft de
mandaatverlening de instemming van de gemandateerde en in het
voorkomende geval van degene onder wiens verantwoordelijkheid hij
werkt.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing indien bij wettelijk
voorschrift in de bevoegdheid tot de mandaatverlening is voorzien.
Art. 10:5.
-1. Een bestuursorgaan kan hetzij een algemeen mandaat, hetzij een
mandaat voor een bepaald geval verlenen.
-2. Een algemeen mandaat wordt schriftelijk verleend. Een mandaat
voor een bepaald geval wordt in ieder geval schriftelijk verleend
indien de gemandateerde niet werkzaam is onder
verantwoordelijkheid van de mandaatgever.
Art. 10:6.
-1. De mandaatgever kan de gemandateerde per geval of in het
algemeen instructies geven ter zake van de uitoefening van de
gemandateerde bevoegdheid.
-2. De gemandateerde verschaft de mandaatgever op diens verzoek
inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheid.
Art. 10:7.
De mandaatgever blijft bevoegd de gemandateerde bevoegdheid uit te
oefenen.
Art.
10:8.
-1. De mandaatgever kan het mandaat te allen tijde intrekken.
-2. Een algemeen mandaat wordt schriftelijk ingetrokken.
Art. 10:9.
-1. De mandaatgever kan toestaan dat ondermandaat wordt verleend.
-2. Op ondermandaat zijn de overige artikelen van deze afdeling
van overeenkomstige toepassing.
Art. 10:10.
Een krachtens mandaat genomen besluit vermeldt namens welk
bestuursorgaan het besluit is genomen.
Art. 10:11.
-1. Een bestuursorgaan kan bepalen dat door hem genomen besluiten
namens hem kunnen worden ondertekend, tenzij bij wettelijk
voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich
hiertegen verzet.
-2. In dat geval moet uit het besluit blijken dat het door het
bestuursorgaan zelf is genomen.
Art. 10:12.
Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing indien een
bestuursorgaan aan een ander, werkzaam onder zijn
verantwoordelijkheid, volmacht verleent tot het verrichten van
privaatrechtelijke rechtshandelingen of machtiging verleent tot
het verrichten van handelingen die noch een besluit, noch een
privaatrechtelijke rechtshandeling zijn.
AFDELING 10.1.2.
Delegatie
Art. 10:13.
Onder delegatie wordt verstaan: het overdragen door een
bestuursorgaan van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten
aan een ander die deze onder eigen verantwoordelijkheid uitoefent.
Art. 10:14.
Delegatie geschiedt niet aan ondergeschikten.
Art. 10:15.
Delegatie geschiedt slechts indien in de bevoegdheid daartoe bij
wettelijk voorschrift is voorzien.
Art. 10:16.
-1. Het bestuursorgaan kan ter zake van de uitoefening van de
gedelegeerde bevoegdheid uitsluitend beleidsregels geven.
-2. Degene aan wie de bevoegdheid is gedelegeerd, verschaft het
bestuursorgaan op diens verzoek inlichtingen over de uitoefening
van de bevoegdheid.
Art. 10:17.
Het bestuursorgaan kan de gedelegeerde bevoegdheid niet meer zelf
uitoefenen.
Art. 10:18.
Het bestuursorgaan kan het delegatiebesluit te allen tijde
intrekken.
Art. 10:19.
Een besluit dat op grond van een gedelegeerde bevoegdheid wordt
genomen, vermeldt het delegatiebesluit en de vindplaats daarvan.
Art. 10:20.
-1. Op de overdracht door een bestuursorgaan van een bevoegdheid
van een ander bestuursorgaan tot het nemen van besluiten aan een
derde is deze afdeling, met uitzondering van artikel 10:16,
van overeenkomstige toepassing.
-2. Bij wettelijk voorschrift of bij het besluit tot overdracht
kan worden bepaald dat het bestuursorgaan wiens bevoegdheid is
overgedragen beleidsregels over de uitoefening van die bevoegdheid
kan geven.
-3. Degene aan wie de bevoegdheid is overgedragen, verschaft het
overdragende en het oorspronkelijk bevoegde bestuursorgaan op hun
verzoek inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheid.
TITEL 10.2.
Toezicht op bestuursorganen
AFDELING 10.2.1.
Goedkeuring
Art. 10:25.
In deze wet wordt verstaan onder goedkeuring: de vóór de
inwerkingtreding van een besluit van een bestuursorgaan vereiste
toestemming van een ander bestuursorgaan.
Art. 10:26.
Besluiten kunnen slechts aan goedkeuring worden onderworpen in bij
of krachtens de wet bepaalde gevallen.
Art. 10:27.
De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het
recht of op een grond, neergelegd in de wet waarin of krachtens
welke de goedkeuring is voorgeschreven.
Art. 10:28.
Aan een besluit waarover een rechter uitspraak heeft gedaan of
waarbij een in kracht van gewijsde gegane uitspraak van de rechter
wordt uitgevoerd, kan geen goedkeuring worden onthouden op
rechtsgronden welke in strijd zijn met die waarop de uitspraak
steunt of mede steunt.
Art. 10:29.
-1. Een besluit kan alleen dan gedeeltelijk worden goedgekeurd
indien gedeeltelijke inwerkingtreding strookt met aard en inhoud
van het besluit.
-2. De goedkeuring kan noch voor bepaalde tijd of onder
voorwaarden worden verleend, noch worden ingetrokken.
Art. 10:30.
-1. Gedeeltelijke goedkeuring of onthouding van goedkeuring vindt
niet plaats dan nadat aan het bestuursorgaan dat het besluit heeft
genomen gelegenheid tot overleg is geboden.
-2. De motivering van het goedkeuringsbesluit verwijst naar
hetgeen in het overleg aan de orde is gekomen.
Art. 10:31.
-1. Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, wordt het
besluit omtrent goedkeuring binnen dertien weken na de verzending
ter goedkeuring bekendgemaakt aan het bestuursorgaan dat het aan
goedkeuring onderworpen besluit heeft genomen.
-2. Het nemen van het besluit omtrent goedkeuring kan eenmaal voor
ten hoogste dertien weken worden verdaagd.
-3. In afwijking van het tweede lid kan het nemen van het besluit
omtrent goedkeuring eenmaal voor ten hoogste zes maanden worden
verdaagd indien inzake dat besluit advies van een adviseur als
bedoeld in artikel 3:5 is vereist.
-4. Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, wordt een
besluit tot goedkeuring geacht te zijn genomen indien binnen de in
het eerste lid genoemde termijn geen besluit omtrent goedkeuring
of geen besluit tot verdaging, dan wel binnen de termijn waarvoor
het besluit is verdaagd, geen besluit omtrent goedkeuring is
bekendgemaakt aan het bestuursorgaan dat het aan goedkeuring
onderworpen besluit heeft genomen.
Art. 10:32.
-1. Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing indien voor
het nemen van een besluit door een bestuursorgaan de toestemming
van een ander bestuursorgaan is vereist.
-2. Bij de toestemming kan een termijn worden gesteld waarbinnen
het besluit dient te worden genomen.
AFDELING 10.2.2.
Vernietiging
Art. 10:33.
Deze afdeling is van toepassing indien een bestuursorgaan bevoegd
is buiten administratief beroep een besluit van een ander
bestuursorgaan te vernietigen.
Art. 10:34.
De vernietigingsbevoegdheid kan slechts worden verleend bij de
wet.
Art. 10:35.
Vernietiging kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of
het algemeen belang.
Art. 10:36.
Een besluit kan alleen dan gedeeltelijk worden vernietigd indien
gedeeltelijke instandhouding strookt met aard en inhoud van het
besluit.
Art. 10:37.
Een besluit waarover de rechter uitspraak heeft gedaan of waarbij
een in kracht van gewijsde gegane uitspraak van de rechter wordt
uitgevoerd, kan niet worden vernietigd op rechtsgronden welke in
strijd zijn met die waarop de uitspraak steunt of mede steunt.
Art. 10:38.
-1. Een besluit dat nog goedkeuring behoeft, kan niet worden
vernietigd.
-2. Een besluit waartegen bezwaar of beroep openstaat of aanhangig
is, kan niet worden vernietigd.
Art. 10:39.
-1. Een besluit tot het verrichten van een rechtshandeling naar
burgerlijk recht kan niet worden vernietigd indien dertien weken
zijn verstreken nadat het is bekendgemaakt.
-2. Indien binnen de termijn, genoemd in het eerste lid,
overeenkomstig artikel 10:43
schorsing heeft plaatsgevonden, blijft vernietiging binnen de duur
van de schorsing mogelijk.
-3. Indien een besluit als bedoeld in het eerste lid aan
goedkeuring is onderworpen, vangt de in het eerste lid genoemde
termijn aan nadat het goedkeuringsbesluit is bekendgemaakt. Op het
goedkeuringsbesluit zijn het eerste en tweede lid van
overeenkomstige toepassing.
Art. 10:40.
Een besluit dat overeenkomstig artikel 10:43
is geschorst, kan, nadat de schorsing is geëindigd, niet meer
worden vernietigd.
Art. 10:41.
-1. Vernietiging vindt niet plaats dan nadat aan het
bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen gelegenheid tot
overleg is geboden.
-2. De motivering van het vernietigingsbesluit verwijst naar
hetgeen in het overleg aan de orde is gekomen.
Art. 10:42.
-1. Vernietiging van een besluit strekt zich uit tot alle
rechtsgevolgen waarop het was gericht.
-2. In het vernietigingsbesluit kan worden bepaald dat de
rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel of ten dele in
stand blijven.
-3. Indien een besluit tot het aangaan van een overeenkomst wordt
vernietigd, wordt de overeenkomst, zo zij reeds is aangegaan en
voor zover bij het vernietigingsbesluit niet anders is bepaald,
niet of niet verder uitgevoerd, onverminderd het recht van de
wederpartij op schadevergoeding.
AFDELING 10.2.3.
Schorsing
Art. 10:43.
Hangende het onderzoek of er reden is tot vernietiging over te
gaan, kan een besluit door het tot vernietiging bevoegde
bestuursorgaan worden geschorst.
Art. 10:44.
-1. Het besluit tot schorsing bepaalt de duur hiervan.
-2. De schorsing van een besluit kan eenmaal worden verlengd.
-3. De schorsing kan ook na verlenging niet langer duren dan één
jaar.
-4. Indien een verzoek om een administratiefrechtelijke
voorziening aanhangig is tegen het geschorste besluit, duurt de
schorsing evenwel voort tot dertien weken nadat op dat verzoek
onherroepelijk is beslist.
-5. De schorsing kan worden opgeheven.
Art. 10:45.
Op het besluit inzake schorsing zijn de artikelen 10:36, 10:37,
10:38, eerste lid, 10:39,
eerste en derde lid, en 10:42,
derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Art.
II.
[Goedkeuring besluit | Schorsing besluit]
-1. Indien een besluit vóór de
inwerkingtreding van deze wet ter goedkeuring is verzonden,
blijven op de goedkeuring van dat besluit de bepalingen van
toepassing die gelden op de dag waarop het besluit ter goedkeuring
is verzonden.
-2. Indien een besluit vóór de
inwerkingtreding van deze wet is geschorst, blijven op de
schorsing de bepalingen van toepassing die gelden op de dag waarop
het besluit tot schorsing is bekendgemaakt.
Art.
III.
[Subsidies]
-1. Titel 4.2
van de
Algemene wet bestuursrecht is niet
van toepassing op subsidies die vóór de inwerkingtreding van deze wet
zijn verleend of vastgesteld. Op deze subsidies is het recht van
toepassing zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet.
-2. Artikel
4:23, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht is
gedurende vier jaren na de inwerkingtreding van deze wet niet van
toepassing op subsidies gelijksoortig aan die welke door het betrokken
bestuursorgaan reeds vóór de inwerkingtreding van deze wet
overeenkomstig bekendgemaakt beleid werden verstrekt.
-3. Ten aanzien van subsidies als bedoeld
in het tweede lid kan hetgeen ingevolge titel 4.2
van de Algemene wet bestuursrecht bij
wettelijk voorschrift kan of moet worden bepaald, bij beleidsregel
worden bepaald.
-4. Het in artikel
4:23, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht
bedoelde verslag heeft mede betrekking op subsidies die met toepassing
van het tweede lid worden verstrekt.
Art.
IV.
[Bestuursdwang | Dwangsom]
-1. Indien een beslissing tot
toepassing van bestuursdwang vóór de inwerkingtreding van deze
wet is bekendgemaakt, blijven op de toepassing van bestuursdwang
ten aanzien van de in die beslissing genoemde overtreding de
bepalingen van toepassing die gelden op de dag waarop de
beslissing is bekendgemaakt.
-2. Indien een beschikking tot
oplegging van een last onder dwangsom vóór de inwerkingtreding
van deze wet is bekendgemaakt, blijven daarop de bepalingen van
toepassing die gelden op de dag waarop de beschikking is
bekendgemaakt.
Art.
V.
[Uitoefenen bevoegdheid]
Degene die volgens het recht zoals dat gold vóór het tijdstip
van inwerkingtreding van deze wet bevoegd was een besluit te nemen
of een andere handeling te verrichten, welke bevoegdheid na dat
tijdstip als gevolg van deze wet, de Aanpassingswet
derde tranche Awb I of de Aanpassingswet derde tranche Awb II
niet meer door hem zou kunnen worden uitgeoefend, behoudt
niettemin deze bevoegdheid totdat in overeenstemming met deze wet,
de Aanpassingswet derde tranche Awb I of de Aanpassingswet derde
tranche Awb II in de bevoegdheid is voorzien, doch niet langer dan
dertien weken na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
Art.
VI.
[Inwerkingtreding]
-1. De artikelen van deze wet treden
in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat
voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend
kan worden vastgesteld.¹
-2. Bij koninklijk besluit kan een
ander tijdstip worden vastgesteld waarop deze wet in werking
treedt voor de toepassing van:
a. de Wet
op het primair onderwijs;
b. de Wet
op het voortgezet onderwijs;
c. de Wet
op de expertisecentra;
d. de Wet
educatie en beroepsonderwijs;
e. de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
f. de Wet
op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek;
g. de TNO-wet;
h. de Wet
studiefinanciering 2000;
i. de Wet tegemoetkoming
studiekosten;
j. de Les-
en cursusgeldwet;
k. de Wet
verzelfstandiging Informatiseringsbank;
l. de Leerplichtwet
1969.
-3. Bij koninklijk besluit kan een
ander tijdstip worden vastgesteld waarop titel 4.2
van deze wet in werking treedt voor de toepassing van de Mediawet.
1. Bij Besluit
van 11 december 1997, Stb. 1997, 581, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 1998, met uitzondering van het in dat
besluit bepaalde, red.
Lasten en bevelen dat
deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 20 juni 1996
BEATRIX
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
De Staatssecretaris van Binnenlandse
Zaken,
J. Kohnstamm
Uitgegeven de vierde juli 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|