|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2003-2004, 29 702
Aanvulling
van de Algemene wet
bestuursrecht (Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| I |
Algemeen |
| 1 |
De Awb als aanbouwwet |
| 2 |
De inhoud van de
vierde tranche |
| 3 |
Gevolgen voor de
bestaande wetgeving |
| 4 |
Bestuurslasten |
| 5 |
Budgettaire gevolgen |
| 6 |
Opbouw van deze
memorie van toelichting |
| II |
Bestuursrechtelijke geldschulden |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Noodzaak van een
algemene regeling |
| 3 |
De verhouding van de Awb tot het BW |
| 4 |
Verhouding tot het
gemeenschapsrecht |
| 5 |
Reikwijdte van de
regeling |
| 6 |
De opzet van de
regeling |
| 7 |
Rechtsbescherming tegen (dwang)invordering |
| 8 |
Overige wijzigingen |
| xArtikelsgewijs |
| III |
Bestuurlijke handhaving |
| 1 |
De handhaving van het
bestuursrecht |
| 2 |
Privaatrechtelijke en
tuchtrechtelijke sancties |
| 3 |
De indeling van
hoofdstuk 5 |
| 4 |
Algemene bepalingen
over handhaving (titel 5.1) |
| xArtikelsgewijs |
| IV |
Herstelsancties |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Van bestuursdwang naar
last onder bestuursdwang |
| 3 |
Wijzigingen voortvloeiend uit titel 4.4
(Bestuursrechtelijke geldschulden) |
| 4 |
Versterking van de
positie van de derde die om handhaving vraagt |
| 5 |
Cumulatie van
besluitmomenten |
| 6 |
De zelfstandige
dwangsombevoegdheid |
| xArtikelsgewijs |
| V |
De bestuurlijke boete |
| 1 |
Aanleiding |
| 2 |
Verschillende
boetestelsels |
| 3 |
De opzet van de
regeling |
| 4 |
Verdragsrechtelijke
eisen |
| 5 |
Verhouding tot het
strafrecht |
| 6 |
De bijzondere positie
van de rechter bij toetsing van boetebesluiten |
| 7 |
De positie van
derden-belanghebbenden |
| 8 |
Een
bestuursrechtelijke transactie? |
| 9 |
Bewijs |
| 10 |
De bestuurlijke boete
en het gemeenschapsrecht |
| xArtikelsgewijs |
| VI |
Attributie |
| 1 |
Algemeen |
| 2 |
Attributie aan een
persoon of college werkzaam onder verantwoordelijkheid van
een bestuursorgaan |
| 3 |
Politieke verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan |
| 4 |
Doel van deze regeling |
| 5 |
De
instructiebevoegdheid |
| 6 |
Inlichtingenplicht |
| 7 |
Overige juridische
aspecten van attributie aan ondergeschikten |
| 8 |
Plaats van de regeling |
| 9 |
Schakelbepaling
delegatie |
| xArtikelsgewijs |
| VII |
Overgangs- en slotbepalingen |
| xBijlage
1: overzicht van
wetgeving waarin een dwangbevelprocedure ter invordering van een
geldschuld voorkomt (per 18 juni 2004) |
| xBijlage
2: overzicht van
wetgeving waarin een bevoegdheid tot het opleggen van een
bestuurlijke boete voorkomt (per 18 juni 2004) |
| xBijlage
3: lijst van
instanties die advies hebben uitgebracht over het voorontwerp |
| xRegister
op de artikelen van de
Algemene wet bestuursrecht |
| xRegister
op de artikelen en
onderdelen van dit wetsvoorstel |
rblz.|3|
I. Algemeen
1. De Awb als aanbouwwet
Artikel 107, tweede lid, van de
Grondwet draagt de
wetgever op algemene regels van bestuursrecht vast te stellen. In de memorie
van toelichting bij het eerste gedeelte van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) (Kamerstukken II 1988-1989, 21 221, nr. 3) is uiteengezet dat deze
opdracht wegens haar omvang en complexiteit niet in één keer, maar
gefaseerd zal worden uitgevoerd. De Algemene wet bestuursrecht wordt in een
aantal "tranches" tot stand gebracht. Men spreekt wel van
aanbouwwetgeving. De eerste en de tweede tranche zijn in werking getreden
op 1 januari 1994, de derde tranche op 1 januari 1998.
Dit wetsvoorstel bevat de vierde tranche van de Algemene
wet bestuursrecht. Het is gebaseerd op een voorontwerp van de Commissie
wetgeving algemene regels van bestuursrecht (Den Haag 1999). Over
dit voorontwerp zijn een groot aantal adviezen uitgebracht ¹ (zie bijlage 3
voor een lijst). Op deze adviezen wordt waar nodig ingegaan in de
desbetreffende onderdelen van deze toelichting. Ook in de literatuur is veel aandacht aan
het voorontwerp besteed.
Er zijn ook onderdelen van de Awb die geen deel hebben
uitgemaakt van één van deze grote tranches, maar bij afzonderlijke
wet aan de Awb zijn toegevoegd. Zo traden tegelijk met de eerste en de
tweede tranche twee wetten in werking waarbij de Awb werd aangevuld met een
titel 1.2 inzake implementatie van EU-regelgeving en een afdeling 3.5
inzake de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure. Anderhalf jaar later,
op 1 juli 1995, trad in werking de wet tot aanvulling van de Awb
met een afdeling 2.2 inzake het gebruik van de Nederlandse en de Friese
taal in het openbaar bestuur [zie Wet van 4 mei
1995, Stb. 1995, 302, red.]. Op 1 juli 1999 is de Awb uitgebreid met een
hoofdstuk 9, inzake de behandeling van klachten door bestuursorganen
[zie Wet van 12 mei 1999, Stb. 1999, 214,
red.].
Ook mag niet onvermeld blijven de op 1 september 1999 in werking
getreden Wet
herziening van het fiscale procesrecht, die het uniforme
bestuursprocesrecht van hoofdstuk 8 Awb ook van toepassing verklaart op de
belastingrechtspraak. Hoewel strikt genomen geen
uitbreiding van de Awb zelf, betekent laatstgenoemde wet een belangrijke
uitbreiding van de werkingssfeer van de Awb en daarmee een belangrijke
bijdrage aan de met de Awb beoogde harmonisatie van het bestuursrecht.
Sedert het verschijnen van het voorontwerp voor deze
vierde tranche van de Awb (september 1999) zijn voorts nog in werking
getreden de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures (12 maart 2002), die
de Awb aanvulde met een regeling voor de vergoeding van de kosten van
rechtsbijstand in bezwaar en administratief beroep en de Eerste
evaluatiewet Awb (1 april 2002), waarin een aantal uit de eerste evaluatie van de
Awb voortvloeiende kleinere wijzigingen was bijeengebracht. In het
Staatsblad verscheen ten slotte nog de Wet uniforme openbare
voorbereidingsprocedure Awb (Stb. 2002, 54), die de beide thans in de Awb
opgenomen openbare voorbereidingsprocedures zal vervangen door
één uniforme procedure. Recent bereikten het Staatsblad de Wet
elektronisch bestuurlijk verkeer (Stb. 2004, 214; beoogde inwerkingtreding 1 juli
2004) en de Wet rechtstreeks beroep (Stb. 2004, 220; beoogde inwerkingtreding 1 september
2004).
Naar verwachting zullen ook in de toekomst zowel
meeromvattende tranches als afzonderlijke wetsvoorstellen tot aanvulling of wijziging van de Awb tot stand komen. De keuze om een
onderwerp afzonderlijk te
regelen, dan wel op te nemen in een meeromvattende
tranche, kan op diverse gronden berusten. De maatschappelijke of
politieke urgentie van een onderwerp kan een reden zijn om niet op het
gereedkomen van andere onderwerpen te wachten. Zo betroffen de
wetsvoorstellen inzake de taal van het openbaar bestuur en het klachtrecht
belangrijke beleidsprioriteiten van de toenmalige bewindslieden van Binnenlandse Zaken
en
rblz.|4|
zijn thans enkele wetsvoorstellen in procedure die voortvloeien uit beleidsprioriteiten van de regering.
Omgekeerd kan het gegeven dat
een onderwerp naar verwachting omvangrijke aanpassingswetgeving vergt een indicatie zijn om het te combineren met andere onderwerpen, opdat
niet voor elk onderwerp afzonderlijk de gehele bestuursrechtelijke
wetgeving behoeft te worden nagelopen.
1. De adviezen zijn ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer. Zie
bijlage 3 van de memorie van toelichting voor een lijst van instanties die advies hebben
uitgebracht.
2. De inhoud van de
vierde tranche
De vierde tranche
van de Awb
omvat drie onderwerpen:
- bestuursrechtelijke geldschulden
(titel 4.4);
- bestuurlijke handhaving, in het bijzonder de bestuurlijke boete (titels 5.1 en
5.4);
- attributie (afdeling 10.1.3).
Bij elk van deze drie onderwerpen gaat het om uitvoering van reeds eerder aangekondigde voornemens.
Eén en ander wordt hierna per onderwerp toegelicht. Naast deze drie nieuwe onderwerpen
bevat deze vierde tranche
een groot aantal daaruit voortvloeiende wijzigingen van bestaande
Awb-bepalingen. In de
meeste gevallen gaat het daarbij om technische wijzigingen, maar in een enkel geval ook om een meer
inhoudelijk punt. Vooral in de afdelingen inzake de last onder bestuursdwang en
de last onder dwangsom worden de nodige wijzigingen aangebracht; in verband daarmee is daarover een afzonderlijk
hoofdstuk in deze
memorie van toelichting opgenomen. Ten slotte is een kleine aanvulling van de
afdeling over delegatie (afdeling 10.1.2) opgenomen.
2.1. Bestuursrechtelijke
geldschulden
In het
nader rapport bij de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht
(Kamerstukken II 1993-1994, 23 700, A, punt 8.18) kondigde de regering aan, naar
aanleiding van een opmerking in het advies van de Raad van State over de
rechtsbescherming bij de invordering van dwangsommen, de Commissie wetgeving
algemene regels van bestuursrecht te zullen verzoeken een uniforme regeling te ontwerpen voor de invordering van
geldschulden door de overheid. Deze regeling is opgenomen in de thans voorgestelde
afdeling 4.4.4. De nu voorgestelde regeling inzake bestuursrechtelijke
geldschulden beperkt zich echter niet tot het aspect van de invordering. Bij het
ontwerpen van de regeling bleek dat de invordering niet los kon
worden gezien van andere aspecten van de betaling van geldschulden aan de
overheid, zoals betalingstermijnen, verschuldigdheid van wettelijke
rente, enzovoort. Voorts bleek naast een regeling voor betaling van
geldschulden aan de overheid ook behoefte te bestaan aan een regeling voor
de betaling van geldschulden door de overheid; in veel gevallen bleken voor beide typen schulden
zelfs dezelfde regels te kunnen gelden. Daarom wordt thans een algemene
regeling inzake de betaling van geldschulden aan en door
bestuursorganen voorgesteld (titel 4.4), waarvan de regeling van de invordering deel
uitmaakt.
2.2. Bestuurlijke
handhaving, in het bijzonder de bestuurlijke boete
In de
derde tranche van de
Algemene wet bestuursrecht was een
regeling opgenomen van het toezicht op de naleving van wettelijke
voorschriften, alsmede van twee belangrijke bestuurlijke sancties, te weten
de
bestuursdwang en de last onder dwangsom. Tijdens de parlementaire behandeling
van deze bepalingen werd er vanuit de Tweede Kamer op gewezen dat ook behoefte zou kunnen bestaan aan
codificatie van algemene regels
of beginselen inzake bestuurlijke handhaving (Kamerstukken II 1994-1995, 23 700, nr. 7, vragen 6.9 en 6.14).
Daarop is door de regering geantwoord dat de Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht in het
rblz.|5|
kader van de vierde tranche
zou nagaan of het wenselijk en mogelijk
was dergelijke algemene bepalingen te formuleren (Kamerstukken II 1994-1995, 23 700, nr. 8, antwoorden 6.9 en 6.14). Gebleken is dat aan een
beperkt aantal algemene bepalingen inderdaad behoefte bestaat; deze zijn
opgenomen in de thans voorgestelde titel
5.1. Het betreft onder meer een
codificatie van het zogenaamde legaliteitsbeginsel, een regeling van
het zwijgrecht en bepalingen over samenloop van voorschriften en
cumulatie van sancties.
Naast deze algemene bepalingen inzake handhaving bevat deze vierde tranche een algemene regeling
inzake de bestuurlijke boete (titel 5.4). Als bekend, is het aantal wetten dat voorziet in door bestuursorganen
op te
leggen geldboeten sterk toegenomen, als gevolg van het kabinetsbeleid dat is
gericht op versterking van de bestuurlijke handhaving van de ordeningswetgeving. Reeds in het
kabinetsstandpunt "Handhaving door bestuurlijke boeten" van 1 juli 1994 (Kamerstukken
II 1993-1994, 23
400 VI, nr. 48), waarmee deze ontwikkeling werd ingezet, werd aangekondigd
dat in verband hiermee op termijn een algemene regeling inzake
bestuurlijke boeten in de Awb zou worden opgenomen. Sedertdien is vanuit de
Staten-Generaal bij herhaling aangedrongen op een spoedige
totstandkoming van deze algemene regeling. Inmiddels is met de wetgeving inzake
bestuurlijke boeten voldoende ervaring opgedaan om ook een algemene regeling te kunnen ontwerpen. De behoefte daaraan wordt ook steeds
sterker gevoeld, nu met het aantal boetewetten ook de kans op nodeloze verschillen daartussen
toeneemt. Daarnaast past een algemene regeling in het streven naar versterking van de bestuurlijke
handhaving, onder meer door de inzet van bestuurlijke boeten, dat ook in het
Hoofdlijnenakkoord van het huidige kabinet (Kamerstukken II 2002-2003, 28 637, nr. 19)
wordt onderstreept.
Naast de algemene bepalingen en de regeling inzake de bestuurlijke
boete bevat dit wetsvoorstel één belangrijke aanvulling van de regeling
inzake de bestuursdwang en de last onder dwangsom. Indien een bestuursorgaan
op verzoek van een derde één van deze sancties oplegt, maar deze vervolgens niet
effectueert, kan deze derde dit niet effectueren
thans niet bij de bestuursrechter aanvechten. Voorgesteld wordt om dit laatste
wel mogelijk te maken door de introductie van twee nieuwe typen
beschikkingen, te weten de beschikking omtrent tenuitvoerlegging bij bestuursdwang
en de beschikking omtrent invordering bij de last onder dwangsom. Ook aldus wordt een bijdrage geleverd aan een adequaat
niveau van bestuurlijke handhaving.
Op advies van de Raad van State is ten slotte de afdeling inzake
bestuursdwang iets anders opgezet, zonder dat daarmee inhoudelijke wijzigingen
zijn beoogd. In de praktijk gaat het ook bij bestuursdwang veelal om
een "last onder bestuursdwang": bestuursdwang, in de zin van het met
feitelijke maatregelen optreden tegen een overtreding, kan in de regel niet
rauwelijks worden toegepast, maar pas nadat een last tot het
beëindigen van de overtreding of het wegnemen van de gevolgen daarvan niet is
nageleefd. In de thans voorgestelde systematiek wordt dit explicieter
tot uitdrukking gebracht.
2.3. Attributie
Bij de parlementaire
behandeling van de in de derde tranche opgenomen regeling inzake mandaat
en delegatie is er door verschillende fracties voor gepleit ook een regeling
inzake attributie in de Awb op te nemen (Kamerstukken II
1994-1995, 23 700, nr.
7, vraag 7.1). Daarbij werd met name gedacht aan de problematiek van attributie aan ondergeschikten. De regering
was toen van oordeel dat
uit een oogpunt van rechtszekerheid inderdaad behoefte bestond aan een
regeling van deze problematiek en zegde toe dat de Commissie
wetgeving algemene regels van bestuursrecht daaraan in het kader van
de vierde tranche
aandacht zou schenken. Met rblz.|6|
de nu voorgestelde
afdeling 10.1.3 wordt deze toezegging ingelost. De voorgestelde regeling
beperkt zich tot de problematiek van attributie aan ondergeschikten; andere
aspecten van het leerstuk attributie lenen zich naar hun aard niet voor
een algemene regeling. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk noch wenselijk
in algemene regels vast te leggen welke bevoegdheden aan welke bestuursorganen kunnen worden toebedeeld;
die beslissing blijft aan
de bijzondere wetgever voorbehouden.
Van de gelegenheid is
gebruik gemaakt om in de afdeling over delegatie een schakelbepaling op te
nemen voor het geval een andere bevoegdheid dan een bevoegdheid tot
het nemen van besluiten wordt gedelegeerd. Kortheidshalve zij
daarvoor verwezen naar hoofdstuk VII van deze toelichting.
2.4. Openbaarheid van
bestuur
Het
voorontwerp voor deze vierde tranche
bevatte ook regels inzake openbaarheid van bestuur. Het ging
daarbij om het - zonder inhoudelijke wijzigingen - overbrengen van de Wet
openbaarheid van bestuur naar hoofdstuk 2
Awb. Dit onderwerp is
niet in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen, omdat beter eerst de uitkomst van de evaluatie van de Wob
kan worden afgewacht.
Afhankelijk van de besluitvorming daarover kan dit onderwerp in een
afzonderlijk wetsvoorstel worden ondergebracht. De evaluatie van de Wob is
aangekondigd bij de begroting van het ministerie van Binnenlandse zaken en
Koninkrijksrelaties voor 2003 (Kamerstukken II 2002-2003, 28 600 VII,
nr. 2) en het werk daaraan is inmiddels bijna afgerond. Na de nodige consultaties
zal waarschijnlijk in de loop van 2004 een kabinetsstandpunt kunnen
worden vastgesteld.
2.5. Bestuursrecht,
burgerlijk recht en strafrecht
De twee meest omvangrijke
onderdelen van dit wetsvoorstel, de regeling inzake
bestuursrechtelijke geldschulden en die inzake bestuurlijke boeten, betreffen beide
onderwerpen, die voorheen vooral in andere rechtsgebieden dan het bestuursrecht
waren geregeld. Tot voor betrekkelijk kort was het voor juristen
vanzelfsprekend dat men voor regels inzake de betaling en verdere
afwikkeling van geldschulden het Burgerlijk
Wetboek moest openslaan en voor
regels inzake de bestraffing van normovertredingen het Wetboek
van Strafrecht. Thans stellen wij voor over beide onderwerpen ook regels op te nemen in de
Algemene
wet bestuursrecht.
Dat is een belangrijke stap in de ontwikkeling van het algemeen bestuursrecht.
Het komt regelmatig voor
dat een bepaald verschijnsel of een bepaalde rechtsfiguur in het
bestuursrecht niet is geregeld, terwijl dezelfde of een verwante figuur in het
privaatrecht of in het strafrecht wel is geregeld. Dit komt doordat het algemeen
bestuursrecht veel jonger en daardoor minder ver ontwikkeld is dan de
beide andere rechtsgebieden. Hoewel het bijzondere, materiële bestuursrecht
zeer veel regels kent, zijn in het algemeen bestuursrecht toch nog
veel zaken niet geregeld.
Dit betekent dat men in
bestuursrechtelijke verhoudingen regelmatig moet terugvallen op regels
uit één van de andere rechtsgebieden; vooral uit het privaatrecht,
maar in mindere mate ook wel uit het strafrecht. Vaak kan dat zonder problemen,
maar soms blijken de privaat- en strafrechtelijke regels minder geschikt,
omdat zij niet primair voor bestuursrechtelijke verhoudingen zijn
geschreven en daardoor soms onvoldoende rekening houden met de
specifieke kenmerken daarvan, zoals de machtsongelijkheid tussen burger en
overheid. Soms kan dit worden opgelost door aanpassing van de desbetreffende regels. Zo kan bijvoorbeeld de
Wet op de
economische delicten worden begrepen als een aanvulling van het straf(proces)recht
met het oog op de handhaving van bestuursrechtelijke ordeningswetgeving. Maar
soms ook heeft het bestuursrecht rblz.|7|
behoefte aan eigen
regels. In het verleden werden die dan veelal neergelegd in bijzondere
bestuursrechtelijke wetten. Zo kent bijvoorbeeld het belastingrecht voor de
twee in dit wetsvoorstel geregelde onderwerpen - afwikkeling van
geldschulden en bestraffing van overtredingen - al heel lang eigen, deels van het
privaat- respectievelijk strafrecht afwijkende regels. Indien de
behoefte aan eigen bestuursrechtelijke regels zich op meer beleidsterreinen
doet gevoelen, is het tegenwoordig echter vaak aantrekkelijker om deze
regels in de Algemene wet bestuursrecht op te nemen. Daarom zal zich
ook in de toekomst van tijd tot tijd de vraag voordoen of in de Algemene wet
bestuursrecht regels moeten worden opgenomen over een onderwerp
waarvoor het privaatrecht of het strafrecht reeds regels geeft. Voor
de nabije toekomst valt bijvoorbeeld te denken aan het onderwerp
schadevergoeding.
Vaak zal de reden om een
elders geregeld onderwerp ook in de Awb te regelen ook gelegen zijn
in onduidelijkheid over het antwoord op de vraag in hoeverre regels uit
andere rechtsgebieden in het bestuursrecht kunnen worden toegepast. Juist
omdat de eigen aard van het bestuursrecht met zich meebrengt dat andere
regels dan in het strafrecht en het privaatrecht nodig kunnen zijn,
behoort de wetgever daarover zoveel mogelijk duidelijkheid te verschaffen. Dit geldt
zowel voor het geval dat niet als voor het geval dat wel bij die
andere rechtsgebieden kan worden aangesloten. In het laatste geval kan het
aangewezen zijn om duidelijkheid te verschaffen door de bewuste
bepalingen van het Burgerlijk
Wetboek of van het Wetboek
van Strafrecht uitdrukkelijk van overeenkomstige toepassing te verklaren op
bestuursrechtelijke verhoudingen. Het onderhavige wetsvoorstel
biedt daarvan diverse
voorbeelden.
Uitgangspunt moet daarbij zijn dat nodeloze verschillen tussen de rechtsgebieden moeten worden voorkomen.
Wanneer de privaatrechtelijke of strafrechtelijke regels
ook voor bestuursrechtelijke verhoudingen goed voldoen, moet daarbij
worden aangesloten. Dat moet en dat kan ook, omdat veel van wat op het
eerste gezicht typisch bestuurs-, straf- of privaatrechtelijk lijkt
bij nadere beschouwing een uitwerking is van aan de verschillende
rechtsgebieden gemeenschappelijke rechtsbeginselen. Zo berust ook de thans
voorgestelde regeling inzake de bestuurlijke boete op beginselen als
"geen
straf zonder schuld", ne bis in idem en nulla poena sine lege. Bestraffing
door het bestuur in plaats van door de rechter vraagt een iets andere
uitwerking op het niveau van de precieze regels, maar de dragende beginselen zijn dezelfde.
Het gaat in deze gevallen
dus steeds om het vinden van een evenwicht tussen enerzijds het
geven van eigen, afwijkende regels voor het bestuursrecht waar dat
nodig is en anderzijds het aansluiten bij bestaande privaat- of
strafrechtelijke regels waar dat mogelijk is. Het wiel behoeft niet opnieuw te
worden
uitgevonden, maar het moet soms wel op de bestuursrechtelijke maat
worden gemaakt.
3. Gevolgen voor de
bestaande wetgeving
De drie onderwerpen van
de vierde tranche
zullen in verschillende mate aanleiding geven tot
aanpassing van de bestaande wetgeving. De bepalingen over de attributie zullen
niet of nauwelijks aanpassingswetgeving vergen, omdat het onderwerp in de bestaande wetgeving doorgaans in het geheel niet is
geregeld.
De onderdelen
bestuursrechtelijke geldschulden en bestuurlijke handhaving zullen aanzienlijk meer
aanpassingswetgeving vergen. Er zijn thans enkele tientallen wetten
die voorzien in een bevoegdheid tot het opleggen van bestuurlijke boeten
(zie bijlage 2 bij deze memorie van toelichting). Daaruit zal een groot
aantal bepalingen kunnen worden geschrapt. Na inwerkingtreding van de
vierde tranche behoeft de bijzondere wet in beginsel nog maar vier
aspecten te regelen: de aanwijzing van het bestuursorgaan dat
bevoegd is tot het opleggen van de bestuurlijke boete, rblz.|8|
de omschrijving van de
beboetbare gedragingen, de hoogte van de op te leggen boete, alsmede in
een voorkomend geval de keuze tussen de lichte of de zware procedure (vgl.
artikel 5.4.2.6 [5:53]). Andere procedurele bepalingen, bepalingen inzake de samenloop met strafrechtelijke sancties, inzake het
zwijgrecht van de
overtreder en dergelijke, kunnen vervallen, omdat de Awb
één en ander reeds
regelt.
Het onderdeel invordering
van de titel over bestuursrechtelijke geldschulden zal eveneens leiden tot
het schrappen van een groot aantal bepalingen. Vele
tientallen wetten (zie voor een overzicht bijlage 1) regelen thans procedures
voor de invordering van geldschulden bij dwangbevel. In plaats
daarvan zal de bijzondere wetgever voortaan kunnen volstaan met het
toekennen van de bevoegdheid tot invordering bij dwangbevel; de Awb
regelt de overige aspecten.
De gevolgen voor de
bestaande wetgeving van de overige onderdelen van de regeling inzake bestuursrechtelijke geldschulden zijn moeilijker te
overzien, omdat bestaande
regelingen op dit punt variëren van zeer uitvoerig (bijvoorbeeld
in de fiscale wetgeving) tot zeer summier. Enerzijds zullen soms bepalingen
kunnen vervallen, anderzijds zullen soms bepalingen - bijvoorbeeld over betalingstermijnen
- moeten worden toegevoegd.
Voor het werk aan de
aanpassingswetgeving zal, gelet op de goede ervaringen die daarmee bij de
aanpassing aan de derde
tranche zijn opgedaan, wederom een leidraad
worden ontwikkeld, waarin de noodzakelijke aanpassingen zoveel
mogelijk worden gestandaardiseerd en waarin waar nodig en mogelijk ook
modelbepalingen zullen worden opgenomen. Deze leidraad zal vervolgens
worden opgenomen in de memorie van toelichting bij de aanpassingswet.
4. Bestuurslasten
De gevolgen van dit
wetsvoorstel voor de uitvoeringslasten van het openbaar bestuur zullen beperkt
zijn. Het onderdeel attributie brengt geen wijziging in het geldende
recht en derhalve ook niet in de daaruit voortvloeiende bestuurslasten. De
bepalingen inzake de bestuurlijke boete verschillen in dit
opzicht evenmin wezenlijk van reeds geldende bepalingen. De procedurele vereisten
en de verplichtingen tot het zo nodig zorg dragen voor tolken en
vertalingen gaan niet verder dan hetgeen thans reeds uit artikel 6 EVRM
[Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden, red.] volgt.
Voor de bepalingen inzake
bestuursrechtelijke geldschulden ligt één en ander genuanceerder. De voorschriften inhoudende dat het vaststellen
van de kosten van
bestuursdwang, alsmede het verlenen van uitstel van betaling, bij voor
beroep vatbare beschikking geschiedt, zouden tot een zekere stijging van de
bestuurslasten kunnen leiden, evenals de voorschriften inzake de
invorderingsbeschikking bij de last onder dwangsom en de beschikking omtrent
tenuitvoerlegging bij de last onder bestuursdwang. De voorschriften omtrent
de verschuldigdheid van wettelijke rente bij te late betaling door
het bestuursorgaan zouden, hoewel strikt genomen een codificatie
van hetgeen reeds door de jurisprudentie wordt aangenomen, een zekere
aanzuigende werking kunnen hebben. Datzelfde geldt echter, en wellicht
zelfs in nog sterkere mate, voor het voorschrift dat ook de burger bij te
late betaling de wettelijke rente over het te laat betaalde bedrag
verschuldigd is. Bovendien betekent de voorgestelde regel dat geen wettelijke
rente verschuldigd is indien het bedrag daarvan minder dan €|20,- of,
indien het bestuursorgaan de schuldenaar is, minder dan €|10,- bedraagt
(artikel 4.4.2.2 [4:98], tweede lid) in de praktijk een niet onaanzienlijke
verlichting van de uitvoeringslasten ten opzichte van de huidige jurisprudentie.
Deze bepaling brengt immers mee dat in het gros van de gevallen van te
late betaling de rente geen punt van discussie behoeft te zijn.
Een belangrijke
verlichting van de bestuurslasten kan voorts uitgaan van rblz.|9|
de voorgestelde
afdeling
4.4.4 inzake de invordering bij dwangbevel. In plaats van enkele
tientallen invorderingsprocedures die onderling allerlei kleine verschillen
vertonen, heeft het openbaar bestuur voortaan te maken met één uniforme,
relatief eenvoudige invorderingsprocedure. Dit zal een gunstig effect hebben
op de kosten verbonden aan de daadwerkelijke invordering van
geldschulden door de overheid. Dit geldt ook voor het voorgestelde artikel
4:57, dat bij terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidies de
gang naar de burgerlijke rechter ter verkrijging van een executoriale titel
overbodig maakt. Om te voorkomen dat de introductie van nieuwe typen
beschikkingen tot een opeenstapeling van bezwaar- en
beroepsprocedures leidt, is ten slotte op een aantal plaatsen in dit wetsvoorstel
bepaald dat bezwaren tegen een bijkomende beschikking kunnen worden
"meegenomen" in een lopende procedure tegen de hoofdbeschikking. Men zie
de toelichting op de voorgestelde artikelen
4.4.5.1 [4:125], 5:31c en 5:39.
Het is niet doenlijk de
hiervoor vermelde effecten voor het gehele openbaar bestuur te kwantificeren.
Globaal mag worden verwacht dat het effect van de
voorgestelde regeling op de uitvoeringslasten van bestuursorganen beperkt zal zijn.
5. Budgettaire gevolgen
Hetgeen in paragraaf 4 is
gesteld, brengt met zich dat ook de budgettaire effecten van het voorstel
niet goed te kwantificeren zijn. Als gezegd, mag worden verwacht dat de
directe uitvoeringskosten grosso modo niet zullen toenemen. Gelet op de voorzieningen die zijn getroffen om opeenstapeling van procedures tegen te
gaan, zal de belasting van de rechterlijke macht naar verwachting
evenmin toenemen.
Aangezien het voorstel
niet regelt voor welke overtredingen bestuurlijke boeten kunnen worden opgelegd (dat is aan de bijzondere wetgever), heeft
het geen rechtstreekse
invloed op de opbrengsten daarvan. Het netto-effect van de verplichting van
enerzijds bestuursorganen en anderzijds burgers tot vergoeding
van wettelijke rente bij te late betalingen kan niet worden gekwantificeerd,
nu niet bekend is wie er hoe vaak en hoe veel te laat betaalt.
6. Opbouw van deze
memorie van toelichting
Evenals bij de derde
tranche het geval was, wijkt de opbouw van deze memorie van toelichting
enigszins af van het voor wetsvoorstellen gebruikelijke patroon. De gebruikelijke
opzet met één algemeen deel gevolgd door een artikelsgewijze
toelichting zou in dit geval betekenen dat de algemene beschouwingen
over elk van de drie hiervoor genoemde onderwerpen zouden worden gescheiden
van de toelichting op de bijbehorende artikelen. Dit zou de
overzichtelijkheid niet ten goede komen. In plaats daarvan is per onderwerp
een hoofdstuk in de toelichting opgenomen. Elk van deze hoofdstukken
bevat zowel de algemene beschouwingen als de artikelsgewijze
toelichting met betrekking tot het desbetreffende onderwerp. Het onderwerp
bestuurlijke handhaving is daarbij, alweer ter wille van de toegankelijkheid,
anders dan in het voorontwerp verdeeld over drie hoofdstukken, te
weten algemene bepalingen inzake bestuurlijke handhaving (hoofdstuk
III), herstelsancties (hoofdstuk IV) en bestuurlijke boete
(hoofdstuk V). Deze
hoofdstukken corresponderen met respectievelijk de titels
5.1, 5.3 en 5.4
van de Algemene wet bestuursrecht.
Naast deze vijf
hoofdstukken bevat deze toelichting nog twee hoofdstukken, te weten het onderhavige
inleidende hoofdstuk en een hoofdstuk waarin de overgangs- en
slotbepalingen worden toegelicht. Om de toegankelijkheid verder te vergroten, is de
toelichting voorts voorzien van een register op zowel de nieuwe of gewijzigde artikelen van de
Algemene wet bestuursrecht als de
artikelen en onderdelen van dit wijzigingsvoorstel.
rblz.|10|
II. Bestuursrechtelijke
geldschulden
1. Inleiding
In het nader rapport bij
de Derde tranche
Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 1993-1994, 23 700, A, blz. 63) is geconcludeerd dat het wenselijk is om te
streven naar harmonisatie en systematisering op het terrein van de
invordering van geldschulden door de overheid. Aan de Commissie wetgeving
algemene regels van bestuursrecht zou worden verzocht, aldus de
regering, om bij gelegenheid van de vierde tranche van de Algemene
wet bestuursrecht (Awb) een uniforme
regeling te ontwerpen die voorziet in bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen
de invordering van geldschulden door de overheid.
Naar aanleiding van deze
toezegging is onderzocht hoe een dergelijke regeling gestalte zou
kunnen krijgen. Het resultaat daarvan is uitgemond in het voorstel om aan
hoofdstuk 4 - dat bijzondere bepalingen over besluiten bevat - een
nieuwe titel 4.4 over bestuursrechtelijke geldschulden toe te voegen.
Het voorstel heeft een
ruimere opzet dan het regelen van de invordering van geldschulden door de
overheid. De invordering kan niet goed los worden gezien van de
regels over de fasen die daaraan voorafgaan. Wil immers tot
(dwang)invordering kunnen worden overgegaan, dan behoort voldoende vast te staan
dat de schuldenaar niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Daardoor
bestaat er een samenhang tussen de regels over het ontstaan en de
afwikkeling van verplichtingen tot het betalen van een geldsom en de bepalingen
over de invordering. De regeling van eerstgenoemde onderwerpen vormt tot
dusverre een nogal ondoorzichtig geheel. Dat komt voor een deel
doordat daarover in vele wetten bepalingen zijn opgenomen en voor een
ander deel omdat voor de niet-geregelde onderwerpen regelmatig een
beroep op het privaatrecht wordt gedaan zonder dat voldoende vaststaat
hoever dit beroep precies kan gaan.
Eén en ander heeft ertoe
geleid een ontwerp op te stellen met algemene regels over het ontstaan
en de inhoud van de verplichting tot betaling van een (bestuursrechtelijke)
geldsom, over het intreden en de gevolgen van het niet voldoen aan die
verplichting, en over de invordering.
Bij het ontwerpen van
bepalingen over deze onderwerpen, voor zover niet betrekking hebbend op
de
dwanginvordering, bleek dat er niet alleen behoefte bestaat aan
algemene regels over geldschulden van de burger aan de overheid, maar
andersom ook voor schulden van de overheid aan de burger. Ook daar spelen dezelfde soort vragen over zaken als betalingstermijn,
verzuim en wettelijke
rente, en is de onduidelijkheid in het huidige recht
soortgelijk. Daar komt nog bij dat de regels voor beide soort schulden -
schulden van
de overheid en schulden aan de overheid - voor een groot deel dezelfde
behoren te zijn. Zo zal de overheid evenzeer als de burger wettelijke rente
moeten voldoen bij te late betaling.
Eén en ander heeft
geresulteerd in een titel die algemene regels geeft over bestuursrechtelijke
geldschulden. Zij omvat vier afdelingen:
4.4.1. Ontstaan en inhoud
van de verplichting tot betaling
4.4.2. Verzuim en
wettelijke rente
4.4.3. Verjaring
4.4.4. Aanmaning en
invordering bij dwangbevel
De eerste drie afdelingen
hebben betrekking op zowel geldschulden van de burger aan de overheid
als geldschulden van de overheid aan de burger. Alleen de laatste
afdeling is beperkt tot invordering door de overheid.
rblz.|11|
2. Noodzaak van een
algemene regeling
2.1. Huidige situatie
Een algemene regeling
over de betaling en invordering van geldschulden door en aan de overheid
kent het huidige bestuursrecht nog niet. Wel is in verschillende wetten een
regeling van specifieke onderwerpen te vinden. Het meest frequent zijn
de regelingen over invordering: tientallen bestuursrechtelijke
wetten (zie bijlage 1 voor een opsomming) kennen de mogelijkheid om schulden
aan de overheid door middel van een dwangbevel te innen. De
voorschriften die daaraan zijn verbonden, zijn niet steeds dezelfde; ook de
rechtsbescherming is vaak uiteenlopend geregeld. Daarnaast komen regels over andere onderwerpen voor. Het meest uitgebreid
op dit punt is de Invorderingswet
1990, die een gedetailleerde regeling bevat van de betaling en
invordering van belastingen.
Het privaatrecht kent wel
een algemene regeling. Deze is in hoofdzaak te vinden in Boek
6, titel 1, afdelingen 6 en volgende, van het Burgerlijk Wetboek (BW) en in het
Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Voor een deel kunnen deze bepalingen ook goed voor publiekrechtelijke
geldvorderingen worden gebruikt. Zo wordt in alle wettelijke regelingen met
een dwangbevel als executoriale titel Boek
II Rv van (overeenkomstige)
toepassing verklaard op de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, zij het
steeds in andere bewoordingen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie van de
Hoge Raad dat de regels over onverschuldigde betaling en over
verrekening - voor zover uit de wet of de aard van de rechtsverhouding niet het
tegendeel voortvloeit - in het bestuursrecht van overeenkomstige
toepassing zijn (HR 25 oktober 1991, NJ 1992, 299, respectievelijk HR 28 mei 1993, NJ 1994,
435). Niet in alle gevallen zijn de privaatrechtelijke regels echter bruikbaar;
in verschillende wetten zijn - onder andere voor de hierboven
genoemde onderwerpen - aparte regels opgenomen. Zo kent de
Invorderingswet 1990 bijvoorbeeld een van het BW
afwijkende regeling inzake
verrekening.
Aan een afwijkende
regeling van de verrekening bestaat inderdaad behoefte. Niet goed
voorstelbaar is immers dat een burger met een beroep op de regels inzake
verrekening uit het BW
(artikelen 6:127 e.v.) het betalen van een
geldboete zou kunnen weigeren, omdat hij nog recht heeft op huursubsidie van
de staat. De publiekrechtelijke taken die door verschillende
bestuursorganen binnen één en hetzelfde openbare lichaam worden verricht, zijn zo
divers dat verrekening van uit die taken voortvloeiende geldvorderingen in
beginsel niet aan de orde kan zijn.
Een ander voorbeeld is de
wettelijke rente. Een eerste vraag is of in een publiekrechtelijke rechtsbetrekking überhaupt recht bestaat op wettelijke
rente als gevolg van te
late betaling van een geldsom. De jurisprudentie was daarover verdeeld.
Anders dan de burgerlijke rechter was de Centrale Raad van Beroep lange tijd
van oordeel dat het enkele feit dat een ambtenaar door te late betaling
rente heeft gederfd, ontoereikend is om een schadevergoedingsplicht
van het desbetreffende bestuursorgaan aan te nemen. Naar het oordeel
van de Raad kon van betaling van wettelijke rente slechts sprake zijn indien het bestuursorgaan een verwijt kon
worden gemaakt van een
zodanige ernst dat de financiële schade in redelijkheid niet voor rekening van de
ambtenaar kon worden gelaten (vgl. CRvB 7 december 1989, AB
1990, 194; vgl. ook zaak C-66/95 (Sutton), HvJEG [Hof van Justitie
van de Europese Gemeenschappen, red.]
22 april 1997, Jur.
1997, blz. I-2163, waarin het Hof van Justitie heeft uitgemaakt dat richtlijn
79/7 (gelijke behandeling bij wettelijke sociale zekerheid) niet verplicht
tot het vergoeden van wettelijke rente over achterstallige
socialezekerheidsuitkeringen die in strijd met de richtlijn niet zijn toegekend. Het
Hof verwijst hiervoor naar het gewone aansprakelijkheidsrecht).
Inmiddels heeft de Raad
in zijn op grond van artikel 8:73 Awb ontwikkelde jurisprudentie zijn koers
gewijzigd en aansluiting gezocht bij de in het rblz.|12|
burgerlijk recht gegeven
regeling van de wettelijke rente (CRvB 30 maart 1995, AB 1995, 334, JB
1995, 99; CRvB 8 november 1995, AB 1996, 191; CRvB 19 oktober 1995, TAR
1995, 267, vgl. ook: ABRS [Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State, red.] 21 april 1995, AB 1995, 422 en CBb
[College van Beroep voor het bedrijfsleven, red.]
20
februari 2002, AB 2002, 150). Ingevolge artikel 6:119, eerste lid, BW
bestaat de
schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een
geldsom, in de wettelijke rente van die som. De wettelijke rente
is verschuldigd over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening van de
geldsom in verzuim is geweest.
Bij de overeenkomstige
toepassing van artikel 6:119, eerste lid, BW
rees vervolgens de vraag op
welk moment het bestuursorgaan in verzuim is en dus vanaf welk moment
wettelijke rente moet worden betaald. De jurisprudentie heeft ook op dit punt
aansluiting gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht.
Wettelijke rente is verschuldigd vanaf het moment waarop de vordering
tot schadevergoeding wegens rentederving opeisbaar is geworden.
Uit artikel 6:83 BW
volgt dat een vordering tot schadevergoeding uit
onrechtmatige daad terstond opeisbaar is. De vordering is daarmee dus
opeisbaar vanaf de dag waarop de ten onrechte niet-betaalde geldsom had
moeten worden uitbetaald. In gevallen waarin een bepaling omtrent de
betalingstermijn in de bijzondere wet ontbreekt, gaat de jurisprudentie
ervan uit dat maandelijks uit te betalen lonen en uitkeringen uiterlijk
op de laatste dag van de maand moeten zijn uitbetaald. Daaruit volgt dat de
wettelijke rente verschuldigd wordt op de eerste dag van de maand
volgend op die waarin de datum valt van de bekendmaking van het
bestreden besluit (o.m. CRvB 9 januari 1996, JB 1996, 36; CRvB 28 maart
1996, TAR 1996, 102).
De hiervoor geschetste
ontwikkelingen nemen niet weg dat in sommige bijzondere wetten aparte voorzieningen zijn getroffen. Zo kent bijvoorbeeld
het belastingrecht een
aparte regeling over de rente die verschuldigd is bij te late betaling.
Een ander probleem bij de
toepassing van de privaatrechtelijke regels is het gebrek aan
efficiëntie. Indien een burger zijn schuld aan de overheid niet wil voldoen, is de
overheid op grond van het privaatrechtelijke systeem genoodzaakt de
burgerlijke rechter in te schakelen, teneinde een vonnis te verkrijgen
waarin de schuldenaar tot nakoming wordt veroordeeld. Bij publiekrechtelijke
schulden is dit te meer een bezwaar, aangezien in veel gevallen een
procedure bij de bestuursrechter aan de invorderingsprocedure zal
zijn voorafgegaan. In elk geval heeft de belanghebbende de gelegenheid gehad om
een dergelijke procedure aan te spannen. Een belangrijk
nadeel is dat door deze opeenhoping van procedures ernstige vertraging
optreedt. Ook uit een oogpunt van rechtshandhaving kan dit bezwaarlijk zijn.
De hiervoor beschreven
knelpunten zijn wellicht de belangrijkste, maar niet de enige. Met
betrekking tot andere aspecten doen zich eveneens problemen voor. Punten
die in het huidige bestuursrecht vragen opleveren, betreffen in ieder geval
het tijdstip waarop betaald moet worden, de vraag of een aanmaning nodig is voordat het bestuur tot invordering
kan overgaan, de positie
van derden-belanghebbenden en de verjaring.
2.2. Algemene regeling of
bijzondere wetgeving
Bij de conclusie dat er
- in aanvulling op het BW
- behoefte bestaat aan een aantal
bestuursrechtelijke regels, rijst de vraag of deze de vorm moeten krijgen van een
algemene regeling in de Awb. De genoemde knelpunten worden op dit
moment immers, althans in bepaalde gevallen, opgelost door het opnemen
van regels in bijzondere wetgeving. Denkbaar is dat dit geen problemen
oplevert of zelfs als de meest wenselijke situatie moet worden beschouwd.
Het blijkt echter dat de
betalingsregelingen en met name de invorderingsprocedure in de bijzondere
wetten
zonder aanwijsbare redenen zowel qua omvang als inhoud zeer
sterk uiteenlopen. Uit een oogpunt van rechtseenheid rblz.|13|
en
rechtszekerheid verdient een uniforme regeling voor zover mogelijk de voorkeur.
Veel regels in bijzondere wetten kunnen als gevolg hiervan worden geschrapt,
hetgeen een aanzienlijke vereenvoudiging zou betekenen.
Dit geldt niet alleen
voor de regels die de invordering betreffen, meer in het bijzonder de
invordering bij dwangbevel (afdeling
4.4.4), maar ook de regels betreffende het
ontstaan en de inhoud van de betalingsverplichting, het verzuim en de
wettelijke rente en de verjaring (afdelingen 4.4.1 tot en met
4.4.3). Omdat
algemene bestuursrechtelijke regels op dit gebied ontbreken, dient in de
huidige praktijk, bijvoorbeeld door het bestuursorgaan dat een beschikking tot
betaling van een geldsom vaststelt of de burger die uitstel van
betaling wil verzoeken, telkens beoordeeld te worden welke regels van
toepassing zijn: zijn er bijzondere bestuursrechtelijke regels van toepassing, is
het algemene regime in het BW van overeenkomstige
toepassing verklaard of dient te worden aangenomen dat het privaatrechtelijk
regime van toepassing is? In dat laatste geval dient ook getoetst te
worden of de aard van de rechtsverhouding of de bijzondere wet zich niet
verzet tegen het toepassen van dit regime. Daarnaast biedt een algemene bestuursrechtelijke regeling de gelegenheid op
punten af te wijken van
de privaatrechtelijke regeling en invulling te geven aan de eigen aard van
bestuursrechtelijke verhoudingen. Ook de Raad van State
wijst in zijn
advies op het eigen karakter van het bestuursrecht. Als voorbeeld kunnen worden
genoemd de regeling van de verrekening en de verjaring. Deze algemene
regeling is daarmee niet slechts ingegeven door problemen die zich in de
invorderingspraktijk kunnen voordoen, zij beoogt ook tegemoet te komen aan
de behoefte aan duidelijkheid over het toepasselijke recht
betreffende bestuursrechtelijke geldschulden en de toegankelijkheid daarvan.
Eén en ander werkt door
in de invorderingspraktijk. Indien steeds voor elk concreet geval weer
andere regels gelden, is de inning van geldvorderingen nodeloos ingewikkeld. Dit
nadeel doet zich sterker gevoelen indien men de inning om
redenen van efficiency op één plaats geconcentreerd wil laten plaatsvinden.
Harmonisatie van de invorderingsregels zou aldus de doelmatigheid
van de invordering kunnen bevorderen. Wij wijzen in dit verband op het actieprogramma "Andere overheid", waarin plannen worden ontwikkeld
om te komen tot een meer rijksbrede incasso voor publiekrechtelijke
geldschulden door alle rijksincasso’s te bundelen (Kamerstukken II
2003-2004,
29 362, nr. 1, blz. 34).
Voorts geldt voor de
toekomst dat de wetgever niet steeds opnieuw het wiel hoeft uit te vinden.
Steeds zal de algemene regeling in de Awb kunnen dienen als
uitgangspunt. In een aantal gevallen zal het nodig blijken dat naast een
algemene regeling in de Awb in de bijzondere wetten een beperkt aantal specifieke voorschriften blijft gelden. Zulks kan ook het
geval zijn indien het onderwerp zich niet leent voor regeling in de Awb. Zo is het uitgangspunt dat
schulden dienen te worden betaald. Een regeling met betrekking tot
kwijtschelding kan beter worden gereserveerd voor een bijzonder rechtsgebied,
zoals bijvoorbeeld de Invorderingswet
1990. Een dergelijke regeling leent
zich niet voor een algemene regeling in de Awb. Ten slotte kan in een
algemene regeling een aantal aanvullende regels worden gegeven, die thans
in bijzondere wetten veelal niet voorkomen.
Op grond
van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat een algemene regeling in de Awb
omtrent bepaalde aspecten van de betaling en invordering van
publiekrechtelijke geldschulden van en door de overheid voorziet in een in de
praktijk levende behoefte. Deze regeling wordt urgenter naarmate er in
het bestuursrecht meer specifieke regels komen, er meer onzekerheid
ontstaat over belangrijke rechtsvragen en de door het privaatrecht geboden
oplossingen niet toepasbaar zijn of minder geschikt lijken.
Overigens is met dit laatste niet gezegd dat de algemene regeling in de Awb steeds
moet afwijken van de privaatrechtelijke regels. Integendeel, in dit
voorstel wordt daar waar mogelijk aangesloten bij de
rblz.|14|
regels van het
privaatrecht. Dit noopt tot enige algemene beschouwingen over de verhouding tussen
de Awb en het BW.
3. De verhouding van de Awb tot het BW
3.1. Algemene uitgangspunten
Nu de betaling
van geldschulden voor het privaatrecht in het BW
is geregeld en deze
bepalingen voor een deel ook in het bestuursrecht bruikbaar zijn, komt
vanzelf de meer principiële vraag aan de orde hoe de Awb
en het BW zich
precies tot elkaar verhouden. Ook bij de regeling van andere onderwerpen
in de Awb is die verhouding al aan de orde geweest. Verwezen zij
bijvoorbeeld naar de regeling van het mandaat in de Awb, derde
tranche,
waarbij voor zover mogelijk is aangesloten bij de bepalingen over de
volmacht. Aangezien deze problematiek bij verschillende onderwerpen kan
spelen, is het goed daarover enige opmerkingen te maken van algemene
aard.
Praktisch gezien gaat het om de vraag hoe in de
wetgeving de verhouding tussen het BW en de Awb moet worden geregeld.
Tot op zekere hoogte betreft het dus een vraag van wetstechniek,
vergelijkbaar met de vraag naar de verhouding tussen de Awb en andere
wetgeving op het terrein van het bestuursrecht. De problematiek is echter
in zoverre anders dat het hier gaat om algemeen geldende regels,
gecodificeerd voor verschillende rechtsgebieden. De centrale vraag is
welke de relatie is tussen beide wetten indien voor een onderwerp dat in
het BW is geregeld, in de Awb een bestuursrechtelijke equivalent wordt
gecreëerd.
Voor een nadere bepaling van de onderlinge
relatie tussen het BW en de Awb is allereerst van belang om te
onderstrepen dat de verhouding tussen overheid en burger niet in alle
gevallen van bestuursrechtelijke aard is. Er zijn situaties waarin het
privaatrecht rechtstreeks van toepassing is. Dit doet zich bijvoorbeeld
voor bij gewone koop- of huurovereenkomsten waarbij de overheid partij
is. In dergelijke gevallen maakt het in de regel geen enkel verschil of
de overheid dan wel een particulier als contractspartij optreedt. In die
gevallen gelden in beginsel de toepasselijke privaatrechtelijke regels,
zij het dat de rechter rekening kan houden met het feit dat de overheid
één van de partijen is. Anders wordt het echter op terreinen waarop de
overheid handelt ter uitvoering van haar publieke taak en
dientengevolge de relatie tussen overheid en burger door of althans mede
door bestuursrechtelijke regels en beginselen gestalte krijgt.
Tegen deze achtergrond laat onze benadering van
de verhouding tussen het BW en de Awb bij de totstandkoming van
bestuursrechtelijke wetgeving zich samenvatten in twee uitgangspunten.
In de eerste plaats geldt dat de regels in het BW primair zijn
geschreven voor privaatrechtelijke verhoudingen. Dit brengt met zich dat
deze regels niet zonder meer van toepassing zijn op het terrein van het
bestuursrecht. In de tweede plaats dient als leidraad dat ondanks dit
onderscheid nodeloze verschillen tussen het bestuursrecht en het
privaatrecht moeten worden vermeden. Deze twee punten kunnen als volgt
verder worden uitgewerkt.
3.2. Toepasselijkheid van
het BW in het bestuursrecht
De vraag in
hoeverre de bepalingen van het BW
ook gelden voor het bestuursrecht is
in belang toegenomen toen de administratieve rechtspraak zich sterk is
gaan ontwikkelen en tegelijkertijd ook de rol van de burgerlijke rechter
bij het verlenen van aanvullende rechtsbescherming meer betekenis heeft
gekregen. Doordat de verhoudingen in het bestuursrecht daarmee een meer
juridische inbedding kregen dan vroeger het geval was en de burgerlijke
rechter daarbij een aanzienlijke rol speelde, kwam de vraag naar de
toepasbaarheid van de regels van het BW ook rblz.|15|
sterker naar voren.
Opvallend is daarbij dat zeer verschillend werd en ook nog wel wordt
geoordeeld over de vraag of een bepaald artikel van het BW van
toepassing is op bestuursrechtelijke verhoudingen. De bepalingen over de
onrechtmatige daad worden tegenwoordig welhaast vanzelfsprekend van
toepassing geacht op onrechtmatig overheidsoptreden. Dat is niet altijd
zo geweest: vóór het Ostermann-arrest (HR 20 november 1924, NJ 1925,
blz. 89) werd het BW niet op onrechtmatige overheidsbesluiten toegepast.
Overigens heeft de toepasselijkheid van het BW niet verhinderd dat het
leerstuk van de onrechtmatige overheidsdaad altijd een speciaal leerstuk
is gebleven.
Bij andere onderwerpen is de toepasselijkheid
van het BW minder vanzelfsprekend. Met betrekking tot de onverschuldigde
betaling, ook een onderwerp dat is geregeld in Boek
6 van het BW, heeft de Hoge
Raad beslist dat de privaatrechtelijke regels niet zonder meer op de
verhouding tussen overheid en burger van toepassing zijn, maar dat zij
uitdrukking geven aan een beginsel dat in beide gebieden van het recht
toepassing vindt (HR 25 oktober 1991, NJ 1992, 299; vgl. ook ABRS
21
oktober 1996, AB 1996, 496). Zij komen daarom voor overeenkomstige
toepassing in het bestuursrecht in aanmerking, voor zover althans uit de
toepasselijke bestuursrechtelijke wet niet het tegendeel voortvloeit.
Het oordeel van de Hoge Raad impliceert dat het BW in dit geval niet
rechtstreeks van toepassing is, doch wel doorwerkt in
bestuursrechtelijke rechtsbetrekkingen via de aan beide rechtsgebieden
ten grondslag liggende algemene beginselen. Toepassing van het in
artikel 6:203 BW
neergelegde beginsel in die rechtsbetrekkingen kan in
verband met de bestuursrechtelijke context soms tot andere uitkomsten
leiden.
Bij de totstandkoming van het BW is eerst in
een later stadium uitdrukkelijk aandacht besteed aan de vraag of de
werking van de bepalingen zich ook uitstrekt tot het bestuursrecht. Dit
is met name het geval geweest bij de schakelbepalingen, zoals die in Boek 3
zijn opgenomen. De titels over rechtshandelingen, volmacht en
rechtsvorderingen in dat boek eindigen ieder met een artikel dat de
bepalingen van de betrokken titel "buiten het vermogensrecht"
van overeenkomstige toepassing verklaart, "voor zover de aard van de
rechtshandeling of de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet"
(vgl. artikel 3:59, 3:79 en 3:326 BW). Daarnaast kent
Boek 3 in de eerste
titel een artikel dat bepaalt dat de in die titel verankerde algemene
beginselen van goede trouw, redelijkheid en billijkheid en misbruik van
bevoegdheid buiten het vermogensrecht toepassing vinden "voor zover
de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet" (artikel
3:15).
Met de zinsnede "buiten het vermogensrecht"
wordt mede het bestuursrecht bedoeld. Eén en ander betekent dat de
wetgever ervan is uitgegaan dat de betrokken titels niet rechtstreeks op
het terrein van het bestuursrecht van toepassing zijn, maar dat zij
zich althans in bepaalde gevallen wel voor overeenkomstige toepassing op
dat rechtsgebied lenen. In andere gevallen kan de publiekrechtelijke
aard van de rechtsverhouding zich tegen toepassing van regels uit het
BW, bijvoorbeeld over verjaring, verzetten (o.m. CRvB 19 oktober 1995,
JB 1996,11; CRvB 23 januari 1997, TAR 1997, 42). In dezelfde zin is
geoordeeld met betrekking tot cessie (HR 12 januari 1990, NJ 1990, 766;
AB 1991, 430). Aldus valt het bestuursrecht in elk geval niet binnen het
terrein dat rechtstreeks door Boek 3 wordt geregeld. Dit geldt dan
uiteraard ook voor de bepalingen in de daaropvolgende boeken, met name
ook voor Boek 6.
Deze benadering - die ook overeenkomt met het
standpunt dat de Hoge Raad in het reeds genoemde arrest inzake
onverschuldigde betaling heeft ingenomen - dient naar onze mening ook
te worden gevolgd bij het bepalen van de verhouding tussen het BW en de
Awb. In beginsel gelden de bepalingen die in het BW en de Awb zijn
opgenomen ieder voor de terreinen die door deze wetten worden
bestreken. Evenzeer als de regels in de Awb slechts voor het
bestuursrecht zijn bedoeld, zijn die in het BW opgesteld voor het
privaatrecht. Dat neemt niet weg dat regels in het ene rblz.|16|
rechtsgebied van
overeenkomstige toepassing kunnen zijn in het andere rechtsgebied. De
reeds genoemde schakelbepalingen in het BW bieden een uitdrukkelijke
grondslag voor toepassing van de BW-regels in het bestuursrecht. Ook het
omgekeerde is mogelijk. In artikel 3:1, tweede lid,
Awb wordt bepaald
dat de afdelingen 2 tot en met 5 van hoofdstuk 3 van
de wet van
overeenkomstige toepassing zijn op andere handelingen van
bestuursorganen dan besluiten, "voor zover de aard van de
handelingen zich daartegen niet verzet". Deze bepaling vormt
althans gedeeltelijk het spiegelbeeld van de genoemde schakelbepalingen
uit het BW.
3.3. Geen nodeloze
verschillen tussen BW en Awb
Het voorgaande
laat onverlet dat in het privaatrecht en in het bestuursrecht veelvuldig
rechtsfiguren voorkomen die sterke onderlinge gelijkenis vertonen. Het
past dan in het streven naar eenheid en systematiek in het recht - die
juist het doel zijn van codificaties - dat geen onnodige verschillen
tussen beide rechtsgebieden ontstaan of blijven bestaan. Onnodige
verschillen maken het recht ingewikkelder en minder geloofwaardig.
Bevorderd moet daarom worden dat voor beide rechtsgebieden zoveel
mogelijk gemeenschappelijke regels gelden. Voor de wetstechnische
uitwerking van dit uitgangspunt is van belang dat het privaatrecht een
veel algemener en vollediger codificatie kent dan het bestuursrecht. Ook
kent de codificatie van het privaatrecht een aanzienlijk langere
geschiedenis met als gevolg dat het ontwikkelen van algemene regels kan
geschieden op een degelijke en weldoordachte basis. Dit betekent dat voor
onderwerpen waarvoor een gemeenschappelijke regeling in aanmerking komt
meestal reeds een regeling in het BW
is te vinden.
Het voorgaande heeft voor de verhouding van de Awb
tot het BW tot gevolg dat bij het opstellen van bepalingen voor het
bestuursrecht over onderwerpen die tegenhangers in het privaatrecht
hebben, moet worden nagegaan in hoeverre de regels van het BW ook voor
het bestuursrecht bruikbaar zijn. Daarbij geldt aan de ene kant dat deze
regels voor een privaatrechtelijke context zijn bedoeld en derhalve niet
vanzelfsprekend ook voor het bestuursrecht de meest geschikte zijn, maar
aan de andere kant dat nodeloze afwijkingen van de privaatrechtelijke
regels vermeden moeten worden. Indien de eigen aard van het
bestuursrecht geen argumenten oplevert voor een andere regeling, moet in
beginsel bij het BW worden aangesloten.
Met de Raad van State
zijn wij van oordeel dat
bovenstaande met zich brengt dat mag worden verwacht dat de
bestuursrechter de jurisprudentie van de burgerlijke rechter met
betrekking tot de bepalingen van het BW waarvan artikelen van titel 4.4
zijn afgeleid of waarnaar de Awb verwijst, zoveel mogelijk zal volgen.
Voor de wijze waarop dit in de tekst van de Awb
tot uitdrukking moet worden gebracht, geldt het volgende. Uitgangspunt
is dat de regels van het BW gelden voor het privaatrecht. Voor een
aantal titels van Boek
3 is de werkingssfeer mede tot
bestuursrechtelijke verhoudingen uitgebreid voor zover de aard van de
rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Dit betekent dat de overige
bepalingen van het BW - voor zover dit gewenst wordt - in de Awb
uitdrukkelijk van overeenkomstige toepassing verklaard moeten worden.
Voor de regels van de genoemde titels van Boek
3 geldt dat niet: het BW
voorziet in beginsel reeds zelf in die overeenkomstige toepassing. Wel
kan het bij de regeling van een bepaald onderwerp uit die titels nodig
zijn nader te preciseren in hoeverre die bepalingen voor het
bestuursrecht de meest geschikte zijn. Bij de regeling van het mandaat
in de derde tranche is op die wijze rekening gehouden met de titel over
de volmacht, maar is toch een eigen - meer nauwkeurig bij het
bestuursrecht aansluitende - regeling getroffen. Evenzo is thans voor
de verjaring met betrekking tot bestuursrechtelijke geldschulden in
afdeling 4.4.3 van dit wetsvoorstel een eigen regeling getroffen,
waarbij uiteraard wel rekening rblz.|17|
is gehouden met de titel over verjaring
in het BW. In afdeling 4.4.4 is voorts uitdrukkelijk bepaald dat een
bestuursorgaan - naast de eventueel toegekende bestuursrechtelijke
invorderingsbevoegdheden - ook beschikt over de
invorderingsbevoegdheden die een schuldeiser op grond van het
privaatrecht heeft.
Bepalingen uit het BW zijn soms letterlijk
overgenomen of van overeenkomstige toepassing verklaard. Het is van
verschillende factoren afhankelijk of voor de ene of de andere methode
is gekozen. Uitgangspunt is dat de tekst zo eenvoudig mogelijk te lezen
moet zijn. Algemene regels uit het BW kunnen in de Awb vaak meer
nauwkeurig worden geformuleerd, aangezien zij in die wet alleen
betrekking hebben op bestuursrechtelijke geldschulden. Wanneer het om
meer juridisch-technische punten gaat, is verwijzing echter nuttig, omdat
anders vaak een betrekkelijk uitvoerige en ingewikkelde regeling moet
worden herhaald. Een verwijzing impliceert direct dat ook de wijzigingen
van die bepaling als vanzelf worden gevolgd. Voorts brengt verwijzing
met zich dat de jurisprudentie bij de betreffende bepaling dient te
worden gevolgd; dat is vooral bij de meer juridisch-technische
onderwerpen aangewezen. Wanneer naar het BW wordt verwezen, gebeurt dit
niet zonder de context, maar is voor de leesbaarheid van de bepaling van
belang dat in de Awb is aangegeven waarop die regel betrekking heeft.
Voor onderwerpen waarover de wetgever zich noch
in het BW noch in de Awb uitdrukkelijk uitspreekt, zal de rechter
zelfstandig een oplossing moeten vinden. Uit de jurisprudentie blijkt
ook dat de rechter in gevallen waarin dat goed mogelijk is, in
bestuursrechtelijke verhoudingen aansluiting pleegt te zoeken bij de
regels van het privaatrecht.
4. Verhouding tot het
gemeenschapsrecht
Zoals in de
memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Derde tranche
Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 1993-1994, 23 700, nr. 3, blz. 29) is gesteld, laat het
gemeenschapsrecht ruimte voor toepassing van de Awb
voor zover het zelf
niet in een regeling voorziet en geen afbreuk wordt gedaan aan rechten
die burgers aan het gemeenschapsrecht ontlenen. Op het door de
voorgestelde titel bestreken gebied zijn slechts op enkele beperkte
gebieden gemeenschappelijke regels tot stand gebracht, bijvoorbeeld op
dat van de invordering, terugvordering en navordering van in- en
uitvoerrechten in ruime zin (Verordening (EEG) nr. 2913/92 tot
vaststelling van het Communautair Douanewetboek (PbEG L 302)), op dat van
EU-premies en uitvoerrestituties (o.m. Verordening (EG) nr. 800/1999,
houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van
restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, Verordening (EG,
Euratom) nr. 2988/95 betreffende de bescherming van de financiële
belangen van de Europese Gemeenschappen) en op dat van de terugvordering
van staatssteun (Verordening (EG) nr. 659/999 tot vaststelling van
nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 (thans 88) van het
EG-verdrag (PbEG L 83)). De in titel 4.4 Awb
gegeven bepalingen kunnen
derhalve mede strekken tot uitvoering van het gemeenschapsrecht zolang
en voor zover het gemeenschapsrecht ter zake geen eigen voorzieningen
kent. Voor zover de regeling van titel 4.4
Awb ruimte biedt om in de
bijzondere wetgeving anders te bepalen, kan deze ruimte tevens dienen om
- waar nodig - uitvoering te geven aan secundair gemeenschapsrecht (zie
bijvoorbeeld artikel 4.4.2.7 [4:103]
van dit
voorstel). Zo nodig zal ook de voorrang van
het gemeenschapsrecht op een in titel 4.4
Awb gegeven regel in de
nationale regelgeving ter uitvoering van het (secundaire)
gemeenschapsrecht tot uitdrukking worden gebracht.
In dit wetsvoorstel is bijvoorbeeld bepaald dat
wettelijke rente niet verschuldigd is indien het bedrag ervan bij enige
of laatste betaling minder bedraagt dan €|20,-, dan wel, indien het
bestuursorgaan de schuldenaar is, €|10,- (artikel
4.4.2.2 [4:98], tweede lid).
Wanneer het gemeenschapsrecht rblz.|18|
de verschuldigdheid van wettelijke rente
voorschrijft, ook voor zover de rente minder dan €|20,- respectievelijk €|10,- bedraagt, is dit bedrag toch verschuldigd, omdat het
gemeenschapsrecht voorrang heeft.
Een ander voorbeeld biedt de verjaringstermijn.
In dit wetsvoorstel is de verjaringstermijn gesteld op vijf jaar nadat de
voorgeschreven betalingstermijn is verstreken (artikel 4.4.3.1
[4:104], eerste
lid). Deze termijn kan afwijken van de verjaringstermijnen die in het
gemeenschapsrecht worden gehanteerd. Op grond van artikel 15 van de
Verordening (EG) nr. 659/1999 bijvoorbeeld verjaart de bevoegdheid van
de Commissie een lidstaat het bevel te geven onrechtmatige staatssteun
terug te vorderen na tien jaar. Daarnaast zijn er
gemeenschapsrechtelijke verplichtingen die geen verjaringstermijn
kennen. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Verordening (EG) nr.
1552/89 blijft de belastingschuld altijd bestaan en is de bevoegde
instantie bij hernieuwde solvabiliteit van de belastingplichtige
verplicht de inning te hervatten. Zodra en voor zover het
gemeenschapsrecht zelf in een regeling voorziet, wijkt het nationale
recht en dus het onderhavige artikel 4.4.3.1
[4:104] op grond van het beginsel
van de voorrang van het gemeenschapsrecht. Artikel 4.4.3.1
[4:104] beoogt de
diverse verjaringstermijnen in bijzondere bestuursrechtelijke wetgeving
te harmoniseren. In een regeling die op nationaal niveau uniform wil
zijn, valt een dergelijke afwijking niet te voorkomen, mede omdat
communautaire verjaringstermijnen niet uniform zijn of niet bestaan ten
aanzien van bepaalde verplichtingen. Soortgelijke opmerkingen kunnen
worden gemaakt ten aanzien van de verjaringstermijnen die zijn opgenomen
in de artikelen 4:57, vierde lid, (terugvordering van subsidie) en
5.4.1.6 [5:45],
eerste lid, (opleggen bestuurlijke boete).
5. Reikwijdte van de
regeling
5.1. Bestuursrechtelijke verplichtingen
tot betaling van een geldsom
Het onderhavige
voorstel heeft betrekking op bestuursrechtelijke verplichtingen tot
betaling van een geldsom. Verplichtingen tot betaling van een geldsom
doen zich in maatschappelijke verhoudingen en dus ook in de verhouding
tussen overheid en burgers zeer vaak voor. In de eerste plaats komt het
voor dat bestuursorganen en burgers een relatie hebben die vanaf het
begin op het ontstaan of het effectueren van een financiële verplichting
is gericht. Het kan daarbij gaan om een geldschuld van een
bestuursorgaan aan een burger, zoals bij subsidies en sociale
uitkeringen het geval is. Als - willekeurig gekozen - voorbeeld kan
worden genoemd het recht op huursubsidie, de subsidie die het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan een werkgever verstrekt
ter bevordering van deelname van gehandicapten aan arbeid in zijn
bedrijf en het recht op een WAO- of WW-uitkering. Ook de
nadeelcompensatie die een bestuursorgaan biedt aan een burger valt als
zodanig aan te merken. Ook kan het gaan om een geldschuld van een burger
aan een bestuursorgaan, zoals bij belastingen en premieheffing het geval
is.
Daarnaast ontstaan er vaak financiële verplichtingen als gevolg van de
niet-naleving van bestuursrechtelijke rechtsnormen, door bijvoorbeeld de
bestuurlijke boete, de kosten die met de toepassing van bestuursdwang
zijn gemoeid en de terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidie in
het geval de subsidieontvanger zich niet aan de opgelegde
verplichtingen heeft gehouden.
In de derde plaats schept het
gebruik maken van tal van collectieve
voorzieningen financiële verplichtingen zoals eigen bijdragen, leges
als ook het les- en cursusgeld op basis van de Les-
en cursusgeldwet.
Verhoudingen tussen overheden onderling zijn ook vaak financieel van
aard. Voorbeelden zijn de financiering van een uit ’s Rijks kas
bekostigde school, rblz.|19|
de uitkering die een gemeente
op grond van de Financiële-verhoudingswet
uit het gemeentefonds krijgt of de financiële
regeling tussen besturen van deelnemende gemeenten in het kader van de Wet
gemeenschappelijke regelingen. Het is derhalve van groot
maatschappelijk belang dat de regels omtrent de afwikkeling van
dergelijke verplichtingen voor alle betrokkenen helder en toegankelijk
zijn. Benadrukt wordt dat de voorgestelde regeling niet regelt in welke
gevallen geldschulden ontstaan, maar slechts hoe zij ontstaan
(voortvloeiend uit een publiekrechtelijk wettelijk voorschrift of uit
een appellabel besluit), alsmede hoe zij worden afgewikkeld.
De reikwijdte van de voorgestelde regeling is
beperkt tot de bestuursrechtelijke geldschulden. Kenmerk van een
bestuursrechtelijke betalingsverplichting is dat de grondslag van de
betalingsverplichting van bestuursrechtelijke oorsprong is. In beginsel
kan deze oorsprong zowel in het geschreven als in het ongeschreven
bestuursrecht zijn gelegen. Anders dan in het voorontwerp is de regeling
dus niet beperkt tot betalingsverplichtingen die uit het geschreven
bestuursrecht voortvloeien. Voor zover de betalingsverplichting
voortvloeit uit het ongeschreven bestuursrecht, is de voorgestelde
regeling eerst van toepassing indien de betalingsverplichting zich heeft
geconcretiseerd in een appellabel besluit van een bestuursorgaan.
Voor de toepassing van de hier voorgestelde
regeling is derhalve vereist dat de betalingsverplichting ofwel
voortvloeit uit een bestuursrechtelijk wettelijk voorschrift, ofwel uit
een daartoe strekkend besluit dat vatbaar is voor bezwaar of voor beroep
bij de bestuursrechter. Aldus wordt voor het onderscheid tussen
bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke geldschulden in beginsel
aangesloten bij de afbakening tussen publiekrechtelijke en
privaatrechtelijke rechtshandelingen op grond van artikel
1:3. Om
praktische redenen is de voorgestelde regeling echter niet van
toepassing op geldschulden die voortvloeien uit besluiten die niet onder
de competentie van de bestuursrechter vallen. Vereist is dat het besluit
waaruit de geldschuld voortvloeit appellabel is. Voor de
toepasselijkheid van de voorgestelde regeling op buitenwettelijke
geldschulden wordt aangesloten bij het vereiste van processuele
connexiteit, zoals dat in het bijzonder ook kenbaar is uit de
jurisprudentie inzake zuivere schadebesluiten (o.a. ABRS
6 mei 1997, AB
1997, 229). De regeling is ook van toepassing indien tegen het besluit
nog geen beroep bij de rechter kan worden ingesteld omdat eerst nog
bezwaar moet worden gemaakt.
De Raad van State vraagt naar de verhouding
tussen de subsidietitel en de titel over bestuursrechtelijke
geldschulden. Deze verhouding is als volgt. Titel 4.2 van de
Awb
bevat
specifieke voorschiften voor subsidies. Op grond van artikel 4:21
Awb
wordt onder subsidie verstaan de aanspraak op financiële middelen, door
een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de
aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde
goederen en diensten. In het tweede en derde lid worden belasting- en
premiefaciliteiten alsook uitkeringen aan overheden uitgezonderd van het
toepassingsbereik van titel 4.2, het vierde lid brengt de bekostiging
van onderwijs en onderzoek uitdrukkelijk onder het bereik van de
subsidietitel. Ingevolge artikel 4:52 wordt het
subsidiebedrag
overeenkomstig de subsidievaststelling betaald. De titel inzake
bestuursrechtelijke geldschulden, titel
4.4, bevat regels voor de
afwikkeling van de betaling. Voor de toepasselijkheid van deze titel is
niet relevant of de betaling al dan niet voortvloeit uit een subsidie
die valt onder het bereik van titel 4.2. Bepalend is slechts of de
betaling van het subsidiebedrag voortvloeit uit een bestuursrechtelijk
wettelijk voorschrift dan wel een appellabel besluit. Derhalve is de
titel over bestuursrechtelijke geldschulden ook van toepassing op de
betaling van subsidies die buiten het bereik van de subsidietitel vallen.
rblz.|20|
De beperking
van de reikwijdte van het voorstel tot bestuursrechtelijke geldschulden
betekent dat niet alle betalingsverplichtingen waarbij één van beide
partijen een bestuursorgaan is door het wetsvoorstel worden bestreken.
Betalingsverplichtingen die hun grondslag vinden in het privaatrecht
vallen er niet onder. Hierbij moet worden gedacht aan
betalingsverplichtingen uit overeenkomst, onrechtmatige daad of
onverschuldigde betaling, althans voor zover de bestuursrechter niet
bevoegd is om van geschillen hieromtrent kennis te nemen. Voor het
ontstaan en de inhoud hiervan zij naar de titels
3, 4 en 5 van Boek 6 van het BW verwezen. Op de afwikkeling van deze verplichtingen zijn de
reguliere privaatrechtelijke bepalingen omtrent de betaling van
geldsommen van toepassing (artikel 6:111 e.v. BW). De regeling heeft
evenmin betrekking op uit het strafrecht voortvloeiende geldschulden.
Deze geldschulden ontstaan als gevolg van het niet naleven van
strafrechtelijke rechtsnormen en worden bij uitspraak van de
strafrechter vastgesteld. Het kan gaan om een geldboete, een ontnemings-
of schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36e en 36f
Sr [Wetboek
van Strafrecht, red.].
Overigens geldt dat de uitvoering van een door de strafrechter opgelegde
straf - dus ook als het gaat om de invordering van een geldschuld - plaatsvindt door het openbaar ministerie. Voor dit systeem is destijds
gekozen omdat bij de tenuitvoerlegging van straffen nogal wat
beleidsruimte voor de uitvoerder van de straf nodig werd geacht. Indien
een door de strafrechter opgelegde boete of maatregel niet wordt
betaald, kan op twee manieren dwanginvordering plaatsvinden: op grond van
een door het openbaar ministerie uit te vaardigen dwangbevel (artikel 575
Sv [Wetboek
van Strafvordering, red.]), dat ten uitvoer gelegd wordt als een vonnis van de burgerlijke
rechter, of zonder dwangbevel door middel van een schriftelijke
kennisgeving van het openbaar ministerie (artikel 576 Sv). De in artikel
575 Sv geregelde dwangbevelprocedure valt niet onder de hier
voorgestelde regeling omdat deze laatste zich beperkt tot
bestuursrechtelijke geldschulden. Bovendien is de Awb
op grond van
artikel 1:6 niet van toepassing op de tenuitvoerlegging van
strafrechtelijke beslissingen. De met het strafrecht overeenkomende
dwangbevelprocedure voor de invordering van een bestuurlijke boete op
grond van de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften zou daarentegen wel onder het bereik van de
regeling in de Awb vallen. Bij de aanpassingswetgeving die nodig is in
verband met dit wetsvoorstel zal dan ook nog nader bezien moeten worden
of de verschillende regelingen meer op elkaar afgestemd dienen te worden.
Wij menen dat onnodige verschillen tussen het strafrecht en het
bestuursrecht bij de inning van een boete hoe dan ook vermeden moeten
worden.
Ingevolge artikel 1:6, onderdeel d, van de
Awb
valt de tenuitvoerlegging van geldboeten in het kader van het militaire
tuchtrecht buiten het bereik van deze regeling. Buiten het terrein van
het militaire tuchtrecht vallen tuchtrechtelijke boeten wel onder de
regeling, voor zover de boete aan een bestuursorgaan verschuldigd is.
5.2. Twee categorieën van
geldschulden
Een geldschuld
kan in het bestuursrecht in hoofdzaak op twee manieren ontstaan. Een
geldschuld kan bij beschikking worden vastgesteld of rechtstreeks uit de
wet ontstaan. Het voorstel heeft op beide categorieën betrekking.
In veel gevallen steunt een verplichting tot
betaling van de overheid of van de burger op een beschikking. Een
beschikking tot vaststelling van een uitkering of een subsidie dan wel
tot oplegging van een bestuurlijke boete roept een verplichting tot
betaling in het leven. Hetzelfde geldt voor een belastingaanslag.
Weliswaar wordt in het belastingrecht tot uitgangspunt genomen dat de
materiële belastingschuld rechtstreeks uit de wet ontstaat, maar de
verplichting tot betaling - waar het in dit wetsvoorstel
rblz.|21|
om gaat
- ontstaat bij verschillende belastingen eerst nadat een aanslag is
opgelegd.
Daartegenover staan de gevallen waarin een
betalingsverplichting - en ook de omvang daarvan -
rechtstreeks uit
een wettelijk voorschrift voortvloeit. In het belastingrecht komt het
voor dat een dergelijke verplichting niet op een beschikking, maar direct
op de wet is gebaseerd: de burger is dan tot betaling verplicht indien
zich een bepaald feit heeft voorgedaan. Men denke aan de omzetbelasting
die op aangifte moet worden voldaan zonder dat er van de kant van de
belastingdienst eerst een besluit behoeft te worden genomen. Hetzelfde
geldt voor premies voor sociale verzekeringen die een werkgever moet
betalen. Voor les- en cursusgelden volgt de wet eveneens dit systeem.
Bezien is of de regeling ook zou moeten gelden voor geldschulden die
bij uitspraak van de bestuursrechter worden vastgesteld. Het betreft
uitspraken waarbij - meestal - het bestuursorgaan tot vergoeding van
bepaalde kosten wordt veroordeeld en waarbij de rechter dus zelf een
financiële verplichting vaststelt. Concreet betreft het de in artikel
8:76 Awb
bedoelde uitspraken tot vergoeding van schade, griffierecht of
proceskosten als bedoeld in de artikelen 8:73,
8:73a, 8:74,
8:75 en
8:75a Awb.
In het huidige artikel 8:76
Awb
is aangesloten
bij het systeem dat geldt voor de invordering van geldschulden die door
de burgerlijke rechter worden vastgesteld. De grosse van een vonnis of
een beschikking van de burgerlijke rechter is een executoriale titel in
de zin van artikel 430 Rv. Aldus kan de tenuitvoerlegging terstond
plaatsvinden met toepassing van de bepalingen van Boek
II Rv. In artikel
8:76 Awb - dat is overgenomen uit oudere regelingen als artikel 99 Wet
RvS (oud) [artikel 99 (oud) Wet
op de Raad van State, red.] - is bepaald dat voor zover een uitspraak van de bestuursrechter
strekt tot betaling van een bepaald geldbedrag, zij ten uitvoer kan
worden gelegd overeenkomstig de bepalingen van Boek
II Rv. Voor
bestuursrechtelijke geldschulden die bij rechterlijke uitspraak worden
vastgesteld, lijkt dit ons het juiste systeem. Dit heeft ons ertoe
gebracht om in de definitiebepaling van de nu voorgestelde titel te
bepalen dat de regeling niet van toepassing is op bij rechterlijke
uitspraak vastgestelde geldschulden. Overigens is de aansluiting in
artikel 8:76 Awb op het civiele recht nog voor verbetering vatbaar. In
dit wetsvoorstel wordt daarom tevens voorgesteld om uitspraken van de
bestuursrechter waarbij een financiële verplichting als hier bedoeld
wordt vastgesteld expliciet als een executoriale titel in de zin van
artikel 430 Rv
aan te merken.
6. De opzet van de
regeling
De regeling is
in hoofdstuk 4 geplaatst en bestaat uit één titel
(titel 4.4).
Hoofdstuk 4 bevat bijzondere bepalingen over besluiten. De nu
voorgestelde titel bouwt in belangrijke mate voort op de regeling over
beschikkingen van titel 4.1. Bestuursrechtelijke geldschulden worden in
de regel bij beschikking vastgesteld. Daarnaast houdt het voorstel
rekening met de mogelijkheid dat zij rechtstreeks uit de wet ontstaan.
Uit een oogpunt van wetssystematiek verdient het wellicht de voorkeur
om de nieuwe titel aan de regeling van de subsidies (als bijzondere
categorie geldschulden) vooraf te laten gaan. Het onaantrekkelijke
daarvan is echter dat een titel zou moeten worden tussengevoegd.
Anderzijds is vanuit een procesmatige benadering ook wat te zeggen voor
een plaatsing ná de regeling van de subsidies, omdat de regeling over
bestuursrechtelijke geldschulden voor een belangrijk deel op de
afwikkeling van betalingsverplichtingen betrekking heeft. Wij hebben
daarom gemeend om de regeling aan het eind van hoofdstuk 4 te moeten
plaatsen.
De voorgestelde titel 4.4 valt uiteen in vier
afdelingen. De eerste drie afdelingen hebben betrekking op zowel
geldschulden van de burger aan de overheid als geldschulden van een
bestuursorgaan aan een burger. De rblz.|22|
laatste afdeling geldt alleen voor de
invordering van geldschulden door de overheid. Afdeling 4.4.1 bevat
bepalingen inzake het reguliere betalingstraject (onder meer wijze van
ontstaan van de betalingsverplichting, betalingstermijn, wijze van
betaling, verrekening en uitstel van betaling). Afdeling 4.4.2 regelt de
gevolgen van niet-tijdige betaling (verzuim, wettelijke rente). Afdeling
4.4.3 regelt de verjaring: hoe lang kan degene die verzuimd heeft om
tijdig te betalen nog tot nakoming worden gedwongen. Afdeling 4.4.4
ten slotte regelt de bijzondere bevoegdheden van de overheid om betaling
te verkrijgen (aanmaning en invordering bij dwangbevel).
Bij de vaststelling en de nakoming van
betalingsverplichtingen zijn verschillende fasen te onderscheiden. Aan
de hand van het chronologisch verloop laat de voorgestelde regeling zich
- in hoofdlijnen - als volgt weergeven.
De regeling onderscheidt twee wijzen waarop een bestuursrechtelijke
betalingsverplichting kan ontstaan. De eerste - meest voorkomende - is dat de betalingsverplichting bij beschikking wordt vastgesteld. De
tweede wijze is die waarbij de betalingsverplichting rechtstreeks uit de
wet voortvloeit. In beide gevallen kan het zowel om geldschulden van de
overheid als om geldschulden aan de overheid gaan.
De beschikking tot vaststelling van een
verplichting tot betaling dient degene die moet betalen duidelijkheid
te verschaffen over de hoogte van het bedrag en over de termijn
waarbinnen hij voor betaling moet zorgen. In het wetsvoorstel is gekozen
voor een uniforme betalingstermijn van zes weken, behoudens de
mogelijkheid van afwijking bij wettelijk voorschrift. Wanneer bij
wettelijk voorschrift wordt bepaald dat de betalingsverplichting
rechtstreeks uit de wet ontstaat, zal de betalingstermijn eveneens in
dat wettelijke voorschrift moeten worden geregeld. Wanneer een op de
overheid rustende betalingsverplichting rechtstreeks uit de wet
voortvloeit, kan de burger overigens steeds om een beschikking vragen, onder
andere met het oog op de mogelijkheid om bezwaar en beroep in te stellen. De
betaling dient in beginsel giraal te geschieden. Wanneer dit voor één
van beide partijen bezwaarlijk is, is het bestuursorgaan bevoegd om op
andere wijze te ontvangen of te betalen, bijvoorbeeld contant of per cheque. De burger hoeft alleen dan niet binnen de voorgeschreven
termijnen te betalen indien hij een verzoek heeft ingediend om uitstel
van betaling en het bestuursorgaan dit verzoek heeft toegewezen.
Verrekening van een geldschuld met een vordering is slechts mogelijk
voor zover de bevoegdheid daartoe in de bijzondere wet is toegekend.
Wordt niet binnen de reguliere betalingstermijn
betaald, dan treedt in beginsel verzuim in en is de schuldenaar vanaf
dat moment wettelijke rente verschuldigd. De wettelijke rente wordt bij
algemene maatregel van bestuur vastgesteld. Uit praktische overwegingen
is bepaald dat onder de €|20,- of, als het bestuursorgaan de schuldenaar
is, €|10,-, geen wettelijke rente verschuldigd is. De wettelijke rente
wordt door het bestuursorgaan bij beschikking vastgesteld, zowel wanneer
het zelf wettelijke rente moet vergoeden omdat het in gebreke is, als
wanneer de wederpartij dit moet doen.
Wanneer niet-tijdige betaling door het
bestuursorgaan het gevolg is van het onjuist vaststellen van een
beschikking tot betaling, is het bestuursorgaan gehouden de daardoor
voor de burger ontstane schade (renteverlies) te vergoeden. In dit geval
gaat de wettelijke rente lopen vanaf het tijdstip waarop het
bestuursorgaan met de betaling in verzuim zou zijn geweest indien de
beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn
gegeven. Met deze regel wordt aansluiting gezocht bij de eerder in deze
memorie van toelichting aangehaalde jurisprudentie van met name de Centrale Raad van Beroep.
Daarnaast wordt in het wetsvoorstel voorgesteld
om niet-tijdige besluitvorming op dezelfde wijze te behandelen als
onjuiste besluitvorming. Ook rblz.|23|
wanneer het bestuursorgaan te laat beslist
of een besluit zelfs geheel uitblijft, dient rente te worden vergoed en
wel vanaf het moment waarop uiterlijk had moeten zijn beslist én
betaald. Met deze regeling wordt voorkomen dat de overheid voordeel
trekt van het te laat of onjuist beslissen over financiële aanspraken.
Tegenover het nadeel van de burger (renteverlies) staat immers het
rentevoordeel van de overheid omdat zij ten onrechte langer over het
geld heeft kunnen beschikken. Om diezelfde reden is bepaald dat in
gevallen waarin de overheid de burger een te hoge betalingsverplichting
heeft opgelegd, de overheid wettelijke rente dient te vergoeden over de
termijn tussen de betaling en de terugbetaling.
Er zij op gewezen dat het voor het verschuldigd
zijn van wettelijke rente volgens deze regeling in beginsel niet
uitmaakt of in de bezwaarschriftprocedure dan wel bij het beroep bij de
bestuursrechter komt vast te staan dat het bestuursorgaan de
betalingsverplichting onjuist heeft vastgesteld. Bij financiële
besluiten staat in beide gevallen tegenover het rentenadeel van de
burger een rentevoordeel van de overheid. Compensatie hiervan is
billijk.
Het recht om nakoming van een
betalingsverplichting af te dwingen, gaat door tijdsverloop teniet. In
aansluiting op de meest gebruikelijke termijn in het BW
is gekozen voor
een verjaringstermijn van vijf jaar. De bijzondere bevoegdheden die de
overheid in sommige gevallen heeft om betaling te verkrijgen, met
inbegrip van de bevoegdheid van de overheid om te verrekenen, kunnen na
deze vijf jaar niet meer worden benut. Het voorstel biedt voorts de
mogelijkheid van stuiting en verlenging van de verjaring.
Wanneer een burger verzuimt om tijdig te
betalen, maant het bestuursorgaan hem aan om binnen twee weken alsnog te
betalen. De aanmaning is niet meer dan een herinnering tot betalen. De
aanmaning heeft geen betekenis voor het ontstaan van het verzuim; de
aanmaning is immers pas mogelijk nadat de burger in verzuim is. Dat
betekent ook dat de wettelijke rente inmiddels is gaan lopen. Wel heeft
de aanmaning betekenis voor de mogelijkheid om verdergaande
invorderingsmaatregelen te nemen: invordering bij dwangbevel is
doorgaans eerst mogelijk indien tevoren een aanmaning is verzonden. Het
bestuursorgaan mag voor de kosten van de aanmaning een forfaitair bedrag
in rekening brengen dat afhankelijk is van de hoogte van de schuld. Om
geschillen over betrekkelijk geringe, forfaitaire bedragen te voorkomen,
is de aanmaning van bezwaar en beroep in de zin van de Awb
uitgesloten.
Om de doelmatigheid van de inning te vergroten,
voorzien diverse bijzondere wetten thans in de mogelijkheid dat het
bestuursorgaan zichzelf een executoriale titel verschaft, door middel
van het uitvaardigen van een dwangbevel. In het voorstel is er
uitdrukkelijk voor gekozen om deze bevoegdheid niet door middel van een
algemene bevoegdheidsgrondslag in de Awb voor alle gevallen aan alle
bestuursorganen toe te kennen. Het gaat om een vérgaande bevoegdheid,
omdat met behulp daarvan - anders dan in het civiele recht - zonder
tussenkomst van de rechter betaling kan worden afgedwongen. Invordering
bij dwangbevel blijft daarom slechts mogelijk indien de bevoegdheid
daartoe bij bijzondere wet, dan wel in de Algemene wet bestuursrecht
voor een bijzondere categorie van gevallen, is toegekend. Zo kent het
voorgestelde artikel 4:57, tweede lid, de bevoegdheid tot invordering
bij dwangbevel toe voor onverschuldigd betaalde subsidiebedragen.
Het bestuursorgaan kan daarnaast gebruik
blijven maken van de bevoegdheden die een schuldeiser in het
privaatrecht ook heeft, tenzij de bijzondere wet daaraan in de weg
staat.
Soms heeft een bestuursorgaan de bevoegdheid
tot kwijtschelding van een geldschuld aan een bestuursorgaan. Voor zover
de geldschuld daardoor tenietgaat, is sprake van een besluit (zie
impliciet ook Nationale ombudsman 5 december 1990, AB 1991, 95;
CRvB
27
maart 1996, AB 1996, 248; vgl. ook het voorgestelde artikel
4.4.5.1 [4:125],
eerste lid). Het onderhavige rblz.|24|
wetsvoorstel voorziet met opzet niet in
een algemene bevoegdheid tot kwijtschelding. Kwijtschelding komt er in
veel gevallen op neer dat een burger wordt ontslagen van wettelijke
verplichtingen tot betaling. Dit dient uitzondering te blijven en kan
daarom zo nodig beter door de bijzondere wetgever worden geregeld. Van
kwijtschelding moet worden onderscheiden het staken van de invordering
omdat de schuldenaar onvoldoende verhaal biedt of omdat invordering een
onevenredige inspanning zou vergen. Dat is een feitelijke handeling,
geen besluit.
Het voorstel bevat regels voor het geval een
bestuursorgaan de bevoegdheid heeft de betaling van een geldsom door
middel van een dwangbevel af te dwingen. Daarbij is in belangrijke mate
aangesloten bij de regeling in het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering. Bepaald wordt dat een dwangbevel een executoriale titel
is als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het kan
derhalve volgens de in dat wetboek opgenomen procedureregels ten uitvoer
worden gelegd. Wegens de samenloop van Awb en Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering is een aantal bepalingen van de Awb buiten toepassing
verklaard. De belangrijkste afwijking houdt in dat tegen het dwangbevel
geen bezwaar en beroep openstaat in de zin van de Awb.
Op het aspect van de rechtsbescherming en de
keuze voor de civiele rechtsgang wordt in de volgende paragraaf
afzonderlijk ingegaan.
7.
Rechtsbescherming tegen (dwang)invordering
Een belangrijk
aspect bij de invordering van geldschulden is de rechtsbescherming.
Betaling van een bestuursrechtelijke geldschuld door de overheid kan - indien dat noodzakelijk zou zijn
- uiteindelijk via de
civielrechtelijke weg worden afgedwongen. De vraag doet zich voor welke
rechtsgang voor de schuldenaar open dient te staan bij invordering bij
dwangbevel door de overheid.
Om fouten in het dwangbevel en bij de
tenuitvoerlegging te voorkomen of te herstellen, kennen bijna alle
bestaande wetten een specifieke regeling inzake verzet. Een opvallend
verschil daarbij is dat een deel van deze wetten (o.m. artikel 5:26
Awb)
verzet openstelt tegen het dwangbevel - vaak gebonden aan een termijn
die begint te lopen op het moment van betekening - terwijl andere
wetten het verzet koppelen aan de tenuitvoerlegging van het dwangbevel.
In het laatste geval is het verzet in beginsel niet aan een termijn
gebonden. Een voorbeeld van een op deze wijze ingerichte regeling is te
vinden in de Invorderingswet
1990.
Verzet vindt krachtens de genoemde wetten
plaats bij de gewone (burgerlijke) rechter. Volgens de meeste regelingen
is de rechtbank bevoegd, maar soms is uitdrukkelijk de
sector kanton
aangewezen. Tegen de uitspraak op het verzet staan hoger beroep en beroep
in cassatie open. Een gemeenschappelijk element van alle
procedures is dat - voor zover de betalingsplicht bij beschikking is
vastgesteld - daarin niet meer kan worden opgekomen tegen de
oorspronkelijke beschikking waarbij de verplichting tot betaling is
vastgesteld. Tegen deze beschikking heeft immers reeds bezwaar en beroep
opengestaan op grond van de Awb. Vergelijking met de regeling in
het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering laat zien waarop de
rechtsbescherming bij invordering van geldschulden in het civiele recht
is gericht. Artikel 438 Rv
spreekt niet met zoveel woorden over de
mogelijkheid van "verzet", maar geeft een regeling inzake
"geschillen die in verband met een executie rijzen". Een
termijn wordt ook hier niet genoemd.
Een zodanige regeling van executiegeschillen
ligt voor de hand. Het recht op invordering van een geldschuld verjaart
volgens het wetsvoorstel pas na vijf jaren. Een bestuursorgaan is niet
verplicht om na betekening van het dwangbevel op korte termijn tot de
daadwerkelijke executie over te gaan. Bij een verzetstermijn die is
gekoppeld aan de betekening van het dwangbevel kan het derhalve
voorkomen dat de executie pas plaatsvindt rblz.|25|
op een tijdstip waarop geen
verzet meer mogelijk is. Uit een oogpunt van rechtsbescherming is dit
uiteraard ongewenst. Uit de praktijk van de Invorderingswet 1990 blijkt
dat nauwelijks verzet wordt aangetekend tegen het dwangbevel zélf, maar
bijna altijd tegen de feitelijke tenuitvoerlegging. Juist tijdens de
executie kunnen veel dingen misgaan en is er behoefte aan
rechtsbescherming. Indien dan door het verloop van de termijn geen verzet
meer mogelijk zou zijn, zou de schuldenaar alsnog een executiegeschil
aanhangig moeten maken bij de burgerlijke rechter. Aldus zou een reeks
van proceduremogelijkheden ontstaan. Tegen de beschikking waarbij de
betalingsverplichting is vastgesteld, staat bezwaar en beroep open, tegen
het dwangbevel kan verzet worden aangetekend en tegen de uitvoering van
het dwangbevel kan ten slotte een geding bij de burgerlijke rechter
worden gestart. Een dergelijke situatie is nodeloos ingewikkeld.
Nu executiegeschillen gedurende de gehele
executiefase kunnen ontstaan, rijst de vraag welke rechter het meest
geschikt is om dergelijke geschillen te behandelen indien het een
bestuursrechtelijke geldschuld betreft. Eerder is het standpunt
ingenomen dat de procedures inzake verzet tegen een dwangbevel moeten
worden gekwalificeerd als administratieve rechtspraak (Kamerstukken II
1992-1993, 22 495, nr. 10, blz. 28).
Voorts moet het dwangbevel worden beschouwd als
een besluit in de zin van de Awb. Het is een schriftelijke beslissing
van een bestuursorgaan die wordt gegeven krachtens een
publiekrechtelijke bevoegdheid die op de wet is gebaseerd. Het
rechtsgevolg bestaat uit de titel die het bestuursorgaan zich door het
dwangbevel verschaft om een krachtens een publiekrechtelijke regeling
ontstane schuld met dwang in te vorderen. Aldus komt het dwangbevel in
beginsel in aanmerking voor bezwaar en beroep bij de bestuursrechter.
Niettemin is er in het wetsvoorstel voor
gekozen om de bevoegdheid van de burgerlijke rechter op dit terrein te
handhaven. Van belang is dat in een executieprocedure
bestuursrechtelijke vragen die verband houden met de rechtmatigheid van
de - doorgaans aanwezige - onderliggende beschikking in beginsel
geen rol meer mogen spelen. Dergelijke vragen horen thuis in de bezwaar-
en beroepsprocedures, die mogelijk aan de tenuitvoerlegging van het
dwangbevel zijn voorafgegaan. In executiegeschillen gaat het vooral om
praktische vragen die niet of nauwelijks verschillen van de vragen die
zich voordoen bij de executie van privaatrechtelijke geldvorderingen. In
verband met de bestaande expertise daaromtrent bij de burgerlijke
rechter verdient het de voorkeur diens bevoegdheid inzake die geschillen
te handhaven. Dit brengt tevens met zich dat het in het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering geregelde procesrecht van de civiele rechter
op deze "bestuursrechtelijke" executiegeschillen van toepassing
is.
Overigens vloeit uit het voorgaande voort dat
wanneer een beschikking tot betaling aan de overheid ontbreekt (artikel
4.4.1.4 [4:88]), de burger in een executiegeschil wél de bestuursrechtelijke
verplichting tot betaling aan de orde kan stellen.
In reactie op het advies van de Nederlandse Orde
van Advocaten naar aanleiding van het voorontwerp, waarin de
toepasbaarheid van dit artikel op bestuursrechtelijke geldschulden wordt
betwijfeld, merken wij op dat ingevolge artikel 438 Rv
de
tenuitvoerlegging in ruimste zin van het woord onderwerp van het
executiegeschil kan zijn, niet slechts de bepaalde executiewijze, maar
ook de executie zelf zoals zij wordt toegepast. Artikel 438 ziet op
situaties waarin de schuldeiser weliswaar over een executoriale titel
beschikt, maar deze op een onrechtmatige wijze ten uitvoer legt. Deze
situaties kunnen zich ook voordoen bij invordering bij dwangbevel van
bestuursrechtelijke geldschulden.
Hoewel artikel 438, eerste lid, Rv
de gewone
dagvaardingsprocedure vooropstelt, is het in de praktijk gebruikelijk
dat executiegeschillen in kort geding worden behandeld. Ingevolge het
derde lid van artikel 438 kan de
rblz.|26|
voorzieningenrechter echter, voor zover
hij vindt dat de zaak zich niet leent voor behandeling in kort geding,
deze verwijzen naar de terechtzitting van de rechtbank. Van deze
bevoegdheid kan hij ook gebruik maken als een bestuursrechtelijke
betalingsverplichting in kort geding aan de orde wordt gesteld. De
woorden "voor zover" in de aanhef van het eerste lid geven aan
dat tegen een partiële verwijzing geen bezwaar bestaat.
Van belang is verder dat - zoals zojuist is
opgemerkt - de rechtsbescherming zich moet kunnen uitstrekken tot de
gehele executiefase. Met name bij de feitelijke gang van zaken bij de
executie kunnen zich problemen voordoen en is rechtsbescherming nodig.
In dat licht is het minder juist de rechtsbescherming te fixeren op een
beslismoment in bestuursrechtelijke zin - te weten het dwangbevel - met de daarbij behorende termijnen. De bestuursrechtelijke
rechtsbeschermingsconstructie is aldus voor de beslechting van
executiegeschillen minder geschikt. Ook dit pleit voor handhaving van de
bevoegdheid van de burgerlijke rechter op dit punt.
De gevolgen van deze keuze zijn in het
wetsvoorstel uitgewerkt. Bepaald wordt dat een dwangbevel een
executoriale titel oplevert als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering. Aldus wordt aangesloten bij de aldaar opgenomen
procedure voor de beslechting van executiegeschillen bij de burgerlijke
rechter. Voorts wordt aan artikel 8:4 een onderdeel m toegevoegd
waardoor Awb-beroep (en daarmee ook Awb-bezwaar) tegen een dwangbevel
wordt uitgesloten.
8. Overige wijzigingen
In de
voorgestelde titel 4.4 wordt, overeenkomstig de terminologie van artikel
1:1 Awb, steeds gesproken over bestuursorganen. Een bestuursorgaan is in
de regel evenwel geen privaatrechtelijk rechtssubject. In het
privaatrecht kunnen immers de vermogensrechtelijke gevolgen van een
handeling uitsluitend worden toegerekend aan natuurlijke of
rechtspersonen. Blijkens artikel 2:1 BW
komt - behoudens specifieke
gevallen bij of krachtens de wet bepaald - uitsluitend
rechtspersoonlijkheid toe aan de Staat en de openbare lichamen als
bedoeld in hoofdstuk 7 van de Grondwet. Om de koppeling te leggen tussen
de onderhavige regeling en het rechtspersonenrecht zoals neergelegd in
het BW, wordt in het wetsvoorstel bepaald dat de vermogensrechtelijke
gevolgen van een handeling van een bestuursorgaan worden toegerekend aan
de rechtspersoon waarvan het desbetreffende bestuursorgaan deel
uitmaakt. Deze regel geldt vanzelfsprekend ook indien een bestuursorgaan
zélf rechtspersoonlijkheid bezit langs de weg van artikel 2:1, tweede
lid, BW. Dit kan zich voordoen bij zelfstandige bestuursorganen.
Daarnaast behelst het wetsvoorstel enkele
andere wijzigingen van de Awb. In artikel 4:57 wordt vastgelegd dat
beslissingen tot terugvordering van onverschuldigd betaalde
subsidiebedragen besluiten zijn in de zin van de Awb (vgl. ABRS 21
oktober 1996, AB 1996, 496, JB 1996, 232). Het gewijzigde artikel 4:57
schept een wettelijke grondslag voor besluiten tot terugvordering van
subsidie. Daarbij is voorzien in de mogelijkheid van invordering van
onverschuldigd betaalde subsidies bij dwangbevel. Artikel 8:76 wordt in
redactionele zin verduidelijkt door te bepalen dat een uitspraak van een
bestuursrechter in een aantal specifiek omschreven gevallen een
executoriale titel oplevert in de zin van artikel 430, eerste lid,
Rv.
Voorts wordt voorgesteld om aan de in artikel 8:4 opgesomde categorieën
van besluiten waartegen geen beroep openstaat de aanmaning en het
dwangbevel toe te voegen. Verwezen zij naar de toelichting
op dit
artikel.
Ten slotte noopt de regeling inzake
bestuursrechtelijke geldschulden tot enige wijzigingen in de bepalingen
over de bestuursdwang en de last onder dwangsom. Deze zijn toegelicht in
hoofdstuk IV van deze memorie van toelichting.
rblz.|27|
Artikelsgewijs
Artikel 1:1
Het nieuw voorgestelde vierde lid is hiervoor in paragraaf 8 van het
algemeen deel van dit hoofdstuk van deze toelichting reeds kort
toegelicht. De bepaling is erop gericht een koppeling te leggen tussen
de Awb en het rechtspersonenrecht zoals neergelegd in het
BW, door te
bepalen dat de vermogensrechtelijke gevolgen van een handeling van een
bestuursorgaan de rechtspersoon treffen waartoe het bestuursorgaan
behoort. Overigens is dit ook thans al geldend recht. De winst van deze
bepaling is dat in de Awb niet steeds hoeft te worden gesproken in
termen van "een betaling aan of door de rechtspersoon waarvan het
bestuursorgaan deel uitmaakt". Thans kan worden volstaan met de
zinsnede "een betaling aan of door het bestuursorgaan".
Wettelijke bepalingen waarin betalingen aan of door een bestuursorgaan
zijn voorgeschreven, dienen derhalve steeds te worden gelezen in
samenhang met artikel 1:1, vierde lid. Dit geldt zowel voor bepalingen
in de Awb als in de bijzondere bestuursrechtelijke wetgeving. Aldus
bestrijkt deze bepaling de gehele bestuursrechtelijke wetgeving.
De formulering van de bepaling sluit aan bij
artikel 3:66, eerste lid, BW
waarin de verhouding tussen volmachtgever
en gevolmachtigde wordt geregeld. Dat neemt niet weg dat de hier
voorgestelde bepaling een grotere reikwijdte heeft. Overeenkomstig de
systematiek van de Awb omvat het begrip "handeling" in deze
bepaling ook een "besluit", alsmede andere rechtshandelingen
en feitelijke handelingen.
In het civiele recht kan als regel slechts de
rechtspersoon, niet het bestuursorgaan optreden als procespartij.
Derhalve dient bij de burgerlijke rechter de rechtspersoon te worden
gedagvaard. Wordt onverhoopt het bestuursorgaan gedagvaard, dan zal deze
dagvaarding dienen te gelden als gericht aan de rechtspersoon waartoe
het bestuursorgaan behoort. De onderhavige bepaling brengt daarin geen
verandering. Het belastingrecht maakt op deze regels overigens een
uitzondering voor de ontvanger (zie artikel 3, derde lid, Invorderingswet
1990).
Artikel 4:52
De regeling inzake bestuursrechtelijke geldschulden brengt mee dat de
bestaande bepalingen over de betaling van subsidies (artikel
4:52 e.v.)
kunnen worden vereenvoudigd. Het huidige artikel
4:52, eerste lid,
bepaalt onder meer dat voorschotten op subsidies kunnen worden verrekend
met het subsidiebedrag. Deze zinsnede kan vervallen, omdat de
verrekening van voorschotten in meer algemene zin wordt geregeld in
het voorgestelde artikel 4.4.1.11
[4:95], vierde lid, eerste volzin. Het
huidige tweede lid van artikel
4:52 regelt een betalingstermijn en kan
vervallen in verband met het voorgestelde artikel
4.4.1.3 [4:87].
Het voorgestelde tweede lid komt overeen met
het huidige derde lid. Het geeft bij subsidies die niet op een wettelijk
voorschrift berusten de mogelijkheid om in de subsidiebeschikking een
afwijkende betalingstermijn vast te stellen. Dat is een aanvulling op - of eigenlijk: een toepassing van
- artikel
4.4.1.3 [4:87], tweede lid, die
daarom met enige redactionele aanpassingen wordt gehandhaafd.
Artikelen 4:54 en
4:55
De huidige artikelen 4:54 en 4:55 regelen enkele aspecten van de
verlening en betaling van voorschotten bij subsidies. Zij kunnen
vervallen nu het voorgestelde artikel 4.4.1.11
[4:95] een meer
algemene
regeling voor bevoorschotting geeft.
rblz.|28|
Artikel 4:57
Eerste lid
In ABRS 21 oktober 1996 (AB 1996, 496, JB 1996, 232) heeft de Afdeling
bestuursrechtspraak uitgemaakt dat een beslissing omtrent terugvordering
van een onverschuldigd betaalde subsidie of een andere
bestuursrechtelijke financiële verstrekking, een besluit in de zin van
artikel 1:3 Awb is, ook wanneer de terugvorderingsbeslissing niet
op een
uitdrukkelijk wettelijke bevoegdheid tot terugvordering berust. Het
publiekrechtelijke rechtsgevolg van een dergelijke beslissing ontleent
de Afdeling aan het algemene, ook in het bestuursrecht geldende,
rechtsbeginsel dat hetgeen onverschuldigd is betaald, kan worden
teruggevorderd. Deze uitspraak heeft tevens tot gevolg dat
terugvorderingsbesluiten die voortvloeien uit een eerder subsidiebesluit
vatbaar zijn voor bezwaar en beroep bij de bestuursrechter. Voorheen nam
de Afdeling aan dat niet op een uitdrukkelijke wettelijke grondslag
gebaseerde besluiten omtrent terugvordering van subsidie
rechtshandelingen naar burgerlijk recht waren, waarover slechts de
burgerlijke rechter kon oordelen. Met de uitspraak van 21 oktober 1996
heeft de Afdeling zich aangesloten bij de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep
(26 februari 1987, AB 1987, 438) en het College van
Beroep voor het bedrijfsleven (CBb 27 december 1977, AB 1978, 344; CBb 15
juni 1990, AB 1991, 301).
In het licht van meergenoemde uitspraak van de
Afdeling is aanpassing van artikel 4:57 gewenst. Hoewel de tekst van
deze bepaling ruimte biedt om de terugvordering van subsidie als een
besluit in de zin van de Awb te zien, was de regering blijkens de
memorie van toelichting een andere opvatting toegedaan (Kamerstukken II
1993-1994, 23 700, nr. 3, blz. 84/85). Ter vermijding van misverstand wordt
daarom voorgesteld om de bevoegdheid tot het terugvorderen van
onverschuldigd betaalde subsidiebedragen in een nieuw eerste lid van
artikel 4:57 neer te leggen. Voor onverschuldigd betaalde voorschotten
is dit in artikel 4.4.1.11 [4:95] geregeld.
Opgemerkt zij nog dat het
terugvorderingsbesluit valt onder de uitzondering op de hoorplicht voor
financiële beschikkingen van artikel 4:12, eerste lid. Gelet
op het
accessoire karakter van het terugvorderingsbesluit lijkt het niet nodig
daarin verandering te brengen. Het terugvorderingsbesluit wordt immers
altijd voorafgegaan door een lagere vaststelling of intrekking waarbij
op grond van het tweede lid van artikel 4:12
in principe steeds moet worden
gehoord. Uit een oogpunt van doelmatige rechtsbescherming verdient het
in de praktijk aanbeveling om de beslissing tot lagere vaststelling of
intrekking en die tot terugvordering in één beschikking te combineren
en voorafgaand aan het nemen daarvan de belanghebbende te horen. Deze
mogelijkheid is met name van belang omdat de bevoegdheid tot
terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen een discretionaire
bevoegdheid is die moet worden uitgeoefend met inachtneming van de
algemene bestuursrechtelijke eisen die de aanwending van discretionaire
bevoegdheden beheersen (met name artikel 3:4 en
3:46).
Tweede lid
In het tweede lid is bepaald dat de terugvordering kan geschieden bij
door het bestuursorgaan uit te vaardigen dwangbevel, op de
tenuitvoerlegging waarvan afdeling 4.4.4 van toepassing is. Het
bestuursorgaan kan zich voortaan dus buiten de rechter om een
executoriale titel verschaffen. Deze extra bevoegdheid betekent
overigens niet een verplichting voor het bestuursorgaan om uitsluitend
die weg te volgen. Het kan gebruik blijven maken van de gewone
bevoegdheden van een schuldeiser (zie artikel
4.4.4.2.11 [4:124]).
rblz.|29|
Derde lid
Het derde lid houdt verband met het voorgestelde artikel
4.4.1.9 [4:93].
Laatstgenoemd artikel bepaalt dat verrekening van een
bestuursrechtelijke geldschuld met een bestaande vordering slechts
mogelijk is voor zover daarin bij wettelijk voorschrift is voorzien. Bij
subsidies is er voor één geval reden een dergelijke wettelijke
voorziening te treffen. Het komt vaak voor dat een bestuursorgaan ieder
jaar opnieuw een subsidie verstrekt aan dezelfde subsidieontvanger voor
dezelfde activiteiten. In die gevallen ligt het voor de hand een
eventuele terugvordering van voor het jaar x betaalde subsidiebedragen
te verrekenen met nog voor het jaar x + 1 (of in voorkomende gevallen,
een later jaar) uit te betalen subsidiebedragen. Het voorgestelde derde
lid voorziet in de bevoegdheid daartoe, mits het gaat om dezelfde
subsidieontvanger en dezelfde gesubsidieerde activiteiten. Deze
vereisten komen qua strekking overeen met de in het privaatrecht
geldende vereisten voor verrekening (vgl. artikel 6:127, tweede lid, BW).
De bepaling ziet op subsidies die jaarlijks
worden verstrekt voor voortdurende activiteiten. Zij is niet van
toepassing indien een subsidieontvanger toevallig in twee
achtereenvolgende jaren in aanmerking blijkt te komen voor
projectsubsidies op grond van dezelfde regeling. Te denken valt aan een
veehouder die in jaar x subsidie ontvangt voor de aanpassing van een
stal en in het daaropvolgende jaar voor de aanpassing van een tweede
stal. Verrekening ligt dan niet voor de hand, omdat de opeenvolging van
subsidies aan dezelfde ontvanger min of meer toeval is. Dat laat
onverlet dat, indien de aard van de projectsubsidie meebrengt dat
opeenvolging van subsidies aan dezelfde ontvanger geregeld voorkomt en
dus geen toeval is, de bijzondere subsidieregeling in een bevoegdheid
tot verrekening kan voorzien.
Vierde lid
Het vierde lid is, behoudens een redactionele aanpassing, gelijk aan het
huidige artikel 4:57, waarin de verjaring van de bevoegdheid om terug te
vorderen is geregeld.
Titel
4.4. Bestuursrechtelijke
geldschulden
Afdeling
4.4.1. Ontstaan
en inhoud van de verplichting tot betaling
Artikel 4.4.1.1
[4:85]
Eerste lid
Deze bepaling regelt de
reikwijdte van titel 4.4. In het algemeen deel van dit hoofdstuk van deze
toelichting is daaraan reeds aandacht besteed.
De
regeling is
vanzelfsprekend beperkt tot bestuursrechtelijke geldschulden. Op privaatrechtelijke
geldschulden is zij niet van toepassing, zoals ook in het algemeen
deel van dit hoofdstuk van deze toelichting is uiteengezet. Geldschulden
zijn bestuursrechtelijk van aard voor zover zij voortvloeien uit een
bestuursrechtelijk wettelijk voorschrift of uit een besluit. Om praktische
redenen is de hier voorgestelde regeling niet van toepassing op
geldschulden die voortvloeien uit besluiten die niet appellabel zijn. Dat het wettelijk
voorschrift bestuursrechtelijk van aard dient te zijn, betekent dat de geldschuld dient voort te vloeien uit een wettelijk
voorschrift dat een
verplichting tot betaling uitsluitend aan of door een bestuursorgaan regelt.
Bestuursrechtelijke
geldschulden die niet voortvloeien uit een daartoe strekkend
bestuursrechtelijk wettelijk voorschrift, maar slechts gebaseerd zijn op
een
buitenwettelijk besluit, kunnen een verschillende oorsprong rblz.|30|
hebben. De rechtspraak
laat daarvan verschillende voorbeelden zien. In de eerste plaats zijn er
besluiten die voortkomen uit een daaraan voorafgaand besluit en hun basis mede
vinden in een bestuursrechtelijk rechtsbeginsel. Te denken valt hierbij in
het bijzonder aan het zogeheten zelfstandige of zuivere schadebesluit
(o.a. ABRS 6 mei 1997, AB 1997, 229) en aan het buitenwettelijke terugvorderingsbesluit
(ABRS 21 oktober 1996,
496 en ABRS 26 augustus
1997, 461). Soms volstaat de rechter met de constatering dat het
besluit nauw samenhangt met een eerder besluit, dan wel binnen het kader van
de door een eerder besluit ontstane rechtsbetrekking blijft (o.a. CRvB
28 juli
1994, AB 1995, 133 en CBb 19 februari 1997, AB 1997, 144). De
Afdeling maakt in de genoemde jurisprudentie onderscheid tussen
schadebesluiten die wel en niet vatbaar zijn voor beroep. Zoals gezegd, is
titel 4.4 echter niet van toepassing op geldschulden die voortvloeien uit
besluiten die niet appellabel zijn.
In de tweede plaats zijn
er bestuursrechtelijke geldschulden die gebaseerd zijn op een algemeen bekendgemaakte beleidsregel. Ook na de opkomst
van de figuur van het
zelfstandig schadebesluit is de bestuursrechter schadebesluiten op grond
van een beleidsregel blijven accepteren (ABRS 3 april 2000, AB 2000,
222). In de derde plaats zijn er besluiten met een algemene
bestuursrechtelijke wettelijke grondslag. Zo vindt de bestuursrechter de rechtsgrond van een
besluit tot verstrekking van een financiële bijdrage wel in de
algemene publiekrechtelijke bevoegdheid van de gemeenteraad als bedoeld
in artikel 108 in samenhang met artikel 147, tweede lid, Gemeentewet
(ABRS
11 mei 1998, AB 1998, 298).
In het voorontwerp was de
reikwijdte van de voorgestelde regeling beperkt tot geldschulden
die voortvloeien uit een bestuursrechtelijk wettelijk voorschrift. In
verschillende reacties op het voorontwerp werd betreurd dat de regeling
aldus niet op andere bestuursrechtelijke geldschulden van toepassing zou zijn,
waarbij in het bijzonder de geldschulden die voortvloeien uit een
zelfstandig schadebesluit werden genoemd. Met het
bovenstaande wordt aan deze reacties tegemoet gekomen.
De regeling strekt zich
zowel uit tot schulden aan als tot schulden van een bestuursorgaan. Eén en
ander is in artikel 4.4.1.1 [4:85] tot uitdrukking gebracht door te spreken over
"geldschulden die voortvloeien uit een wettelijk voorschrift dat een
verplichting tot betaling uitsluitend aan of door een bestuursorgaan
regelt".
De grondslag van de betalingsverplichting dient derhalve te zijn gelegen
in een bestuursrechtelijk wettelijk voorschrift: een voorschrift dat een
verplichting tot betaling uitsluitend aan of door een bestuursorgaan regelt.
Kenmerk van een dergelijk voorschrift is dat (ten minste) steeds één van
beide partijen (schuldeiser of schuldenaar) een bestuursorgaan moet zijn.
Uiteraard is ook mogelijk dat het een betalingsverplichting tussen bestuursorganen
onderling betreft. Anders dan bij de subsidietitel het geval is (artikel
4:21, derde lid), is de nu voorgestelde titel
over het ontstaan en het
afwikkelen van betalingsverplichtingen eveneens op verhoudingen tussen
overheden van toepassing. Ook in deze verhoudingen is behoefte aan
dergelijke regels. Het eigen karakter van de financiële verhouding tussen
overheden zal naar verwachting voldoende tot uitdrukking kunnen komen
door gebruik te maken van de mogelijkheden die het wetsvoorstel
biedt om op bepaalde punten bij wettelijk voorschrift een andere regeling te
treffen, bijvoorbeeld ten aanzien van de verschuldigdheid van
wettelijke rente bij te late betaling (artikel
4.4.2.7 [4:103]).
De geldschulden waarover
de regeling gaat, zijn te verdelen in twee categorieën. De eerste categorie
omvat
de geldschulden die bij beschikking worden vastgesteld. Zowel
ingeval de overheid moet betalen als indien de burger dat moet doen, is
het geven van een beschikking vaak het uitgangspunt. Subsidies en uitkeringen plegen op basis van een beschikking
door de overheid te
worden betaald, terwijl aan de betaling van een belasting of een heffing
vaak ook een beschikking ten grondslag ligt. De tweede categorie omvat de
gevallen waarin de betalingsverplichting rblz.|31|
rechtstreeks uit een
wettelijk voorschrift voortvloeit. De verplichting is in die situaties niet
afhankelijk van een door een bestuursorgaan gegeven beschikking, maar
wordt
rechtstreeks veroorzaakt door een wettelijk voorschrift dat aan een bepaald feit
rechtsgevolgen verbindt. Indien zich dat feit voordoet, ontstaat
automatisch op grond van de wet een betalingsverplichting waarvan ook de omvang
door de wet wordt bepaald. Een besluit van een bestuursorgaan is voor het ontstaan van dat rechtsgevolg
niet nodig.
Een bekend voorbeeld van
deze categorie is de betaling van belastingen die op aangifte moeten
worden voldaan. Een ander voorbeeld vormen de les- en cursusgelden voor
zestien- tot achttienjarigen in het onderwijs die rechtstreeks op grond van
de Les- en
cursusgeldwet verschuldigd zijn en die betaald moeten worden
aan de Informatie Beheer Groep. Voor gemeentelijke belastingen
zoals leges kan op grond van artikel 233a Gemeentewet
in de
gemeentelijke belastingverordening worden bepaald dat moet worden betaald
op het moment dat mondeling kennis wordt gegeven van het op grond
van de verordening verschuldigde bedrag.
Ten aanzien van de in
artikel 8:41 en 8:82 Awb geregelde griffierechten
- een bijzondere categorie van
bestuursrechtelijke geldschulden - wordt opgemerkt dat deze niet onder de
voorgestelde regeling vallen. Aangezien de griffier die het
griffierecht heft van het begrip bestuursorgaan in de Awb
is uitgezonderd (artikel 1:1,
tweede lid, onderdeel g), is hier niet sprake van een wettelijk voorschrift dat
een verplichting tot betaling aan of door een bestuursorgaan regelt. De
uit het heffen van een griffierecht voortvloeiende betalingsverplichting zou
ook niet goed in te passen zijn in het stramien van het ontwerp.
Zo is bijvoorbeeld de sanctie op niet-tijdige betaling van het
griffierecht niet-ontvankelijkheid van het beroep.
Tweede lid
Het tweede lid bepaalt
dat titel 4.4 niet van toepassing is op verplichtingen tot betaling van een
geldsom voor het in behandeling nemen van een aanvraag (vaak leges
genoemd). Dit zijn bestuursrechtelijke geldschulden, die veelal uit een
wettelijk voorschrift voortvloeien. Ook deze geldschulden passen niet goed in het
stramien van titel 4.4. De sanctie op niet of niet tijdig betalen is
in deze gevallen dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Aan
bepalingen over verzuim, wettelijke rente en dwanginvordering bestaat
dan geen behoefte. Eventuele geschillen over de verschuldigdheid of de hoogte van de leges kunnen zo nodig aan de
orde worden gesteld in
bezwaar of beroep tegen het besluit op de aanvraag, dan wel een
besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen.
Derde lid
Het derde lid zondert
bestuursrechtelijke geldschulden die bij uitspraak van de bestuursrechter
worden vastgesteld uit. Deze uitspraken zijn in het huidige systeem, evenals
uitspraken van de burgerlijke rechter waarbij een geldschuld wordt
vastgesteld, terstond voor tenuitvoerlegging op de voet van Boek
II Rv vatbaar
(artikel 8:76 Awb). Overigens wordt in onderdeel BB
[onderdeel R, red.] van dit wetsvoorstel
een redactionele verduidelijking van het huidige artikel 8:76 voorgesteld,
waarvoor naar de toelichting op dat onderdeel wordt verwezen.
De uitzondering van het
derde lid betreft in het algemeen uitspraken die hun grondslag vinden in
hoofdstuk 8 Awb, zoals uitspraken tot vergoeding van schade, griffierecht
of proceskosten als geregeld in de artikelen
8:73, 8:74, 8:75 en
8:75a. De
uitzondering heeft geen betrekking op de gevallen waarin een bestuursrechter met toepassing van
artikel 8:72, vierde lid, dan
wel het voorgestelde
artikel 8:72a, zelf in de zaak voorziet door de inhoud rblz.|32|
van een financiële
beschikking bij zijn uitspraak te bepalen. In dat geval stelt hij niet een
verplichting tot betaling bij zijn uitspraak vast, maar bepaalt hij hoe het
bestuursorgaan had dienen te beslissen. De inning of betaling van deze
geldschulden door het bestuursorgaan behoort op dezelfde wijze te
geschieden als ingeval de beschikking door het bestuursorgaan aanstonds
op de
juiste
wijze was vastgesteld.
Artikel 4.4.1.2
[4:86]
Eerste lid
De
hoofdregel, neergelegd
in dit artikel, is dat een verplichting tot betaling eerst ontstaat nadat een
beschikking tot stand is gekomen. Dit geldt zowel voor gevallen waarin de
overheid moet betalen als voor gevallen waarin zij schuldeiser is.
Wanneer de burger moet
betalen, ligt het voor de hand dat hij eerst door middel van een
beschikking op de hoogte wordt gesteld van zijn verplichting. In de meeste gevallen kan
van de burger niet worden verlangd dat hij op grond van de wet alleen
weet dat hij een geldschuld heeft. Bovendien kan hij de hoogte van die
schuld zelf veelal niet vaststellen. Het bestuur zal dus in het algemeen
verplicht zijn om bij beschikking vast te stellen hoe hoog de schuld
precies is, voordat het aanspraak kan maken op betaling daarvan.
Ook bij betalingen door
de overheid behoort ter wille van de rechtszekerheid als regel een beschikking
vooraf te gaan aan de verplichting tot betaling. Men zou kunnen menen dat
van die hoofdregel bij betalingen door de overheid eerder kan
worden afgeweken dan bij betalingen aan de overheid: bestuursorganen
zullen beter dan de burgers de wet kennen en dus ook de daaruit
voortvloeiende betalingsverplichtingen. Zij zouden dus ook zonder beschikking
tot betaling kunnen overgaan. Maar omdat het bestuursorgaan toch
steeds een beslissing moet nemen om tot betaling over te gaan, en ook de
ontvanger op de hoogte moet stellen van de reden van betaling, wordt
meestal aangenomen dat aan iedere betaling een beschikking ten
grondslag moet liggen.
Door het geven van de
beschikking komt vast te staan wat de grondslag voor de betaling is en
welk bedrag betaald moet worden. Onduidelijkheid over de betaling wordt
daarmee vermeden, terwijl bij meningsverschil over de hoogte van de
betalingsverplichting de beschikking de grondslag voor een procedure bij de
bestuursrechter kan zijn. In de praktijk gaat dan ook aan de uitbetaling
van bijvoorbeeld een uitkering of subsidie bijna altijd een beschikking
vooraf. Artikel 4.4.1.4 [4:88] maakt overigens een uitzondering
op deze hoofdregel
mogelijk.
Tweede lid
In het tweede lid zijn
enkele elementen opgesomd die in ieder geval in de beschikking moeten zijn
vermeld. Het gaat dus zowel om beschikkingen op grond waarvan een
burger moet betalen als om beschikkingen die voor het bestuursorgaan
een plicht tot betaling met zich meebrengen. In de eerste plaats moet
vanzelfsprekend worden aangegeven hoeveel moet worden betaald. In een
enkel geval zal de betrokkene reeds uit anderen hoofde weten hoe hoog het
verschuldigde bedrag precies is, maar in de regel zal dat toch niet
het geval zijn. Onderdeel a verplicht om die reden tot uitdrukkelijke
vermelding van de te betalen geldsom. Bij periodieke betalingen door een
bestuursorgaan, zoals bijvoorbeeld socialezekerheidsuitkeringen,
zal naast het verschuldigde bedrag uiteraard ook een tijdvak moeten worden
genoemd.
In het socialezekerheidsrecht en het ambtenarenrecht kan de vraag rijzen of met "de te betalen
geldsom" een bruto dan wel een netto bedrag - dat wil zeggen zonder de
bedragen die het bestuursorgaan uit hoofde van rblz.|33|
andere wetten daarop moet
inhouden - wordt bedoeld. Het antwoord op deze vraag is voor de
praktijk met name van belang omdat het nettobedrag herhaaldelijk wijzigt als
gevolg van allerlei wijzigingen in de inhoudingsverplichtingen.
Het betreft hier de
interpretatie van de wetgeving waaruit de verplichting tot betaling voortvloeit.
Bij het betalen van salaris of van een uitkering zal de wet verplichten tot
het betalen van het bruto bedrag, zij het dat dit bedrag niet in zijn
geheel wordt betaald aan de ambtenaar of uitkeringsontvanger. Voor een deel
- namelijk voor zover bedragen moeten worden ingehouden - geschiedt
de betaling aan anderen, zoals aan de belastingdienst. De inhoudingen zullen
doorgaans ofwel rechtstreeks uit de wet voortvloeien, ofwel
berusten op een andere beschikking. Dit betekent dat de betalingsbeschikking
in ieder geval het brutobedrag moet vermelden. Dit neemt echter niet weg
dat wijziging van het nettobedrag een besluit kan inhouden. In
voorkomende gevallen dient dit bedrag te worden vermeld. Van het bestuursorgaan mag overigens worden verwacht dat het
toelicht welke
inhoudingen hebben plaatsgevonden. Het is vaste jurisprudentie dat aan elke betaling van
salaris of een uitkering een besluit tot zodanige betaling ten
grondslag ligt. Wanneer een (ander) geschrift van het bestuursorgaan waarin
de daartoe strekkende beslissing is neergelegd, ontbreekt, wordt een
dergelijke besluit zichtbaar in een salaris- of uitkeringsspecificatie.
De Centrale Raad van Beroep heeft overwogen dat indien bij een periodieke
betaling een wijziging ten opzichte van de vorige betaling optreedt, in
beginsel slechts sprake is van een besluit voor zover een beslissing is genomen
met betrekking tot de wijziging. Indien bij een gebruikelijke periodieke
betaling geen wijziging optreedt ten opzichte van de vorige betaling, is in
het algemeen geen sprake van een besluit. Dit laatste is alleen anders
indien en voor zover die niet-wijziging een weigering impliceert van een
besluit dat genomen had behoren te zijn (CRvB 1 maart 2001, NJB 2001,
blz. 1004; CRvB 24 mei 2002, AB 2002, 338).
Voorts ligt het voor de
hand in de beschikking te vermelden binnen welke termijn de betaling moet
geschieden. Onderdeel b voorziet daarin. In beginsel is deze termijn
blijkens artikel 4.4.1.3 [4:87] zes weken na bekendmaking. Uit datzelfde artikel
volgt evenwel dat bij of krachtens wettelijk voorschrift een andere termijn kan
worden bepaald. De betalingstermijn kan dus per geval
verschillen. Het is wenselijk om de betrokkene duidelijk te informeren over de
betalingstermijn die in dat concrete geval geldt. Wanneer de betalingstermijn niet is vermeld, kan dat reden zijn om een
termijnoverschrijding
verschoonbaar te achten. Voor zover dat laatste het geval is, is de
betrokkene niet in verzuim.
Niet is uitgesloten dat
de betalingstermijn na overleg met de schuldenaar wordt vastgesteld. Het
kan wenselijk zijn de schuldenaar de ruimte te geven een met redenen
omkleed voorstel voor een betalingsregeling te doen. Dat kan voorkomen
dat de schuldeiser nader onderzoek moet verrichten naar de
betalingsmogelijkheden die de betrokkene nog heeft, zoals het verrichten van
een inkomensonderzoek. Ook is het mogelijk eerst een (nadere)
betalingsregeling te treffen in de beschikking tot uitstel van betaling
(artikel 4.4.1.10 [4:94]).
Uiteraard kan het
bestuursorgaan in de beschikking tot betaling ook een datum vermelden
waarop uiterlijk betaald moet zijn. Bij het bepalen
daarvan dient rekening te
worden gehouden met de Algemene
termijnenwet, voor zover
deze althans niet is uitgezonderd, zoals in het belastingrecht voor bepaalde termijnen is gebeurd (artikel 9, tiende lid,
Invorderingswet
1990).
Toepasselijkheid van de Algemene termijnenwet houdt in dat een
betalingstermijn die op een zaterdag, zondag of een algemeen erkende feestdag
eindigt, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een
zaterdag, zondag of een algemeen erkende feestdag is.
rblz.|34|
Uit
de artikelen 3:46 en
3:47 vloeit reeds voort dat de burger moet weten waarom hij moet betalen
of geld ontvangt. De beschikking zal voor zover mogelijk het wettelijk
voorschrift moeten vermelden waarop de betalingsverplichting is gebaseerd. Indien de
verplichting gebaseerd is op een samenstel van bepalingen waarvan vermelding niet als zinvol mag
worden beschouwd, kan
volstaan worden met een globale aanduiding van de reden die aan de
betalingsverplichting ten grondslag ligt. Voorts volgt uit deze voorschriften dat niet kan worden volstaan met de enkele
vermelding van één of
meer wettelijke voorschriften indien de betrokkene alleen op grond van die
vermelding in redelijkheid niet geacht kan worden te weten waarom hij moet
betalen. In dat geval dient in aanvulling daarop ook de aard van de schuld
worden weergegeven.
De regeling schrijft niet
voor dat het bestuursorgaan ook de sanctie op niet-tijdige betaling in
de beschikking zou dienen te vermelden: het mag bekend worden
verondersteld dat men noch in het bestuursrecht, noch in het privaatrecht
straffeloos kan verzuimen tijdig te betalen. Voor het geval het tot meer ingrijpende
maatregelen komt, volgt wel uit de regeling van de aanmaning dat dan op
de
mogelijkheid van die maatregelen moet worden gewezen.
Een verplichting om te
vermelden op welke wijze de schuldenaar zijn schuld kan of zal
voldoen, is evenmin opgenomen. In de meeste gevallen zal dit geen enkel
probleem zijn. In de beschikking zal vaak standaard worden medegedeeld
op welk
bank- of gironummer betaling kan of zal plaatsvinden of wordt - indien het geldschulden aan de overheid betreft
- een acceptgiro
bijgesloten met behulp waarvan het bedrag kan worden overgemaakt.
Artikel 4.4.1.3
[4:87]
Eerste lid
Het eerste lid stelt als
hoofdregel de betalingstermijn voor schulden die op grond van een
beschikking betaald moeten worden op zes weken. Die termijn geldt zowel voor
schulden van als aan de overheid.
De lengte van de termijn
is daarmee gelijk aan die voor het instellen van bezwaar of beroep in
artikel 6:7. Ook het tijdstip van ingang van de termijn wordt in beginsel
op dezelfde wijze bepaald als bij de bezwaar- en beroepstermijn. In
aansluiting op artikel 6:8, eerste lid, wordt daartoe geregeld dat de
betalingstermijn gaat lopen nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is
bekendgemaakt.
Het voordeel van
eenzelfde termijn voor betaling en voor bezwaar en beroep is dat de regeling
voor de betrokkenen eenvoudiger is: men zal zich minder snel in de
termijn vergissen. Indien het gaat om een schuld die de burger moet
betalen, is voorts nog een voordeel dat het verrichten van de betaling en het
beslissen over de vraag of men bezwaar of beroep wil instellen binnen
dezelfde termijn moet geschieden.
Omdat bezwaar en beroep volgens de hoofdregel van artikel 6:16 geen schorsende werking
hebben, blijft ook bij instelling van bezwaar of beroep de verplichting tot
betaling bestaan. Het renteverlies dat voor de burger kan optreden wanneer hij
eerst betaalt en vervolgens na bezwaar of beroep in het gelijk wordt gesteld, moet het bestuursorgaan echter
vergoeden ingevolge
artikel 4.4.2.6 [4:90]. Indien de belanghebbende betaling in afwachting van de
beslissing over het bezwaar of het beroep toch bezwaarlijk vindt, kan
hij het bestuursorgaan om uitstel verzoeken. Eventueel kan de rechter de
beschikking schorsen.
De hoofdregel gaat ervan
uit dat de betalingstermijn gaat lopen op het moment van de
bekendmaking van de beschikking. Dat is echter niet altijd de bedoeling. Soms volgt
uit de wettelijke regeling dat er met ingang van een bepaalde datum een
aanspraak bestaat. Men denke aan leeftijdgebonden rblz.|35|
aanspraken van
burgers. Ook kan bij de verstrekking van een overbruggingskrediet of
een voorschot bepaald zijn dat terugbetaling eerst na een bepaalde
datum behoeft te geschieden. Het behoort in die gevallen mogelijk te zijn
om de beschikking die de betalingsverplichting vaststelt op een eerder
tijdstip te geven, bijvoorbeeld indien een leeftijdgebonden uitkering ruim tevoren
wordt aangevraagd. De betalingstermijn behoort dan echter op het
door de wet aangegeven tijdstip in te gaan. Om die reden opent artikel
4.4.1.3 [4:87], eerste lid, de mogelijkheid om in de beschikking te bepalen
dat de betalingstermijn op een later tijdstip ingaat. De betaling moet binnen
de gestelde termijn geschieden. Bij overschrijving op een bank- of girorekening betekent dit, overeenkomstig hetgeen
ook in het privaatrecht
geldt, dat tijdig is betaald indien het verschuldigde bedrag binnen de termijn
op de rekening van de schuldeiser is bijgeschreven. Indien niet tijdig is
betaald, treedt verzuim in met als gevolg dat de wettelijke rente
verschuldigd wordt, zoals geregeld in artikel
4.4.2.2 [4:98]. Is het bestuursorgaan
schuldeiser, dan zal het na het intreden van verzuim in beginsel een aanmaning
zenden en vervolgens verdere invorderingsmaatregelen kunnen treffen.
Tweede lid
Ingevolge het tweede lid
bestaat de mogelijkheid om in afwijking van de termijn van zes weken bij
wettelijk voorschrift een andere regeling te treffen. Daartoe kan
aanleiding bestaan indien de termijn van zes weken als te kort moet worden
beschouwd. Denkbaar is ook dat de termijn van zes weken te lang is, al
zal voor een verkorting meestal minder reden bestaan dan voor een
verlenging. Onder omstandigheden kan een schuld zelfs direct invorderbaar
worden verklaard, dat wil zeggen zonder betalingstermijn (vgl. artikel 10
Invorderingswet
1990). Soms is ook een betaling in termijnen aangewezen;
dit komt bijvoorbeeld in het belastingrecht veelvuldig voor.
Ook bij betaling door een
bestuursorgaan komen termijnregelingen voor, zoals in artikel 4:53
voor subsidies het geval is. Bij lonen en uitkeringen heeft de rechter -
bij
gebreke van een bepaling omtrent de betalingstermijn in de bijzondere wet
- aangenomen dat deze uiterlijk op de laatste dag van de desbetreffende
maand dienen te worden betaald (o.a. CRvB
9 januari 1996, JB 1996,
36). Bij betalingen aan een bestuursorgaan kan het bestuursorgaan door
het verlenen van uitstel van betaling voor gedeelten van het te
betalen bedrag ook een termijnregeling treffen. Gaat het om een algemeen
toegepaste gedragslijn, dan verdient het uit een oogpunt van
rechtszekerheid de voorkeur een dergelijke regeling in een wettelijk voorschrift
op te nemen.
Krachtens artikel 4.4.1.2
[4:86] zal de beschikking steeds moeten vermelden binnen welke termijn
betaald moet worden, dus zowel in de gevallen waarin de hoofdregel van
toepassing is als in de gevallen waarin die termijn afwijkt van de
hoofdregel (zes weken na bekendmaking).
Artikel 4.4.1.4
[4:88]
Eerste lid
Dit artikel geeft de
mogelijkheid om bij wettelijk voorschrift af te wijken van de regel dat een
verplichting tot betaling moet berusten op een beschikking. Voor een
aantal belangrijke geldschulden, met name voor geldschulden die met
grote regelmaat moeten worden betaald, ligt het voor de hand dat niet
iedere keer een beschikking moet worden gegeven. Dit komt met name voor
wanneer het gaat om schulden aan de overheid. Men denke aan belastingen
als de omzetbelasting of aan premies of belastingen die door werkgevers verschuldigd zijn. In veel van die
gevallen kan de hoogte
van het te betalen bedrag in eerste instantie beter rblz.|36|
door de schuldenaar dan
door het bestuursorgaan worden vastgesteld, en vindt de betaling ook
geautomatiseerd plaats.
Evenals bij betalingen
aan een bestuursorgaan kan het bij veel voorkomende of regelmatige betalingen
door een bestuursorgaan weinig doelmatig zijn om steeds een
beschikking in de daarvoor vereiste vorm te verlangen. Om die reden
is in een aantal wetten op het gebied van de sociale zekerheid een
specifieke regeling opgenomen om "vereenvoudigde" beschikkingen te
kunnen geven. Deze regeling ziet op beschikkingen die "min of meer
automatisch" worden gegeven en waarover in de praktijk zelden of nooit
problemen ontstaan. In de kern komt de vereenvoudiging erop neer dat de
beschikking ofwel niet behoeft te worden bekendgemaakt, ofwel op andere dan de
op in artikel 3:41 Awb voorgeschreven wijze kan worden
bekendgemaakt. In de praktijk betekent dit laatste veelal dat de bekendmaking
plaatsvindt door bijschrijving van het (gewijzigde) bedrag op een bank- of
girorekening van de betrokkene. Om duidelijkheid te verschaffen over de
wijze waarop beroep tegen een niet-bekendgemaakte beslissing moet worden
ingesteld, is in de desbetreffende wetten bepaald dat de betrokkene
alsnog binnen redelijke termijn om de bekendmaking van de beschikking kan
vragen, waarna op de gebruikelijke wijze bezwaar en beroep kan
worden ingesteld (zie o.m. artikel 22, derde en vierde lid,
Werkloosheidswet). Deze regelingen doen nogal gekunsteld aan. Het is eenvoudiger
en doorzichtiger om in deze gevallen te bepalen dat betaald kan worden
zonder dat een beschikking voorafgaat. Het hierna te bespreken derde lid
zorgt ervoor dat daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de bestaande
mogelijkheden tot rechtsbescherming.
Tweede lid
Het wettelijk voorschrift
dat tot directe betaling zonder voorafgaande beschikking verplicht, zal
uiteraard moeten vaststellen binnen welke termijn moet worden
betaald. Dat wordt dan ook in het tweede lid voorgeschreven. Zo zal de wet bij
aangifteregelingen vaak bepalen dat binnen een bepaald aantal weken
na aangifte betaling moet hebben plaatsgevonden. Een uniforme termijn valt
daarvoor niet te geven: dit is sterk afhankelijk van de
betrokken materie. In sommige andere wettelijke bepalingen wordt geen termijn vanaf
een bepaald tijdstip vermeld, maar wordt aangegeven dat vóór een
bepaald ogenblik moet worden betaald, bijvoorbeeld vóór 1
januari of vóór het eind van een bepaalde maand.
Derde lid
Het derde lid geeft een
speciale regel voor het geval betaling door een bestuursorgaan zonder voorafgaande beschikking mogelijk is gemaakt.
Een gevolg van het
achterwege laten van een beschikking is dat onzekerheid kan ontstaan over de
juistheid van de betaling, terwijl ook een besluit waartegen een eventuele
procedure zich zou kunnen richten, ontbreekt. Met het oog daarop wordt
in het derde lid bepaald dat de belanghebbende binnen redelijke termijn
kan vragen om een beschikking. Hij kan dit zowel doen indien hij een
betaling heeft ontvangen als indien hij die (nog) niet heeft ontvangen, wellicht omdat het bestuursorgaan meent dat het in
het geheel niets
verschuldigd is. Van het bestuursorgaan mag worden verlangd dat het deze
beschikking zo spoedig mogelijk afgeeft. De bezwaar- of
beroepstermijn gaat op de gebruikelijke wijze in nadat de beschikking op
de
voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Deze regeling is niet
nodig voor het geval de burger moet betalen: voor dergelijke gevallen
pleegt op andere wijze in de mogelijkheid tot rechtsbescherming te worden voorzien. Zo
opent artikel 24 van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen de mogelijkheid bezwaar te maken tegen het bedrag dat als belasting op
eigen aangifte is voldaan of afgedragen, of door bijvoorbeeld de
werkgever van hem is ingehouden. Voor gemeentelijke rblz.|37|
belastingen, zoals
leges, waarbij in sommige gevallen moet worden betaald op het moment dat
mondeling van de belastingschuld wordt kennisgegeven, biedt artikel 233a
Gemeentewet een voorziening.
Artikel 4.4.1.5
[4:89]
Eerste lid
Hoofdregel is dat de
schuldenaar giraal betaalt, bijvoorbeeld door storting of overschrijving
op een
bankrekening. Aan dergelijke betalingen zijn de minste kosten verbonden
en zij leveren het minste risico van misbruik op. Girale betalingen zijn
inmiddels volledig geaccepteerd. Het bestuursrecht gaat daarom uit van
girale betaling. In het BW
is chartale betaling nog wel het uitgangspunt, doch is
de debiteur ingevolge artikel 6:114, eerste lid, in beginsel tot girale
betaling bevoegd. De schuldeiser kan de schuldenaar tot girale betaling
verplichten door zijn bankinstelling als plaats van betaling aan te wijzen.
Betaling
dient te geschieden op een daartoe bestemde rekening ten name van de
schuldeiser. De geldschuld is daarmee, net als in het BW
(artikel 6:116,
eerste lid) een brengschuld. Van het bestuursorgaan mag worden verlangd dat
het duidelijk maakt, bijvoorbeeld in de beschikking waarbij de verplichting tot betaling wordt vastgesteld, op
welk rekeningnummer de
betaling dient te geschieden, omdat soms nogal wat verschillende
bestuursorganen tot eenzelfde rechtspersoon behoren. Om die reden spreekt het
eerste lid van een "daartoe door de schuldeiser bestemde" rekening.
Bij wettelijk voorschrift
kan anders worden bepaald. Dit is bijvoorbeeld voor betalingen tussen bestuursorganen onderling gebeurd in het
Koninklijk Besluit van
28 maart 1925, Stb. 1925,
125 ("Rijksverrekening"), op grond waarvan in opdracht van het Rijk op
naam van elke gemeente bankrekeningen zijn geopend. Aangezien deze
rekeningen in opdracht van het Rijk zijn geopend, berust de zeggenschap
daarover, hoewel zij op naam van een gemeente staan,
formeel bij het Rijk. Dit betekent dat het Rijk voor het crediteren en debiteren
van deze rekeningen geen machtiging van de gemeente behoeft. Het is
gezien het omvangrijke betalingsverkeer tussen Rijk en gemeenten om
doelmatigheidsredenen niet gewenst dat het de gemeenten en provincies
vrij zou staan voor deze betalingen een andere bankrekening te bestemmen.
Tweede lid
In het tweede lid is als
hoofdregel bepaald dat betalingen plaatsvinden in euro's. Aangezien
geldschulden brengschulden zijn, is deze regel in het bijzonder van belang
indien de wederpartij van het bestuursorgaan is gevestigd in een land
waar de euro geen wettig betaalmiddel is. De ratio van deze regel is dat in
het bestuursrechtelijk betalingsverkeer de plaats van vestiging in beginsel
tot de risicosfeer van de wederpartij van het bestuursorgaan behoort. Op
deze hoofdregel kan een uitzondering worden gemaakt. Het
bestuursorgaan is hiertoe ook bevoegd indien deze uitzondering geen
grondslag heeft in een wettelijk voorschrift. Aan een uitzondering kan
bijvoorbeeld behoefte bestaan in het geval dat het ook voor het bestuursorgaan
aantrekkelijker is de betaling in lokale valuta te voldoen. In de internationale betalingspraktijk is betaling in andere valuta
in bepaalde gevallen
goedkoper, in het bijzonder indien het om meer omvangrijke of
kwantitatief veel voorkomende betalingen gaat. Voorts is het wenselijk een
uitzondering op deze regel te kunnen maken voor betalingen aan een Nederlands
bestuursorgaan dat (mede) buiten Europa is gevestigd (bijvoorbeeld op
ambassades of consulaten).
rblz.|38|
Derde lid
Het derde lid bepaalt,
overeenkomstig artikel 6:114, tweede lid, BW, dat bij bijschrijving op
de
rekening als tijdstip van betaling geldt het moment waarop de rekening van de
schuldeiser wordt gecrediteerd. Eerst dan kan de schuldeiser of de
ingevolgde het vierde lid bij wettelijk voorschrift aangewezen andere persoon
immers over het geld beschikken.
Vierde lid
Sommige wettelijke
regelingen kennen de mogelijkheid dat aan een ander dan de schuldeiser wordt
uitbetaald, zoals bijvoorbeeld het geval is in de artikelen 75 en
76 van de
Algemene bijstandswet. Het vierde lid voorziet hierin. Het vierde lid
derogeert niet aan de bepalingen over volmacht van titel 3.3 BW. Op
grond van
de schakelbepaling van artikel 3:79 BW
gelden deze bepalingen ook in
bestuursrechtelijke verhoudingen. Het is dus bijvoorbeeld mogelijk dat
in de executiefase - rechtsgeldig -
wordt betaald aan een
deurwaarder die door de schuldeiser gemachtigd is de betaling in ontvangst te
nemen.
Artikel 4.4.1.6
[4:90]
Eerste lid
In sommige situaties is
girale betaling bezwaarlijk en daarom minder geschikt. Deze bepaling
maakt in zulke gevallen mogelijk dat het bestuursorgaan, in afwijking van de
hoofdregel, betaling in een andere vorm verricht dan wel
ontvangt. Het bestuursorgaan beoordeelt of de girale betaling bezwaarlijk is.
Betaling kan dan bijvoorbeeld geschieden met contant geld, door middel
van een cheque of met een chippas (zoals bij parkeergeld).
Overeenkomstig het bepaalde in artikel
4.4.1.5 [4:89], tweede lid, vindt betaling
in
beginsel plaats in euro's.
Bij betalingen door de
overheid kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de uitbetaling in contant
geld van bijstand aan personen zonder vaste woon- of verblijfplaats. In het
algemeen zal betaling door middel van contant geld voor de overheid al
gauw bezwaarlijk zijn, gelet op de rentederving als gevolg van het aanhouden van contant geld en vanwege de risico’s
van verlies en diefstal
die de fysieke bewaring, aanvulling en afstorting van contant geld met zich
brengen. In dat verband zij ook verwezen naar de voor de ministeries
geldende regeling in het Besluit Kasbeheer 1998. Bij betalingen aan de
overheid kan men denken aan situaties waarin de overheid, ter voorkoming
van invorderingsproblemen, terstond betaling verlangt, bijvoorbeeld
bij de voldoening van een boete. In dergelijke gevallen kan met girale
betaling - bijschrijving op de rekening van het desbetreffende
bestuursorgaan - al gauw een paar dagen gemoeid zijn, hetgeen vanzelfsprekend
bezwaarlijk kan zijn.
Tweede lid
Ingevolge het tweede lid
is de schuldeiser verplicht - behoudens anders luidend wettelijk
voorschrift - om bij contante betaling een kwitantie af te geven. Voor betalingen in
contant geld is aldus aangesloten bij artikel 6:48, eerste lid, BW.
Artikel 6:47, tweede lid, BW, dat de kosten daarvan bij de schuldenaar legt,
is
niet overgenomen. Veelal zal het bestuursorgaan de kwitantie afgeven.
Gezien het zeer geringe bedrag is het niet doelmatig dit in rekening te
brengen.
rblz.|39|
Artikel 4.4.1.7
[4:91]
Eerste lid
Het
eerste lid komt
overeen met artikel 6:47, eerste lid, BW. Hoofdregel is, overeenkomstig het
privaatrecht, dat de kosten van betaling voor rekening komen van de schuldenaar
(degene die de betaling verricht). Bij betalingen aan de overheid staat
deze regel er vanzelfsprekend niet aan in de weg dat het
bestuursorgaan de kosten van betaling voor zijn rekening neemt. Overigens zijn de
kosten van het binnenlands betalingsverkeer doorgaans gering of
nihil. Maar aan een grensoverschrijdende betaling zijn in het algemeen
hogere kosten verbonden. Het betreft onder meer porto- en bankkosten.
Tweede lid
Betalingen door en aan
Nederlandse bestuursorganen vinden hun grond doorgaans in binnen
Nederland gesitueerde rechtsverhoudingen. Indien de wederpartij van een
bestuursorgaan zich buiten Nederland vestigt, ligt het niet voor de hand dat
het bestuursorgaan daarvan de kosten moet dragen, aangezien in het
bestuursrechtelijke betalingsverkeer de plaats van vestiging in beginsel
in de risicosfeer van de wederpartij ligt. Dat zou het geval zijn indien de
regel van het eerste lid zou gelden. Daarom is in het tweede lid voor
betalingen die buiten de Europese Unie geschieden, bepaald dat de kosten op
de betaling in mindering kunnen worden gebracht. Aangezien
geldschulden brengschulden zijn, geldt voor betalingen vanuit het buitenland aan
bestuursorganen in Nederland het eerste lid: de kosten komen voor rekening van de schuldenaar. Degene die in het
buitenland aan de
consequenties van het tweede lid wil ontkomen, kan een rekening binnen
Nederland als betaaladres aanwijzen, zij het dat ook daaraan bepaalde kosten
kunnen zijn verbonden, met name om daarvan vanuit het buitenland
gebruik te kunnen maken. Om redenen van praktische aard - betalingen
binnen de Europese Unie zijn minder kostbaar - en Europeesrechtelijke aard
geldt het tweede lid uitsluitend voor betalingen buiten de Europese Unie.
Door de SER (Bestuurskamer) [SER: Sociaal-Economische
Raad, red.] is de vraag opgeworpen of een dergelijk
onderscheid tussen betalingen binnen en buiten de Europese Unie wel
geoorloofd is, in het bijzonder in het licht van de akkoorden van de Wereld
Handelsorganisatie (WTO). De WTO laat echter ruimte voor
uitzonderingen op haar principes wanneer een regio een vrij handelsverdrag heeft
gesloten, zoals in de Europese Unie.
Bij wettelijk voorschrift
kan een uitzondering op het tweede lid worden gemaakt. Onder een
wettelijk voorschrift zijn ook te verstaan de bepalingen van verdragen en
besluiten van volkenrechtelijke organisaties die naar hun inhoud een ieder
kunnen verbinden (vgl. artikel 93 van de
Grondwet). In dit verband
valt in het bijzonder te denken aan verdragen die erin voorzien dat de
betaling van uitkeringen plaatsvindt zonder dat daarvoor kosten in
rekening worden gebracht.
Artikel 4.4.1.8
[4:92]
Eerste lid
Indien de schuldenaar
eerst na het verstrijken van de reguliere betalingstermijn betaalt, kan het
verschuldigde bedrag inmiddels zijn opgelopen met eventuele aanmanings-
en invorderingskosten, alsmede wettelijke rente. In die situatie
kan vervolgens onduidelijkheid ontstaan als de schuldenaar het verschuldigde bedrag
niet volledig betaalt. Indien niet de volgorde vaststaat aan welke
posten de betaling achtereenvolgens moet rblz.|40|
worden toegerekend, kan
ook niet worden bepaald welk bestanddeel van de schuld al dan niet
volledig is voldaan.
Uit een oogpunt van
rechtszekerheid wordt daarom uitdrukkelijk in de wet bepaald welke volgorde
van toerekening geldt. Daarbij is aangesloten bij Boek
6 BW. Krachtens
artikel 6:44, eerste lid, BW
geldt dat betaling van een op een bepaalde
verbintenis toe te rekenen geldsom in de eerste plaats strekt in mindering van de kosten, vervolgens in mindering van de
verschenen rente en ten
slotte in mindering van de hoofdsom en de lopende rente. Onder
verschenen rente wordt de reeds vervallen, opeisbare rente verstaan. Onder
lopende rente wordt verstaan de sinds de vorige vervaldatum van de
rente weer ontstane en geleidelijk aangegroeide, maar nog niet opeisbare
rente. Door deze volgorde in artikel 4.4.1.8
[4:92] over te nemen,
geldt zij ook voor de bestuursrechtelijke geldschulden die onder de reikwijdte
van het wetsvoorstel vallen.
In de praktijk betekent
dit dat betaling allereerst strekt tot betaling van de mogelijk berekende
aanmanings- en/of executiekosten. Daaronder vallen bij schulden aan de
overheid de aanmaningsvergoeding en de kosten van het dwangbevel die op
grond van de artikelen 4.4.4.1.2
[4:113] en
4.4.4.2.7 [4:120] in rekening kunnen worden
gebracht, alsmede de executiekosten. Vervolgens wordt de verschuldigde
wettelijke rente van artikel 4.4.2.2
[4:98] in mindering gebracht
voor zover deze
opeisbaar is. Indien bovengenoemde posten zijn voldaan, wordt ten slotte het resterende bedrag dat is betaald afgetrokken van de verschuldigde
hoofdsom en daarna van de nog niet opeisbare rente.
In artikel 13 van het
Besluit Tica inzake betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en
onverschuldigd betaalde uitkering is een afwijkende regeling van toerekening
van betalingen neergelegd. Daarbij wordt een betaling in eerste
instantie toegerekend aan een verschuldigde boete, tenzij de schuldenaar een
andere vordering aanwijst. Het opleggen van een boete gaat in de
sociale zekerheid veelal gepaard met de terugvordering van te veel of ten
onrechte betaalde uitkering. Omdat de terugvordering als zodanig niet kan
worden beschouwd als een sanctie, wordt het wenselijk geacht de sanctie van de boete zo snel mogelijk te effectueren
om het gedrag van de
schuldenaar te bestraffen. Om die reden dient de boete in de socialezekerheidswetten in tegenstelling tot andere vorderingen reeds in één jaar te
worden voldaan en wordt een betaling ter voldoening van een
geldschuld in eerste instantie aan de verschuldigde boete toegerekend. De
achtergrond van deze regeling geldt specifiek de sociale zekerheid en kan
niet ten grondslag worden gelegd aan de algemene regeling die artikel
4.4.1.8 [4:92] beoogd te zijn.
Het belastingrecht kent
in artikel 7 Invorderingswet
1990 een meer gedetailleerde regeling voor de
toerekening van betalingen. Deze zal in aanvulling op artikel 4.4.1.8
[4:92] voor
het belastingrecht worden gehandhaafd, omdat zij daar in een behoefte
voorziet. Voor het overige bestuursrecht volstaat de regeling van artikel
4.4.1.8 [4:92].
Tweede lid
Ingevolge het tweede lid
kan de schuldenaar die verschillende geldschulden bij hetzelfde bestuursorgaan
heeft bij de betaling aangeven ter
voldoening van welke
geldschuld zijn betaling geschiedt. Op deze wijze kan hij voorkomen dat de
betaling wordt toegerekend aan een geldschuld die hij nog betwist. Dit
voorschrift is ontleend aan de hoofdregel die in artikel 6:43, eerste lid,
BW ten aanzien van de toerekening van privaatrechtelijke geldschulden is
neergelegd.
rblz.|41|
Artikel 4.4.1.9
[4:93]
Eerste lid
Door verrekening gaat de
geldschuld teniet. Ingevolge het BW
(artikel 6:127, tweede lid) heeft een schuldenaar de bevoegdheid tot verrekening
wanneer hij een prestatie
heeft te vorderen van dezelfde wederpartij en die prestatie beantwoordt
aan zijn schuld. Voorts is vereist dat de schuldenaar zowel bevoegd is de
schuld te betalen als de betaling van zijn vordering af te dwingen. Voor
verrekening is geen executoriale titel noodzakelijk.
In het eerste lid is
bepaald dat verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering
slechts geschiedt voor zover in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk
voorschrift is voorzien. Er zijn vele bestuursrechtelijke wettelijke voorschriften
die de bevoegdheid tot verrekening toekennen. Voorbeelden daarvan zijn
onder meer te vinden in artikel 24 Invorderingswet
1990 dat
de ontvanger de bevoegdheid verschaft rijksbelastingen en andere belastingen en
heffingen met elkaar te verrekenen en in artikel 7.4 Wet
studiefinanciering 2000 dat de bevoegdheid toekent te veel toegekende en
uitbetaalde studiefinanciering te verrekenen.
Voor de socialezekerheidswetgeving valt in het bijzonder ook te wijzen op de veel voorkomende
voorziening om een in dat kader opgelegde bestuurlijke boete ten uitvoer te
leggen door verrekening met de uitkering of het pensioen, men zie
bijvoorbeeld artikel 14f Algemene bijstandswet en
artikel 17i Algemene
Ouderdomswet. Voor de financiële verhouding tussen Rijk en gemeenten
valt te wijzen op het (niet op een wettelijke grondslag gebaseerde) Koninklijk
Besluit van 28 maart 1925, Stb. 1925, 125, waarin is bepaald dat betalingen
van het Rijk aan de gemeenten en van de gemeenten aan het Rijk, voor
zover zij door de Minister van Financiën daartoe zijn aangewezen,
geschieden door vorderingen en schulden over en weer te vereffenen.
De publiekrechtelijke
taken die door verschillende bestuursorganen binnen één en hetzelfde
openbaar lichaam worden uitgeoefend, lopen in zodanige mate uiteen dat
het in algemene zin toestaan van verrekening van met die taken
samenhangende geldvorderingen - zonder daaraan nadere beperkingen te
stellen - in beginsel ongewenst is. Het is om die reden van belang dat
verrekening slechts kan plaatsvinden indien daarvoor in bijzondere wetgeving
een voorziening is getroffen. In het algemeen deel van dit hoofdstuk
van deze toelichting is reeds uiteengezet dat de regels inzake
verrekening uit het BW
daarom minder geschikt zijn om in publiekrechtelijke
verhoudingen te worden toegepast. Derhalve wordt hier afstand genomen van
de jurisprudentie van de Hoge Raad waarin de regels inzake verrekening
uit het BW in beginsel ook op bestuursrechtelijke geldschulden van
toepassing worden geacht (HR 28 mei 1993, NJ 1994, 435).
Tweede lid
Het tweede lid heeft
betrekking op de terugwerkende kracht. Voor de terugwerkende kracht van
de verrekening wordt aangesloten bij het privaatrecht. De
verrekening werkt terug tot het tijdstip waarop de bevoegdheid tot
verrekening is ontstaan. Is over een vordering reeds opeisbare rente betaald,
dan werkt de verrekening niet verder terug dan tot het einde van de
laatste termijn waarover rente is voldaan.
Derde lid
Het derde lid heeft
betrekking op de verrekeningsvrije voet. Evenals in het privaatrecht geldt dat
verrekening niet is toegestaan voor zover beslag op de vordering van de
wederpartij niet geldig zou zijn. De beslagvrije voet is rblz.|42|
dus niet vatbaar voor
verrekening. Volledigheidshalve zij erop gewezen dat ingevolge artikel
4.4.3.5 [4:108] juncto 4.4.3.6
[4:209] de bevoegdheid tot verrekening van de schuldeiser van het
bestuursorgaan niet eindigt door verjaring van de rechtsvordering, tenzij
de schuldeiser van het bestuursorgaan zelf een bestuursorgaan is.
Artikel 4.4.1.10
[4:94]
Eerste en
tweede lid
In de praktijk kunnen
zich situaties voordoen waarin de schuldenaar van een bestuursorgaan de verschuldigde geldsom niet binnen de gestelde
termijn kan voldoen en
betaling van hem ook in redelijkheid niet kan worden gevergd. In
dergelijke situaties biedt het onderhavige artikel de mogelijkheid voor het
bestuursorgaan om bij beschikking uitstel van betaling te verlenen. De
betekenis daarvan is dat de schuldenaar wordt toegestaan de
verschuldigde geldsom later dan de in de wet gestelde termijn te betalen, zodat
maatregelen om hem overeenkomstig afdeling 4.4.4 tot betaling aan te manen of te dwingen niet kunnen worden
getroffen ofwel - indien de dwanginvordering reeds is aangevangen - worden opgeschort. Dit is
in het tweede lid tot uitdrukking gebracht.
Opmerking verdient dat de
bevoegdheid tot verrekening in het tweede lid niet is genoemd en
derhalve (voor zover zij aanwezig is) blijft bestaan. Dit ligt ook voor de hand
omdat er tegenover de schuld aan het bestuursorgaan dan tevens een vordering
op datzelfde bestuursorgaan bestaat. Ook kan het bestuursorgaan gedurende het uitstel natuurlijk wel vrijwillige
(deel)betalingen in
ontvangst nemen. Slechts de aanmaning en de dwanginvordering zijn
uitgesloten. Het begrip "invorderen" heeft hier dus een beperktere betekenis
dan in de Invorderingswet
1990.
Om zeker te stellen dat
het bestuursorgaan geen uitstel aan zichzelf - als schuldenaar - verleent,
wordt in het eerste lid uitdrukkelijk bepaald dat het uitstel uitsluitend aan
de wederpartij van het bestuursorgaan kan worden verleend.
Uitstel van betaling
betekent overigens niet dat de wettelijke rente niet gaat lopen of niet
doorloopt. Over de termijn van uitstel blijft in beginsel wettelijke rente
verschuldigd, aangezien het verzuim is ingetreden. De schuldenaar is immers
overeenkomstig artikel 4.4.2.1
[4:97] in verzuim wanneer hij niet binnen de
reguliere termijn heeft betaald. Wanneer het desalniettemin niet de bedoeling is dat
de wettelijke rente gedurende het uitstel doorloopt, kan het
bestuursorgaan op grond van artikel 4.4.2.5
[4:101] in de beschikking anders bepalen.
Uitstel van betaling,
alsmede de weigering om desgevraagd uitstel te verlenen, zijn
beschikkingen waartegen bezwaar en beroep openstaan. Overigens zal het niet
altijd om een afzonderlijke beschikking gaan; ook bij de beschikking waarbij de
verplichting tot betaling wordt vastgesteld, kan een beslissing omtrent
uitstel zijn opgenomen.
De bepaling bevat geen
antwoord op de vraag wanneer uitstel van betaling moet worden verleend. De
omstandigheden die uitstel van betaling kunnen rechtvaardigen,
zijn zo divers dat regeling daarvan in de
Awb
niet mogelijk is. Niet
uitgesloten is bijvoorbeeld dat het bestuursorgaan uitstel van betaling verleent
om
de belanghebbende de gelegenheid te geven de periode van bezwaar en
beroep te kunnen overbruggen. Dit kan wenselijk zijn aangezien volgens de
hoofdregel van artikel 6:16 bezwaar en beroep geen schorsende werking
hebben.
Derde lid
In het derde lid is
bepaald dat de beschikking tot uitstel van betaling de termijn vermeldt waarvoor
het uitstel geldt. Het is van essentieel belang rblz.|43|
dat de schuldenaar die
uitstel heeft verkregen, weet wanneer de schuld dan wel moet worden
voldaan. De termijn kan wel afhankelijk worden gesteld van een toekomstige gebeurtenis. In het belastingrecht komt het
bijvoorbeeld nogal eens
voor dat de ontvanger uitstel verleent totdat de inspecteur op een
bezwaarschrift heeft beslist. Een dergelijke termijnstelling is niet bezwaarlijk, want
zij schept voor de schuldenaar voldoende duidelijkheid.
Vierde lid
Op grond van het vierde
lid kan het bestuursorgaan aan het uitstel van betaling voorschriften
verbinden. Met name in het geval waarin langdurig uitstel is verleend voor
grote bedragen is dit gewenst. De voorschriften kunnen behelzen dat de
schuld in verschillende termijnen wordt voldaan of dat zekerheid voor de
betaling moet worden gesteld. Het vierde lid biedt dus tevens de
mogelijkheid een betalingsregeling te treffen. Dit sluit echter niet uit dat reeds
in de beschikking waarin de betalingsplicht wordt vastgesteld een
betalingsregeling wordt getroffen.
Artikel 4.4.1.11
[4:95]
Eerste lid
Dit artikel geeft het
bestuursorgaan de mogelijkheid een voorschot te verlenen indien
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een verplichting tot betaling zal worden
vastgesteld.
De mogelijkheid van
voorschotverlening komt op veel terreinen in de wetgeving voor. Bij een betalingsverplichting van de overheid kan bijvoorbeeld
worden gedacht aan de
bevoegdheid van burgemeester en wethouders om, indien de noodzaak
daartoe aannemelijk is, bij wijze van voorschot bijstand te verlenen in
de vorm van een renteloze geldlening. Anderzijds ontbreekt soms
de mogelijkheid om een voorschot te verlenen en wordt dit in de
praktijk wel als een gemis beschouwd (bijvoorbeeld bij artikel 49 WRO [Wet
op de Ruimtelijke Ordening, red.]). Door het
verlenen van een voorschot kan het bestuursorgaan de wettelijke rente, die
onderdeel uitmaakt van de schadeberekening, beperken (zie ook de
toelichting op artikel 4.4.2.2). In VzABRS
18 november 1997, AB
1998, 60, oordeelde de Voorzitter van de Afdeling
bestuursrechtspraak zelfs dat het (zelfstandige) schadebesluit onrechtmatig was om de
enkele reden dat de regeling waarop het gebaseerd was geen mogelijkheid
kende om een voorschot te verlenen.
Het eerste lid stelt in
ieder geval de eis dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een betalingsverplichting zal worden vastgesteld. Daarnaast
is het denkbaar dat een
bestuursorgaan ten aanzien van het verlenen van voorschotten
een terughoudend beleid voert. Zo kan worden verlangd dat aannemelijk
wordt gemaakt dat het gevraagde voorschot voor de aanvrager op korte
termijn noodzakelijk is om onvermijdelijke uitgaven te kunnen doen,
waartoe hem anders de middelen ontbreken en waarvoor niet langs een
andere weg een oplossing kan worden gevonden.
Blijkens het slot van het
eerste lid kunnen bij wettelijk voorschrift aanvullende eisen aan de verlening
van een voorschot worden gesteld of kan voorschotverlening zelfs
worden uitgesloten. Deze bepaling biedt de ruimte om bij wettelijk
voorschrift de beleidsvrijheid van het bestuursorgaan om een voorschot te
verlenen te verkleinen of om onder omstandigheden een verplichting tot
verlening van een voorschot in het leven te roepen. Artikel 31
Werkloosheidswet bijvoorbeeld schrijft voor dat het bestuursorgaan een voorschot betaalt indien uitsluitend onzekerheid
bestaat omtrent de hoogte
van de uitkering, de hoogte van het van die uitkering aan de
werknemer te betalen bedrag of omtrent het nakomen van bepaalde verplichtingen.
rblz.|44|
Tweede lid
Het tweede lid is
ontleend aan het huidige artikel 4:54, tweede lid. Daar is bepaald dat in een
beschikking tot verlening van een voorschot op een subsidie niet altijd een
nominaal bedrag behoeft te worden vermeld, maar desgewenst kan worden
volstaan met het aangeven van de wijze waarop het voorschotbedrag zal
worden bepaald. Bij subsidies komt het bijvoorbeeld voor dat bij wijze van
voorschot maandelijks een percentage van het maximale
subsidiebedrag wordt verleend of dat het bedrag van de voorschotten afhankelijk
wordt gesteld van de door de ontvanger nader aan te geven
liquiditeitsbehoefte. Nu een algemene regeling inzake bevoorschotting wordt
getroffen, is het nuttig deze mogelijkheid ook voor andere betalingen dan
subsidies te bieden.
Derde lid
Het derde lid is ontleend
aan het huidige artikel 4:55, tweede lid. Dat maakt het mogelijk om in
de individuele voorschotbeschikking afwijkende betalingstermijnen te
stellen. Aan die flexibiliteit bestaat bij voorschotten behoefte, ook bij andere
betalingen dan subsidies. Enerzijds kan behoefte bestaan aan een korte
betalingstermijn, omdat de ontvanger snel liquide middelen nodig heeft.
Anderzijds kan het wenselijk zijn om bijvoorbeeld in één beschikking te
bepalen dat een voorschot op een subsidie in twaalf maandelijkse termijnen
wordt uitbetaald. Dit impliceert dat er dan ook twaalf betalingtermijnen
van verschillende lengte zijn. Aldus wordt voorkomen dat iedere maand een
nieuwe appellabele voorschotbeschikking moet worden gegeven.
Vierde lid
De voorschotten worden
verrekend met de te betalen geldsom. Voorts bepaalt het vierde lid
dat te veel betaalde voorschotten kunnen worden teruggevorderd. De
terugbetaling dient - zoals in artikel 4.4.1.3
[4:87] tot uitdrukking is gebracht
- plaats te
vinden binnen zes weken nadat de terugvorderingsbeschikking
is bekendgemaakt, tenzij die beschikking een later tijdstip vermeld of
bij bijzonder wettelijk voorschrift een andere termijn is vastgesteld.
Vijfde lid
In het vijfde lid is
bepaald dat de terugvordering van te veel betaalde voorschotten kan
geschieden bij door het bestuursorgaan uit te vaardigen dwangbevel, op
de
tenuitvoerlegging waarvan afdeling 4.4.4 van toepassing is. De bevoegdheid een
terug te vorderen voorschot bij dwangbevel in te vorderen, bestaat alleen
voor zover deze bevoegdheid ook is toegekend
voor de terugvordering
van de geldsom ter voldoening waarvan het voorschot is verleend.
Zesde lid
Het bestuursorgaan kan
op grond van het zesde lid aan de beschikking tot voorschotverlening in
ieder geval voorschriften met betrekking tot het stellen van zekerheid
verbinden.
Artikel 4.4.1.12
[4:96]
Indien daartoe aanleiding
bestaat, kan het bestuursorgaan het uitstel tussentijds beëindigen.
Het bestuursorgaan kan op dezelfde gronden de beschikking tot
voorschotverlening intrekken of wijzigen. Gronden daarvoor zijn dat de
belanghebbende zich niet aan de aan het uitstel rblz.|45|
verbonden voorschriften houdt, de wederpartij onjuiste of onvolledige
gegevens heeft verstrekt
die hebben geleid tot een andere beschikking of een wijziging van de
omstandigheden die voortduring van het uitstel onaanvaardbaar maken.
Beëindiging van het uitstel doet de betalingsverplichting onverkort herleven en
vergt aldus een nieuwe beschikking. Pas na bekendmaking van
die beschikking kan de invorderingsprocedure worden gestart of worden
hervat. Ingeval een aan het uitstel verbonden voorschrift deels niet
wordt nagekomen - bijvoorbeeld door het niet tijdig voldoen van één
termijnbetaling - kan ervoor worden gekozen dit gedeelte na aanmaning in
te vorderen. Artikel 4.4.1.10
[4:94], tweede lid, staat daaraan niet in de weg,
aangezien het uitstel van betaling voor dat gedeelte is verstreken en
de schuldenaar derhalve ten aanzien daarvan in verzuim is. De
uitstelbeschikking behoeft daarvoor niet te worden ingetrokken.
Afdeling
4.4.2. Verzuim en
wettelijke rente
Deze afdeling heeft
betrekking op het verzuim dat intreedt indien niet binnen de voorgeschreven
betalingstermijn is betaald. Zij geeft regels voor het geval van
overschrijding van de termijn die ingevolge afdeling 4.4.1 is gesteld en die
in de betalingsbeschikking wordt vermeld. De voorgeschreven termijn bedraagt in de
regel zes weken, te rekenen vanaf de bekendmaking van de
betalingsbeschikking. Bij of krachtens wettelijk voorschrift kan een
andere betalingstermijn worden vastgesteld. De artikelen 4.4.2.4
[4:100] en
4.4.2.6 [4:102] bevatten een voorziening voor het geval de betalingsbeschikking niet
tijdig dan wel onjuist is vastgesteld.
Op wettelijke rente die
eventueel kan worden berekend over de periode voorafgaand aan de betalingsbeschikking
- rente over de periode die
loopt vanaf de
gebeurtenis waarop de betalingsbeschikking betrekking heeft tot aan het
tijdstip van de bekendmaking van de betalingsbeschikking - heeft deze regeling
geen betrekking. Die "voorafgaande" rente kan worden verdisconteerd in de betalingsbeschikking. Voorts
laat deze regeling onverlet
dat wanneer de betalingsbeschikking onjuist is vastgesteld, indien
daarvoor gronden zijn, nog verdere schadevergoeding mogelijk is.
Artikel 4.4.2.1
[4:97]
Deze bepaling regelt het
tijdstip waarop de schuldenaar geacht wordt in verzuim te zijn. Met het
begrip "verzuim" is aangesloten bij artikel 6:81 e.v. BW. De regeling is
vooral van belang voor het bepalen van het begin van de termijn waarover
wettelijke rente moet worden betaald, maar het verzuim heeft ook andere
gevolgen. Zo kan het bestuursorgaan eerst een aanmaning sturen wanneer
het verzuim is ingetreden.
Het verzuim ontstaat
wanneer de schuldenaar niet tijdig heeft betaald. Een dergelijk geval doet zich
voor wanneer op grond van een beschikking moet worden betaald en de
in artikel 4.4.1.3 [4:87], eerste lid, geregelde termijn van zes weken zonder
betaling is verstreken. Een dergelijk geval doet zich eveneens voor indien
op grond van een beschikking moet worden betaald en op de voet van artikel
4.4.1.3 [4:87], tweede lid, bij of krachtens wettelijk voorschrift een andere
termijn voor betaling is vastgesteld, welke zonder betaling is verstreken.
De regeling van het
verzuim sluit aan bij die in het privaatrecht, waar eveneens geldt dat
verzuim intreedt wanneer de betalingstermijn verstrijkt zonder dat de schuld is
voldaan. Een ingebrekestelling is daarvoor niet nodig: men zie artikel
6:83, aanhef en onder a, BW.
De regeling laat onverlet
dat een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad
terstond opeisbaar is, zoals geregeld is in artikel 6:83, aanhef en
onder
b, BW. De toepasselijkheid van titel 4.4 op schadebesluiten brengt met zich dat ook
dit soort besluiten in ieder geval de te rblz.|46|
betalen geldsom en de
termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden, dient te vermelden. Het
bestuursorgaan is in verzuim indien het niet binnen de
voorgeschreven termijn heeft betaald. De ingangsdatum van de wettelijke rente
vangt op grond van het bepaalde in deze afdeling aan op het tijdstip dat het
bestuursorgaan met de betaling in verzuim is. De reikwijdte van deze
afdeling is beperkt tot de wettelijke rente die ontstaat door
overschrijding van de betalingstermijn. De regeling heeft geen betrekking
op de
omvang van de financiële aanspraak, die zelf ook een rentecomponent kan
bevatten. De regeling laat de vaststelling van de omvang van de schade
onverlet, met inbegrip van de eventueel daarbij behorende rentecomponent.
De regeling heeft alleen betrekking op het verzuim dat ontstaat
indien niet binnen de voorgeschreven termijn is betaald.
Artikel 4.4.2.2
[4:98]
Eerste lid
In dit artikel worden de
gevolgen van het intreden van verzuim geregeld, voor zover deze zijn gelegen in
de verplichting tot betaling van wettelijke rente.
Bepaald wordt dat het
verzuim in dat opzicht de gevolgen heeft als bedoeld in artikel 6:119,
eerste en tweede lid, en 6:120, eerste lid, BW. Aldus is voor de betaling
van wettelijke rente eveneens bij het privaatrecht aangesloten. In artikel
6:119, eerste lid, BW
is bepaald dat de schadevergoeding die verschuldigd is
wegens vertraging in de voldoening van een geldsom bestaat in
de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar daarvan in
verzuim is geweest. De wettelijke rente begint te lopen op het tijdstip
dat
de schuldenaar met de betaling in verzuim is. Ingevolge het tweede lid
van artikel 6:119 BW
wordt het bedrag waarover de wettelijke rente wordt
berekend steeds na afloop van één jaar verhoogd met het bedrag dat
bestaat uit de over dat jaar verschuldigde rente (berekening van rente
op rente). Op grond van artikel 6:120, eerste lid, BW
wordt de wettelijke rente
bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. De datum van ingang van
de wettelijke rente is in artikel 4.4.2.1
[4:97] geregeld. Wettelijke rente is
verschuldigd met ingang van de dag volgend op die waarop de betalingstermijn
- zes weken of een bij wettelijk voorschrift gestelde andere termijn - is verstreken. Uit artikel 4.4.1.2
[4:86] vloeit voort dat onder de geldsom met de
betaling waarvan het bestuursorgaan in verzuim is en waarover
het dientengevolge wettelijke rente moet vergoeden een brutobedrag
wordt verstaan. Dit sluit aan bij de jurisprudentie van de Hoge Raad en de
CRvB
(o.m. HR 24 juni 1994, NJ 1994, 596; CRvB 8 november 1995, AB
1996, 191, JB 1995, 296). Op dit brutobedrag mag volgens de
jurisprudentie overigens in mindering worden gebracht de eventuele - andere
- uitkering die door hetzelfde of een ander uitvoeringsorgaan is verstrekt in plaats van de uitkering die de betrokkene
had behoren te genieten (CRvB 17 april 1997, RSV 1997, 218; HR 22 september 1995, NJ
1995, 56, JB 1995, 275). Wanneer een voorschot is ontvangen, zou hetzelfde
dienen te gelden. Het ontvangen van loon kan volgens de CRvB in dit
opzicht overigens niet op één lijn worden gesteld met het ontvangen van een
socialezekerheidsuitkering (CRvB 10 juli 1997, RSV 1997, 305). Bij deze
laatste uitspraak neemt de CRvB in aanmerking dat voor de aanspraak op
wettelijke rente niet vereist is dat het daadwerkelijk bestaan of de omvang van
de schade moet zijn bewezen.
Tweede lid
Het tweede lid bevat het
voorschrift dat beneden een bepaald bedrag - gekozen is voor €|20,-
- geen wettelijke rente is verschuldigd. Het voorschrift is ingegeven door de
praktische overweging dat het niet zinvol is rblz.|47|
om wettelijke rente in
rekening te brengen indien het slechts gaat om een gering bedrag. Daarenboven is het ondoelmatig om als het dergelijke
kleine bedragen betreft,
steeds een exacte berekening te moeten maken van het totaal
verschuldigde bedrag. In dergelijke gevallen werkt het doorberekenen van de wettelijke rente
onnodig complicerend. Voor veel burgers is €|20,- echter
een aanzienlijk bedrag. Om die reden geldt dat het bestuursorgaan als
schuldenaar geen wettelijke rente is verschuldigd beneden de €|10,-.
Uiteraard dwingt het voorschrift bestuursorganen er niet toe om vergoeding
van rente onder het drempelbedrag van €|10,- in alle gevallen achterwege
te laten.
Met de clausule "bij
enige of laatste betaling" wordt buiten twijfel gesteld dat in gevallen waarin
aflossing van de schuld in gedeelten plaatsvindt - terwijl de bijzondere wet
niet in betaling in termijnen voorziet - het drempelbedrag moet worden
toegepast op de rente die verschuldigd is op het moment waarop de
schuld in zijn geheel is voldaan. Voor een nadere toelichting op de wijze
waarop de wettelijke rente wordt berekend, zij verwezen naar de
toelichting op artikel 4.4.2.4
[4:100].
In paragraaf 4 "Verhouding tot het
gemeenschapsrecht" in het algemeen deel van de toelichting
van dit hoofdstuk is reeds aangegeven dat regels van gemeenschapsrecht
voorrang kunnen hebben op een in titel 4.4
Awb
gegeven regel. Dat kan
ook bij deze bepaling het geval zijn. Wanneer het gemeenschapsrecht de
verschuldigdheid van wettelijke rente voorschrijft, ook voor zover de rente
minder dan €|20,- respectievelijk €|10,- bedraagt, is dit bedrag verschuldigd.
Het gemeenschapsrecht heeft dan immers voorrang.
Derde lid
Het voorgestelde derde
lid opent de mogelijkheid om het bij de renteberekening te hanteren drempelbedragen bij algemene maatregel van
bestuur te wijzigen.
Daartoe kan aanleiding bestaan bij een algemene stijging van het
prijspeil.
Vierde lid
In het vierde lid is
artikel 6:125 BW
is van overeenkomstige toepassing verklaard. Dat artikel
kent de schuldeiser in geval van betalingsverzuim naast wettelijke rente
een recht op vergoeding van koerswijzigingsschade toe.
Koerswijzigingsschade kan zich in het bestuursrecht met name voordoen indien de schuldeiser
buiten de Europese Unie is gevestigd en de koers van de euro is
gedaald sedert het tijdstip waarop tijdig zou zijn betaald. In het
bestuursrecht geldt als hoofdregel dat ook internationale betalingen in
euro's
plaatsvinden (artikel 4.4.1.5 [4:89], tweede lid). Ook bij betaling in andere valuta kan
echter schade ontstaan doordat na het intreden van het verzuim de koers
zich heeft gewijzigd.
Artikel 4.4.2.3
[4:99]
De schuldenaar is
verplicht wettelijke rente te vergoeden over de tijd die hij met het betalen van
een geldsom in verzuim is. Op grond van deze bepaling stelt het
bestuursorgaan het bedrag van de verschuldigde wettelijke rente bij beschikking
vast. De beschikking bevat tevens de berekening van het bedrag. Het
bestuursorgaan moet een beschikking geven wanneer het zelf die rente moet
betalen; het mag dit doen wanneer de burger moet betalen. Het
bestuursorgaan is niet verplicht de aan hem te betalen rente in rekening te brengen.
Onder omstandigheden kan het wenselijk zijn geheel of gedeeltelijk af
te zien van het in rekening brengen van de verschuldigde rente.
Wanneer zowel de schuldeiser als de schuldenaar bestuursorgaan zijn,
stelt om die reden de crediteur het bedrag van de verschuldigde wettelijke
rente vast. De crediteur is immers degene die rblz.|48|
moet beslissen of al dan
niet wordt afgezien van het in rekening brengen van wettelijke rente.
In de praktische gang van
zaken bestaat overigens verschil tussen de vergoeding van wettelijke
rente aan of door een bestuursorgaan. Wanneer het bestuursorgaan zelf
rente moet vergoeden omdat het te laat betaalt, wordt het bedrag daarvan
bij beschikking vastgesteld alvorens tot betaling van de vertraagde geldsom
en de wettelijke rente wordt overgegaan. Wanneer het
bestuursorgaan wettelijke rente aan de burger in rekening brengt, wordt de hoogte
daarvan doorgaans achteraf - dat wil zeggen na ontvangst van een
(gedeeltelijke) betaling - bij beschikking vastgesteld, omdat op dat moment pas
duidelijk is hoe lang en met welk deel van de geldsom de burger in
verzuim is geweest. Deze gang van zaken vloeit voort uit artikel
4.4.1.8 [4:92], waar in navolging van het BW
is geregeld dat een betaling eerst wordt
afgeboekt van de invorderingskosten, daarna van de verschenen rente,
vervolgens van de hoofdsom en ten slotte van de lopende rente. Denkbaar
is uiteraard dat een burger alvorens tot voldoening van een schuld waarmee
hij in verzuim is over te gaan, bij het bestuursorgaan informeert
hoe hoog de wettelijke rente inmiddels is opgelopen. Het
bestuursorgaan kan daarop een informatieve mededeling doen. In andere gevallen
zal het bestuursorgaan de schuldenaar, tenzij deze onvindbaar is, op
gezette tijden eigener beweging informeren over het bedrag dat op dat
moment aan wettelijke rente verschuldigd is.
Artikel 4.4.2.4
[4:100]
Dit artikel bevat een
specifieke regel voor het bepalen van het moment waarop de wettelijke rente
gaat lopen indien het bestuursorgaan niet tijdig beslist over een
financiële aanspraak. De verplichting tot betaling ontstaat op grond van de
hoofdregel van artikel 4.4.1.2
[4:86] met het vaststellen van de beschikking. Teneinde te voorkomen dat degene aan wie een
bestuursorgaan moet betalen nadeel lijdt door een te late vaststelling van de beschikking door dat
bestuursorgaan, bepaalt dit artikel dat de wettelijke rente in dat geval eerder
ingaat. Die rente gaat lopen vanaf het tijdstip waarop het bestuursorgaan met de
betaling in verzuim zou zijn geweest indien de
beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn
vastgesteld en bekendgemaakt. In andere bewoordingen: wanneer aan de zijde van
het bestuursorgaan van een "beslisverzuim" sprake is, ontstaat de
verplichting om wettelijke rente te vergoeden niet later dan wanneer wel
tijdig besloten zou zijn. Wettelijke rente gaat in dit geval in nadat de beslis-
en betalingstermijn tezamen zijn verstreken.
Een voorbeeld kan één en
ander verduidelijken. Indien de beschikking uiterlijk op 1 maart
gegeven had moeten zijn, dan zal de termijn van zes weken voor de betaling
op 2 maart aanvangen. De laatste dag van de termijn zou dan 12 april
zijn, zodat het verzuim na die dag in zou gaan. Wordt de beschikking later dan
op 1 maart bekendgemaakt, dan blijft de
dag waarop het verzuim
intreedt toch dezelfde: het bestuursorgaan had tijdig moeten beschikken.
Het gevolg van de
bepaling is niet dat altijd wettelijke rente verschuldigd is: indien de beschikking
te laat tot stand komt, maar de betaling zodanig snel daarna volgt dat die
toch vóór 12 april is geschied, gaat de wettelijk rente niet lopen. Dat is
ook juist: als de beschikking tot stand was gekomen op de laatste dag
dat dit nog tijdig kon, had ook geen recht op wettelijke rente bestaan.
Maar is op 12 april nog niet betaald, dan is die rente wel verschuldigd,
zowel in het geval de beschikking er al wel is, maar nog niet door betaling is gevolgd, als in het geval de beschikking er
ook dan nog niet is.
Mocht het zo zijn dat de beschikking er weliswaar niet tijdig is, maar
intussen wel vóór 12 april een voorschot is betaald, dan is evenmin wettelijke
rente verschuldigd.
Indien niet bij wettelijk
voorschrift een termijn is gesteld voor het nemen van een besluit, wordt
aangesloten bij artikel 4:13, dat een redelijke
rblz.|49|
termijn vereist na
ontvangst van de aanvraag. De eventueel verschuldigde wettelijke rente begint
in dat geval te lopen vanaf het moment dat de uit artikel 4:13 voortvloeiende redelijke termijn voor het nemen van een
besluit en de
betalingstermijn (van in beginsel zes weken) tezamen zijn verstreken.
Voor alle duidelijkheid
wordt opgemerkt dat deze bepaling uitsluitend ziet op een te late
vaststelling van de beschikking tot betaling en niet op een vaststelling die in
eerste instantie tijdig is, maar naar later blijkt onjuist is. Hiervoor biedt
artikel 4.4.2.6 [4:102] een specifieke regeling.
Tot slot verdient
vermelding dat in de regeling in de Awb geen specifieke regel is geformuleerd die
ziet op het eventueel verschuldigd zijn van wettelijke rente indien
de burger niet tijdig een aanvraag om een beschikking tot het vaststellen van
een financiële aanspraak doet. Deze kwestie hangt zozeer samen met de
vraag of, en zo ja, in hoeverre het wettelijk voorschrift waarop deze
aanspraak is gebaseerd, voorziet in de mogelijkheid dat een financiële
aanspraak kan bestaan over de periode voorafgaand aan het indienen van een
aanvraag, dat deze vraag in het kader van de bijzondere wetgeving
dient te worden beantwoord en niet in het kader van de Awb. Zo is
bijvoorbeeld in artikel 35, tweede lid, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
de toekenning van een uitkering "met terugwerkende kracht" in beginsel beperkt tot
één jaar (vlg. CRvB 3 november 1998, RSV
1999, 20, inzake een met terugwerkende kracht toegekende AAW-uitkering,
waarin rentevergoeding wordt afgewezen). Voor zover rente wordt vergoed over de periode voorafgaand aan de
betalingsbeschikking,
maakt deze deel uit van de te betalen geldsom, hetgeen tot uitdrukking
komt in de betalingsbeschikking zelf.
Artikel 4.4.2.5
[4:101]
Dit artikel heeft
betrekking op de situatie waarin hetzij het bestuur uitstel van betaling heeft
verleend, hetzij de rechter de betalingsverplichting heeft geschorst.
Opschorting van de betalingsverplichting brengt evenwel niet vanzelfsprekend met
zich dat de schuldenaar over de periode waarvoor de opschorting geldt ook
geen wettelijke rente hoeft te betalen. Het feit dat niet binnen de
normaal geldende betalingstermijn wordt betaald, zal niet zelden worden
veroorzaakt door omstandigheden die binnen de risicosfeer van de
schuldenaar liggen. Het is om die reden goed denkbaar dat het bestuursorgaan
slechts uitstel wil verlenen indien de daardoor ontstane
vertragingsschade voor rekening van de schuldenaar komt. Om dezelfde reden kan er
niet zonder meer van worden uitgegaan dat de rechter bij schorsing van
een betalingsverplichting voor dezelfde periode ook de verplichting tot
betaling van wettelijke rente niet heeft willen laten gelden.
In dit artikel is
derhalve als hoofdregel geformuleerd dat de schuldenaar over de periode waarin de
betalingsverplichting door het bestuur of de rechter is opgeschort
wettelijke rente is verschuldigd. Dat laat onverlet dat zich bijzondere
omstandigheden kunnen voordoen waarin het redelijk is om te bepalen dat over
de periode waarvoor het uitstel geldt, in afwijking van de hoofdregel geen
wettelijke rente is verschuldigd. Het artikel laat dan ook de ruimte om
bij het uitstel of de schorsing zulks expliciet te bepalen.
Denkbaar is dat het
bestuursorgaan bij het verlenen van uitstel nader specificeert over welke
periode geen wettelijke rente is verschuldigd. De termijn waarvoor de
betalingsverplichting is opgeschort, behoeft niet automatisch dezelfde te
zijn als de periode waarover geen wettelijke rente behoeft te worden betaald. Indien uitstel van betaling is verleend voor de
periode hangende bezwaar
en beroep, kan het bestuursorgaan - in verband met de lange
periode die in totaal met bezwaar en beroep kan zijn gemoeid - bepalen
dat de periode waarover geen wettelijke rente is rblz.|50|
verschuldigd zich
uitstrekt over een kortere termijn. Voor het geval het bezwaar of beroep
gegrond
blijkt, treft het volgende artikel een regeling.
Artikel 4.4.2.6
[4:102]
Eerste lid
Dit
artikel bevat
specifieke regels inzake de betaling van wettelijke rente indien komt vast te staan
dat een verplichting tot betaling aan of door een bestuursorgaan door het
bestuursorgaan onjuist is vastgesteld. Doorgaans zal dit na het instellen
van bezwaar of beroep blijken. Het bestuursorgaan kan echter ook ambtshalve
tot correctie overgaan. Hierbij kunnen zich de volgende
situaties voordoen.
In de eerste plaats kan
het zo zijn dat de burger bezwaar heeft gemaakt en eventueel later
beroep heeft ingesteld tegen een jegens hem bij beschikking opgelegde
betalingsverplichting, maar niettemin hangende het bezwaar of beroep
heeft
betaald. Bezwaar en beroep hebben immers in beginsel geen schorsende
werking. In dat geval kan achteraf blijken dat de burger ten onrechte dan
wel te veel heeft betaald doordat hij in de bezwaar- of
beroepsprocedure alsnog in het gelijk wordt gesteld. Dan blijkt achteraf dat de
burger ten onrechte renteverlies heeft geleden, terwijl het bestuur ten
onrechte over het geld heeft kunnen beschikken. Om dit te compenseren,
bepaalt het eerste lid dat het bestuursorgaan de wettelijke rente moet
betalen over het te veel betaalde bedrag gerekend vanaf het tijdstip dat de
burger heeft betaald tot aan het tijdstip van terugbetaling.
Tweede lid
Het tweede lid heeft
betrekking op het geval dat een beschikking tot betaling door een bestuursorgaan
te laat komt doordat aanvankelijk was beslist dat de burger
geen aanspraak op betaling had, maar daarin als gevolg van bezwaar of
beroep verandering is gekomen.
Deze bepaling is zowel
van toepassing op de geheel afwijzende betalingsbeschikking als op de beschikking tot
betaling die wordt vervangen door een beschikking tot
betaling van een hoger bedrag. Voor die gevallen behoort het
bestuursorgaan de wettelijke rente over dezelfde termijn te betalen als in
artikel
4.4.2.4 [4:100] is bepaald voor het "gewoon" te laat beschikken. De
belanghebbende mag immers rekenen op een tijdige beschikking, en het maakt
daarbij geen verschil of een vertraging is veroorzaakt doordat het
bestuur in het geheel geen beschikking tot stand heeft gebracht, dan wel
doordat het eerst een verkeerde beschikking heeft gegeven.
Wanneer een onjuiste
beschikking na bezwaar of beroep wordt vervangen door een nieuwe
beschikking, dient het bestuursorgaan over een eventuele nabetaling wettelijke
rente te vergoeden vanaf het moment waarop beslis- en
betalingstermijn tezamen zijn verstreken. In reacties op het voorontwerp
is de vraag
gesteld of dit niet een breuk betekent met de huidige jurisprudentie,
waarin ter zake van onrechtmatige besluiten de wettelijke rente wordt
berekend vanaf de datum van het onjuist gebleken besluit. Voor zover het
onderliggende besluit een schadeveroorzakend besluit is, zij eraan
herinnerd dat de hier voorgestelde regeling de vaststelling van de omvang van de
schade, met inbegrip van de eventueel daarover te betalen
rente, onverlet laat. Van de jurisprudentie wordt hier dus geen afstand genomen.
Derde en
vierde lid
Het vierde lid ziet
op de
situatie dat het bestuursorgaan, nadat een besluit waarbij een betalingsverplichting is vastgesteld formele rechtskracht heeft
rblz.|51|
gekregen, met
terugwerkende kracht deze betalingsverplichting in het voordeel van de burger
wijzigt of intrekt. Ook zulke ambtshalve correcties kunnen leiden tot een
teruggaaf van het door de burger te veel betaalde bedrag of door een
nabetaling aan de burger. Op grond van het vierde lid moet het bestuursorgaan
ook in die gevallen in beginsel wettelijke rente vergoeden. De termijn
waarover die rente verschuldigd is, moet met behulp van het eerste en
tweede lid van dit artikel worden bepaald. Wettelijke rente is
volgens het derde lid echter niet verschuldigd voor zover het wijzigen van de
betalingsverplichting wordt veroorzaakt door het feit dat de burger
onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, dan wel aan hem is toe te
rekenen dat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, waardoor
de beschikking waarbij de betalingsverplichting is vastgesteld onjuist was.
Het risico van een onjuiste aanvraag of van onjuiste
gegevensverschaffing is daarmee voor rekening van de belanghebbende.
In het voorontwerp was dit
slechts bepaald voor de situatie, bedoeld in het vierde lid. In
commentaren op het voorontwerp is echter opgewezen dat het ook kan voorkomen
dat een betalingsbeschikking in bezwaar of beroep moet worden
gecorrigeerd omdat de belanghebbende pas in de bezwaar- of beroepsfase
gegevens aandraagt die hij in een eerder stadium had kunnen en moeten
verstrekken. Met diverse commentaren op het voorontwerp menen wij dat
het redelijker is te bepalen dat het bestuursorgaan ook in die gevallen geen
wettelijke rente is verschuldigd.
Daarbij zij aangetekend
dat dit de verschuldigdheid van wettelijke rente bij niet tijdig beslissen
(artikel 4.4.2.4 [4:100]) onverlet laat. Als een burger pas in zijn bezwaarschrift de
gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij recht heeft op een betaling die hem
bij het primaire besluit was geweigerd, is het bestuursorgaan geen wettelijke rente verschuldigd indien het tijdig
op het
bezwaarschrift beslist.
Maar als het bestuursorgaan te laat op het bezwaarschrift beslist,
is het wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag waarop het in verzuim zou
zijn geweest als op de laatste dag van de termijn op het
bezwaarschrift zou zijn beslist.
Voor het verschuldigd
zijn van wettelijke rente op grond van deze bepaling is in beginsel niet van
belang of de onjuiste beschikking een primair besluit dan wel een
beslissing op bezwaarschrift betreft. In beide gevallen heeft het bestreden
besluit als gevolg van het daartegen ingestelde bezwaar of beroep geen formele rechtskracht gekregen en staat tegenover
het door het
bestuursorgaan genoten rentevoordeel een renteverlies van de burger. Ook wanneer
een bezwaar- of beroepschrift wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan
geheel of gedeeltelijk aan de indiener is tegemoetgekomen, is het
bestuursorgaan op grond van dit artikel vanzelfsprekend gehouden om over een
teruggaaf of nabetaling rente te vergoeden.
Ten slotte kan de vraag rijzen in hoeverre naast de hier geregelde wettelijke rente nog verdere
schadevergoeding mogelijk is indien de betalingsbeschikking onjuist is vastgesteld.
Onderhavig artikel laat onverlet dat, indien daarvoor gronden
zijn, nog vergoeding van andere schade mogelijk is. Volgens de Hoge Raad
valt vergoeding van belastingschade - als gevolg van nabetaling van
lonen of uitkeringen in de vorm van een bedrag ineens - buiten
de regeling van artikel 6:119 BW
(HR 8 december 1995, NJ 1997, 163; idem
CRvB
28 juni 2002, AB 2003, 9, JB 2002, 232). Het is de cumulatie en niet
uitsluitend de vertraging in de betaling die de belastingschade
veroorzaakt. Belastingschade als hier bedoeld komt derhalve voor
afzonderlijke vergoeding in aanmerking. Voorts is niet uitgesloten dat wegens
nabetaling van een geldsom nog andere schadeposten voor vergoeding in
aanmerking komen. Te denken valt onder meer aan misgelopen
huursubsidie of een niet-ontvangen studietoelage (vgl. ook CRvB 3 november 1998,
RSV 1999, 20).
rblz.|52|
Artikel 4.4.2.7
[4:103]
Artikel 4.4.2.7
[4:103] bepaalt
dat "bij de wet" - dat wil zeggen: de wet in formele zin - een andere
regeling met betrekking tot verzuim en de daaraan te verbinden gevolgen kan
worden getroffen. De bepaling is opgenomen om de verhouding tot de
bijzondere wetgeving te verduidelijken. De gekozen formulering geeft aan dat
uitzonderingen op de regeling omtrent verzuim en wettelijke rente
mogelijk zijn, maar sluit tegelijkertijd uit dat deze uitzonderingen door een
lagere wetgever worden gemaakt. Bij het opstellen van de regeling
van afdeling 4.4.2 is onder ogen gezien dat op verschillende terreinen
bij wet andere regelingen zijn getroffen, die zozeer met de eigen aard van die
bijzondere wetgeving samenhangen dat het niet goed mogelijk is de
regeling in de Awb
daarop zonder meer toe te passen. In paragraaf 2
van het algemeen deel van dit hoofdstuk van deze toelichting is reeds
gewezen op de aparte regeling in het belastingrecht. Deze gecombineerde
regeling inzake heffings- en invorderingsrente sluit aan bij de systematiek
van de belastingheffing waarin niet, zoals in artikel 4.4.2.4
[4:100] en
4.4.2.6 [4:102] van
deze regeling, met (uiterste) beslistermijnen wordt gewerkt, maar met
tijdvakken waarover belasting wordt geheven. Dit hangt samen met het feit
dat de belastingschuld rechtstreeks uit de wet ontstaat.
Andere verschillen
betreffen onder andere het in het belastingrecht gehanteerde
rentepercentage (voor het merendeel van de heffingen geldt niet de wettelijke rente,
maar een lager percentage) en de berekening van rente (enkelvoudig, dat
wil zeggen geen rente op rente). Daarnaast kan in sommige gevallen een
bestuurlijke boete worden opgelegd bij niet-tijdige betaling van belastingen
welke op aangifte of afdracht moet worden voldaan (artikel 67c
Algemene
wet inzake rijksbelastingen).
Ook
op andere terreinen
komt het voor dat financiële sancties worden opgelegd bij niet-tijdige
betaling, al dan niet in combinatie met verschuldigdheid van rente. Zo kent
bijvoorbeeld de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften als
sanctie op het niet tijdig betalen van een opgelegde boete de verschuldigdheid van een verhoging van rechtswege
(en geen wettelijke
rente). In het secundaire gemeenschapsrecht komen soortgelijke bepalingen
ook voor. Afdeling 4.4.2 is derhalve in deze gevallen niet van
toepassing. Bij de aanpassingswetgeving die nodig is in verband met dit
wetsvoorstel zal de afstemming van de bijzondere wetgeving op afdeling 4.4.2 in het
bijzonder aandacht verdienen.
Afdeling 4.4.3. Verjaring
1. Inleiding
Het is gewenst dat er een
algemene wettelijke regeling komt voor verjaring van vorderingen aan of
door een bestuursorgaan. Thans bestaat een dergelijke regeling
slechts voor enkele deelgebieden van het bestuursrecht, zoals het belastingrecht
(artikel 27 Invorderingswet
1990). Mede doordat in literatuur
(zie o.m. B.P.M. van Ravels, Recente ontwikkelingen op het gebied van het
schadevergoedingsrecht in ambtenarenzaken, TAR 1996, blz. 421-437;
J.H.M.F. Teunissen, Afrekening met de gemene rechtsleer en de
tweewegenleer (I), Gemeentestem 7048, 1; Carlos Bollen, De Centrale Raad van Beroep
en (privaatrechtelijke) verjaringstermijnen, JB 1997, blz. 495-500)
en rechtspraak (zie o.m. CRvB 19 oktober 1995, Gemeentestem 7048, 3; HR
28 juni 2002, AB 2003, 102, JB 2002, 265) geen eenstemmigheid bestaat omtrent de reikwijdte van de schakelbepaling
van artikel 3:326 Boek
3 BW
en in het bijzonder niet omtrent de toepasselijkheid van de
bepalingen in titel 11 van Boek
3 BW omtrent de bevrijdende verjaring in
het bestuursrecht, bestaat op dit gebied een voor rblz.|53|
de praktijk ongewenste
mate van onzekerheid. De termijn wordt in het algemeen wel op vijf jaar
gesteld, maar de vraag blijkt vooral te zijn in hoeverre de bepalingen in
het BW zich lenen voor toepassing op bestuursrechtelijke
geldschulden. De in deze paragraaf voorgestelde regeling beoogt aan deze
onzekerheid een einde te maken door een voor het gehele bestuursrecht
geldende regeling te treffen.
Voor de goede orde wordt
opgemerkt dat het in deze afdeling niet gaat om de vraag binnen welke termijn een bestuursorgaan nog rechtsgeldig
een verplichting tot
betaling kan vaststellen, dus bijvoorbeeld een belastingaanslag kan opleggen. Die termijn
zal in het algemeen in een bijzonder wettelijk
voorschrift zijn opgenomen. Het gaat hier om de vraag hoe lang degene die
verzuimd heeft tijdig aan een verplichting tot betaling van een
bestuursrechtelijke geldschuld te voldoen nog in rechte tot nakoming kan worden gedwongen.
2. Uitgangspunten nieuwe
regeling
Bij het ontwerpen van
de
regeling is in de eerste plaats wederom tot uitgangspunt genomen dat
niet onnodig afgeweken moet worden van het Burgerlijk
Wetboek en dat
niet onnodig onderscheid gemaakt moet worden tussen de positie
van belanghebbende enerzijds en bestuursorgaan anderzijds.
Deze uitgangspunten zijn
goed bruikbaar waar het betreft de verjaring van de bevoegdheid om via de
burgerlijke rechter de nakoming van de vordering tot betaling af te
dwingen. Voor de burger is dit de enige mogelijkheid om zijn vordering
op het
bestuursorgaan af te dwingen, zij het dat het slechts zelden nodig
zal zijn om bestuursorganen voor de rechter te dagen. Voor
bestuursorganen geldt eveneens dat zij bij niet-betaling door hun schuldenaar een
vordering tot nakoming bij de burgerlijke rechter kunnen instellen. In een
aantal gevallen is dat de enige mogelijkheid. In de meeste gevallen bestaat
daarnaast de mogelijkheid om door het uitvaardigen van een dwangbevel tot
dwanginvordering over te gaan.
Voor de bevoegdheid tot
het instellen van een vordering bij de burgerlijke rechter voorziet de
regeling in bepalingen die sterke gelijkenis vertonen met de regeling in het
Burgerlijk Wetboek. Deze bevoegdheid verjaart na vijf jaar. Daarna blijft
- evenals in het privaatrecht - een natuurlijke verbintenis bestaan (de
zogenoemde
zwakke werking van de verjaring). Wat na afloop van de
verjaringstermijn wordt betaald, kan dus niet als onverschuldigd worden teruggevorderd.
Voorts is de stuiting geregeld op zodanige wijze dat de burger
stuiting kan bewerkstelligen op dezelfde wijze als hij dat ook in het
privaatrecht kan. Voor het bestuursorgaan, dat door zijn specifieke bevoegdheden
- het doen uitgaan van een aanmaning en het uitvaardigen van een
dwangbevel - in een enigszins andere positie verkeert, is ter wille
van de rechtszekerheid bepaald dat stuiting slechts mogelijk is door het
gebruik van die bevoegdheden of door het instellen van een vordering bij de
rechter of de erkenning van de schuld door de schuldenaar.
Waar echter aan het
bestuursorgaan bij wet de bevoegdheid is toegekend om overeenkomstig
afdeling 4.4.4 buiten de rechter om betaling af te dwingen middels een
dwangbevel, is een specifieke regeling nodig. Deze bevoegdheid, evenals die
tot het doen uitgaan van een aanmaning, kunnen na het voltooien van de verjaring niet meer worden uitgeoefend.
Ten slotte wordt hier, in
aansluiting op paragraaf 3 van het algemeen gedeelte van dit
hoofdstuk van deze toelichting, opgemerkt dat afdeling 4.4.3 een volledige
regeling van de verjaring van bestuursrechtelijke geldschulden beoogt te geven. Derhalve
heeft de schakelbepaling van artikel 326 van Boek
3 Bw voor de
in deze titel geregelde materie in beginsel geen betekenis meer. Ter
voorkoming van misverstanden wordt opgemerkt dat de titel van het BW
inzake rechtsvorderingen - evenals de rblz.|54|
toepasselijke
bestuursrechtelijke wetgeving - buiten deze materie zijn relevantie blijft
behouden. Titel 4.4 heeft immers alleen betrekking
op de afwikkeling van de
bestuursrechtelijke geldschuld zelf; hij geeft geen inhoudelijke regels over
de grondslag van de geldschuld, zoals regels over onverschuldigde betaling. Hij bevat bijvoorbeeld geen regels over de
termijn waarop met
terugwerkende kracht onverschuldigd betaalde bedragen kunnen worden
teruggevorderd. Afdeling 4.4.3 laat dan ook onverlet dat, tenzij uit
de toepasselijke bestuursrechtelijke wet het tegendeel voortvloeit, artikel
3:309 BW
van toepassing is indien met terugwerkende kracht een uitkering
wordt herzien of ingetrokken. Voor onverschuldigd betaalde subsidiebedragen
kent de Awb
een eigen bepaling die afwijkt van het BW; men zie het huidige artikel 4:57
(4:57, vierde lid,
nieuw).
Artikel 4.4.3.1
[4:104]
Eerste lid
Dit artikel bevat de
hoofdregel voor de verjaring van geldschulden. Het stelt de
verjaringstermijn op vijf jaar, in aansluiting op de meest gebruikelijke termijn in het
Burgerlijk
Wetboek. Het gevolg van de verjaring in het BW is dat geen
rechtsvordering meer kan worden ingesteld. Dit is de zogenaamde zwakke werking
van de verjaring. Dat gevolg behoort ook hier voorop te staan.
Zowel voor schulden van de overheid als voor die van de burger geldt
immers dat betaling in beginsel via het instellen van een vordering voor de
burgerlijke rechter kan worden afgedwongen. Voor de burger bestaat er geen
andere mogelijkheid. Overigens zal het niet vaak voorkomen dat hij,
wanneer bijvoorbeeld op grond van een beschikking blijkt dat hij een
vordering op het bestuursorgaan heeft, tot gerechtelijke stappen zal moeten
overgaan. Meestal zal de overheid vrijwillig betalen indien over de
verplichting tot betaling - eventueel na een bestuursrechtelijke
procedure - geen meningsverschil meer bestaat.
Voor bestuursorganen
bestaat eveneens de mogelijkheid om tegen de onwillige wederpartij bij
de burgerlijke rechter een procedure tot betaling te beginnen. In een
aantal gevallen is dat ook de enige mogelijkheid voor bestuursorganen. Dat
betreft de gevallen waarin het bestuursorgaan niet de bevoegdheid heeft een
dwangbevel uit te vaardigen. Daartoe moet steeds een specifieke
wettelijke grondslag bestaan; men zie ook artikel
4.4.4.2.2 [4:115].
Indien het bestuursorgaan
wel een dwangbevel kan uitvaardigen, heeft het de mogelijkheid om
zich buiten de rechter om een executoriale titel te verschaffen. Deze extra
bevoegdheid betekent overigens niet een verplichting voor het bestuursorgaan
om die weg te volgen. Het kan gebruik blijven maken van de
gewone bevoegdheden van een schuldeiser.
De in het eerste lid
gestelde termijn kan afwijken van de verjaringstermijnen die in het gemeenschapsrecht worden gehanteerd. Zodra en
voor zover
het gemeenschapsrecht
zelf in een regeling voorziet, wijkt het nationale recht en dus het
onderhavige artikel 4.4.3.1 [1:104]
op
grond van het beginsel van de voorrang
van het gemeenschapsrecht. Men zie over de verhouding met het
gemeenschapsrecht in algemene zin reeds paragraaf 4 van het algemeen deel
van dit hoofdstuk.
Tweede lid
Het tweede lid ziet
op de
gevallen waarin bestuursorganen de bevoegdheid hebben zelf voor een executoriale titel te zorgen door het uitvaardigen
van een dwangbevel. Die
bevoegdheid kunnen zij niet meer uitoefenen wanneer de verjaring is
voltooid. Dit geldt ongeacht of de schuldenaar zich op verjaring heeft beroepen. Hetzelfde behoort te gelden voor het doen uitgaan van
een aanmaning, waarvan de kosten voor rekening rblz.|55|
van de burger kunnen
worden gebracht, alsmede voor de bevoegdheden tot verrekening en tot
tenuitvoerlegging van een dwangbevel. In het belang van de
rechtszekerheid mag van het bestuursorgaan worden verwacht dat het de
bevoegdheden tot aanmaning, verrekening of toepassing van dwangmiddelen
vóór het voltooien van de verjaring heeft benut. Deze regeling komt
overeen met die van artikel 27 Invorderingswet
1990.
Op grond van het tweede
lid is het niet meer mogelijk de bevoegdheid tot aanmaning en verrekening
uit te oefenen als de verjaring is voltooid. Het is daarbij niet van
belang of de schuldenaar zich heeft beroepen op de verjaring; de
bevoegdheden gaan na voltooiing van de verjaring van rechtswege teniet. De
verjaring van de rechtsvordering tot betaling van een geldsom kan
daarentegen worden gestuit door handelingen van de schuldeiser of
schuldenaar, geregeld in de artikelen 4.4.3.2
e.v. [4:105 e.v.]. Het gevolg van de verjaring is,
zoals gezegd, dat de rechtsvordering teniet gaat, maar niet dat de schuld ook
teniet gaat. Dit betekent dat bijvoorbeeld de belastingschuldige die na
meer dan vijf jaar zijn nog openstaande schuld voldoet, of de overheid
die een achterstallige uitkering betaalt, dit niet onverschuldigd doet.
Eenmaal betaald kunnen deze bedragen niet als onverschuldigd worden
teruggevorderd.
Het komt voor dat een
geldschuld accessoir is aan een andere schuld. Zo kunnen op grond van
hoofdstuk VI van de Invorderingswet
1990 anderen dan de belastingplichtige
- bij beschikking - aansprakelijk worden gesteld voor diens
belastingschuld. Met betrekking tot de verjaring geldt enerzijds dat de aansprakelijkheid
van de derde de hoofdschuld veronderstelt: als de hoofdschuld verjaart,
verjaart de accessoire schuld ook.
Artikel 4.4.3.2
[4:105]
Dit artikel regelt twee
gronden voor stuiting van de verjaring: het instellen van een daad van rechtsvervolging (voor de burgerlijke rechter)
(eerste lid) of
de erkenning van het
recht van de schuldeiser (tweede lid). De hier geregelde stuitingsgronden gelden
gelijkelijk voor burger en bestuursorgaan en zijn hetzelfde als in het
privaatrecht (vgl. artikel 3:316 en 3:318 BW). Stuiting breekt een lopende
verjaring af. Nadat de verjaring is gestuit, begint een nieuwe verjaringstermijn
te lopen (artikel 4.4.3.7 [4:110], zie hierna).
Eerste lid
Onder een "daad van
rechtsvervolging" als bedoeld in het eerste lid moet, blijkens de parlementaire
geschiedenis van artikel 3:316 BW
(MvA II, Parlementaire
Geschiedenis van het Nieuw Burgerlijk Wetboek 3 (Vaststellingswet),
Deventer 1981, blz. 934), worden begrepen het instellen van een vordering bij de
civiele rechter (dagvaarding, eis in reconventie, vermeerdering van eis),
maar ook het leggen van conservatoir beslag of het indienen van een
vordering ter verificatie bij faillissement. Evenals in het privaatrecht geldt
dat een daad van rechtsvervolging die wordt ingetrokken geen stuiting van de
verjaring tot gevolg heeft. Daartoe is artikel 3:316, tweede lid, BW
in
het eerste lid van toepassing verklaard. Uit artikel 3:316, tweede lid, BW
vloeit tevens voort dat indien de bij de rechter ingestelde vordering niet tot
toewijzing leidt, de stuiting niet geacht wordt te hebben plaatsgevonden,
tenzij tijdig - dat wil zeggen binnen zes maanden nadat het geding door het
in kracht van gewijsde gaan van een uitspraak of op andere wijze is
geëindigd - een nieuwe eis is ingesteld en deze wél tot toewijzing leidt.
Ingeval de ingestelde vordering wél tot toewijzing door de rechter leidt, is
artikel 3:324 BW
van toepassing (artikel
4.4.3.7 [4:110], tweede lid, zie hierna).
Artikel 3:324 BW
regelt de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken.
Onder het "instellen van
eis" is overigens steeds te verstaan het instellen rblz.|56|
van een eis bij de
burgerlijke rechter; de bestuursrechter komt hier niet in beeld. Betreft het een
vordering van een bestuursorgaan op de burger, dan kan het
bestuursorgaan immers niet bij de bestuursrechter terecht, omdat aldaar alleen
tegen
besluiten van bestuursorganen kan worden opgekomen. Maar ook als
het een vordering van de burger op het bestuursorgaan betreft,
is de bestuursrechter niet bevoegd. Het niet betalen is geen besluit in de zin
van de Awb, aangezien het geen rechtshandeling betreft; en ook de
weigering om te betalen kan niet als zodanig worden aangemerkt. Hoewel
de vaststelling van de verplichting tot betaling een besluit is (vgl. artikel
4.4.1.2 [4:86]), moet aan gewone uitvoeringshandelingen, zoals
betalingshandelingen, dit karakter worden ontzegd. Dit betekent dat als de
schuldenaar weigerachtig is om te betalen, uiteindelijk door het instellen van
eis bij de burgerlijke rechter de verjaring kan worden gestuit.
Tweede lid
Voor de erkenning als
grond voor stuiting geldt dat het niet noodzakelijk is dat de schuld
uitdrukkelijk wordt erkend. Elke handeling of gedraging van de schuldenaar waaruit
blijkt dat hij de schuld erkent, stuit de verjaring. Indien een burger in een
brief aan het bestuursorgaan een verrekeningsvoorstel doet, dan beoogt hij
daarmee de schuld aan het bestuursorgaan, al dan niet volledig, te
voldoen. Daarin ligt tegelijkertijd een erkenning van zijn schuld aan dat
bestuursorgaan besloten. Zo kan ook het vragen van uitstel van betaling of
van kwijtschelding onder omstandigheden een erkenning van de schuld impliceren. Dat is echter niet steeds het geval:
wie vraagt om uitstel van
betaling voor de duur van de behandeling van een bezwaarschrift tegen
de betalingsbeschikking erkent daarmee de schuld natuurlijk niet.
Het zal dus van de omstandigheden van het geval afhangen wanneer van
erkenning kan worden gesproken.
Artikelen 4.4.3.3
[4:106] en
4.4.3.4
[4:107]
Naast de beide in
artikel
4.4.3.2 [4:105] geregelde stuitingsgronden kent het BW
nog een stuitingsgrond:
de schriftelijke aanmaning (een brief) of schriftelijke mededeling waarin de
schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel
3:317, eerste lid, BW). Deze stuitingsgrond is voor het bestuursorgaan
in artikel 4.4.3.3 [4:106] beperkt tot specifieke bestuursrechtelijke middelen. In het belang
van de rechtszekerheid bepaalt dit artikel dat het
bestuursorgaan de verjaring, behoudens door het instellen van een eis voor de
burgerlijke rechter (artikel 4.4.3.2
[4:105]), alleen kan stuiten door een aanmaning als
bedoeld in artikel 4.4.4.1.1
[4:112], een beschikking tot verrekening of door
(betekening of tenuitvoerlegging) van een dwangbevel. Gaat het daartoe over,
dan is de bedoeling om alsnog tot invordering over te gaan duidelijk tot uitdrukking gebracht. Een beschikking tot
verrekening heeft alleen
stuitende werking voor zover na de verrekening een schuld blijft
bestaan. In het geval een rechtsvordering tot betaling van een geldsom als
gevolg
van de verrekening volledig tenietgaat, valt er immers niets meer te
stuiten.
Voor de schuldeiser van
het bestuursorgaan, tenzij deze zelf een bestuursorgaan is, is stuiting mogelijk
op dezelfde manier als in het Burgerlijk
Wetboek is geregeld (artikel
3:317, eerste lid, BW). In artikel 4.4.3.4
[4:107] juncto
4.4.3.6 [4:109] wordt, voor het geval de
schuldeiser een burger is, bepaald dat de schuldeiser de verjaring ook kan
stuiten door een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling
waarin hij zich ondubbelzinnig zijn recht op betaling voorbehoudt.
rblz.|57|
Artikel 4.4.3.5
[4:108]
Deze bepaling komt
overeen met artikel 6:131 BW
en geldt slechts voor rechtsvorderingen tot
betaling door de overheid aan een burger. Een eventueel recht tot
verrekening verjaart dus niet voor de burger als schuldeiser van het
bestuursorgaan, maar wel voor het bestuursorgaan; dit laatste vloeit voort
uit artikel 4.4.3.6 [4:109]. Bestuursorganen kunnen het recht tot verrekening in het
algemeen na vijf jaar niet meer uitoefenen (zie artikel
4.4.3.1 [4:104], tweede
lid). Dit geldt zowel wanneer het bestuursorgaan moet betalen aan een
burger als aan een ander bestuursorgaan.
Er zij
op gewezen dat
artikel 4.4.3.5 [4:108] alleen geldt voor zover sprake is van een bestaande
mogelijkheid van verrekening; een verjaarde vordering kan niet meer worden
verrekend met een na de verjaring ontstane schuld. De ratio van deze bepaling
is immers dat iemand die vertrouwend op een verrekeningsbevoegdheid
zijn vordering laat verjaren daarvan niet het slachtoffer mag worden
als zijn vordering eerder verjaart dan de tegenvordering. Ontstaat de
tegenvordering later, dan kan er van zodanig vertrouwen geen sprake
zijn geweest. Daarom blijft deze regel beperkt tot bestaande vorderingen.
Men zie artikel 4.4.1.9 [4:93] dat eveneens spreekt over een "bestaande"
vordering.
Artikel 4.4.3.6
[4:109]
De
artikelen 4.4.3.4 [4:107] en
4.4.3.5 [4:108] zijn voor de burger als schuldeiser van het bestuursorgaan
geschreven. Zij behoren niet te gelden indien de schuldeiser van het bestuursorgaan
een ander bestuursorgaan is. Om te voorkomen dat in beide artikelen
gesproken moet worden over "de schuldeiser van het bestuursorgaan die niet zelf een bestuursorgaan
is" is in
artikel 4.4.3.6 [4:109] bepaald
dat genoemde artikelen niet gelden indien de schuldeiser van het
bestuursorgaan zelf een bestuursorgaan is.
De aanmaning van een
bestuursorgaan dient te voldoen aan het bepaalde in artikel
4.4.4.1.1 [4:112].
Derhalve ligt het in de rede dat een bestuursorgaan als schuldeiser de verjaring
niet kan stuiten door een schriftelijke aanmaning die daaraan niet voldoet
of door een schriftelijke mededeling waarin het zich ondubbelzinnig zijn
recht op nakoming voorbehoudt. Artikel 4.4.3.4
[4:107] is dan ook niet van
toepassing als de schuldeiser een bestuursorgaan is. Wel kan een bestuursorgaan
ingevolge artikel 4.4.3.3 [4:106] de verjaring onder andere stuiten door een
aanmaning als bedoeld in artikel
4.4.4.1.1 [4:112].
Het is redelijk dat
alleen voor de schuldeiser niet zijnde een bestuursorgaan de bevoegdheid tot
verrekening blijft bestaan. Deze zal zich veelal door het enkele bestaan
van de tegenvordering op het bestuursorgaan als bevrijd beschouwen en
slechts tot verrekening overgaan op het moment dat hij zelf wordt
aangesproken door het bestuursorgaan. Op grond van artikel 4.4.3.5
[4:108] zal hij
dit ook kunnen doen als zijn vordering op het bestuursorgaan reeds
verjaard is. Hij kan zich dan opzijn "natuurlijke vordering" beroepen bij
wijze van verweer tegen de vordering tot nakoming van het bestuursorgaan.
Dit geldt niet voor het bestuursorgaan aangezien het
bestuursorgaan op grond van het tweede lid van artikel 4.4.3.1
[4:104] zijn bevoegdheid
tot verrekening is kwijtgeraakt. In het belang van de rechtszekerheid mag
van het bestuursorgaan worden verwacht dat het vóór het voltooien van de
verjaring de bevoegdheid tot aanmaning, verrekening of toepassing van
dwangmiddelen heeft benut.
Artikel 4.4.3.7
[4:110]
Dit artikel regelt de
gevolgen van de stuiting op dezelfde wijze als in het Burgerlijk
Wetboek (artikel
3:319 BW). Stuiting breekt een lopende verjaring af. Door stuiting van de
verjaring begint een nieuwe termijn te lopen met rblz.|58|
de aanvang van de
volgende dag. De nieuwe verjaringstermijn is gelijk aan de oorspronkelijke,
maar niet langer dan vijf jaren. In afwijking van artikel 4.4.3.1
[4:104] kan een
andere oorspronkelijke verjaringstermijn zijn voorgeschreven, zoals bijvoorbeeld in
artikel 5:35. Het derde lid regelt dat geen nieuwe verjaringstermijn
begint te lopen als de verjaring is gestuit door het instellen van een eis
(bij de burgerlijke rechter) die door toewijzing is gevolgd. In dat geval is
artikel 3:324 BW
van toepassing, dat voor rechterlijke uitspraken een
verjaringstermijn van in beginsel twintig jaren regelt, waarover HR 28 juni 2002,
AB 2003, 102, JB 2002, 265.
Artikel 4.4.3.8
[4:111]
Deze gronden voor
verlenging van de verjaring komen overeen met die, genoemd in artikel 27,
tweede lid, van de Invorderingswet
1990. Het overnemen van de grond onder
a
(opgenomen in het eerste lid van artikel
4.4.3.8 [4:111]) strekt ertoe een
milde beoordeling door het bestuursorgaan van verzoeken om uitstel van betaling te bevorderen. De overige gronden,
faillissement, surseance
van betaling en toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
(opgenomen in het tweede lid van artikel
4.4.3.8 [4:111]) zijn om vergelijkbare redenen overgenomen. De verjaringstermijn
wordt in de gevallen,
genoemd in het tweede lid, onderdeel a, b en c, verlengd met de
duur waarin de schuldenaar verkeert in de daar aangeduide situatie.
Anders dan in het
voorontwerp is thans in onderdeel d ook de verlengingsgrond van
artikel 27, tweede lid, onderdeel b, Invorderingswet
1990 overgenomen. Als de
schuldenaar een executiegeschil aanhangig maakt en dit tot gevolg
heeft dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel wordt geschorst, is het
redelijk dat de verjaringstermijn wordt verlengd met de periode
gedurende welke het executiegeschil aanhangig is.
Afdeling 4.4.4.
Aanmaning
en invordering bij dwangbevel
Paragraaf 4.4.4.1. De
aanmaning
Artikel 4.4.4.1.1
[4:112]
Eerste lid
Indien niet tijdig is
betaald en de schuldenaar dus in verzuim is, laat het bestuursorgaan alvorens
over te gaan tot het uitvaardigen van een dwangbevel een
schriftelijke aanmaning volgen waarin wordt verzocht om op korte termijn alsnog
te betalen. Het primaire oogmerk van de aanmaning is de
schuldenaar in de gelegenheid te stellen alsnog de vordering te voldoen. De
schuldenaar wordt tevens gewaarschuwd voor mogelijke
invorderingsmaatregelen. Hij krijgt nog twee weken om zijn schuld te voldoen. Na het
verstrijken van de aanmaningstermijn heeft het bestuursorgaan de
bevoegdheid om tot dwanginvordering over te gaan. Het zal van de
omstandigheden van het geval afhangen of het bestuursorgaan terstond tot
invordering
over zal gaan.
Artikel 4.4.4.1.1
[4:112] is
dwingend van karakter, maar zelfs zonder een daartoe strekkende regeling is
het gebruikelijk om de schuldenaar eerst aan te manen voordat tot
dwanginvordering wordt overgegaan. Er kunnen diverse - soms goed
begrijpelijke - redenen zijn waarom de burger niet binnen de gestelde termijn heeft betaald. Uit een oogpunt van behoorlijk
bestuur is het daarom
gewenst dat het bestuursorgaan de betrokkene er nogmaals op attendeert dat
hij tot betaling dient over te gaan. Het bestuursorgaan kan zich
er daarbij van vergewissen dat betrokkene niet rblz.|59|
om voor het
bestuursorgaan onbekende, maar wellicht goed verklaarbare, redenen weigert te
betalen.
Ook
op praktische gronden
verdient dit aanbeveling. Het is voor het bestuursorgaan niet
doelmatig om na het verstrijken van de reguliere betalingstermijn
voetstoots tot dwanginvordering over te gaan. Voordat de kostbare
invorderingsfase wordt ingegaan, dient het bestuursorgaan er zeker van te zijn dat de
schuldenaar weigerachtig is te betalen.
De aanmaning heeft dan
ook geen betekenis voor het ontstaan van verzuim: integendeel, een
aanmaning is slechts mogelijk indien de schuldenaar al in verzuim is. Dat
betekent ook dat de wettelijke rente inmiddels is gaan lopen. Op het
tijdstip van aanmaning zal deze doorgaans nog niet verschuldigd zijn aangezien het bedrag ervan minder dan €|20,- zal
bedragen (artikel 4.4.2.2 [4:98], tweede lid). De in de aanmaning opgenomen termijn van twee weken,
die de schuldenaar alsnog in de gelegenheid stelt zijn schuld te
voldoen, moet dus niet worden opgevat als een uitstel van het tijdstip
waarop het
verzuim van de schuldenaar intreedt. De aanmaning heeft wel
betekenis voor de mogelijkheid verdergaande - civielrechtelijke dan
wel bestuursrechtelijke - invorderingsmaatregelen te nemen: het bestuursorgaan
kan daar eerst toe overgaan indien het tevoren een aanmaning
heeft toegezonden en niet binnen de daarin gestelde termijn is
betaald. Verwezen zij naar artikel
4.4.4.2.4 [4:117]. Indien de schuldenaar in verzuim is,
dient hij te worden aangemaand, ongeacht of vervolgens al dan niet
bij dwangbevel wordt ingevorderd.
Voor de formulering van
het eerste lid is aansluiting gezocht bij artikel 11 Invorderingswet
1990.
Artikel 4.4.4.1.1 [4:112] staat er niet aan in de weg dat de aanmaning betrekking
heeft op verschillende verplichtingen tot betaling van een geldsom door de
schuldenaar aan het bestuursorgaan. De aanmaningstermijn is in beginsel gesteld
op twee weken. Dit ligt in de lijn
met de thans veel
gebruikte termijnen van twee weken, tien of veertien dagen. Wat de duur van de
termijn betreft, moet bedacht worden dat de schuldenaar op grond van
artikel 4.4.1.3 [4:87] reeds zes weken heeft om zijn schuld te voldoen.
Evenals bij artikel 4.4.1.3 [4:87] is voor de vaststelling van het begin van de
betalingstermijn aangesloten bij artikel 6:8
Awb.
De vraag kan rijzen of de
aanmaning een beschikking is. De aanmaning is in beginsel niet meer dan
een herinnering tot betalen. Anderzijds heeft artikel 4.4.3.3
[4:106] tot
gevolg dat het zenden van een aanmaning een lopende verjaring stuit. In elk
geval moet worden aangenomen dat voor zover voor de aanmaning een vergoeding in rekening wordt gebracht
(vgl. artikel 4.4.4.1.2 [4:113], eerste lid),
van een beschikking sprake is (vgl. ook artikel 7 Kostenwet invordering
[Kostenwet
invordering rijksbelastingen, red.]).
Aangezien de hoogte van deze vergoeding in artikel 4.4.4.1.2
[4:113] op een
forfaitair bedrag is gesteld, leent een aanmaningsbeschikking zich ons inziens niet
voor bezwaar en beroep. Om die reden wordt in onderdeel J
voorgesteld de aanmaning van bezwaar en beroep uit te zonderen.
Artikel 4.4.4.2.4
[4:117] biedt
de mogelijkheid om het zenden van een aanmaning achterwege te laten (zgn.
versnelde invordering) indien bij wet is bepaald dat een schuld
onmiddellijk invorderbaar is. Ten slotte zij opgemerkt dat het mogelijk is om een
schuldenaar in één geschrift aan te manen tot betaling van meer dan
één geldschuld, mits de schuldenaar bij al die schulden in verzuim is.
Onder meer in het belastingrecht komt dit vaak voor.
Tweede lid
Krachtens het tweede lid
kan in afwijking van het eerste lid een andere termijn worden bepaald waarbinnen betaling moet plaatsvinden. Uit een
oogpunt van
rechtszekerheid en uniformiteit verdient het de voorkeur de termijn wettelijk te
regelen. Het belastingrecht kent een termijn van tien rblz.|60|
dagen (artikel 11 Invorderingswet
1990),
waarop de Algemene
termijnenwet van
toepassing is.
Derde lid
In het derde lid wordt
bepaald dat de aanmaning vermeldt dat bij niet-tijdige betaling tot dwanginvordering kan worden overgegaan. De vermelding
van dit feit zal in veel
gevallen een belangrijke stimulans zijn om alsnog te betalen. Onder
"invorderingsmaatregelen" worden niet alleen begrepen de maatregelen
die in afdeling 4.4.4 Awb
zijn uitgewerkt, zoals het dwangbevel, maar ook
de middelen uit het Burgerlijk
Wetboek en het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering. In dit verband zij verwezen naar de toelichting
op artikel 4.4.4.2.3. Afhankelijk van de concrete omstandigheden kan in de aanmaning
concreet worden aangegeven welke maatregel bij niet-tijdige betaling
zal worden genomen.
Artikel 4.4.4.1.2
[4:113]
Eerste lid
Artikel
4.4.4.1.2 [4:113], eerste
lid, kent het bestuursorgaan de bevoegdheid toe om een vergoeding voor de
gemaakte aanmaningskosten in rekening te brengen. De hoogte van
deze vergoeding is op een forfaitair bedrag gesteld. De vergoeding
bedraagt €|6,- indien de schuld minder dan €|454,- bedraagt en €|14,- voor
schulden groter dan €|454,-. Deze tarieven zijn ontleend aan artikel 2
van de Kostenwet
invordering rijksbelastingen. De Kostenwet
zal overigens
naast de Awb
gehandhaafd moeten blijven, omdat zij, vanuit het
streven de invordering kostendekkend te doen zijn, een veel meer
gedetailleerde regeling voor de kosten van invordering geeft. Voor het overige
bestuursrecht is een zo gedetailleerde regeling niet nodig.
Gekozen is voor
forfaitaire bedragen teneinde bij kleine vorderingen te verzekeren dat hoge
aanmaningskosten geen onnodige drempel zouden kunnen opwerpen om tot
invordering over te gaan. Het bestuursorgaan is niet verplicht om de
vergoeding in rekening te brengen: mogelijk overweegt men dat het in rekening
brengen van de vergoeding in verband met de geringe hoogte daarvan
te veel administratieve lasten met zich meebrengt. Anderzijds
gaat het te ver om de aanmaningskosten zonder meer voor rekening van
het bestuursorgaan te laten. In beginsel vallen de gevolgen van niet-tijdige
betaling binnen de risicosfeer van de schuldenaar en is het uit dien hoofde
redelijk om de daaruit voortvloeiende kosten bij hem in
rekening te brengen.
Tweede lid
Op grond van het tweede
lid moet het bestuursorgaan de in rekening te brengen vergoeding in de aanmaning
vermelden.
Derde
lid
Het derde lid geeft de
mogelijkheid de bedragen die voor de aanmaning in rekening kunnen worden
gebracht bij algemene maatregel van bestuur te wijzigen. Daartoe kan
aanleiding zijn bij een algehele stijging van het prijspeil.
rblz.|61|
Paragraaf 4.4.4.2.
Invordering bij dwangbevel
Artikel 4.4.4.2.1
[4:114]
In de bijzondere wetten
waarin het dwangbevel voorkomt, is dit begrip thans niet gedefinieerd.
Omdat het voorstel beoogt paragraaf 4.4.4.2 van toepassing te doen zijn
op elke beschikking die materieel als dwangbevel moet worden aangemerkt,
is het nodig het dwangbevel hier te definiëren. In deze definitie wordt
buiten twijfel gesteld dat het uitvaardigen van een dwangbevel een exclusieve
overheidsbevoegdheid is: zij komt uitsluitend toe aan bestuursorganen.
In enkele bijzondere wetten komen thans ook niet-bestuursorganen met
dwangbevelbevoegdheid voor. In de aanpassingswetgeving
worden de desbetreffende bijzondere wetten zodanig gewijzigd dat
ofwel de voorgestelde artikelen 4.4.4.2.1 tot en met 4.4.4.2.11
[4:114 t/m 4:124] Awb
van
overeenkomstige toepassing zijn, ofwel, voor zover het materieel niet om dwangbevelen gaat, de zogenaamde dwangbevelen
anders worden aangeduid.
Het dwangbevel is een
besluit in de zin van de Awb. In de voorgestelde aanvulling
op artikel 8:4
worden bezwaar en beroep tegen het dwangbevel uitgesloten, maar de
overige bepalingen - met uitzondering van de artikelen 3:41 tot en met
3:45 en artikel 4:8 - van de
Awb
inzake besluiten zijn op het dwangbevel
onverkort van toepassing. Door de verwijzing naar artikel 4.4.1.1
[4:85] wordt
geregeld dat het bestuursorgaan met een dwangbevel uitsluitend "bestuursrechtelijke
schulden" kan invorderen en dus geen privaatrechtelijke.
De bepaling geeft ten slotte aan dat met het dwangbevel de executie
wordt ingeleid. De betaling kan nu worden afgedwongen door middel van
bijvoorbeeld beslag op onroerend goed (of eigenlijk worden omgezet
in het op andere wijze innen van de vordering, namelijk door
bijvoorbeeld vermogensbestanddelen van de schuldenaar te verkopen en de schuld
uit de koopprijs te voldoen).
Artikel 4.4.4.2.2
[4:115]
De bevoegdheid tot
uitvaardiging van een dwangbevel is dermate ingrijpend - het bestuursorgaan
kan zich zonder tussenkomst van de burgerlijke rechter zelf een
executoriale titel verschaffen - dat deze slechts bij formele wet dient te
kunnen worden geattribueerd. Er is geen reden om thans als hoofdregel in
de Awb
de dwangbevelbevoegdheid toe te kennen voor alle
bestuursrechtelijke geldvorderingen en eventuele uitzonderingen aan de bijzondere wetten
over te laten. Het aantal uitzonderingen zou te groot zijn.
Artikel 4.4.4.2.3
[4:116]
In deze bepaling wordt
het dwangbevel "bij de wet als executoriale titel aangewezen" in de zin
van artikel 430, eerste lid, Rv. Artikel 430 luidt:
"-1. De grossen van in
Nederland gewezen vonnissen, van beschikkingen van de Nederlandse
rechter en van in Nederland verleden authentieke akten alsmede van andere
bij de wet als executoriale titel aangewezen stukken kunnen in geheel
Nederland worden ten uitvoer gelegd.
-2. Zij moeten aan het
hoofd voeren de woorden: In naam des Konings.
-3. Zij kunnen niet worden
ten uitvoer gelegd dan na betekening aan de partij tegen wie de
executie zich zal richten."
Aldus wordt de essentie
weergegeven van het dwangbevel, te weten de bevoegdheid van een bestuursorgaan om zichzelf
- zonder tussenkomst
van de (burgerlijke)
rechter - een executoriale titel te verschaffen.
rblz.|62|
De
voorgestelde
verwijzing heeft tot gevolg dat ook de andere bepalingen van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering die - direct en indirect - bij de totstandkoming en
tenuitvoerlegging van executoriale titels een rol spelen (onder meer
vormvoorschriften, betekening, wijzen van tenuitvoerlegging, executiegeschil,
procesrecht, kostenveroordeling, procesvertegenwoordiging, rechtsmiddelen) hier van
toepassing zijn. Na de betekening van het
dwangbevel aan de schuldenaar overeenkomstig artikel 4.4.4.2.10
[4:123] Awb
volgt de fase waarin het dwangbevel ten uitvoer wordt gelegd (artikel 430
Rv). Artikel 4.4.4.2.3
[4:116] Awb
bevat het kader op grond waarvan de
tenuitvoerlegging (executie) van een dwangbevel plaatsvindt.
Deze tenuitvoerlegging
geschiedt zoals gezegd overeenkomstig de regels van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering met betrekking tot de tenuitvoerlegging van
vonnissen en authentieke akten zoals neergelegd in het Tweede Boek van dat
Wetboek. De tenuitvoerlegging vangt doorgaans aan met het bevel tot
betaling aan de schuldenaar door de (gerechts)deurwaarder. Dit bevel
tot betaling houdt in een bevel om de in het dwangbevel vermelde
schuld binnen twee dagen te betalen. Het bevel tot betaling wordt in de
regel tegelijk gedaan met de betekening van het dwangbevel. Indien niet
binnen twee dagen aan het bevel tot betaling wordt voldaan, wordt de
tenuitvoerlegging van het dwangbevel voortgezet. Alsdan gaat de
gerechtsdeurwaarder bijvoorbeeld over tot het leggen van beslag. Voor
de beslaglegging komen in aanmerking alle mogelijkheden die de
schuldeiser op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten
dienste staan. Wat betreft de verhaalsmiddelen die mogelijk zijn, worden
als voorbeeld de volgende beslagen genoemd:
- executoriaal beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn (artikelen 439 tot en met
474 Rv);
- executoriaal beslag
onder derden (artikelen 475 tot en met 479g Rv);
- executoriaal beslag op onroerende zaken (artikelen 502 tot en met 513a
Rv);
- executoriaal beslag op schepen (artikelen 562a tot en met 584 Rv).
De tenuitvoerlegging van
het dwangbevel door beslaglegging wordt, bij gebreke van vrijwillige
betaling, voortgezet door verkoop van de in beslag genomen goederen door de
gerechtsdeurwaarder teneinde de opbrengst van die verkoop aan te
wenden voor voldoening van de schuld waarvoor beslag is gelegd.
Tenzij anders wordt
bepaald, zijn dus, anders dan - onder het oude recht - in Gerechtshof ’s-Hertogenbosch
19 juni 1986, NJ 1987, 473, werd geoordeeld, ook de bepalingen uit het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering betreffende het
executiegeschil op het dwangbevel van toepassing. In de huidige bijzondere
wetgeving wordt steeds anders bepaald: tegen (de tenuitvoerlegging van)
het dwangbevel wordt het rechtsmiddel van verzet opengesteld. Thans wordt
voorgesteld de bepalingen in de bijzondere wetten met betrekking tot
het verzet te schrappen en aldus het verzet te vervangen door, of
liever: te laten opgaan in, het executiegeschil van artikel 438 Rv.
Deze verandering lijkt
groter dan zij is. Het verzet wijkt thans reeds zowel procedureel als
inhoudelijk niet wezenlijk af van het executiegeschil in de zin van artikel 438
Rv.
Ook nu is het gebruikelijk dat een verzetprocedure tegen een dwangbevel niet
door de sector bestuursrecht, maar door een civiele kamer van de
rechtbank wordt behandeld. Er is geen goede reden meer om een
executiegeschil in verband met de tenuitvoerlegging van een dwangbevel nog een
andere naam te geven dan andere executiegeschillen. Voor een uitgebreide
toelichting op de regeling van het executiegeschil in
artikel 438 Rv
wordt verwezen naar Kamerstukken II 1981-1982, 16 593, nrs. 3
en 5.
rblz.|63|
Kort gezegd houdt de
regeling het volgende in. In het eerste lid van artikel 438 Rv
worden de absolute
(rechtbank) en relatieve (vier mogelijkheden) competentie met
betrekking tot de bodemprocedure geregeld. De gewone dagvaardingsprocedure van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van toepassing, zowel
in de bodemzaak als in kort geding. Het aanhangig maken van een
executiegeschil bij de rechtbank schorst, anders dan het verzet in
sommige van de huidige bijzondere regelingen, de executie niet.
Schorsing en diverse andere specifieke uitspraken kunnen worden gevraagd in
het in het tweede lid geregelde "executiekortgeding". Dit moet worden
opgevat als een species van het algemene kort geding van artikel
289 Rv. Extra bevoegdheden van de voorzieningenrechter ingevolge artikel 438,
tweede lid, Rv
zijn: de executie schorsen voor een bepaalde tijd of
totdat het geschil zal zijn beslist, bepalen dat executie slechts tegen
zekerheidstelling mag plaatsvinden of worden voortgezet, het opheffen,
al dan niet tegen zekerheidstelling, van beslagen, het gedurende
de executie bevelen van herstel van verzuimde formaliteiten en bepalen
te wiens laste de kosten daarvan zullen komen, het bepalen dat een in
het geding geroepen derde de voortzetting van de executie moet gedogen of
daaraan moet meewerken, al dan niet tegen zekerheidstelling door
de executant.
Het derde lid van artikel
438 Rv
bevat een bijzondere regeling voor verwijzing van de kortgeding- naar
de bodemprocedure. Het vierde lid geeft ook de (gerechts)deurwaarder
die met de executie is belast de mogelijkheid om bij problemen de kortgedingrechter te adiëren (het zogenaamde "deurwaardersrenvooi").
Zowel de geëxecuteerde
(doorgaans de schuldenaar) als een belanghebbende derde kan een executiegeschil aanhangig maken. Dit in tegenstelling
tot bij voorbeeld artikel
17 Invorderingswet
1990, dat als mogelijke opposant slechts de
belastingschuldige noemt. De derde dient daartoe overigens ingevolge het
vijfde lid van artikel 438 Rv
zowel de executant als de geëxecuteerde te
dagvaarden.
Het executiegeschil richt
zich tegen de tenuitvoerlegging van de executoriale titel. Dit heeft in geval
van executie van een dwangbevel twee gevolgen. Ten eerste
kunnen gebreken in het dwangbevel zelf ook aan de orde komen, aangezien het
dwangbevel als onderdeel van de tenuitvoerlegging moet worden beschouwd.
Dit is overeenkomstig (de uitleg in de praktijk van) artikel 17 Invorderingswet
1990.
Ten tweede betekent het
dat gebreken in de onderliggende beschikking (de betalingstitel) in
het executiegeschil in beginsel niet ter discussie staan. De beoordeling
daarvan behoort in een procedure voor de bestuursrechter te
geschieden. Dit geldt ook indien die beschikking nog geen formele rechtskracht
heeft. Ook uit een dergelijke beschikking vloeit immers een verplichting
tot betaling voort. Het risico dat de beschikking, nadat de executie is
aangevangen, in een bodemprocedure tegen die beschikking wordt vernietigd en de tenuitvoerlegging achteraf onrechtmatig
moet worden geacht, kan
het bestuursorgaan ertoe brengen de executie vrijwillig op te
schorten. Zo nodig kan de geëxecuteerde in een executiekortgeding op
grond van artikel 438, tweede lid, Rv
schorsing van de executie vorderen.
Algemeen wordt aangenomen dat het in strijd is met de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur om een evident onrechtmatig besluit ten
uitvoer te leggen. Indien aan de verplichting tot betaling geen beschikking
ten grondslag ligt, zal de betalingsverplichting wel in het
executiegeschil aan de orde kunnen komen.
Het executiegeschil
behoeft, anders dan enkele van de bestaande verzetprocedures, niet binnen een
bepaalde
termijn aanhangig te worden gemaakt. Aangezien het ten uitvoer leggen niet gebonden is aan een termijn (afgezien van een
redelijke termijn ingegeven door algemene beginselen van behoorlijk bestuur), heeft een wettelijke
"verzetstermijn"
geen zin. Overigens is
het denkbaar dat het aanhangig maken van een rblz.|64|
geschil na het
verstrijken van een redelijke termijn als misbruik van (proces)recht wordt
aangemerkt.
Artikel 4.4.4.2.4
[4:117]
Eerste lid
De mogelijkheid om in een
concreet geval van niet (volledige) betaling een dwangbevel uit te
vaardigen, ontstaat op het tijdstip dat de tweede, dat wil zeggen de in de
aanmaning genoemde, betalingstermijn is verstreken. Aanmaning
overeenkomstig artikel 4.4.4.1.1
[4:112] is dus een ontstaansvoorwaarde voor
de dwangbevelbevoegdheid. Het tijdstip waarop deze ontstaat, zal
doorgaans ten minste acht weken (zes weken ingevolge artikel
4.4.1.3 [4:87], eerste lid, plus twee weken ingevolge artikel
4.4.4.1.1 [4:112], eerste lid) na
de beschikking liggen. Het is mogelijk dat de betalingsbeschikking dan
al formele rechtskracht heeft gekregen - bijvoorbeeld als de
bezwaartermijn ongebruikt is verstreken - maar dat hoeft niet (indien
wél
een procedure aanhangig is).
Voor het
tijdstip van
ontstaan van de dwangbevelbevoegdheid is het einde van de
aanmaningstermijn gekozen en niet bijvoorbeeld het moment waarop de
betalingsbeschikking formele rechtskracht heeft verkregen. Hoewel deze
laatste mogelijkheid de complicaties voorkomt die ontstaan indien de
beschikking wordt vernietigd nadat het dwangbevel is uitgevaardigd, is
hiervoor toch niet gekozen, omdat het instellen van een rechtsmiddel,
evenmin als bij een bij voorraad uitvoerbaar verklaard civiel vonnis,
de bevoegdheid tot uitvaardiging van een dwangbevel niet opschort. Overigens
kan ook een civiel vonnis dat nog niet in kracht van gewijsde is
gegaan, worden geëxecuteerd. Zoals gezegd, kan wel in een executiegeschil ex artikel 438
Rv
de schorsing van de executie
worden gevraagd.
Een alternatieve
mogelijkheid was nog het moment van ontstaan van de dwangbevelbevoegdheid te
laten samenvallen met het moment waarop het verzuim is
ingetreden. Daarvoor is niet gekozen, omdat in het belang van de schuldenaar een
laatste waarschuwing op zijn plaats is bij een dergelijk ingrijpend
middel. Overigens mag op grond van de huidige praktijk worden aangenomen dat ook het bestuursorgaan zelf behoefte heeft aan de aanmaning,
en wel als laatste mogelijkheid om eventuele missers (onjuiste adressering
e.d.) te herstellen of te voorkomen en zo het aansprakelijkheidsrisico
te beperken.
Tweede lid
Het tweede lid van
artikel 4.4.4.2.4 [4:117] opent de mogelijkheid dat de wet bepaalt dat een
dwangbevel onmiddellijk na het ontstaan van de betalingsverplichting kan
worden uitgevaardigd. In dat geval is geen aanmaning nodig. Is reeds
een aanmaning verzonden, dan kan zo nodig nog vóór het
verstrijken van de daarin gestelde betalingtermijn tot uitvaardiging en tenuitvoerlegging van
het dwangbevel worden overgegaan. Ten slotte kan een
dwangbevel zo nodig vóór het verstrijken van de in het bevel tot betaling
genoemde termijn worden ten uitvoer gelegd (vgl. de artikelen 10 en 15 Invorderingswet
1990). Al deze mogelijkheden zijn bedoeld voor gevallen
waarin aanwijzingen bestaan dat de schuldenaar de betalingstermijn zal
misbruiken om activa buiten het bereik van de overheid te brengen of
zich anderszins aan betaling te onttrekken. Er kan dan behoefte bestaan aan
een mogelijkheid om terstond tot invordering over te gaan; vooral in
het fiscale recht kan de bevoegdheid daartoe niet worden gemist. Het gaat
echter wel om een zodanig ingrijpende bevoegdheid dat het wenselijk is om
haar niet in het algemeen toe te kennen, maar rblz.|65|
de beslissing in welke
gevallen zij onmisbaar is aan de bijzondere formele wetgever over te laten.
Artikel 4.4.4.2.5
[4:118]
Dit artikel voorkomt dat
de schuldenaar voorafgaand aan het doen uitgaan van een aanmaning zou
moeten worden gehoord. Een hoorplicht is niet verenigbaar met de aard
en de wijze van totstandkoming van de aanmaning en van het dwangbevel in
de nieuw voorgestelde regeling. Verwezen zij ook naar de toelichting op
artikel 4.4.4.1.1 over de aanmaning en naar
het voorstel om bezwaar
en beroep tegen de aanmaning en het dwangbevel uit te sluiten (onderdeel
U [onderdeel J, red.]).
Artikel 4.4.4.2.6
[4:119]
Eerste lid
Uit het eerste lid, in
samenhang met artikel 4.4.4.1.2
[4:113], volgt welke posten bij dwangbevel kunnen
worden ingevorderd, namelijk: hoofdsom, aanmaningsvergoeding,
wettelijke rente en de kosten van het dwangbevel. Dit geldt uiteraard
slechts indien verschuldigd en opeisbaar en voor zover nog niet
voldaan. Voor de executiekosten (kosten van executoriaal beslag, aanplakking,
advertentie, veiling, etc.) volgt reeds uit de artikelen 277, 253 en 270
van Boek 3 van
het Burgerlijk Wetboek dat zij ten laste komen van de zogenaamde geëxecuteerde: de kosten van executie
worden uit de
geëxecuteerde goederen voldaan. Dit komt eveneens tot uiting in de artikelen
474, 477, tweede lid, 480 en 524 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
Het is mogelijk dat in
bijzondere wetgeving is voorzien in de mogelijkheid aanvullende posten bij
dwangbevel in te vorderen. Artikel 4.4.4.2.6
[4:119] staat daar niet aan in de weg.
Zo kan wat betreft het fiscale recht gewezen worden op de artikelen 6
van de Kostenwet
invordering rijksbelastingen (de aan derden toekomende
bedragen) en 28 van de Invorderingswet
1990 (de invorderingsrente).
Tweede lid
Het tweede lid voorziet
erin dat verschillende vorderingen tussen dezelfde partijen die bij
dwangbevel kunnen worden ingevorderd, in één dwangbevel kunnen worden
gebundeld. Dit is, in verband met de kosten, in het belang van beide
partijen. Onder omstandigheden kunnen de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur zelfs hiertoe verplichten (HR 29 mei 1996, BNB 1996,
249). De bepaling is ontleend aan artikel 12 Invorderingswet
1990.
Artikel 4.4.4.2.7
[4:120]
Eerste lid
Zoals opgemerkt in de
toelichting op artikel 4.4.4.2.6 komen de kosten van de executie in
beginsel ten laste van de geëxecuteerde. Hoe deze kosten worden betaald en
aan wie volgt uit het BW
en het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering. Uit artikel 3:277, eerste lid, BW
volgt dat de executiekosten als eerste
uit de executieopbrengst worden betaald. De deurwaarder is
verantwoordelijk voor de opbrengst en voldoet daaruit onverwijld de kosten van
de executie (artikelen 474 en 524 Rv). Vervolgens wordt uit de netto-opbrengst de executant, als er geen andere rechthebbenden
zijn, betaald (artikelen
480 en 551 Rv). Over dit alles behoeft dus niets in de Awb
te worden
bepaald. Wel dient uitdrukkelijk te worden rblz.|66|
bepaald dat de kosten van
de tenuitvoerlegging van een dwangbevel worden gedragen door
degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd. Dat gebeurt in het
voorgestelde eerste lid van artikel 4.4.4.2.7
[4:120]. Dat de kosten van betekening van
een dwangbevel voor rekening van de schuldenaar komen, volgt reeds uit het
op artikel 434a Rv
gebaseerde Besluit tarieven ambtshandelingen
gerechtsdeurwaarders. De kosten van betekening van een dwangbevel door
een belastingdeurwaarder zijn geregeld in de Kostenwet invordering [Kostenwet
invordering rijksbelastingen, red.].
Tweede lid
Onder de "kosten van
tenuitvoerlegging van een dwangbevel" vallen niet alleen de gerechtelijke
maar ook de buitengerechtelijke kosten. De gerechtelijke kosten worden berekend
met toepassing van het Besluit tarieven ambtshandelingen
gerechtsdeurwaarders. Als uitgangspunt geldt de vergoeding van de kosten
van de ambtshandelingen van de gerechtsdeurwaarders. Deze moeten ruim worden
uitgelegd. Artikel 1 van het besluit stelt dat de vergoedingen
mede de werkzaamheden omvatten die rechtstreeks met de ambtshandeling
samenhangen en voor de goede uitvoering van die ambtshandeling
nodig zijn (voorbereidende, uitvoerende en afrondende
werkzaamheden). Het besluit noemt ten aanzien van verschillende werkzaamheden vaste
bedragen die gebaseerd zijn op werkelijk gemaakte kosten.
Daarnaast voorziet het tweede lid in een vergoedingsbasis voor buitengerechtelijke
kosten. Gedacht kan worden aan het voorafgaand aan de gerechtelijke
tenuitvoerlegging treffen en administreren van een betalingsregeling met de schuldenaar. De tarieven voor de
buitengerechtelijke
kosten zullen bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld.
Derde lid
Het derde lid komt
overeen met het huidige artikel 5:25, vijfde lid, Awb (in
dit voorstel vernummerd
tot vierde lid), waarin is bepaald dat de kosten van bestuursdwang ook
verschuldigd zijn indien de bestuursdwang door opheffing van de
onwettige situatie niet of niet volledig is uitgevoerd.
Artikel 4.4.4.2.8
[4:121]
In dit artikel wordt een
praktische voorziening getroffen voor het specifieke geval dat krachtens
dwangbevel beslag gelegd wordt tot invordering van een in termijnen
betaalbare schuld.
Een dwangbevel kan in de
regel pas worden uitgevaardigd als een schuld invorderbaar is. Bij geldvorderingen die in termijnen worden betaald,
betekent dit dat het
dwangbevel alleen op de tot de datum van uitvaardiging vervallen termijnen
betrekking zou kunnen hebben. Voor een nadien vervallen termijn zou een
nieuw dwangbevel moeten worden uitgevaardigd en opnieuw (bijvoorbeeld) beslag moeten worden gelegd. Om onnodige kosten en procedures te
vermijden, voorziet dit artikel er daarom in dat de na het dwangbevel
maar vóór beslaglegging vervallen termijnen eveneens in het beslag
kunnen worden betrokken. Voorwaarde is uiteraard wel dat op het moment dat
het beslag wordt gelegd de omvang van de invorderbare termijnen
ondubbelzinnig uit het dwangbevel blijkt. Deze bepaling is ontleend aan
artikel 16 Invorderingswet
1990.
Artikel 4.4.4.2.9
[4:122]
In deze en de volgende
bepaling zijn de aan het dwangbevel te stellen vormvereisten opgenomen
die niet reeds volgen uit de - niet in afdeling 4.4.4 uitgesloten
- algemene wettelijke voorschriften in Awb
en Rv
voor beschikkingen,
executoriale titels en exploten. Bestudering van genoemde rblz.|67|
wettelijke voorschriften
leert ten eerste dat moet worden onderscheiden tussen de eisen die
moeten worden gesteld aan de beschikking (het dwangbevel) en aan de
bekendmaking (exploot) ervan. Ten tweede blijkt dat in aanvulling op Awb
en Rv in ieder geval nog geregeld moeten worden dat het dwangbevel
inhoudt:
- het opschrift "dwangbevel";
- de te betalen
bedragen;
- de bevoegdheid van
het bestuursorgaan tot tenuitvoerlegging op kosten van degene die tot
betaling verplicht is (in de huidige praktijk wordt dit bovendien in
het exploot vermeld).
Dit betekent onder meer
dat in het onderhavige wetsvoorstel niet nogmaals wordt
voorgeschreven dat het dwangbevel de voor executoriale titels essentiële
woorden "In naam des Konings" aan het hoofd dient te voeren, aangezien dit
voorschrift reeds geldt op grond van artikel 430, tweede lid, Rv. Overigens
is bij de Wet van 22 juni 1891, Stb. 1891, 125, bepaald dat zolang een
koningin de kroon draagt, in plaats van het woord "Koning" het woord
"Koningin" moet worden gebezigd. Ook is niet afzonderlijk
bepaald dat naast
het
wettelijk voorschrift of de beschikking, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel c, zo nodig een nadere aanduiding van de schuld in het
dwangbevel moet worden vermeld. Dit volgt immers reeds uit afdeling 3.7
Awb (motivering). Evenmin is in dit voorstel
bepaald dat een
dwangbevel niet kan worden ten uitvoer gelegd voordat het is betekend. Deze
regel volgt immers reeds uit artikel 430, derde lid, Rv. De pendant daarvan in
de Awb, artikel
3:40, is daarmee overigens in overeenstemming.
Ten slotte wordt
erop gewezen dat voor het leggen van beslag op roerende of onroerende
zaken vereist is dat bij deurwaardersexploot bevel wordt gedaan om binnen
twee dagen aan de executoriale titel (i.c. het dwangbevel) te voldoen
(artikelen 439 en 502 Rv). Het bevel tot betaling is de eerste daad van
executie. In de praktijk pleegt men ofwel de betekening van het dwangbevel en het
bevel tot betaling bij hetzelfde exploot te doen, ofwel het bevel tot
betaling in het dwangbevel op te nemen.
Artikel 4.4.4.2.10
[4:123]
Verwezen zij in de eerste
plaats naar de toelichting op artikel
4.4.4.2.9 [4:122]. Daarnaast is in het
bijzonder met betrekking tot artikel 4.4.4.2.10
[4:123] nog het volgende van belang.
Eerste lid
In het eerste lid wordt
bepaald dat een dwangbevel niet als andere beschikkingen
overeenkomstig de artikelen 3:41 e.v. Awb wordt bekendgemaakt, maar evenals andere
executoriale titels door middel van betekening, dat wil zeggen door het
doen van een deurwaardersexploot conform het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering. Ingevolge artikel 45, tweede
lid, Rv
moeten in een
exploot ten minste worden vermeld:
a. de datum van de
betekening;
b. de naam, en in het
geval van een natuurlijke persoon tevens de voornamen, en de woonplaats van
degene op wiens verzoek de betekening geschiedt;
c. de voornamen, de naam
en het kantooradres van de deurwaarder;
d. de naam en de
woonplaats van degene voor wie het exploot is bestemd;
e. degene aan wie
afschrift van het exploot is gelaten, onder vermelding van diens hoedanigheid.
rblz.|68|
In
deze opsomming in het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering worden de kosten van het
exploot niet vermeld. Voor gerechtsdeurwaarders geldt
op grond van de
Gerechtsdeurwaarderswet
de verplichting om de kosten van een exploot
aan de voet van het origineel van het exploot te vermelden. Het ligt voor
de hand in de regelgeving met betrekking tot de belastingdeurwaarders
naar deze verplichting te verwijzen.
Tweede lid
Het tweede lid van
artikel 4.4.4.2.10 [4:123] schrijft het vermelden van een rechtsmiddelclausule in
het exploot voor (naar analogie van artikel 3:45 Awb). Het exploot
vermeldt in ieder geval de rechtbank waarbij tegen het dwangbevel en de
tenuitvoerlegging ervan overeenkomstig de artikelen 438 en 438a Rv
kan worden
opgekomen. In het exploot kan worden volstaan met de
vermelding van één van de rechtbanken die op grond van genoemde artikelen
bevoegd is. Met het "opkomen tegen het dwangbevel" wordt niet alleen gedoeld
op (evidente) fouten in het dwangbevel,
maar ook opgevallen
waarin de betalingsverplichting niet bij beschikking is vastgesteld.
Voor zover
de betalingsverplichting bij beschikking is vastgesteld, heeft bezwaar en
beroep op grond van de Awb opengestaan. In verband hiermee wordt de
Awb-rechtsgang tegen het dwangbevel in dit voorstel uitgesloten
(wijziging van artikel 8:4).
Overigens wordt opgemerkt
dat een executiegeschil - volgens de regels van het burgerlijk
procesrecht - wordt aangespannen door dagvaarding van de rechtspersoon
waarvan het bestuursorgaan deel uitmaakt.
Artikel 4.4.4.2.11
[4:124]
Dit artikel strekt ertoe
tot uitdrukking te brengen dat een bestuursorgaan ten aanzien van de
invordering gebruik kan blijven maken van de gewone bevoegdheden van een
schuldeiser. Dit is niet anders indien de bevoegdheid tot uitvaardiging van een
dwangbevel is toegekend.
Bij de totstandkoming van
de Invorderingswet
1990 heeft zich de vraag voorgedaan of moet worden uitgegaan van een
"open" dan wel van een "gesloten" systeem van
bevoegdheden. Een gesloten systeem houdt in dat de ontvanger
uitsluitend de middelen mag hanteren die hem expliciet ter beschikking zijn
gesteld. Een open systeem houdt in dat de ontvanger de bevoegdheden heeft die
een crediteur in het privaatrecht ook heeft, maar dat hij daarenboven
nog de beschikking heeft over de bijzondere bevoegdheden die zijn
neergelegd in de Invorderingswet (Kamerstukken II 1987-1988, 20 588, nr. 3,
blz. 7). De Invorderingswet 1845 kende een gesloten systeem. In de
Invorderingswet 1990 is uitdrukkelijk gekozen voor een open systeem; men zie
artikel 3, tweede lid, van die
wet. Het open systeem brengt met zich
dat de ontvanger ook beschikt over privaatrechtelijke bevoegdheden zoals het
aanvragen van het faillissement van de belastingschuldige, de
actio pauliana, het bedingen van cessies tot zekerheid en het leggen van
conservatoir beslag.
In dit wetsvoorstel is
eveneens gekozen voor een open systeem van bevoegdheden tot
invordering van bestuursrechtelijke geldschulden. Een bestuursorgaan heeft de
bevoegdheden die een schuldeiser ingevolge het privaatrecht toekomen en
het beschikt bovendien over de bevoegdheden die hem op grond van enig
bestuursrechtelijk wettelijk voorschrift zijn toegekend.
Volledigheidshalve zij vermeld dat de privaatrechtelijke bevoegdheden van het
bestuursorgaan strikt genomen bevoegdheden zijn van de rechtspersoon
waarvan het bestuursorgaan deel uitmaakt. Zulks wordt ook in het
voorgestelde vierde lid van artikel 1:1 tot uitdrukking gebracht.
Met betrekking tot de
verhouding tussen de bestuursrechtelijke en de privaatrechtelijke
bevoegdheden zij opgemerkt dat in een open systeem de bevoegdheden naast
elkaar kunnen worden aangewend. Het is dus niet rblz.|69|
zo dat het gebruik van de
bestuursrechtelijke bevoegdheden het gebruik van de privaatrechtelijke bevoegdheden uitsluit. Dit is slechts anders
indien zulks
uitdrukkelijk is geregeld. Ook in dit opzicht wordt aangesloten bij het systeem van de
Invorderingswet 1990.
Afdeling 4.4.5.
Bezwaar en
beroep
Artikel 4.4.5.1
[4:125]
Eerste lid
In verschillende reacties
op het voorontwerp is opgemerkt dat titel
4.4, nu hij naast de beschikking
tot betaling nogal wat andere soorten beschikkingen kent, meer
aanknopingspunten biedt voor bezwaar en beroep dan voor een effectieve
rechtsbescherming noodzakelijk is. Uit een oogpunt van proceseconomie is
het
inderdaad wenselijk indien niet tegen iedere afzonderlijke beschikking
bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld. Artikel 4.4.5.1
[4:125] beoogt
hiervoor een voorziening te bieden, die is ontleend aan het huidige
artikel 6:19 Awb. Het eerste lid van dit artikel brengt mee dat bezwaar of
beroep tegen een betalingsbeschikking zich mede richt tegen een
bijkomende beschikking, zoals een beschikking omtrent verrekening,
uitstel van betaling en dergelijke, voor zover de belanghebbende deze
bijkomende beschikking betwist.
Deze laatste voorwaarde
is opgenomen omdat het natuurlijk ook kan voorkomen dat de
belanghebbende die de betalingsbeschikking aanvecht er geen behoefte aan
heeft om de bijkomende beschikking aan te vechten, bijvoorbeeld omdat
daarbij het gevraagde uitstel van betaling wordt verleend onder
voorschriften waarbij de belanghebbende zich neerlegt.
De belanghebbende zal dus
aan het bestuursorgaan of de rechter moeten laten blijken dat hij
zich niet in de bijkomende beschikking kan vinden. Hij kan dit doen op
dezelfde
wijze als waarop hij enig ander standpunt in de procedure inneemt: in een
schriftelijk processtuk, maar - binnen de grenzen van een goede
procesorde - onder omstandigheden ook nog mondeling ter zitting. De
implicatie van één en ander is dat de bijkomende beschikking niet rechtens
onaantastbaar wordt zolang het bezwaar of beroep tegen de
hoofdbeschikking nog aanhangig is.
De regeling geldt slechts
als de bijkomende beschikking afkomstig is van hetzelfde bestuursorgaan
als de hoofdbeschikking. Doorgaans is dat het geval, maar in het
belastingrecht zal als regel de hoofdbeschikking worden gegeven door de
inspecteur en de bijkomende beschikking door de ontvanger. Het
combineren van procedures tegen twee verschillende bestuursorganen zou te
veel complicaties geven.
Het bestuursorgaan dient
de belanghebbende te wijzen op de mogelijkheid om de bijkomende
beschikking te betwisten; dit volgt uit de strekking van artikel 3:45
Awb.
Indien de belanghebbende hangende een beroep tegen de
betalingsbeschikking toch gewoon een bezwaarschrift tegen de bijkomende beschikking
indient, dient het bestuursorgaan dit ingevolge artikel 6:15
Awb
door te
zenden naar de instantie waarbij het beroep aanhangig is; daaruit
blijkt dan tevens dat de belanghebbende de bijkomende beschikking betwist. De
strekking van artikel 4.4.5.1
[4:125] is immers dat hangende de procedure
tegen de betalingsbeschikking geen afzonderlijk beroep tegen een
bijkomende beschikking meer mogelijk is; alleen dan wordt de
proceseconomische doelstelling bereikt. Dit is in overeenstemming met de uitleg die in de
jurisprudentie is gegeven aan het vergelijkbare artikel 6:19
Awb
(CRvB
24
maart 1998, JB 1998, 134). Als echter op het tijdstip waarop de
bijkomende beschikking wordt gegeven geen procedure tegen de betalingsbeschikking (meer) aanhangig is, kan tegen
de bijkomende beschikking
wel afzonderlijk bezwaar worden gemaakt en beroep worden ingesteld.
Zoals reeds gezegd, sluit
de redactie van artikel 4.4.5.1
[4:125] aan bij die van
rblz.|70|
artikel 6:19. De vraag
kan rijzen wat de verhouding is tussen beide artikelen. Artikel 6:19 voorziet in
de mogelijkheid een wijzigings- of intrekkingbesluit in een
lopende bezwaar- of beroepsprocedure mee te nemen indien het wijzigings- of
intrekkingbesluit valt binnen de grondslag en de reikwijdte van het
bestreden besluit. Ook hier geldt als uitgangspunt dat het nieuwe besluit
afkomstig moet zijn van hetzelfde orgaan als dat welke het bestreden besluit heeft genomen. De bijkomende beschikkingen,
bedoeld in artikel
4.4.5.1 [4:125], zijn niet aan te merken als beschikkingen die vallen binnen de
grondslag en reikwijdte van de bestreden beschikking, te weten de beschikking
waarbij de verplichting tot betaling van een geldsom is vastgelegd. Om
deze reden is behoefte aan een aparte bepaling waarin dit is geregeld en
wordt in artikel 4.4.5.1 [4:125] expliciet bepaald dat de bijkomende beschikking
afkomstig moet zijn van hetzelfde bestuursorgaan als dat dat de
beschikking, inhoudende de verplichting tot betaling van een geldsom, heeft
vastgesteld.
Er kan sprake zijn van
een samenloop tussen de beide artikelen in de gevallen dat in een
procedure waarbij de beschikking tot betaling van een geldsom op grond van
artikel 4.4.5.1 [4:125] tezamen met één of meer bijkomende beschikkingen aan de orde
is, het betrokken bestuursorgaan besluit tot wijziging of
intrekking van een bijkomende beschikking. Alsdan zal in de lopende
procedure op grond van artikel 6:19 dit
wijzigings- of intrekkingsbesluit ook
meegenomen kunnen worden. Wanneer bijvoorbeeld de hoogte van een
voorschot wordt gewijzigd, dan kan het bezwaar of beroep tegen de
betalingsbeschikking tevens zijn gericht tegen die wijziging. Zulks volgt
uit de samenhang van artikel 4.4.5.1
[4:125] met
artikel 6:18 juncto 6:19. Dat het
beroep tegen de betalingsbeschikking, wanneer daartoe
een verzoek wordt gedaan,
tevens is gericht tegen de verlening van het voorschot, volgt uit het
hier voorgestelde artikel. Op grond van artikel
6:18, eerste lid, brengt
het aanhangig zijn van bezwaar of beroep geen wijziging in de bestaande
bevoegdheid tot intrekking of wijziging. Uit artikel
6:19, eerste lid,
volgt dat het bezwaar of beroep van rechtswege wordt geacht mede te zijn
gericht tegen de intrekking of wijziging, tenzij de intrekking of
wijziging aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.
Goed mogelijk is dat de
bijkomende beschikking eerst wordt genomen op een tijdstip dat de
beschikking tot betaling al niet meer vatbaar is voor bezwaar of beroep.
Artikel 4.4.5.1 [4:125] staat in dit soort gevallen niet aan een afzonderlijk bezwaar of
beroep in de weg. Wanneer bijvoorbeeld een beschikking tot uitstel
van betaling wordt ingetrokken, terwijl de betalingsbeschikking zelf al formele
rechtskracht heeft, dan blijft de mogelijkheid bestaan om separaat
beroep in te stellen tegen de intrekking van het uitstel. Evenmin staat
dit artikel in de weg aan bezwaar of beroep tegen de nadere beschikking indien
de verplichting tot betaling van rechtswege is ontstaan, zonder dat dit
bij beschikking is vastgesteld (vgl. artikel
4.4.1.4 [4:88]).
Tweede lid
Wanneer bezwaar
wordt gemaakt of
beroep wordt ingesteld tegen een bijkomende beschikking, wordt dit
bezwaar of beroep geacht mede te zijn gericht tegen eventuele andere
bijkomende beschikkingen, voor zover de belanghebbende deze betwist. Dit is niet
anders indien de betalingsbeschikking reeds formele
rechtskracht heeft gekregen. Het tweede lid bevat hiervoor een voorziening. Wanneer
bijvoorbeeld beroep wordt ingesteld tegen de weigering van
kwijtschelding van een geldschuld, richt dit beroep zich mede tegen de verrekening
van die geldschuld, voor zover deze verrekening wordt betwist. Het maakt
daarvoor geen verschil of de beschikking waarbij de verplichting
tot betaling van de geldsom is vastgesteld al formele rechtskracht
heeft. Voorwaarde is wel dat de andere bijkomende beschikking op een later
moment is gegeven. Het gaat bijvoorbeeld niet aan dat wanneer tegen de
weigering van een kwijtschelding geen beroep rblz.|71|
is ingesteld, men
vervolgens door beroep in te stellen tegen de weigering van het uitstel van
betaling alsnog tegen de weigering van de kwijtschelding kan opkomen.
Derde lid
Denkbaar is dat de
rechter het geschil verwijst naar een ander orgaan waarbij het bezwaar of
beroep tegen de bijkomende beschikking aanhangig is, dan wel kan
of kon worden gemaakt. Het derde lid bevat hiervoor een voorziening.
Zo kan de rechtbank het beroep verwijzen naar de
bezwaarschriftprocedure om het eerst te doen behandelen als bezwaar, indien de rechtbank zulks
nuttig acht. Een vergelijkbare voorziening is opgenomen in artikel
6:19, tweede lid.
Vierde lid
Om toepassing te kunnen
geven aan het hier bepaalde, is het van belang dat de rechter waarbij
beroep wordt ingesteld op de hoogte is van de
bijkomende beschikking.
Het vierde lid bevat hiervoor een voorziening. Met de woorden "zo
mogelijk" wordt er rekening mee gehouden dat de belanghebbende niet altijd beschikt over de tekst van de bijkomende
beschikking. Dit zal zich
met name voordoen indien het beroep gericht is tegen het uitblijven van
de bijkomende beschikking.
Vijfde lid
Het vijfde lid brengt tot
uitdrukking dat het bovenstaande ook geldt voor het verzoek om een
voorlopige voorziening.
Artikel 8:4
Voorgesteld wordt om aan
de in artikel 8:4 opgesomde categorieën van besluiten waartegen geen
beroep openstaat de aanmaning en het dwangbevel toe te voegen. De
aanmaning is van beroep uitgezonderd in verband met het
forfaitaire karakter van de in rekening te brengen vergoeding. Een beroepsmogelijkheid
tegen het dwangbevel is overbodig omdat in de regel tegen het
besluit waaruit de betalingsverplichting voortvloeit reeds bezwaar en
beroep heeft opengestaan en bovendien het dwangbevel in rechte kan worden
aangevochten in het kader van een executiegeschil bij de burgerlijke rechter
op grond van artikel 438 Rv. In paragraaf 7 van het algemeen deel
van dit hoofdstuk van deze toelichting is reeds ingegaan op de
redenen waarom ervoor is gekozen de bevoegdheid van de burgerlijke rechter
op dit terrein te handhaven.
Artikelen
8:41, 8:72,
8:73,
8:73a,
8:74,
8:75,
8:82
en 8:87
De voorgestelde
wijzigingen van de artikelen 8:41, 8:72,
8:73, 8:73a,
8:74, 8:75, 8:82 en
8:87
vloeien voort uit het voorgestelde nieuwe vierde lid van artikel 1:1 Awb
(onderdeel A). Daarin wordt bepaald dat de vermogensrechtelijke gevolgen van een
handeling van het bestuursorgaan de rechtspersoon treffen waartoe het
bestuursorgaan behoort. Het is daarom niet meer noodzakelijk om in
elk van de genoemde bepalingen uit te schrijven dat de verplichting om
griffierecht, schade of proceskosten te vergoeden de rechtspersoon treft
waartoe het (verwerende) bestuursorgaan behoort. Hoewel de tekst van de
artikelen 8:72, 8:73, 8:73a,
8:74 en 8:75 strikt genomen de ruimte biedt
om een andere rechtspersoon dan de rechtspersoon waartoe het verwerende
bestuursorgaan behoort aan te wijzen, is voor een dergelijke toepassing in de parlementaire geschiedenis noch
in de jurisprudentie
steun te vinden. De nieuw voorgestelde tekst kent dan rblz.|72|
ook niet de mogelijkheid
om een ander dan het verwerende bestuursorgaan in de kosten te
veroordelen.
Van de gelegenheid is
gebruik gemaakt om in artikel 8:41, vijfde lid, de verouderde benaming
"prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie" te
vervangen door de thans
door het CBS [Centraal Bureau voor de Statistiek,
red.] gehanteerde benaming "consumentenprijsindex".
Artikel 8:76
Het huidige
artikel 8:76
bepaalt dat voor zover een uitspraak strekt tot betaling van een bepaald
geldbedrag zij ten uitvoer kan worden gelegd overeenkomstig de
bepalingen van het Tweede
boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Met de voorgestelde wijziging wordt ten eerste verduidelijkt om
welke bestuursrechtelijke uitspraken het gaat. Concreet betreft het de
in artikel 8:73, 8:74,
8:75 en 8:75a
bedoelde bestuursrechterlijke
uitspraken tot vergoeding van schade, griffierecht of proceskosten. Het artikel
heeft geen betrekking op uitspraken waarin een bestuursrechter op grond
van artikel 8:72 of het voorgestelde artikel 8:72a
zelf in de zaak voorziet
door de inhoud van een financiële beschikking bij zijn uitspraak te bepalen. In dat geval stelt hij niet een verplichting tot
betaling bij zijn
uitspraak vast, maar bepaalt hij hoe het bestuursorgaan had dienen te beslissen.
Tevens wordt met de wijziging de aansluiting op het civiele recht
verbeterd door de uitspraken ex artikelen 8:73, 8:74,
8:75 en 8:75a
"bij de wet als
executoriale titel aan te wijzen" in de zin van artikel 430, eerste lid, Rv. Daarmee zijn de
op executoriale titels toepasselijke bepalingen van Rv
omtrent onder meer
vorm, betekening, wijzen van tenuitvoerlegging, executiegeschil, procesrecht, kostenveroordeling en procesvertegenwoordiging
op deze uitspraken van
toepassing.
rblz.|73|
III. Bestuurlijke
handhaving
1. De handhaving van het
bestuursrecht
Hoofdstuk 5 van de
Algemene wet bestuursrecht is gewijd aan de handhaving van het bestuursrecht.
Voor deze handhaving, in de ruime betekenis van bevordering van de
naleving van wettelijke voorschriften, worden in de praktijk velerlei
middelen gebruikt. Sommige daarvan behoeven geen wettelijke regeling. Goede voorlichting over de inhoud van voorschriften,
bijvoorbeeld, is in de
praktijk een belangrijk middel om de naleving van deze voorschriften te
bevorderen, maar behoeft niet in de wet te worden geregeld, omdat de
overheid daartoe ook zonder wettelijke grondslag bevoegd is.
Andere
handhavingsinstrumenten, zoals toezichts- en opsporingsbevoegdheden en sanctiebevoegdheden,
behoeven wel een wettelijke regeling, maar niet
altijd in de Algemene wet bestuursrecht. De handhaving van het bestuursrecht
geschiedt vanouds deels met bestuursrechtelijke en deels met
strafrechtelijke middelen. De Algemene wet bestuursrecht is niet de
geschikte plaats om de strafrechtelijke handhaving te regelen. De reikwijdte
van hoofdstuk 5 is derhalve beperkt tot de handhaving van het
bestuursrecht met bestuursrechtelijke middelen, kortweg bestuurlijke
handhaving.
Als bekend, is, nadat
lange tijd vooral op het strafrecht was vertrouwd, het belang van deze
bestuurlijke handhaving de laatste vijftien jaar sterk toegenomen. Vanaf het
einde van de jaren tachtig werd duidelijk dat de handhaving van de
bestuursrechtelijke wetgeving te wensen overliet. Het beleidsplan Recht in
beweging (Kamerstukken II 1990-1991, 21 829, nrs. 1-2) constateerde dat bij de
handhaving van ordeningswetgeving een toenemend beroep werd gedaan op de
strafrechtelijke handhaving. Doordat tegelijk ook het commune
strafrecht een steeds grotere handhavingsinzet vergde, kwam het
strafrechtelijk handhavingsapparaat hierdoor onder druk te staan. In de nota
Met vaste hand (Kamerstukken II 1990-1991, 22 045, nrs. 1-2) werd deze
stand van zaken benoemd als het "handhavingstekort". Dit tekort vloeit
voort uit het gegeven dat enerzijds een steeds ingewikkelder samenleving
voor steeds meer aspecten van het maatschappelijk leven steeds meer regels
vraagt, terwijl anderzijds diezelfde samenleving steeds minder geneigd is zich spontaan aan die regels te
houden. Daarnaast
schoten, zoals de nota Zicht op wetgeving (Kamerstukken II 1990-1991, 22 008, nrs.
1-2) constateerde, de handhaafbaarheid en de kwaliteit van de regels soms tekort.
Het terugdringen van dit
handhavingstekort is evident van groot belang. Onvoldoende handhaving
tast de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid van de burgers aan en leidt
ertoe dat de overheid de met de ordeningswetgeving beoogde doelen
onvoldoende bereikt, of anders geformuleerd: dat de door die wetgeving
gediende belangen onvoldoende worden beschermd. Ten slotte kan
het accepteren van niet of onvoldoende naleving van regels zijn weerslag
hebben op de naleving van andere regels. Het gezag van het recht
is in het geding.
Thans wordt in brede
kring erkend dat dit handhavingstekort niet met louter strafrechtelijke
middelen kan worden teruggedrongen. De genoemde regeringsnota’s
pleiten veeleer voor een versterking van de rechtshandhaving in de
eerste lijn, onder meer door het daadwerkelijk benutten en verder
ontwikkelen van het bestuursrechtelijk handhavingsstelsel. Benadrukt werd dat naast
de verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie voor de
strafrechtelijke rechtshandhaving en voor de kwaliteit van de rechtshandhaving
in algemene zin, ook (andere) bestuursorganen een eigen
verantwoordelijkheid dragen voor de handhaving van de wetgeving met de
uitvoering waarvan zij zijn belast. Juist deze eigen verantwoordelijkheid van
het bestuur voor de handhaving behoeft versterking. Deze analyse is in grote
lijnen onderschreven en verder onderbouwd rblz.|74|
door de Commissie
bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke rechtshandhaving (commissie-Michiels),
waarbij de Commissie overigens benadrukt dat in de praktijk van de
handhaving juist een combinatie van strafrechtelijke en
bestuursrechtelijke
middelen de beste kans op resultaat biedt (Commissie
bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke handhaving, Handhaven op
niveau,
Deventer 1998; zie ook het kabinetsstandpunt over dit rapport, Kamerstukken
II 1999-2000, 26 800 VI, nr. 67). Ook in het veiligheidsprogramma Naar
een veiliger samenleving (Kamerstukken II 2002-2003, 26 684, nr. 1 en in het
Hoofdlijnenakkoord van het huidige kabinet
(Kamerstukken II 2002-2003,
28 637, nr. 19) wordt het belang van bestuurlijke handhaving opnieuw
onderstreept.
De Algemene wet
bestuursrecht kan aan de gewenste versterking van de bestuurlijke handhaving
een bescheiden, maar wezenlijke bijdrage leveren, door te zorgen
voor een goede regeling van bestuursrechtelijke handhavingsbevoegdheden,
voor zover dit past in de doelstellingen van de Algemene wet
bestuursrecht. Dit laatste betekent dat het moet gaan om bevoegdheden die een
algemene betekenis hebben in die zin dat deze betekenis niet tot
slechts één of enkele deelterreinen van het bestuursrecht beperkt is.
Bestuurlijke
handhavingsbevoegdheden vallen in hoofdzaak uiteen in toezichtsbevoegdheden en
sanctiebevoegdheden. In een regeling van de toezichtsbevoegdheden is
reeds bij de derde tranche van de Awb voorzien. Dezelfde derde tranche
gaf ook een regeling voor twee belangrijke bestuursrechtelijke sancties, te weten de last onder bestuursdwang en de
last onder dwangsom.
Thans wordt voorgesteld hoofdstuk 5 van de Awb
aan te vullen met twee
titels: een titel 5.4, betreffende de bestuurlijke boete, en een
titel 5.1,
houdende enkele algemene bepalingen inzake handhaving.
De bestuurlijke boete is,
juist als gevolg van het regeringsbeleid gericht op versterking van de
bestuurlijke handhaving, het laatste decennium sterk in opkomst. Zowel
in de literatuur als vanuit de Staten-Generaal is er bij herhaling op
aangedrongen om in verband daarmee zo spoedig mogelijk een algemene regeling in
de Awb te treffen. De regering heeft dit toegezegd; deze
toezegging wordt met dit wetsvoorstel ingelost.
Bij de totstandkoming van
de derde tranche is de vraag aan de orde gekomen in hoeverre het
wenselijk zou zijn in de Algemene wet bestuursrecht enkele algemene
bepalingen over bestuurlijke handhaving op te nemen (Kamerstukken II
1994-1995, 23 700, nr. 5, blz. 42 en 43 (vragen 6.9 en 6.14)). Daarbij werd
onder meer gedacht aan bepalingen over samenloop van sancties. De regering
heeft toen gesteld dat deze vraag het beste in samenhang met de
regeling van de bestuurlijke boete onder ogen kon worden gezien. Daarbij
is gebleken dat aan een beperkt aantal algemene bepalingen inderdaad
behoefte bestaat. Naast bepalingen omtrent cumulatie en samenloop gaat het
daarbij onder meer om een vastlegging van het zogenoemde
legaliteitsbeginsel voor bestuurlijke sancties.
Ook met deze twee
aanvullingen biedt hoofdstuk 5 geen volledige regeling van het bestuurlijk
handhavingsrecht. Het bestuursrecht kent naast de last onder bestuursdwang,
de last onder dwangsom en de bestuurlijke boete nog diverse andere
sancties, zoals de intrekking van een begunstigende beschikking, de
bestuurlijke waarborgsom, de uitsluiting, de maatregel in het socialezekerheidsrecht en de disciplinaire straf in het ambtenarenrecht. Of deze
sancties in de toekomst voor regeling in de Algemene wet bestuursrecht in aanmerking komen, hangt allereerst af
van het antwoord op de vraag of hun betekenis een specifiek deelterrein van het bestuursrecht
ontstijgt. Thans luidt dit antwoord slechts voor de intrekking van de
begunstigende beschikking zonder meer bevestigend. Het voornemen is dan ook
om daarvoor in een volgende tranche van de Awb een regeling te
treffen, zij het dan in het bredere kader van de intrekking van beschikkingen in het
algemeen.
rblz.|75|
2. Privaatrechtelijke en
tuchtrechtelijke sancties
In een beperkt aantal
gevallen worden bestuursrechtelijke voorschriften gehandhaafd door middel
van tuchtrecht. Dat is bijvoorbeeld het geval bij voorschriften gesteld
door de organen van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie en overigens bij regels
inzake vrije en medische beroepen. Vraagstukken van cumulatie en
samenloop betreffen in die context vooral
de verhouding tussen
straf- en tuchtrecht en komen daarom niet voor regeling in de Algemene wet
bestuursrecht in aanmerking.
Zoals bij de
totstandkoming van de
derde tranche
is aangekondigd (Kamerstukken II 1994-1995,
23 700, nr. 5, blz. 42 (vraag 6.10)), is wel overwogen of in de Algemene wet
bestuursrecht een regeling moest worden getroffen voor de samenloop
tussen bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke sancties. Daarvan is
echter afgezien. Het is niet helemaal duidelijk wat onder privaatrechtelijke
sancties moet worden verstaan. Te denken valt aan bepalingen inhoudende
dat bedingen in strijd met bestuursrechtelijke wetgeving nietig zijn (vgl.
bijvoorbeeld artikel 23 Colportagewet
of artikel 4:4 Arbeidstijdenwet). Dat is
een materie die zich naar zijn aard niet voor algemene regeling leent.
Voorts valt te denken aan handhaving door civielrechtelijke acties van de overheid. Daarvoor bestaat, zoals door de
commissie-Michiels
uiteengezet, naar geldend recht slechts in beperkte mate ruimte en daaraan
bestaat ook nauwelijks behoefte (zie hoofdstuk 8 van het eerdergenoemde
rapport Handhaven op niveau, in het bijzonder blz. 138). Ten slotte valt te denken
aan contractuele boeten. In bestuursrechtelijke verhoudingen zal het
bedingen daarvan door de overheid in de meeste gevallen afstuiten op het
legaliteitsbeginsel (vgl. Afd. rechtspraak RvS
4 november 1993, AB 1994,
182) of op de doorkruisingsleer van de Hoge Raad, welke inhoudt dat het de
overheid niet is toegestaan gebruik te maken van het privaatrecht indien
dit een onaanvaardbare doorkruising van het publiekrecht zou
opleveren (HR 26 januari 1990, NJ 1991, 393; AB 1990, 408 (Windmill)). Al met
al is de rol van privaatrechtelijke sancties bij de handhaving van het
bestuursrecht dus zodanig beperkt dat er geen reden is daarvoor thans een
regeling te treffen, daargelaten of de Awb
daarvoor de juiste plaats zou
zijn.
3. De indeling van
hoofdstuk 5
Zoals reeds opgemerkt,
vallen bestuurlijke handhavingsbevoegdheden uiteen in
toezichtsbevoegdheden en sanctiebevoegdheden. Hoofdstuk 5 van de
Algemene wet bestuursrecht, zoals dit bij de
derde tranche
is tot stand gekomen, bestaat
thans uit drie afdelingen. Afdeling 5.2 is gewijd aan het toezicht
op de
naleving van wettelijke voorschriften. De afdelingen 5.3 en
5.4 bevatten
bepalingen over twee bestuurlijke sancties, te weten respectievelijk de last
onder bestuursdwang en de last onder dwangsom. Afdeling 5.1 was bij de derde tranche gereserveerd voor toekomstige
algemene bepalingen over
bestuurlijke handhaving. Deze afdeling wordt bij dit wetsvoorstel
ingevuld, met dien verstande dat ervoor is gekozen hoofdstuk 5 in titels
onder te verdelen.
Bestuurlijke sancties
vallen uiteen in twee soorten, tot dusver veelal aangeduid als reparatoire
respectievelijk punitieve sancties. In dit wetsvoorstel wordt voor het
begrip reparatoire sanctie de Nederlandse term "herstelsanctie"
geïntroduceerd. Punitieve sancties worden in dit wetsvoorstel aangeduid als
bestraffende sancties. Voor een nadere toelichting op de inhoud van het
onderscheid zij verwezen naar de toelichting op artikel
5.0.2. Gelet op dit onderscheid zijn de bestaande afdelingen over de bestuursdwang en de last
onder dwangsom (beide herstelsancties) bijeengebracht in één titel. In
verband daarmee is ook de rest van hoofdstuk 5 in titels onderverdeeld.
Deze herindeling van hoofdstuk 5 maakt het noodzakelijk de bestaande afdelingen
van hoofdstuk 5 te vernummeren. Van het vernummeren van de afzonderlijke artikelen is afgezien. Laatstgenoemde
rblz.|76|
vernummering zou de
praktijk voor onnodige problemen stellen, aangezien in wetgeving,
jurisprudentie en literatuur veelvuldig naar de betrokken artikelen wordt
verwezen. Het bezwaar dat hoofdstuk 5 nu hier en daar een
niet-doorlopende nummering krijgt, weegt daartegen niet op.
Eén en ander betekent
dat thans de volgende indeling van hoofdstuk 5 wordt voorgesteld:
Hoofdstuk 5.
Handhaving
Titel 5.1. Algemene
bepalingen
Titel 5.2. Toezicht op de
naleving
Titel 5.3. Herstelsancties
Afdeling 5.3.1. Last onder
bestuursdwang
Afdeling 5.3.2. Last onder
dwangsom
Titel 5.4. Bestuurlijke
boete
Afdeling 5.4.1. Algemene
bepalingen
Afdeling 5.4.2. De
procedure
De nieuwe
titel 5.1,
houdende algemene bepalingen, alsook titel 4.4 over bestuursrechtelijke
geldschulden, nopen tot enige wijzigingen in de bestaande afdelingen over
de bestuursdwang en de last onder dwangsom. In sommige
gevallen zijn deze wijzigingen inhoudelijk van aard, in andere gevallen
kunnen artikelen of onderdelen daarvan vervallen omdat het desbetreffende
punt elders in de Awb meer algemeen wordt geregeld.
Op advies van de Raad van State is voorts van de gelegenheid gebruik gemaakt om de afdeling over bestuursdwang iets anders
op te
zetten, in dier voege dat
daarin steeds wordt gesproken over een last onder bestuursdwang.
Daarnaast worden enkele aanvullingen voorgesteld ter versterking van de positie van de derde die het bestuur om handhavend
optreden heeft gevraagd.
Deze wijzigingen worden toegelicht in hoofdstuk IV
(Herstelsancties) van deze memorie van toelichting.
4. Algemene bepalingen
over handhaving (titel 5.1)
De thans voorgestelde
titel 5.1 bevat een beperkt aantal algemene bepalingen over bestuurlijke
handhaving. Het betreft onder meer definitiebepalingen, bepalingen over de eisen
waaraan sanctiebeschikkingen moeten voldoen, over de
opbrengst en de invordering van financiële sancties, over het
legaliteitsbeginsel en over de samenloop van sancties. Deze bepalingen over
bestuurlijke sancties zijn in zoverre algemeen dat zij gelden voor de drie
bestuurlijke sancties die thans in de Awb zijn of worden geregeld: de last
onder bestuursdwang, de last onder dwangsom en de bestuurlijke boete.
Zij gelden niet rechtstreeks voor andere bestuurlijke sancties, die (nog) niet
in de Awb zijn geregeld. Deze keuze berust op praktische overwegingen.
In dit stadium valt niet goed te overzien of de algemene bepalingen ook
op buiten de Awb geregelde sancties onverkort kunnen worden toegepast.
Om dat te beoordelen, zou een uitvoerige inventarisatie van in de
wetgeving voorkomende bestuurlijke sancties nodig zijn. Gelet op het belang van een regeling van de bestuurlijke boete
heeft een dergelijke
inventarisatie thans geen prioriteit.
Gelet hierop is ervoor
gekozen de reikwijdte van de artikelen 5.0.4 tot en met
5.0.10 [5:4 t/m 5:10], betreffende
bestuurlijke sancties, in ieder geval vooralsnog te beperken tot de
uitdrukkelijk in hoofdstuk 5 Awb
geregelde sancties (artikel 5.0.3
[5:3], onderdeel
a). Daarnaast is echter de mogelijkheid geopend dat de bijzondere
wetgever deze artikelen van toepassing verklaart op een nog niet in de Awb
geregelde sanctie (artikel 5.0.3 [5:3], onderdeel b). Indien bij de aanpassingswetgeving
blijkt dat genoemde artikelen zich voor toepassing op een bepaalde sanctie
lenen, zal daartoe worden overgegaan. Aldus kan de
harmoniserende werking van de titel worden vergroot, rblz.|77|
zonder dat
onduidelijkheid ontstaat over de sancties waarop zij van toepassing is.
Van de drie genoemde
sancties hebben de last onder bestuursdwang en de last onder dwangsom
het karakter van reparatoire sancties of herstelsancties; alleen de bestuurlijke
boete is een bestraffende of punitieve sanctie. Gelet daarop zijn
beginselen die slechts (onverkort) gelden voor bestraffende sancties, zoals het beginsel
"geen straf zonder schuld" en
het beginsel van de
evenredigheid tussen de ernst van de gedraging en de zwaarte van de
sanctie, niet in titel 5.1 gecodificeerd, maar in de titel over de bestuurlijke
boete. Een meer algemene formulering van deze beginselen heeft in dit
stadium geen meerwaarde. Wel is ook hier de mogelijkheid geopend dat
de bijzondere wetgever de regels over de bestuurlijke boete van overeenkomstige toepassing verklaart op andere
bestraffende bestuurlijke
sancties (artikel 5.4.2.7 [5:54]).
Artikelsgewijs
Titel 5.1. Algemene bepalingen
Artikel 5.0.1
[5:1]
Eerste
lid: het begrip overtreding
Artikel
5.0.1 [5:1], eerste
lid, definieert het begrip "overtreding". Twee elementen zijn daarbij
van belang. In de eerste plaats moet sprake zijn van een "gedraging". Het
begrip "gedraging" moet in de ruimst mogelijke zin worden opgevat. Het omvat
mede een nalaten, zoals bijvoorbeeld het niet doen van een wettelijk verplichte aangifte. Ook het laten bestaan van een
verboden toestand kan een
gedraging in de zin van dit artikel zijn. Ook kan een gedraging in de wet
aan de hand van het gevolg zijn omschreven (men zie bijvoorbeeld
artikel 67e Awr [Algemene
wet inzake rijksbelastingen, red.]: een boete kan worden opgelegd indien het aan de opzet
of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat een aanslag te
laag is vastgesteld). Het begrip "gedraging" wordt in deze zelfde
ruime betekenis gebruikt in hoofdstuk 9 van de
Algemene wet bestuursrecht, in de Wet
Nationale ombudsman (zij het dat het in deze twee wetten gaat
om gedragingen van bestuursorganen) en in de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.
Het tweede belangrijke
element is dat een gedraging slechts een overtreding kan zijn indien zij in
strijd is met het bij of krachtens enig wettelijk voorschrift bepaalde. Dit
betekent bijvoorbeeld dat niet rechtstreeks met bestuurlijke sancties kan
worden opgetreden tegen gedragingen in strijd met buitenwettelijke voorschriften, zoals voorwaarden verbonden aan
gedoogbeschikkingen (vgl. bijvoorbeeld Vz. Afdeling geschillen RvS 19 november 1992, AB 1993, 240).
Overigens zal dan onder omstandigheden wel kunnen worden opgetreden
tegen de aanvankelijk gedoogde overtreding, omdat de overtreder zich
door het niet naleven van de voorwaarden niet meer kan beroepen op de
gedoogbeschikking (vgl. P.J.J. van Buuren, G.T.J.M. Jurgens,
F.C.M.A. Michiels, Bestuursdwang en dwangsom, tweede druk, Deventer
1999, blz. 86).
Tweede
lid: het begrip overtreder
Indien een overtreding
wordt geconstateerd, kan vervolgens de vraag rijzen aan wie daarvoor
een bestuurlijke sanctie kan worden opgelegd. Daarbij gaat het niet
alleen om het praktische probleem dat soms onbekend is wie de verboden
gedraging heeft verricht. Er kunnen zich ook drie te onderscheiden juridische vragen voordoen:
a. tot wie richt de
overtreden norm zich (de problematiek van de normadressaat);
rblz.|78|
b. aan wie kan de
gedraging zoals deze feitelijk heeft plaatsgevonden, worden toegerekend (de
problematiek van het daderschap);
c. kan de sanctie
uitsluitend worden opgelegd aan de overtreder of ook aan anderen?
De omschrijving van
artikel 5.0.1 [5:1], tweede lid, heeft op zichzelf slechts betrekking op het aspect
van het daderschap. Dit hangt echter zo nauw samen met de beide andere
aspecten dat hierna ter wille van de duidelijkheid op alle drie de aspecten
wordt ingegaan.
De normadressaat
Voor het antwoord
op de
vraag wie als overtreder kan worden aangemerkt, is in de eerste plaats
van belang tot wie het overtreden voorschrift zich richt. Slechts
degene tot wie een voorschrift zich richt, kan dit voorschrift overtreden. Dit is van
belang, omdat veel, zo niet de meeste, bestuursrechtelijke
voorschriften zich niet richten tot een ieder, maar slechts tot degene die
een bepaalde kwaliteit bezit, bijvoorbeeld die van vergunninghouder, van
werkgever, van ondernemer of van ontvanger van een uitkering. Wie geen bijstandsuitkering ontvangt, kan niet
op grond
van de artikelen 14a juncto
65 Algemene bijstandswet worden beboet voor het niet aan burgemeester
en wethouders melden van inkomsten.
Het kan voorkomen dat in
een concreet geval niet helemaal duidelijk is tot wie de overtreden norm
zich richt. Zo richten veel milieuvoorschriften voor inrichtingen zich
primair tot "degene die de inrichting drijft" (vgl. artikel 18.18
jo. 8.20 Wet milieubeheer). Over de reikwijdte van dit begrip bestaat enige discussie
(vgl. C.L. Knijff, G.T.J.M. Jurgens, Ch.W. Backes, De normadressaat van milieuregels voor
inrichtingen, Publikatiereeks milieubeheer 1998/8, Den Haag 1998;
zie ook ABRS 28 april 1998, AB 1999, 43; ABRS 25 juni 1998, AB
1999, 44 en VzABRS 31 juli 1998, AB 1999, 45). Evenzo kan in
grensgevallen wel eens twijfel bestaan of iemand "ondernemer" is. Het gaat in deze
gevallen steeds om vragen van uitleg van het desbetreffende wettelijke
voorschrift. Een algemene regeling in de Awb
kan daarvoor geen
oplossing bieden.
Daderschap
Artikel
5.0.1 [5:1], tweede
lid, merkt als overtreder aan degenen die de overtreding plegen of
medeplegen. Uitgangspunt is, net als in het strafrecht, dat de bestuurlijke sanctie
kan worden opgelegd aan degene of degenen die de gedraging "pleegt"
of "plegen". Dat kan zijn degene die door zijn fysieke handelingen de bestanddelen van het delict vervult. Een voorbeeld
is de particulier die
zijn aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting in strijd met de waarheid invult,
ondertekent en indient (vgl. artikel 67d Awr).
Sedert het befaamde
IJzerdraad-arrest (HR 23 februari 1954, NJ 1954, 378) staat evenwel vast dat
ook de zogenoemde functionele dader een strafbaar feit kan plegen: een
ondernemer kon worden gestraft voor fraude bij de export van ijzerdraad,
ook al had niet hij zelf, maar één van zijn werknemers daadwerkelijk de
formulieren onjuist ingevuld. Vereist is dan enerzijds dat de fysieke
handelingen die het delict opleveren in de machtssfeer van de functionele dader
lagen - bijvoorbeeld omdat zij werden verricht door zijn
ondergeschikten - anderzijds dat de functionele dader deze handelingen heeft
aanvaard of in het algemeen placht te aanvaarden, waarbij van
dit laatste in beginsel reeds sprake is indien de functionele dader is
tekortgeschoten in hetgeen redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht om
wederrechtelijke gedragingen te voorkomen. Kort gezegd: in het
strafrecht kan een sanctie niet alleen worden opgelegd aan degene die de
gedraging in fysieke zin verricht, maar ook door degene die daarvoor
maatschappelijk gezien verantwoordelijk is. Men zie HR 23 februari 1993, NJ
1993, 605, waarin wordt aangesloten bij het aan rblz.|79|
het civiele recht
ontleende daderschapscriterium, op grond waarvan wordt bezien of de
betreffende handeling in het maatschappelijk verkeer als handeling van de
rechtspersoon heeft te gelden. Zie voor een verwant bestuursrechtelijk geval
HR 19 januari 2001, AB 2002, 382, waarin één van drie economisch en bestuurlijk nauw verweven
BV’s als overtreder werd
aangemerkt, hoewel de overtreden vergunning formeel op naam stond van één van de andere
BV’s.
In het bestuursrecht
behoort dit niet anders te zijn. Dit betekent dat in veel gevallen een bedrijf of
instelling of de leiding van een bedrijf of instelling als overtreder zal kunnen
worden aangemerkt, ook al is de gedraging in fysieke zin gepleegd door
een werknemer (vgl. ABRS 27 maart 2001, AB 2002, 102) of of opdrachtnemer
(vgl. ABRS 3 juli 2002, AB 2002, 311; JB
2002, 243; ABRS 17 juli
2002, AB 2003, 78). Het behoeft geen betoog dat dit voor de handhaving
van grote delen van het bestuursrecht van groot belang is. Opgemerkt zij
overigens dat het voorgaande niet betekent dat bijvoorbeeld een
bestuurlijke boete nooit aan een werknemer in persoon zou kunnen worden
opgelegd; zulks is in ieder geval wel mogelijk als de overtreden norm zich mede
of uitsluitend tot die werknemer richt. Ingevolge artikel 47 Sr
kunnen niet alleen degenen die een delict
- al dan niet "functioneel" - plegen daarvoor worden gestraft, maar ook degenen die het delict
doen plegen, medeplegen of uitlokken. Artikel 48 Sr
voegt daar nog aan
toe dat voor misdrijven ook medeplichtigen kunnen worden gestraft.
Medeplichtigheid aan overtredingen is dus niet strafbaar. Gelet daarop
is
geen aanleiding de figuur van de medeplichtigheid in het bestuurlijke sanctierecht te introduceren. Aan een bestuursrechtelijke
regeling van doen plegen
of uitlokking bestaat evenmin veel behoefte (aldus ook
J.T.K. Bos, De bestuurlijke boete, raakvlakken van bestuurs- en strafrecht,
preadvies VAR 1995, VAR-Reeks 114, Alphen aan den Rijn 1995, blz. 150).
Doen plegen - het plegen van een delict door middel van een ander die zelf
niet strafbaar is (vgl. J. Remmelink, mr. D. Hazewinkel-Suringa’s
Inleiding tot de studie van het Nederlandse Strafrecht, 15e druk, Arnhem 1996,
blz. 428) is ook in het strafrecht een zeldzame figuur; de problemen die
zij beoogt op te lossen, kunnen veelal ook wel met de leer van het
functioneel daderschap worden opgelost. Uitlokking - het een ander door
giften, beloften, bedreiging, enzovoort bewegen tot het plegen van een
delict - komt bij lichtere delicten evenmin veel voor en vergt bovendien veelal
een uitvoerig feitenonderzoek waarvoor de bestuursrechtelijke
procedure zich minder goed leent.
Aan de figuur van het
medeplegen kan daarentegen wel behoefte bestaan. Medeplegen doet
zich voor als twee of meer personen gezamenlijk een delict plegen. Voor
strafbaarheid als medepleger is dan niet vereist dat de medeplegers ieder
afzonderlijk alle bestanddelen van het delict vervullen, mits sprake is
van bewuste samenwerking en gezamenlijk uitvoering (zie
bijvoorbeeld HR 17 november 1981, NJ 1983, 84). Dit kan in een bestuursrechtelijke
context bijvoorbeeld van belang zijn als een groep werknemers gezamenlijk
een machine gebruikt op een wijze die onnodig gevaarlijk is voor derden
(artikel 11 Arbeidsomstandighedenwet
1998). Zij kunnen dan ieder een
overtreding plegen, ook al verricht ieder van hen maar een deel van de
fysieke handelingen die het gevaar veroorzaken.
Ook in het milieurecht
heeft de rechter beslist dat in een situatie waarin meer (rechts)personen
gezamenlijk een inrichting drijven aan ieder van hen bestuurlijke sancties
kunnen worden opgelegd (VzABRS 31 juli 1998, AB 1999, 45).
Net als in het strafrecht
kunnen in het bestuursrecht personen die geen adressaat zijn van de
geschonden norm, omdat de daarvoor noodzakelijke kwaliteit ontbreekt
(bijvoorbeeld die van vergunninghouder), als medepleger en dus als overtreder
worden aangeduid ingeval zij een handeling verrichten waarmee een deel van de delictsomschrijving wordt vervuld,
mits de geadresseerde ook
deelneemt aan de overtreding. Dit betekent dat onder omstandigheden,
bijvoorbeeld, een werknemer die een rblz.|80|
vergunningvoorschrift overtreedt of een belastingadviseur die tot de
belastingplichtige
gerichte normen overtreedt als medeplegers en daarmee als overtreders
zouden kunnen worden beschouwd, ondanks het feit dat de overtreden
norm niet tot hen is gericht (zie in dit verband A.B. Blomberg, Integrale
handhaving van milieurecht, diss. UU, Den Haag 2000, blz. 50-51).
Voor een aanzienlijke
uitbreiding van het aantal gevallen waarin bestuurlijke boetes zullen worden
opgelegd aan andere dan de normadressaat behoeft overigens geen
vrees te bestaan (Blomberg, a.w., blz. 417). Voor medeplegen is immers
vereist dat de fysieke dader en de normadressaat bewust samenwerken en de
normschending gezamenlijk uitvoeren. Bovendien moet voor de
oplegging van de bestuurlijke boete sprake zijn van verwijtbaarheid (zie
artikel 5.4.1.2 [5:41] van het
wetsvoorstel). Ter vermijding van misverstand zij voorts opgemerkt dat het het bestuursorgaan natuurlijk
vrijstaat om te volstaan
met het opleggen van een boete aan de normadressaat (bijvoorbeeld de
belastingplichtige) indien aan het bestraffen van andere betrokkenen
geen behoefte bestaat.
Medeplegen onderscheidt
zich van medeplichtigheid doordat bij medeplegen sprake moet zijn van een
min of meer gelijkwaardige samenwerking, terwijl de medeplichtige
slechts een ondergeschikt aandeel in het delict heeft: hij helpt
slechts de eigenlijke dader. Dit onderscheid is van belang omdat, zoals
hiervoor uiteengezet, aan de medeplichtige geen bestuurlijke sancties
kunnen worden opgelegd.
Aan wie kan de sanctie
worden opgelegd?
Uit het voorgaande volgt
dat als overtreder kan worden aangemerkt degene tot wie de
overtreden norm zich richt en die de overtreding - al dan niet "functioneel"
- pleegt of medepleegt. Resteert de vraag of een bestuurlijke sanctie ook
aan anderen dan overtreders kan worden opgelegd. Het antwoord op deze vraag
ligt voor verschillende bestuurlijke sancties verschillend.
Een bestuurlijke boete
kan, gezien haar bestraffende karakter, uitsluitend aan een overtreder worden
opgelegd. Bij de last onder bestuursdwang daarentegen ligt het
accent op de overtreding, niet op de overtreder. Een last onder bestuursdwang
moet worden bekendgemaakt aan de overtreder, maar ook aan de
rechthebbende op het gebruik van de zaak ten aanzien waarvan
bestuursdwang wordt toegepast (artikel 5:24, derde lid). De kosten kunnen echter
slechts op de overtreder worden verhaald (artikel
5:25, eerste lid; vgl. ABRS 17
juli 2002, AB 2003, 78; ABRS 29 september 2000, Gst. 7149/5; HR 19
januari 2001, AB 2002, 382). Een voorbeeld ter illustratie: als A zonder
bouwvergunning een schuur bouwt en deze vervolgens in eigendom overdraagt
aan B, kan B niet worden aangemerkt als overtreder van het verbod
van artikel 40 Woningwet. De wet verbiedt immers slechts het bouwen
zonder bouwvergunning, niet het houden van een zonder vergunning
gebouwd bouwwerk (ABRS 26 juni 2002, LJN-nr. AE4626; ABKort, 2002,
495; ABRS 30 oktober 1998, JB 1998, 262, AAe 48(1999)3, blz. 169).
Niettemin dient de beschikking ook aan B te worden bekendgemaakt. B heeft
het immers in zijn macht de overtreding ongedaan te maken door de schuur
af te breken. Doet B dit niet, dan zal hij moeten dulden dat het
bestuursorgaan zelf tot afbraak overgaat. De kosten daarvan kunnen dan
echter niet op B, maar slechts op A worden verhaald.
Een ander voorbeeld uit
de jurisprudentie: in ABRS 25 juni 1998, AB 1999, 44, had een onderhuurder
van een loods daarin zonder vergunning afvalstoffen opgeslagen. Naar het
oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State was
de aanschrijving bestuursdwang terecht mede bekendgemaakt aan de
verhuurder van de loods, omdat deze het in zijn macht had om de
overtreding te beëindigen (artikel 5:24, derde lid, was in deze zaak nog niet van
toepassing). Of de verhuurder ook als overtreder rblz.|81|
kon worden aangemerkt,
was echter afhankelijk van het antwoord op de vraag of de verhuurder ook feitelijk betrokken was geweest bij de opslag
van de afvalstoffen.
Overtreder is naar vaste jurisprudentie immers slechts "degene die het
te handhaven voorschrift daadwerkelijk schendt". Een last onder dwangsom
kan weer uitsluitend aan de overtreder worden opgelegd (artikel
5:32,
eerste lid); anders zou in het hiervoor gegeven voorbeeld B immers in feite worden
gedwongen tot afbraak op eigen kosten, terwijl die kosten bij
bestuursdwang nu juist niet op hem kunnen worden verhaald. In het gegeven
voorbeeld kan echter ook aan A geen last onder dwangsom worden opgelegd,
omdat hij door de eigendomsoverdracht niet langer in staat is
de overtreding ongedaan te maken. Het bestuur kan iemand niet dwingen tot
iets waartoe hij feitelijk of juridisch niet in staat is.
Het voorbeeld illustreert
overigens wederom dat het antwoord op de vraag aan wie een
bestuurlijke sanctie kan worden opgelegd in de eerste plaats afhangt van de
inhoud van de overtreden norm. Als een voorschrift niet alleen het in de
grond brengen, maar ook het in de grond houden van afvalstoffen verbiedt,
kunnen zowel degene die de grond met afvalstoffen en al heeft gekocht als
degene die de afvalstoffen heeft gestort als overtreder van dit verbod worden
aangemerkt, met dien verstande dat de omstandigheden van het
geval dan kunnen meebrengen dat van kostenverhaal jegens de verkrijger moet
worden afgezien (vgl. ABRS 26 september 1996, BR 1996, blz. 122).
Derde
lid: rechtspersonen
Of
een bestuurlijke
sanctie kan worden opgelegd aan een rechtspersoon, wordt wederom in de
eerste plaats bepaald door de inhoud van het overtreden voorschrift. Sommige
voorschriften richten zich zowel tot natuurlijke personen als tot
rechtspersonen, andere uitsluitend tot rechtspersonen, terwijl weer andere
- bijvoorbeeld sommige voorschriften in de sociale zekerheid - naar hun aard slechts door natuurlijke personen kunnen worden overtreden.
Ook zijn er voorschriften, bijvoorbeeld in de Mededingingswet, die zich
richten tot "ondernemingen" of, in de Wet
milieubeheer, "degene
die de inrichting drijft". Een onderneming of de "drijver" van een
inrichting kan bestaan uit één of meer natuurlijke en/of rechtspersonen. Omdat een
financiële sanctie - een betalingsverplichting - uiteindelijk slechts
kan rusten op een bepaald vermogen in de civielrechtelijke betekenis van dat woord,
moet dan zo nodig worden bepaald aan welk(e) rechtssubject(en)
de overtreding kan worden toegerekend (vgl. artikel 56 Mededingingswet).
Als de gedraging door een
rechtspersoon kan worden gepleegd - er is dan uiteraard altijd
sprake van functioneel daderschap - waarborgt artikel
5.0.1 [5:1], derde lid, dat de
bestuurlijke sanctie ook aan die rechtspersoon kan worden opgelegd. In
artikel 5.0.1 [5:1], derde lid, wordt artikel 51 Sr
van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit betekent onder meer dat
bestuurlijke sancties
kunnen worden opgelegd aan de in artikel 51, derde lid, Sr
afzonderlijk
genoemde entiteiten die geen rechtspersoon in civielrechtelijke zin zijn, zoals onder meer de
maatschap en de
vennootschap onder
firma. Eén en ander is
voor het bestuursrecht vanzelfsprekend van groot belang: veel
bestuursrechtelijke voorschriften richten zich tot ondernemingen of
instellingen en dan behoort de rechtsvorm van de onderneming of instelling
niet van invloed te zijn op de mogelijkheid om een bestuurlijke sanctie
op te leggen.
Indien een overtreding is
gepleegd door een rechtspersoon, kan de bestuurlijke sanctie
daarnaast of in plaats daarvan ook worden opgelegd aan degenen die tot de
overtreding opdracht hebben gegeven of daaraan feitelijk leiding hebben
gegeven. Zulks wordt, naar analogie van artikel 51 Sr, in de bestuursrechtelijke jurisprudentie reeds aanvaard
(Vz. Afd. rechtspraak RvS 24
februari 1984, AB 1984, 480 (Booy Clean); ABRS
rblz.|82|
22 maart 1995, AB 1995,
538. Het ligt in de rede deze jurisprudentie thans te codificeren. Overigens
staat het het bestuursorgaan natuurlijk vrij om te volstaan met het opleggen
van een boete aan de rechtspersoon.
Wat betreft de
mogelijkheid om bestraffende bestuurlijke sancties op te leggen aan
publiekrechtelijke rechtspersonen zal vooralsnog aansluiting moeten worden gezocht bij
de strafrechtelijke jurisprudentie. Dit betekent sedert HR 6 januari 1998,
NJ 1998, 367 (Pikmeer II), dat in ieder geval bij decentrale overheidslichamen een dergelijke
sanctieoplegging in
beginsel mogelijk is,
tenzij de gedraging werd verricht ter uitvoering van een exclusieve
overheidstaak. Een voorbeeld vormt een uitspraak van de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 april 2002 (JB 2002, 164). De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid had aan een gemeente een
bestuurlijke boete opgelegd wegens overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 in verband met een arbeidsongeval in het gemeentehuis.
In 2002 heeft de commissie-Roelvink op verzoek van het kabinet een rapport uitgebracht over
de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de Staat (Strafrechtelijke
aansprakelijkheid van overheidsorganen, Kamerstukken II 2001-2002, 25 294, nr. 15).
Hierin pleit de Commissie voor strafrechtelijke aansprakelijkheid van
zelfstandige onderdelen van de staat en van publiekrechtelijke
rechtspersonen op decentraal niveau, ook als er sprake is van de uitoefening van
een exclusieve overheidstaak. Bij zelfstandige onderdelen van de Staat
denkt de Commissie in het bijzonder aan diensten, instellingen en andere
organisatorische eenheden van de Staat die met voldoende mate van
zelfstandigheid aan het maatschappelijk verkeer kunnen deelnemen. De
Staat als zodanig blijft uitgesloten van strafrechtelijke aansprakelijkheid. De
aansprakelijkheid van onderdelen van de Staat zou volgens de Commissie
in het bijzonder kunnen spelen op het terrein van ordeningswetgeving,
zoals regelgeving met betrekking tot milieu en arbeidsomstandigheden. Op
het terrein van de ordeningswetgeving worden thans al op ruime
schaal bestuurlijke boeten toegepast. Een definitief oordeel over de
mogelijkheid om bestraffende bestuurlijke sancties op te leggen aan
publiekrechtelijke rechtspersonen zal worden uitgesproken in het kabinetsstandpunt
naar aanleiding van de bevindingen van de commissie-Roelvink.
Artikel 5.0.2
[5:2]
Eerste lid
a. Het begrip bestuurlijke
sanctie
Onderdeel
a van artikel 5.0.2 [5:2], eerste lid, definieert een bestuurlijke sanctie als een door een bestuursorgaan wegens een overtreding opgelegde
verplichting of onthouden
aanspraak. Drie elementen zijn in deze omschrijving van belang.
In de eerste plaats moet het gaan om een door een bestuursorgaan opgelegde sanctie; dit sluit door de straf- of tuchtrechter
opgelegde sancties uit.
Wat door het openbaar
ministerie opgelegde sancties betreft, moet nader onderscheid worden
gemaakt. Op zichzelf is de officier van justitie, als orgaan van de Staat der
Nederlanden en dus van een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon
(artikel 1:1, eerste lid, onderdeel a), een bestuursorgaan in de zin
van de Awb. Dit betekent dat de boeten die het OM in administratief
beroep kan opleggen krachtens de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (in de wandeling bekend als de Wet
Mulder) bestuurlijke sancties in de zin van dit wetsvoorstel zijn.
Het aanbieden van een
transactie door het openbaar ministerie is daarentegen geen bestuurlijke
sanctie; het ingevolge artikel 37 van de Wet
op de economische delicten of
artikel 76 Awr
aanbieden van een strafrechtelijke rblz.|83|
transactie door een
bestuursorgaan evenmin. Een transactie is het afzien van strafvervolging onder
de voorwaarde dat de verdachte een geldbedrag aan de Staat betaalt. Het
is dus een handeling in het kader van de opsporing en vervolging
van strafbare feiten, waarop hoofdstuk 5 van de
Awb ingevolge artikel 1:6
niet van toepassing is. Indien de in het thans bij de Raad van State
aanhangige wetsvoorstel OM-afdoening opgenomen bevoegdheid van de
officier van justitie om in bepaalde gevallen bij beschikking een sanctie
op te leggen wegens een strafbaar feit, tot wet wordt verheven, zal
hetzelfde gelden. In de tweede plaats behelst een sanctie hetzij een
verplichting, die door het bestuursorgaan wordt opgelegd, hetzij het
geheel of gedeeltelijk onthouden van een aanspraak door een bestuursorgaan.
Deze verplichting kan zijn een verplichting om een geldsom te betalen,
zoals bij de bestuurlijke boete, maar ook een verplichting om een
overtreding te beëindigen in combinatie met een voorwaardelijke
verplichting om een geldsom te betalen, zoals bij de last onder dwangsom.
De
woorden "of onthouden aanspraak" zijn opgenomen omdat in de sfeer van de
sociale zekerheid en de subsidies sancties voorkomen die niet zozeer
een nieuwe verplichting voor de overtreder inhouden, maar een
vermindering (eventueel tot nihil) van de financiële aanspraken die de
overtreder zonder de overtreding zou hebben gehad.
In de derde plaats is
slechts sprake van een sanctie als een bestuursorgaan een verplichting oplegt
of een aanspraak onthoudt als reactie op een overtreding, dat wil
zeggen een gedraging die in strijd is met het bij of krachtens enig wettelijk
voorschrift bepaalde (artikel 5.0.1
[5:1], eerste lid). Dit element van de
omschrijving onderscheidt bestuurlijke sancties van verplichtingen, zoals
heffingen, die bestuursorganen kunnen opleggen naar aanleiding van
gedragingen die op zichzelf niet in strijd met enig bestuursrechtelijk voorschrift behoeven te zijn.
b. Het begrip herstelsanctie
Bestuurlijke sancties
worden doorgaans onderscheiden in reparatoire en punitieve sancties, in
dit wetsvoorstel aangeduid als herstelsancties respectievelijk
bestraffende sancties. Bestraffende sancties zijn gericht op het bestraffen van de
dader, herstelsancties zijn gericht op het beëindigen of ongedaan maken van de
overtreding of de gevolgen daarvan, dan wel het voorkomen van
herhaling. De omschrijving is in hoofdzaak ontleend aan de huidige
omschrijving van bestuursdwang. In dit verband dient te worden opgemerkt dat ook
bestraffende sancties mede gericht kunnen zijn op het voorkomen van
herhaling (vgl. de speciale en generale preventie bij de
klassieke strafrechtelijke sancties).
Met de woorden "geheel
of gedeeltelijk" is beoogd aan te geven dat ook zogenaamde "partiële
handhaving" onder omstandigheden denkbaar is.
Uitgangspunt blijft dat
een handhavingsbesluit gericht moet zijn op het volledig beëindigen of
ongedaan maken van (de gevolgen van) een overtreding. Partieel handhaven is
immers per definitie ook partieel gedogen. Een besluit tot partieel
handhaven zal dus in ieder geval moeten passen binnen de beleidskaders
voor gedogen (vgl. nog steeds de nota Gedogen in Nederland,
Kamerstukken II 1996-1997, 25 085, nr. 2).
Maar ook binnen deze
kaders is partieel handhaven niet altijd aanvaardbaar. Het legaliteitsbeginsel
brengt mee dat onder omstandigheden wel aanvaardbaar kan zijn dat
een bestaand voorschrift in afgezwakte vorm wordt gehandhaafd, maar
niet dat in een handhavingsbesluit geheel nieuwe voorschriften in
het leven worden geroepen. Het kan niet zo zijn dat het besluit dat een
overtreding sanctioneert zelf het overtreden voorschrift in het leven roept, zelfs
niet als ditzelfde voorschrift in de gedaante van bijvoorbeeld een
vergunningvoorschrift inhoudelijk alleszins aanvaardbaar zou zijn.
Ook dan zou immers de procedure voor het opleggen van
vergunningvoorschriften worden omzeild.
rblz.|84|
Eén
en ander spoort met
de jurisprudentie inzake voorschriften bij gedoogbesluiten. Bij
gedoogbesluiten worden soms wel nieuwe voorschriften in het leven geroepen,
maar juist omdat dit op gespannen voet staat met het
legaliteitsbeginsel is het vaste jurisprudentie dat het bestuur tegen overtreding
van deze "gedoogvoorschriften" niet rechtstreeks handhavend kan optreden.
Indien gedoogvoorschriften worden overtreden, kan het
bestuur slechts optreden tegen de oorspronkelijke, aanvankelijk gedoogde,
overtreding, dat wil zeggen het gedogen beëindigen.
Een voorbeeld kan één en
ander verduidelijken. Stel dat een vergunningvoorschrift bepaalt dat het door
een
inrichting veroorzaakte geluidsniveau de 40 dB niet mag
overschrijden. Bij controle blijkt dat dit niveau ruimschoots wordt overschreden, maar
dat volledige naleving forse investeringen vergt die niet op korte termijn kunnen worden gerealiseerd, terwijl
het door enkele
provisorische voorzieningen wel mogelijk is het niveau op korte termijn terug te
brengen tot 45 dB. Onder omstandigheden is dan denkbaar dat in afwachting van een definitieve oplossing een last wordt
opgelegd met een dwangsom
voor iedere keer dat de 45 dB wordt overschreden. In die zin wordt het
voorschrift dat maximaal 40 dB voorschrijft dan partieel gehandhaafd.
Dat is onder omstandigheden toelaatbaar. Maar stel nu dat het
bestuursorgaan tegen de geluidsoverlast wil optreden met een last
onder dwangsom inhoudende dat de inrichting, in afwachting van een
definitieve oplossing, tussen middernacht en zes uur ’s ochtends moet worden
gesloten. Dat is slechts toelaatbaar als de wet of de vergunning ook reeds
voorschriften bevatten omtrent de tijdstippen waarop de inrichting in
bedrijf mag zijn. Anders zou zich immers het geval voordoen dat de
sanctiebeschikking zelf de te handhaven norm creëert, hetgeen als gezegd in
strijd komt met het legaliteitsbeginsel.
Van het voorgaande moet
weer worden onderscheiden de situatie dat een vergunningplichtige
inrichting geheel zonder vergunning in bedrijf is. Voor die situatie heeft
de Afdeling bestuursrechtspraak geoordeeld dat uitgangspunt moet zijn
dat het handhavingsbesluit gericht moet zijn op het volledig opheffen van
de overtreding. Een handhavingsbesluit dat strekt tot het slechts
gedeeltelijk opheffen van de overtreding is slechts onder bijzondere omstandigheden toegestaan (ABRS 10 april 2002, JB
2002, 163). De Afdeling
noemt geen voorbeeld van die bijzondere omstandigheden, maar men zou bijvoorbeeld
kunnen denken aan het - uitzonderlijke - geval waarin een
inrichting zowel technisch als bedrijfseconomisch kan worden gesplitst in
twee onderdelen, waarvan het ene wel en het andere niet kan worden
gelegaliseerd.
c. Het begrip "bestraffende
sanctie"
Bestuurlijke sancties die
geen herstelsancties zijn, worden thans veelal "punitieve" sancties
genoemd. In het wetsvoorstel worden zij aangeduid als bestraffende
sancties. Het kenmerk van bestraffende sancties is dat zij wordt opgelegd met het
oogmerk om de overtreder leed toe te voegen. Over de vraag wanneer aan dit criterium is voldaan, bestaat veel jurisprudentie
en literatuur. Deze kan
in dit verband echter buiten beschouwing blijven, nu de
voorgestelde bepalingen vooralsnog slechts van toepassing zullen zijn op
de
bestuurlijke boete - die in ieder geval bestraffend van aard is - en eventueel
op andere als zodanig aangeduide bestraffende sancties (zie de
artikelen 5.0.3 [5:3] en 5.4.2.7
[5:54]).
Tweede lid
Een aantal
bestuursrechtelijke wetten geeft aan een bestuursorgaan de bevoegdheid om een burger
of een onderneming de verplichting op te leggen bepaalde
handelingen ter naleving van wettelijke voorschriften te verrichten. Men spreekt
dan wel van een zelfstandige of enkelvoudige last.
rblz.|85|
Bekende voorbeelden zijn
de aanschrijving tot woningverbetering ingevolge artikel 14 Woningwet, de
eis tot naleving ingevolge artikel 27 Arbeidsomstandighedenwet
1998 en de bindende aanwijzing van de directeur van de Dienst
uitvoering en toezicht energie ingevolge artikel 5a Elektriciteitswet
1998.
Tegen het niet uitvoeren van een dergelijke last kan veelal met bestuurlijke
sancties worden opgetreden. In veel gevallen wordt echter ook de last
zelf opgelegd naar aanleiding van een overtreding. De wetgever heeft het in
deze gevallen echter wenselijk geacht dat het bestuur eerst nader
zou concretiseren welke verplichtingen voor de burger uit de overtreden
norm voortvloeien, alvorens naleving van die verplichtingen
daadwerkelijk door het bestuur kan worden afgedwongen. Gelet hierop is het niet
wenselijk ook de enkelvoudige last zelf als een bestuurlijke sanctie aan
te merken. Nu de omschrijving van het eerste lid daaromtrent enige twijfel
zou kunnen doen rijzen, is in het tweede lid uitdrukkelijk bepaald dat
een enkelvoudige last geen bestuurlijke sanctie is.
Artikel 5.0.3
[5:3]
Om redenen die in het
algemeen deel van dit hoofdstuk van deze toelichting zijn uiteengezet, is de
reikwijdte van de artikelen 5.0.4 tot en met 5.0.10
[5:4 t/m 5:10] vooralsnog beperkt
tot de in de Algemene wet bestuursrecht geregelde sancties, met dien
verstande dat de bijzondere wetgever bestuurlijke sancties kan aanwijzen
waarop de titel eveneens van toepassing is.
Artikel 5.0.4
[5:4]
Het strafrecht kent het
beginsel "nullum crimen sine praevia lege criminali, nulla poena sine praevia
lege poenali": geen strafbaar feit en geen straf zonder voorafgaande
wettelijke strafbepaling. Hoewel het in Nederland slechts voor het
strafrecht is gecodificeerd (in artikel 16
Grondwet en artikel 1 Sr), geldt dit beginsel
ook voor bestuurlijke sancties. Voor bestraffende sancties volgt dit uit
artikel 7 EVRM en artikel 15 IVBPR [Internationaal verdrag inzake
burgerrechten en politieke rechten, red.]; voor herstelsancties -
althans voor de last
onder bestuursdwang en de last onder dwangsom - geldt het
beginsel naar algemene opvatting evenzeer, maar is het nergens
vastgelegd. Het ligt daarom voor de hand dit beginsel in titel 5.1 te codificeren.
Aan het
legaliteitsbeginsel kunnen verschillende aspecten worden onderscheiden. In de eerste plaats dient
de bevoegdheid om wegens een gedraging een bepaalde sanctie op
te leggen uitdrukkelijk bij of krachtens de wet in formele zin te
zijn toegekend. Voor de last onder bestuursdwang was dit reeds vastgelegd
in artikel 5:22; het voorgestelde artikel
5.0.4 [5:4], eerste lid, breidt deze
regel uit tot de overige sancties.
In de eerste plaats kan
een sanctie slechts worden opgelegd wegens een gedraging die bij of
krachtens een wettelijk voorschrift is verboden. Buitenwettelijke
voorschriften, zoals voorwaarden verbonden aan gedoogbeschikkingen,
kunnen dus niet rechtstreeks door middel van bestuurlijke sancties
worden gehandhaafd (aldus ook Vz. Afd. geschillen RvS 19 november 1992, AB
1993, 240), op een wettelijk voorschrift steunende vergunningvoorschriften
daarentegen in beginsel wel. Dit aspect is neergelegd in het tweede
lid van artikel 5.0.4 [5:4], tezamen met een ander belangrijk aspect: het
verbod van sanctieoplegging met terugwerkende kracht. Uit deze bepaling
mag men overigens niet a contrario afleiden dat bij andere besluiten
terugwerkende kracht wel is toegestaan. De vraag in hoeverre dit het geval
is, wordt tot dusver niet door de Awb
beantwoord. Het verbod van
sanctieoplegging met terugwerkende kracht brengt bovendien mee dat niet
alleen de gedragsnorm, maar ook deze bevoegdheidsnorm ten tijde van de overtreding reeds moet bestaan. Dit is eveneens neergelegd in
het tweede lid. Een voorbeeld kan één en ander verduidelijken. Stel dat
de wetgever besluit om de strafrechtelijke handhaving rblz.|86|
van een bepaald gedragsvoorschrift te vervangen door bestuursrechtelijke
handhaving. Op 1 januari
2005 treedt een wet in werking waarbij aan een
bestuursorgaan de bevoegdheid wordt toegekend om bij overtreding van het
gedragsvoorschrift een bestuurlijke boete op te leggen. Dit
bestuursorgaan kan dan geen boeten opleggen voor overtredingen die in 2004 plaatsvonden,
ook al was de desbetreffende gedraging ook toen al verboden. De
burger moet immers niet alleen uit de wet kunnen afleiden wat hem
verboden is, maar ook met welke sancties hij bij overtreding van het
verbod wordt bedreigd.
Aan laatstgenoemde
voorwaarde is voldaan indien de bevoegdheid om voor een bepaalde
overtreding een bestuurlijke sanctie op te leggen ongewijzigd overgaat van
het ene bestuursorgaan naar een ander bestuursorgaan. Dit kan
zich bijvoorbeeld voordoen als twee zelfstandige bestuursorganen worden samengevoegd of bij een gemeentelijke herindeling.
In dat geval kan het "nieuwe" bestuursorgaan zonder bezwaar een bestuurlijke sanctie
opleggen voor een overtreding die plaatsvond toen het "oude" bestuursorgaan nog bestond. De overtreding en de sanctie
zijn immers niet
gewijzigd.
Uit het
legaliteitsbeginsel volgt voorts ook dat een voorschrift dat door bestuurlijke sancties
wordt gehandhaafd voldoende duidelijk, voorzienbaar en kenbaar moet zijn (ook
wel genoemd het "lex-certabeginsel"). Het Europees Hof voor de
Rechten van de Mens [EHRM, red.] leidt dit af uit artikel 7 EVRM (vgl. EHRM 25 mei
1993, Publ. ECRM, Ser. A, Vol. 260 (Kokkinakis/Griekenland) en EHRM 27
september 1995, NJ 1996, 49 (G./Frankrijk)). Zie voor voorbeelden uit de
Nederlandse rechtspraak waarin een bestuurlijke boete werd vernietigd
omdat het overtreden voorschrift onvoldoende duidelijk was Rechtbank
’s-Gravenhage
23 december 1998, JB 1999, 57 en ABRS 20 november 2002, AB
2003, 173.
Een laatste aspect,
namelijk dat de wet ook de maximale hoogte van de sanctie moet bepalen, is
specifiek voor de bestuurlijke boete en daarom neergelegd in artikel
5.4.1.7 [5:46]. Hetzelfde geldt voor de problematiek van verandering van
wetgeving; daarvoor zij verwezen naar de toelichting
op artikel
5.4.1.7, vierde lid.
Artikel 5.0.5
[5:5]
Het Wetboek van
Strafrecht regelt in de artikelen 39 en volgende een aantal gevallen waarin
geen straf kan worden opgelegd: de zogenoemde strafuitsluitingsgronden.
Deze vallen uiteen in rechtvaardigingsgronden en
schulduitsluitingsgronden. Indien zich een rechtvaardigingsgrond voordoet, is
het feit
niet strafbaar en kan er dus niemand voor worden gestraft.
Schulduitsluitingsgronden daarentegen zien op de schuld van de individuele dader. De
dader die zich op een schulduitsluitingsgrond kan beroepen, kan niet worden
gestraft, maar daarmee is niets gezegd over de strafbaarheid van
eventuele mededaders.
Rechtvaardigingsgronden
zijn voor alle bestuurlijke sancties van belang, schulduitsluitingsgronden
daarentegen alleen voor bestuurlijke boeten. Voor het kunnen opleggen
van een herstelsanctie is immers niet vereist dat de overtreder iets te
verwijten valt (vgl. bijvoorbeeld ABRS 4 juli 2001, AB 2002/6). Derhalve wordt hier slechts ingegaan
op de rechtvaardigingsgronden.
De schulduitsluitingsgronden komen aan de orde in de toelichting op
artikel
5.4.1.2 [5:41], waarin
het beginsel "geen straf zonder schuld" is neergelegd.
De klassieke
rechtvaardigingsgronden zijn overmacht, noodweer, handelen ter uitvoering
van een wettelijk voorschrift en handelen ter uitvoering van een
bevoegd gegeven ambtelijk bevel. Overwogen is of deze catalogus van
strafuitsluitingsgronden in het bestuursrecht zou moeten worden
overgenomen. Om een aantal redenen is daarvan afgezien. Sommige klassieke
strafuitsluitingsgronden missen voor het bestuursrecht praktische
betekenis: een geval waarin de pleger van een rblz.|87|
met een bestuurlijke
boete gesanctioneerde overtreding zich op noodweer zou kunnen beroepen, is
niet goed voorstelbaar. Wel voorstelbaar zijn gevallen waarin de pleger
van een dergelijke overtreding zich zou kunnen beroepen op overmacht,
een wettelijk voorschrift of een ambtelijk bevel. De strafrechtspraktijk
heeft echter geleerd dat het wettelijk benoemen van deze
strafuitsluitingsgronden slechts in beperkte mate zou bijdragen aan de rechtszekerheid. Het
is ook in het strafrecht overwegend de jurisprudentie geweest die aan een
begrip als overmacht inhoud heeft gegeven. Daarom is volstaan met de
bepaling dat geen bestuurlijke boete kan worden opgelegd indien
voor de overtreding een rechtvaardigingsgrond bestond. Aldus wordt
erkend dat er omstandigheden zijn waaronder een verboden gedraging niet
wederrechtelijk is en wordt ook het onderscheid tussen rechtvaardigings-
en schulduitsluitingsgronden overgenomen, maar worden bestuur en rechter niet onnodig gebonden aan een
bepaalde onderverdeling
van deze rechtvaardigingsgronden. Het is aan het bestuur en
uiteindelijk aan de rechter om het begrip rechtvaardigingsgrond voor het bestuursrecht
nader in te vullen.
Daarbij ligt het
natuurlijk wel voor de hand dat het bestuur en de rechter de strafrechtelijke
jurisprudentie en de klassieke strafuitsluitingsgronden tot uitgangspunt zullen
nemen. In het algemeen zal zulks in een bestuursrechtelijke context niet snel tot het
aannemen van een rechtvaardigingsgrond leiden. Als gezegd, kunnen
de rechtvaardigingsgronden overmacht en handelen ter
uitvoering van een wettelijk voorschrift of een bevoegd gegeven ambtelijk bevel
ook in het bestuursrecht een rol spelen, maar die rol zal bescheiden zijn.
Situaties van fysieke overmacht zijn natuurlijk nooit uit te sluiten,
maar zijn schaars. Gegeven de regeldichtheid in het bestuursrecht kan
evenmin
geheel worden uitgesloten dat naleving van het ene wettelijk voorschrift
onder bijzondere omstandigheden in strijd komt met een ander wettelijk
voorschrift of, in het verlengde daarvan, met een ambtelijk bevel, maar dit
komt minder vaak voor dan wel eens wordt gesuggereerd. Niettemin
kan men zich in een bedrijf bijvoorbeeld situaties voorstellen waarin de
naleving van voorschriften gericht op de bescherming van de veiligheid van
omwonenden of van het milieu het noodzakelijk maakt om te handelen in
strijd met voorschriften op het gebied van de arbeidsomstandigheden of
arbeidstijden. Daarvoor behoort dan geen bestuurlijke sanctie te
kunnen worden opgelegd, mits is voldaan aan de - ook in het strafrecht
gestelde - eis van proportionaliteit: men moet uit twee kwaden wel het
minste kiezen. Vaak zullen dergelijke conflicten overigens in een eerder
stadium kunnen worden opgelost door een redelijke interpretatie van de
overtreden voorschriften of doordat deze zelf uitzonderingsclausules
kennen voor bijzondere situaties.
Het onderhavige artikel
impliceert niet dat het bestuursorgaan bij iedere bestuurlijke sanctie moet
onderzoeken of een rechtvaardigingsgrond aanwezig is en moet
motiveren waarom dat niet het geval is. Daartoe is slechts aanleiding indien
de overtreder een onderbouwd beroep doet op een rechtvaardigingsgrond
of anderszins aanwijzingen bestaan dat mogelijk een rechtvaardigingsgrond
aanwezig is.
Volledigheidshalve zij opgemerkt dat het enkele feit dat een illegale situatie kan worden
gelegaliseerd op zichzelf geen rechtvaardigingsgrond in de zin van dit artikel
oplevert. Dit is vooral voor herstelsancties van belang. Op het terrein van
het ruimtelijk bestuursrecht komt het nogal eens voor dat een
bouwwerk bijvoorbeeld in strijd met het bestemmingplan is gebouwd of wordt
gebruikt, maar dat daarvoor alsnog vrijstelling kan worden verleend. In
dat geval kunnen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer
in het bijzonder de in artikel 3:4, tweede lid,
Awb
neergelegde eis van een
evenwichtige belangenafweging, zich tegen het opleggen van een last
onder bestuursdwang of een last onder dwangsom verzetten. Dit betekent
echter niet dat de overtreding gerechtvaardigd was, maar vloeit veeleer voort uit het gegeven dat, ook al staat vast dat
een overtreding heeft
plaatsgevonden en daarvoor geen rechtvaardigingsgrond
rblz.|88|
bestond, de
daadwerkelijke toepassing van sancties vervolgens nog een belangenafweging
vergt. Wel kan het natuurlijk voorkomen dat de rechter in het midden kan
laten of een rechtvaardigingsgrond aanwezig is, omdat de sanctie reeds
wegens strijd met een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur moet
worden vernietigd. Zie voor enkele voorbeelden van dit laatste ABRS 18
december 2002, AB 2003, 85; ABRS 6 november 2002, Gst. 7182/56.
Artikel 5.0.6
[5:6]
Deze bepaling regelt de
mogelijkheid van cumulatie van herstelsancties. Cumulatie van sancties
doet zich voor als op overtreding van één bepaald voorschrift meer dan
één sanctie is gesteld. De vraag rijst dan in hoeverre deze sancties
gelijktijdig kunnen worden toegepast. Dit vraagstuk moet dus wel worden onderscheiden van de toepassing van het
ne-bis-in-idembeginsel (dan gaat
het immers niet om het gelijktijdig, maar om het achtereenvolgens opleggen
van twee of meer sancties voor dezelfde overtreding; zie daarvoor artikel
5.4.1.4 [5:43]), alsook van de vraag wat dient te geschieden indien door
één gedraging twee of meer voorschriften worden overtreden (het vraagstuk
van de samenloop, zie artikel 5.0.8
[5:8]). Het voorgestelde artikel 5.0.6 [5:6] is zakelijk
gelijk aan de huidige artikelen 5:31 en 5:36. Het verbiedt slechts de
cumulatie van twee of meer herstelsancties. Dat wil zeggen, voor één
overtreding kan niet gelijktijdig zowel een last onder bestuursdwang als een
last onder dwangsom worden opgelegd. Verwezen zij naar de
toelichting op de huidige artikelen 5:31 en
5:36 (destijds genummerd
5.2.12 respectievelijk 5.3.5, Kamerstukken II 1993-1994, 23 700, nr. 3,
blz. 133, 159 en
164).
Beide sancties kunnen
echter wel na elkaar worden toegepast. Voor herstelsancties geldt
niet het beginsel "ne bis in idem". Het is dus mogelijk voor één overtreding
achtereenvolgens meer herstelsancties op te leggen. Herstelsancties
zijn immers mogelijk omdat en zolang de onrechtmatige situatie blijft bestaan.
Zo kan bijvoorbeeld voor een overtreding eerst een last onder
dwangsom worden opgelegd en vervolgens, als deze dwangsom niet effectief
blijkt, een last onder bestuursdwang. Zie voor voorbeelden ABRS
19 juni 2002, Gst. 7177, 4, en ABRS 19 februari 2003, JB 2003, 100.
Cumulatie van twee of
meer bestraffende sancties is in het strafrecht heel gewoon: regelmatig wordt
voor een feit zowel een geldboete als een vrijheidsstraf opgelegd.
Het gaat dan immers om ongelijksoortige sancties. Ook in het bestuursrecht
behoeft cumulatie van ongelijksoortige bestraffende sancties
niet bij voorbaat te worden uitgesloten. Onder omstandigheden kan het
redelijk zijn dat wegens een overtreding bijvoorbeeld zowel een vergunning
wordt ingetrokken als een bestuurlijke boete wordt opgelegd, zoals ook
in het strafrecht bijvoorbeeld ontzegging van de rijbevoegdheid kan
worden gecombineerd met een geldboete. Iets anders is de
combinatie van een bestuurlijke boete met een strafrechtelijke sanctie. Omdat
de laatste
veelal ook een geldboete zal zijn (als de overtreding ernstig
genoeg is om een vrijheidsstraf te overwegen, zal bestuurlijke afdoening
veelal niet aan de orde zijn), zou dit leiden tot een ongewenste cumulatie van
gelijksoortige sancties. Daarom is deze cumulatie uitgesloten; omdat het
probleem alleen bij de bestuurlijke boete speelt, is dit echter
niet in titel 5.1 maar in titel 5.4 geschied.
Cumulatie van een
bestraffende sanctie (een bestuurlijke boete of een strafrechtelijke sanctie)
met een herstelsanctie is in beginsel mogelijk, omdat beide typen
sancties naar doel en strekking verschillen. Een herstelsanctie strekt ertoe (de gevolgen van) de overtreding te beëindigen of ongedaan te
maken, een
bestraffende sanctie strekt ertoe de overtreder te straffen. Er kan zeer
wel aanleiding zijn om beide te doen: als een werkgever door een
onvoldoende beveiligde machine zijn werknemers in gevaar heeft gebracht,
kan het wenselijk zijn dat hij daarvoor met een rblz.|89|
bestuurlijke boete wordt
gestraft en hem tevens onder dwangsom wordt gelast de machine alsnog
deugdelijk te beveiligen. Het onderhavige wetsvoorstel sluit een dergelijke
cumulatie dan ook niet uit.
Artikel 5.0.7
[5:7]
In het algemeen kan een
bestuurlijke sanctie slechts worden opgelegd nadat een overtreding
heeft plaatsgevonden. Voor de twee belangrijkste herstelsancties, de last
onder bestuursdwang en de last onder dwangsom, heeft de rechtspraak
echter aanvaard dat zij onder bijzondere omstandigheden ook "preventief" kunnen
worden opgelegd (Afd. rechtspraak RvS 1 februari 1985, AB 1985,
587; ABRS
24 februari 1995, AB 1995, 527; ABRS 4 september 1997, AB
1997, 396). In de memorie van toelichting bij de Derde
tranche Algemene wet bestuursrecht heeft de wetgever zich bij deze opvatting
aangesloten (Kamerstukken II 1993-1994, 23 700, nr. 3, blz. 150-152), maar werd nog
het standpunt ingenomen dat een uitdrukkelijke wettelijke regeling niet
wenselijk was en de kwestie aan de rechtspraak moest worden overgelaten.
Nu echter de wetgever overgaat tot codificatie van algemene bepalin |