|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2003-2004, 29 702
Aanvulling
van de Algemene wet
bestuursrecht (Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| I |
Algemeen |
| 1 |
De Awb als aanbouwwet |
| 2 |
De inhoud van de
vierde tranche |
| 3 |
Gevolgen voor de
bestaande wetgeving |
| 4 |
Bestuurslasten |
| 5 |
Budgettaire gevolgen |
| 6 |
Opbouw van deze
memorie van toelichting |
| II |
Bestuursrechtelijke geldschulden |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Noodzaak van een
algemene regeling |
| 3 |
De verhouding van de Awb tot het BW |
| 4 |
Verhouding tot het
gemeenschapsrecht |
| 5 |
Reikwijdte van de
regeling |
| 6 |
De opzet van de
regeling |
| 7 |
Rechtsbescherming tegen (dwang)invordering |
| 8 |
Overige wijzigingen |
| xArtikelsgewijs |
| III |
Bestuurlijke handhaving |
| 1 |
De handhaving van het
bestuursrecht |
| 2 |
Privaatrechtelijke en
tuchtrechtelijke sancties |
| 3 |
De indeling van
hoofdstuk 5 |
| 4 |
Algemene bepalingen
over handhaving (titel 5.1) |
| xArtikelsgewijs |
| IV |
Herstelsancties |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Van bestuursdwang naar
last onder bestuursdwang |
| 3 |
Wijzigingen voortvloeiend uit titel 4.4
(Bestuursrechtelijke geldschulden) |
| 4 |
Versterking van de
positie van de derde die om handhaving vraagt |
| 5 |
Cumulatie van
besluitmomenten |
| 6 |
De zelfstandige
dwangsombevoegdheid |
| xArtikelsgewijs |
| V |
De bestuurlijke boete |
| 1 |
Aanleiding |
| 2 |
Verschillende
boetestelsels |
| 3 |
De opzet van de
regeling |
| 4 |
Verdragsrechtelijke
eisen |
| 5 |
Verhouding tot het
strafrecht |
| 6 |
De bijzondere positie
van de rechter bij toetsing van boetebesluiten |
| 7 |
De positie van
derden-belanghebbenden |
| 8 |
Een
bestuursrechtelijke transactie? |
| 9 |
Bewijs |
| 10 |
De bestuurlijke boete
en het gemeenschapsrecht |
| xArtikelsgewijs |
| VI |
Attributie |
| 1 |
Algemeen |
| 2 |
Attributie aan een
persoon of college werkzaam onder verantwoordelijkheid van
een bestuursorgaan |
| 3 |
Politieke verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan |
| 4 |
Doel van deze regeling |
| 5 |
De
instructiebevoegdheid |
| 6 |
Inlichtingenplicht |
| 7 |
Overige juridische
aspecten van attributie aan ondergeschikten |
| 8 |
Plaats van de regeling |
| 9 |
Schakelbepaling
delegatie |
| xArtikelsgewijs |
| VII |
Overgangs- en slotbepalingen |
| xBijlage
1: overzicht van
wetgeving waarin een dwangbevelprocedure ter invordering van een
geldschuld voorkomt (per 18 juni 2004) |
| xBijlage
2: overzicht van
wetgeving waarin een bevoegdheid tot het opleggen van een
bestuurlijke boete voorkomt (per 18 juni 2004) |
| xBijlage
3: lijst van
instanties die advies hebben uitgebracht over het voorontwerp |
| xRegister
op de artikelen van de
Algemene wet bestuursrecht |
| xRegister
op de artikelen en
onderdelen van dit wetsvoorstel |
rblz.|3|
I. Algemeen
1. De Awb als aanbouwwet
Artikel 107, tweede lid, van de
Grondwet draagt de
wetgever op algemene regels van bestuursrecht vast te stellen. In de memorie
van toelichting bij het eerste gedeelte van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) (Kamerstukken II 1988-1989, 21 221, nr. 3) is uiteengezet dat deze
opdracht wegens haar omvang en complexiteit niet in één keer, maar
gefaseerd zal worden uitgevoerd. De Algemene wet bestuursrecht wordt in een
aantal "tranches" tot stand gebracht. Men spreekt wel van
aanbouwwetgeving. De
eerste
en de tweede tranche zijn in werking getreden
op 1 januari 1994, de derde tranche op 1 januari 1998.
Dit wetsvoorstel bevat de vierde tranche van de Algemene
wet bestuursrecht. Het is gebaseerd op een voorontwerp van de Commissie
wetgeving algemene regels van bestuursrecht (Den Haag 1999). Over
dit voorontwerp zijn een groot aantal adviezen uitgebracht ¹ (zie bijlage 3
voor een lijst). Op deze adviezen wordt waar nodig ingegaan in de
desbetreffende onderdelen van deze toelichting. Ook in de literatuur is veel aandacht aan
het voorontwerp besteed.
Er zijn ook onderdelen van de Awb die geen deel hebben
uitgemaakt van één van deze grote tranches, maar bij afzonderlijke
wet aan de Awb zijn toegevoegd. Zo traden tegelijk met de eerste en de
tweede tranche twee wetten in werking waarbij de Awb werd aangevuld met een
titel 1.2 inzake implementatie van EU-regelgeving en een afdeling 3.5
inzake de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure. Anderhalf jaar later,
op 1 juli 1995, trad in werking de wet tot aanvulling van de Awb
met een afdeling 2.2 inzake het gebruik van de Nederlandse en de Friese
taal in het openbaar bestuur [zie Wet van 4 mei
1995, Stb. 1995, 302, red.]. Op 1 juli 1999 is de Awb uitgebreid met een
hoofdstuk 9, inzake de behandeling van klachten door bestuursorganen
[zie Wet van 12 mei 1999, Stb. 1999, 214,
red.].
Ook mag niet onvermeld blijven de op 1 september 1999 in werking
getreden Wet
herziening van het fiscale procesrecht, die het uniforme
bestuursprocesrecht van hoofdstuk 8 Awb ook van toepassing verklaart op de
belastingrechtspraak. Hoewel strikt genomen geen
uitbreiding van de Awb zelf, betekent laatstgenoemde wet een belangrijke
uitbreiding van de werkingssfeer van de Awb en daarmee een belangrijke
bijdrage aan de met de Awb beoogde harmonisatie van het bestuursrecht.
Sedert het verschijnen van het voorontwerp voor deze
vierde tranche van de Awb (september 1999) zijn voorts nog in werking
getreden de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures (12 maart 2002), die
de Awb aanvulde met een regeling voor de vergoeding van de kosten van
rechtsbijstand in bezwaar en administratief beroep en de Eerste
evaluatiewet Awb (1 april 2002), waarin een aantal uit de eerste evaluatie van de
Awb voortvloeiende kleinere wijzigingen was bijeengebracht. In het
Staatsblad verscheen ten slotte nog de Wet uniforme openbare
voorbereidingsprocedure Awb (Stb. 2002, 54), die de beide thans in de Awb
opgenomen openbare voorbereidingsprocedures zal vervangen door
één uniforme procedure. Recent bereikten het Staatsblad de Wet
elektronisch bestuurlijk verkeer (Stb. 2004, 214; beoogde inwerkingtreding 1 juli
2004) en de Wet rechtstreeks beroep (Stb. 2004, 220; beoogde inwerkingtreding 1 september
2004).
Naar verwachting zullen ook in de toekomst zowel
meeromvattende tranches als afzonderlijke wetsvoorstellen tot aanvulling of wijziging van de Awb tot stand komen. De keuze om een
onderwerp afzonderlijk te
regelen, dan wel op te nemen in een meeromvattende
tranche, kan op diverse gronden berusten. De maatschappelijke of
politieke urgentie van een onderwerp kan een reden zijn om niet op het
gereedkomen van andere onderwerpen te wachten. Zo betroffen de
wetsvoorstellen inzake de taal van het openbaar bestuur en het klachtrecht
belangrijke beleidsprioriteiten van de toenmalige bewindslieden van Binnenlandse Zaken
en
rblz.|4|
zijn thans enkele wetsvoorstellen in procedure die voortvloeien uit beleidsprioriteiten van de regering.
Omgekeerd kan het gegeven dat
een onderwerp naar verwachting omvangrijke aanpassingswetgeving vergt een indicatie zijn om het te combineren met andere onderwerpen, opdat
niet voor elk onderwerp afzonderlijk de gehele bestuursrechtelijke
wetgeving behoeft te worden nagelopen.
1. De adviezen zijn ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer. Zie
bijlage 3 van de memorie van toelichting voor een lijst van instanties die advies hebben
uitgebracht.
2. De inhoud van de
vierde tranche
De vierde tranche
van de Awb
omvat drie onderwerpen:
- bestuursrechtelijke geldschulden
(titel 4.4);
- bestuurlijke handhaving, in het bijzonder de bestuurlijke boete (titels 5.1 en
5.4);
- attributie (afdeling 10.1.3).
Bij elk van deze drie onderwerpen gaat het om uitvoering van reeds eerder aangekondigde voornemens.
Eén en ander wordt hierna per onderwerp toegelicht. Naast deze drie nieuwe onderwerpen
bevat deze vierde tranche
een groot aantal daaruit voortvloeiende wijzigingen van bestaande
Awb-bepalingen. In de
meeste gevallen gaat het daarbij om technische wijzigingen, maar in een enkel geval ook om een meer
inhoudelijk punt. Vooral in de afdelingen inzake de last onder bestuursdwang en
de last onder dwangsom worden de nodige wijzigingen aangebracht; in verband daarmee is daarover een afzonderlijk
hoofdstuk in deze
memorie van toelichting opgenomen. Ten slotte is een kleine aanvulling van de
afdeling over delegatie (afdeling 10.1.2) opgenomen.
2.1. Bestuursrechtelijke
geldschulden
In het
nader rapport bij de Derde tranche Algemene wet bestuursrecht
(Kamerstukken II 1993-1994, 23 700, A, punt 8.18) kondigde de regering aan, naar
aanleiding van een opmerking in het advies van de Raad van State over de
rechtsbescherming bij de invordering van dwangsommen, de Commissie wetgeving
algemene regels van bestuursrecht te zullen verzoeken een uniforme regeling te ontwerpen voor de invordering van
geldschulden door de overheid. Deze regeling is opgenomen in de thans voorgestelde
afdeling 4.4.4. De nu voorgestelde regeling inzake bestuursrechtelijke
geldschulden beperkt zich echter niet tot het aspect van de invordering. Bij het
ontwerpen van de regeling bleek dat de invordering niet los kon
worden gezien van andere aspecten van de betaling van geldschulden aan de
overheid, zoals betalingstermijnen, verschuldigdheid van wettelijke
rente, enzovoort. Voorts bleek naast een regeling voor betaling van
geldschulden aan de overheid ook behoefte te bestaan aan een regeling voor
de betaling van geldschulden door de overheid; in veel gevallen bleken voor beide typen schulden
zelfs dezelfde regels te kunnen gelden. Daarom wordt thans een algemene
regeling inzake de betaling van geldschulden aan en door
bestuursorganen voorgesteld (titel 4.4), waarvan de regeling van de invordering deel
uitmaakt.
2.2. Bestuurlijke
handhaving, in het bijzonder de bestuurlijke boete
In de
derde tranche van de
Algemene wet bestuursrecht was een
regeling opgenomen van het toezicht op de naleving van wettelijke
voorschriften, alsmede van twee belangrijke bestuurlijke sancties, te weten
de
bestuursdwang en de last onder dwangsom. Tijdens de parlementaire behandeling
van deze bepalingen werd er vanuit de Tweede Kamer op gewezen dat ook behoefte zou kunnen bestaan aan
codificatie van algemene regels
of beginselen inzake bestuurlijke handhaving (Kamerstukken II 1994-1995, 23 700, nr. 7, vragen 6.9 en 6.14).
Daarop is door de regering geantwoord dat de Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht in het
rblz.|5|
kader van de vierde tranche
zou nagaan of het wenselijk en mogelijk
was dergelijke algemene bepalingen te formuleren (Kamerstukken II 1994-1995, 23 700, nr. 8, antwoorden 6.9 en 6.14). Gebleken is dat aan een
beperkt aantal algemene bepalingen inderdaad behoefte bestaat; deze zijn
opgenomen in de thans voorgestelde titel
5.1. Het betreft onder meer een
codificatie van het zogenaamde legaliteitsbeginsel, een regeling van
het zwijgrecht en bepalingen over samenloop van voorschriften en
cumulatie van sancties.
Naast deze algemene bepalingen inzake handhaving bevat deze vierde tranche een algemene regeling
inzake de bestuurlijke boete (titel 5.4). Als bekend, is het aantal wetten dat voorziet in door bestuursorganen
op te
leggen geldboeten sterk toegenomen, als gevolg van het kabinetsbeleid dat is
gericht op versterking van de bestuurlijke handhaving van de ordeningswetgeving. Reeds in het
kabinetsstandpunt "Handhaving door bestuurlijke boeten" van 1 juli 1994 (Kamerstukken
II 1993-1994, 23
400 VI, nr. 48), waarmee deze ontwikkeling werd ingezet, werd aangekondigd
dat in verband hiermee op termijn een algemene regeling inzake
bestuurlijke boeten in de Awb zou worden opgenomen. Sedertdien is vanuit de
Staten-Generaal bij herhaling aangedrongen op een spoedige
totstandkoming van deze algemene regeling. Inmiddels is met de wetgeving inzake
bestuurlijke boeten voldoende ervaring opgedaan om ook een algemene regeling te kunnen ontwerpen. De behoefte daaraan wordt ook steeds
sterker gevoeld, nu met het aantal boetewetten ook de kans op nodeloze verschillen daartussen
toeneemt. Daarnaast past een algemene regeling in het streven naar versterking van de bestuurlijke
handhaving, onder meer door de inzet van bestuurlijke boeten, dat ook in het
Hoofdlijnenakkoord van het huidige kabinet (Kamerstukken II 2002-2003, 28 637, nr. 19)
wordt onderstreept.
Naast de algemene bepalingen en de regeling inzake de bestuurlijke
boete bevat dit wetsvoorstel één belangrijke aanvulling van de regeling
inzake de bestuursdwang en de last onder dwangsom. Indien een bestuursorgaan
op verzoek van een derde één van deze sancties oplegt, maar deze vervolgens niet
effectueert, kan deze derde dit niet effectueren
thans niet bij de bestuursrechter aanvechten. Voorgesteld wordt om dit laatste
wel mogelijk te maken door de introductie van twee nieuwe typen
beschikkingen, te weten de beschikking omtrent tenuitvoerlegging bij bestuursdwang
en de beschikking omtrent invordering bij de last onder dwangsom. Ook aldus wordt een bijdrage geleverd aan een adequaat
niveau van bestuurlijke handhaving.
Op advies van de Raad van State is ten slotte de afdeling inzake
bestuursdwang iets anders opgezet, zonder dat daarmee inhoudelijke wijzigingen
zijn beoogd. In de praktijk gaat het ook bij bestuursdwang veelal om
een "last onder bestuursdwang": bestuursdwang, in de zin van het met
feitelijke maatregelen optreden tegen een overtreding, kan in de regel niet
rauwelijks worden toegepast, maar pas nadat een last tot het
beëindigen van de overtreding of het wegnemen van de gevolgen daarvan niet is
nageleefd. In de thans voorgestelde systematiek wordt dit explicieter
tot uitdrukking gebracht.
2.3. Attributie
Bij de parlementaire
behandeling van de in de derde tranche opgenomen regeling inzake mandaat
en delegatie is er door verschillende fracties voor gepleit ook een regeling
inzake attributie in de Awb op te nemen (Kamerstukken II
1994-1995, 23 700, nr.
7, vraag 7.1). Daarbij werd met name gedacht aan de problematiek van attributie aan ondergeschikten. De regering
was toen van oordeel dat
uit een oogpunt van rechtszekerheid inderdaad behoefte bestond aan een
regeling van deze problematiek en zegde toe dat de Commissie
wetgeving algemene regels van bestuursrecht daaraan in het kader van
de vierde tranche
aandacht zou schenken. Met rblz.|6|
de nu voorgestelde
afdeling 10.1.3 wordt deze toezegging ingelost. De voorgestelde regeling
beperkt zich tot de problematiek van attributie aan ondergeschikten; andere
aspecten van het leerstuk attributie lenen zich naar hun aard niet voor
een algemene regeling. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk noch wenselijk
in algemene regels vast te leggen welke bevoegdheden aan welke bestuursorganen kunnen worden toebedeeld;
die beslissing blijft aan
de bijzondere wetgever voorbehouden.
Van de gelegenheid is
gebruik gemaakt om in de afdeling over delegatie een schakelbepaling op te
nemen voor het geval een andere bevoegdheid dan een bevoegdheid tot
het nemen van besluiten wordt gedelegeerd. Kortheidshalve zij
daarvoor verwezen naar hoofdstuk VII van deze toelichting.
2.4. Openbaarheid van
bestuur
Het
voorontwerp voor deze vierde tranche
bevatte ook regels inzake openbaarheid van bestuur. Het ging
daarbij om het - zonder inhoudelijke wijzigingen - overbrengen van de Wet
openbaarheid van bestuur naar hoofdstuk 2
Awb. Dit onderwerp is
niet in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen, omdat beter eerst de uitkomst van de evaluatie van de Wob
kan worden afgewacht.
Afhankelijk van de besluitvorming daarover kan dit onderwerp in een
afzonderlijk wetsvoorstel worden ondergebracht. De evaluatie van de Wob is
aangekondigd bij de begroting van het ministerie van Binnenlandse zaken en
Koninkrijksrelaties voor 2003 (Kamerstukken II 2002-2003, 28 600 VII,
nr. 2) en het werk daaraan is inmiddels bijna afgerond. Na de nodige consultaties
zal waarschijnlijk in de loop van 2004 een kabinetsstandpunt kunnen
worden vastgesteld.
2.5. Bestuursrecht,
burgerlijk recht en strafrecht
De twee meest omvangrijke
onderdelen van dit wetsvoorstel, de regeling inzake
bestuursrechtelijke geldschulden en die inzake bestuurlijke boeten, betreffen beide
onderwerpen, die voorheen vooral in andere rechtsgebieden dan het bestuursrecht
waren geregeld. Tot voor betrekkelijk kort was het voor juristen
vanzelfsprekend dat men voor regels inzake de betaling en verdere
afwikkeling van geldschulden het Burgerlijk
Wetboek moest openslaan en voor
regels inzake de bestraffing van normovertredingen het Wetboek
van Strafrecht. Thans stellen wij voor over beide onderwerpen ook regels op te nemen in de
Algemene
wet bestuursrecht.
Dat is een belangrijke stap in de ontwikkeling van het algemeen bestuursrecht.
Het komt regelmatig voor
dat een bepaald verschijnsel of een bepaalde rechtsfiguur in het
bestuursrecht niet is geregeld, terwijl dezelfde of een verwante figuur in het
privaatrecht of in het strafrecht wel is geregeld. Dit komt doordat het algemeen
bestuursrecht veel jonger en daardoor minder ver ontwikkeld is dan de
beide andere rechtsgebieden. Hoewel het bijzondere, materiële bestuursrecht
zeer veel regels kent, zijn in het algemeen bestuursrecht toch nog
veel zaken niet geregeld.
Dit betekent dat men in
bestuursrechtelijke verhoudingen regelmatig moet terugvallen op regels
uit één van de andere rechtsgebieden; vooral uit het privaatrecht,
maar in mindere mate ook wel uit het strafrecht. Vaak kan dat zonder problemen,
maar soms blijken de privaat- en strafrechtelijke regels minder geschikt,
omdat zij niet primair voor bestuursrechtelijke verhoudingen zijn
geschreven en daardoor soms onvoldoende rekening houden met de
specifieke kenmerken daarvan, zoals de machtsongelijkheid tussen burger en
overheid. Soms kan dit worden opgelost door aanpassing van de desbetreffende regels. Zo kan bijvoorbeeld de
Wet op de
economische delicten worden begrepen als een aanvulling van het straf(proces)recht
met het oog op de handhaving van bestuursrechtelijke ordeningswetgeving. Maar
soms ook heeft het bestuursrecht rblz.|7|
behoefte aan eigen
regels. In het verleden werden die dan veelal neergelegd in bijzondere
bestuursrechtelijke wetten. Zo kent bijvoorbeeld het belastingrecht voor de
twee in dit wetsvoorstel geregelde onderwerpen - afwikkeling van
geldschulden en bestraffing van overtredingen - al heel lang eigen, deels van het
privaat- respectievelijk strafrecht afwijkende regels. Indien de
behoefte aan eigen bestuursrechtelijke regels zich op meer beleidsterreinen
doet gevoelen, is het tegenwoordig echter vaak aantrekkelijker om deze
regels in de Algemene wet bestuursrecht op te nemen. Daarom zal zich
ook in de toekomst van tijd tot tijd de vraag voordoen of in de Algemene wet
bestuursrecht regels moeten worden opgenomen over een onderwerp
waarvoor het privaatrecht of het strafrecht reeds regels geeft. Voor
de nabije toekomst valt bijvoorbeeld te denken aan het onderwerp
schadevergoeding.
Vaak zal de reden om een
elders geregeld onderwerp ook in de Awb te regelen ook gelegen zijn
in onduidelijkheid over het antwoord op de vraag in hoeverre regels uit
andere rechtsgebieden in het bestuursrecht kunnen worden toegepast. Juist
omdat de eigen aard van het bestuursrecht met zich meebrengt dat andere
regels dan in het strafrecht en het privaatrecht nodig kunnen zijn,
behoort de wetgever daarover zoveel mogelijk duidelijkheid te verschaffen. Dit geldt
zowel voor het geval dat niet als voor het geval dat wel bij die
andere rechtsgebieden kan worden aangesloten. In het laatste geval kan het
aangewezen zijn om duidelijkheid te verschaffen door de bewuste
bepalingen van het Burgerlijk
Wetboek of van het Wetboek
van Strafrecht uitdrukkelijk van overeenkomstige toepassing te verklaren op
bestuursrechtelijke verhoudingen. Het onderhavige wetsvoorstel
biedt daarvan diverse
voorbeelden.
Uitgangspunt moet daarbij zijn dat nodeloze verschillen tussen de rechtsgebieden moeten worden voorkomen.
Wanneer de privaatrechtelijke of strafrechtelijke regels
ook voor bestuursrechtelijke verhoudingen goed voldoen, moet daarbij
worden aangesloten. Dat moet en dat kan ook, omdat veel van wat op het
eerste gezicht typisch bestuurs-, straf- of privaatrechtelijk lijkt
bij nadere beschouwing een uitwerking is van aan de verschillende
rechtsgebieden gemeenschappelijke rechtsbeginselen. Zo berust ook de thans
voorgestelde regeling inzake de bestuurlijke boete op beginselen als
"geen
straf zonder schuld", ne bis in idem en nulla poena sine lege. Bestraffing
door het bestuur in plaats van door de rechter vraagt een iets andere
uitwerking op het niveau van de precieze regels, maar de dragende beginselen zijn dezelfde.
Het gaat in deze gevallen
dus steeds om het vinden van een evenwicht tussen enerzijds het
geven van eigen, afwijkende regels voor het bestuursrecht waar dat
nodig is en anderzijds het aansluiten bij bestaande privaat- of
strafrechtelijke regels waar dat mogelijk is. Het wiel behoeft niet opnieuw te
worden
uitgevonden, maar het moet soms wel op de bestuursrechtelijke maat
worden gemaakt.
3. Gevolgen voor de
bestaande wetgeving
De drie onderwerpen van
de vierde tranche
zullen in verschillende mate aanleiding geven tot
aanpassing van de bestaande wetgeving. De bepalingen over de attributie zullen
niet of nauwelijks aanpassingswetgeving vergen, omdat het onderwerp in de bestaande wetgeving doorgaans in het geheel niet is
geregeld.
De onderdelen
bestuursrechtelijke geldschulden en bestuurlijke handhaving zullen aanzienlijk meer
aanpassingswetgeving vergen. Er zijn thans enkele tientallen wetten
die voorzien in een bevoegdheid tot het opleggen van bestuurlijke boeten
(zie bijlage 2 bij deze memorie van toelichting). Daaruit zal een groot
aantal bepalingen kunnen worden geschrapt. Na inwerkingtreding van de
vierde tranche behoeft de bijzondere wet in beginsel nog maar vier
aspecten te regelen: de aanwijzing van het bestuursorgaan dat
bevoegd is tot het opleggen van de bestuurlijke boete, rblz.|8|
de omschrijving van de
beboetbare gedragingen, de hoogte van de op te leggen boete, alsmede in
een voorkomend geval de keuze tussen de lichte of de zware procedure (vgl.
artikel 5.4.2.6 [5:53]). Andere procedurele bepalingen, bepalingen inzake de samenloop met strafrechtelijke sancties, inzake het
zwijgrecht van de
overtreder en dergelijke, kunnen vervallen, omdat de Awb
één en ander reeds
regelt.
Het onderdeel invordering
van de titel over bestuursrechtelijke geldschulden zal eveneens leiden tot
het schrappen van een groot aantal bepalingen. Vele
tientallen wetten (zie voor een overzicht bijlage 1) regelen thans procedures
voor de invordering van geldschulden bij dwangbevel. In plaats
daarvan zal de bijzondere wetgever voortaan kunnen volstaan met het
toekennen van de bevoegdheid tot invordering bij dwangbevel; de Awb
regelt de overige aspecten.
De gevolgen voor de
bestaande wetgeving van de overige onderdelen van de regeling inzake bestuursrechtelijke geldschulden zijn moeilijker te
overzien, omdat bestaande
regelingen op dit punt variëren van zeer uitvoerig (bijvoorbeeld
in de fiscale wetgeving) tot zeer summier. Enerzijds zullen soms bepalingen
kunnen vervallen, anderzijds zullen soms bepalingen - bijvoorbeeld over betalingstermijnen
- moeten worden toegevoegd.
Voor het werk aan de
aanpassingswetgeving zal, gelet op de goede ervaringen die daarmee bij de
aanpassing aan de derde
tranche zijn opgedaan, wederom een leidraad
worden ontwikkeld, waarin de noodzakelijke aanpassingen zoveel
mogelijk worden gestandaardiseerd en waarin waar nodig en mogelijk ook
modelbepalingen zullen worden opgenomen. Deze leidraad zal vervolgens
worden opgenomen in de memorie van toelichting bij de aanpassingswet.
4. Bestuurslasten
De gevolgen van dit
wetsvoorstel voor de uitvoeringslasten van het openbaar bestuur zullen beperkt
zijn. Het onderdeel attributie brengt geen wijziging in het geldende
recht en derhalve ook niet in de daaruit voortvloeiende bestuurslasten. De
bepalingen inzake de bestuurlijke boete verschillen in dit
opzicht evenmin wezenlijk van reeds geldende bepalingen. De procedurele vereisten
en de verplichtingen tot het zo nodig zorg dragen voor tolken en
vertalingen gaan niet verder dan hetgeen thans reeds uit artikel 6 EVRM
[Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden, red.] volgt.
Voor de bepalingen inzake
bestuursrechtelijke geldschulden ligt één en ander genuanceerder. De voorschriften inhoudende dat het vaststellen
van de kosten van
bestuursdwang, alsmede het verlenen van uitstel van betaling, bij voor
beroep vatbare beschikking geschiedt, zouden tot een zekere stijging van de
bestuurslasten kunnen leiden, evenals de voorschriften inzake de
invorderingsbeschikking bij de last onder dwangsom en de beschikking omtrent
tenuitvoerlegging bij de last onder bestuursdwang. De voorschriften omtrent
de verschuldigdheid van wettelijke rente bij te late betaling door
het bestuursorgaan zouden, hoewel strikt genomen een codificatie
van hetgeen reeds door de jurisprudentie wordt aangenomen, een zekere
aanzuigende werking kunnen hebben. Datzelfde geldt echter, en wellicht
zelfs in nog sterkere mate, voor het voorschrift dat ook de burger bij te
late betaling de wettelijke rente over het te laat betaalde bedrag
verschuldigd is. Bovendien betekent de voorgestelde regel dat geen wettelijke
rente verschuldigd is indien het bedrag daarvan minder dan €|20,- of,
indien het bestuursorgaan de schuldenaar is, minder dan €|10,- bedraagt
(artikel 4.4.2.2 [4:98], tweede lid) in de praktijk een niet onaanzienlijke
verlichting van de uitvoeringslasten ten opzichte van de huidige jurisprudentie.
Deze bepaling brengt immers mee dat in het gros van de gevallen van te
late betaling de rente geen punt van discussie behoeft te zijn.
Een belangrijke
verlichting van de bestuurslasten kan voorts uitgaan van rblz.|9|
de voorgestelde afdeling
4.4.4 inzake de invordering bij dwangbevel. In plaats van enkele
tientallen invorderingsprocedures die onderling allerlei kleine verschillen
vertonen, heeft het openbaar bestuur voortaan te maken met één uniforme,
relatief eenvoudige invorderingsprocedure. Dit zal een gunstig effect hebben
op de kosten verbonden aan de daadwerkelijke invordering van
geldschulden door de overheid. Dit geldt ook voor het voorgestelde artikel
4:57, dat bij terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidies de
gang naar de burgerlijke rechter ter verkrijging van een executoriale titel
overbodig maakt. Om te voorkomen dat de introductie van nieuwe typen
beschikkingen tot een opeenstapeling van bezwaar- en
beroepsprocedures leidt, is ten slotte op een aantal plaatsen in dit wetsvoorstel
bepaald dat bezwaren tegen een bijkomende beschikking kunnen worden
"meegenomen" in een lopende procedure tegen de hoofdbeschikking. Men zie
de toelichting op de voorgestelde artikelen
4.4.5.1 [4:125], 5:31c en 5:39.
Het is niet doenlijk de
hiervoor vermelde effecten voor het gehele openbaar bestuur te kwantificeren.
Globaal mag worden verwacht dat het effect van de
voorgestelde regeling op de uitvoeringslasten van bestuursorganen beperkt zal
zijn.
5. Budgettaire gevolgen
Hetgeen in paragraaf 4 is
gesteld, brengt met zich dat ook de budgettaire effecten van het voorstel
niet goed te kwantificeren zijn. Als gezegd, mag worden verwacht dat de
directe uitvoeringskosten grosso modo niet zullen toenemen. Gelet op de voorzieningen die zijn getroffen om opeenstapeling van procedures tegen te
gaan, zal de belasting van de rechterlijke macht naar verwachting
evenmin toenemen.
Aangezien het voorstel
niet regelt voor welke overtredingen bestuurlijke boeten kunnen worden opgelegd (dat is aan de bijzondere wetgever), heeft
het geen rechtstreekse
invloed op de opbrengsten daarvan. Het netto-effect van de verplichting van
enerzijds bestuursorganen en anderzijds burgers tot vergoeding
van wettelijke rente bij te late betalingen kan niet worden gekwantificeerd,
nu niet bekend is wie er hoe vaak en hoe veel te laat betaalt.
6. Opbouw van deze
memorie van toelichting
Evenals bij de derde
tranche het geval was, wijkt de opbouw van deze memorie van toelichting
enigszins af van het voor wetsvoorstellen gebruikelijke patroon. De gebruikelijke
opzet met één algemeen deel gevolgd door een artikelsgewijze
toelichting zou in dit geval betekenen dat de algemene beschouwingen
over elk van de drie hiervoor genoemde onderwerpen zouden worden gescheiden
van de toelichting op de bijbehorende artikelen. Dit zou de
overzichtelijkheid niet ten goede komen. In plaats daarvan is per onderwerp
een hoofdstuk in de toelichting opgenomen. Elk van deze hoofdstukken
bevat zowel de algemene beschouwingen als de artikelsgewijze
toelichting met betrekking tot het desbetreffende onderwerp. Het onderwerp
bestuurlijke handhaving is daarbij, alweer ter wille van de toegankelijkheid,
anders dan in het voorontwerp verdeeld over drie hoofdstukken, te
weten algemene bepalingen inzake bestuurlijke handhaving (hoofdstuk
III), herstelsancties (hoofdstuk IV) en bestuurlijke boete
(hoofdstuk V). Deze
hoofdstukken corresponderen met respectievelijk de titels
5.1, 5.3 en 5.4
van de Algemene wet bestuursrecht.
Naast deze vijf
hoofdstukken bevat deze toelichting nog twee hoofdstukken, te weten het onderhavige
inleidende hoofdstuk en een hoofdstuk waarin de overgangs- en
slotbepalingen worden toegelicht. Om de toegankelijkheid verder te vergroten, is de
toelichting voorts voorzien van een register op zowel de nieuwe of gewijzigde artikelen van de
Algemene wet bestuursrecht als de
artikelen en onderdelen van dit wijzigingsvoorstel.
rblz.|10|
II. Bestuursrechtelijke
geldschulden
1. Inleiding
In het nader rapport bij
de Derde tranche
Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 1993-1994, 23 700, A, blz. 63) is geconcludeerd dat het wenselijk is om te
streven naar harmonisatie en systematisering op het terrein van de
invordering van geldschulden door de overheid. Aan de Commissie wetgeving
algemene regels van bestuursrecht zou worden verzocht, aldus de
regering, om bij gelegenheid van de vierde tranche van de Algemene
wet bestuursrecht (Awb) een uniforme
regeling te ontwerpen die voorziet in bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen
de invordering van geldschulden door de overheid.
Naar aanleiding van deze
toezegging is onderzocht hoe een dergelijke regeling gestalte zou
kunnen krijgen. Het resultaat daarvan is uitgemond in het voorstel om aan
hoofdstuk 4 - dat bijzondere bepalingen over besluiten bevat - een
nieuwe titel 4.4 over bestuursrechtelijke geldschulden toe te voegen.
Het voorstel heeft een
ruimere opzet dan het regelen van de invordering van geldschulden door de
overheid. De invordering kan niet goed los worden gezien van de
regels over de fasen die daaraan voorafgaan. Wil immers tot
(dwang)invordering kunnen worden overgegaan, dan behoort voldoende vast te staan
dat de schuldenaar niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Daardoor
bestaat er een samenhang tussen de regels over het ontstaan en de
afwikkeling van verplichtingen tot het betalen van een geldsom en de bepalingen
over de invordering. De regeling van eerstgenoemde onderwerpen vormt tot
dusverre een nogal ondoorzichtig geheel. Dat komt voor een deel
doordat daarover in vele wetten bepalingen zijn opgenomen en voor een
ander deel omdat voor de niet-geregelde onderwerpen regelmatig een
beroep op het privaatrecht wordt gedaan zonder dat voldoende vaststaat
hoever dit beroep precies kan gaan.
Eén en ander heeft ertoe
geleid een ontwerp op te stellen met algemene regels over het ontstaan
en de inhoud van de verplichting tot betaling van een (bestuursrechtelijke)
geldsom, over het intreden en de gevolgen van het niet voldoen aan die
verplichting, en over de invordering.
Bij het ontwerpen van
bepalingen over deze onderwerpen, voor zover niet betrekking hebbend op
de
dwanginvordering, bleek dat er niet alleen behoefte bestaat aan
algemene regels over geldschulden van de burger aan de overheid, maar
andersom ook voor schulden van de overheid aan de burger. Ook daar spelen dezelfde soort vragen over zaken als betalingstermijn,
verzuim en wettelijke
rente, en is de onduidelijkheid in het huidige recht
soortgelijk. Daar komt nog bij dat de regels voor beide soort schulden -
schulden van
de overheid en schulden aan de overheid - voor een groot deel dezelfde
behoren te zijn. Zo zal de overheid evenzeer als de burger wettelijke rente
moeten voldoen bij te late betaling.
Eén en ander heeft
geresulteerd in een titel die algemene regels geeft over bestuursrechtelijke
geldschulden. Zij omvat vier afdelingen:
4.4.1. Ontstaan en inhoud
van de verplichting tot betaling
4.4.2. Verzuim en
wettelijke rente
4.4.3. Verjaring
4.4.4. Aanmaning en
invordering bij dwangbevel
De eerste drie afdelingen
hebben betrekking op zowel geldschulden van de burger aan de overheid
als geldschulden van de overheid aan de burger. Alleen de laatste
afdeling is beperkt tot invordering door de overheid.
rblz.|11|
2. Noodzaak van een
algemene regeling
2.1. Huidige situatie
Een algemene regeling
over de betaling en invordering van geldschulden door en aan de overheid
kent het huidige bestuursrecht nog niet. Wel is in verschillende wetten een
regeling van specifieke onderwerpen te vinden. Het meest frequent zijn
de regelingen over invordering: tientallen bestuursrechtelijke
wetten (zie bijlage 1 voor een opsomming) kennen de mogelijkheid om schulden
aan de overheid door middel van een dwangbevel te innen. De
voorschriften die daaraan zijn verbonden, zijn niet steeds dezelfde; ook de
rechtsbescherming is vaak uiteenlopend geregeld. Daarnaast komen regels over andere onderwerpen voor. Het meest uitgebreid
op dit punt is de Invorderingswet
1990, die een gedetailleerde regeling bevat van de betaling en
invordering van belastingen.
Het privaatrecht kent wel
een algemene regeling. Deze is in hoofdzaak te vinden in Boek
6, titel 1, afdelingen 6 en volgende, van het Burgerlijk Wetboek (BW) en in het
Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Voor een deel kunnen deze bepalingen ook goed voor publiekrechtelijke
geldvorderingen worden gebruikt. Zo wordt in alle wettelijke regelingen met
een dwangbevel als executoriale titel Boek
II Rv van (overeenkomstige)
toepassing verklaard op de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, zij het
steeds in andere bewoordingen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie van de
Hoge Raad dat de regels over onverschuldigde betaling en over
verrekening - voor zover uit de wet of de aard van de rechtsverhouding niet het
tegendeel voortvloeit - in het bestuursrecht van overeenkomstige
toepassing zijn (HR 25 oktober 1991, NJ 1992, 299, respectievelijk HR 28 mei 1993, NJ 1994,
435). Niet in alle gevallen zijn de privaatrechtelijke regels echter bruikbaar;
in verschillende wetten zijn - onder andere voor de hierboven
genoemde onderwerpen - aparte regels opgenomen. Zo kent de
Invorderingswet 1990 bijvoorbeeld een van het BW
afwijkende regeling inzake
verrekening.
Aan een afwijkende
regeling van de verrekening bestaat inderdaad behoefte. Niet goed
voorstelbaar is immers dat een burger met een beroep op de regels inzake
verrekening uit het BW
(artikelen 6:127 e.v.) het betalen van een
geldboete zou kunnen weigeren, omdat hij nog recht heeft op huursubsidie van
de staat. De publiekrechtelijke taken die door verschillende
bestuursorganen binnen één en hetzelfde openbare lichaam worden verricht, zijn zo
divers dat verrekening van uit die taken voortvloeiende geldvorderingen in
beginsel niet aan de orde kan zijn.
Een ander voorbeeld is de
wettelijke rente. Een eerste vraag is of in een publiekrechtelijke rechtsbetrekking überhaupt recht bestaat op wettelijke
rente als gevolg van te
late betaling van een geldsom. De jurisprudentie was daarover verdeeld.
Anders dan de burgerlijke rechter was de Centrale Raad van Beroep lange tijd
van oordeel dat het enkele feit dat een ambtenaar door te late betaling
rente heeft gederfd, ontoereikend is om een schadevergoedingsplicht
van het desbetreffende bestuursorgaan aan te nemen. Naar het oordeel
van de Raad kon van betaling van wettelijke rente slechts sprake zijn indien het bestuursorgaan een verwijt kon
worden gemaakt van een
zodanige ernst dat de financiële schade in redelijkheid niet voor rekening van de
ambtenaar kon worden gelaten (vgl. CRvB 7 december 1989, AB
1990, 194; vgl. ook zaak C-66/95 (Sutton), HvJEG [Hof van Justitie
van de Europese Gemeenschappen, red.]
22 april 1997, Jur.
1997, blz. I-2163, waarin het Hof van Justitie heeft uitgemaakt dat richtlijn
79/7 (gelijke behandeling bij wettelijke sociale zekerheid) niet verplicht
tot het vergoeden van wettelijke rente over achterstallige
socialezekerheidsuitkeringen die in strijd met de richtlijn niet zijn toegekend. Het
Hof verwijst hiervoor naar het gewone aansprakelijkheidsrecht).
Inmiddels heeft de Raad
in zijn op grond van artikel 8:73 Awb ontwikkelde jurisprudentie zijn koers
gewijzigd en aansluiting gezocht bij de in het rblz.|12|
burgerlijk recht gegeven
regeling van de wettelijke rente (CRvB 30 maart 1995, AB 1995, 334, JB
1995, 99; CRvB 8 november 1995, AB 1996, 191; CRvB 19 oktober 1995, TAR
1995, 267, vgl. ook: ABRvS [Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State, red.] 21 april 1995, AB 1995, 422 en CBb
[College van Beroep voor het bedrijfsleven, red.]
20
februari 2002, AB 2002, 150). Ingevolge artikel 6:119, eerste lid, BW
bestaat de
schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een
geldsom, in de wettelijke rente van die som. De wettelijke rente
is verschuldigd over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening van de
geldsom in verzuim is geweest.
Bij de overeenkomstige
toepassing van artikel 6:119, eerste lid, BW
rees vervolgens de vraag op
welk moment het bestuursorgaan in verzuim is en dus vanaf welk moment
wettelijke rente moet worden betaald. De jurisprudentie heeft ook op dit punt
aansluiting gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht.
Wettelijke rente is verschuldigd vanaf het moment waarop de vordering
tot schadevergoeding wegens rentederving opeisbaar is geworden.
Uit artikel 6:83 BW
volgt dat een vordering tot schadevergoeding uit
onrechtmatige daad terstond opeisbaar is. De vordering is daarmee dus
opeisbaar vanaf de dag waarop de ten onrechte niet-betaalde geldsom had
moeten worden uitbetaald. In gevallen waarin een bepaling omtrent de
betalingstermijn in de bijzondere wet ontbreekt, gaat de jurisprudentie
ervan uit dat maandelijks uit te betalen lonen en uitkeringen uiterlijk
op de laatste dag van de maand moeten zijn uitbetaald. Daaruit volgt dat de
wettelijke rente verschuldigd wordt op de eerste dag van de maand
volgend op die waarin de datum valt van de bekendmaking van het
bestreden besluit (o.m. CRvB 9 januari 1996, JB 1996, 36; CRvB 28 maart
1996, TAR 1996, 102).
De hiervoor geschetste
ontwikkelingen nemen niet weg dat in sommige bijzondere wetten aparte voorzieningen zijn getroffen. Zo kent bijvoorbeeld
het belastingrecht een
aparte regeling over de rente die verschuldigd is bij te late betaling.
Een ander probleem bij de
toepassing van de privaatrechtelijke regels is het gebrek aan
efficiëntie. Indien een burger zijn schuld aan de overheid niet wil voldoen, is de
overheid op grond van het privaatrechtelijke systeem genoodzaakt de
burgerlijke rechter in te schakelen, teneinde een vonnis te verkrijgen
waarin de schuldenaar tot nakoming wordt veroordeeld. Bij publiekrechtelijke
schulden is dit te meer een bezwaar, aangezien in veel gevallen een
procedure bij de bestuursrechter aan de invorderingsprocedure zal
zijn voorafgegaan. In elk geval heeft de belanghebbende de gelegenheid gehad om
een dergelijke procedure aan te spannen. Een belangrijk
nadeel is dat door deze opeenhoping van procedures ernstige vertraging
optreedt. Ook uit een oogpunt van rechtshandhaving kan dit bezwaarlijk zijn.
De hiervoor beschreven
knelpunten zijn wellicht de belangrijkste, maar niet de enige. Met
betrekking tot andere aspecten doen zich eveneens problemen voor. Punten
die in het huidige bestuursrecht vragen opleveren, betreffen in ieder geval
het tijdstip waarop betaald moet worden, de vraag of een aanmaning nodig is voordat het bestuur tot invordering
kan overgaan, de positie
van derden-belanghebbenden en de verjaring.
2.2. Algemene regeling of
bijzondere wetgeving
Bij de conclusie dat er
- in aanvulling op het BW
- behoefte bestaat aan een aantal
bestuursrechtelijke regels, rijst de vraag of deze de vorm moeten krijgen van een
algemene regeling in de Awb. De genoemde knelpunten worden op dit
moment immers, althans in bepaalde gevallen, opgelost door het opnemen
van regels in bijzondere wetgeving. Denkbaar is dat dit geen problemen
oplevert of zelfs als de meest wenselijke situatie moet worden beschouwd.
Het blijkt echter dat de
betalingsregelingen en met name de invorderingsprocedure in de bijzondere
wetten
zonder aanwijsbare redenen zowel qua omvang als inhoud zeer
sterk uiteenlopen. Uit een oogpunt van rechtseenheid rblz.|13|
en
rechtszekerheid verdient een uniforme regeling voor zover mogelijk de voorkeur.
Veel regels in bijzondere wetten kunnen als gevolg hiervan worden geschrapt,
hetgeen een aanzienlijke vereenvoudiging zou betekenen.
Dit geldt niet alleen
voor de regels die de invordering betreffen, meer in het bijzonder de
invordering bij dwangbevel (afdeling
4.4.4), maar ook de regels betreffende het
ontstaan en de inhoud van de betalingsverplichting, het verzuim en de
wettelijke rente en de verjaring (afdelingen 4.4.1 tot en met
4.4.3). Omdat
algemene bestuursrechtelijke regels op dit gebied ontbreken, dient in de
huidige praktijk, bijvoorbeeld door het bestuursorgaan dat een beschikking tot
betaling van een geldsom vaststelt of de burger die uitstel van
betaling wil verzoeken, telkens beoordeeld te worden welke regels van
toepassing zijn: zijn er bijzondere bestuursrechtelijke regels van toepassing, is
het algemene regime in het BW van overeenkomstige
toepassing verklaard of dient te worden aangenomen dat het privaatrechtelijk
regime van toepassing is? In dat laatste geval dient ook getoetst te
worden of de aard van de rechtsverhouding of de bijzondere wet zich niet
verzet tegen het toepassen van dit regime. Daarnaast biedt een algemene bestuursrechtelijke regeling de gelegenheid op
punten af te wijken van
de privaatrechtelijke regeling en invulling te geven aan de eigen aard van
bestuursrechtelijke verhoudingen. Ook de Raad van State
wijst in zijn
advies op het eigen karakter van het bestuursrecht. Als voorbeeld kunnen worden
genoemd de regeling van de verrekening en de verjaring. Deze algemene
regeling is daarmee niet slechts ingegeven door problemen die zich in de
invorderingspraktijk kunnen voordoen, zij beoogt ook tegemoet te komen aan
de behoefte aan duidelijkheid over het toepasselijke recht
betreffende bestuursrechtelijke geldschulden en de toegankelijkheid daarvan.
Eén en ander werkt door
in de invorderingspraktijk. Indien steeds voor elk concreet geval weer
andere regels gelden, is de inning van geldvorderingen nodeloos ingewikkeld. Dit
nadeel doet zich sterker gevoelen indien men de inning om
redenen van efficiency op één plaats geconcentreerd wil laten plaatsvinden.
Harmonisatie van de invorderingsregels zou aldus de doelmatigheid
van de invordering kunnen bevorderen. Wij wijzen in dit verband op het actieprogramma "Andere overheid", waarin plannen worden ontwikkeld
om te komen tot een meer rijksbrede incasso voor publiekrechtelijke
geldschulden door alle rijksincasso’s te bundelen (Kamerstukken II
2003-2004,
29 362, nr. 1, blz. 34).
Voorts geldt voor de
toekomst dat de wetgever niet steeds opnieuw het wiel hoeft uit te vinden.
Steeds zal de algemene regeling in de Awb kunnen dienen als
uitgangspunt. In een aantal gevallen zal het nodig blijken dat naast een
algemene regeling in de Awb in de bijzondere wetten een beperkt aantal specifieke voorschriften blijft gelden. Zulks kan ook het
geval zijn indien het onderwerp zich niet leent voor regeling in de Awb. Zo is het uitgangspunt dat
schulden dienen te worden betaald. Een regeling met betrekking tot
kwijtschelding kan beter worden gereserveerd voor een bijzonder rechtsgebied,
zoals bijvoorbeeld de Invorderingswet
1990. Een dergelijke regeling leent
zich niet voor een algemene regeling in de Awb. Ten slotte kan in een
algemene regeling een aantal aanvullende regels worden gegeven, die thans
in bijzondere wetten veelal niet voorkomen.
Op grond
van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat een algemene regeling in de Awb
omtrent bepaalde aspecten van de betaling en invordering van
publiekrechtelijke geldschulden van en door de overheid voorziet in een in de
praktijk levende behoefte. Deze regeling wordt urgenter naarmate er in
het bestuursrecht meer specifieke regels komen, er meer onzekerheid
ontstaat over belangrijke rechtsvragen en de door het privaatrecht geboden
oplossingen niet toepasbaar zijn of minder geschikt lijken.
Overigens is met dit laatste niet gezegd dat de algemene regeling in de Awb steeds
moet afwijken van de privaatrechtelijke regels. Integendeel, in dit
voorstel wordt daar waar mogelijk aangesloten bij de
rblz.|14|
regels van het
privaatrecht. Dit noopt tot enige algemene beschouwingen over de verhouding tussen
de Awb en het BW.
3. De verhouding van de Awb tot het BW
3.1. Algemene uitgangspunten
Nu de betaling
van geldschulden voor het privaatrecht in het BW
is geregeld en deze
bepalingen voor een deel ook in het bestuursrecht bruikbaar zijn, komt
vanzelf de meer principiële vraag aan de orde hoe de Awb
en het BW zich
precies tot elkaar verhouden. Ook bij de regeling van andere onderwerpen
in de Awb is die verhouding al aan de orde geweest. Verwezen zij
bijvoorbeeld naar de regeling van het mandaat in de Awb, derde
tranche,
waarbij voor zover mogelijk is aangesloten bij de bepalingen over de
volmacht. Aangezien deze problematiek bij verschillende onderwerpen kan
spelen, is het goed daarover enige opmerkingen te maken van algemene
aard.
Praktisch gezien gaat het om de vraag hoe in de
wetgeving de verhouding tussen het BW en de Awb moet worden geregeld.
Tot op zekere hoogte betreft het dus een vraag van wetstechniek,
vergelijkbaar met de vraag naar de verhouding tussen de Awb en andere
wetgeving op het terrein van het bestuursrecht. De problematiek is echter
in zoverre anders dat het hier gaat om algemeen geldende regels,
gecodificeerd voor verschillende rechtsgebieden. De centrale vraag is
welke de relatie is tussen beide wetten indien voor een onderwerp dat in
het BW is geregeld, in de Awb een bestuursrechtelijke equivalent wordt
gecreëerd.
Voor een nadere bepaling van de onderlinge
relatie tussen het BW en de Awb is allereerst van belang om te
onderstrepen dat de verhouding tussen overheid en burger niet in alle
gevallen van bestuursrechtelijke aard is. Er zijn situaties waarin het
privaatrecht rechtstreeks van toepassing is. Dit doet zich bijvoorbeeld
voor bij gewone koop- of huurovereenkomsten waarbij de overheid partij
is. In dergelijke gevallen maakt het in de regel geen enkel verschil of
de overheid dan wel een particulier als contractspartij optreedt. In die
gevallen gelden in beginsel de toepasselijke privaatrechtelijke regels,
zij het dat de rechter rekening kan houden met het feit dat de overheid
één van de partijen is. Anders wordt het echter op terreinen waarop de
overheid handelt ter uitvoering van haar publieke taak en
dientengevolge de relatie tussen overheid en burger door of althans mede
door bestuursrechtelijke regels en beginselen gestalte krijgt.
Tegen deze achtergrond laat onze benadering van
de verhouding tussen het BW en de Awb bij de totstandkoming van
bestuursrechtelijke wetgeving zich samenvatten in twee uitgangspunten.
In de eerste plaats geldt dat de regels in het BW primair zijn
geschreven voor privaatrechtelijke verhoudingen. Dit brengt met zich dat
deze regels niet zonder meer van toepassing zijn op het terrein van het
bestuursrecht. In de tweede plaats dient als leidraad dat ondanks dit
onderscheid nodeloze verschillen tussen het bestuursrecht en het
privaatrecht moeten worden vermeden. Deze twee punten kunnen als volgt
verder worden uitgewerkt.
3.2. Toepasselijkheid van
het BW in het bestuursrecht
De vraag in
hoeverre de bepalingen van het BW
ook gelden voor het bestuursrecht is
in belang toegenomen toen de administratieve rechtspraak zich sterk is
gaan ontwikkelen en tegelijkertijd ook de rol van de burgerlijke rechter
bij het verlenen van aanvullende rechtsbescherming meer betekenis heeft
gekregen. Doordat de verhoudingen in het bestuursrecht daarmee een meer
juridische inbedding kregen dan vroeger het geval was en de burgerlijke
rechter daarbij een aanzienlijke rol speelde, kwam de vraag naar de
toepasbaarheid van de regels van het BW ook rblz.|15|
sterker naar voren.
Opvallend is daarbij dat zeer verschillend werd en ook nog wel wordt
geoordeeld over de vraag of een bepaald artikel van het BW van
toepassing is op bestuursrechtelijke verhoudingen. De bepalingen over de
onrechtmatige daad worden tegenwoordig welhaast vanzelfsprekend van
toepassing geacht op onrechtmatig overheidsoptreden. Dat is niet altijd
zo geweest: vóór het Ostermann-arrest (HR 20 november 1924, NJ 1925,
blz. 89) werd het BW niet op onrechtmatige overheidsbesluiten toegepast.
Overigens heeft de toepasselijkheid van het BW niet verhinderd dat het
leerstuk van de onrechtmatige overheidsdaad altijd een speciaal leerstuk
is gebleven.
Bij andere onderwerpen is de toepasselijkheid
van het BW minder vanzelfsprekend. Met betrekking tot de onverschuldigde
betaling, ook een onderwerp dat is geregeld in Boek
6 van het BW, heeft de Hoge
Raad beslist dat de privaatrechtelijke regels niet zonder meer op de
verhouding tussen overheid en burger van toepassing zijn, maar dat zij
uitdrukking geven aan een beginsel dat in beide gebieden van het recht
toepassing vindt (HR 25 oktober 1991, NJ 1992, 299; vgl. ook ABRvS
21
oktober 1996, AB 1996, 496). Zij komen daarom voor overeenkomstige
toepassing in het bestuursrecht in aanmerking, voor zover althans uit de
toepasselijke bestuursrechtelijke wet niet het tegendeel voortvloeit.
Het oordeel van de Hoge Raad impliceert dat het BW in dit geval niet
rechtstreeks van toepassing is, doch wel doorwerkt in
bestuursrechtelijke rechtsbetrekkingen via de aan beide rechtsgebieden
ten grondslag liggende algemene beginselen. Toepassing van het in
artikel 6:203 BW
neergelegde beginsel in die rechtsbetrekkingen kan in
verband met de bestuursrechtelijke context soms tot andere uitkomsten
leiden.
Bij de totstandkoming van het BW is eerst in
een later stadium uitdrukkelijk aandacht besteed aan de vraag of de
werking van de bepalingen zich ook uitstrekt tot het bestuursrecht. Dit
is met name het geval geweest bij de schakelbepalingen, zoals die in Boek 3
zijn opgenomen. De titels over rechtshandelingen, volmacht en
rechtsvorderingen in dat boek eindigen ieder met een artikel dat de
bepalingen van de betrokken titel "buiten het vermogensrecht"
van overeenkomstige toepassing verklaart, "voor zover de aard van de
rechtshandeling of de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet"
(vgl. artikel 3:59, 3:79 en 3:326 BW). Daarnaast kent
Boek 3 in de eerste
titel een artikel dat bepaalt dat de in die titel verankerde algemene
beginselen van goede trouw, redelijkheid en billijkheid en misbruik van
bevoegdheid buiten het vermogensrecht toepassing vinden "voor zover
de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet" (artikel
3:15).
Met de zinsnede "buiten het vermogensrecht"
wordt mede het bestuursrecht bedoeld. Eén en ander betekent dat de
wetgever ervan is uitgegaan dat de betrokken titels niet rechtstreeks op
het terrein van het bestuursrecht van toepassing zijn, maar dat zij
zich althans in bepaalde gevallen wel voor overeenkomstige toepassing op
dat rechtsgebied lenen. In andere gevallen kan de publiekrechtelijke
aard van de rechtsverhouding zich tegen toepassing van regels uit het
BW, bijvoorbeeld over verjaring, verzetten (o.m. CRvB 19 oktober 1995,
JB 1996,11; CRvB 23 januari 1997, TAR 1997, 42). In dezelfde zin is
geoordeeld met betrekking tot cessie (HR 12 januari 1990, NJ 1990, 766;
AB 1991, 430). Aldus valt het bestuursrecht in elk geval niet binnen het
terrein dat rechtstreeks door Boek 3 wordt geregeld. Dit geldt dan
uiteraard ook voor de bepalingen in de daaropvolgende boeken, met name
ook voor Boek 6.
Deze benadering - die ook overeenkomt met het
standpunt dat de Hoge Raad in het reeds genoemde arrest inzake
onverschuldigde betaling heeft ingenomen - dient naar onze mening ook
te worden gevolgd bij het bepalen van de verhouding tussen het BW en de
Awb. In beginsel gelden de bepalingen die in het BW en de Awb zijn
opgenomen ieder voor de terreinen die door deze wetten worden
bestreken. Evenzeer als de regels in de Awb slechts voor het
bestuursrecht zijn bedoeld, zijn die in het BW opgesteld voor het
privaatrecht. Dat neemt niet weg dat regels in het ene rblz.|16|
rechtsgebied van
overeenkomstige toepassing kunnen zijn in het andere rechtsgebied. De
reeds genoemde schakelbepalingen in het BW bieden een uitdrukkelijke
grondslag voor toepassing van de BW-regels in het bestuursrecht. Ook het
omgekeerde is mogelijk. In artikel 3:1, tweede lid,
Awb wordt bepaald
dat de afdelingen 2 tot en met 5 van hoofdstuk 3 van
de wet van
overeenkomstige toepassing zijn op andere handelingen van
bestuursorganen dan besluiten, "voor zover de aard van de
handelingen zich daartegen niet verzet". Deze bepaling vormt
althans gedeeltelijk het spiegelbeeld van de genoemde schakelbepalingen
uit het BW.
3.3. Geen nodeloze
verschillen tussen BW en Awb
Het voorgaande
laat onverlet dat in het privaatrecht en in het bestuursrecht veelvuldig
rechtsfiguren voorkomen die sterke onderlinge gelijkenis vertonen. Het
past dan in het streven naar eenheid en systematiek in het recht - die
juist het doel zijn van codificaties - dat geen onnodige verschillen
tussen beide rechtsgebieden ontstaan of blijven bestaan. Onnodige
verschillen maken het recht ingewikkelder en minder geloofwaardig.
Bevorderd moet daarom worden dat voor beide rechtsgebieden zoveel
mogelijk gemeenschappelijke regels gelden. Voor de wetstechnische
uitwerking van dit uitgangspunt is van belang dat het privaatrecht een
veel algemener en vollediger codificatie kent dan het bestuursrecht. Ook
kent de codificatie van het privaatrecht een aanzienlijk langere
geschiedenis met als gevolg dat het ontwikkelen van algemene regels kan
geschieden op een degelijke en weldoordachte basis. Dit betekent dat voor
onderwerpen waarvoor een gemeenschappelijke regeling in aanmerking komt
meestal reeds een regeling in het BW
is te vinden.
Het voorgaande heeft voor de verhouding van de Awb
tot het BW tot gevolg dat bij het opstellen van bepalingen voor het
bestuursrecht over onderwerpen die tegenhangers in het privaatrecht
hebben, moet worden nagegaan in hoeverre de regels van het BW ook voor
het bestuursrecht bruikbaar zijn. Daarbij geldt aan de ene kant dat deze
regels voor een privaatrechtelijke context zijn bedoeld en derhalve niet
vanzelfsprekend ook voor het bestuursrecht de meest geschikte zijn, maar
aan de andere kant dat nodeloze afwijkingen van de privaatrechtelijke
regels vermeden moeten worden. Indien de eigen aard van het
bestuursrecht geen argumenten oplevert voor een andere regeling, moet in
beginsel bij het BW worden aangesloten.
Met de Raad van State
zijn wij van oordeel dat
bovenstaande met zich brengt dat mag worden verwacht dat de
bestuursrechter de jurisprudentie van de burgerlijke rechter met
betrekking tot de bepalingen van het BW waarvan artikelen van titel 4.4
zijn afgeleid of waarnaar de Awb verwijst, zoveel mogelijk zal volgen.
Voor de wijze waarop dit in de tekst van de Awb
tot uitdrukking moet worden gebracht, geldt het volgende. Uitgangspunt
is dat de regels van het BW gelden voor het privaatrecht. Voor een
aantal titels van Boek
3 is de werkingssfeer mede tot
bestuursrechtelijke verhoudingen uitgebreid voor zover de aard van de
rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Dit betekent dat de overige
bepalingen van het BW - voor zover dit gewenst wordt - in de Awb
uitdrukkelijk van overeenkomstige toepassing verklaard moeten worden.
Voor de regels van de genoemde titels van Boek
3 geldt dat niet: het BW
voorziet in beginsel reeds zelf in die overeenkomstige toepassing. Wel
kan het bij de regeling van een bepaald onderwerp uit die titels nodig
zijn nader te preciseren in hoeverre die bepalingen voor het
bestuursrecht de meest geschikte zijn. Bij de regeling van het mandaat
in de derde tranche is op die wijze rekening gehouden met de titel over
de volmacht, maar is toch een eigen - meer nauwkeurig bij het
bestuursrecht aansluitende - regeling getroffen. Evenzo is thans voor
de verjaring met betrekking tot bestuursrechtelijke geldschulden in
afdeling 4.4.3 van dit wetsvoorstel een eigen regeling getroffen,
waarbij uiteraard wel rekening rblz.|17|
is gehouden met de titel over verjaring
in het BW. In afdeling 4.4.4 is voorts uitdrukkelijk bepaald dat een
bestuursorgaan - naast de eventueel toegekende bestuursrechtelijke
invorderingsbevoegdheden - ook beschikt over de
invorderingsbevoegdheden die een schuldeiser op grond van het
privaatrecht heeft.
Bepalingen uit het BW zijn soms letterlijk
overgenomen of van overeenkomstige toepassing verklaard. Het is van
verschillende factoren afhankelijk of voor de ene of de andere methode
is gekozen. Uitgangspunt is dat de tekst zo eenvoudig mogelijk te lezen
moet zijn. Algemene regels uit het BW kunnen in de Awb vaak meer
nauwkeurig worden geformuleerd, aangezien zij in die wet alleen
betrekking hebben op bestuursrechtelijke geldschulden. Wanneer het om
meer juridisch-technische punten gaat, is verwijzing echter nuttig, omdat
anders vaak een betrekkelijk uitvoerige en ingewikkelde regeling moet
worden herhaald. Een verwijzing impliceert direct dat ook de wijzigingen
van die bepaling als vanzelf worden gevolgd. Voorts brengt verwijzing
met zich dat de jurisprudentie bij de betreffende bepaling dient te
worden gevolgd; dat is vooral bij de meer juridisch-technische
onderwerpen aangewezen. Wanneer naar het BW wordt verwezen, gebeurt dit
niet zonder de context, maar is voor de leesbaarheid van de bepaling van
belang dat in de Awb is aangegeven waarop die regel betrekking heeft.
Voor onderwerpen waarover de wetgever zich noch
in het BW noch in de Awb uitdrukkelijk uitspreekt, zal de rechter
zelfstandig een oplossing moeten vinden. Uit de jurisprudentie blijkt
ook dat de rechter in gevallen waarin dat goed mogelijk is, in
bestuursrechtelijke verhoudingen aansluiting pleegt te zoeken bij de
regels van het privaatrecht.
4. Verhouding tot het
gemeenschapsrecht
Zoals in de
memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Derde tranche
Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 1993-1994, 23 700, nr. 3, blz. 29) is gesteld, laat het
gemeenschapsrecht ruimte voor toepassing van de Awb
voor zover het zelf
niet in een regeling voorziet en geen afbreuk wordt gedaan aan rechten
die burgers aan het gemeenschapsrecht ontlenen. Op het door de
voorgestelde titel bestreken gebied zijn slechts op enkele beperkte
gebieden gemeenschappelijke regels tot stand gebracht, bijvoorbeeld op
dat van de invordering, terugvordering en navordering van in- en
uitvoerrechten in ruime zin (Verordening (EEG) nr. 2913/92 tot
vaststelling van het Communautair Douanewetboek (PbEG L 302)), op dat van
EU-premies en uitvoerrestituties (o.m. Verordening (EG) nr. 800/1999,
houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van
restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, Verordening (EG,
Euratom) nr. 2988/95 betreffende de bescherming van de financiële
belangen van de Europese Gemeenschappen) en op dat van de terugvordering
van staatssteun (Verordening (EG) nr. 659/999 tot vaststelling van
nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 (thans 88) van het
EG-verdrag (PbEG L 83)). De in
titel 4.4 Awb
gegeven bepalingen kunnen
derhalve mede strekken tot uitvoering van het gemeenschapsrecht zolang
en voor zover het gemeenschapsrecht ter zake geen eigen voorzieningen
kent. Voor zover de regeling van titel 4.4
Awb ruimte biedt om in de
bijzondere wetgeving anders te bepalen, kan deze ruimte tevens dienen om
- waar nodig - uitvoering te geven aan secundair gemeenschapsrecht (zie
bijvoorbeeld artikel 4.4.2.7 [4:103]
van dit
voorstel). Zo nodig zal ook de voorrang van
het gemeenschapsrecht op een in titel 4.4
Awb gegeven regel in de
nationale regelgeving ter uitvoering van het (secundaire)
gemeenschapsrecht tot uitdrukking worden gebracht.
In dit wetsvoorstel is bijvoorbeeld bepaald dat
wettelijke rente niet verschuldigd is indien het bedrag ervan bij enige
of laatste betaling minder bedraagt dan €|20,-, dan wel, indien het
bestuursorgaan de schuldenaar is, €|10,- (artikel
4.4.2.2 [4:98], tweede lid).
Wanneer het gemeenschapsrecht rblz.|18|
de verschuldigdheid van wettelijke rente
voorschrijft, ook voor zover de rente minder dan €|20,- respectievelijk €|10,- bedraagt, is dit bedrag toch verschuldigd, omdat het
gemeenschapsrecht voorrang heeft.
Een ander voorbeeld biedt de verjaringstermijn.
In dit wetsvoorstel is de verjaringstermijn gesteld op vijf jaar nadat de
voorgeschreven betalingstermijn is verstreken (artikel 4.4.3.1
[4:104], eerste
lid). Deze termijn kan afwijken van de verjaringstermijnen die in het
gemeenschapsrecht worden gehanteerd. Op grond van artikel 15 van de
Verordening (EG) nr. 659/1999 bijvoorbeeld verjaart de bevoegdheid van
de Commissie een lidstaat het bevel te geven onrechtmatige staatssteun
terug te vorderen na tien jaar. Daarnaast zijn er
gemeenschapsrechtelijke verplichtingen die geen verjaringstermijn
kennen. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Verordening (EG) nr.
1552/89 blijft de belastingschuld altijd bestaan en is de bevoegde
instantie bij hernieuwde solvabiliteit van de belastingplichtige
verplicht de inning te hervatten. Zodra en voor zover het
gemeenschapsrecht zelf in een regeling voorziet, wijkt het nationale
recht en dus het onderhavige artikel 4.4.3.1
[4:104] op grond van het beginsel
van de voorrang van het gemeenschapsrecht. Artikel 4.4.3.1
[4:104] beoogt de
diverse verjaringstermijnen in bijzondere bestuursrechtelijke wetgeving
te harmoniseren. In een regeling die op nationaal niveau uniform wil
zijn, valt een dergelijke afwijking niet te voorkomen, mede omdat
communautaire verjaringstermijnen niet uniform zijn of niet bestaan ten
aanzien van bepaalde verplichtingen. Soortgelijke opmerkingen kunnen
worden gemaakt ten aanzien van de verjaringstermijnen die zijn opgenomen
in de artikelen 4:57, vierde lid, (terugvordering van subsidie) en
5.4.1.6 [5:45],
eerste lid, (opleggen bestuurlijke boete).
5. Reikwijdte van de
regeling
5.1. Bestuursrechtelijke verplichtingen
tot betaling van een geldsom
Het onderhavige
voorstel heeft betrekking op bestuursrechtelijke verplichtingen tot
betaling van een geldsom. Verplichtingen tot betaling van een geldsom
doen zich in maatschappelijke verhoudingen en dus ook in de verhouding
tussen overheid en burgers zeer vaak voor. In de eerste plaats komt het
voor dat bestuursorganen en burgers een relatie hebben die vanaf het
begin op het ontstaan of het effectueren van een financiële verplichting
is gericht. Het kan daarbij gaan om een geldschuld van een
bestuursorgaan aan een burger, zoals bij subsidies en sociale
uitkeringen het geval is. Als - willekeurig gekozen - voorbeeld kan
worden genoemd het recht op huursubsidie, de subsidie die het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan een werkgever verstrekt
ter bevordering van deelname van gehandicapten aan arbeid in zijn
bedrijf en het recht op een WAO- of WW-uitkering. Ook de
nadeelcompensatie die een bestuursorgaan biedt aan een burger valt als
zodanig aan te merken. Ook kan het gaan om een geldschuld van een burger
aan een bestuursorgaan, zoals bij belastingen en premieheffing het geval
is.
Daarnaast ontstaan er vaak financiële verplichtingen als gevolg van de
niet-naleving van bestuursrechtelijke rechtsnormen, door bijvoorbeeld de
bestuurlijke boete, de kosten die met de toepassing van bestuursdwang
zijn gemoeid en de terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidie in
het geval de subsidieontvanger zich niet aan de opgelegde
verplichtingen heeft gehouden.
In de derde plaats schept het
gebruik maken van tal van collectieve
voorzieningen financiële verplichtingen zoals eigen bijdragen, leges
als ook het les- en cursusgeld op basis van de Les-
en cursusgeldwet.
Verhoudingen tussen overheden onderling zijn ook vaak financieel van
aard. Voorbeelden zijn de financiering van een uit ’s Rijks kas
bekostigde school, rblz.|19|
de uitkering die een gemeente
op grond van de Financiële-verhoudingswet
uit het gemeentefonds krijgt of de financiële
regeling tussen besturen van deelnemende gemeenten in het kader van de Wet
gemeenschappelijke regelingen. Het is derhalve van groot
maatschappelijk belang dat de regels omtrent de afwikkeling van
dergelijke verplichtingen voor alle betrokkenen helder en toegankelijk
zijn. Benadrukt wordt dat de voorgestelde regeling niet regelt in welke
gevallen geldschulden ontstaan, maar slechts hoe zij ontstaan
(voortvloeiend uit een publiekrechtelijk wettelijk voorschrift of uit
een appellabel besluit), alsmede hoe zij worden afgewikkeld.
De reikwijdte van de voorgestelde regeling is
beperkt tot de bestuursrechtelijke geldschulden. Kenmerk van een
bestuursrechtelijke betalingsverplichting is dat de grondslag van de
betalingsverplichting van bestuursrechtelijke oorsprong is. In beginsel
kan deze oorsprong zowel in het geschreven als in het ongeschreven
bestuursrecht zijn gelegen. Anders dan in het voorontwerp is de regeling
dus niet beperkt tot betalingsverplichtingen die uit het geschreven
bestuursrecht voortvloeien. Voor zover de betalingsverplichting
voortvloeit uit het ongeschreven bestuursrecht, is de voorgestelde
regeling eerst van toepassing indien de betalingsverplichting zich heeft
geconcretiseerd in een appellabel besluit van een bestuursorgaan.
Voor de toepassing van de hier voorgestelde
regeling is derhalve vereist dat de betalingsverplichting ofwel
voortvloeit uit een bestuursrechtelijk wettelijk voorschrift, ofwel uit
een daartoe strekkend besluit dat vatbaar is voor bezwaar of voor beroep
bij de bestuursrechter. Aldus wordt voor het onderscheid tussen
bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke geldschulden in beginsel
aangesloten bij de afbakening tussen publiekrechtelijke en
privaatrechtelijke rechtshandelingen op grond van artikel
1:3. Om
praktische redenen is de voorgestelde regeling echter niet van
toepassing op geldschulden die voortvloeien uit besluiten die niet onder
de competentie van de bestuursrechter vallen. Vereist is dat het besluit
waaruit de geldschuld voortvloeit appellabel is. Voor de
toepasselijkheid van de voorgestelde regeling op buitenwettelijke
geldschulden wordt aangesloten bij het vereiste van processuele
connexiteit, zoals dat in het bijzonder ook kenbaar is uit de
jurisprudentie inzake zuivere schadebesluiten (o.a. ABRvS
6 mei 1997, AB
1997, 229). De regeling is ook van toepassing indien tegen het besluit
nog geen beroep bij de rechter kan worden ingesteld omdat eerst nog
bezwaar moet worden gemaakt.
De Raad van State vraagt naar de verhouding
tussen de subsidietitel en de titel over bestuursrechtelijke
geldschulden. Deze verhouding is als volgt. Titel 4.2 van de
Awb
bevat
specifieke voorschiften voor subsidies. Op grond van artikel 4:21
Awb
wordt onder subsidie verstaan de aanspraak op financiële middelen, door
een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de
aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde
goederen en diensten. In het tweede en derde lid worden belasting- en
premiefaciliteiten alsook uitkeringen aan overheden uitgezonderd van het
toepassingsbereik van titel 4.2, het vierde lid brengt de bekostiging
van onderwijs en onderzoek uitdrukkelijk onder het bereik van de
subsidietitel. Ingevolge artikel 4:52 wordt het
subsidiebedrag
overeenkomstig de subsidievaststelling betaald. De titel inzake
bestuursrechtelijke geldschulden, titel
4.4, bevat regels voor de
afwikkeling van de betaling. Voor de toepasselijkheid van deze titel is
niet relevant of de betaling al dan niet voortvloeit uit een subsidie
die valt onder het bereik van titel 4.2. Bepalend is slechts of de
betaling van het subsidiebedrag voortvloeit uit een bestuursrechtelijk
wettelijk voorschrift dan wel een appellabel besluit. Derhalve is de
titel over bestuursrechtelijke geldschulden ook van toepassing op de
betaling van subsidies die buiten het bereik van de subsidietitel vallen.
rblz.|20|
De beperking
van de reikwijdte van het voorstel tot bestuursrechtelijke geldschulden
betekent dat niet alle betalingsverplichtingen waarbij één van beide
partijen een bestuursorgaan is door het wetsvoorstel worden bestreken.
Betalingsverplichtingen die hun grondslag vinden in het privaatrecht
vallen er niet onder. Hierbij moet worden gedacht aan
betalingsverplichtingen uit overeenkomst, onrechtmatige daad of
onverschuldigde betaling, althans voor zover de bestuursrechter niet
bevoegd is om van geschillen hieromtrent kennis te nemen. Voor het
ontstaan en de inhoud hiervan zij naar de titels
3, 4 en 5 van Boek 6 van het BW verwezen. Op de afwikkeling van deze verplichtingen zijn de
reguliere privaatrechtelijke bepalingen omtrent de betaling van
geldsommen van toepassing (artikel 6:111 e.v. BW). De regeling heeft
evenmin betrekking op uit het strafrecht voortvloeiende geldschulden.
Deze geldschulden ontstaan als gevolg van het niet naleven van
strafrechtelijke rechtsnormen en worden bij uitspraak van de
strafrechter vastgesteld. Het kan gaan om een geldboete, een ontnemings-
of schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36e en 36f
Sr [Wetboek
van Strafrecht, red.].
Overigens geldt dat de uitvoering van een door de strafrechter opgelegde
straf - dus ook als het gaat om de invordering van een geldschuld - plaatsvindt door het openbaar ministerie. Voor dit systeem is destijds
gekozen omdat bij de tenuitvoerlegging van straffen nogal wat
beleidsruimte voor de uitvoerder van de straf nodig werd geacht. Indien
een door de strafrechter opgelegde boete of maatregel niet wordt
betaald, kan op twee manieren dwanginvordering plaatsvinden: op grond van
een door het openbaar ministerie uit te vaardigen dwangbevel (artikel 575
Sv [Wetboek
van Strafvordering, red.]), dat ten uitvoer gelegd wordt als een vonnis van de burgerlijke
rechter, of zonder dwangbevel door middel van een schriftelijke
kennisgeving van het openbaar ministerie (artikel 576 Sv). De in artikel
575 Sv geregelde dwangbevelprocedure valt niet onder de hier
voorgestelde regeling omdat deze laatste zich beperkt tot
bestuursrechtelijke geldschulden. Bovendien is de Awb
op grond van
artikel 1:6 niet van toepassing op de tenuitvoerlegging van
strafrechtelijke beslissingen. De met het strafrecht overeenkomende
dwangbevelprocedure voor de invordering van een bestuurlijke boete op
grond van de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften zou daarentegen wel onder het bereik van de
regeling in de Awb vallen. Bij de aanpassingswetgeving die nodig is in
verband met dit wetsvoorstel zal dan ook nog nader bezien moeten worden
of de verschillende regelingen meer op elkaar afgestemd dienen te worden.
Wij menen dat onnodige verschillen tussen het strafrecht en het
bestuursrecht bij de inning van een boete hoe dan ook vermeden moeten
worden.
Ingevolge artikel 1:6, onderdeel d, van de
Awb
valt de tenuitvoerlegging van geldboeten in het kader van het militaire
tuchtrecht buiten het bereik van deze regeling. Buiten het terrein van
het militaire tuchtrecht vallen tuchtrechtelijke boeten wel onder de
regeling, voor zover de boete aan een bestuursorgaan verschuldigd is.
5.2. Twee categorieën van
geldschulden
Een geldschuld
kan in het bestuursrecht in hoofdzaak op twee manieren ontstaan. Een
geldschuld kan bij beschikking worden vastgesteld of rechtstreeks uit de
wet ontstaan. Het voorstel heeft op beide categorieën betrekking.
In veel gevallen steunt een verplichting tot
betaling van de overheid of van de burger op een beschikking. Een
beschikking tot vaststelling van een uitkering of een subsidie dan wel
tot oplegging van een bestuurlijke boete roept een verplichting tot
betaling in het leven. Hetzelfde geldt voor een belastingaanslag.
Weliswaar wordt in het belastingrecht tot uitgangspunt genomen dat de
materiële belastingschuld rechtstreeks uit de wet ontstaat, maar de
verplichting tot betaling - waar het in dit wetsvoorstel
rblz.|21|
om gaat
- ontstaat bij verschillende belastingen eerst nadat een aanslag is
opgelegd.
Daartegenover staan de gevallen waarin een
betalingsverplichting - en ook de omvang daarvan -
rechtstreeks uit
een wettelijk voorschrift voortvloeit. In het belastingrecht komt het
voor dat een dergelijke verplichting niet op een beschikking, maar direct
op de wet is gebaseerd: de burger is dan tot betaling verplicht indien
zich een bepaald feit heeft voorgedaan. Men denke aan de omzetbelasting
die op aangifte moet worden voldaan zonder dat er van de kant van de
belastingdienst eerst een besluit behoeft te worden genomen. Hetzelfde
geldt voor premies voor sociale verzekeringen die een werkgever moet
betalen. Voor les- en cursusgelden volgt de wet eveneens dit systeem.
Bezien is of de regeling ook zou moeten gelden voor geldschulden die
bij uitspraak van de bestuursrechter worden vastgesteld. Het betreft
uitspraken waarbij - meestal - het bestuursorgaan tot vergoeding van
bepaalde kosten wordt veroordeeld en waarbij de rechter dus zelf een
financiële verplichting vaststelt. Concreet betreft het de in artikel
8:76 Awb
bedoelde uitspraken tot vergoeding van schade, griffierecht of
proceskosten als bedoeld in de artikelen 8:73,
8:73a, 8:74,
8:75 en
8:75a Awb.
In het huidige artikel 8:76
Awb
is aangesloten
bij het systeem dat geldt voor de invordering van geldschulden die door
de burgerlijke rechter worden vastgesteld. De grosse van een vonnis of
een beschikking van de burgerlijke rechter is een executoriale titel in
de zin van artikel 430 Rv. Aldus kan de tenuitvoerlegging terstond
plaatsvinden met toepassing van de bepalingen van Boek
II Rv. In artikel
8:76 Awb - dat is overgenomen uit oudere regelingen als artikel 99 Wet
RvS (oud) [artikel 99 (oud) Wet
op de Raad van State, red.] - is bepaald dat voor zover een uitspraak van de bestuursrechter
strekt tot betaling van een bepaald geldbedrag, zij ten uitvoer kan
worden gelegd overeenkomstig de bepalingen van Boek
II Rv. Voor
bestuursrechtelijke geldschulden die bij rechterlijke uitspraak worden
vastgesteld, lijkt dit ons het juiste systeem. Dit heeft ons ertoe
gebracht om in de definitiebepaling van de nu voorgestelde titel te
bepalen dat de regeling niet van toepassing is op bij rechterlijke
uitspraak vastgestelde geldschulden. Overigens is de aansluiting in
artikel 8:76 Awb op het civiele recht nog voor verbetering vatbaar. In
dit wetsvoorstel wordt daarom tevens voorgesteld om uitspraken van de
bestuursrechter waarbij een financiële verplichting als hier bedoeld
wordt vastgesteld expliciet als een executoriale titel in de zin van
artikel 430 Rv
aan te merken.
6. De opzet van de
regeling
De regeling is
in hoofdstuk 4 geplaatst en bestaat uit één titel
(titel 4.4).
Hoofdstuk 4 bevat bijzondere bepalingen over besluiten. De nu
voorgestelde titel bouwt in belangrijke mate voort op de regeling over
beschikkingen van titel 4.1. Bestuursrechtelijke geldschulden worden in
de regel bij beschikking vastgesteld. Daarnaast houdt het voorstel
rekening met de mogelijkheid dat zij rechtstreeks uit de wet ontstaan.
Uit een oogpunt van wetssystematiek verdient het wellicht de voorkeur
om de nieuwe titel aan de regeling van de subsidies (als bijzondere
categorie geldschulden) vooraf te laten gaan. Het onaantrekkelijke
daarvan is echter dat een titel zou moeten worden tussengevoegd.
Anderzijds is vanuit een procesmatige benadering ook wat te zeggen voor
een plaatsing ná de regeling van de subsidies, omdat de regeling over
bestuursrechtelijke geldschulden voor een belangrijk deel op de
afwikkeling van betalingsverplichtingen betrekking heeft. Wij hebben
daarom gemeend om de regeling aan het eind van hoofdstuk 4 te moeten
plaatsen.
De voorgestelde titel 4.4 valt uiteen in vier
afdelingen. De eerste drie afdelingen hebben betrekking op zowel
geldschulden van de burger aan de overheid als geldschulden van een
bestuursorgaan aan een burger. De rblz.|22|
laatste afdeling geldt alleen voor de
invordering van geldschulden door de overheid. Afdeling 4.4.1 bevat
bepalingen inzake het reguliere betalingstraject (onder meer wijze van
ontstaan van de betalingsverplichting, betalingstermijn, wijze van
betaling, verrekening en uitstel van betaling). Afdeling 4.4.2 regelt de
gevolgen van niet-tijdige betaling (verzuim, wettelijke rente). Afdeling
4.4.3 regelt de verjaring: hoe lang kan degene die verzuimd heeft om
tijdig te betalen nog tot nakoming worden gedwongen. Afdeling 4.4.4
ten slotte regelt de bijzondere bevoegdheden van de overheid om betaling
te verkrijgen (aanmaning en invordering bij dwangbevel).
Bij de vaststelling en de nakoming van
betalingsverplichtingen zijn verschillende fasen te onderscheiden. Aan
de hand van het chronologisch verloop laat de voorgestelde regeling zich
- in hoofdlijnen - als volgt weergeven.
De regeling onderscheidt twee wijzen waarop een bestuursrechtelijke
betalingsverplichting kan ontstaan. De eerste - meest voorkomende - is dat de betalingsverplichting bij beschikking wordt vastgesteld. De
tweede wijze is die waarbij de betalingsverplichting rechtstreeks uit de
wet voortvloeit. In beide gevallen kan het zowel om geldschulden van de
overheid als om geldschulden aan de overheid gaan.
De beschikking tot vaststelling van een
verplichting tot betaling dient degene die moet betalen duidelijkheid
te verschaffen over de hoogte van het bedrag en over de termijn
waarbinnen hij voor betaling moet zorgen. In het wetsvoorstel is gekozen
voor een uniforme betalingstermijn van zes weken, behoudens de
mogelijkheid van afwijking bij wettelijk voorschrift. Wanneer bij
wettelijk voorschrift wordt bepaald dat de betalingsverplichting
rechtstreeks uit de wet ontstaat, zal de betalingstermijn eveneens in
dat wettelijke voorschrift moeten worden geregeld. Wanneer een op de
overheid rustende betalingsverplichting rechtstreeks uit de wet
voortvloeit, kan de burger overigens steeds om een beschikking vragen, onder
andere met het oog op de mogelijkheid om bezwaar en beroep in te stellen. De
betaling dient in beginsel giraal te geschieden. Wanneer dit voor één
van beide partijen bezwaarlijk is, is het bestuursorgaan bevoegd om op
andere wijze te ontvangen of te betalen, bijvoorbeeld contant of per cheque. De burger hoeft alleen dan niet binnen de voorgeschreven
termijnen te betalen indien hij een verzoek heeft ingediend om uitstel
van betaling en het bestuursorgaan dit verzoek heeft toegewezen.
Verrekening van een geldschuld met een vordering is slechts mogelijk
voor zover de bevoegdheid daartoe in de bijzondere wet is toegekend.
Wordt niet binnen de reguliere betalingstermijn
betaald, dan treedt in beginsel verzuim in en is de schuldenaar vanaf
dat moment wettelijke rente verschuldigd. De wettelijke rente wordt bij
algemene maatregel van bestuur vastgesteld. Uit praktische overwegingen
is bepaald dat onder de €|20,- of, als het bestuursorgaan de schuldenaar
is, €|10,-, geen wettelijke rente verschuldigd is. De wettelijke rente
wordt door het bestuursorgaan bij beschikking vastgesteld, zowel wanneer
het zelf wettelijke rente moet vergoeden omdat het in gebreke is, als
wanneer de wederpartij dit moet doen.
Wanneer niet-tijdige betaling door het
bestuursorgaan het gevolg is van het onjuist vaststellen van een
beschikking tot betaling, is het bestuursorgaan gehouden de daardoor
voor de burger ontstane schade (renteverlies) te vergoeden. In dit geval
gaat de wettelijke rente lopen vanaf het tijdstip waarop het
bestuursorgaan met de betaling in verzuim zou zijn geweest indien de
beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn
gegeven. Met deze regel wordt aansluiting gezocht bij de eerder in deze
memorie van toelichting aangehaalde jurisprudentie van met name de Centrale Raad van Beroep.
Daarnaast wordt in het wetsvoorstel voorgesteld
om niet-tijdige besluitvorming op dezelfde wijze te behandelen als
onjuiste besluitvorming. Ook rblz.|23|
wanneer het bestuursorgaan te laat beslist
of een besluit zelfs geheel uitblijft, dient rente te worden vergoed en
wel vanaf het moment waarop uiterlijk had moeten zijn beslist én
betaald. Met deze regeling wordt voorkomen dat de overheid voordeel
trekt van het te laat of onjuist beslissen over financiële aanspraken.
Tegenover het nadeel van de burger (renteverlies) staat immers het
rentevoordeel van de overheid omdat zij ten onrechte langer over het
geld heeft kunnen beschikken. Om diezelfde reden is bepaald dat in
gevallen waarin de overheid de burger een te hoge betalingsverplichting
heeft opgelegd, de overheid wettelijke rente dient te vergoeden over de
termijn tussen de betaling en de terugbetaling.
Er zij op gewezen dat het voor het verschuldigd
zijn van wettelijke rente volgens deze regeling in beginsel niet
uitmaakt of in de bezwaarschriftprocedure dan wel bij het beroep bij de
bestuursrechter komt vast te staan dat het bestuursorgaan de
betalingsverplichting onjuist heeft vastgesteld. Bij financiële
besluiten staat in beide gevallen tegenover het rentenadeel van de
burger een rentevoordeel van de overheid. Compensatie hiervan is
billijk.
Het recht om nakoming van een
betalingsverplichting af te dwingen, gaat door tijdsverloop teniet. In
aansluiting op de meest gebruikelijke termijn in het BW
is gekozen voor
een verjaringstermijn van vijf jaar. De bijzondere bevoegdheden die de
overheid in sommige gevallen heeft om betaling te verkrijgen, met
inbegrip van de bevoegdheid van de overheid om te verrekenen, kunnen na
deze vijf jaar niet meer worden benut. Het voorstel biedt voorts de
mogelijkheid van stuiting en verlenging van de verjaring.
Wanneer een burger verzuimt om tijdig te
betalen, maant het bestuursorgaan hem aan om binnen twee weken alsnog te
betalen. De aanmaning is niet meer dan een herinnering tot betalen. De
aanmaning heeft geen betekenis voor het ontstaan van het verzuim; de
aanmaning is immers pas mogelijk nadat de burger in verzuim is. Dat
betekent ook dat de wettelijke rente inmiddels is gaan lopen. Wel heeft
de aanmaning betekenis voor de mogelijkheid om verdergaande
invorderingsmaatregelen te nemen: invordering bij dwangbevel is
doorgaans eerst mogelijk indien tevoren een aanmaning is verzonden. Het
bestuursorgaan mag voor de kosten van de aanmaning een forfaitair bedrag
in rekening brengen dat afhankelijk is van de hoogte van de schuld. Om
geschillen over betrekkelijk geringe, forfaitaire bedragen te voorkomen,
is de aanmaning van bezwaar en beroep in de zin van de Awb
uitgesloten.
Om de doelmatigheid van de inning te vergroten,
voorzien diverse bijzondere wetten thans in de mogelijkheid dat het
bestuursorgaan zichzelf een executoriale titel verschaft, door middel
van het uitvaardigen van een dwangbevel. In het voorstel is er
uitdrukkelijk voor gekozen om deze bevoegdheid niet door middel van een
algemene bevoegdheidsgrondslag in de Awb voor alle gevallen aan alle
bestuursorganen toe te kennen. Het gaat om een vérgaande bevoegdheid,
omdat met behulp daarvan - anders dan in het civiele recht - zonder
tussenkomst van de rechter betaling kan worden afgedwongen. Invordering
bij dwangbevel blijft daarom slechts mogelijk indien de bevoegdheid
daartoe bij bijzondere wet, dan wel in de Algemene wet bestuursrecht
voor een bijzondere categorie van gevallen, is toegekend. Zo kent het
voorgestelde artikel 4:57, tweede lid, de bevoegdheid tot invordering
bij dwangbevel toe voor onverschuldigd betaalde subsidiebedragen.
Het bestuursorgaan kan daarnaast gebruik
blijven maken van de bevoegdheden die een schuldeiser in het
privaatrecht ook heeft, tenzij de bijzondere wet daaraan in de weg
staat.
Soms heeft een bestuursorgaan de bevoegdheid
tot kwijtschelding van een geldschuld aan een bestuursorgaan. Voor zover
de geldschuld daardoor tenietgaat, is sprake van een besluit (zie
impliciet ook Nationale ombudsman 5 december 1990, AB 1991, 95;
CRvB
27
maart 1996, AB 1996, 248; vgl. ook het voorgestelde artikel
4.4.5.1 [4:125],
eerste lid). Het onderhavige rblz.|24|
wetsvoorstel voorziet met opzet niet in
een algemene bevoegdheid tot kwijtschelding. Kwijtschelding komt er in
veel gevallen op neer dat een burger wordt ontslagen van wettelijke
verplichtingen tot betaling. Dit dient uitzondering te blijven en kan
daarom zo nodig beter door de bijzondere wetgever worden geregeld. Van
kwijtschelding moet worden onderscheiden het staken van de invordering
omdat de schuldenaar onvoldoende verhaal biedt of omdat invordering een
onevenredige inspanning zou vergen. Dat is een feitelijke handeling,
geen besluit.
Het voorstel bevat regels voor het geval een
bestuursorgaan de bevoegdheid heeft de betaling van een geldsom door
middel van een dwangbevel af te dwingen. Daarbij is in belangrijke mate
aangesloten bij de regeling in het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering. Bepaald wordt dat een dwangbevel een executoriale titel
is als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het kan
derhalve volgens de in dat wetboek opgenomen procedureregels ten uitvoer
worden gelegd. Wegens de samenloop van Awb en Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering is een aantal bepalingen van de Awb buiten toepassing
verklaard. De belangrijkste afwijking houdt in dat tegen het dwangbevel
geen bezwaar en beroep openstaat in de zin van de Awb.
Op het aspect van de rechtsbescherming en de
keuze voor de civiele rechtsgang wordt in de volgende paragraaf
afzonderlijk ingegaan.
7.
Rechtsbescherming tegen (dwang)invordering
Een belangrijk
aspect bij de invordering van geldschulden is de rechtsbescherming.
Betaling van een bestuursrechtelijke geldschuld door de overheid kan - indien dat noodzakelijk zou zijn
- uiteindelijk via de
civielrechtelijke weg worden afgedwongen. De vraag doet zich voor welke
rechtsgang voor de schuldenaar open dient te staan bij invordering bij
dwangbevel door de overheid.
Om fouten in het dwangbevel en bij de
tenuitvoerlegging te voorkomen of te herstellen, kennen bijna alle
bestaande wetten een specifieke regeling inzake verzet. Een opvallend
verschil daarbij is dat een deel van deze wetten (o.m. artikel 5:26
Awb)
verzet openstelt tegen het dwangbevel - vaak gebonden aan een termijn
die begint te lopen op het moment van betekening - terwijl andere
wetten het verzet koppelen aan de tenuitvoerlegging van het dwangbevel.
In het laatste geval is het verzet in beginsel niet aan een termijn
gebonden. Een voorbeeld van een op deze wijze ingerichte regeling is te
vinden in de Invorderingswet
1990.
Verzet vindt krachtens de genoemde wetten
plaats bij de gewone (burgerlijke) rechter. Volgens de meeste regelingen
is de rechtbank bevoegd, maar soms is uitdrukkelijk de
sector kanton
aangewezen. Tegen de uitspraak op het verzet staan hoger beroep en beroep
in cassatie open. Een gemeenschappelijk element van alle
procedures is dat - voor zover de betalingsplicht bij beschikking is
vastgesteld - daarin niet meer kan worden opgekomen tegen de
oorspronkelijke beschikking waarbij de verplichting tot betaling is
vastgesteld. Tegen deze beschikking heeft immers reeds bezwaar en beroep
opengestaan op grond van de Awb. Vergelijking met de regeling in
het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering laat zien waarop de
rechtsbescherming bij invordering van geldschulden in het civiele recht
is gericht. Artikel 438 Rv
spreekt niet met zoveel woorden over de
mogelijkheid van "verzet", maar geeft een regeling inzake
"geschillen die in verband met een executie rijzen". Een
termijn wordt ook hier niet genoemd.
Een zodanige regeling van executiegeschillen
ligt voor de hand. Het recht op invordering van een geldschuld verjaart
volgens het wetsvoorstel pas na vijf jaren. Een bestuursorgaan is niet
verplicht om na betekening van het dwangbevel op korte termijn tot de
daadwerkelijke executie over te gaan. Bij een verzetstermijn die is
gekoppeld aan de betekening van het dwangbevel kan het derhalve
voorkomen dat de executie pas plaatsvindt rblz.|25|
op een tijdstip waarop geen
verzet meer mogelijk is. Uit een oogpunt van rechtsbescherming is dit
uiteraard ongewenst. Uit de praktijk van de Invorderingswet 1990 blijkt
dat nauwelijks verzet wordt aangetekend tegen het dwangbevel zélf, maar
bijna altijd tegen de feitelijke tenuitvoerlegging. Juist tijdens de
executie kunnen veel dingen misgaan en is er behoefte aan
rechtsbescherming. Indien dan door het verloop van de termijn geen verzet
meer mogelijk zou zijn, zou de schuldenaar alsnog een executiegeschil
aanhangig moeten maken bij de burgerlijke rechter. Aldus zou een reeks
van proceduremogelijkheden ontstaan. Tegen de beschikking waarbij de
betalingsverplichting is vastgesteld, staat bezwaar en beroep open, tegen
het dwangbevel kan verzet worden aangetekend en tegen de uitvoering van
het dwangbevel kan ten slotte een geding bij de burgerlijke rechter
worden gestart. Een dergelijke situatie is nodeloos ingewikkeld.
Nu executiegeschillen gedurende de gehele
executiefase kunnen ontstaan, rijst de vraag welke rechter het meest
geschikt is om dergelijke geschillen te behandelen indien het een
bestuursrechtelijke geldschuld betreft. Eerder is het standpunt
ingenomen dat de procedures inzake verzet tegen een dwangbevel moeten
worden gekwalificeerd als administratieve rechtspraak (Kamerstukken II
1992-1993, 22 495, nr. 10, blz. 28).
Voorts moet het dwangbevel worden beschouwd als
een besluit in de zin van de Awb. Het is een schriftelijke beslissing
van een bestuursorgaan die wordt gegeven krachtens een
publiekrechtelijke bevoegdheid die op de wet is gebaseerd. Het
rechtsgevolg bestaat uit de titel die het bestuursorgaan zich door het
dwangbevel verschaft om een krachtens een publiekrechtelijke regeling
ontstane schuld met dwang in te vorderen. Aldus komt het dwangbevel in
beginsel in aanmerking voor bezwaar en beroep bij de bestuursrechter.
Niettemin is er in het wetsvoorstel voor
gekozen om de bevoegdheid van de burgerlijke rechter op dit terrein te
handhaven. Van belang is dat in een executieprocedure
bestuursrechtelijke vragen die verband houden met de rechtmatigheid van
de - doorgaans aanwezige - onderliggende beschikking in beginsel
geen rol meer mogen spelen. Dergelijke vragen horen thuis in de bezwaar-
en beroepsprocedures, die mogelijk aan de tenuitvoerlegging van het
dwangbevel zijn voorafgegaan. In executiegeschillen gaat het vooral om
praktische vragen die niet of nauwelijks verschillen van de vragen die
zich voordoen bij de executie van privaatrechtelijke geldvorderingen. In
verband met de bestaande expertise daaromtrent bij de burgerlijke
rechter verdient het de voorkeur diens bevoegdheid inzake die geschillen
te handhaven. Dit brengt tevens met zich dat het in het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering geregelde procesrecht van de civiele rechter
op deze "bestuursrechtelijke" executiegeschillen van toepassing
is.
Overigens vloeit uit het voorgaande voort dat
wanneer een beschikking tot betaling aan de overheid ontbreekt (artikel
4.4.1.4 [4:88]), de burger in een executiegeschil wél de bestuursrechtelijke
verplichting tot betaling aan de orde kan stellen.
In reactie op het advies van de Nederlandse Orde
van Advocaten naar aanleiding van het voorontwerp, waarin de
toepasbaarheid van dit artikel op bestuursrechtelijke geldschulden wordt
betwijfeld, merken wij op dat ingevolge artikel 438 Rv
de
tenuitvoerlegging in ruimste zin van het woord onderwerp van het
executiegeschil kan zijn, niet slechts de bepaalde executiewijze, maar
ook de executie zelf zoals zij wordt toegepast. Artikel 438 ziet op
situaties waarin de schuldeiser weliswaar over een executoriale titel
beschikt, maar deze op een onrechtmatige wijze ten uitvoer legt. Deze
situaties kunnen zich ook voordoen bij invordering bij dwangbevel van
bestuursrechtelijke geldschulden.
Hoewel artikel 438, eerste lid, Rv
de gewone
dagvaardingsprocedure vooropstelt, is het in de praktijk gebruikelijk
dat executiegeschillen in kort geding worden behandeld. Ingevolge het
derde lid van artikel 438 kan de
rblz.|26|
voorzieningenrechter echter, voor zover
hij vindt dat de zaak zich niet leent voor behandeling in kort geding,
deze verwijzen naar de terechtzitting van de rechtbank. Van deze
bevoegdheid kan hij ook gebruik maken als een bestuursrechtelijke
betalingsverplichting in kort geding aan de orde wordt gesteld. De
woorden "voor zover" in de aanhef van het eerste lid geven aan
dat tegen een partiële verwijzing geen bezwaar bestaat.
Van belang is verder dat - zoals zojuist is
opgemerkt - de rechtsbescherming zich moet kunnen uitstrekken tot de
gehele executiefase. Met name bij de feitelijke gang van zaken bij de
executie kunnen zich problemen voordoen en is rechtsbescherming nodig.
In dat licht is het minder juist de rechtsbescherming te fixeren op een
beslismoment in bestuursrechtelijke zin - te weten het dwangbevel - met de daarbij behorende termijnen. De bestuursrechtelijke
rechtsbeschermingsconstructie is aldus voor de beslechting van
executiegeschillen minder geschikt. Ook dit pleit voor handhaving van de
bevoegdheid van de burgerlijke rechter op dit punt.
De gevolgen van deze keuze zijn in het
wetsvoorstel uitgewerkt. Bepaald wordt dat een dwangbevel een
executoriale titel oplevert als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering. Aldus wordt aangesloten bij de aldaar opgenomen
procedure voor de beslechting van executiegeschillen bij de burgerlijke
rechter. Voorts wordt aan artikel 8:4 een onderdeel m toegevoegd
waardoor Awb-beroep (en daarmee ook Awb-bezwaar) tegen een dwangbevel
wordt uitgesloten.
8. Overige wijzigingen
In de
voorgestelde titel 4.4 wordt, overeenkomstig de terminologie van artikel
1:1 Awb, steeds gesproken over bestuursorganen. Een bestuursorgaan is in
de regel evenwel geen privaatrechtelijk rechtssubject. In het
privaatrecht kunnen immers de vermogensrechtelijke gevolgen van een
handeling uitsluitend worden toegerekend aan natuurlijke of
rechtspersonen. Blijkens artikel 2:1 BW
komt - behoudens specifieke
gevallen bij of krachtens de wet bepaald - uitsluitend
rechtspersoonlijkheid toe aan de Staat en de openbare lichamen als
bedoeld in hoofdstuk 7 van de Grondwet. Om de koppeling te leggen tussen
de onderhavige regeling en het rechtspersonenrecht zoals neergelegd in
het BW, wordt in
het wetsvoorstel bepaald dat de vermogensrechtelijke
gevolgen van een handeling van een bestuursorgaan worden toegerekend aan
de rechtspersoon waarvan het desbetreffende bestuursorgaan deel
uitmaakt. Deze regel geldt vanzelfsprekend ook indien een bestuursorgaan
zélf rechtspersoonlijkheid bezit langs de weg van artikel 2:1, tweede
lid, BW. Dit kan zich voordoen bij zelfstandige bestuursorganen.
Daarnaast behelst het wetsvoorstel enkele
andere wijzigingen van de Awb. In artikel 4:57 wordt vastgelegd dat
beslissingen tot terugvordering van onverschuldigd betaalde
subsidiebedragen besluiten zijn in de zin van de Awb (vgl. ABRvS 21
oktober 1996, AB 1996, 496, JB 1996, 232). Het gewijzigde artikel 4:57
schept een wettelijke grondslag voor besluiten tot terugvordering van
subsidie. Daarbij is voorzien in de mogelijkheid van invordering van
onverschuldigd betaalde subsidies bij dwangbevel. Artikel 8:76 wordt in
redactionele zin verduidelijkt door te bepalen dat een uitspraak van een
bestuursrechter in een aantal specifiek omschreven gevallen een
executoriale titel oplevert in de zin van artikel 430, eerste lid,
Rv.
Voorts wordt voorgesteld om aan de in artikel 8:4 opgesomde categorieën
van besluiten waartegen geen beroep openstaat de aanmaning en het
dwangbevel toe te voegen. Verwezen zij naar de toelichting
op dit
artikel.
Ten slotte noopt de regeling inzake
bestuursrechtelijke geldschulden tot enige wijzigingen in de bepalingen
over de bestuursdwang en de last onder dwangsom. Deze zijn toegelicht in
hoofdstuk IV van deze memorie van toelichting.
rblz.|27|
Artikelsgewijs
Artikel 1:1
Het nieuw voorgestelde vierde lid is hiervoor in paragraaf 8 van het
algemeen deel van dit hoofdstuk van deze toelichting reeds kort
toegelicht. De bepaling is erop gericht een koppeling te leggen tussen
de Awb en het rechtspersonenrecht zoals neergelegd in het
BW, door te
bepalen dat de vermogensrechtelijke gevolgen van een handeling van een
bestuursorgaan de rechtspersoon treffen waartoe het bestuursorgaan
behoort. Overigens is dit ook thans al geldend recht. De winst van deze
bepaling is dat in de Awb niet steeds hoeft te worden gesproken in
termen van "een betaling aan of door de rechtspersoon waarvan het
bestuursorgaan deel uitmaakt". Thans kan worden volstaan met de
zinsnede "een betaling aan of door het bestuursorgaan".
Wettelijke bepalingen waarin betalingen aan of door een bestuursorgaan
zijn voorgeschreven, dienen derhalve steeds te worden gelezen in
samenhang met artikel 1:1, vierde lid. Dit geldt zowel voor bepalingen
in de Awb als in de bijzondere bestuursrechtelijke wetgeving. Aldus
bestrijkt deze bepaling de gehele bestuursrechtelijke wetgeving.
De formulering van de bepaling sluit aan bij
artikel 3:66, eerste lid, BW
waarin de verhouding tussen volmachtgever
en gevolmachtigde wordt geregeld. Dat neemt niet weg dat de hier
voorgestelde bepaling een grotere reikwijdte heeft. Overeenkomstig de
systematiek van de Awb omvat het begrip "handeling" in deze
bepaling ook een "besluit", alsmede andere rechtshandelingen
en feitelijke handelingen.
In het civiele recht kan als regel slechts de
rechtspersoon, niet het bestuursorgaan optreden als procespartij.
Derhalve dient bij de burgerlijke rechter de rechtspersoon te worden
gedagvaard. Wordt onverhoopt het bestuursorgaan gedagvaard, dan zal deze
dagvaarding dienen te gelden als gericht aan de rechtspersoon waartoe
het bestuursorgaan behoort. De onderhavige bepaling brengt daarin geen
verandering. Het belastingrecht maakt op deze regels overigens een
uitzondering voor de ontvanger (zie artikel 3, derde lid, Invorderingswet
1990).
Artikel 4:52
De regeling inzake bestuursrechtelijke geldschulden brengt mee dat de
bestaande bepalingen over de betaling van subsidies (artikel
4:52 e.v.)
kunnen worden vereenvoudigd. Het huidige artikel
4:52, eerste lid,
bepaalt onder meer dat voorschotten op subsidies kunnen worden verrekend
met het subsidiebedrag. Deze zinsnede kan vervallen, omdat de
verrekening van voorschotten in meer algemene zin wordt geregeld in
het voorgestelde artikel 4.4.1.11
[4:95], vierde lid, eerste volzin. Het
huidige tweede lid van artikel
4:52 regelt een betalingstermijn en kan
vervallen in verband met het voorgestelde artikel
4.4.1.3 [4:87].
Het voorgestelde tweede lid komt overeen met
het huidige derde lid. Het geeft bij subsidies die niet op een wettelijk
voorschrift berusten de mogelijkheid om in de subsidiebeschikking een
afwijkende betalingstermijn vast te stellen. Dat is een aanvulling op - of eigenlijk: een toepassing van
- artikel
4.4.1.3 [4:87], tweede lid, die
daarom met enige redactionele aanpassingen wordt gehandhaafd.
Artikelen 4:54 en
4:55
De huidige artikelen 4:54 en 4:55 regelen enkele aspecten van de
verlening en betaling van voorschotten bij subsidies. Zij kunnen
vervallen nu het voorgestelde artikel 4.4.1.11
[4:95] een meer
algemene
regeling voor bevoorschotting geeft.
rblz.|28|
Artikel 4:57
Eerste lid
In ABRvS 21 oktober 1996 (AB 1996, 496, JB 1996, 232) heeft de Afdeling
bestuursrechtspraak uitgemaakt dat een beslissing omtrent terugvordering
van een onverschuldigd betaalde subsidie of een andere
bestuursrechtelijke financiële verstrekking, een besluit in de zin van
artikel 1:3 Awb is, ook wanneer de terugvorderingsbeslissing niet
op een
uitdrukkelijk wettelijke bevoegdheid tot terugvordering berust. Het
publiekrechtelijke rechtsgevolg van een dergelijke beslissing ontleent
de Afdeling aan het algemene, ook in het bestuursrecht geldende,
rechtsbeginsel dat hetgeen onverschuldigd is betaald, kan worden
teruggevorderd. Deze uitspraak heeft tevens tot gevolg dat
terugvorderingsbesluiten die voortvloeien uit een eerder subsidiebesluit
vatbaar zijn voor bezwaar en beroep bij de bestuursrechter. Voorheen nam
de Afdeling aan dat niet op een uitdrukkelijke wettelijke grondslag
gebaseerde besluiten omtrent terugvordering van subsidie
rechtshandelingen naar burgerlijk recht waren, waarover slechts de
burgerlijke rechter kon oordelen. Met de uitspraak van 21 oktober 1996
heeft de Afdeling zich aangesloten bij de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep
(26 februari 1987, AB 1987, 438) en het College van
Beroep voor het bedrijfsleven (CBb 27 december 1977, AB 1978, 344; CBb 15
juni 1990, AB 1991, 301).
In het licht van meergenoemde uitspraak van de
Afdeling is aanpassing van artikel 4:57 gewenst. Hoewel de tekst van
deze bepaling ruimte biedt om de terugvordering van subsidie als een
besluit in de zin van de Awb te zien, was de regering blijkens de
memorie van toelichting een andere opvatting toegedaan (Kamerstukken II
1993-1994, 23 700, nr. 3, blz. 84/85). Ter vermijding van misverstand wordt
daarom voorgesteld om de bevoegdheid tot het terugvorderen van
onverschuldigd betaalde subsidiebedragen in een nieuw eerste lid van
artikel 4:57 neer te leggen. Voor onverschuldigd betaalde voorschotten
is dit in artikel 4.4.1.11 [4:95] geregeld.
Opgemerkt zij nog dat het
terugvorderingsbesluit valt onder de uitzondering op de hoorplicht voor
financiële beschikkingen van artikel 4:12, eerste lid. Gelet
op het
accessoire karakter van het terugvorderingsbesluit lijkt het niet nodig
daarin verandering te brengen. Het terugvorderingsbesluit wordt immers
altijd voorafgegaan door een lagere vaststelling of intrekking waarbij
op grond van het tweede lid van artikel 4:12
in principe steeds moet worden
gehoord. Uit een oogpunt van doelmatige rechtsbescherming verdient het
in de praktijk aanbeveling om de beslissing tot lagere vaststelling of
intrekking en die tot terugvordering in één beschikking te combineren
en voorafgaand aan het nemen daarvan de belanghebbende te horen. Deze
mogelijkheid is met name van belang omdat de bevoegdheid tot
terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen een discretionaire
bevoegdheid is die moet worden uitgeoefend met inachtneming van de
algemene bestuursrechtelijke eisen die de aanwending van discretionaire
bevoegdheden beheersen (met name artikel 3:4 en
3:46).
Tweede lid
In het tweede lid is bepaald dat de terugvordering kan geschieden bij
door het bestuursorgaan uit te vaardigen dwangbevel, op de
tenuitvoerlegging waarvan afdeling 4.4.4 van toepassing is. Het
bestuursorgaan kan zich voortaan dus buiten de rechter om een
executoriale titel verschaffen. Deze extra bevoegdheid betekent
overigens niet een verplichting voor het bestuursorgaan om uitsluitend
die weg te volgen. Het kan gebruik blijven maken van de gewone
bevoegdheden van een schuldeiser (zie artikel
4.4.4.2.11 [4:124]).
rblz.|29|
Derde lid
Het derde lid houdt verband met het voorgestelde artikel
4.4.1.9 [4:93].
Laatstgenoemd artikel bepaalt dat verrekening van een
bestuursrechtelijke geldschuld met een bestaande vordering slechts
mogelijk is voor zover daarin bij wettelijk voorschrift is voorzien. Bij
subsidies is er voor één geval reden een dergelijke wettelijke
voorziening te treffen. Het komt vaak voor dat een bestuursorgaan ieder
jaar opnieuw een subsidie verstrekt aan dezelfde subsidieontvanger voor
dezelfde activiteiten. In die gevallen ligt het voor de hand een
eventuele terugvordering van voor het jaar x betaalde subsidiebedragen
te verrekenen met nog voor het jaar x + 1 (of in voorkomende gevallen,
een later jaar) uit te betalen subsidiebedragen. Het voorgestelde derde
lid voorziet in de bevoegdheid daartoe, mits het gaat om dezelfde
subsidieontvanger en dezelfde gesubsidieerde activiteiten. Deze
vereisten komen qua strekking overeen met de in het privaatrecht
geldende vereisten voor verrekening (vgl. artikel 6:127, tweede lid, BW).
De bepaling ziet op subsidies die jaarlijks
worden verstrekt voor voortdurende activiteiten. Zij is niet van
toepassing indien een subsidieontvanger toevallig in twee
achtereenvolgende jaren in aanmerking blijkt te komen voor
projectsubsidies op grond van dezelfde regeling. Te denken valt aan een
veehouder die in jaar x subsidie ontvangt voor de aanpassing van een
stal en in het daaropvolgende jaar voor de aanpassing van een tweede
stal. Verrekening ligt dan niet voor de hand, omdat de opeenvolging van
subsidies aan dezelfde ontvanger min of meer toeval is. Dat laat
onverlet dat, indien de aard van de projectsubsidie meebrengt dat
opeenvolging van subsidies aan dezelfde ontvanger geregeld voorkomt en
dus geen toeval is, de bijzondere subsidieregeling in een bevoegdheid
tot verrekening kan voorzien.
Vierde lid
Het vierde lid is, behoudens een redactionele aanpassing, gelijk aan het
huidige artikel 4:57, waarin de verjaring van de bevoegdheid om terug te
vorderen is geregeld.
Titel
4.4. Bestuursrechtelijke
geldschulden
Afdeling
4.4.1. Ontstaan
en inhoud van de verplichting tot betaling
Artikel 4.4.1.1
[4:85]
Eerste lid
Deze bepaling regelt de
reikwijdte van titel 4.4. In het algemeen deel van dit hoofdstuk van deze
toelichting is daaraan reeds aandacht besteed.
De
regeling is
vanzelfsprekend beperkt tot bestuursrechtelijke geldschulden. Op privaatrechtelijke
geldschulden is zij niet van toepassing, zoals ook in het algemeen
deel van dit hoofdstuk van deze toelichting is uiteengezet. Geldschulden
zijn bestuursrechtelijk van aard voor zover zij voortvloeien uit een
bestuursrechtelijk wettelijk voorschrift of uit een besluit. Om praktische
redenen is de hier voorgestelde regeling niet van toepassing op
geldschulden die voortvloeien uit besluiten die niet appellabel zijn. Dat het wettelijk
voorschrift bestuursrechtelijk van aard dient te zijn, betekent dat de geldschuld dient voort te vloeien uit een wettelijk
voorschrift dat een
verplichting tot betaling uitsluitend aan of door een bestuursorgaan regelt.
Bestuursrechtelijke
geldschulden die niet voortvloeien uit een daartoe strekkend
bestuursrechtelijk wettelijk voorschrift, maar slechts gebaseerd zijn op
een
buitenwettelijk besluit, kunnen een verschillende oorsprong rblz.|30|
hebben. De rechtspraak
laat daarvan verschillende voorbeelden zien. In de eerste plaats zijn er
besluiten die voortkomen uit een daaraan voorafgaand besluit en hun basis mede
vinden in een bestuursrechtelijk rechtsbeginsel. Te denken valt hierbij in
het bijzonder aan het zogeheten zelfstandige of zuivere schadebesluit
(o.a. ABRvS 6 mei 1997, AB 1997, 229) en aan het buitenwettelijke terugvorderingsbesluit
(ABRvS 21 oktober 1996,
496 en ABRvS 26 augustus
1997, 461). Soms volstaat de rechter met de constatering dat het
besluit nauw samenhangt met een eerder besluit, dan wel binnen het kader van
de door een eerder besluit ontstane rechtsbetrekking blijft (o.a. CRvB
28 juli
1994, AB 1995, 133 en CBb 19 februari 1997, AB 1997, 144). De
Afdeling maakt in de genoemde jurisprudentie onderscheid tussen
schadebesluiten die wel en niet vatbaar zijn voor beroep. Zoals gezegd, is
titel 4.4 echter niet van toepassing op geldschulden die voortvloeien uit
besluiten die niet appellabel zijn.
In de tweede plaats zijn
er bestuursrechtelijke geldschulden die gebaseerd zijn op een algemeen bekendgemaakte beleidsregel. Ook na de opkomst
van de figuur van het
zelfstandig schadebesluit is de bestuursrechter schadebesluiten op grond
van een beleidsregel blijven accepteren (ABRvS 3 april 2000, AB 2000,
222). In de derde plaats zijn er besluiten met een algemene
bestuursrechtelijke wettelijke grondslag. Zo vindt de bestuursrechter de rechtsgrond van een
besluit tot verstrekking van een financiële bijdrage wel in de
algemene publiekrechtelijke bevoegdheid van de gemeenteraad als bedoeld
in artikel 108 in samenhang met artikel 147, tweede lid, Gemeentewet
(ABRvS
11 mei 1998, AB 1998, 298).
In het voorontwerp was de
reikwijdte van de voorgestelde regeling beperkt tot geldschulden
die voortvloeien uit een bestuursrechtelijk wettelijk voorschrift. In
verschillende reacties op het voorontwerp werd betreurd dat de regeling
aldus niet op andere bestuursrechtelijke geldschulden van toepassing zou zijn,
waarbij in het bijzonder de geldschulden die voortvloeien uit een
zelfstandig schadebesluit werden genoemd. Met het
bovenstaande wordt aan deze reacties tegemoet gekomen.
De regeling strekt zich
zowel uit tot schulden aan als tot schulden van een bestuursorgaan. Eén en
ander is in artikel 4.4.1.1 [4:85] tot uitdrukking gebracht door te spreken over
"geldschulden die voortvloeien uit een wettelijk voorschrift dat een
verplichting tot betaling uitsluitend aan of door een bestuursorgaan
regelt".
De grondslag van de betalingsverplichting dient derhalve te zijn gelegen
in een bestuursrechtelijk wettelijk voorschrift: een voorschrift dat een
verplichting tot betaling uitsluitend aan of door een bestuursorgaan regelt.
Kenmerk van een dergelijk voorschrift is dat (ten minste) steeds één van
beide partijen (schuldeiser of schuldenaar) een bestuursorgaan moet zijn.
Uiteraard is ook mogelijk dat het een betalingsverplichting tussen bestuursorganen
onderling betreft. Anders dan bij de subsidietitel het geval is (artikel
4:21, derde lid), is de nu voorgestelde titel
over het ontstaan en het
afwikkelen van betalingsverplichtingen eveneens op verhoudingen tussen
overheden van toepassing. Ook in deze verhoudingen is behoefte aan
dergelijke regels. Het eigen karakter van de financiële verhouding tussen
overheden zal naar verwachting voldoende tot uitdrukking kunnen komen
door gebruik te maken van de mogelijkheden die het wetsvoorstel
biedt om op bepaalde punten bij wettelijk voorschrift een andere regeling te
treffen, bijvoorbeeld ten aanzien van de verschuldigdheid van
wettelijke rente bij te late betaling (artikel
4.4.2.7 [4:103]).
De geldschulden waarover
de regeling gaat, zijn te verdelen in twee categorieën. De eerste categorie
omvat
de geldschulden die bij beschikking worden vastgesteld. Zowel
ingeval de overheid moet betalen als indien de burger dat moet doen, is
het geven van een beschikking vaak het uitgangspunt. Subsidies en uitkeringen plegen op basis van een beschikking
door de overheid te
worden betaald, terwijl aan de betaling van een belasting of een heffing
vaak ook een beschikking ten grondslag ligt. De tweede categorie omvat de
gevallen waarin de betalingsverplichting rblz.|31|
rechtstreeks uit een
wettelijk voorschrift voortvloeit. De verplichting is in die situaties niet
afhankelijk van een door een bestuursorgaan gegeven beschikking, maar
wordt
rechtstreeks veroorzaakt door een wettelijk voorschrift dat aan een bepaald feit
rechtsgevolgen verbindt. Indien zich dat feit voordoet, ontstaat
automatisch op grond van de wet een betalingsverplichting waarvan ook de omvang
door de wet wordt bepaald. Een besluit van een bestuursorgaan is voor het ontstaan van dat rechtsgevolg
niet nodig.
Een bekend voorbeeld van
deze categorie is de betaling van belastingen die op aangifte moeten
worden voldaan. Een ander voorbeeld vormen de les- en cursusgelden voor
zestien- tot achttienjarigen in het onderwijs die rechtstreeks op grond van
de Les- en
cursusgeldwet verschuldigd zijn en die betaald moeten worden
aan de Informatie Beheer Groep. Voor gemeentelijke belastingen
zoals leges kan op grond van artikel 233a Gemeentewet
in de
gemeentelijke belastingverordening worden bepaald dat moet worden betaald
op het moment dat mondeling kennis wordt gegeven van het op grond
van de verordening verschuldigde bedrag.
Ten aanzien van de in
artikel 8:41 en 8:82 Awb geregelde griffierechten
- een bijzondere categorie van
bestuursrechtelijke geldschulden - wordt opgemerkt dat deze niet onder de
voorgestelde regeling vallen. Aangezien de griffier die het
griffierecht heft van het begrip bestuursorgaan in de Awb
is uitgezonderd (artikel 1:1,
tweede lid, onderdeel g), is hier niet sprake van een wettelijk voorschrift dat
een verplichting tot betaling aan of door een bestuursorgaan regelt. De
uit het heffen van een griffierecht voortvloeiende betalingsverplichting zou
ook niet goed in te passen zijn in het stramien van het ontwerp.
Zo is bijvoorbeeld de sanctie op niet-tijdige betaling van het
griffierecht niet-ontvankelijkheid van het beroep.
Tweede lid
Het tweede lid bepaalt
dat titel 4.4 niet van toepassing is op verplichtingen tot betaling van een
geldsom voor het in behandeling nemen van een aanvraag (vaak leges
genoemd). Dit zijn bestuursrechtelijke geldschulden, die veelal uit een
wettelijk voorschrift voortvloeien. Ook deze geldschulden passen niet goed in het
stramien van titel 4.4. De sanctie op niet of niet tijdig betalen is
in deze gevallen dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Aan
bepalingen over verzuim, wettelijke rente en dwanginvordering bestaat
dan geen behoefte. Eventuele geschillen over de verschuldigdheid of de hoogte van de leges kunnen zo nodig aan de
orde worden gesteld in
bezwaar of beroep tegen het besluit op de aanvraag, dan wel een
besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen.
Derde lid
Het derde lid zondert
bestuursrechtelijke geldschulden die bij uitspraak van de bestuursrechter
worden vastgesteld uit. Deze uitspraken zijn in het huidige systeem, evenals
uitspraken van de burgerlijke rechter waarbij een geldschuld wordt
vastgesteld, terstond voor tenuitvoerlegging op de voet van Boek
II Rv vatbaar
(artikel 8:76 Awb). Overigens wordt in onderdeel BB
[onderdeel R, red.] van dit wetsvoorstel
een redactionele verduidelijking van het huidige artikel 8:76 voorgesteld,
waarvoor naar de toelichting op dat onderdeel wordt verwezen.
De uitzondering van het
derde lid betreft in het algemeen uitspraken die hun grondslag vinden in
hoofdstuk 8 Awb, zoals uitspraken tot vergoeding van schade, griffierecht
of proceskosten als geregeld in de artikelen
8:73, 8:74, 8:75 en
8:75a. De
uitzondering heeft geen betrekking op de gevallen waarin een bestuursrechter met toepassing van
artikel 8:72, vierde lid, dan
wel het voorgestelde
artikel 8:72a, zelf in de zaak voorziet door de inhoud rblz.|32|
van een financiële
beschikking bij zijn uitspraak te bepalen. In dat geval stelt hij niet een
verplichting tot betaling bij zijn uitspraak vast, maar bepaalt hij hoe het
bestuursorgaan had dienen te beslissen. De inning of betaling van deze
geldschulden door het bestuursorgaan behoort op dezelfde wijze te
geschieden als ingeval de beschikking door het bestuursorgaan aanstonds
op de
juiste
wijze was vastgesteld.
Artikel 4.4.1.2
[4:86]
Eerste lid
De
hoofdregel, neergelegd
in dit artikel, is dat een verplichting tot betaling eerst ontstaat nadat een
beschikking tot stand is gekomen. Dit geldt zowel voor gevallen waarin de
overheid moet betalen als voor gevallen waarin zij schuldeiser is.
Wanneer de burger moet
betalen, ligt het voor de hand dat hij eerst door middel van een
beschikking op de hoogte wordt gesteld van zijn verplichting. In de meeste gevallen kan
van de burger niet worden verlangd dat hij op grond van de wet alleen
weet dat hij een geldschuld heeft. Bovendien kan hij de hoogte van die
schuld zelf veelal niet vaststellen. Het bestuur zal dus in het algemeen
verplicht zijn om bij beschikking vast te stellen hoe hoog de schuld
precies is, voordat het aanspraak kan maken op betaling daarvan.
Ook bij betalingen door
de overheid behoort ter wille van de rechtszekerheid als regel een beschikking
vooraf te gaan aan de verplichting tot betaling. Men zou kunnen menen dat
van die hoofdregel bij betalingen door de overheid eerder kan
worden afgeweken dan bij betalingen aan de overheid: bestuursorganen
zullen beter dan de burgers de wet kennen en dus ook de daaruit
voortvloeiende betalingsverplichtingen. Zij zouden dus ook zonder beschikking
tot betaling kunnen overgaan. Maar omdat het bestuursorgaan toch
steeds een beslissing moet nemen om tot betaling over te gaan, en ook de
ontvanger op de hoogte moet stellen van de reden van betaling, wordt
meestal aangenomen dat aan iedere betaling een beschikking ten
grondslag moet liggen.
Door het geven van de
beschikking komt vast te staan wat de grondslag voor de betaling is en
welk bedrag betaald moet worden. Onduidelijkheid over de betaling wordt
daarmee vermeden, terwijl bij meningsverschil over de hoogte van de
betalingsverplichting de beschikking de grondslag voor een procedure bij de
bestuursrechter kan zijn. In de praktijk gaat dan ook aan de uitbetaling
van bijvoorbeeld een uitkering of subsidie bijna altijd een beschikking
vooraf. Artikel 4.4.1.4 [4:88] maakt overigens een uitzondering
op deze hoofdregel
mogelijk.
Tweede lid
In het tweede lid zijn
enkele elementen opgesomd die in ieder geval in de beschikking moeten zijn
vermeld. Het gaat dus zowel om beschikkingen op grond waarvan een
burger moet betalen als om beschikkingen die voor het bestuursorgaan
een plicht tot betaling met zich meebrengen. In de eerste plaats moet
vanzelfsprekend worden aangegeven hoeveel moet worden betaald. In een
enkel geval zal de betrokkene reeds uit anderen hoofde weten hoe hoog het
verschuldigde bedrag precies is, maar in de regel zal dat toch niet
het geval zijn. Onderdeel a verplicht om die reden tot uitdrukkelijke
vermelding van de te betalen geldsom. Bij periodieke betalingen door een
bestuursorgaan, zoals bijvoorbeeld socialezekerheidsuitkeringen,
zal naast het verschuldigde bedrag uiteraard ook een tijdvak moeten worden
genoemd.
In het socialezekerheidsrecht en het ambtenarenrecht kan de vraag rijzen of met "de te betalen
geldsom" een bruto dan wel een netto bedrag - dat wil zeggen zonder de
bedragen die het bestuursorgaan uit hoofde van rblz.|33|
andere wetten daarop moet
inhouden - wordt bedoeld. Het antwoord op deze vraag is voor de
praktijk met name van belang omdat het nettobedrag herhaaldelijk wijzigt als
gevolg van allerlei wijzigingen in de inhoudingsverplichtingen.
Het betreft hier de
interpretatie van de wetgeving waaruit de verplichting tot betaling voortvloeit.
Bij het betalen van salaris of van een uitkering zal de wet verplichten tot
het betalen van het bruto bedrag, zij het dat dit bedrag niet in zijn
geheel wordt betaald aan de ambtenaar of uitkeringsontvanger. Voor een deel
- namelijk voor zover bedragen moeten worden ingehouden - geschiedt
de betaling aan anderen, zoals aan de belastingdienst. De inhoudingen zullen
doorgaans ofwel rechtstreeks uit de wet voortvloeien, ofwel
berusten op een andere beschikking. Dit betekent dat de betalingsbeschikking
in ieder geval het brutobedrag moet vermelden. Dit neemt echter niet weg
dat wijziging van het nettobedrag een besluit kan inhouden. In
voorkomende gevallen dient dit bedrag te worden vermeld. Van het bestuursorgaan mag overigens worden verwacht dat het
toelicht welke
inhoudingen hebben plaatsgevonden. Het is vaste jurisprudentie dat aan elke betaling van
salaris of een uitkering een besluit tot zodanige betaling ten
grondslag ligt. Wanneer een (ander) geschrift van het bestuursorgaan waarin
de daartoe strekkende beslissing is neergelegd, ontbreekt, wordt een
dergelijke besluit zichtbaar in een salaris- of uitkeringsspecificatie.
De Centrale Raad van Beroep heeft overwogen dat indien bij een periodieke
betaling een wijziging ten opzichte van de vorige betaling optreedt, in
beginsel slechts sprake is van een besluit voor zover een beslissing is genomen
met betrekking tot de wijziging. Indien bij een gebruikelijke periodieke
betaling geen wijziging optreedt ten opzichte van de vorige betaling, is in
het algemeen geen sprake van een besluit. Dit laatste is alleen anders
indien en voor zover die niet-wijziging een weigering impliceert van een
besluit dat genomen had behoren te zijn (CRvB 1 maart 2001, NJB 2001,
blz. 1004; CRvB 24 mei 2002, AB 2002, 338).
Voorts ligt het voor de
hand in de beschikking te vermelden binnen welke termijn de betaling moet
geschieden. Onderdeel b voorziet daarin. In beginsel is deze termijn
blijkens artikel 4.4.1.3 [4:87] zes weken na bekendmaking. Uit datzelfde artikel
volgt evenwel dat bij of krachtens wettelijk voorschrift een andere termijn kan
worden bepaald. De betalingstermijn kan dus per geval
verschillen. Het is wenselijk om de betrokkene duidelijk te informeren over de
betalingstermijn die in dat concrete geval geldt. Wanneer de betalingstermijn niet is vermeld, kan dat reden zijn om een
termijnoverschrijding
verschoonbaar te achten. Voor zover dat laatste het geval is, is de
betrokkene niet in verzuim.
Niet is uitgesloten dat
de betalingstermijn na overleg met de schuldenaar wordt vastgesteld. Het
kan wenselijk zijn de schuldenaar de ruimte te geven een met redenen
omkleed voorstel voor een betalingsregeling te doen. Dat kan voorkomen
dat de schuldeiser nader onderzoek moet verrichten naar de
betalingsmogelijkheden die de betrokkene nog heeft, zoals het verrichten van
een inkomensonderzoek. Ook is het mogelijk eerst een (nadere)
betalingsregeling te treffen in de beschikking tot uitstel van betaling
(artikel 4.4.1.10 [4:94]).
Uiteraard kan het
bestuursorgaan in de beschikking tot betaling ook een datum vermelden
waarop uiterlijk betaald moet zijn. Bij het bepalen
daarvan dient rekening te
worden gehouden met de Algemene
termijnenwet, voor zover
deze althans niet is uitgezonderd, zoals in het belastingrecht voor bepaalde termijnen is gebeurd (artikel 9, tiende lid,
Invorderingswet
1990).
Toepasselijkheid van de Algemene termijnenwet houdt in dat een
betalingstermijn die op een zaterdag, zondag of een algemeen erkende feestdag
eindigt, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een
zaterdag, zondag of een algemeen erkende feestdag is.
rblz.|34|
Uit
de artikelen 3:46 en
3:47 vloeit reeds voort dat de burger moet weten waarom hij moet betalen
of geld ontvangt. De beschikking zal voor zover mogelijk het wettelijk
voorschrift moeten vermelden waarop de betalingsverplichting is gebaseerd. Indien de
verplichting gebaseerd is op een samenstel van bepalingen waarvan vermelding niet als zinvol mag
worden beschouwd, kan
volstaan worden met een globale aanduiding van de reden die aan de
betalingsverplichting ten grondslag ligt. Voorts volgt uit deze voorschriften dat niet kan worden volstaan met de enkele
vermelding van één of
meer wettelijke voorschriften indien de betrokkene alleen op grond van die
vermelding in redelijkheid niet geacht kan worden te weten waarom hij moet
betalen. In dat geval dient in aanvulling daarop ook de aard van de schuld
worden weergegeven.
De regeling schrijft niet
voor dat het bestuursorgaan ook de sanctie op niet-tijdige betaling in
de beschikking zou dienen te vermelden: het mag bekend worden
verondersteld dat men noch in het bestuursrecht, noch in het privaatrecht
straffeloos kan verzuimen tijdig te betalen. Voor het geval het tot meer ingrijpende
maatregelen komt, volgt wel uit de regeling van de aanmaning dat dan op
de
mogelijkheid van die maatregelen moet worden gewezen.
Een verplichting om te
vermelden op welke wijze de schuldenaar zijn schuld kan of zal
voldoen, is evenmin opgenomen. In de meeste gevallen zal dit geen enkel
probleem zijn. In de beschikking zal vaak standaard worden medegedeeld
op welk
bank- of gironummer betaling kan of zal plaatsvinden of wordt - indien het geldschulden aan de overheid betreft
- een acceptgiro
bijgesloten met behulp waarvan het bedrag kan worden overgemaakt.
Artikel 4.4.1.3
[4:87]
Eerste lid
Het eerste lid stelt als
hoofdregel de betalingstermijn voor schulden die op grond van een
beschikking betaald moeten worden op zes weken. Die termijn geldt zowel voor
schulden van als aan de overheid.
De lengte van de termijn
is daarmee gelijk aan die voor het instellen van bezwaar of beroep in
artikel 6:7. Ook het tijdstip van ingang van de termijn wordt in beginsel
op dezelfde wijze bepaald als bij de bezwaar- en beroepstermijn. In
aansluiting op artikel 6:8, eerste lid, wordt daartoe geregeld dat de
betalingstermijn gaat lopen nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is
bekendgemaakt.
Het voordeel van
eenzelfde termijn voor betaling en voor bezwaar en beroep is dat de regeling
voor de betrokkenen eenvoudiger is: men zal zich minder snel in de
termijn vergissen. Indien het gaat om een schuld die de burger moet
betalen, is voorts nog een voordeel dat het verrichten van de betaling en het
beslissen over de vraag of men bezwaar of beroep wil instellen binnen
dezelfde termijn moet geschieden.
Omdat bezwaar en beroep volgens de hoofdregel van artikel 6:16 geen schorsende werking
hebben, blijft ook bij instelling van bezwaar of beroep de verplichting tot
betaling bestaan. Het renteverlies dat voor de burger kan optreden wanneer hij
eerst betaalt en vervolgens na bezwaar of beroep in het gelijk wordt gesteld, moet het bestuursorgaan echter
vergoeden ingevolge
artikel 4.4.2.6 [4:90]. Indien de belanghebbende betaling in afwachting van de
beslissing over het bezwaar of het beroep toch bezwaarlijk vindt, kan
hij het bestuursorgaan om uitstel verzoeken. Eventueel kan de rechter de
beschikking schorsen.
De hoofdregel gaat ervan
uit dat de betalingstermijn gaat lopen op het moment van de
bekendmaking van de beschikking. Dat is echter niet altijd de bedoeling. Soms volgt
uit de wettelijke regeling dat er met ingang van een bepaalde datum een
aanspraak bestaat. Men denke aan leeftijdgebonden rblz.|35|
aanspraken van
burgers. Ook kan bij de verstrekking van een overbruggingskrediet of
een voorschot bepaald zijn dat terugbetaling eerst na een bepaalde
datum behoeft te geschieden. Het behoort in die gevallen mogelijk te zijn
om de beschikking die de betalingsverplichting vaststelt op een eerder
tijdstip te geven, bijvoorbeeld indien een leeftijdgebonden uitkering ruim tevoren
wordt aangevraagd. De betalingstermijn behoort dan echter op het
door de wet aangegeven tijdstip in te gaan. Om die reden opent artikel
4.4.1.3 [4:87], eerste lid, de mogelijkheid om in de beschikking te bepalen
dat de betalingstermijn op een later tijdstip ingaat. De betaling moet binnen
de gestelde termijn geschieden. Bij overschrijving op een bank- of girorekening betekent dit, overeenkomstig hetgeen
ook in het privaatrecht
geldt, dat tijdig is betaald indien het verschuldigde bedrag binnen de termijn
op de rekening van de schuldeiser is bijgeschreven. Indien niet tijdig is
betaald, treedt verzuim in met als gevolg dat de wettelijke rente
verschuldigd wordt, zoals geregeld in artikel
4.4.2.2 [4:98]. Is het bestuursorgaan
schuldeiser, dan zal het na het intreden van verzuim in beginsel een aanmaning
zenden en vervolgens verdere invorderingsmaatregelen kunnen treffen.
Tweede lid
Ingevolge het tweede lid
bestaat de mogelijkheid om in afwijking van de termijn van zes weken bij
wettelijk voorschrift een andere regeling te treffen. Daartoe kan
aanleiding bestaan indien de termijn van zes weken als te kort moet worden
beschouwd. Denkbaar is ook dat de termijn van zes weken te lang is, al
zal voor een verkorting meestal minder reden bestaan dan voor een
verlenging. Onder omstandigheden kan een schuld zelfs direct invorderbaar
worden verklaard, dat wil zeggen zonder betalingstermijn (vgl. artikel 10
Invorderingswet
1990). Soms is ook een betaling in termijnen aangewezen;
dit komt bijvoorbeeld in het belastingrecht veelvuldig voor.
Ook bij betaling door een
bestuursorgaan komen termijnregelingen voor, zoals in artikel 4:53
voor subsidies het geval is. Bij lonen en uitkeringen heeft de rechter -
bij
gebreke van een bepaling omtrent de betalingstermijn in de bijzondere wet
- aangenomen dat deze uiterlijk op de laatste dag van de desbetreffende
maand dienen te worden betaald (o.a. CRvB
9 januari 1996, JB 1996,
36). Bij betalingen aan een bestuursorgaan kan het bestuursorgaan door
het verlenen van uitstel van betaling voor gedeelten van het te
betalen bedrag ook een termijnregeling treffen. Gaat het om een algemeen
toegepaste gedragslijn, dan verdient het uit een oogpunt van
rechtszekerheid de voorkeur een dergelijke regeling in een wettelijk voorschrift
op te nemen.
Krachtens artikel 4.4.1.2
[4:86] zal de beschikking steeds moeten vermelden binnen welke termijn
betaald moet worden, dus zowel in de gevallen waarin de hoofdregel van
toepassing is als in de gevallen waarin die termijn afwijkt van de
hoofdregel (zes weken na bekendmaking).
Artikel 4.4.1.4
[4:88]
Eerste lid
Dit artikel geeft de
mogelijkheid om bij wettelijk voorschrift af te wijken van de regel dat een
verplichting tot betaling moet berusten op een beschikking. Voor een
aantal belangrijke geldschulden, met name voor geldschulden die met
grote regelmaat moeten worden betaald, ligt het voor de hand dat niet
iedere keer een beschikking moet worden gegeven. Dit komt met name voor
wanneer het gaat om schulden aan de overheid. Men denke aan belastingen
als de omzetbelasting of aan premies of belastingen die door werkgevers verschuldigd zijn. In veel van die
gevallen kan de hoogte
van het te betalen bedrag in eerste instantie beter rblz.|36|
door de schuldenaar dan
door het bestuursorgaan worden vastgesteld, en vindt de betaling ook
geautomatiseerd plaats.
Evenals bij betalingen
aan een bestuursorgaan kan het bij veel voorkomende of regelmatige betalingen
door een bestuursorgaan weinig doelmatig zijn om steeds een
beschikking in de daarvoor vereiste vorm te verlangen. Om die reden
is in een aantal wetten op het gebied van de sociale zekerheid een
specifieke regeling opgenomen om "vereenvoudigde" beschikkingen te
kunnen geven. Deze regeling ziet op beschikkingen die "min of meer
automatisch" worden gegeven en waarover in de praktijk zelden of nooit
problemen ontstaan. In de kern komt de vereenvoudiging erop neer dat de
beschikking ofwel niet behoeft te worden bekendgemaakt, ofwel op andere dan de
op in artikel 3:41 Awb voorgeschreven wijze kan worden
bekendgemaakt. In de praktijk betekent dit laatste veelal dat de bekendmaking
plaatsvindt door bijschrijving van het (gewijzigde) bedrag op een bank- of
girorekening van de betrokkene. Om duidelijkheid te verschaffen over de
wijze waarop beroep tegen een niet-bekendgemaakte beslissing moet worden
ingesteld, is in de desbetreffende wetten bepaald dat de betrokkene
alsnog binnen redelijke termijn om de bekendmaking van de beschikking kan
vragen, waarna op de gebruikelijke wijze bezwaar en beroep kan
worden ingesteld (zie o.m. artikel 22, derde en vierde lid,
Werkloosheidswet). Deze regelingen doen nogal gekunsteld aan. Het is eenvoudiger
en doorzichtiger om in deze gevallen te bepalen dat betaald kan worden
zonder dat een beschikking voorafgaat. Het hierna te bespreken derde lid
zorgt ervoor dat daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de bestaande
mogelijkheden tot rechtsbescherming.
Tweede lid
Het wettelijk voorschrift
dat tot directe betaling zonder voorafgaande beschikking verplicht, zal
uiteraard moeten vaststellen binnen welke termijn moet worden
betaald. Dat wordt dan ook in het tweede lid voorgeschreven. Zo zal de wet bij
aangifteregelingen vaak bepalen dat binnen een bepaald aantal weken
na aangifte betaling moet hebben plaatsgevonden. Een uniforme termijn valt
daarvoor niet te geven: dit is sterk afhankelijk van de
betrokken materie. In sommige andere wettelijke bepalingen wordt geen termijn vanaf
een bepaald tijdstip vermeld, maar wordt aangegeven dat vóór een
bepaald ogenblik moet worden betaald, bijvoorbeeld vóór 1
januari of vóór het eind van een bepaalde maand.
Derde lid
Het derde lid geeft een
speciale regel voor het geval betaling door een bestuursorgaan zonder voorafgaande beschikking mogelijk is gemaakt.
Een gevolg van het
achterwege laten van een beschikking is dat onzekerheid kan ontstaan over de
juistheid van de betaling, terwijl ook een besluit waartegen een eventuele
procedure zich zou kunnen richten, ontbreekt. Met het oog daarop wordt
in het derde lid bepaald dat de belanghebbende binnen redelijke termijn
kan vragen om een beschikking. Hij kan dit zowel doen indien hij een
betaling heeft ontvangen als indien hij die (nog) niet heeft ontvangen, wellicht omdat het bestuursorgaan meent dat het in
het geheel niets
verschuldigd is. Van het bestuursorgaan mag worden verlangd dat het deze
beschikking zo spoedig mogelijk afgeeft. De bezwaar- of
beroepstermijn gaat op de gebruikelijke wijze in nadat de beschikking op
de
voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Deze regeling is niet
nodig voor het geval de burger moet betalen: voor dergelijke gevallen
pleegt op andere wijze in de mogelijkheid tot rechtsbescherming te worden voorzien. Zo
opent artikel 24 van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen de mogelijkheid bezwaar te maken tegen het bedrag dat als belasting op
eigen aangifte is voldaan of afgedragen, of door bijvoorbeeld de
werkgever van hem is ingehouden. Voor gemeentelijke rblz.|37|
belastingen, zoals
leges, waarbij in sommige gevallen moet worden betaald op het moment dat
mondeling van de belastingschuld wordt kennisgegeven, biedt artikel 233a
Gemeentewet een voorziening.
Artikel 4.4.1.5
[4:89]
Eerste lid
Hoofdregel is dat de
schuldenaar giraal betaalt, bijvoorbeeld door storting of overschrijving
op een
bankrekening. Aan dergelijke betalingen zijn de minste kosten verbonden
en zij leveren het minste risico van misbruik op. Girale betalingen zijn
inmiddels volledig geaccepteerd. Het bestuursrecht gaat daarom uit van
girale betaling. In het BW
is chartale betaling nog wel het uitgangspunt, doch is
de debiteur ingevolge artikel 6:114, eerste lid, in beginsel tot girale
betaling bevoegd. De schuldeiser kan de schuldenaar tot girale betaling
verplichten door zijn bankinstelling als plaats van betaling aan te wijzen.
Betaling
dient te geschieden op een daartoe bestemde rekening ten name van de
schuldeiser. De geldschuld is daarmee, net als in het BW
(artikel 6:116,
eerste lid) een brengschuld. Van het bestuursorgaan mag worden verlangd dat
het duidelijk maakt, bijvoorbeeld in de beschikking waarbij de verplichting tot betaling wordt vastgesteld, op
welk rekeningnummer de
betaling dient te geschieden, omdat soms nogal wat verschillende
bestuursorganen tot eenzelfde rechtspersoon behoren. Om die reden spreekt het
eerste lid van een "daartoe door de schuldeiser bestemde" rekening.
Bij wettelijk voorschrift
kan anders worden bepaald. Dit is bijvoorbeeld voor betalingen tussen bestuursorganen onderling gebeurd in het
Koninklijk besluit van
28 maart 1925, Stb. 1925,
125 ("Rijksverrekening"), op grond waarvan in opdracht van het Rijk op
naam van elke gemeente bankrekeningen zijn geopend. Aangezien deze
rekeningen in opdracht van het Rijk zijn geopend, berust de zeggenschap
daarover, hoewel zij op naam van een gemeente staan,
formeel bij het Rijk. Dit betekent dat het Rijk voor het crediteren en debiteren
van deze rekeningen geen machtiging van de gemeente behoeft. Het is
gezien het omvangrijke betalingsverkeer tussen Rijk en gemeenten om
doelmatigheidsredenen niet gewenst dat het de gemeenten en provincies
vrij zou staan voor deze betalingen een andere bankrekening te bestemmen.
Tweede lid
In het tweede lid is als
hoofdregel bepaald dat betalingen plaatsvinden in euro's. Aangezien
geldschulden brengschulden zijn, is deze regel in het bijzonder van belang
indien de wederpartij van het bestuursorgaan is gevestigd in een land
waar de euro geen wettig betaalmiddel is. De ratio van deze regel is dat in
het bestuursrechtelijk betalingsverkeer de plaats van vestiging in beginsel
tot de risicosfeer van de wederpartij van het bestuursorgaan behoort. Op
deze hoofdregel kan een uitzondering worden gemaakt. Het
bestuursorgaan is hiertoe ook bevoegd indien deze uitzondering geen
grondslag heeft in een wettelijk voorschrift. Aan een uitzondering kan
bijvoorbeeld behoefte bestaan in het geval dat het ook voor het bestuursorgaan
aantrekkelijker is de betaling in lokale valuta te voldoen. In de internationale betalingspraktijk is betaling in andere valuta
in bepaalde gevallen
goedkoper, in het bijzonder indien het om meer omvangrijke of
kwantitatief veel voorkomende betalingen gaat. Voorts is het wenselijk een
uitzondering op deze regel te kunnen maken voor betalingen aan een Nederlands
bestuursorgaan dat (mede) buiten Europa is gevestigd (bijvoorbeeld op
ambassades of consulaten).
rblz.|38|
Derde lid
Het derde lid bepaalt,
overeenkomstig artikel 6:114, tweede lid, BW, dat bij bijschrijving op
de
rekening als tijdstip van betaling geldt het moment waarop de rekening van de
schuldeiser wordt gecrediteerd. Eerst dan kan de schuldeiser of de
ingevolgde het vierde lid bij wettelijk voorschrift aangewezen andere persoon
immers over het geld beschikken.
Vierde lid
Sommige wettelijke
regelingen kennen de mogelijkheid dat aan een ander dan de schuldeiser wordt
uitbetaald, zoals bijvoorbeeld het geval is in de artikelen 75 en
76 van de
Algemene bijstandswet. Het vierde lid voorziet hierin. Het vierde lid
derogeert niet aan de bepalingen over volmacht van titel 3.3 BW. Op
grond van
de schakelbepaling van artikel 3:79 BW
gelden deze bepalingen ook in
bestuursrechtelijke verhoudingen. Het is dus bijvoorbeeld mogelijk dat
in de executiefase - rechtsgeldig -
wordt betaald aan een
deurwaarder die door de schuldeiser gemachtigd is de betaling in ontvangst te
nemen.
Artikel 4.4.1.6
[4:90]
Eerste lid
In sommige situaties is
girale betaling bezwaarlijk en daarom minder geschikt. Deze bepaling
maakt in zulke gevallen mogelijk dat het bestuursorgaan, in afwijking van de
hoofdregel, betaling in een andere vorm verricht dan wel
ontvangt. Het bestuursorgaan beoordeelt of de girale betaling bezwaarlijk is.
Betaling kan dan bijvoorbeeld geschieden met contant geld, door middel
van een cheque of met een chippas (zoals bij parkeergeld).
Overeenkomstig het bepaalde in artikel
4.4.1.5 [4:89], tweede lid, vindt betaling
in
beginsel plaats in euro's.
Bij betalingen door de
overheid kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de uitbetaling in contant
geld van bijstand aan personen zonder vaste woon- of verblijfplaats. In het
algemeen zal betaling door middel van contant geld voor de overheid al
gauw bezwaarlijk zijn, gelet op de rentederving als gevolg van het aanhouden van contant geld en vanwege de risico’s
van verlies en diefstal
die de fysieke bewaring, aanvulling en afstorting van contant geld met zich
brengen. In dat verband zij ook verwezen naar de voor de ministeries
geldende regeling in het Besluit Kasbeheer 1998. Bij betalingen aan de
overheid kan men denken aan situaties waarin de overheid, ter voorkoming
van invorderingsproblemen, terstond betaling verlangt, bijvoorbeeld
bij de voldoening van een boete. In dergelijke gevallen kan met girale
betaling - bijschrijving op de rekening van het desbetreffende
bestuursorgaan - al gauw een paar dagen gemoeid zijn, hetgeen vanzelfsprekend
bezwaarlijk kan zijn.
Tweede lid
Ingevolge het tweede lid
is de schuldeiser verplicht - behoudens anders luidend wettelijk
voorschrift - om bij contante betaling een kwitantie af te geven. Voor betalingen in
contant geld is aldus aangesloten bij artikel 6:48, eerste lid, BW.
Artikel 6:47, tweede lid, BW, dat de kosten daarvan bij de schuldenaar legt,
is
niet overgenomen. Veelal zal het bestuursorgaan de kwitantie afgeven.
Gezien het zeer geringe bedrag is het niet doelmatig dit in rekening te
brengen.
rblz.|39|
Artikel 4.4.1.7
[4:91]
Eerste lid
Het
eerste lid komt
overeen met artikel 6:47, eerste lid, BW. Hoofdregel is, overeenkomstig het
privaatrecht, dat de kosten van betaling voor rekening komen van de schuldenaar
(degene die de betaling verricht). Bij betalingen aan de overheid staat
deze regel er vanzelfsprekend niet aan in de weg dat het
bestuursorgaan de kosten van betaling voor zijn rekening neemt. Overigens zijn de
kosten van het binnenlands betalingsverkeer doorgaans gering of
nihil. Maar aan een grensoverschrijdende betaling zijn in het algemeen
hogere kosten verbonden. Het betreft onder meer porto- en bankkosten.
Tweede lid
Betalingen door en aan
Nederlandse bestuursorganen vinden hun grond doorgaans in binnen
Nederland gesitueerde rechtsverhoudingen. Indien de wederpartij van een
bestuursorgaan zich buiten Nederland vestigt, ligt het niet voor de hand dat
het bestuursorgaan daarvan de kosten moet dragen, aangezien in het
bestuursrechtelijke betalingsverkeer de plaats van vestiging in beginsel
in de risicosfeer van de wederpartij ligt. Dat zou het geval zijn indien de
regel van het eerste lid zou gelden. Daarom is in het tweede lid voor
betalingen die buiten de Europese Unie geschieden, bepaald dat de kosten op
de betaling in mindering kunnen worden gebracht. Aangezien
geldschulden brengschulden zijn, geldt voor betalingen vanuit het buitenland aan
bestuursorganen in Nederland het eerste lid: de kosten komen voor rekening van de schuldenaar. Degene die in het
buitenland aan de
consequenties van het tweede lid wil ontkomen, kan een rekening binnen
Nederland als betaaladres aanwijzen, zij het dat ook daaraan bepaalde kosten
kunnen zijn verbonden, met name om daarvan vanuit het buitenland
gebruik te kunnen maken. Om redenen van praktische aard - betalingen
binnen de Europese Unie zijn minder kostbaar - en Europeesrechtelijke aard
geldt het tweede lid uitsluitend voor betalingen buiten de Europese Unie.
Door de SER (Bestuurskamer) [SER: Sociaal-Economische
Raad, red.] is de vraag opgeworpen of een dergelijk
onderscheid tussen betalingen binnen en buiten de Europese Unie wel
geoorloofd is, in het bijzonder in het licht van de akkoorden van de Wereld
Handelsorganisatie (WTO). De WTO laat echter ruimte voor
uitzonderingen op haar principes wanneer een regio een vrij handelsverdrag heeft
gesloten, zoals in de Europese Unie.
Bij wettelijk voorschrift
kan een uitzondering op het tweede lid worden gemaakt. Onder een
wettelijk voorschrift zijn ook te verstaan de bepalingen van verdragen en
besluiten van volkenrechtelijke organisaties die naar hun inhoud een ieder
kunnen verbinden (vgl. artikel 93 van de
Grondwet). In dit verband
valt in het bijzonder te denken aan verdragen die erin voorzien dat de
betaling van uitkeringen plaatsvindt zonder dat daarvoor kosten in
rekening worden gebracht.
Artikel 4.4.1.8
[4:92]
Eerste lid
Indien de schuldenaar
eerst na het verstrijken van de reguliere betalingstermijn betaalt, kan het
verschuldigde bedrag inmiddels zijn opgelopen met eventuele aanmanings-
en invorderingskosten, alsmede wettelijke rente. In die situatie
kan vervolgens onduidelijkheid ontstaan als de schuldenaar het verschuldigde bedrag
niet volledig betaalt. Indien niet de volgorde vaststaat aan welke
posten de betaling achtereenvolgens moet rblz.|40|
worden toegerekend, kan
ook niet worden bepaald welk bestanddeel van de schuld al dan niet
volledig is voldaan.
Uit een oogpunt van
rechtszekerheid wordt daarom uitdrukkelijk in de wet bepaald welke volgorde
van toerekening geldt. Daarbij is aangesloten bij Boek
6 BW. Krachtens
artikel 6:44, eerste lid, BW
geldt dat betaling van een op een bepaalde
verbintenis toe te rekenen geldsom in de eerste plaats strekt in mindering van de kosten, vervolgens in mindering van de
verschenen rente en ten
slotte in mindering van de hoofdsom en de lopende rente. Onder
verschenen rente wordt de reeds vervallen, opeisbare rente verstaan. Onder
lopende rente wordt verstaan de sinds de vorige vervaldatum van de
rente weer ontstane en geleidelijk aangegroeide, maar nog niet opeisbare
rente. Door deze volgorde in artikel 4.4.1.8
[4:92] over te nemen,
geldt zij ook voor de bestuursrechtelijke geldschulden die onder de reikwijdte
van het wetsvoorstel vallen.
In de praktijk betekent
dit dat betaling allereerst strekt tot betaling van de mogelijk berekende
aanmanings- en/of executiekosten. Daaronder vallen bij schulden aan de
overheid de aanmaningsvergoeding en de kosten van het dwangbevel die op
grond van de artikelen 4.4.4.1.2
[4:113] en 4.4.4.2.7 [4:120] in rekening kunnen worden
gebracht, alsmede de executiekosten. Vervolgens wordt de verschuldigde
wettelijke rente van artikel 4.4.2.2
[4:98] in mindering gebracht
voor zover deze
opeisbaar is. Indien bovengenoemde posten zijn voldaan, wordt ten slotte het resterende bedrag dat is betaald afgetrokken van de verschuldigde
hoofdsom en daarna van de nog niet opeisbare rente.
In artikel 13 van het
Besluit Tica inzake betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en
onverschuldigd betaalde uitkering is een afwijkende regeling van toerekening
van betalingen neergelegd. Daarbij wordt een betaling in eerste
instantie toegerekend aan een verschuldigde boete, tenzij de schuldenaar een
andere vordering aanwijst. Het opleggen van een boete gaat in de
sociale zekerheid veelal gepaard met de terugvordering van te veel of ten
onrechte betaalde uitkering. Omdat de terugvordering als zodanig niet kan
worden beschouwd als een sanctie, wordt het wenselijk geacht de sanctie van de boete zo snel mogelijk te effectueren
om het gedrag van de
schuldenaar te bestraffen. Om die reden dient de boete in de socialezekerheidswetten in tegenstelling tot andere vorderingen reeds in één jaar te
worden voldaan en wordt een betaling ter voldoening van een
geldschuld in eerste instantie aan de verschuldigde boete toegerekend. De
achtergrond van deze regeling geldt specifiek de sociale zekerheid en kan
niet ten grondslag worden gelegd aan de algemene regeling die artikel
4.4.1.8 [4:92] beoogd te zijn.
Het belastingrecht kent
in artikel 7 Invorderingswet
1990 een meer gedetailleerde regeling voor de
toerekening van betalingen. Deze zal in aanvulling op artikel 4.4.1.8
[4:92] voor
het belastingrecht worden gehandhaafd, omdat zij daar in een behoefte
voorziet. Voor het overige bestuursrecht volstaat de regeling van artikel
4.4.1.8 [4:92].
Tweede lid
Ingevolge het tweede lid
kan de schuldenaar die verschillende geldschulden bij hetzelfde bestuursorgaan
heeft bij de betaling aangeven ter
voldoening van welke
geldschuld zijn betaling geschiedt. Op deze wijze kan hij voorkomen dat de
betaling wordt toegerekend aan een geldschuld die hij nog betwist. Dit
voorschrift is ontleend aan de hoofdregel die in artikel 6:43, eerste lid,
BW ten aanzien van de toerekening van privaatrechtelijke geldschulden is
neergelegd.
rblz.|41|
Artikel 4.4.1.9
[4:93]
Eerste lid
Door verrekening gaat de
geldschuld teniet. Ingevolge het BW
(artikel 6:127, tweede lid) heeft een schuldenaar de bevoegdheid tot verrekening
wanneer hij een prestatie
heeft te vorderen van dezelfde wederpartij en die prestatie beantwoordt
aan zijn schuld. Voorts is vereist dat de schuldenaar zowel bevoegd is de
schuld te betalen als de betaling van zijn vordering af te dwingen. Voor
verrekening is geen executoriale titel noodzakelijk.
In het eerste lid is
bepaald dat verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering
slechts geschiedt voor zover in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk
voorschrift is voorzien. Er zijn vele bestuursrechtelijke wettelijke voorschriften
die de bevoegdheid tot verrekening toekennen. Voorbeelden daarvan zijn
onder meer te vinden in artikel 24 Invorderingswet
1990 dat
de ontvanger de bevoegdheid verschaft rijksbelastingen en andere belastingen en
heffingen met elkaar te verrekenen en in artikel 7.4 Wet
studiefinanciering 2000 dat de bevoegdheid toekent te veel toegekende en
uitbetaalde studiefinanciering te verrekenen.
Voor de socialezekerheidswetgeving valt in het bijzonder ook te wijzen op de veel voorkomende
voorziening om een in dat kader opgelegde bestuurlijke boete ten uitvoer te
leggen door verrekening met de uitkering of het pensioen, men zie
bijvoorbeeld artikel 14f Algemene bijstandswet en
artikel 17i Algemene
Ouderdomswet. Voor de financiële verhouding tussen Rijk en gemeenten
valt te wijzen op het (niet op een wettelijke grondslag gebaseerde) Koninklijk
besluit van 28 maart 1925, Stb. 1925, 125, waarin is bepaald dat betalingen
van het Rijk aan de gemeenten en van de gemeenten aan het Rijk, voor
zover zij door de Minister van Financiën daartoe zijn aangewezen,
geschieden door vorderingen en schulden over en weer te vereffenen.
De publiekrechtelijke
taken die door verschillende bestuursorganen binnen één en hetzelfde
openbaar lichaam worden uitgeoefend, lopen in zodanige mate uiteen dat
het in algemene zin toestaan van verrekening van met die taken
samenhangende geldvorderingen - zonder daaraan nadere beperkingen te
stellen - in beginsel ongewenst is. Het is om die reden van belang dat
verrekening slechts kan plaatsvinden indien daarvoor in bijzondere wetgeving
een voorziening is getroffen. In het algemeen deel van dit hoofdstuk
van deze toelichting is reeds uiteengezet dat de regels inzake
verrekening uit het BW
daarom minder geschikt zijn om in publiekrechtelijke
verhoudingen te worden toegepast. Derhalve wordt hier afstand genomen van
de jurisprudentie van de Hoge Raad waarin de regels inzake verrekening
uit het BW in beginsel ook op bestuursrechtelijke geldschulden van
toepassing worden geacht (HR 28 mei 1993, NJ 1994, 435).
Tweede lid
Het tweede lid heeft
betrekking op de terugwerkende kracht. Voor de terugwerkende kracht van
de verrekening wordt aangesloten bij het privaatrecht. De
verrekening werkt terug tot het tijdstip waarop de bevoegdheid tot
verrekening is ontstaan. Is over een vordering reeds opeisbare rente betaald,
dan werkt de verrekening niet verder terug dan tot het einde van de
laatste termijn waarover rente is voldaan.
Derde lid
Het derde lid heeft
betrekking op de verrekeningsvrije voet. Evenals in het privaatrecht geldt dat
verrekening niet is toegestaan voor zover beslag op de vordering van de
wederpartij niet geldig zou zijn. De beslagvrije voet is rblz.|42|
dus niet vatbaar voor
verrekening. Volledigheidshalve zij erop gewezen dat ingevolge artikel
4.4.3.5 [4:108] juncto 4.4.3.6
[4:109] de bevoegdheid tot verrekening van de schuldeiser van het
bestuursorgaan niet eindigt door verjaring van de rechtsvordering, tenzij
de schuldeiser van het bestuursorgaan zelf een bestuursorgaan is.
Artikel 4.4.1.10
[4:94]
Eerste en
tweede lid
In de praktijk kunnen
zich situaties voordoen waarin de schuldenaar van een bestuursorgaan de verschuldigde geldsom niet binnen de gestelde
termijn kan voldoen en
betaling van hem ook in redelijkheid niet kan worden gevergd. In
dergelijke situaties biedt het onderhavige artikel de mogelijkheid voor het
bestuursorgaan om bij beschikking uitstel van betaling te verlenen. De
betekenis daarvan is dat de schuldenaar wordt toegestaan de
verschuldigde geldsom later dan de in de wet gestelde termijn te betalen, zodat
maatregelen om hem overeenkomstig afdeling 4.4.4 tot betaling aan te manen of te dwingen niet kunnen worden
getroffen ofwel - indien de dwanginvordering reeds is aangevangen - worden opgeschort. Dit is
in het tweede lid tot uitdrukking gebracht.
Opmerking verdient dat de
bevoegdheid tot verrekening in het tweede lid niet is genoemd en
derhalve (voor zover zij aanwezig is) blijft bestaan. Dit ligt ook voor de hand
omdat er tegenover de schuld aan het bestuursorgaan dan tevens een vordering
op datzelfde bestuursorgaan bestaat. Ook kan het bestuursorgaan gedurende het uitstel natuurlijk wel vrijwillige
(deel)betalingen in
ontvangst nemen. Slechts de aanmaning en de dwanginvordering zijn
uitgesloten. Het begrip "invorderen" heeft hier dus een beperktere betekenis
dan in de Invorderingswet
1990.
Om zeker te stellen dat
het bestuursorgaan geen uitstel aan zichzelf - als schuldenaar - verleent,
wordt in het eerste lid uitdrukkelijk bepaald dat het uitstel uitsluitend aan
de wederpartij van het bestuursorgaan kan worden verleend.
Uitstel van betaling
betekent overigens niet dat de wettelijke rente niet gaat lopen of niet
doorloopt. Over de termijn van uitstel blijft in beginsel wettelijke rente
verschuldigd, aangezien het verzuim is ingetreden. De schuldenaar is immers
overeenkomstig artikel 4.4.2.1
[4:97] in verzuim wanneer hij niet binnen de
reguliere termijn heeft betaald. Wanneer het desalniettemin niet de bedoeling is dat
de wettelijke rente gedurende het uitstel doorloopt, kan het
bestuursorgaan op grond van artikel 4.4.2.5
[4:101] in de beschikking anders bepalen.
Uitstel van betaling,
alsmede de weigering om desgevraagd uitstel te verlenen, zijn
beschikkingen waartegen bezwaar en beroep openstaan. Overigens zal het niet
altijd om een afzonderlijke beschikking gaan; ook bij de beschikking waarbij de
verplichting tot betaling wordt vastgesteld, kan een beslissing omtrent
uitstel zijn opgenomen.
De bepaling bevat geen
antwoord op de vraag wanneer uitstel van betaling moet worden verleend. De
omstandigheden die uitstel van betaling kunnen rechtvaardigen,
zijn zo divers dat regeling daarvan in de
Awb
niet mogelijk is. Niet
uitgesloten is bijvoorbeeld dat het bestuursorgaan uitstel van betaling verleent
om
de belanghebbende de gelegenheid te geven de periode van bezwaar en
beroep te kunnen overbruggen. Dit kan wenselijk zijn aangezien volgens de
hoofdregel van artikel 6:16 bezwaar en beroep geen schorsende werking
hebben.
Derde lid
In het derde lid is
bepaald dat de beschikking tot uitstel van betaling de termijn vermeldt waarvoor
het uitstel geldt. Het is van essentieel belang rblz.|43|
dat de schuldenaar die
uitstel heeft verkregen, weet wanneer de schuld dan wel moet worden
voldaan. De termijn kan wel afhankelijk worden gesteld van een toekomstige gebeurtenis. In het belastingrecht komt het
bijvoorbeeld nogal eens
voor dat de ontvanger uitstel verleent totdat de inspecteur op een
bezwaarschrift heeft beslist. Een dergelijke termijnstelling is niet bezwaarlijk, want
zij schept voor de schuldenaar voldoende duidelijkheid.
Vierde lid
Op grond van het vierde
lid kan het bestuursorgaan aan het uitstel van betaling voorschriften
verbinden. Met name in het geval waarin langdurig uitstel is verleend voor
grote bedragen is dit gewenst. De voorschriften kunnen behelzen dat de
schuld in verschillende termijnen wordt voldaan of dat zekerheid voor de
betaling moet worden gesteld. Het vierde lid biedt dus tevens de
mogelijkheid een betalingsregeling te treffen. Dit sluit echter niet uit dat reeds
in de beschikking waarin de betalingsplicht wordt vastgesteld een
betalingsregeling wordt getroffen.
Artikel 4.4.1.11
[4:95]
Eerste lid
Dit artikel geeft het
bestuursorgaan de mogelijkheid een voorschot te verlenen indien
redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een verplichting tot betaling zal worden
vastgesteld.
De mogelijkheid van
voorschotverlening komt op veel terreinen in de wetgeving voor. Bij een betalingsverplichting van de overheid kan bijvoorbeeld
worden gedacht aan de
bevoegdheid van burgemeester en wethouders om, indien de noodzaak
daartoe aannemelijk is, bij wijze van voorschot bijstand te verlenen in
de vorm van een renteloze geldlening. Anderzijds ontbreekt soms
de mogelijkheid om een voorschot te verlenen en wordt dit in de
praktijk wel als een gemis beschouwd (bijvoorbeeld bij artikel 49 WRO [Wet
op de Ruimtelijke Ordening, red.]). Door het
verlenen van een voorschot kan het bestuursorgaan de wettelijke rente, die
onderdeel uitmaakt van de schadeberekening, beperken (zie ook de
toelichting op artikel 4.4.2.2). In Vz ABRvS
18 november 1997, AB
1998, 60, oordeelde de Voorzitter van de Afdeling
bestuursrechtspraak zelfs dat het (zelfstandige) schadebesluit onrechtmatig was om de
enkele reden dat de regeling waarop het gebaseerd was geen mogelijkheid
kende om een voorschot te verlenen.
Het eerste lid stelt in
ieder geval de eis dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een betalingsverplichting zal worden vastgesteld. Daarnaast
is het denkbaar dat een
bestuursorgaan ten aanzien van het verlenen van voorschotten
een terughoudend beleid voert. Zo kan worden verlangd dat aannemelijk
wordt gemaakt dat het gevraagde voorschot voor de aanvrager op korte
termijn noodzakelijk is om onvermijdelijke uitgaven te kunnen doen,
waartoe hem anders de middelen ontbreken en waarvoor niet langs een
andere weg een oplossing kan worden gevonden.
Blijkens het slot van het
eerste lid kunnen bij wettelijk voorschrift aanvullende eisen aan de verlening
van een voorschot worden gesteld of kan voorschotverlening zelfs
worden uitgesloten. Deze bepaling biedt de ruimte om bij wettelijk
voorschrift de beleidsvrijheid van het bestuursorgaan om een voorschot te
verlenen te verkleinen of om onder omstandigheden een verplichting tot
verlening van een voorschot in het leven te roepen. Artikel 31
Werkloosheidswet bijvoorbeeld schrijft voor dat het bestuursorgaan een voorschot betaalt indien uitsluitend onzekerheid
bestaat omtrent de hoogte
van de uitkering, de hoogte van het van die uitkering aan de
werknemer te betalen bedrag of omtrent het nakomen van bepaalde verplichtingen.
rblz.|44|
Tweede lid
Het tweede lid is
ontleend aan het huidige artikel 4:54, tweede lid. Daar is bepaald dat in een
beschikking tot verlening van een voorschot op een subsidie niet altijd een
nominaal bedrag behoeft te worden vermeld, maar desgewenst kan worden
volstaan met het aangeven van de wijze waarop het voorschotbedrag zal
worden bepaald. Bij subsidies komt het bijvoorbeeld voor dat bij wijze van
voorschot maandelijks een percentage van het maximale
subsidiebedrag wordt verleend of dat het bedrag van de voorschotten afhankelijk
wordt gesteld van de door de ontvanger nader aan te geven
liquiditeitsbehoefte. Nu een algemene regeling inzake bevoorschotting wordt
getroffen, is het nuttig deze mogelijkheid ook voor andere betalingen dan
subsidies te bieden.
Derde lid
Het derde lid is ontleend
aan het huidige artikel 4:55, tweede lid. Dat maakt het mogelijk om in
de individuele voorschotbeschikking afwijkende betalingstermijnen te
stellen. Aan die flexibiliteit bestaat bij voorschotten behoefte, ook bij andere
betalingen dan subsidies. Enerzijds kan behoefte bestaan aan een korte
betalingstermijn, omdat de ontvanger snel liquide middelen nodig heeft.
Anderzijds kan het wenselijk zijn om bijvoorbeeld in één beschikking te
bepalen dat een voorschot op een subsidie in twaalf maandelijkse termijnen
wordt uitbetaald. Dit impliceert dat er dan ook twaalf betalingtermijnen
van verschillende lengte zijn. Aldus wordt voorkomen dat iedere maand een
nieuwe appellabele voorschotbeschikking moet worden gegeven.
Vierde lid
De voorschotten worden
verrekend met de te betalen geldsom. Voorts bepaalt het vierde lid
dat te veel betaalde voorschotten kunnen worden teruggevorderd. De
terugbetaling dient - zoals in artikel 4.4.1.3
[4:87] tot uitdrukking is gebracht
- plaats te
vinden binnen zes weken nadat de terugvorderingsbeschikking
is bekendgemaakt, tenzij die beschikking een later tijdstip vermeld of
bij bijzonder wettelijk voorschrift een andere termijn is vastgesteld.
Vijfde lid
In het vijfde lid is
bepaald dat de terugvordering van te veel betaalde voorschotten kan
geschieden bij door het bestuursorgaan uit te vaardigen dwangbevel, op
de
tenuitvoerlegging waarvan afdeling 4.4.4 van toepassing is. De bevoegdheid een
terug te vorderen voorschot bij dwangbevel in te vorderen, bestaat alleen
voor zover deze bevoegdheid ook is toegekend
voor de terugvordering
van de geldsom ter voldoening waarvan het voorschot is verleend.
Zesde lid
Het bestuursorgaan kan
op grond van het zesde lid aan de beschikking tot voorschotverlening in
ieder geval voorschriften met betrekking tot het stellen van zekerheid
verbinden.
Artikel 4.4.1.12
[4:96]
Indien daartoe aanleiding
bestaat, kan het bestuursorgaan het uitstel tussentijds beëindigen.
Het bestuursorgaan kan op dezelfde gronden de beschikking tot
voorschotverlening intrekken of wijzigen. Gronden daarvoor zijn dat de
belanghebbende zich niet aan de aan het uitstel rblz.|45|
verbonden voorschriften houdt, de wederpartij onjuiste of onvolledige
gegevens heeft verstrekt
die hebben geleid tot een andere beschikking of een wijziging van de
omstandigheden die voortduring van het uitstel onaanvaardbaar maken.
Beëindiging van het uitstel doet de betalingsverplichting onverkort herleven en
vergt aldus een nieuwe beschikking. Pas na bekendmaking van
die beschikking kan de invorderingsprocedure worden gestart of worden
hervat. Ingeval een aan het uitstel verbonden voorschrift deels niet
wordt nagekomen - bijvoorbeeld door het niet tijdig voldoen van één
termijnbetaling - kan ervoor worden gekozen dit gedeelte na aanmaning in
te vorderen. Artikel 4.4.1.10
[4:94], tweede lid, staat daaraan niet in de weg,
aangezien het uitstel van betaling voor dat gedeelte is verstreken en
de schuldenaar derhalve ten aanzien daarvan in verzuim is. De
uitstelbeschikking behoeft daarvoor niet te worden ingetrokken.
Afdeling
4.4.2. Verzuim en
wettelijke rente
Deze afdeling heeft
betrekking op het verzuim dat intreedt indien niet binnen de voorgeschreven
betalingstermijn is betaald. Zij geeft regels voor het geval van
overschrijding van de termijn die ingevolge afdeling 4.4.1 is gesteld en die
in de betalingsbeschikking wordt vermeld. De voorgeschreven termijn bedraagt in de
regel zes weken, te rekenen vanaf de bekendmaking van de
betalingsbeschikking. Bij of krachtens wettelijk voorschrift kan een
andere betalingstermijn worden vastgesteld. De artikelen 4.4.2.4
[4:100] en 4.4.2.6 [4:102] bevatten een voorziening voor het geval de betalingsbeschikking niet
tijdig dan wel onjuist is vastgesteld.
Op wettelijke rente die
eventueel kan worden berekend over de periode voorafgaand aan de betalingsbeschikking
- rente over de periode die
loopt vanaf de
gebeurtenis waarop de betalingsbeschikking betrekking heeft tot aan het
tijdstip van de bekendmaking van de betalingsbeschikking - heeft deze regeling
geen betrekking. Die "voorafgaande" rente kan worden verdisconteerd in de betalingsbeschikking. Voorts
laat deze regeling onverlet
dat wanneer de betalingsbeschikking onjuist is vastgesteld, indien
daarvoor gronden zijn, nog verdere schadevergoeding mogelijk is.
Artikel 4.4.2.1
[4:97]
Deze bepaling regelt het
tijdstip waarop de schuldenaar geacht wordt in verzuim te zijn. Met het
begrip "verzuim" is aangesloten bij artikel 6:81 e.v. BW. De regeling is
vooral van belang voor het bepalen van het begin van de termijn waarover
wettelijke rente moet worden betaald, maar het verzuim heeft ook andere
gevolgen. Zo kan het bestuursorgaan eerst een aanmaning sturen wanneer
het verzuim is ingetreden.
Het verzuim ontstaat
wanneer de schuldenaar niet tijdig heeft betaald. Een dergelijk geval doet zich
voor wanneer op grond van een beschikking moet worden betaald en de
in artikel 4.4.1.3 [4:87], eerste lid, geregelde termijn van zes weken zonder
betaling is verstreken. Een dergelijk geval doet zich eveneens voor indien
op grond van een beschikking moet worden betaald en op de voet van artikel
4.4.1.3 [4:87], tweede lid, bij of krachtens wettelijk voorschrift een andere
termijn voor betaling is vastgesteld, welke zonder betaling is verstreken.
De regeling van het
verzuim sluit aan bij die in het privaatrecht, waar eveneens geldt dat
verzuim intreedt wanneer de betalingstermijn verstrijkt zonder dat de schuld is
voldaan. Een ingebrekestelling is daarvoor niet nodig: men zie artikel
6:83, aanhef en onder a, BW.
De regeling laat onverlet
dat een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad
terstond opeisbaar is, zoals geregeld is in artikel 6:83, aanhef en
onder
b, BW. De toepasselijkheid van
titel 4.4 op schadebesluiten brengt met zich dat ook
dit soort besluiten in ieder geval de te rblz.|46|
betalen geldsom en de
termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden, dient te vermelden. Het
bestuursorgaan is in verzuim indien het niet binnen de
voorgeschreven termijn heeft betaald. De ingangsdatum van de wettelijke rente
vangt op grond van het bepaalde in deze afdeling aan op het tijdstip dat het
bestuursorgaan met de betaling in verzuim is. De reikwijdte van deze
afdeling is beperkt tot de wettelijke rente die ontstaat door
overschrijding van de betalingstermijn. De regeling heeft geen betrekking
op de
omvang van de financiële aanspraak, die zelf ook een rentecomponent kan
bevatten. De regeling laat de vaststelling van de omvang van de schade
onverlet, met inbegrip van de eventueel daarbij behorende rentecomponent.
De regeling heeft alleen betrekking op het verzuim dat ontstaat
indien niet binnen de voorgeschreven termijn is betaald.
Artikel 4.4.2.2
[4:98]
Eerste lid
In dit artikel worden de
gevolgen van het intreden van verzuim geregeld, voor zover deze zijn gelegen in
de verplichting tot betaling van wettelijke rente.
Bepaald wordt dat het
verzuim in dat opzicht de gevolgen heeft als bedoeld in artikel 6:119,
eerste en tweede lid, en 6:120, eerste lid, BW. Aldus is voor de betaling
van wettelijke rente eveneens bij het privaatrecht aangesloten. In artikel
6:119, eerste lid, BW
is bepaald dat de schadevergoeding die verschuldigd is
wegens vertraging in de voldoening van een geldsom bestaat in
de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar daarvan in
verzuim is geweest. De wettelijke rente begint te lopen op het tijdstip
dat
de schuldenaar met de betaling in verzuim is. Ingevolge het tweede lid
van artikel 6:119 BW
wordt het bedrag waarover de wettelijke rente wordt
berekend steeds na afloop van één jaar verhoogd met het bedrag dat
bestaat uit de over dat jaar verschuldigde rente (berekening van rente
op rente). Op grond van artikel 6:120, eerste lid, BW
wordt de wettelijke rente
bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. De datum van ingang van
de wettelijke rente is in artikel 4.4.2.1
[4:97] geregeld. Wettelijke rente is
verschuldigd met ingang van de dag volgend op die waarop de betalingstermijn
- zes weken of een bij wettelijk voorschrift gestelde andere termijn - is verstreken. Uit
artikel 4.4.1.2
[4:86] vloeit voort dat onder de geldsom met de
betaling waarvan het bestuursorgaan in verzuim is en waarover
het dientengevolge wettelijke rente moet vergoeden een brutobedrag
wordt verstaan. Dit sluit aan bij de jurisprudentie van de Hoge Raad en de
CRvB
(o.m. HR 24 juni 1994, NJ 1994, 596; CRvB 8 november 1995, AB
1996, 191, JB 1995, 296). Op dit brutobedrag mag volgens de
jurisprudentie overigens in mindering worden gebracht de eventuele - andere
- uitkering die door hetzelfde of een ander uitvoeringsorgaan is verstrekt in plaats van de uitkering die de betrokkene
had behoren te genieten (CRvB 17 april 1997, RSV 1997, 218; HR 22 september 1995, NJ
1995, 56, JB 1995, 275). Wanneer een voorschot is ontvangen, zou hetzelfde
dienen te gelden. Het ontvangen van loon kan volgens de CRvB in dit
opzicht overigens niet op één lijn worden gesteld met het ontvangen van een
socialezekerheidsuitkering (CRvB 10 juli 1997, RSV 1997, 305). Bij deze
laatste uitspraak neemt de CRvB in aanmerking dat voor de aanspraak op
wettelijke rente niet vereist is dat het daadwerkelijk bestaan of de omvang van
de schade moet zijn bewezen.
Tweede lid
Het tweede lid bevat het
voorschrift dat beneden een bepaald bedrag - gekozen is voor €|20,-
- geen wettelijke rente is verschuldigd. Het voorschrift is ingegeven door de
praktische overweging dat het niet zinvol is rblz.|47|
om wettelijke rente in
rekening te brengen indien het slechts gaat om een gering bedrag. Daarenboven is het ondoelmatig om als het dergelijke
kleine bedragen betreft,
steeds een exacte berekening te moeten maken van het totaal
verschuldigde bedrag. In dergelijke gevallen werkt het doorberekenen van de wettelijke rente
onnodig complicerend. Voor veel burgers is €|20,- echter
een aanzienlijk bedrag. Om die reden geldt dat het bestuursorgaan als
schuldenaar geen wettelijke rente is verschuldigd beneden de €|10,-.
Uiteraard dwingt het voorschrift bestuursorganen er niet toe om vergoeding
van rente onder het drempelbedrag van €|10,- in alle gevallen achterwege
te laten.
Met de clausule "bij
enige of laatste betaling" wordt buiten twijfel gesteld dat in gevallen waarin
aflossing van de schuld in gedeelten plaatsvindt - terwijl de bijzondere wet
niet in betaling in termijnen voorziet - het drempelbedrag moet worden
toegepast op de rente die verschuldigd is op het moment waarop de
schuld in zijn geheel is voldaan. Voor een nadere toelichting op de wijze
waarop de wettelijke rente wordt berekend, zij verwezen naar de
toelichting op artikel 4.4.2.4
[4:100].
In paragraaf 4 "Verhouding tot het
gemeenschapsrecht" in het algemeen deel van de toelichting
van dit hoofdstuk is reeds aangegeven dat regels van gemeenschapsrecht
voorrang kunnen hebben op een in titel 4.4
Awb
gegeven regel. Dat kan
ook bij deze bepaling het geval zijn. Wanneer het gemeenschapsrecht de
verschuldigdheid van wettelijke rente voorschrijft, ook voor zover de rente
minder dan €|20,- respectievelijk €|10,- bedraagt, is dit bedrag verschuldigd.
Het gemeenschapsrecht heeft dan immers voorrang.
Derde lid
Het voorgestelde derde
lid opent de mogelijkheid om het bij de renteberekening te hanteren drempelbedragen bij algemene maatregel van
bestuur te wijzigen.
Daartoe kan aanleiding bestaan bij een algemene stijging van het
prijspeil.
Vierde lid
In het vierde lid is
artikel 6:125 BW
is van overeenkomstige toepassing verklaard. Dat artikel
kent de schuldeiser in geval van betalingsverzuim naast wettelijke rente
een recht op vergoeding van koerswijzigingsschade toe.
Koerswijzigingsschade kan zich in het bestuursrecht met name voordoen indien de schuldeiser
buiten de Europese Unie is gevestigd en de koers van de euro is
gedaald sedert het tijdstip waarop tijdig zou zijn betaald. In het
bestuursrecht geldt als hoofdregel dat ook internationale betalingen in
euro's
plaatsvinden (artikel 4.4.1.5 [4:89], tweede lid). Ook bij betaling in andere valuta kan
echter schade ontstaan doordat na het intreden van het verzuim de koers
zich heeft gewijzigd.
Artikel 4.4.2.3
[4:99]
De schuldenaar is
verplicht wettelijke rente te vergoeden over de tijd die hij met het betalen van
een geldsom in verzuim is. Op grond van deze bepaling stelt het
bestuursorgaan het bedrag van de verschuldigde wettelijke rente bij beschikking
vast. De beschikking bevat tevens de berekening van het bedrag. Het
bestuursorgaan moet een beschikking geven wanneer het zelf die rente moet
betalen; het mag dit doen wanneer de burger moet betalen. Het
bestuursorgaan is niet verplicht de aan hem te betalen rente in rekening te brengen.
Onder omstandigheden kan het wenselijk zijn geheel of gedeeltelijk af
te zien van het in rekening brengen van de verschuldigde rente.
Wanneer zowel de schuldeiser als de schuldenaar bestuursorgaan zijn,
stelt om die reden de crediteur het bedrag van de verschuldigde wettelijke
rente vast. De crediteur is immers degene die rblz.|48|
moet beslissen of al dan
niet wordt afgezien van het in rekening brengen van wettelijke rente.
In de praktische gang van
zaken bestaat overigens verschil tussen de vergoeding van wettelijke
rente aan of door een bestuursorgaan. Wanneer het bestuursorgaan zelf
rente moet vergoeden omdat het te laat betaalt, wordt het bedrag daarvan
bij beschikking vastgesteld alvorens tot betaling van de vertraagde geldsom
en de wettelijke rente wordt overgegaan. Wanneer het
bestuursorgaan wettelijke rente aan de burger in rekening brengt, wordt de hoogte
daarvan doorgaans achteraf - dat wil zeggen na ontvangst van een
(gedeeltelijke) betaling - bij beschikking vastgesteld, omdat op dat moment pas
duidelijk is hoe lang en met welk deel van de geldsom de burger in
verzuim is geweest. Deze gang van zaken vloeit voort uit artikel
4.4.1.8 [4:92], waar in navolging van het BW
is geregeld dat een betaling eerst wordt
afgeboekt van de invorderingskosten, daarna van de verschenen rente,
vervolgens van de hoofdsom en ten slotte van de lopende rente. Denkbaar
is uiteraard dat een burger alvorens tot voldoening van een schuld waarmee
hij in verzuim is over te gaan, bij het bestuursorgaan informeert
hoe hoog de wettelijke rente inmiddels is opgelopen. Het
bestuursorgaan kan daarop een informatieve mededeling doen. In andere gevallen
zal het bestuursorgaan de schuldenaar, tenzij deze onvindbaar is, op
gezette tijden eigener beweging informeren over het bedrag dat op dat
moment aan wettelijke rente verschuldigd is.
Artikel 4.4.2.4
[4:100]
Dit artikel bevat een
specifieke regel voor het bepalen van het moment waarop de wettelijke rente
gaat lopen indien het bestuursorgaan niet tijdig beslist over een
financiële aanspraak. De verplichting tot betaling ontstaat op grond van de
hoofdregel van artikel 4.4.1.2
[4:86] met het vaststellen van de beschikking. Teneinde te voorkomen dat degene aan wie een
bestuursorgaan moet betalen nadeel lijdt door een te late vaststelling van de beschikking door dat
bestuursorgaan, bepaalt dit artikel dat de wettelijke rente in dat geval eerder
ingaat. Die rente gaat lopen vanaf het tijdstip waarop het bestuursorgaan met de
betaling in verzuim zou zijn geweest indien de
beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn
vastgesteld en bekendgemaakt. In andere bewoordingen: wanneer aan de zijde van
het bestuursorgaan van een "beslisverzuim" sprake is, ontstaat de
verplichting om wettelijke rente te vergoeden niet later dan wanneer wel
tijdig besloten zou zijn. Wettelijke rente gaat in dit geval in nadat de beslis-
en betalingstermijn tezamen zijn verstreken.
Een voorbeeld kan één en
ander verduidelijken. Indien de beschikking uiterlijk op 1 maart
gegeven had moeten zijn, dan zal de termijn van zes weken voor de betaling
op 2 maart aanvangen. De laatste dag van de termijn zou dan 12 april
zijn, zodat het verzuim na die dag in zou gaan. Wordt de beschikking later dan
op 1 maart bekendgemaakt, dan blijft de
dag waarop het verzuim
intreedt toch dezelfde: het bestuursorgaan had tijdig moeten beschikken.
Het gevolg van de
bepaling is niet dat altijd wettelijke rente verschuldigd is: indien de beschikking
te laat tot stand komt, maar de betaling zodanig snel daarna volgt dat die
toch vóór 12 april is geschied, gaat de wettelijk rente niet lopen. Dat is
ook juist: als de beschikking tot stand was gekomen op de laatste dag
dat dit nog tijdig kon, had ook geen recht op wettelijke rente bestaan.
Maar is op 12 april nog niet betaald, dan is die rente wel verschuldigd,
zowel in het geval de beschikking er al wel is, maar nog niet door betaling is gevolgd, als in het geval de beschikking er
ook dan nog niet is.
Mocht het zo zijn dat de beschikking er weliswaar niet tijdig is, maar
intussen wel vóór 12 april een voorschot is betaald, dan is evenmin wettelijke
rente verschuldigd.
Indien niet bij wettelijk
voorschrift een termijn is gesteld voor het nemen van een besluit, wordt
aangesloten bij artikel 4:13, dat een redelijke
rblz.|49|
termijn vereist na
ontvangst van de aanvraag. De eventueel verschuldigde wettelijke rente begint
in dat geval te lopen vanaf het moment dat de uit artikel 4:13 voortvloeiende redelijke termijn voor het nemen van een
besluit en de
betalingstermijn (van in beginsel zes weken) tezamen zijn verstreken.
Voor alle duidelijkheid
wordt opgemerkt dat deze bepaling uitsluitend ziet op een te late
vaststelling van de beschikking tot betaling en niet op een vaststelling die in
eerste instantie tijdig is, maar naar later blijkt onjuist is. Hiervoor biedt
artikel 4.4.2.6 [4:102] een specifieke regeling.
Tot slot verdient
vermelding dat in de regeling in de Awb geen specifieke regel is geformuleerd die
ziet op het eventueel verschuldigd zijn van wettelijke rente indien
de burger niet tijdig een aanvraag om een beschikking tot het vaststellen van
een financiële aanspraak doet. Deze kwestie hangt zozeer samen met de
vraag of, en zo ja, in hoeverre het wettelijk voorschrift waarop deze
aanspraak is gebaseerd, voorziet in de mogelijkheid dat een financiële
aanspraak kan bestaan over de periode voorafgaand aan het indienen van een
aanvraag, dat deze vraag in het kader van de bijzondere wetgeving
dient te worden beantwoord en niet in het kader van de Awb. Zo is
bijvoorbeeld in artikel 35, tweede lid, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
de toekenning van een uitkering "met terugwerkende kracht" in beginsel beperkt tot
één jaar (vlg. CRvB 3 november 1998, RSV
1999, 20, inzake een met terugwerkende kracht toegekende AAW-uitkering,
waarin rentevergoeding wordt afgewezen). Voor zover rente wordt vergoed over de periode voorafgaand aan de
betalingsbeschikking,
maakt deze deel uit van de te betalen geldsom, hetgeen tot uitdrukking
komt in de betalingsbeschikking zelf.
Artikel 4.4.2.5
[4:101]
Dit artikel heeft
betrekking op de situatie waarin hetzij het bestuur uitstel van betaling heeft
verleend, hetzij de rechter de betalingsverplichting heeft geschorst.
Opschorting van de betalingsverplichting brengt evenwel niet vanzelfsprekend met
zich dat de schuldenaar over de periode waarvoor de opschorting geldt ook
geen wettelijke rente hoeft te betalen. Het feit dat niet binnen de
normaal geldende betalingstermijn wordt betaald, zal niet zelden worden
veroorzaakt door omstandigheden die binnen de risicosfeer van de
schuldenaar liggen. Het is om die reden goed denkbaar dat het bestuursorgaan
slechts uitstel wil verlenen indien de daardoor ontstane
vertragingsschade voor rekening van de schuldenaar komt. Om dezelfde reden kan er
niet zonder meer van worden uitgegaan dat de rechter bij schorsing van
een betalingsverplichting voor dezelfde periode ook de verplichting tot
betaling van wettelijke rente niet heeft willen laten gelden.
In dit artikel is
derhalve als hoofdregel geformuleerd dat de schuldenaar over de periode waarin de
betalingsverplichting door het bestuur of de rechter is opgeschort
wettelijke rente is verschuldigd. Dat laat onverlet dat zich bijzondere
omstandigheden kunnen voordoen waarin het redelijk is om te bepalen dat over
de periode waarvoor het uitstel geldt, in afwijking van de hoofdregel geen
wettelijke rente is verschuldigd. Het artikel laat dan ook de ruimte om
bij het uitstel of de schorsing zulks expliciet te bepalen.
Denkbaar is dat het
bestuursorgaan bij het verlenen van uitstel nader specificeert over welke
periode geen wettelijke rente is verschuldigd. De termijn waarvoor de
betalingsverplichting is opgeschort, behoeft niet automatisch dezelfde te
zijn als de periode waarover geen wettelijke rente behoeft te worden betaald. Indien uitstel van betaling is verleend voor de
periode hangende bezwaar
en beroep, kan het bestuursorgaan - in verband met de lange
periode die in totaal met bezwaar en beroep kan zijn gemoeid - bepalen
dat de periode waarover geen wettelijke rente is rblz.|50|
verschuldigd zich
uitstrekt over een kortere termijn. Voor het geval het bezwaar of beroep
gegrond
blijkt, treft het volgende artikel een regeling.
Artikel 4.4.2.6
[4:102]
Eerste lid
Dit
artikel bevat
specifieke regels inzake de betaling van wettelijke rente indien komt vast te staan
dat een verplichting tot betaling aan of door een bestuursorgaan door het
bestuursorgaan onjuist is vastgesteld. Doorgaans zal dit na het instellen
van bezwaar of beroep blijken. Het bestuursorgaan kan echter ook ambtshalve
tot correctie overgaan. Hierbij kunnen zich de volgende
situaties voordoen.
In de eerste plaats kan
het zo zijn dat de burger bezwaar heeft gemaakt en eventueel later
beroep heeft ingesteld tegen een jegens hem bij beschikking opgelegde
betalingsverplichting, maar niettemin hangende het bezwaar of beroep
heeft
betaald. Bezwaar en beroep hebben immers in beginsel geen schorsende
werking. In dat geval kan achteraf blijken dat de burger ten onrechte dan
wel te veel heeft betaald doordat hij in de bezwaar- of
beroepsprocedure alsnog in het gelijk wordt gesteld. Dan blijkt achteraf dat de
burger ten onrechte renteverlies heeft geleden, terwijl het bestuur ten
onrechte over het geld heeft kunnen beschikken. Om dit te compenseren,
bepaalt het eerste lid dat het bestuursorgaan de wettelijke rente moet
betalen over het te veel betaalde bedrag gerekend vanaf het tijdstip dat de
burger heeft betaald tot aan het tijdstip van terugbetaling.
Tweede lid
Het tweede lid heeft
betrekking op het geval dat een beschikking tot betaling door een bestuursorgaan
te laat komt doordat aanvankelijk was beslist dat de burger
geen aanspraak op betaling had, maar daarin als gevolg van bezwaar of
beroep verandering is gekomen.
Deze bepaling is zowel
van toepassing op de geheel afwijzende betalingsbeschikking als op de beschikking tot
betaling die wordt vervangen door een beschikking tot
betaling van een hoger bedrag. Voor die gevallen behoort het
bestuursorgaan de wettelijke rente over dezelfde termijn te betalen als in
artikel
4.4.2.4 [4:100] is bepaald voor het "gewoon" te laat beschikken. De
belanghebbende mag immers rekenen op een tijdige beschikking, en het maakt
daarbij geen verschil of een vertraging is veroorzaakt doordat het
bestuur in het geheel geen beschikking tot stand heeft gebracht, dan wel
doordat het eerst een verkeerde beschikking heeft gegeven.
Wanneer een onjuiste
beschikking na bezwaar of beroep wordt vervangen door een nieuwe
beschikking, dient het bestuursorgaan over een eventuele nabetaling wettelijke
rente te vergoeden vanaf het moment waarop beslis- en
betalingstermijn tezamen zijn verstreken. In reacties op het voorontwerp
is de vraag
gesteld of dit niet een breuk betekent met de huidige jurisprudentie,
waarin ter zake van onrechtmatige besluiten de wettelijke rente wordt
berekend vanaf de datum van het onjuist gebleken besluit. Voor zover het
onderliggende besluit een schadeveroorzakend besluit is, zij eraan
herinnerd dat de hier voorgestelde regeling de vaststelling van de omvang van de
schade, met inbegrip van de eventueel daarover te betalen
rente, onverlet laat. Van de jurisprudentie wordt hier dus geen afstand genomen.
Derde en
vierde lid
Het vierde lid ziet
op de
situatie dat het bestuursorgaan, nadat een besluit waarbij een betalingsverplichting is vastgesteld formele rechtskracht heeft
rblz.|51|
gekregen, met
terugwerkende kracht deze betalingsverplichting in het voordeel van de burger
wijzigt of intrekt. Ook zulke ambtshalve correcties kunnen leiden tot een
teruggaaf van het door de burger te veel betaalde bedrag of door een
nabetaling aan de burger. Op grond van het vierde lid moet het bestuursorgaan
ook in die gevallen in beginsel wettelijke rente vergoeden. De termijn
waarover die rente verschuldigd is, moet met behulp van het eerste en
tweede lid van dit artikel worden bepaald. Wettelijke rente is
volgens het derde lid echter niet verschuldigd voor zover het wijzigen van de
betalingsverplichting wordt veroorzaakt door het feit dat de burger
onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, dan wel aan hem is toe te
rekenen dat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, waardoor
de beschikking waarbij de betalingsverplichting is vastgesteld onjuist was.
Het risico van een onjuiste aanvraag of van onjuiste
gegevensverschaffing is daarmee voor rekening van de belanghebbende.
In het voorontwerp was dit
slechts bepaald voor de situatie, bedoeld in het vierde lid. In
commentaren op het voorontwerp is echter opgewezen dat het ook kan voorkomen
dat een betalingsbeschikking in bezwaar of beroep moet worden
gecorrigeerd omdat de belanghebbende pas in de bezwaar- of beroepsfase
gegevens aandraagt die hij in een eerder stadium had kunnen en moeten
verstrekken. Met diverse commentaren op het voorontwerp menen wij dat
het redelijker is te bepalen dat het bestuursorgaan ook in die gevallen geen
wettelijke rente is verschuldigd.
Daarbij zij aangetekend
dat dit de verschuldigdheid van wettelijke rente bij niet tijdig beslissen
(artikel 4.4.2.4 [4:100]) onverlet laat. Als een burger pas in zijn bezwaarschrift de
gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij recht heeft op een betaling die hem
bij het primaire besluit was geweigerd, is het bestuursorgaan geen wettelijke rente verschuldigd indien het tijdig
op het
bezwaarschrift beslist.
Maar als het bestuursorgaan te laat op het bezwaarschrift beslist,
is het wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag waarop het in verzuim zou
zijn geweest als op de laatste dag van de termijn op het
bezwaarschrift zou zijn beslist.
Voor het verschuldigd
zijn van wettelijke rente op grond van deze bepaling is in beginsel niet van
belang of de onjuiste beschikking een primair besluit dan wel een
beslissing op bezwaarschrift betreft. In beide gevallen heeft het bestreden
besluit als gevolg van het daartegen ingestelde bezwaar of beroep geen formele rechtskracht gekregen en staat tegenover
het door het
bestuursorgaan genoten rentevoordeel een renteverlies van de burger. Ook wanneer
een bezwaar- of beroepschrift wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan
geheel of gedeeltelijk aan de indiener is tegemoetgekomen, is het
bestuursorgaan op grond van dit artikel vanzelfsprekend gehouden om over een
teruggaaf of nabetaling rente te vergoeden.
Ten slotte kan de vraag rijzen in hoeverre naast de hier geregelde wettelijke rente nog verdere
schadevergoeding mogelijk is indien de betalingsbeschikking onjuist is vastgesteld.
Onderhavig artikel laat onverlet dat, indien daarvoor gronden
zijn, nog vergoeding van andere schade mogelijk is. Volgens de Hoge Raad
valt vergoeding van belastingschade - als gevolg van nabetaling van
lonen of uitkeringen in de vorm van een bedrag ineens - buiten
de regeling van artikel 6:119 BW
(HR 8 december 1995, NJ 1997, 163; idem
CRvB
28 juni 2002, AB 2003, 9, JB 2002, 232). Het is de cumulatie en niet
uitsluitend de vertraging in de betaling die de belastingschade
veroorzaakt. Belastingschade als hier bedoeld komt derhalve voor
afzonderlijke vergoeding in aanmerking. Voorts is niet uitgesloten dat wegens
nabetaling van een geldsom nog andere schadeposten voor vergoeding in
aanmerking komen. Te denken valt onder meer aan misgelopen
huursubsidie of een niet-ontvangen studietoelage (vgl. ook CRvB 3 november 1998,
RSV 1999, 20).
rblz.|52|
Artikel 4.4.2.7
[4:103]
Artikel 4.4.2.7
[4:103] bepaalt
dat "bij de wet" - dat wil zeggen: de wet in formele zin - een andere
regeling met betrekking tot verzuim en de daaraan te verbinden gevolgen kan
worden getroffen. De bepaling is opgenomen om de verhouding tot de
bijzondere wetgeving te verduidelijken. De gekozen formulering geeft aan dat
uitzonderingen op de regeling omtrent verzuim en wettelijke rente
mogelijk zijn, maar sluit tegelijkertijd uit dat deze uitzonderingen door een
lagere wetgever worden gemaakt. Bij het opstellen van de regeling
van afdeling 4.4.2 is onder ogen gezien dat op verschillende terreinen
bij wet andere regelingen zijn getroffen, die zozeer met de eigen aard van die
bijzondere wetgeving samenhangen dat het niet goed mogelijk is de
regeling in de Awb
daarop zonder meer toe te passen. In paragraaf 2
van het algemeen deel van dit hoofdstuk van deze toelichting is reeds
gewezen op de aparte regeling in het belastingrecht. Deze gecombineerde
regeling inzake heffings- en invorderingsrente sluit aan bij de systematiek
van de belastingheffing waarin niet, zoals in artikel 4.4.2.4
[4:100] en 4.4.2.6 [4:102] van
deze regeling, met (uiterste) beslistermijnen wordt gewerkt, maar met
tijdvakken waarover belasting wordt geheven. Dit hangt samen met het feit
dat de belastingschuld rechtstreeks uit de wet ontstaat.
Andere verschillen
betreffen onder andere het in het belastingrecht gehanteerde
rentepercentage (voor het merendeel van de heffingen geldt niet de wettelijke rente,
maar een lager percentage) en de berekening van rente (enkelvoudig, dat
wil zeggen geen rente op rente). Daarnaast kan in sommige gevallen een
bestuurlijke boete worden opgelegd bij niet-tijdige betaling van belastingen
welke op aangifte of afdracht moet worden voldaan (artikel 67c
Algemene
wet inzake rijksbelastingen).
Ook
op andere terreinen
komt het voor dat financiële sancties worden opgelegd bij niet-tijdige
betaling, al dan niet in combinatie met verschuldigdheid van rente. Zo kent
bijvoorbeeld de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften als
sanctie op het niet tijdig betalen van een opgelegde boete de verschuldigdheid van een verhoging van rechtswege
(en geen wettelijke
rente). In het secundaire gemeenschapsrecht komen soortgelijke bepalingen
ook voor. Afdeling 4.4.2 is derhalve in deze gevallen niet van
toepassing. Bij de aanpassingswetgeving die nodig is in verband met dit
wetsvoorstel zal de afstemming van de bijzondere wetgeving op afdeling 4.4.2 in het
bijzonder aandacht verdienen.
Afdeling 4.4.3. Verjaring
1. Inleiding
Het is gewenst dat er een
algemene wettelijke regeling komt voor verjaring van vorderingen aan of
door een bestuursorgaan. Thans bestaat een dergelijke regeling
slechts voor enkele deelgebieden van het bestuursrecht, zoals het belastingrecht
(artikel 27 Invorderingswet
1990). Mede doordat in literatuur
(zie o.m. B.P.M. van Ravels, Recente ontwikkelingen op het gebied van het
schadevergoedingsrecht in ambtenarenzaken, TAR 1996, blz. 421-437;
J.H.M.F. Teunissen, Afrekening met de gemene rechtsleer en de
tweewegenleer (I), Gemeentestem 7048, 1; Carlos Bollen, De Centrale Raad van Beroep
en (privaatrechtelijke) verjaringstermijnen, JB 1997, blz. 495-500)
en rechtspraak (zie o.m. CRvB 19 oktober 1995, Gemeentestem 7048, 3; HR
28 juni 2002, AB 2003, 102, JB 2002, 265) geen eenstemmigheid bestaat omtrent de reikwijdte van de schakelbepaling
van artikel 3:326 Boek
3 BW
en in het bijzonder niet omtrent de toepasselijkheid van de
bepalingen in titel 11 van Boek
3 BW omtrent de bevrijdende verjaring in
het bestuursrecht, bestaat op dit gebied een voor rblz.|53|
de praktijk ongewenste
mate van onzekerheid. De termijn wordt in het algemeen wel op vijf jaar
gesteld, maar de vraag blijkt vooral te zijn in hoeverre de bepalingen in
het BW zich lenen voor toepassing op bestuursrechtelijke
geldschulden. De in deze paragraaf voorgestelde regeling beoogt aan deze
onzekerheid een einde te maken door een voor het gehele bestuursrecht
geldende regeling te treffen.
Voor de goede orde wordt
opgemerkt dat het in deze afdeling niet gaat om de vraag binnen welke termijn een bestuursorgaan nog rechtsgeldig
een verplichting tot
betaling kan vaststellen, dus bijvoorbeeld een belastingaanslag kan opleggen. Die termijn
zal in het algemeen in een bijzonder wettelijk
voorschrift zijn opgenomen. Het gaat hier om de vraag hoe lang degene die
verzuimd heeft tijdig aan een verplichting tot betaling van een
bestuursrechtelijke geldschuld te voldoen nog in rechte tot nakoming kan worden gedwongen.
2. Uitgangspunten nieuwe
regeling
Bij het ontwerpen van
de
regeling is in de eerste plaats wederom tot uitgangspunt genomen dat
niet onnodig afgeweken moet worden van het Burgerlijk
Wetboek en dat
niet onnodig onderscheid gemaakt moet worden tussen de positie
van belanghebbende enerzijds en bestuursorgaan anderzijds.
Deze uitgangspunten zijn
goed bruikbaar waar het betreft de verjaring van de bevoegdheid om via de
burgerlijke rechter de nakoming van de vordering tot betaling af te
dwingen. Voor de burger is dit de enige mogelijkheid om zijn vordering
op het
bestuursorgaan af te dwingen, zij het dat het slechts zelden nodig
zal zijn om bestuursorganen voor de rechter te dagen. Voor
bestuursorganen geldt eveneens dat zij bij niet-betaling door hun schuldenaar een
vordering tot nakoming bij de burgerlijke rechter kunnen instellen. In een
aantal gevallen is dat de enige mogelijkheid. In de meeste gevallen bestaat
daarnaast de mogelijkheid om door het uitvaardigen van een dwangbevel tot
dwanginvordering over te gaan.
Voor de bevoegdheid tot
het instellen van een vordering bij de burgerlijke rechter voorziet de
regeling in bepalingen die sterke gelijkenis vertonen met de regeling in het
Burgerlijk Wetboek. Deze bevoegdheid verjaart na vijf jaar. Daarna blijft
- evenals in het privaatrecht - een natuurlijke verbintenis bestaan (de
zogenoemde
zwakke werking van de verjaring). Wat na afloop van de
verjaringstermijn wordt betaald, kan dus niet als onverschuldigd worden teruggevorderd.
Voorts is de stuiting geregeld op zodanige wijze dat de burger
stuiting kan bewerkstelligen op dezelfde wijze als hij dat ook in het
privaatrecht kan. Voor het bestuursorgaan, dat door zijn specifieke bevoegdheden
- het doen uitgaan van een aanmaning en het uitvaardigen van een
dwangbevel - in een enigszins andere positie verkeert, is ter wille
van de rechtszekerheid bepaald dat stuiting slechts mogelijk is door het
gebruik van die bevoegdheden of door het instellen van een vordering bij de
rechter of de erkenning van de schuld door de schuldenaar.
Waar echter aan het
bestuursorgaan bij wet de bevoegdheid is toegekend om overeenkomstig
afdeling 4.4.4 buiten de rechter om betaling af te dwingen middels een
dwangbevel, is een specifieke regeling nodig. Deze bevoegdheid, evenals die
tot het doen uitgaan van een aanmaning, kunnen na het voltooien van de verjaring niet meer worden uitgeoefend.
Ten slotte wordt hier, in
aansluiting op paragraaf 3 van het algemeen gedeelte van dit
hoofdstuk van deze toelichting, opgemerkt dat afdeling 4.4.3 een volledige
regeling van de verjaring van bestuursrechtelijke geldschulden beoogt te geven. Derhalve
heeft de schakelbepaling van artikel 326 van Boek
3 Bw voor de
in deze titel geregelde materie in beginsel geen betekenis meer. Ter
voorkoming van misverstanden wordt opgemerkt dat de titel van het BW
inzake rechtsvorderingen - evenals de rblz.|54|
toepasselijke
bestuursrechtelijke wetgeving - buiten deze materie zijn relevantie blijft
behouden. Titel 4.4 heeft immers alleen betrekking
op de afwikkeling van de
bestuursrechtelijke geldschuld zelf; hij geeft geen inhoudelijke regels over
de grondslag van de geldschuld, zoals regels over onverschuldigde betaling. Hij bevat bijvoorbeeld geen regels over de
termijn waarop met
terugwerkende kracht onverschuldigd betaalde bedragen kunnen worden
teruggevorderd. Afdeling 4.4.3 laat dan ook onverlet dat, tenzij uit
de toepasselijke bestuursrechtelijke wet het tegendeel voortvloeit, artikel
3:309 BW
van toepassing is indien met terugwerkende kracht een uitkering
wordt herzien of ingetrokken. Voor onverschuldigd betaalde subsidiebedragen
kent de Awb
een eigen bepaling die afwijkt van het BW; men zie het huidige artikel 4:57
(4:57, vierde lid,
nieuw).
Artikel 4.4.3.1
[4:104]
Eerste lid
Dit artikel bevat de
hoofdregel voor de verjaring van geldschulden. Het stelt de
verjaringstermijn op vijf jaar, in aansluiting op de meest gebruikelijke termijn in het
Burgerlijk
Wetboek. Het gevolg van de verjaring in het BW is dat geen
rechtsvordering meer kan worden ingesteld. Dit is de zogenaamde zwakke werking
van de verjaring. Dat gevolg behoort ook hier voorop te staan.
Zowel voor schulden van de overheid als voor die van de burger geldt
immers dat betaling in beginsel via het instellen van een vordering voor de
burgerlijke rechter kan worden afgedwongen. Voor de burger bestaat er geen
andere mogelijkheid. Overigens zal het niet vaak voorkomen dat hij,
wanneer bijvoorbeeld op grond van een beschikking blijkt dat hij een
vordering op het bestuursorgaan heeft, tot gerechtelijke stappen zal moeten
overgaan. Meestal zal de overheid vrijwillig betalen indien over de
verplichting tot betaling - eventueel na een bestuursrechtelijke
procedure - geen meningsverschil meer bestaat.
Voor bestuursorganen
bestaat eveneens de mogelijkheid om tegen de onwillige wederpartij bij
de burgerlijke rechter een procedure tot betaling te beginnen. In een
aantal gevallen is dat ook de enige mogelijkheid voor bestuursorganen. Dat
betreft de gevallen waarin het bestuursorgaan niet de bevoegdheid heeft een
dwangbevel uit te vaardigen. Daartoe moet steeds een specifieke
wettelijke grondslag bestaan; men zie ook artikel
4.4.4.2.2 [4:115].
Indien het bestuursorgaan
wel een dwangbevel kan uitvaardigen, heeft het de mogelijkheid om
zich buiten de rechter om een executoriale titel te verschaffen. Deze extra
bevoegdheid betekent overigens niet een verplichting voor het bestuursorgaan
om die weg te volgen. Het kan gebruik blijven maken van de
gewone bevoegdheden van een schuldeiser.
De in het eerste lid
gestelde termijn kan afwijken van de verjaringstermijnen die in het gemeenschapsrecht worden gehanteerd. Zodra en
voor zover
het gemeenschapsrecht
zelf in een regeling voorziet, wijkt het nationale recht en dus het
onderhavige artikel 4.4.3.1 [4:104]
op
grond van het beginsel van de voorrang
van het gemeenschapsrecht. Men zie over de verhouding met het
gemeenschapsrecht in algemene zin reeds paragraaf 4 van het algemeen deel
van dit hoofdstuk.
Tweede lid
Het tweede lid ziet
op de
gevallen waarin bestuursorganen de bevoegdheid hebben zelf voor een executoriale titel te zorgen door het uitvaardigen
van een dwangbevel. Die
bevoegdheid kunnen zij niet meer uitoefenen wanneer de verjaring is
voltooid. Dit geldt ongeacht of de schuldenaar zich op verjaring heeft beroepen. Hetzelfde behoort te gelden voor het doen uitgaan van
een aanmaning, waarvan de kosten voor rekening rblz.|55|
van de burger kunnen
worden gebracht, alsmede voor de bevoegdheden tot verrekening en tot
tenuitvoerlegging van een dwangbevel. In het belang van de
rechtszekerheid mag van het bestuursorgaan worden verwacht dat het de
bevoegdheden tot aanmaning, verrekening of toepassing van dwangmiddelen
vóór het voltooien van de verjaring heeft benut. Deze regeling komt
overeen met die van artikel 27 Invorderingswet
1990.
Op grond van het tweede
lid is het niet meer mogelijk de bevoegdheid tot aanmaning en verrekening
uit te oefenen als de verjaring is voltooid. Het is daarbij niet van
belang of de schuldenaar zich heeft beroepen op de verjaring; de
bevoegdheden gaan na voltooiing van de verjaring van rechtswege teniet. De
verjaring van de rechtsvordering tot betaling van een geldsom kan
daarentegen worden gestuit door handelingen van de schuldeiser of
schuldenaar, geregeld in de artikelen 4.4.3.2
e.v. [4:105 e.v.]. Het gevolg van de verjaring is,
zoals gezegd, dat de rechtsvordering teniet gaat, maar niet dat de schuld ook
teniet gaat. Dit betekent dat bijvoorbeeld de belastingschuldige die na
meer dan vijf jaar zijn nog openstaande schuld voldoet, of de overheid
die een achterstallige uitkering betaalt, dit niet onverschuldigd doet.
Eenmaal betaald kunnen deze bedragen niet als onverschuldigd worden
teruggevorderd.
Het komt voor dat een
geldschuld accessoir is aan een andere schuld. Zo kunnen op grond van
hoofdstuk VI van de Invorderingswet
1990 anderen dan de belastingplichtige
- bij beschikking - aansprakelijk worden gesteld voor diens
belastingschuld. Met betrekking tot de verjaring geldt enerzijds dat de aansprakelijkheid
van de derde de hoofdschuld veronderstelt: als de hoofdschuld verjaart,
verjaart de accessoire schuld ook.
Artikel 4.4.3.2
[4:105]
Dit artikel regelt twee
gronden voor stuiting van de verjaring: het instellen van een daad van rechtsvervolging (voor de burgerlijke rechter)
(eerste lid) of
de erkenning van het
recht van de schuldeiser (tweede lid). De hier geregelde stuitingsgronden gelden
gelijkelijk voor burger en bestuursorgaan en zijn hetzelfde als in het
privaatrecht (vgl. artikel 3:316 en 3:318 BW). Stuiting breekt een lopende
verjaring af. Nadat de verjaring is gestuit, begint een nieuwe verjaringstermijn
te lopen (artikel 4.4.3.7 [4:110], zie hierna).
Eerste lid
Onder een "daad van
rechtsvervolging" als bedoeld in het eerste lid moet, blijkens de parlementaire
geschiedenis van artikel 3:316 BW
(MvA II, Parlementaire
Geschiedenis van het Nieuw Burgerlijk Wetboek 3 (Vaststellingswet),
Deventer 1981, blz. 934), worden begrepen het instellen van een vordering bij de
civiele rechter (dagvaarding, eis in reconventie, vermeerdering van eis),
maar ook het leggen van conservatoir beslag of het indienen van een
vordering ter verificatie bij faillissement. Evenals in het privaatrecht geldt
dat een daad van rechtsvervolging die wordt ingetrokken geen stuiting van de
verjaring tot gevolg heeft. Daartoe is artikel 3:316, tweede lid, BW
in
het eerste lid van toepassing verklaard. Uit artikel 3:316, tweede lid, BW
vloeit tevens voort dat indien de bij de rechter ingestelde vordering niet tot
toewijzing leidt, de stuiting niet geacht wordt te hebben plaatsgevonden,
tenzij tijdig - dat wil zeggen binnen zes maanden nadat het geding door het
in kracht van gewijsde gaan van een uitspraak of op andere wijze is
geëindigd - een nieuwe eis is ingesteld en deze wél tot toewijzing leidt.
Ingeval de ingestelde vordering wél tot toewijzing door de rechter leidt, is
artikel 3:324 BW
van toepassing (artikel
4.4.3.7 [4:110], tweede lid, zie hierna).
Artikel 3:324 BW
regelt de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken.
Onder het "instellen van
eis" is overigens steeds te verstaan het instellen rblz.|56|
van een eis bij de
burgerlijke rechter; de bestuursrechter komt hier niet in beeld. Betreft het een
vordering van een bestuursorgaan op de burger, dan kan het
bestuursorgaan immers niet bij de bestuursrechter terecht, omdat aldaar alleen
tegen
besluiten van bestuursorganen kan worden opgekomen. Maar ook als
het een vordering van de burger op het bestuursorgaan betreft,
is de bestuursrechter niet bevoegd. Het niet betalen is geen besluit in de zin
van de Awb, aangezien het geen rechtshandeling betreft; en ook de
weigering om te betalen kan niet als zodanig worden aangemerkt. Hoewel
de vaststelling van de verplichting tot betaling een besluit is (vgl. artikel
4.4.1.2 [4:86]), moet aan gewone uitvoeringshandelingen, zoals
betalingshandelingen, dit karakter worden ontzegd. Dit betekent dat als de
schuldenaar weigerachtig is om te betalen, uiteindelijk door het instellen van
eis bij de burgerlijke rechter de verjaring kan worden gestuit.
Tweede lid
Voor de erkenning als
grond voor stuiting geldt dat het niet noodzakelijk is dat de schuld
uitdrukkelijk wordt erkend. Elke handeling of gedraging van de schuldenaar waaruit
blijkt dat hij de schuld erkent, stuit de verjaring. Indien een burger in een
brief aan het bestuursorgaan een verrekeningsvoorstel doet, dan beoogt hij
daarmee de schuld aan het bestuursorgaan, al dan niet volledig, te
voldoen. Daarin ligt tegelijkertijd een erkenning van zijn schuld aan dat
bestuursorgaan besloten. Zo kan ook het vragen van uitstel van betaling of
van kwijtschelding onder omstandigheden een erkenning van de schuld impliceren. Dat is echter niet steeds het geval:
wie vraagt om uitstel van
betaling voor de duur van de behandeling van een bezwaarschrift tegen
de betalingsbeschikking erkent daarmee de schuld natuurlijk niet.
Het zal dus van de omstandigheden van het geval afhangen wanneer van
erkenning kan worden gesproken.
Artikelen 4.4.3.3
[4:106] en
4.4.3.4
[4:107]
Naast de beide in
artikel
4.4.3.2 [4:105] geregelde stuitingsgronden kent het BW
nog een stuitingsgrond:
de schriftelijke aanmaning (een brief) of schriftelijke mededeling waarin de
schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel
3:317, eerste lid, BW). Deze stuitingsgrond is voor het bestuursorgaan
in artikel 4.4.3.3 [4:106] beperkt tot specifieke bestuursrechtelijke middelen. In het belang
van de rechtszekerheid bepaalt dit artikel dat het
bestuursorgaan de verjaring, behoudens door het instellen van een eis voor de
burgerlijke rechter (artikel 4.4.3.2
[4:105]), alleen kan stuiten door een aanmaning als
bedoeld in artikel 4.4.4.1.1
[4:112], een beschikking tot verrekening of door
(betekening of tenuitvoerlegging) van een dwangbevel. Gaat het daartoe over,
dan is de bedoeling om alsnog tot invordering over te gaan duidelijk tot uitdrukking gebracht. Een beschikking tot
verrekening heeft alleen
stuitende werking voor zover na de verrekening een schuld blijft
bestaan. In het geval een rechtsvordering tot betaling van een geldsom als
gevolg
van de verrekening volledig tenietgaat, valt er immers niets meer te
stuiten.
Voor de schuldeiser van
het bestuursorgaan, tenzij deze zelf een bestuursorgaan is, is stuiting mogelijk
op dezelfde manier als in het Burgerlijk
Wetboek is geregeld (artikel
3:317, eerste lid, BW). In artikel 4.4.3.4
[4:107] juncto
4.4.3.6 [4:109] wordt, voor het geval de
schuldeiser een burger is, bepaald dat de schuldeiser de verjaring ook kan
stuiten door een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling
waarin hij zich ondubbelzinnig zijn recht op betaling voorbehoudt.
rblz.|57|
Artikel 4.4.3.5
[4:108]
Deze bepaling komt
overeen met artikel 6:131 BW
en geldt slechts voor rechtsvorderingen tot
betaling door de overheid aan een burger. Een eventueel recht tot
verrekening verjaart dus niet voor de burger als schuldeiser van het
bestuursorgaan, maar wel voor het bestuursorgaan; dit laatste vloeit voort
uit artikel 4.4.3.6 [4:109]. Bestuursorganen kunnen het recht tot verrekening in het
algemeen na vijf jaar niet meer uitoefenen (zie artikel
4.4.3.1 [4:104], tweede
lid). Dit geldt zowel wanneer het bestuursorgaan moet betalen aan een
burger als aan een ander bestuursorgaan.
Er zij
op gewezen dat
artikel 4.4.3.5 [4:108] alleen geldt voor zover sprake is van een bestaande
mogelijkheid van verrekening; een verjaarde vordering kan niet meer worden
verrekend met een na de verjaring ontstane schuld. De ratio van deze bepaling
is immers dat iemand die vertrouwend op een verrekeningsbevoegdheid
zijn vordering laat verjaren daarvan niet het slachtoffer mag worden
als zijn vordering eerder verjaart dan de tegenvordering. Ontstaat de
tegenvordering later, dan kan er van zodanig vertrouwen geen sprake
zijn geweest. Daarom blijft deze regel beperkt tot bestaande vorderingen.
Men zie artikel 4.4.1.9 [4:93] dat eveneens spreekt over een "bestaande"
vordering.
Artikel 4.4.3.6
[4:109]
De artikelen 4.4.3.4 [4:107] en
4.4.3.5 [4:108] zijn voor de burger als schuldeiser van het bestuursorgaan
geschreven. Zij behoren niet te gelden indien de schuldeiser van het bestuursorgaan
een ander bestuursorgaan is. Om te voorkomen dat in beide artikelen
gesproken moet worden over "de schuldeiser van het bestuursorgaan die niet zelf een bestuursorgaan
is" is in
artikel 4.4.3.6 [4:109] bepaald
dat genoemde artikelen niet gelden indien de schuldeiser van het
bestuursorgaan zelf een bestuursorgaan is.
De aanmaning van een
bestuursorgaan dient te voldoen aan het bepaalde in artikel
4.4.4.1.1 [4:112].
Derhalve ligt het in de rede dat een bestuursorgaan als schuldeiser de verjaring
niet kan stuiten door een schriftelijke aanmaning die daaraan niet voldoet
of door een schriftelijke mededeling waarin het zich ondubbelzinnig zijn
recht op nakoming voorbehoudt. Artikel 4.4.3.4
[4:107] is dan ook niet van
toepassing als de schuldeiser een bestuursorgaan is. Wel kan een bestuursorgaan
ingevolge artikel 4.4.3.3 [4:106] de verjaring onder andere stuiten door een
aanmaning als bedoeld in artikel
4.4.4.1.1 [4:112].
Het is redelijk dat
alleen voor de schuldeiser niet zijnde een bestuursorgaan de bevoegdheid tot
verrekening blijft bestaan. Deze zal zich veelal door het enkele bestaan
van de tegenvordering op het bestuursorgaan als bevrijd beschouwen en
slechts tot verrekening overgaan op het moment dat hij zelf wordt
aangesproken door het bestuursorgaan. Op grond van artikel 4.4.3.5
[4:108] zal hij
dit ook kunnen doen als zijn vordering op het bestuursorgaan reeds
verjaard is. Hij kan zich dan opzijn "natuurlijke vordering" beroepen bij
wijze van verweer tegen de vordering tot nakoming van het bestuursorgaan.
Dit geldt niet voor het bestuursorgaan aangezien het
bestuursorgaan op grond van het tweede lid van artikel 4.4.3.1
[4:104] zijn bevoegdheid
tot verrekening is kwijtgeraakt. In het belang van de rechtszekerheid mag
van het bestuursorgaan worden verwacht dat het vóór het voltooien van de
verjaring de bevoegdheid tot aanmaning, verrekening of toepassing van
dwangmiddelen heeft benut.
Artikel 4.4.3.7
[4:110]
Dit artikel regelt de
gevolgen van de stuiting op dezelfde wijze als in het Burgerlijk
Wetboek (artikel
3:319 BW). Stuiting breekt een lopende verjaring af. Door stuiting van de
verjaring begint een nieuwe termijn te lopen met rblz.|58|
de aanvang van de
volgende dag. De nieuwe verjaringstermijn is gelijk aan de oorspronkelijke,
maar niet langer dan vijf jaren. In afwijking van artikel 4.4.3.1
[4:104] kan een
andere oorspronkelijke verjaringstermijn zijn voorgeschreven, zoals bijvoorbeeld in
artikel 5:35. Het derde lid regelt dat geen nieuwe verjaringstermijn
begint te lopen als de verjaring is gestuit door het instellen van een eis
(bij de burgerlijke rechter) die door toewijzing is gevolgd. In dat geval is
artikel 3:324 BW
van toepassing, dat voor rechterlijke uitspraken een
verjaringstermijn van in beginsel twintig jaren regelt, waarover HR 28 juni 2002,
AB 2003, 102, JB 2002, 265.
Artikel 4.4.3.8
[4:111]
Deze gronden voor
verlenging van de verjaring komen overeen met die, genoemd in artikel 27,
tweede lid, van de Invorderingswet
1990. Het overnemen van de grond onder
a
(opgenomen in het eerste lid van artikel
4.4.3.8 [4:111]) strekt ertoe een
milde beoordeling door het bestuursorgaan van verzoeken om uitstel van betaling te bevorderen. De overige gronden,
faillissement, surseance
van betaling en toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
(opgenomen in het tweede lid van artikel
4.4.3.8 [4:111]) zijn om vergelijkbare redenen overgenomen. De verjaringstermijn
wordt in de gevallen,
genoemd in het tweede lid, onderdeel a, b en c, verlengd met de
duur waarin de schuldenaar verkeert in de daar aangeduide situatie.
Anders dan in het
voorontwerp is thans in onderdeel d ook de verlengingsgrond van
artikel 27, tweede lid, onderdeel b, Invorderingswet
1990 overgenomen. Als de
schuldenaar een executiegeschil aanhangig maakt en dit tot gevolg
heeft dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel wordt geschorst, is het
redelijk dat de verjaringstermijn wordt verlengd met de periode
gedurende welke het executiegeschil aanhangig is.
Afdeling 4.4.4.
Aanmaning
en invordering bij dwangbevel
Paragraaf 4.4.4.1. De
aanmaning
Artikel 4.4.4.1.1
[4:112]
Eerste lid
Indien niet tijdig is
betaald en de schuldenaar dus in verzuim is, laat het bestuursorgaan alvorens
over te gaan tot het uitvaardigen van een dwangbevel een
schriftelijke aanmaning volgen waarin wordt verzocht om op korte termijn alsnog
te betalen. Het primaire oogmerk van de aanmaning is de
schuldenaar in de gelegenheid te stellen alsnog de vordering te voldoen. De
schuldenaar wordt tevens gewaarschuwd voor mogelijke
invorderingsmaatregelen. Hij krijgt nog twee weken om zijn schuld te voldoen. Na het
verstrijken van de aanmaningstermijn heeft het bestuursorgaan de
bevoegdheid om tot dwanginvordering over te gaan. Het zal van de
omstandigheden van het geval afhangen of het bestuursorgaan terstond tot
invordering
over zal gaan.
Artikel 4.4.4.1.1
[4:112] is
dwingend van karakter, maar zelfs zonder een daartoe strekkende regeling is
het gebruikelijk om de schuldenaar eerst aan te manen voordat tot
dwanginvordering wordt overgegaan. Er kunnen diverse - soms goed
begrijpelijke - redenen zijn waarom de burger niet binnen de gestelde termijn heeft betaald. Uit een oogpunt van behoorlijk
bestuur is het daarom
gewenst dat het bestuursorgaan de betrokkene er nogmaals op attendeert dat
hij tot betaling dient over te gaan. Het bestuursorgaan kan zich
er daarbij van vergewissen dat betrokkene niet rblz.|59|
om voor het
bestuursorgaan onbekende, maar wellicht goed verklaarbare, redenen weigert te
betalen.
Ook
op praktische gronden
verdient dit aanbeveling. Het is voor het bestuursorgaan niet
doelmatig om na het verstrijken van de reguliere betalingstermijn
voetstoots tot dwanginvordering over te gaan. Voordat de kostbare
invorderingsfase wordt ingegaan, dient het bestuursorgaan er zeker van te zijn dat de
schuldenaar weigerachtig is te betalen.
De aanmaning heeft dan
ook geen betekenis voor het ontstaan van verzuim: integendeel, een
aanmaning is slechts mogelijk indien de schuldenaar al in verzuim is. Dat
betekent ook dat de wettelijke rente inmiddels is gaan lopen. Op het
tijdstip van aanmaning zal deze doorgaans nog niet verschuldigd zijn aangezien het bedrag ervan minder dan €|20,- zal
bedragen (artikel 4.4.2.2 [4:98], tweede lid). De in de aanmaning opgenomen termijn van twee weken,
die de schuldenaar alsnog in de gelegenheid stelt zijn schuld te
voldoen, moet dus niet worden opgevat als een uitstel van het tijdstip
waarop het
verzuim van de schuldenaar intreedt. De aanmaning heeft wel
betekenis voor de mogelijkheid verdergaande - civielrechtelijke dan
wel bestuursrechtelijke - invorderingsmaatregelen te nemen: het bestuursorgaan
kan daar eerst toe overgaan indien het tevoren een aanmaning
heeft toegezonden en niet binnen de daarin gestelde termijn is
betaald. Verwezen zij naar artikel
4.4.4.2.4 [4:117]. Indien de schuldenaar in verzuim is,
dient hij te worden aangemaand, ongeacht of vervolgens al dan niet
bij dwangbevel wordt ingevorderd.
Voor de formulering van
het eerste lid is aansluiting gezocht bij artikel 11 Invorderingswet
1990.
Artikel 4.4.4.1.1 [4:112] staat er niet aan in de weg dat de aanmaning betrekking
heeft op verschillende verplichtingen tot betaling van een geldsom door de
schuldenaar aan het bestuursorgaan. De aanmaningstermijn is in beginsel gesteld
op twee weken. Dit ligt in de lijn
met de thans veel
gebruikte termijnen van twee weken, tien of veertien dagen. Wat de duur van de
termijn betreft, moet bedacht worden dat de schuldenaar op grond van
artikel 4.4.1.3 [4:87] reeds zes weken heeft om zijn schuld te voldoen.
Evenals bij artikel 4.4.1.3 [4:87] is voor de vaststelling van het begin van de
betalingstermijn aangesloten bij artikel 6:8
Awb.
De vraag kan rijzen of de
aanmaning een beschikking is. De aanmaning is in beginsel niet meer dan
een herinnering tot betalen. Anderzijds heeft artikel 4.4.3.3
[4:106] tot
gevolg dat het zenden van een aanmaning een lopende verjaring stuit. In elk
geval moet worden aangenomen dat voor zover voor de aanmaning een vergoeding in rekening wordt gebracht
(vgl. artikel 4.4.4.1.2 [4:113], eerste lid),
van een beschikking sprake is (vgl. ook artikel 7 Kostenwet invordering
[Kostenwet
invordering rijksbelastingen, red.]).
Aangezien de hoogte van deze vergoeding in artikel 4.4.4.1.2
[4:113] op een
forfaitair bedrag is gesteld, leent een aanmaningsbeschikking zich ons inziens niet
voor bezwaar en beroep. Om die reden wordt in onderdeel J
voorgesteld de aanmaning van bezwaar en beroep uit te zonderen.
Artikel 4.4.4.2.4
[4:117] biedt
de mogelijkheid om het zenden van een aanmaning achterwege te laten (zgn.
versnelde invordering) indien bij wet is bepaald dat een schuld
onmiddellijk invorderbaar is. Ten slotte zij opgemerkt dat het mogelijk is om een
schuldenaar in één geschrift aan te manen tot betaling van meer dan
één geldschuld, mits de schuldenaar bij al die schulden in verzuim is.
Onder meer in het belastingrecht komt dit vaak voor.
Tweede lid
Krachtens het tweede lid
kan in afwijking van het eerste lid een andere termijn worden bepaald waarbinnen betaling moet plaatsvinden. Uit een
oogpunt van
rechtszekerheid en uniformiteit verdient het de voorkeur de termijn wettelijk te
regelen. Het belastingrecht kent een termijn van tien rblz.|60|
dagen (artikel 11 Invorderingswet
1990),
waarop de Algemene
termijnenwet van
toepassing is.
Derde lid
In het derde lid wordt
bepaald dat de aanmaning vermeldt dat bij niet-tijdige betaling tot dwanginvordering kan worden overgegaan. De vermelding
van dit feit zal in veel
gevallen een belangrijke stimulans zijn om alsnog te betalen. Onder
"invorderingsmaatregelen" worden niet alleen begrepen de maatregelen
die in afdeling 4.4.4 Awb
zijn uitgewerkt, zoals het dwangbevel, maar ook
de middelen uit het Burgerlijk
Wetboek en het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering. In dit verband zij verwezen naar de toelichting
op artikel 4.4.4.2.3. Afhankelijk van de concrete omstandigheden kan in de aanmaning
concreet worden aangegeven welke maatregel bij niet-tijdige betaling
zal worden genomen.
Artikel 4.4.4.1.2
[4:113]
Eerste lid
Artikel
4.4.4.1.2 [4:113], eerste
lid, kent het bestuursorgaan de bevoegdheid toe om een vergoeding voor de
gemaakte aanmaningskosten in rekening te brengen. De hoogte van
deze vergoeding is op een forfaitair bedrag gesteld. De vergoeding
bedraagt €|6,- indien de schuld minder dan €|454,- bedraagt en €|14,- voor
schulden groter dan €|454,-. Deze tarieven zijn ontleend aan artikel 2
van de Kostenwet
invordering rijksbelastingen. De Kostenwet
zal overigens
naast de Awb
gehandhaafd moeten blijven, omdat zij, vanuit het
streven de invordering kostendekkend te doen zijn, een veel meer
gedetailleerde regeling voor de kosten van invordering geeft. Voor het overige
bestuursrecht is een zo gedetailleerde regeling niet nodig.
Gekozen is voor
forfaitaire bedragen teneinde bij kleine vorderingen te verzekeren dat hoge
aanmaningskosten geen onnodige drempel zouden kunnen opwerpen om tot
invordering over te gaan. Het bestuursorgaan is niet verplicht om de
vergoeding in rekening te brengen: mogelijk overweegt men dat het in rekening
brengen van de vergoeding in verband met de geringe hoogte daarvan
te veel administratieve lasten met zich meebrengt. Anderzijds
gaat het te ver om de aanmaningskosten zonder meer voor rekening van
het bestuursorgaan te laten. In beginsel vallen de gevolgen van niet-tijdige
betaling binnen de risicosfeer van de schuldenaar en is het uit dien hoofde
redelijk om de daaruit voortvloeiende kosten bij hem in
rekening te brengen.
Tweede lid
Op grond van het tweede
lid moet het bestuursorgaan de in rekening te brengen vergoeding in de aanmaning
vermelden.
Derde
lid
Het derde lid geeft de
mogelijkheid de bedragen die voor de aanmaning in rekening kunnen worden
gebracht bij algemene maatregel van bestuur te wijzigen. Daartoe kan
aanleiding zijn bij een algehele stijging van het prijspeil.
rblz.|61|
Paragraaf 4.4.4.2.
Invordering bij dwangbevel
Artikel 4.4.4.2.1
[4:114]
In de bijzondere wetten
waarin het dwangbevel voorkomt, is dit begrip thans niet gedefinieerd.
Omdat het voorstel beoogt paragraaf 4.4.4.2 van toepassing te doen zijn
op elke beschikking die materieel als dwangbevel moet worden aangemerkt,
is het nodig het dwangbevel hier te definiëren. In deze definitie wordt
buiten twijfel gesteld dat het uitvaardigen van een dwangbevel een exclusieve
overheidsbevoegdheid is: zij komt uitsluitend toe aan bestuursorganen.
In enkele bijzondere wetten komen thans ook niet-bestuursorganen met
dwangbevelbevoegdheid voor. In de aanpassingswetgeving
worden de desbetreffende bijzondere wetten zodanig gewijzigd dat
ofwel de voorgestelde artikelen 4.4.4.2.1 tot en met 4.4.4.2.11
[4:114 t/m 4:124] Awb
van
overeenkomstige toepassing zijn, ofwel, voor zover het materieel niet om dwangbevelen gaat, de zogenaamde dwangbevelen
anders worden aangeduid.
Het dwangbevel is een
besluit in de zin van de Awb. In de voorgestelde aanvulling
op artikel 8:4
worden bezwaar en beroep tegen het dwangbevel uitgesloten, maar de
overige bepalingen - met uitzondering van de artikelen 3:41 tot en met
3:45 en artikel 4:8 - van de
Awb
inzake besluiten zijn op het dwangbevel
onverkort van toepassing. Door de verwijzing naar artikel 4.4.1.1
[4:85] wordt
geregeld dat het bestuursorgaan met een dwangbevel uitsluitend "bestuursrechtelijke
schulden" kan invorderen en dus geen privaatrechtelijke.
De bepaling geeft ten slotte aan dat met het dwangbevel de executie
wordt ingeleid. De betaling kan nu worden afgedwongen door middel van
bijvoorbeeld beslag op onroerend goed (of eigenlijk worden omgezet
in het op andere wijze innen van de vordering, namelijk door
bijvoorbeeld vermogensbestanddelen van de schuldenaar te verkopen en de schuld
uit de koopprijs te voldoen).
Artikel 4.4.4.2.2
[4:115]
De bevoegdheid tot
uitvaardiging van een dwangbevel is dermate ingrijpend - het bestuursorgaan
kan zich zonder tussenkomst van de burgerlijke rechter zelf een
executoriale titel verschaffen - dat deze slechts bij formele wet dient te
kunnen worden geattribueerd. Er is geen reden om thans als hoofdregel in
de Awb
de dwangbevelbevoegdheid toe te kennen voor alle
bestuursrechtelijke geldvorderingen en eventuele uitzonderingen aan de bijzondere wetten
over te laten. Het aantal uitzonderingen zou te groot zijn.
Artikel 4.4.4.2.3
[4:116]
In deze bepaling wordt
het dwangbevel "bij de wet als executoriale titel aangewezen" in de zin
van artikel 430, eerste lid, Rv. Artikel 430 luidt:
"-1. De grossen van in
Nederland gewezen vonnissen, van beschikkingen van de Nederlandse
rechter en van in Nederland verleden authentieke akten alsmede van andere
bij de wet als executoriale titel aangewezen stukken kunnen in geheel
Nederland worden ten uitvoer gelegd.
-2. Zij moeten aan het
hoofd voeren de woorden: In naam des Konings.
-3. Zij kunnen niet worden
ten uitvoer gelegd dan na betekening aan de partij tegen wie de
executie zich zal richten."
Aldus wordt de essentie
weergegeven van het dwangbevel, te weten de bevoegdheid van een bestuursorgaan om zichzelf
- zonder tussenkomst
van de (burgerlijke)
rechter - een executoriale titel te verschaffen.
rblz.|62|
De
voorgestelde
verwijzing heeft tot gevolg dat ook de andere bepalingen van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering die - direct en indirect - bij de totstandkoming en
tenuitvoerlegging van executoriale titels een rol spelen (onder meer
vormvoorschriften, betekening, wijzen van tenuitvoerlegging, executiegeschil,
procesrecht, kostenveroordeling, procesvertegenwoordiging, rechtsmiddelen) hier van
toepassing zijn. Na de betekening van het
dwangbevel aan de schuldenaar overeenkomstig artikel 4.4.4.2.10
[4:123] Awb
volgt de fase waarin het dwangbevel ten uitvoer wordt gelegd (artikel 430
Rv).
Artikel 4.4.4.2.3
[4:116] Awb
bevat het kader op grond waarvan de
tenuitvoerlegging (executie) van een dwangbevel plaatsvindt.
Deze tenuitvoerlegging
geschiedt zoals gezegd overeenkomstig de regels van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering met betrekking tot de tenuitvoerlegging van
vonnissen en authentieke akten zoals neergelegd in het Tweede Boek van dat
Wetboek. De tenuitvoerlegging vangt doorgaans aan met het bevel tot
betaling aan de schuldenaar door de (gerechts)deurwaarder. Dit bevel
tot betaling houdt in een bevel om de in het dwangbevel vermelde
schuld binnen twee dagen te betalen. Het bevel tot betaling wordt in de
regel tegelijk gedaan met de betekening van het dwangbevel. Indien niet
binnen twee dagen aan het bevel tot betaling wordt voldaan, wordt de
tenuitvoerlegging van het dwangbevel voortgezet. Alsdan gaat de
gerechtsdeurwaarder bijvoorbeeld over tot het leggen van beslag. Voor
de beslaglegging komen in aanmerking alle mogelijkheden die de
schuldeiser op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten
dienste staan. Wat betreft de verhaalsmiddelen die mogelijk zijn, worden
als voorbeeld de volgende beslagen genoemd:
- executoriaal beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn (artikelen 439 tot en met
474 Rv);
- executoriaal beslag
onder derden (artikelen 475 tot en met 479g Rv);
- executoriaal beslag op onroerende zaken (artikelen 502 tot en met 513a
Rv);
- executoriaal beslag op schepen (artikelen 562a tot en met 584 Rv).
De tenuitvoerlegging van
het dwangbevel door beslaglegging wordt, bij gebreke van vrijwillige
betaling, voortgezet door verkoop van de in beslag genomen goederen door de
gerechtsdeurwaarder teneinde de opbrengst van die verkoop aan te
wenden voor voldoening van de schuld waarvoor beslag is gelegd.
Tenzij anders wordt
bepaald, zijn dus, anders dan - onder het oude recht - in Gerechtshof ’s-Hertogenbosch
19 juni 1986, NJ 1987, 473, werd geoordeeld, ook de bepalingen uit het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering betreffende het
executiegeschil op het dwangbevel van toepassing. In de huidige bijzondere
wetgeving wordt steeds anders bepaald: tegen (de tenuitvoerlegging van)
het dwangbevel wordt het rechtsmiddel van verzet opengesteld. Thans wordt
voorgesteld de bepalingen in de bijzondere wetten met betrekking tot
het verzet te schrappen en aldus het verzet te vervangen door, of
liever: te laten opgaan in, het executiegeschil van artikel 438 Rv.
Deze verandering lijkt
groter dan zij is. Het verzet wijkt thans reeds zowel procedureel als
inhoudelijk niet wezenlijk af van het executiegeschil in de zin van artikel 438
Rv.
Ook nu is het gebruikelijk dat een verzetprocedure tegen een dwangbevel niet
door de sector bestuursrecht, maar door een civiele kamer van de
rechtbank wordt behandeld. Er is geen goede reden meer om een
executiegeschil in verband met de tenuitvoerlegging van een dwangbevel nog een
andere naam te geven dan andere executiegeschillen. Voor een uitgebreide
toelichting op de regeling van het executiegeschil in
artikel 438 Rv
wordt verwezen naar Kamerstukken II 1981-1982, 16 593, nrs. 3
en 5.
rblz.|63|
Kort gezegd houdt de
regeling het volgende in. In het eerste lid van artikel 438 Rv
worden de absolute
(rechtbank) en relatieve (vier mogelijkheden) competentie met
betrekking tot de bodemprocedure geregeld. De gewone dagvaardingsprocedure van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van toepassing, zowel
in de bodemzaak als in kort geding. Het aanhangig maken van een
executiegeschil bij de rechtbank schorst, anders dan het verzet in
sommige van de huidige bijzondere regelingen, de executie niet.
Schorsing en diverse andere specifieke uitspraken kunnen worden gevraagd in
het in het tweede lid geregelde "executiekortgeding". Dit moet worden
opgevat als een species van het algemene kort geding van artikel
289 Rv. Extra bevoegdheden van de voorzieningenrechter ingevolge artikel 438,
tweede lid, Rv
zijn: de executie schorsen voor een bepaalde tijd of
totdat het geschil zal zijn beslist, bepalen dat executie slechts tegen
zekerheidstelling mag plaatsvinden of worden voortgezet, het opheffen,
al dan niet tegen zekerheidstelling, van beslagen, het gedurende
de executie bevelen van herstel van verzuimde formaliteiten en bepalen
te wiens laste de kosten daarvan zullen komen, het bepalen dat een in
het geding geroepen derde de voortzetting van de executie moet gedogen of
daaraan moet meewerken, al dan niet tegen zekerheidstelling door
de executant.
Het derde lid van artikel
438 Rv
bevat een bijzondere regeling voor verwijzing van de kortgeding- naar
de bodemprocedure. Het vierde lid geeft ook de (gerechts)deurwaarder
die met de executie is belast de mogelijkheid om bij problemen de kortgedingrechter te adiëren (het zogenaamde "deurwaardersrenvooi").
Zowel de geëxecuteerde
(doorgaans de schuldenaar) als een belanghebbende derde kan een executiegeschil aanhangig maken. Dit in tegenstelling
tot bij voorbeeld artikel
17 Invorderingswet
1990, dat als mogelijke opposant slechts de
belastingschuldige noemt. De derde dient daartoe overigens ingevolge het
vijfde lid van artikel 438 Rv
zowel de executant als de geëxecuteerde te
dagvaarden.
Het executiegeschil richt
zich tegen de tenuitvoerlegging van de executoriale titel. Dit heeft in geval
van executie van een dwangbevel twee gevolgen. Ten eerste
kunnen gebreken in het dwangbevel zelf ook aan de orde komen, aangezien het
dwangbevel als onderdeel van de tenuitvoerlegging moet worden beschouwd.
Dit is overeenkomstig (de uitleg in de praktijk van) artikel 17 Invorderingswet
1990.
Ten tweede betekent het
dat gebreken in de onderliggende beschikking (de betalingstitel) in
het executiegeschil in beginsel niet ter discussie staan. De beoordeling
daarvan behoort in een procedure voor de bestuursrechter te
geschieden. Dit geldt ook indien die beschikking nog geen formele rechtskracht
heeft. Ook uit een dergelijke beschikking vloeit immers een verplichting
tot betaling voort. Het risico dat de beschikking, nadat de executie is
aangevangen, in een bodemprocedure tegen die beschikking wordt vernietigd en de tenuitvoerlegging achteraf onrechtmatig
moet worden geacht, kan
het bestuursorgaan ertoe brengen de executie vrijwillig op te
schorten. Zo nodig kan de geëxecuteerde in een executiekortgeding op
grond van artikel 438, tweede lid, Rv
schorsing van de executie vorderen.
Algemeen wordt aangenomen dat het in strijd is met de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur om een evident onrechtmatig besluit ten
uitvoer te leggen. Indien aan de verplichting tot betaling geen beschikking
ten grondslag ligt, zal de betalingsverplichting wel in het
executiegeschil aan de orde kunnen komen.
Het executiegeschil
behoeft, anders dan enkele van de bestaande verzetprocedures, niet binnen een
bepaalde
termijn aanhangig te worden gemaakt. Aangezien het ten uitvoer leggen niet gebonden is aan een termijn (afgezien van een
redelijke termijn ingegeven door algemene beginselen van behoorlijk bestuur), heeft een wettelijke
"verzetstermijn"
geen zin. Overigens is
het denkbaar dat het aanhangig maken van een rblz.|64|
geschil na het
verstrijken van een redelijke termijn als misbruik van (proces)recht wordt
aangemerkt.
Artikel 4.4.4.2.4
[4:117]
Eerste lid
De mogelijkheid om in een
concreet geval van niet (volledige) betaling een dwangbevel uit te
vaardigen, ontstaat op het tijdstip dat de tweede, dat wil zeggen de in de
aanmaning genoemde, betalingstermijn is verstreken. Aanmaning
overeenkomstig artikel 4.4.4.1.1
[4:112] is dus een ontstaansvoorwaarde voor
de dwangbevelbevoegdheid. Het tijdstip waarop deze ontstaat, zal
doorgaans ten minste acht weken (zes weken ingevolge artikel
4.4.1.3 [4:87], eerste lid, plus twee weken ingevolge
artikel
4.4.4.1.1 [4:112], eerste lid) na
de beschikking liggen. Het is mogelijk dat de betalingsbeschikking dan
al formele rechtskracht heeft gekregen - bijvoorbeeld als de
bezwaartermijn ongebruikt is verstreken - maar dat hoeft niet (indien
wél
een procedure aanhangig is).
Voor het
tijdstip van
ontstaan van de dwangbevelbevoegdheid is het einde van de
aanmaningstermijn gekozen en niet bijvoorbeeld het moment waarop de
betalingsbeschikking formele rechtskracht heeft verkregen. Hoewel deze
laatste mogelijkheid de complicaties voorkomt die ontstaan indien de
beschikking wordt vernietigd nadat het dwangbevel is uitgevaardigd, is
hiervoor toch niet gekozen, omdat het instellen van een rechtsmiddel,
evenmin als bij een bij voorraad uitvoerbaar verklaard civiel vonnis,
de bevoegdheid tot uitvaardiging van een dwangbevel niet opschort. Overigens
kan ook een civiel vonnis dat nog niet in kracht van gewijsde is
gegaan, worden geëxecuteerd. Zoals gezegd, kan wel in een executiegeschil ex artikel 438
Rv
de schorsing van de executie
worden gevraagd.
Een alternatieve
mogelijkheid was nog het moment van ontstaan van de dwangbevelbevoegdheid te
laten samenvallen met het moment waarop het verzuim is
ingetreden. Daarvoor is niet gekozen, omdat in het belang van de schuldenaar een
laatste waarschuwing op zijn plaats is bij een dergelijk ingrijpend
middel. Overigens mag op grond van de huidige praktijk worden aangenomen dat ook het bestuursorgaan zelf behoefte heeft aan de aanmaning,
en wel als laatste mogelijkheid om eventuele missers (onjuiste adressering
e.d.) te herstellen of te voorkomen en zo het aansprakelijkheidsrisico
te beperken.
Tweede lid
Het tweede lid van
artikel 4.4.4.2.4 [4:117] opent de mogelijkheid dat de wet bepaalt dat een
dwangbevel onmiddellijk na het ontstaan van de betalingsverplichting kan
worden uitgevaardigd. In dat geval is geen aanmaning nodig. Is reeds
een aanmaning verzonden, dan kan zo nodig nog vóór het
verstrijken van de daarin gestelde betalingtermijn tot uitvaardiging en tenuitvoerlegging van
het dwangbevel worden overgegaan. Ten slotte kan een
dwangbevel zo nodig vóór het verstrijken van de in het bevel tot betaling
genoemde termijn worden ten uitvoer gelegd (vgl. de artikelen 10 en 15 Invorderingswet
1990). Al deze mogelijkheden zijn bedoeld voor gevallen
waarin aanwijzingen bestaan dat de schuldenaar de betalingstermijn zal
misbruiken om activa buiten het bereik van de overheid te brengen of
zich anderszins aan betaling te onttrekken. Er kan dan behoefte bestaan aan
een mogelijkheid om terstond tot invordering over te gaan; vooral in
het fiscale recht kan de bevoegdheid daartoe niet worden gemist. Het gaat
echter wel om een zodanig ingrijpende bevoegdheid dat het wenselijk is om
haar niet in het algemeen toe te kennen, maar rblz.|65|
de beslissing in welke
gevallen zij onmisbaar is aan de bijzondere formele wetgever over te laten.
Artikel 4.4.4.2.5
[4:118]
Dit artikel voorkomt dat
de schuldenaar voorafgaand aan het doen uitgaan van een aanmaning zou
moeten worden gehoord. Een hoorplicht is niet verenigbaar met de aard
en de wijze van totstandkoming van de aanmaning en van het dwangbevel in
de nieuw voorgestelde regeling. Verwezen zij ook naar de toelichting op
artikel 4.4.4.1.1 over de aanmaning en naar
het voorstel om bezwaar
en beroep tegen de aanmaning en het dwangbevel uit te sluiten (onderdeel
U [onderdeel J, red.]).
Artikel 4.4.4.2.6
[4:119]
Eerste lid
Uit het eerste lid, in
samenhang met artikel 4.4.4.1.2
[4:113], volgt welke posten bij dwangbevel kunnen
worden ingevorderd, namelijk: hoofdsom, aanmaningsvergoeding,
wettelijke rente en de kosten van het dwangbevel. Dit geldt uiteraard
slechts indien verschuldigd en opeisbaar en voor zover nog niet
voldaan. Voor de executiekosten (kosten van executoriaal beslag, aanplakking,
advertentie, veiling, etc.) volgt reeds uit de artikelen 277, 253 en 270
van Boek 3 van
het Burgerlijk Wetboek dat zij ten laste komen van de zogenaamde geëxecuteerde: de kosten van executie
worden uit de
geëxecuteerde goederen voldaan. Dit komt eveneens tot uiting in de artikelen
474, 477, tweede lid, 480 en 524 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
Het is mogelijk dat in
bijzondere wetgeving is voorzien in de mogelijkheid aanvullende posten bij
dwangbevel in te vorderen. Artikel 4.4.4.2.6
[4:119] staat daar niet aan in de weg.
Zo kan wat betreft het fiscale recht gewezen worden op de artikelen 6
van de Kostenwet
invordering rijksbelastingen (de aan derden toekomende
bedragen) en 28 van de Invorderingswet
1990 (de invorderingsrente).
Tweede lid
Het tweede lid voorziet
erin dat verschillende vorderingen tussen dezelfde partijen die bij
dwangbevel kunnen worden ingevorderd, in één dwangbevel kunnen worden
gebundeld. Dit is, in verband met de kosten, in het belang van beide
partijen. Onder omstandigheden kunnen de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur zelfs hiertoe verplichten (HR 29 mei 1996, BNB 1996,
249). De bepaling is ontleend aan artikel 12 Invorderingswet
1990.
Artikel 4.4.4.2.7
[4:120]
Eerste lid
Zoals opgemerkt in de
toelichting op artikel 4.4.4.2.6 komen de kosten van de executie in
beginsel ten laste van de geëxecuteerde. Hoe deze kosten worden betaald en
aan wie volgt uit het BW
en het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering. Uit artikel 3:277, eerste lid, BW
volgt dat de executiekosten als eerste
uit de executieopbrengst worden betaald. De deurwaarder is
verantwoordelijk voor de opbrengst en voldoet daaruit onverwijld de kosten van
de executie (artikelen 474 en 524 Rv). Vervolgens wordt uit de netto-opbrengst de executant, als er geen andere rechthebbenden
zijn, betaald (artikelen
480 en 551 Rv). Over dit alles behoeft dus niets in de Awb
te worden
bepaald. Wel dient uitdrukkelijk te worden rblz.|66|
bepaald dat de kosten van
de tenuitvoerlegging van een dwangbevel worden gedragen door
degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd. Dat gebeurt in het
voorgestelde eerste lid van artikel 4.4.4.2.7
[4:120]. Dat de kosten van betekening van
een dwangbevel voor rekening van de schuldenaar komen, volgt reeds uit het
op artikel 434a Rv
gebaseerde Besluit tarieven ambtshandelingen
gerechtsdeurwaarders. De kosten van betekening van een dwangbevel door
een belastingdeurwaarder zijn geregeld in de Kostenwet invordering [Kostenwet
invordering rijksbelastingen, red.].
Tweede lid
Onder de "kosten van
tenuitvoerlegging van een dwangbevel" vallen niet alleen de gerechtelijke
maar ook de buitengerechtelijke kosten. De gerechtelijke kosten worden berekend
met toepassing van het Besluit tarieven ambtshandelingen
gerechtsdeurwaarders. Als uitgangspunt geldt de vergoeding van de kosten
van de ambtshandelingen van de gerechtsdeurwaarders. Deze moeten ruim worden
uitgelegd. Artikel 1 van het besluit stelt dat de vergoedingen
mede de werkzaamheden omvatten die rechtstreeks met de ambtshandeling
samenhangen en voor de goede uitvoering van die ambtshandeling
nodig zijn (voorbereidende, uitvoerende en afrondende
werkzaamheden). Het besluit noemt ten aanzien van verschillende werkzaamheden vaste
bedragen die gebaseerd zijn op werkelijk gemaakte kosten.
Daarnaast voorziet het tweede lid in een vergoedingsbasis voor buitengerechtelijke
kosten. Gedacht kan worden aan het voorafgaand aan de gerechtelijke
tenuitvoerlegging treffen en administreren van een betalingsregeling met de schuldenaar. De tarieven voor de
buitengerechtelijke
kosten zullen bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld.
Derde lid
Het derde lid komt
overeen met het huidige artikel 5:25, vijfde lid, Awb (in
dit voorstel vernummerd
tot vierde lid), waarin is bepaald dat de kosten van bestuursdwang ook
verschuldigd zijn indien de bestuursdwang door opheffing van de
onwettige situatie niet of niet volledig is uitgevoerd.
Artikel 4.4.4.2.8
[4:121]
In dit artikel wordt een
praktische voorziening getroffen voor het specifieke geval dat krachtens
dwangbevel beslag gelegd wordt tot invordering van een in termijnen
betaalbare schuld.
Een dwangbevel kan in de
regel pas worden uitgevaardigd als een schuld invorderbaar is. Bij geldvorderingen die in termijnen worden betaald,
betekent dit dat het
dwangbevel alleen op de tot de datum van uitvaardiging vervallen termijnen
betrekking zou kunnen hebben. Voor een nadien vervallen termijn zou een
nieuw dwangbevel moeten worden uitgevaardigd en opnieuw (bijvoorbeeld) beslag moeten worden gelegd. Om onnodige kosten en procedures te
vermijden, voorziet dit artikel er daarom in dat de na het dwangbevel
maar vóór beslaglegging vervallen termijnen eveneens in het beslag
kunnen worden betrokken. Voorwaarde is uiteraard wel dat op het moment dat
het beslag wordt gelegd de omvang van de invorderbare termijnen
ondubbelzinnig uit het dwangbevel blijkt. Deze bepaling is ontleend aan
artikel 16 Invorderingswet
1990.
Artikel 4.4.4.2.9
[4:122]
In deze en de volgende
bepaling zijn de aan het dwangbevel te stellen vormvereisten opgenomen
die niet reeds volgen uit de - niet in afdeling 4.4.4 uitgesloten
- algemene wettelijke voorschriften in Awb
en Rv
voor beschikkingen,
executoriale titels en exploten. Bestudering van genoemde rblz.|67|
wettelijke voorschriften
leert ten eerste dat moet worden onderscheiden tussen de eisen die
moeten worden gesteld aan de beschikking (het dwangbevel) en aan de
bekendmaking (exploot) ervan. Ten tweede blijkt dat in aanvulling op Awb
en Rv in ieder geval nog geregeld moeten worden dat het dwangbevel
inhoudt:
- het opschrift "dwangbevel";
- de te betalen
bedragen;
- de bevoegdheid van
het bestuursorgaan tot tenuitvoerlegging op kosten van degene die tot
betaling verplicht is (in de huidige praktijk wordt dit bovendien in
het exploot vermeld).
Dit betekent onder meer
dat in het onderhavige wetsvoorstel niet nogmaals wordt
voorgeschreven dat het dwangbevel de voor executoriale titels essentiële
woorden "In naam des Konings" aan het hoofd dient te voeren, aangezien dit
voorschrift reeds geldt op grond van artikel 430, tweede lid, Rv. Overigens
is bij de Wet van 22 juni 1891, Stb. 1891, 125, bepaald dat zolang een
koningin de kroon draagt, in plaats van het woord "Koning" het woord
"Koningin" moet worden gebezigd. Ook is niet afzonderlijk
bepaald dat naast
het
wettelijk voorschrift of de beschikking, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel c, zo nodig een nadere aanduiding van de schuld in het
dwangbevel moet worden vermeld. Dit volgt immers reeds uit afdeling 3.7
Awb (motivering). Evenmin is in dit voorstel
bepaald dat een
dwangbevel niet kan worden ten uitvoer gelegd voordat het is betekend. Deze
regel volgt immers reeds uit artikel 430, derde lid, Rv. De pendant daarvan in
de Awb, artikel
3:40, is daarmee overigens in overeenstemming.
Ten slotte wordt
erop gewezen dat voor het leggen van beslag op roerende of onroerende
zaken vereist is dat bij deurwaardersexploot bevel wordt gedaan om binnen
twee dagen aan de executoriale titel (i.c. het dwangbevel) te voldoen
(artikelen 439 en 502 Rv). Het bevel tot betaling is de eerste daad van
executie. In de praktijk pleegt men ofwel de betekening van het dwangbevel en het
bevel tot betaling bij hetzelfde exploot te doen, ofwel het bevel tot
betaling in het dwangbevel op te nemen.
Artikel 4.4.4.2.10
[4:123]
Verwezen zij in de eerste
plaats naar de toelichting op artikel
4.4.4.2.9 [4:122]. Daarnaast is in het
bijzonder met betrekking tot artikel 4.4.4.2.10
[4:123] nog het volgende van belang.
Eerste lid
In het eerste lid wordt
bepaald dat een dwangbevel niet als andere beschikkingen
overeenkomstig de artikelen 3:41 e.v. Awb wordt bekendgemaakt, maar evenals andere
executoriale titels door middel van betekening, dat wil zeggen door het
doen van een deurwaardersexploot conform het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering. Ingevolge artikel 45, tweede
lid, Rv
moeten in een
exploot ten minste worden vermeld:
a. de datum van de
betekening;
b. de naam, en in het
geval van een natuurlijke persoon tevens de voornamen, en de woonplaats van
degene op wiens verzoek de betekening geschiedt;
c. de voornamen, de naam
en het kantooradres van de deurwaarder;
d. de naam en de
woonplaats van degene voor wie het exploot is bestemd;
e. degene aan wie
afschrift van het exploot is gelaten, onder vermelding van diens hoedanigheid.
rblz.|68|
In
deze opsomming in het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering worden de kosten van het
exploot niet vermeld. Voor gerechtsdeurwaarders geldt
op grond van de
Gerechtsdeurwaarderswet
de verplichting om de kosten van een exploot
aan de voet van het origineel van het exploot te vermelden. Het ligt voor
de hand in de regelgeving met betrekking tot de belastingdeurwaarders
naar deze verplichting te verwijzen.
Tweede lid
Het tweede lid van
artikel 4.4.4.2.10 [4:123] schrijft het vermelden van een rechtsmiddelclausule in
het exploot voor (naar analogie van artikel 3:45 Awb). Het exploot
vermeldt in ieder geval de rechtbank waarbij tegen het dwangbevel en de
tenuitvoerlegging ervan overeenkomstig de artikelen 438 en 438a Rv
kan worden
opgekomen. In het exploot kan worden volstaan met de
vermelding van één van de rechtbanken die op grond van genoemde artikelen
bevoegd is. Met het "opkomen tegen het dwangbevel" wordt niet alleen gedoeld
op (evidente) fouten in het dwangbevel,
maar ook opgevallen
waarin de betalingsverplichting niet bij beschikking is vastgesteld.
Voor zover
de betalingsverplichting bij beschikking is vastgesteld, heeft bezwaar en
beroep op grond van de Awb opengestaan. In verband hiermee wordt de
Awb-rechtsgang tegen het dwangbevel in dit voorstel uitgesloten
(wijziging van artikel 8:4).
Overigens wordt opgemerkt
dat een executiegeschil - volgens de regels van het burgerlijk
procesrecht - wordt aangespannen door dagvaarding van de rechtspersoon
waarvan het bestuursorgaan deel uitmaakt.
Artikel 4.4.4.2.11
[4:124]
Dit artikel strekt ertoe
tot uitdrukking te brengen dat een bestuursorgaan ten aanzien van de
invordering gebruik kan blijven maken van de gewone bevoegdheden van een
schuldeiser. Dit is niet anders indien de bevoegdheid tot uitvaardiging van een
dwangbevel is toegekend.
Bij de totstandkoming van
de Invorderingswet
1990 heeft zich de vraag voorgedaan of moet worden uitgegaan van een
"open" dan wel van een "gesloten" systeem van
bevoegdheden. Een gesloten systeem houdt in dat de ontvanger
uitsluitend de middelen mag hanteren die hem expliciet ter beschikking zijn
gesteld. Een open systeem houdt in dat de ontvanger de bevoegdheden heeft die
een crediteur in het privaatrecht ook heeft, maar dat hij daarenboven
nog de beschikking heeft over de bijzondere bevoegdheden die zijn
neergelegd in de Invorderingswet (Kamerstukken II 1987-1988, 20 588, nr. 3,
blz. 7). De Invorderingswet 1845 kende een gesloten systeem. In de
Invorderingswet 1990 is uitdrukkelijk gekozen voor een open systeem; men zie
artikel 3, tweede lid, van die
wet. Het open systeem brengt met zich
dat de ontvanger ook beschikt over privaatrechtelijke bevoegdheden zoals het
aanvragen van het faillissement van de belastingschuldige, de
actio pauliana, het bedingen van cessies tot zekerheid en het leggen van
conservatoir beslag.
In dit wetsvoorstel is
eveneens gekozen voor een open systeem van bevoegdheden tot
invordering van bestuursrechtelijke geldschulden. Een bestuursorgaan heeft de
bevoegdheden die een schuldeiser ingevolge het privaatrecht toekomen en
het beschikt bovendien over de bevoegdheden die hem op grond van enig
bestuursrechtelijk wettelijk voorschrift zijn toegekend.
Volledigheidshalve zij vermeld dat de privaatrechtelijke bevoegdheden van het
bestuursorgaan strikt genomen bevoegdheden zijn van de rechtspersoon
waarvan het bestuursorgaan deel uitmaakt. Zulks wordt ook in het
voorgestelde vierde lid van artikel 1:1 tot uitdrukking gebracht.
Met betrekking tot de
verhouding tussen de bestuursrechtelijke en de privaatrechtelijke
bevoegdheden zij opgemerkt dat in een open systeem de bevoegdheden naast
elkaar kunnen worden aangewend. Het is dus niet rblz.|69|
zo dat het gebruik van de
bestuursrechtelijke bevoegdheden het gebruik van de privaatrechtelijke bevoegdheden uitsluit. Dit is slechts anders
indien zulks
uitdrukkelijk is geregeld. Ook in dit opzicht wordt aangesloten bij het systeem van de
Invorderingswet 1990.
Afdeling 4.4.5.
Bezwaar en
beroep
Artikel 4.4.5.1
[4:125]
Eerste lid
In verschillende reacties
op het voorontwerp is opgemerkt dat titel
4.4, nu hij naast de beschikking
tot betaling nogal wat andere soorten beschikkingen kent, meer
aanknopingspunten biedt voor bezwaar en beroep dan voor een effectieve
rechtsbescherming noodzakelijk is. Uit een oogpunt van proceseconomie is
het
inderdaad wenselijk indien niet tegen iedere afzonderlijke beschikking
bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld. Artikel 4.4.5.1
[4:125] beoogt
hiervoor een voorziening te bieden, die is ontleend aan het huidige
artikel 6:19 Awb. Het eerste lid van dit artikel brengt mee dat bezwaar of
beroep tegen een betalingsbeschikking zich mede richt tegen een
bijkomende beschikking, zoals een beschikking omtrent verrekening,
uitstel van betaling en dergelijke, voor zover de belanghebbende deze
bijkomende beschikking betwist.
Deze laatste voorwaarde
is opgenomen omdat het natuurlijk ook kan voorkomen dat de
belanghebbende die de betalingsbeschikking aanvecht er geen behoefte aan
heeft om de bijkomende beschikking aan te vechten, bijvoorbeeld omdat
daarbij het gevraagde uitstel van betaling wordt verleend onder
voorschriften waarbij de belanghebbende zich neerlegt.
De belanghebbende zal dus
aan het bestuursorgaan of de rechter moeten laten blijken dat hij
zich niet in de bijkomende beschikking kan vinden. Hij kan dit doen op
dezelfde
wijze als waarop hij enig ander standpunt in de procedure inneemt: in een
schriftelijk processtuk, maar - binnen de grenzen van een goede
procesorde - onder omstandigheden ook nog mondeling ter zitting. De
implicatie van één en ander is dat de bijkomende beschikking niet rechtens
onaantastbaar wordt zolang het bezwaar of beroep tegen de
hoofdbeschikking nog aanhangig is.
De regeling geldt slechts
als de bijkomende beschikking afkomstig is van hetzelfde bestuursorgaan
als de hoofdbeschikking. Doorgaans is dat het geval, maar in het
belastingrecht zal als regel de hoofdbeschikking worden gegeven door de
inspecteur en de bijkomende beschikking door de ontvanger. Het
combineren van procedures tegen twee verschillende bestuursorganen zou te
veel complicaties geven.
Het bestuursorgaan dient
de belanghebbende te wijzen op de mogelijkheid om de bijkomende
beschikking te betwisten; dit volgt uit de strekking van artikel 3:45
Awb.
Indien de belanghebbende hangende een beroep tegen de
betalingsbeschikking toch gewoon een bezwaarschrift tegen de bijkomende beschikking
indient, dient het bestuursorgaan dit ingevolge artikel 6:15
Awb
door te
zenden naar de instantie waarbij het beroep aanhangig is; daaruit
blijkt dan tevens dat de belanghebbende de bijkomende beschikking betwist. De
strekking van artikel 4.4.5.1
[4:125] is immers dat hangende de procedure
tegen de betalingsbeschikking geen afzonderlijk beroep tegen een
bijkomende beschikking meer mogelijk is; alleen dan wordt de
proceseconomische doelstelling bereikt. Dit is in overeenstemming met de uitleg die in de
jurisprudentie is gegeven aan het vergelijkbare artikel 6:19
Awb
(CRvB
24
maart 1998, JB 1998, 134). Als echter op het tijdstip waarop de
bijkomende beschikking wordt gegeven geen procedure tegen de betalingsbeschikking (meer) aanhangig is, kan tegen
de bijkomende beschikking
wel afzonderlijk bezwaar worden gemaakt en beroep worden ingesteld.
Zoals reeds gezegd, sluit
de redactie van artikel 4.4.5.1
[4:125] aan bij die van
rblz.|70|
artikel 6:19. De vraag
kan rijzen wat de verhouding is tussen beide artikelen. Artikel 6:19 voorziet in
de mogelijkheid een wijzigings- of intrekkingbesluit in een
lopende bezwaar- of beroepsprocedure mee te nemen indien het wijzigings- of
intrekkingbesluit valt binnen de grondslag en de reikwijdte van het
bestreden besluit. Ook hier geldt als uitgangspunt dat het nieuwe besluit
afkomstig moet zijn van hetzelfde orgaan als dat welke het bestreden besluit heeft genomen. De bijkomende beschikkingen,
bedoeld in artikel
4.4.5.1 [4:125], zijn niet aan te merken als beschikkingen die vallen binnen de
grondslag en reikwijdte van de bestreden beschikking, te weten de beschikking
waarbij de verplichting tot betaling van een geldsom is vastgelegd. Om
deze reden is behoefte aan een aparte bepaling waarin dit is geregeld en
wordt in artikel 4.4.5.1 [4:125] expliciet bepaald dat de bijkomende beschikking
afkomstig moet zijn van hetzelfde bestuursorgaan als dat dat de
beschikking, inhoudende de verplichting tot betaling van een geldsom, heeft
vastgesteld.
Er kan sprake zijn van
een samenloop tussen de beide artikelen in de gevallen dat in een
procedure waarbij de beschikking tot betaling van een geldsom op grond van
artikel 4.4.5.1 [4:125] tezamen met één of meer bijkomende beschikkingen aan de orde
is, het betrokken bestuursorgaan besluit tot wijziging of
intrekking van een bijkomende beschikking. Alsdan zal in de lopende
procedure op grond van artikel 6:19 dit
wijzigings- of intrekkingsbesluit ook
meegenomen kunnen worden. Wanneer bijvoorbeeld de hoogte van een
voorschot wordt gewijzigd, dan kan het bezwaar of beroep tegen de
betalingsbeschikking tevens zijn gericht tegen die wijziging. Zulks volgt
uit de samenhang van artikel 4.4.5.1
[4:125] met
artikel 6:18 juncto 6:19. Dat het
beroep tegen de betalingsbeschikking, wanneer daartoe
een verzoek wordt gedaan,
tevens is gericht tegen de verlening van het voorschot, volgt uit het
hier voorgestelde artikel. Op grond van artikel
6:18, eerste lid, brengt
het aanhangig zijn van bezwaar of beroep geen wijziging in de bestaande
bevoegdheid tot intrekking of wijziging. Uit artikel
6:19, eerste lid,
volgt dat het bezwaar of beroep van rechtswege wordt geacht mede te zijn
gericht tegen de intrekking of wijziging, tenzij de intrekking of
wijziging aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.
Goed mogelijk is dat de
bijkomende beschikking eerst wordt genomen op een tijdstip dat de
beschikking tot betaling al niet meer vatbaar is voor bezwaar of beroep.
Artikel 4.4.5.1 [4:125] staat in dit soort gevallen niet aan een afzonderlijk bezwaar of
beroep in de weg. Wanneer bijvoorbeeld een beschikking tot uitstel
van betaling wordt ingetrokken, terwijl de betalingsbeschikking zelf al formele
rechtskracht heeft, dan blijft de mogelijkheid bestaan om separaat
beroep in te stellen tegen de intrekking van het uitstel. Evenmin staat
dit artikel in de weg aan bezwaar of beroep tegen de nadere beschikking indien
de verplichting tot betaling van rechtswege is ontstaan, zonder dat dit
bij beschikking is vastgesteld (vgl. artikel
4.4.1.4 [4:88]).
Tweede lid
Wanneer bezwaar
wordt gemaakt of
beroep wordt ingesteld tegen een bijkomende beschikking, wordt dit
bezwaar of beroep geacht mede te zijn gericht tegen eventuele andere
bijkomende beschikkingen, voor zover de belanghebbende deze betwist. Dit is niet
anders indien de betalingsbeschikking reeds formele
rechtskracht heeft gekregen. Het tweede lid bevat hiervoor een voorziening. Wanneer
bijvoorbeeld beroep wordt ingesteld tegen de weigering van
kwijtschelding van een geldschuld, richt dit beroep zich mede tegen de verrekening
van die geldschuld, voor zover deze verrekening wordt betwist. Het maakt
daarvoor geen verschil of de beschikking waarbij de verplichting
tot betaling van de geldsom is vastgesteld al formele rechtskracht
heeft. Voorwaarde is wel dat de andere bijkomende beschikking op een later
moment is gegeven. Het gaat bijvoorbeeld niet aan dat wanneer tegen de
weigering van een kwijtschelding geen beroep rblz.|71|
is ingesteld, men
vervolgens door beroep in te stellen tegen de weigering van het uitstel van
betaling alsnog tegen de weigering van de kwijtschelding kan opkomen.
Derde lid
Denkbaar is dat de
rechter het geschil verwijst naar een ander orgaan waarbij het bezwaar of
beroep tegen de bijkomende beschikking aanhangig is, dan wel kan
of kon worden gemaakt. Het derde lid bevat hiervoor een voorziening.
Zo kan de rechtbank het beroep verwijzen naar de
bezwaarschriftprocedure om het eerst te doen behandelen als bezwaar, indien de rechtbank zulks
nuttig acht. Een vergelijkbare voorziening is opgenomen in artikel
6:19, tweede lid.
Vierde lid
Om toepassing te kunnen
geven aan het hier bepaalde, is het van belang dat de rechter waarbij
beroep wordt ingesteld op de hoogte is van de
bijkomende beschikking.
Het vierde lid bevat hiervoor een voorziening. Met de woorden "zo
mogelijk" wordt er rekening mee gehouden dat de belanghebbende niet altijd beschikt over de tekst van de bijkomende
beschikking. Dit zal zich
met name voordoen indien het beroep gericht is tegen het uitblijven van
de bijkomende beschikking.
Vijfde lid
Het vijfde lid brengt tot
uitdrukking dat het bovenstaande ook geldt voor het verzoek om een
voorlopige voorziening.
Artikel 8:4
Voorgesteld wordt om aan
de in artikel 8:4 opgesomde categorieën van besluiten waartegen geen
beroep openstaat de aanmaning en het dwangbevel toe te voegen. De
aanmaning is van beroep uitgezonderd in verband met het
forfaitaire karakter van de in rekening te brengen vergoeding. Een beroepsmogelijkheid
tegen het dwangbevel is overbodig omdat in de regel tegen het
besluit waaruit de betalingsverplichting voortvloeit reeds bezwaar en
beroep heeft opengestaan en bovendien het dwangbevel in rechte kan worden
aangevochten in het kader van een executiegeschil bij de burgerlijke rechter
op grond van artikel 438 Rv. In paragraaf 7 van het algemeen deel
van dit hoofdstuk van deze toelichting is reeds ingegaan op de
redenen waarom ervoor is gekozen de bevoegdheid van de burgerlijke rechter
op dit terrein te handhaven.
Artikelen
8:41, 8:72,
8:73,
8:73a,
8:74,
8:75,
8:82
en 8:87
De voorgestelde
wijzigingen van de artikelen 8:41, 8:72,
8:73, 8:73a,
8:74, 8:75, 8:82 en
8:87
vloeien voort uit het voorgestelde nieuwe vierde lid van artikel 1:1 Awb
(onderdeel A). Daarin wordt bepaald dat de vermogensrechtelijke gevolgen van een
handeling van het bestuursorgaan de rechtspersoon treffen waartoe het
bestuursorgaan behoort. Het is daarom niet meer noodzakelijk om in
elk van de genoemde bepalingen uit te schrijven dat de verplichting om
griffierecht, schade of proceskosten te vergoeden de rechtspersoon treft
waartoe het (verwerende) bestuursorgaan behoort. Hoewel de tekst van de
artikelen 8:72, 8:73, 8:73a,
8:74 en 8:75 strikt genomen de ruimte biedt
om een andere rechtspersoon dan de rechtspersoon waartoe het verwerende
bestuursorgaan behoort aan te wijzen, is voor een dergelijke toepassing in de parlementaire geschiedenis noch
in de jurisprudentie
steun te vinden. De nieuw voorgestelde tekst kent dan rblz.|72|
ook niet de mogelijkheid
om een ander dan het verwerende bestuursorgaan in de kosten te
veroordelen.
Van de gelegenheid is
gebruik gemaakt om in artikel 8:41, vijfde lid, de verouderde benaming
"prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie" te
vervangen door de thans
door het CBS [Centraal Bureau voor de Statistiek,
red.] gehanteerde benaming "consumentenprijsindex".
Artikel 8:76
Het huidige
artikel 8:76
bepaalt dat voor zover een uitspraak strekt tot betaling van een bepaald
geldbedrag zij ten uitvoer kan worden gelegd overeenkomstig de
bepalingen van het Tweede
boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Met de voorgestelde wijziging wordt ten eerste verduidelijkt om
welke bestuursrechtelijke uitspraken het gaat. Concreet betreft het de
in artikel 8:73, 8:74,
8:75 en 8:75a
bedoelde bestuursrechterlijke
uitspraken tot vergoeding van schade, griffierecht of proceskosten. Het artikel
heeft geen betrekking op uitspraken waarin een bestuursrechter op grond
van artikel 8:72 of het voorgestelde artikel 8:72a
zelf in de zaak voorziet
door de inhoud van een financiële beschikking bij zijn uitspraak te bepalen. In dat geval stelt hij niet een verplichting tot
betaling bij zijn
uitspraak vast, maar bepaalt hij hoe het bestuursorgaan had dienen te beslissen.
Tevens wordt met de wijziging de aansluiting op het civiele recht
verbeterd door de uitspraken ex artikelen 8:73, 8:74,
8:75 en 8:75a
"bij de wet als
executoriale titel aan te wijzen" in de zin van artikel 430, eerste lid, Rv. Daarmee zijn de
op executoriale titels toepasselijke bepalingen van Rv
omtrent onder meer
vorm, betekening, wijzen van tenuitvoerlegging, executiegeschil, procesrecht, kostenveroordeling en procesvertegenwoordiging
op deze uitspraken van
toepassing.
rblz.|73|
III. Bestuurlijke
handhaving
1. De handhaving van het
bestuursrecht
Hoofdstuk 5 van de
Algemene wet bestuursrecht is gewijd aan de handhaving van het bestuursrecht.
Voor deze handhaving, in de ruime betekenis van bevordering van de
naleving van wettelijke voorschriften, worden in de praktijk velerlei
middelen gebruikt. Sommige daarvan behoeven geen wettelijke regeling. Goede voorlichting over de inhoud van voorschriften,
bijvoorbeeld, is in de
praktijk een belangrijk middel om de naleving van deze voorschriften te
bevorderen, maar behoeft niet in de wet te worden geregeld, omdat de
overheid daartoe ook zonder wettelijke grondslag bevoegd is.
Andere
handhavingsinstrumenten, zoals toezichts- en opsporingsbevoegdheden en sanctiebevoegdheden,
behoeven wel een wettelijke regeling, maar niet
altijd in de Algemene wet bestuursrecht. De handhaving van het bestuursrecht
geschiedt vanouds deels met bestuursrechtelijke en deels met
strafrechtelijke middelen. De Algemene wet bestuursrecht is niet de
geschikte plaats om de strafrechtelijke handhaving te regelen. De reikwijdte
van hoofdstuk 5 is derhalve beperkt tot de handhaving van het
bestuursrecht met bestuursrechtelijke middelen, kortweg bestuurlijke
handhaving.
Als bekend, is, nadat
lange tijd vooral op het strafrecht was vertrouwd, het belang van deze
bestuurlijke handhaving de laatste vijftien jaar sterk toegenomen. Vanaf het
einde van de jaren tachtig werd duidelijk dat de handhaving van de
bestuursrechtelijke wetgeving te wensen overliet. Het beleidsplan Recht in
beweging (Kamerstukken II 1990-1991, 21 829, nrs. 1-2) constateerde dat bij de
handhaving van ordeningswetgeving een toenemend beroep werd gedaan op de
strafrechtelijke handhaving. Doordat tegelijk ook het commune
strafrecht een steeds grotere handhavingsinzet vergde, kwam het
strafrechtelijk handhavingsapparaat hierdoor onder druk te staan. In de nota
Met vaste hand (Kamerstukken II 1990-1991, 22 045, nrs. 1-2) werd deze
stand van zaken benoemd als het "handhavingstekort". Dit tekort vloeit
voort uit het gegeven dat enerzijds een steeds ingewikkelder samenleving
voor steeds meer aspecten van het maatschappelijk leven steeds meer regels
vraagt, terwijl anderzijds diezelfde samenleving steeds minder geneigd is zich spontaan aan die regels te
houden. Daarnaast
schoten, zoals de nota Zicht op wetgeving (Kamerstukken II 1990-1991, 22 008, nrs.
1-2) constateerde, de handhaafbaarheid en de kwaliteit van de regels soms tekort.
Het terugdringen van dit
handhavingstekort is evident van groot belang. Onvoldoende handhaving
tast de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid van de burgers aan en leidt
ertoe dat de overheid de met de ordeningswetgeving beoogde doelen
onvoldoende bereikt, of anders geformuleerd: dat de door die wetgeving
gediende belangen onvoldoende worden beschermd. Ten slotte kan
het accepteren van niet of onvoldoende naleving van regels zijn weerslag
hebben op de naleving van andere regels. Het gezag van het recht
is in het geding.
Thans wordt in brede
kring erkend dat dit handhavingstekort niet met louter strafrechtelijke
middelen kan worden teruggedrongen. De genoemde regeringsnota’s
pleiten veeleer voor een versterking van de rechtshandhaving in de
eerste lijn, onder meer door het daadwerkelijk benutten en verder
ontwikkelen van het bestuursrechtelijk handhavingsstelsel. Benadrukt werd dat naast
de verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie voor de
strafrechtelijke rechtshandhaving en voor de kwaliteit van de rechtshandhaving
in algemene zin, ook (andere) bestuursorganen een eigen
verantwoordelijkheid dragen voor de handhaving van de wetgeving met de
uitvoering waarvan zij zijn belast. Juist deze eigen verantwoordelijkheid van
het bestuur voor de handhaving behoeft versterking. Deze analyse is in grote
lijnen onderschreven en verder onderbouwd rblz.|74|
door de Commissie
bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke rechtshandhaving (commissie-Michiels),
waarbij de Commissie overigens benadrukt dat in de praktijk van de
handhaving juist een combinatie van strafrechtelijke en
bestuursrechtelijke
middelen de beste kans op resultaat biedt (Commissie
bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke handhaving, Handhaven op
niveau,
Deventer 1998; zie ook het kabinetsstandpunt over dit rapport, Kamerstukken
II 1999-2000, 26 800 VI, nr. 67). Ook in het veiligheidsprogramma Naar
een veiliger samenleving (Kamerstukken II 2002-2003, 26 684, nr. 1 en in het
Hoofdlijnenakkoord van het huidige kabinet
(Kamerstukken II 2002-2003,
28 637, nr. 19) wordt het belang van bestuurlijke handhaving opnieuw
onderstreept.
De Algemene wet
bestuursrecht kan aan de gewenste versterking van de bestuurlijke handhaving
een bescheiden, maar wezenlijke bijdrage leveren, door te zorgen
voor een goede regeling van bestuursrechtelijke handhavingsbevoegdheden,
voor zover dit past in de doelstellingen van de Algemene wet
bestuursrecht. Dit laatste betekent dat het moet gaan om bevoegdheden die een
algemene betekenis hebben in die zin dat deze betekenis niet tot
slechts één of enkele deelterreinen van het bestuursrecht beperkt is.
Bestuurlijke
handhavingsbevoegdheden vallen in hoofdzaak uiteen in toezichtsbevoegdheden en
sanctiebevoegdheden. In een regeling van de toezichtsbevoegdheden is
reeds bij de derde tranche van de Awb voorzien. Dezelfde derde tranche
gaf ook een regeling voor twee belangrijke bestuursrechtelijke sancties, te weten de last onder bestuursdwang en de
last onder dwangsom.
Thans wordt voorgesteld hoofdstuk 5 van de Awb
aan te vullen met twee
titels: een titel 5.4, betreffende de bestuurlijke boete, en een
titel 5.1,
houdende enkele algemene bepalingen inzake handhaving.
De bestuurlijke boete is,
juist als gevolg van het regeringsbeleid gericht op versterking van de
bestuurlijke handhaving, het laatste decennium sterk in opkomst. Zowel
in de literatuur als vanuit de Staten-Generaal is er bij herhaling op
aangedrongen om in verband daarmee zo spoedig mogelijk een algemene regeling in
de Awb te treffen. De regering heeft dit toegezegd; deze
toezegging wordt met dit wetsvoorstel ingelost.
Bij de totstandkoming van
de derde tranche is de vraag aan de orde gekomen in hoeverre het
wenselijk zou zijn in de Algemene wet bestuursrecht enkele algemene
bepalingen over bestuurlijke handhaving op te nemen (Kamerstukken II
1994-1995, 23 700, nr. 5, blz. 42 en 43 (vragen 6.9 en 6.14)). Daarbij werd
onder meer gedacht aan bepalingen over samenloop van sancties. De regering
heeft toen gesteld dat deze vraag het beste in samenhang met de
regeling van de bestuurlijke boete onder ogen kon worden gezien. Daarbij
is gebleken dat aan een beperkt aantal algemene bepalingen inderdaad
behoefte bestaat. Naast bepalingen omtrent cumulatie en samenloop gaat het
daarbij onder meer om een vastlegging van het zogenoemde
legaliteitsbeginsel voor bestuurlijke sancties.
Ook met deze twee
aanvullingen biedt hoofdstuk 5 geen volledige regeling van het bestuurlijk
handhavingsrecht. Het bestuursrecht kent naast de last onder bestuursdwang,
de last onder dwangsom en de bestuurlijke boete nog diverse andere
sancties, zoals de intrekking van een begunstigende beschikking, de
bestuurlijke waarborgsom, de uitsluiting, de maatregel in het socialezekerheidsrecht en de disciplinaire straf in het ambtenarenrecht. Of deze
sancties in de toekomst voor regeling in de Algemene wet bestuursrecht in aanmerking komen, hangt allereerst af
van het antwoord op de vraag of hun betekenis een specifiek deelterrein van het bestuursrecht
ontstijgt. Thans luidt dit antwoord slechts voor de intrekking van de
begunstigende beschikking zonder meer bevestigend. Het voornemen is dan ook
om daarvoor in een volgende tranche van de Awb een regeling te
treffen, zij het dan in het bredere kader van de intrekking van beschikkingen in het
algemeen.
rblz.|75|
2. Privaatrechtelijke en
tuchtrechtelijke sancties
In een beperkt aantal
gevallen worden bestuursrechtelijke voorschriften gehandhaafd door middel
van tuchtrecht. Dat is bijvoorbeeld het geval bij voorschriften gesteld
door de organen van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie en overigens bij regels
inzake vrije en medische beroepen. Vraagstukken van cumulatie en
samenloop betreffen in die context vooral
de verhouding tussen
straf- en tuchtrecht en komen daarom niet voor regeling in de Algemene wet
bestuursrecht in aanmerking.
Zoals bij de
totstandkoming van de
derde tranche
is aangekondigd (Kamerstukken II 1994-1995,
23 700, nr. 5, blz. 42 (vraag 6.10)), is wel overwogen of in de Algemene wet
bestuursrecht een regeling moest worden getroffen voor de samenloop
tussen bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke sancties. Daarvan is
echter afgezien. Het is niet helemaal duidelijk wat onder privaatrechtelijke
sancties moet worden verstaan. Te denken valt aan bepalingen inhoudende
dat bedingen in strijd met bestuursrechtelijke wetgeving nietig zijn (vgl.
bijvoorbeeld artikel 23 Colportagewet
of artikel 4:4 Arbeidstijdenwet). Dat is
een materie die zich naar zijn aard niet voor algemene regeling leent.
Voorts valt te denken aan handhaving door civielrechtelijke acties van de overheid. Daarvoor bestaat, zoals door de
commissie-Michiels
uiteengezet, naar geldend recht slechts in beperkte mate ruimte en daaraan
bestaat ook nauwelijks behoefte (zie hoofdstuk 8 van het eerdergenoemde
rapport Handhaven op niveau, in het bijzonder blz. 138). Ten slotte valt te denken
aan contractuele boeten. In bestuursrechtelijke verhoudingen zal het
bedingen daarvan door de overheid in de meeste gevallen afstuiten op het
legaliteitsbeginsel (vgl. Afd. rechtspraak RvS
4 november 1993, AB 1994,
182) of op de doorkruisingsleer van de Hoge Raad, welke inhoudt dat het de
overheid niet is toegestaan gebruik te maken van het privaatrecht indien
dit een onaanvaardbare doorkruising van het publiekrecht zou
opleveren (HR 26 januari 1990, NJ 1991, 393; AB 1990, 408 (Windmill)). Al met
al is de rol van privaatrechtelijke sancties bij de handhaving van het
bestuursrecht dus zodanig beperkt dat er geen reden is daarvoor thans een
regeling te treffen, daargelaten of de Awb
daarvoor de juiste plaats zou
zijn.
3. De indeling van
hoofdstuk 5
Zoals reeds opgemerkt,
vallen bestuurlijke handhavingsbevoegdheden uiteen in
toezichtsbevoegdheden en sanctiebevoegdheden. Hoofdstuk 5 van de
Algemene wet bestuursrecht, zoals dit bij de
derde tranche
is tot stand gekomen, bestaat
thans uit drie afdelingen. Afdeling 5.2 is gewijd aan het toezicht
op de
naleving van wettelijke voorschriften. De afdelingen 5.3 en
5.4 bevatten
bepalingen over twee bestuurlijke sancties, te weten respectievelijk de last
onder bestuursdwang en de last onder dwangsom. Afdeling 5.1 was bij de derde tranche gereserveerd voor toekomstige
algemene bepalingen over
bestuurlijke handhaving. Deze afdeling wordt bij dit wetsvoorstel
ingevuld, met dien verstande dat ervoor is gekozen hoofdstuk 5 in titels
onder te verdelen.
Bestuurlijke sancties
vallen uiteen in twee soorten, tot dusver veelal aangeduid als reparatoire
respectievelijk punitieve sancties. In dit wetsvoorstel wordt voor het
begrip reparatoire sanctie de Nederlandse term "herstelsanctie"
geïntroduceerd. Punitieve sancties worden in dit wetsvoorstel aangeduid als
bestraffende sancties. Voor een nadere toelichting op de inhoud van het
onderscheid zij verwezen naar de toelichting op artikel
5.0.2. Gelet op dit onderscheid zijn de bestaande afdelingen over de bestuursdwang en de last
onder dwangsom (beide herstelsancties) bijeengebracht in één titel. In
verband daarmee is ook de rest van hoofdstuk 5 in titels onderverdeeld.
Deze herindeling van hoofdstuk 5 maakt het noodzakelijk de bestaande afdelingen
van hoofdstuk 5 te vernummeren. Van het vernummeren van de afzonderlijke artikelen is afgezien. Laatstgenoemde
rblz.|76|
vernummering zou de
praktijk voor onnodige problemen stellen, aangezien in wetgeving,
jurisprudentie en literatuur veelvuldig naar de betrokken artikelen wordt
verwezen. Het bezwaar dat hoofdstuk 5 nu hier en daar een
niet-doorlopende nummering krijgt, weegt daartegen niet op.
Eén en ander betekent
dat thans de volgende indeling van hoofdstuk 5 wordt voorgesteld:
Hoofdstuk 5.
Handhaving
Titel 5.1. Algemene
bepalingen
Titel 5.2. Toezicht op de
naleving
Titel 5.3. Herstelsancties
Afdeling 5.3.1. Last onder
bestuursdwang
Afdeling 5.3.2. Last onder
dwangsom
Titel 5.4. Bestuurlijke
boete
Afdeling 5.4.1. Algemene
bepalingen
Afdeling 5.4.2. De
procedure
De nieuwe
titel 5.1,
houdende algemene bepalingen, alsook titel 4.4 over bestuursrechtelijke
geldschulden, nopen tot enige wijzigingen in de bestaande afdelingen over
de bestuursdwang en de last onder dwangsom. In sommige
gevallen zijn deze wijzigingen inhoudelijk van aard, in andere gevallen
kunnen artikelen of onderdelen daarvan vervallen omdat het desbetreffende
punt elders in de Awb meer algemeen wordt geregeld.
Op advies van de Raad van State is voorts van de gelegenheid gebruik gemaakt om de afdeling over bestuursdwang iets anders
op te
zetten, in dier voege dat
daarin steeds wordt gesproken over een last onder bestuursdwang.
Daarnaast worden enkele aanvullingen voorgesteld ter versterking van de positie van de derde die het bestuur om handhavend
optreden heeft gevraagd.
Deze wijzigingen worden toegelicht in hoofdstuk IV
(Herstelsancties) van deze memorie van toelichting.
4. Algemene bepalingen
over handhaving (titel 5.1)
De thans voorgestelde
titel 5.1 bevat een beperkt aantal algemene bepalingen over bestuurlijke
handhaving. Het betreft onder meer definitiebepalingen, bepalingen over de eisen
waaraan sanctiebeschikkingen moeten voldoen, over de
opbrengst en de invordering van financiële sancties, over het
legaliteitsbeginsel en over de samenloop van sancties. Deze bepalingen over
bestuurlijke sancties zijn in zoverre algemeen dat zij gelden voor de drie
bestuurlijke sancties die thans in de Awb zijn of worden geregeld: de last
onder bestuursdwang, de last onder dwangsom en de bestuurlijke boete.
Zij gelden niet rechtstreeks voor andere bestuurlijke sancties, die (nog) niet
in de Awb zijn geregeld. Deze keuze berust op praktische overwegingen.
In dit stadium valt niet goed te overzien of de algemene bepalingen ook
op buiten de Awb geregelde sancties onverkort kunnen worden toegepast.
Om dat te beoordelen, zou een uitvoerige inventarisatie van in de
wetgeving voorkomende bestuurlijke sancties nodig zijn. Gelet op het belang van een regeling van de bestuurlijke boete
heeft een dergelijke
inventarisatie thans geen prioriteit.
Gelet hierop is ervoor
gekozen de reikwijdte van de artikelen 5.0.4 tot en met
5.0.10 [5:4 t/m 5:10], betreffende
bestuurlijke sancties, in ieder geval vooralsnog te beperken tot de
uitdrukkelijk in hoofdstuk 5 Awb
geregelde sancties (artikel 5.0.3
[5:3], onderdeel
a). Daarnaast is echter de mogelijkheid geopend dat de bijzondere
wetgever deze artikelen van toepassing verklaart op een nog niet in de Awb
geregelde sanctie (artikel 5.0.3 [5:3], onderdeel b). Indien bij de aanpassingswetgeving
blijkt dat genoemde artikelen zich voor toepassing op een bepaalde sanctie
lenen, zal daartoe worden overgegaan. Aldus kan de
harmoniserende werking van de titel worden vergroot, rblz.|77|
zonder dat
onduidelijkheid ontstaat over de sancties waarop zij van toepassing is.
Van de drie genoemde
sancties hebben de last onder bestuursdwang en de last onder dwangsom
het karakter van reparatoire sancties of herstelsancties; alleen de bestuurlijke
boete is een bestraffende of punitieve sanctie. Gelet daarop zijn
beginselen die slechts (onverkort) gelden voor bestraffende sancties, zoals het beginsel
"geen straf zonder schuld" en
het beginsel van de
evenredigheid tussen de ernst van de gedraging en de zwaarte van de
sanctie, niet in titel 5.1 gecodificeerd, maar in de titel over de bestuurlijke
boete. Een meer algemene formulering van deze beginselen heeft in dit
stadium geen meerwaarde. Wel is ook hier de mogelijkheid geopend dat
de bijzondere wetgever de regels over de bestuurlijke boete van overeenkomstige toepassing verklaart op andere
bestraffende bestuurlijke
sancties (artikel 5.4.2.7 [5:54]).
Artikelsgewijs
Titel 5.1. Algemene bepalingen
Artikel 5.0.1
[5:1]
Eerste
lid: het begrip overtreding
Artikel
5.0.1 [5:1], eerste
lid, definieert het begrip "overtreding". Twee elementen zijn daarbij
van belang. In de eerste plaats moet sprake zijn van een "gedraging". Het
begrip "gedraging" moet in de ruimst mogelijke zin worden opgevat. Het omvat
mede een nalaten, zoals bijvoorbeeld het niet doen van een wettelijk verplichte aangifte. Ook het laten bestaan van een
verboden toestand kan een
gedraging in de zin van dit artikel zijn. Ook kan een gedraging in de wet
aan de hand van het gevolg zijn omschreven (men zie bijvoorbeeld
artikel 67e Awr [Algemene
wet inzake rijksbelastingen, red.]: een boete kan worden opgelegd indien het aan de opzet
of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat een aanslag te
laag is vastgesteld). Het begrip "gedraging" wordt in deze zelfde
ruime betekenis gebruikt in hoofdstuk 9 van de
Algemene wet bestuursrecht, in de Wet
Nationale ombudsman (zij het dat het in deze twee wetten gaat
om gedragingen van bestuursorganen) en in de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.
Het tweede belangrijke
element is dat een gedraging slechts een overtreding kan zijn indien zij in
strijd is met het bij of krachtens enig wettelijk voorschrift bepaalde. Dit
betekent bijvoorbeeld dat niet rechtstreeks met bestuurlijke sancties kan
worden opgetreden tegen gedragingen in strijd met buitenwettelijke voorschriften, zoals voorwaarden verbonden aan
gedoogbeschikkingen (vgl. bijvoorbeeld Vz. Afdeling geschillen RvS 19 november 1992, AB 1993, 240).
Overigens zal dan onder omstandigheden wel kunnen worden opgetreden
tegen de aanvankelijk gedoogde overtreding, omdat de overtreder zich
door het niet naleven van de voorwaarden niet meer kan beroepen op de
gedoogbeschikking (vgl. P.J.J. van Buuren, G.T.J.M. Jurgens,
F.C.M.A. Michiels, Bestuursdwang en dwangsom, tweede druk, Deventer
1999, blz. 86).
Tweede
lid: het begrip overtreder
Indien een overtreding
wordt geconstateerd, kan vervolgens de vraag rijzen aan wie daarvoor
een bestuurlijke sanctie kan worden opgelegd. Daarbij gaat het niet
alleen om het praktische probleem dat soms onbekend is wie de verboden
gedraging heeft verricht. Er kunnen zich ook drie te onderscheiden juridische vragen voordoen:
a. tot wie richt de
overtreden norm zich (de problematiek van de normadressaat);
rblz.|78|
b. aan wie kan de
gedraging zoals deze feitelijk heeft plaatsgevonden, worden toegerekend (de
problematiek van het daderschap);
c. kan de sanctie
uitsluitend worden opgelegd aan de overtreder of ook aan anderen?
De omschrijving van
artikel 5.0.1 [5:1], tweede lid, heeft op zichzelf slechts betrekking op het aspect
van het daderschap. Dit hangt echter zo nauw samen met de beide andere
aspecten dat hierna ter wille van de duidelijkheid op alle drie de aspecten
wordt ingegaan.
De normadressaat
Voor het antwoord
op de
vraag wie als overtreder kan worden aangemerkt, is in de eerste plaats
van belang tot wie het overtreden voorschrift zich richt. Slechts
degene tot wie een voorschrift zich richt, kan dit voorschrift overtreden. Dit is van
belang, omdat veel, zo niet de meeste, bestuursrechtelijke
voorschriften zich niet richten tot een ieder, maar slechts tot degene die
een bepaalde kwaliteit bezit, bijvoorbeeld die van vergunninghouder, van
werkgever, van ondernemer of van ontvanger van een uitkering. Wie geen bijstandsuitkering ontvangt, kan niet
op grond
van de artikelen 14a juncto
65 Algemene bijstandswet worden beboet voor het niet aan burgemeester
en wethouders melden van inkomsten.
Het kan voorkomen dat in
een concreet geval niet helemaal duidelijk is tot wie de overtreden norm
zich richt. Zo richten veel milieuvoorschriften voor inrichtingen zich
primair tot "degene die de inrichting drijft" (vgl. artikel 18.18
jo. 8.20 Wet milieubeheer). Over de reikwijdte van dit begrip bestaat enige discussie
(vgl. C.L. Knijff, G.T.J.M. Jurgens, Ch.W. Backes, De normadressaat van milieuregels voor
inrichtingen, Publikatiereeks milieubeheer 1998/8, Den Haag 1998;
zie ook ABRvS 28 april 1998, AB 1999, 43;
ABRvS 25 juni 1998, AB
1999, 44 en Vz ABRvS 31 juli 1998, AB 1999, 45). Evenzo kan in
grensgevallen wel eens twijfel bestaan of iemand "ondernemer" is. Het gaat in deze
gevallen steeds om vragen van uitleg van het desbetreffende wettelijke
voorschrift. Een algemene regeling in de Awb
kan daarvoor geen
oplossing bieden.
Daderschap
Artikel
5.0.1 [5:1], tweede
lid, merkt als overtreder aan degenen die de overtreding plegen of
medeplegen. Uitgangspunt is, net als in het strafrecht, dat de bestuurlijke sanctie
kan worden opgelegd aan degene of degenen die de gedraging "pleegt"
of "plegen". Dat kan zijn degene die door zijn fysieke handelingen de bestanddelen van het delict vervult. Een voorbeeld
is de particulier die
zijn aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting in strijd met de waarheid invult,
ondertekent en indient (vgl. artikel 67d Awr).
Sedert het befaamde
IJzerdraad-arrest (HR 23 februari 1954, NJ 1954, 378) staat evenwel vast dat
ook de zogenoemde functionele dader een strafbaar feit kan plegen: een
ondernemer kon worden gestraft voor fraude bij de export van ijzerdraad,
ook al had niet hij zelf, maar één van zijn werknemers daadwerkelijk de
formulieren onjuist ingevuld. Vereist is dan enerzijds dat de fysieke
handelingen die het delict opleveren in de machtssfeer van de functionele dader
lagen - bijvoorbeeld omdat zij werden verricht door zijn
ondergeschikten - anderzijds dat de functionele dader deze handelingen heeft
aanvaard of in het algemeen placht te aanvaarden, waarbij van
dit laatste in beginsel reeds sprake is indien de functionele dader is
tekortgeschoten in hetgeen redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht om
wederrechtelijke gedragingen te voorkomen. Kort gezegd: in het
strafrecht kan een sanctie niet alleen worden opgelegd aan degene die de
gedraging in fysieke zin verricht, maar ook door degene die daarvoor
maatschappelijk gezien verantwoordelijk is. Men zie HR 23 februari 1993, NJ
1993, 605, waarin wordt aangesloten bij het aan rblz.|79|
het civiele recht
ontleende daderschapscriterium, op grond waarvan wordt bezien of de
betreffende handeling in het maatschappelijk verkeer als handeling van de
rechtspersoon heeft te gelden. Zie voor een verwant bestuursrechtelijk geval
HR 19 januari 2001, AB 2002, 382, waarin één van drie economisch en bestuurlijk nauw verweven
BV’s als overtreder werd
aangemerkt, hoewel de overtreden vergunning formeel op naam stond van één van de andere
BV’s.
In het bestuursrecht
behoort dit niet anders te zijn. Dit betekent dat in veel gevallen een bedrijf of
instelling of de leiding van een bedrijf of instelling als overtreder zal kunnen
worden aangemerkt, ook al is de gedraging in fysieke zin gepleegd door
een werknemer (vgl. ABRvS 27 maart 2001, AB 2002, 102) of of opdrachtnemer
(vgl. ABRvS 3 juli 2002, AB 2002, 311; JB
2002, 243; ABRvS 17 juli
2002, AB 2003, 78). Het behoeft geen betoog dat dit voor de handhaving
van grote delen van het bestuursrecht van groot belang is. Opgemerkt zij
overigens dat het voorgaande niet betekent dat bijvoorbeeld een
bestuurlijke boete nooit aan een werknemer in persoon zou kunnen worden
opgelegd; zulks is in ieder geval wel mogelijk als de overtreden norm zich mede
of uitsluitend tot die werknemer richt. Ingevolge artikel 47 Sr
kunnen niet alleen degenen die een delict
- al dan niet "functioneel" - plegen daarvoor worden gestraft, maar ook degenen die het delict
doen plegen, medeplegen of uitlokken. Artikel 48 Sr
voegt daar nog aan
toe dat voor misdrijven ook medeplichtigen kunnen worden gestraft.
Medeplichtigheid aan overtredingen is dus niet strafbaar. Gelet daarop
is
geen aanleiding de figuur van de medeplichtigheid in het bestuurlijke sanctierecht te introduceren. Aan een bestuursrechtelijke
regeling van doen plegen
of uitlokking bestaat evenmin veel behoefte (aldus ook
J.T.K. Bos, De bestuurlijke boete, raakvlakken van bestuurs- en strafrecht,
preadvies VAR 1995, VAR-Reeks 114, Alphen aan den Rijn 1995, blz. 150).
Doen plegen - het plegen van een delict door middel van een ander die zelf
niet strafbaar is (vgl. J. Remmelink, mr. D. Hazewinkel-Suringa’s
Inleiding tot de studie van het Nederlandse Strafrecht, 15e druk, Arnhem 1996,
blz. 428) is ook in het strafrecht een zeldzame figuur; de problemen die
zij beoogt op te lossen, kunnen veelal ook wel met de leer van het
functioneel daderschap worden opgelost. Uitlokking - het een ander door
giften, beloften, bedreiging, enzovoort bewegen tot het plegen van een
delict - komt bij lichtere delicten evenmin veel voor en vergt bovendien veelal
een uitvoerig feitenonderzoek waarvoor de bestuursrechtelijke
procedure zich minder goed leent.
Aan de figuur van het
medeplegen kan daarentegen wel behoefte bestaan. Medeplegen doet
zich voor als twee of meer personen gezamenlijk een delict plegen. Voor
strafbaarheid als medepleger is dan niet vereist dat de medeplegers ieder
afzonderlijk alle bestanddelen van het delict vervullen, mits sprake is
van bewuste samenwerking en gezamenlijk uitvoering (zie
bijvoorbeeld HR 17 november 1981, NJ 1983, 84). Dit kan in een bestuursrechtelijke
context bijvoorbeeld van belang zijn als een groep werknemers gezamenlijk
een machine gebruikt op een wijze die onnodig gevaarlijk is voor derden
(artikel 11 Arbeidsomstandighedenwet
1998). Zij kunnen dan ieder een
overtreding plegen, ook al verricht ieder van hen maar een deel van de
fysieke handelingen die het gevaar veroorzaken.
Ook in het milieurecht
heeft de rechter beslist dat in een situatie waarin meer (rechts)personen
gezamenlijk een inrichting drijven aan ieder van hen bestuurlijke sancties
kunnen worden opgelegd (Vz ABRvS 31 juli 1998, AB 1999, 45).
Net als in het strafrecht
kunnen in het bestuursrecht personen die geen adressaat zijn van de
geschonden norm, omdat de daarvoor noodzakelijke kwaliteit ontbreekt
(bijvoorbeeld die van vergunninghouder), als medepleger en dus als overtreder
worden aangeduid ingeval zij een handeling verrichten waarmee een deel van de delictsomschrijving wordt vervuld,
mits de geadresseerde ook
deelneemt aan de overtreding. Dit betekent dat onder omstandigheden,
bijvoorbeeld, een werknemer die een rblz.|80|
vergunningvoorschrift overtreedt of een belastingadviseur die tot de
belastingplichtige
gerichte normen overtreedt als medeplegers en daarmee als overtreders
zouden kunnen worden beschouwd, ondanks het feit dat de overtreden
norm niet tot hen is gericht (zie in dit verband A.B. Blomberg, Integrale
handhaving van milieurecht, diss. UU, Den Haag 2000, blz. 50-51).
Voor een aanzienlijke
uitbreiding van het aantal gevallen waarin bestuurlijke boetes zullen worden
opgelegd aan andere dan de normadressaat behoeft overigens geen
vrees te bestaan (Blomberg, a.w., blz. 417). Voor medeplegen is immers
vereist dat de fysieke dader en de normadressaat bewust samenwerken en de
normschending gezamenlijk uitvoeren. Bovendien moet voor de
oplegging van de bestuurlijke boete sprake zijn van verwijtbaarheid (zie
artikel 5.4.1.2 [5:41] van het
wetsvoorstel). Ter vermijding van misverstand zij voorts opgemerkt dat het het bestuursorgaan natuurlijk
vrijstaat om te volstaan
met het opleggen van een boete aan de normadressaat (bijvoorbeeld de
belastingplichtige) indien aan het bestraffen van andere betrokkenen
geen behoefte bestaat.
Medeplegen onderscheidt
zich van medeplichtigheid doordat bij medeplegen sprake moet zijn van een
min of meer gelijkwaardige samenwerking, terwijl de medeplichtige
slechts een ondergeschikt aandeel in het delict heeft: hij helpt
slechts de eigenlijke dader. Dit onderscheid is van belang omdat, zoals
hiervoor uiteengezet, aan de medeplichtige geen bestuurlijke sancties
kunnen worden opgelegd.
Aan wie kan de sanctie
worden opgelegd?
Uit het voorgaande volgt
dat als overtreder kan worden aangemerkt degene tot wie de
overtreden norm zich richt en die de overtreding - al dan niet "functioneel"
- pleegt of medepleegt. Resteert de vraag of een bestuurlijke sanctie ook
aan anderen dan overtreders kan worden opgelegd. Het antwoord op deze vraag
ligt voor verschillende bestuurlijke sancties verschillend.
Een bestuurlijke boete
kan, gezien haar bestraffende karakter, uitsluitend aan een overtreder worden
opgelegd. Bij de last onder bestuursdwang daarentegen ligt het
accent op de overtreding, niet op de overtreder. Een last onder bestuursdwang
moet worden bekendgemaakt aan de overtreder, maar ook aan de
rechthebbende op het gebruik van de zaak ten aanzien waarvan
bestuursdwang wordt toegepast (artikel 5:24, derde lid). De kosten kunnen echter
slechts op de overtreder worden verhaald (artikel
5:25, eerste lid; vgl. ABRvS 17
juli 2002, AB 2003, 78; ABRvS 29 september 2000, Gst. 7149/5; HR 19
januari 2001, AB 2002, 382). Een voorbeeld ter illustratie: als A zonder
bouwvergunning een schuur bouwt en deze vervolgens in eigendom overdraagt
aan B, kan B niet worden aangemerkt als overtreder van het verbod
van artikel 40 Woningwet. De wet verbiedt immers slechts het bouwen
zonder bouwvergunning, niet het houden van een zonder vergunning
gebouwd bouwwerk (ABRvS 26 juni 2002, LJN-nr. AE4626; ABKort, 2002,
495; ABRvS 30 oktober 1998, JB 1998, 262, AAe 48(1999)3, blz. 169).
Niettemin dient de beschikking ook aan B te worden bekendgemaakt. B heeft
het immers in zijn macht de overtreding ongedaan te maken door de schuur
af te breken. Doet B dit niet, dan zal hij moeten dulden dat het
bestuursorgaan zelf tot afbraak overgaat. De kosten daarvan kunnen dan
echter niet op B, maar slechts op A worden verhaald.
Een ander voorbeeld uit
de jurisprudentie: in ABRvS 25 juni 1998, AB 1999, 44, had een onderhuurder
van een loods daarin zonder vergunning afvalstoffen opgeslagen. Naar het
oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State was
de aanschrijving bestuursdwang terecht mede bekendgemaakt aan de
verhuurder van de loods, omdat deze het in zijn macht had om de
overtreding te beëindigen (artikel 5:24, derde lid, was in deze zaak nog niet van
toepassing). Of de verhuurder ook als overtreder rblz.|81|
kon worden aangemerkt,
was echter afhankelijk van het antwoord op de vraag of de verhuurder ook feitelijk betrokken was geweest bij de opslag
van de afvalstoffen.
Overtreder is naar vaste jurisprudentie immers slechts "degene die het
te handhaven voorschrift daadwerkelijk schendt". Een last onder dwangsom
kan weer uitsluitend aan de overtreder worden opgelegd (artikel
5:32,
eerste lid); anders zou in het hiervoor gegeven voorbeeld B immers in feite worden
gedwongen tot afbraak op eigen kosten, terwijl die kosten bij
bestuursdwang nu juist niet op hem kunnen worden verhaald. In het gegeven
voorbeeld kan echter ook aan A geen last onder dwangsom worden opgelegd,
omdat hij door de eigendomsoverdracht niet langer in staat is
de overtreding ongedaan te maken. Het bestuur kan iemand niet dwingen tot
iets waartoe hij feitelijk of juridisch niet in staat is.
Het voorbeeld illustreert
overigens wederom dat het antwoord op de vraag aan wie een
bestuurlijke sanctie kan worden opgelegd in de eerste plaats afhangt van de
inhoud van de overtreden norm. Als een voorschrift niet alleen het in de
grond brengen, maar ook het in de grond houden van afvalstoffen verbiedt,
kunnen zowel degene die de grond met afvalstoffen en al heeft gekocht als
degene die de afvalstoffen heeft gestort als overtreder van dit verbod worden
aangemerkt, met dien verstande dat de omstandigheden van het
geval dan kunnen meebrengen dat van kostenverhaal jegens de verkrijger moet
worden afgezien (vgl. ABRvS 26 september 1996, BR 1996, blz. 122).
Derde
lid: rechtspersonen
Of
een bestuurlijke
sanctie kan worden opgelegd aan een rechtspersoon, wordt wederom in de
eerste plaats bepaald door de inhoud van het overtreden voorschrift. Sommige
voorschriften richten zich zowel tot natuurlijke personen als tot
rechtspersonen, andere uitsluitend tot rechtspersonen, terwijl weer andere
- bijvoorbeeld sommige voorschriften in de sociale zekerheid - naar hun aard slechts door natuurlijke personen kunnen worden overtreden.
Ook zijn er voorschriften, bijvoorbeeld in de Mededingingswet, die zich
richten tot "ondernemingen" of, in de Wet
milieubeheer, "degene
die de inrichting drijft". Een onderneming of de "drijver" van een
inrichting kan bestaan uit één of meer natuurlijke en/of rechtspersonen. Omdat een
financiële sanctie - een betalingsverplichting - uiteindelijk slechts
kan rusten op een bepaald vermogen in de civielrechtelijke betekenis van dat woord,
moet dan zo nodig worden bepaald aan welk(e) rechtssubject(en)
de overtreding kan worden toegerekend (vgl. artikel 56 Mededingingswet).
Als de gedraging door een
rechtspersoon kan worden gepleegd - er is dan uiteraard altijd
sprake van functioneel daderschap - waarborgt artikel
5.0.1 [5:1], derde lid, dat de
bestuurlijke sanctie ook aan die rechtspersoon kan worden opgelegd. In
artikel 5.0.1 [5:1], derde lid, wordt artikel 51 Sr
van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit betekent onder meer dat
bestuurlijke sancties
kunnen worden opgelegd aan de in artikel 51, derde lid, Sr
afzonderlijk
genoemde entiteiten die geen rechtspersoon in civielrechtelijke zin zijn, zoals onder meer de
maatschap en de
vennootschap onder
firma. Eén en ander is
voor het bestuursrecht vanzelfsprekend van groot belang: veel
bestuursrechtelijke voorschriften richten zich tot ondernemingen of
instellingen en dan behoort de rechtsvorm van de onderneming of instelling
niet van invloed te zijn op de mogelijkheid om een bestuurlijke sanctie
op te leggen.
Indien een overtreding is
gepleegd door een rechtspersoon, kan de bestuurlijke sanctie
daarnaast of in plaats daarvan ook worden opgelegd aan degenen die tot de
overtreding opdracht hebben gegeven of daaraan feitelijk leiding hebben
gegeven. Zulks wordt, naar analogie van artikel 51 Sr, in de bestuursrechtelijke jurisprudentie reeds aanvaard
(Vz. Afd. rechtspraak RvS 24
februari 1984, AB 1984, 480 (Booy Clean); ABRvS
rblz.|82|
22 maart 1995, AB 1995,
538. Het ligt in de rede deze jurisprudentie thans te codificeren. Overigens
staat het het bestuursorgaan natuurlijk vrij om te volstaan met het opleggen
van een boete aan de rechtspersoon.
Wat betreft de
mogelijkheid om bestraffende bestuurlijke sancties op te leggen aan
publiekrechtelijke rechtspersonen zal vooralsnog aansluiting moeten worden gezocht bij
de strafrechtelijke jurisprudentie. Dit betekent sedert HR 6 januari 1998,
NJ 1998, 367 (Pikmeer II), dat in ieder geval bij decentrale overheidslichamen een dergelijke
sanctieoplegging in
beginsel mogelijk is,
tenzij de gedraging werd verricht ter uitvoering van een exclusieve
overheidstaak. Een voorbeeld vormt een uitspraak van de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 april 2002 (JB 2002, 164). De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid had aan een gemeente een
bestuurlijke boete opgelegd wegens overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 in verband met een arbeidsongeval in het gemeentehuis.
In 2002 heeft de commissie-Roelvink op verzoek van het kabinet een rapport uitgebracht over
de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de Staat (Strafrechtelijke
aansprakelijkheid van overheidsorganen, Kamerstukken II 2001-2002, 25 294, nr. 15).
Hierin pleit de Commissie voor strafrechtelijke aansprakelijkheid van
zelfstandige onderdelen van de staat en van publiekrechtelijke
rechtspersonen op decentraal niveau, ook als er sprake is van de uitoefening van
een exclusieve overheidstaak. Bij zelfstandige onderdelen van de Staat
denkt de Commissie in het bijzonder aan diensten, instellingen en andere
organisatorische eenheden van de Staat die met voldoende mate van
zelfstandigheid aan het maatschappelijk verkeer kunnen deelnemen. De
Staat als zodanig blijft uitgesloten van strafrechtelijke aansprakelijkheid. De
aansprakelijkheid van onderdelen van de Staat zou volgens de Commissie
in het bijzonder kunnen spelen op het terrein van ordeningswetgeving,
zoals regelgeving met betrekking tot milieu en arbeidsomstandigheden. Op
het terrein van de ordeningswetgeving worden thans al op ruime
schaal bestuurlijke boeten toegepast. Een definitief oordeel over de
mogelijkheid om bestraffende bestuurlijke sancties op te leggen aan
publiekrechtelijke rechtspersonen zal worden uitgesproken in het kabinetsstandpunt
naar aanleiding van de bevindingen van de commissie-Roelvink.
Artikel 5.0.2
[5:2]
Eerste lid
a. Het begrip bestuurlijke
sanctie
Onderdeel
a van artikel 5.0.2 [5:2], eerste lid, definieert een bestuurlijke sanctie als een door een bestuursorgaan wegens een overtreding opgelegde
verplichting of onthouden
aanspraak. Drie elementen zijn in deze omschrijving van belang.
In de eerste plaats moet het gaan om een door een bestuursorgaan opgelegde sanctie; dit sluit door de straf- of tuchtrechter
opgelegde sancties uit.
Wat door het openbaar
ministerie opgelegde sancties betreft, moet nader onderscheid worden
gemaakt. Op zichzelf is de officier van justitie, als orgaan van de Staat der
Nederlanden en dus van een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon
(artikel 1:1, eerste lid, onderdeel a), een bestuursorgaan in de zin
van de Awb. Dit betekent dat de boeten die het OM in administratief
beroep kan opleggen krachtens de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (in de wandeling bekend als de Wet
Mulder) bestuurlijke sancties in de zin van dit wetsvoorstel zijn.
Het aanbieden van een
transactie door het openbaar ministerie is daarentegen geen bestuurlijke
sanctie; het ingevolge artikel 37 van de Wet
op de economische delicten of
artikel 76 Awr
aanbieden van een strafrechtelijke rblz.|83|
transactie door een
bestuursorgaan evenmin. Een transactie is het afzien van strafvervolging onder
de voorwaarde dat de verdachte een geldbedrag aan de Staat betaalt. Het
is dus een handeling in het kader van de opsporing en vervolging
van strafbare feiten, waarop hoofdstuk 5 van de
Awb ingevolge artikel 1:6
niet van toepassing is. Indien de in het thans bij de Raad van State
aanhangige wetsvoorstel OM-afdoening opgenomen bevoegdheid van de
officier van justitie om in bepaalde gevallen bij beschikking een sanctie
op te leggen wegens een strafbaar feit, tot wet wordt verheven, zal
hetzelfde gelden. In de tweede plaats behelst een sanctie hetzij een
verplichting, die door het bestuursorgaan wordt opgelegd, hetzij het
geheel of gedeeltelijk onthouden van een aanspraak door een bestuursorgaan.
Deze verplichting kan zijn een verplichting om een geldsom te betalen,
zoals bij de bestuurlijke boete, maar ook een verplichting om een
overtreding te beëindigen in combinatie met een voorwaardelijke
verplichting om een geldsom te betalen, zoals bij de last onder dwangsom.
De
woorden "of onthouden aanspraak" zijn opgenomen omdat in de sfeer van de
sociale zekerheid en de subsidies sancties voorkomen die niet zozeer
een nieuwe verplichting voor de overtreder inhouden, maar een
vermindering (eventueel tot nihil) van de financiële aanspraken die de
overtreder zonder de overtreding zou hebben gehad.
In de derde plaats is
slechts sprake van een sanctie als een bestuursorgaan een verplichting oplegt
of een aanspraak onthoudt als reactie op een overtreding, dat wil
zeggen een gedraging die in strijd is met het bij of krachtens enig wettelijk
voorschrift bepaalde (artikel 5.0.1
[5:1], eerste lid). Dit element van de
omschrijving onderscheidt bestuurlijke sancties van verplichtingen, zoals
heffingen, die bestuursorganen kunnen opleggen naar aanleiding van
gedragingen die op zichzelf niet in strijd met enig bestuursrechtelijk voorschrift behoeven te zijn.
b. Het begrip herstelsanctie
Bestuurlijke sancties
worden doorgaans onderscheiden in reparatoire en punitieve sancties, in
dit wetsvoorstel aangeduid als herstelsancties respectievelijk
bestraffende sancties. Bestraffende sancties zijn gericht op het bestraffen van de
dader, herstelsancties zijn gericht op het beëindigen of ongedaan maken van de
overtreding of de gevolgen daarvan, dan wel het voorkomen van
herhaling. De omschrijving is in hoofdzaak ontleend aan de huidige
omschrijving van bestuursdwang. In dit verband dient te worden opgemerkt dat ook
bestraffende sancties mede gericht kunnen zijn op het voorkomen van
herhaling (vgl. de speciale en generale preventie bij de
klassieke strafrechtelijke sancties).
Met de woorden "geheel
of gedeeltelijk" is beoogd aan te geven dat ook zogenaamde "partiële
handhaving" onder omstandigheden denkbaar is.
Uitgangspunt blijft dat
een handhavingsbesluit gericht moet zijn op het volledig beëindigen of
ongedaan maken van (de gevolgen van) een overtreding. Partieel handhaven is
immers per definitie ook partieel gedogen. Een besluit tot partieel
handhaven zal dus in ieder geval moeten passen binnen de beleidskaders
voor gedogen (vgl. nog steeds de nota Gedogen in Nederland,
Kamerstukken II 1996-1997, 25 085, nr. 2).
Maar ook binnen deze
kaders is partieel handhaven niet altijd aanvaardbaar. Het legaliteitsbeginsel
brengt mee dat onder omstandigheden wel aanvaardbaar kan zijn dat
een bestaand voorschrift in afgezwakte vorm wordt gehandhaafd, maar
niet dat in een handhavingsbesluit geheel nieuwe voorschriften in
het leven worden geroepen. Het kan niet zo zijn dat het besluit dat een
overtreding sanctioneert zelf het overtreden voorschrift in het leven roept, zelfs
niet als ditzelfde voorschrift in de gedaante van bijvoorbeeld een
vergunningvoorschrift inhoudelijk alleszins aanvaardbaar zou zijn.
Ook dan zou immers de procedure voor het opleggen van
vergunningvoorschriften worden omzeild.
rblz.|84|
Eén
en ander spoort met
de jurisprudentie inzake voorschriften bij gedoogbesluiten. Bij
gedoogbesluiten worden soms wel nieuwe voorschriften in het leven geroepen,
maar juist omdat dit op gespannen voet staat met het
legaliteitsbeginsel is het vaste jurisprudentie dat het bestuur tegen overtreding
van deze "gedoogvoorschriften" niet rechtstreeks handhavend kan optreden.
Indien gedoogvoorschriften worden overtreden, kan het
bestuur slechts optreden tegen de oorspronkelijke, aanvankelijk gedoogde,
overtreding, dat wil zeggen het gedogen beëindigen.
Een voorbeeld kan één en
ander verduidelijken. Stel dat een vergunningvoorschrift bepaalt dat het door
een
inrichting veroorzaakte geluidsniveau de 40 dB niet mag
overschrijden. Bij controle blijkt dat dit niveau ruimschoots wordt overschreden, maar
dat volledige naleving forse investeringen vergt die niet op korte termijn kunnen worden gerealiseerd, terwijl
het door enkele
provisorische voorzieningen wel mogelijk is het niveau op korte termijn terug te
brengen tot 45 dB. Onder omstandigheden is dan denkbaar dat in afwachting van een definitieve oplossing een last wordt
opgelegd met een dwangsom
voor iedere keer dat de 45 dB wordt overschreden. In die zin wordt het
voorschrift dat maximaal 40 dB voorschrijft dan partieel gehandhaafd.
Dat is onder omstandigheden toelaatbaar. Maar stel nu dat het
bestuursorgaan tegen de geluidsoverlast wil optreden met een last
onder dwangsom inhoudende dat de inrichting, in afwachting van een
definitieve oplossing, tussen middernacht en zes uur ’s ochtends moet worden
gesloten. Dat is slechts toelaatbaar als de wet of de vergunning ook reeds
voorschriften bevatten omtrent de tijdstippen waarop de inrichting in
bedrijf mag zijn. Anders zou zich immers het geval voordoen dat de
sanctiebeschikking zelf de te handhaven norm creëert, hetgeen als gezegd in
strijd komt met het legaliteitsbeginsel.
Van het voorgaande moet
weer worden onderscheiden de situatie dat een vergunningplichtige
inrichting geheel zonder vergunning in bedrijf is. Voor die situatie heeft
de Afdeling bestuursrechtspraak geoordeeld dat uitgangspunt moet zijn
dat het handhavingsbesluit gericht moet zijn op het volledig opheffen van
de overtreding. Een handhavingsbesluit dat strekt tot het slechts
gedeeltelijk opheffen van de overtreding is slechts onder bijzondere omstandigheden toegestaan
(ABRvS 10 april 2002, JB
2002, 163). De Afdeling
noemt geen voorbeeld van die bijzondere omstandigheden, maar men zou bijvoorbeeld
kunnen denken aan het - uitzonderlijke - geval waarin een
inrichting zowel technisch als bedrijfseconomisch kan worden gesplitst in
twee onderdelen, waarvan het ene wel en het andere niet kan worden
gelegaliseerd.
c. Het begrip "bestraffende
sanctie"
Bestuurlijke sancties die
geen herstelsancties zijn, worden thans veelal "punitieve" sancties
genoemd. In het wetsvoorstel worden zij aangeduid als bestraffende
sancties. Het kenmerk van bestraffende sancties is dat zij wordt opgelegd met het
oogmerk om de overtreder leed toe te voegen. Over de vraag wanneer aan dit criterium is voldaan, bestaat veel jurisprudentie
en literatuur. Deze kan
in dit verband echter buiten beschouwing blijven, nu de
voorgestelde bepalingen vooralsnog slechts van toepassing zullen zijn op
de
bestuurlijke boete - die in ieder geval bestraffend van aard is - en eventueel
op andere als zodanig aangeduide bestraffende sancties (zie de
artikelen 5.0.3 [5:3] en 5.4.2.7
[5:54]).
Tweede lid
Een aantal
bestuursrechtelijke wetten geeft aan een bestuursorgaan de bevoegdheid om een burger
of een onderneming de verplichting op te leggen bepaalde
handelingen ter naleving van wettelijke voorschriften te verrichten. Men spreekt
dan wel van een zelfstandige of enkelvoudige last.
rblz.|85|
Bekende voorbeelden zijn
de aanschrijving tot woningverbetering ingevolge artikel 14 Woningwet, de
eis tot naleving ingevolge artikel 27 Arbeidsomstandighedenwet
1998 en de bindende aanwijzing van de directeur van de Dienst
uitvoering en toezicht energie ingevolge artikel 5a Elektriciteitswet
1998.
Tegen het niet uitvoeren van een dergelijke last kan veelal met bestuurlijke
sancties worden opgetreden. In veel gevallen wordt echter ook de last
zelf opgelegd naar aanleiding van een overtreding. De wetgever heeft het in
deze gevallen echter wenselijk geacht dat het bestuur eerst nader
zou concretiseren welke verplichtingen voor de burger uit de overtreden
norm voortvloeien, alvorens naleving van die verplichtingen
daadwerkelijk door het bestuur kan worden afgedwongen. Gelet hierop is het niet
wenselijk ook de enkelvoudige last zelf als een bestuurlijke sanctie aan
te merken. Nu de omschrijving van het eerste lid daaromtrent enige twijfel
zou kunnen doen rijzen, is in het tweede lid uitdrukkelijk bepaald dat
een enkelvoudige last geen bestuurlijke sanctie is.
Artikel 5.0.3
[5:3]
Om redenen die in het
algemeen deel van dit hoofdstuk van deze toelichting zijn uiteengezet, is de
reikwijdte van de artikelen 5.0.4 tot en met 5.0.10
[5:4 t/m 5:10] vooralsnog beperkt
tot de in de Algemene wet bestuursrecht geregelde sancties, met dien
verstande dat de bijzondere wetgever bestuurlijke sancties kan aanwijzen
waarop de titel eveneens van toepassing is.
Artikel 5.0.4
[5:4]
Het strafrecht kent het
beginsel "nullum crimen sine praevia lege criminali, nulla poena sine praevia
lege poenali": geen strafbaar feit en geen straf zonder voorafgaande
wettelijke strafbepaling. Hoewel het in Nederland slechts voor het
strafrecht is gecodificeerd (in artikel 16
Grondwet en artikel 1 Sr), geldt dit beginsel
ook voor bestuurlijke sancties. Voor bestraffende sancties volgt dit uit
artikel 7 EVRM en artikel 15 IVBPR [Internationaal verdrag inzake
burgerrechten en politieke rechten, red.]; voor herstelsancties -
althans voor de last
onder bestuursdwang en de last onder dwangsom - geldt het
beginsel naar algemene opvatting evenzeer, maar is het nergens
vastgelegd. Het ligt daarom voor de hand dit beginsel in titel 5.1 te codificeren.
Aan het
legaliteitsbeginsel kunnen verschillende aspecten worden onderscheiden. In de eerste plaats dient
de bevoegdheid om wegens een gedraging een bepaalde sanctie op
te leggen uitdrukkelijk bij of krachtens de wet in formele zin te
zijn toegekend. Voor de last onder bestuursdwang was dit reeds vastgelegd
in artikel 5:22; het voorgestelde artikel
5.0.4 [5:4], eerste lid, breidt deze
regel uit tot de overige sancties.
In de eerste plaats kan
een sanctie slechts worden opgelegd wegens een gedraging die bij of
krachtens een wettelijk voorschrift is verboden. Buitenwettelijke
voorschriften, zoals voorwaarden verbonden aan gedoogbeschikkingen,
kunnen dus niet rechtstreeks door middel van bestuurlijke sancties
worden gehandhaafd (aldus ook Vz. Afd. geschillen RvS 19 november 1992, AB
1993, 240), op een wettelijk voorschrift steunende vergunningvoorschriften
daarentegen in beginsel wel. Dit aspect is neergelegd in het tweede
lid van artikel 5.0.4 [5:4], tezamen met een ander belangrijk aspect: het
verbod van sanctieoplegging met terugwerkende kracht. Uit deze bepaling
mag men overigens niet a contrario afleiden dat bij andere besluiten
terugwerkende kracht wel is toegestaan. De vraag in hoeverre dit het geval
is, wordt tot dusver niet door de Awb
beantwoord. Het verbod van
sanctieoplegging met terugwerkende kracht brengt bovendien mee dat niet
alleen de gedragsnorm, maar ook deze bevoegdheidsnorm ten tijde van de overtreding reeds moet bestaan. Dit is eveneens neergelegd in
het tweede lid. Een voorbeeld kan één en ander verduidelijken. Stel dat
de wetgever besluit om de strafrechtelijke handhaving rblz.|86|
van een bepaald gedragsvoorschrift te vervangen door bestuursrechtelijke
handhaving. Op 1 januari
2005 treedt een wet in werking waarbij aan een
bestuursorgaan de bevoegdheid wordt toegekend om bij overtreding van het
gedragsvoorschrift een bestuurlijke boete op te leggen. Dit
bestuursorgaan kan dan geen boeten opleggen voor overtredingen die in 2004 plaatsvonden,
ook al was de desbetreffende gedraging ook toen al verboden. De
burger moet immers niet alleen uit de wet kunnen afleiden wat hem
verboden is, maar ook met welke sancties hij bij overtreding van het
verbod wordt bedreigd.
Aan laatstgenoemde
voorwaarde is voldaan indien de bevoegdheid om voor een bepaalde
overtreding een bestuurlijke sanctie op te leggen ongewijzigd overgaat van
het ene bestuursorgaan naar een ander bestuursorgaan. Dit kan
zich bijvoorbeeld voordoen als twee zelfstandige bestuursorganen worden samengevoegd of bij een gemeentelijke herindeling.
In dat geval kan het "nieuwe" bestuursorgaan zonder bezwaar een bestuurlijke sanctie
opleggen voor een overtreding die plaatsvond toen het "oude" bestuursorgaan nog bestond. De overtreding en de sanctie
zijn immers niet
gewijzigd.
Uit het
legaliteitsbeginsel volgt voorts ook dat een voorschrift dat door bestuurlijke sancties
wordt gehandhaafd voldoende duidelijk, voorzienbaar en kenbaar moet zijn (ook
wel genoemd het "lex-certabeginsel"). Het Europees Hof voor de
Rechten van de Mens [EHRM, red.] leidt dit af uit artikel 7 EVRM (vgl. EHRM 25 mei
1993, Publ. ECRM, Ser. A, Vol. 260 (Kokkinakis/Griekenland) en EHRM 27
september 1995, NJ 1996, 49 (G./Frankrijk)). Zie voor voorbeelden uit de
Nederlandse rechtspraak waarin een bestuurlijke boete werd vernietigd
omdat het overtreden voorschrift onvoldoende duidelijk was Rechtbank
’s-Gravenhage
23 december 1998, JB 1999, 57, en ABRvS
20 november 2002, AB
2003, 173.
Een laatste aspect,
namelijk dat de wet ook de maximale hoogte van de sanctie moet bepalen, is
specifiek voor de bestuurlijke boete en daarom neergelegd in artikel
5.4.1.7 [5:46]. Hetzelfde geldt voor de problematiek van verandering van
wetgeving; daarvoor zij verwezen naar de toelichting
op artikel
5.4.1.7, vierde lid.
Artikel 5.0.5
[5:5]
Het Wetboek van
Strafrecht regelt in de artikelen 39 en volgende een aantal gevallen waarin
geen straf kan worden opgelegd: de zogenoemde strafuitsluitingsgronden.
Deze vallen uiteen in rechtvaardigingsgronden en
schulduitsluitingsgronden. Indien zich een rechtvaardigingsgrond voordoet, is
het feit
niet strafbaar en kan er dus niemand voor worden gestraft.
Schulduitsluitingsgronden daarentegen zien op de schuld van de individuele dader. De
dader die zich op een schulduitsluitingsgrond kan beroepen, kan niet worden
gestraft, maar daarmee is niets gezegd over de strafbaarheid van
eventuele mededaders.
Rechtvaardigingsgronden
zijn voor alle bestuurlijke sancties van belang, schulduitsluitingsgronden
daarentegen alleen voor bestuurlijke boeten. Voor het kunnen opleggen
van een herstelsanctie is immers niet vereist dat de overtreder iets te
verwijten valt (vgl. bijvoorbeeld ABRvS 4 juli 2001, AB 2002/6). Derhalve wordt hier slechts ingegaan
op de rechtvaardigingsgronden.
De schulduitsluitingsgronden komen aan de orde in de toelichting op
artikel
5.4.1.2 [5:41], waarin
het beginsel "geen straf zonder schuld" is neergelegd.
De klassieke
rechtvaardigingsgronden zijn overmacht, noodweer, handelen ter uitvoering
van een wettelijk voorschrift en handelen ter uitvoering van een
bevoegd gegeven ambtelijk bevel. Overwogen is of deze catalogus van
strafuitsluitingsgronden in het bestuursrecht zou moeten worden
overgenomen. Om een aantal redenen is daarvan afgezien. Sommige klassieke
strafuitsluitingsgronden missen voor het bestuursrecht praktische
betekenis: een geval waarin de pleger van een rblz.|87|
met een bestuurlijke
boete gesanctioneerde overtreding zich op noodweer zou kunnen beroepen, is
niet goed voorstelbaar. Wel voorstelbaar zijn gevallen waarin de pleger
van een dergelijke overtreding zich zou kunnen beroepen op overmacht,
een wettelijk voorschrift of een ambtelijk bevel. De strafrechtspraktijk
heeft echter geleerd dat het wettelijk benoemen van deze
strafuitsluitingsgronden slechts in beperkte mate zou bijdragen aan de rechtszekerheid. Het
is ook in het strafrecht overwegend de jurisprudentie geweest die aan een
begrip als overmacht inhoud heeft gegeven. Daarom is volstaan met de
bepaling dat geen bestuurlijke boete kan worden opgelegd indien
voor de overtreding een rechtvaardigingsgrond bestond. Aldus wordt
erkend dat er omstandigheden zijn waaronder een verboden gedraging niet
wederrechtelijk is en wordt ook het onderscheid tussen rechtvaardigings-
en schulduitsluitingsgronden overgenomen, maar worden bestuur en rechter niet onnodig gebonden aan een
bepaalde onderverdeling
van deze rechtvaardigingsgronden. Het is aan het bestuur en
uiteindelijk aan de rechter om het begrip rechtvaardigingsgrond voor het bestuursrecht
nader in te vullen.
Daarbij ligt het
natuurlijk wel voor de hand dat het bestuur en de rechter de strafrechtelijke
jurisprudentie en de klassieke strafuitsluitingsgronden tot uitgangspunt zullen
nemen. In het algemeen zal zulks in een bestuursrechtelijke context niet snel tot het
aannemen van een rechtvaardigingsgrond leiden. Als gezegd, kunnen
de rechtvaardigingsgronden overmacht en handelen ter
uitvoering van een wettelijk voorschrift of een bevoegd gegeven ambtelijk bevel
ook in het bestuursrecht een rol spelen, maar die rol zal bescheiden zijn.
Situaties van fysieke overmacht zijn natuurlijk nooit uit te sluiten,
maar zijn schaars. Gegeven de regeldichtheid in het bestuursrecht kan
evenmin
geheel worden uitgesloten dat naleving van het ene wettelijk voorschrift
onder bijzondere omstandigheden in strijd komt met een ander wettelijk
voorschrift of, in het verlengde daarvan, met een ambtelijk bevel, maar dit
komt minder vaak voor dan wel eens wordt gesuggereerd. Niettemin
kan men zich in een bedrijf bijvoorbeeld situaties voorstellen waarin de
naleving van voorschriften gericht op de bescherming van de veiligheid van
omwonenden of van het milieu het noodzakelijk maakt om te handelen in
strijd met voorschriften op het gebied van de arbeidsomstandigheden of
arbeidstijden. Daarvoor behoort dan geen bestuurlijke sanctie te
kunnen worden opgelegd, mits is voldaan aan de - ook in het strafrecht
gestelde - eis van proportionaliteit: men moet uit twee kwaden wel het
minste kiezen. Vaak zullen dergelijke conflicten overigens in een eerder
stadium kunnen worden opgelost door een redelijke interpretatie van de
overtreden voorschriften of doordat deze zelf uitzonderingsclausules
kennen voor bijzondere situaties.
Het onderhavige artikel
impliceert niet dat het bestuursorgaan bij iedere bestuurlijke sanctie moet
onderzoeken of een rechtvaardigingsgrond aanwezig is en moet
motiveren waarom dat niet het geval is. Daartoe is slechts aanleiding indien
de overtreder een onderbouwd beroep doet op een rechtvaardigingsgrond
of anderszins aanwijzingen bestaan dat mogelijk een rechtvaardigingsgrond
aanwezig is.
Volledigheidshalve zij opgemerkt dat het enkele feit dat een illegale situatie kan worden
gelegaliseerd op zichzelf geen rechtvaardigingsgrond in de zin van dit artikel
oplevert. Dit is vooral voor herstelsancties van belang. Op het terrein van
het ruimtelijk bestuursrecht komt het nogal eens voor dat een
bouwwerk bijvoorbeeld in strijd met het bestemmingplan is gebouwd of wordt
gebruikt, maar dat daarvoor alsnog vrijstelling kan worden verleend. In
dat geval kunnen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer
in het bijzonder de in artikel 3:4, tweede lid,
Awb
neergelegde eis van een
evenwichtige belangenafweging, zich tegen het opleggen van een last
onder bestuursdwang of een last onder dwangsom verzetten. Dit betekent
echter niet dat de overtreding gerechtvaardigd was, maar vloeit veeleer voort uit het gegeven dat, ook al staat vast dat
een overtreding heeft
plaatsgevonden en daarvoor geen rechtvaardigingsgrond
rblz.|88|
bestond, de
daadwerkelijke toepassing van sancties vervolgens nog een belangenafweging
vergt. Wel kan het natuurlijk voorkomen dat de rechter in het midden kan
laten of een rechtvaardigingsgrond aanwezig is, omdat de sanctie reeds
wegens strijd met een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur moet
worden vernietigd. Zie voor enkele voorbeelden van dit laatste ABRvS 18
december 2002, AB 2003, 85; ABRvS 6 november 2002, Gst. 7182/56.
Artikel 5.0.6
[5:6]
Deze bepaling regelt de
mogelijkheid van cumulatie van herstelsancties. Cumulatie van sancties
doet zich voor als op overtreding van één bepaald voorschrift meer dan
één sanctie is gesteld. De vraag rijst dan in hoeverre deze sancties
gelijktijdig kunnen worden toegepast. Dit vraagstuk moet dus wel worden onderscheiden van de toepassing van het
ne-bis-in-idembeginsel (dan gaat
het immers niet om het gelijktijdig, maar om het achtereenvolgens opleggen
van twee of meer sancties voor dezelfde overtreding; zie daarvoor artikel
5.4.1.4 [5:43]), alsook van de vraag wat dient te geschieden indien door
één gedraging twee of meer voorschriften worden overtreden (het vraagstuk
van de samenloop, zie artikel 5.0.8
[5:8]). Het voorgestelde artikel 5.0.6
[5:6] is zakelijk
gelijk aan de huidige artikelen 5:31 en 5:36. Het verbiedt slechts de
cumulatie van twee of meer herstelsancties. Dat wil zeggen, voor één
overtreding kan niet gelijktijdig zowel een last onder bestuursdwang als een
last onder dwangsom worden opgelegd. Verwezen zij naar de
toelichting op de huidige artikelen 5:31 en
5:36 (destijds genummerd
5.2.12 respectievelijk 5.3.5, Kamerstukken II 1993-1994, 23 700, nr. 3,
blz. 133, 159 en
164).
Beide sancties kunnen
echter wel na elkaar worden toegepast. Voor herstelsancties geldt
niet het beginsel "ne bis in idem". Het is dus mogelijk voor één overtreding
achtereenvolgens meer herstelsancties op te leggen. Herstelsancties
zijn immers mogelijk omdat en zolang de onrechtmatige situatie blijft bestaan.
Zo kan bijvoorbeeld voor een overtreding eerst een last onder
dwangsom worden opgelegd en vervolgens, als deze dwangsom niet effectief
blijkt, een last onder bestuursdwang. Zie voor voorbeelden ABRvS
19 juni 2002, Gst. 7177, 4, en ABRvS 19 februari 2003, JB 2003, 100.
Cumulatie van twee of
meer bestraffende sancties is in het strafrecht heel gewoon: regelmatig wordt
voor een feit zowel een geldboete als een vrijheidsstraf opgelegd.
Het gaat dan immers om ongelijksoortige sancties. Ook in het bestuursrecht
behoeft cumulatie van ongelijksoortige bestraffende sancties
niet bij voorbaat te worden uitgesloten. Onder omstandigheden kan het
redelijk zijn dat wegens een overtreding bijvoorbeeld zowel een vergunning
wordt ingetrokken als een bestuurlijke boete wordt opgelegd, zoals ook
in het strafrecht bijvoorbeeld ontzegging van de rijbevoegdheid kan
worden gecombineerd met een geldboete. Iets anders is de
combinatie van een bestuurlijke boete met een strafrechtelijke sanctie. Omdat
de laatste
veelal ook een geldboete zal zijn (als de overtreding ernstig
genoeg is om een vrijheidsstraf te overwegen, zal bestuurlijke afdoening
veelal niet aan de orde zijn), zou dit leiden tot een ongewenste cumulatie van
gelijksoortige sancties. Daarom is deze cumulatie uitgesloten; omdat het
probleem alleen bij de bestuurlijke boete speelt, is dit echter
niet in titel 5.1 maar in titel 5.4 geschied.
Cumulatie van een
bestraffende sanctie (een bestuurlijke boete of een strafrechtelijke sanctie)
met een herstelsanctie is in beginsel mogelijk, omdat beide typen
sancties naar doel en strekking verschillen. Een herstelsanctie strekt ertoe (de gevolgen van) de overtreding te beëindigen of ongedaan te
maken, een
bestraffende sanctie strekt ertoe de overtreder te straffen. Er kan zeer
wel aanleiding zijn om beide te doen: als een werkgever door een
onvoldoende beveiligde machine zijn werknemers in gevaar heeft gebracht,
kan het wenselijk zijn dat hij daarvoor met een rblz.|89|
bestuurlijke boete wordt
gestraft en hem tevens onder dwangsom wordt gelast de machine alsnog
deugdelijk te beveiligen. Het onderhavige wetsvoorstel sluit een dergelijke
cumulatie dan ook niet uit.
Artikel 5.0.7
[5:7]
In het algemeen kan een
bestuurlijke sanctie slechts worden opgelegd nadat een overtreding
heeft plaatsgevonden. Voor de twee belangrijkste herstelsancties, de last
onder bestuursdwang en de last onder dwangsom, heeft de rechtspraak
echter aanvaard dat zij onder bijzondere omstandigheden ook "preventief" kunnen
worden opgelegd (Afd. rechtspraak RvS 1 februari 1985, AB 1985,
587; ABRvS
24 februari 1995, AB 1995, 527; ABRvS 4 september 1997, AB
1997, 396). In de memorie van toelichting bij de Derde
tranche Algemene wet bestuursrecht heeft de wetgever zich bij deze opvatting
aangesloten (Kamerstukken II 1993-1994, 23 700, nr. 3, blz. 150-152), maar werd nog
het standpunt ingenomen dat een uitdrukkelijke wettelijke regeling niet
wenselijk was en de kwestie aan de rechtspraak moest worden overgelaten.
Nu echter de wetgever overgaat tot codificatie van algemene bepalingen
over bestuurlijke sancties en daarmee - zie in het bijzonder artikel
5.0.4 [5:4] - uitdrukkelijker en exacter dan voorheen vastlegt in welke gevallen
bestuurlijke sancties kunnen worden opgelegd, is het gewenst dat de
wetgever ook op dit punt zelf duidelijkheid schept. Daarbij is gekozen voor
codificatie van het door de rechtspraak ontwikkelde criterium inhoudende dat
een herstelsanctie kan worden opgelegd zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt. Dit
betekent
dat met een grote mate
van waarschijnlijkheid moet vaststaan dat de overtreding zal
plaatsvinden. Onder die omstandigheid kan niet in alle gevallen van de overheid
worden verwacht dat zij lijdzaam toeziet totdat de overtreding is
gepleegd. Een voorbeeld uit de jurisprudentie (ABRvS 24 februari 1995, AB
1995, 527) is het geval waarin, na een lange reeks van overtredingen, de
vergunning voor een inrichting voor het bewerken van autowrakken werd
ingetrokken onder gelijktijdige aanzegging van bestuursdwang indien de
bedrijfsactiviteiten niet binnen één maand zouden zijn beëindigd.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State achtte deze
preventieve aanzegging toelaatbaar, waarbij naast de in het verleden
herhaaldelijk gebleken weigerachtige houding van de exploitant ook de door de inrichting
veroorzaakte bodemvervuiling een rol speelde.
Benadrukt zij dat het
hier gaat om een ingrijpende bevoegdheid, die slechts in bijzondere
gevallen kan worden gebruikt. In dat verband is van belang dat ook een
preventieve herstelsanctie moet voldoen aan alle eisen die de wet aan
herstelsancties stelt. Zo geldt onverkort de uit een oogpunt van
rechtszekerheid gestelde eis van artikel
5.0.9 [5:9] dat de beschikking tot oplegging van een
bestuurlijke sanctie de overtreding concreet moet omschrijven en het
overtreden voorschrift moet noemen. Bovendien geldt, zoals ook de rechtspraak terecht heeft benadrukt, evenzeer onverkort
de eis (zie artikel 3:4,
eerste lid, Awb) dat de toepassing van een bestuurlijke sanctie
dient te berusten op een concrete en volledige afweging van alle betrokken
belangen. Dit impliceert dat nauwkeurig moet vaststaan welke
overtreding zal plaatsvinden, alsook dat de beslissing tot het opleggen van een
sanctie pas kan worden genomen op een tijdstip waarop de betrokken
belangen volledig kunnen worden overzien, dus veelal pas kort voor de
overtreding (vgl. ABRvS 22 augustus 2001, AB 2002, 138). Het is derhalve niet
nodig dit laatste als afzonderlijke eis in de wet neer te leggen. Ten
slotte
is van groot belang de in artikel 3:4, tweede lid, neergelegde eis van een
evenwichtige belangenafweging.
In de jurisprudentie is
aan de preventieve toepassing van herstelsancties gedurende enige tijd de
eis gesteld dat het moest gaan om een overtreding waardoor ernstige schade
zal ontstaan (zie ABRvS 4 september 1997, AB 1997, 396 en Vz ABRvS 1
februari 1999, AB 1999, 302). Op dit vereiste is rblz.|90|
in de literatuur de nodige kritiek uitgeoefend (zie laatstelijk A.B. Blomberg,
G.T.J.M. Jurgens,
F.C.M.A. Michiels, Handhaving van milieurecht onder de vierde tranche
Awb, Den
Haag (ministerie van VROM), 2001, blz. 39). In meer recente
jurisprudentie keert het ook niet terug (zie o.m. ABRvS 29 september 2000, AB
2000, 474; ABRvS 7 november 2001, AB 2002, 177, Gst.
7157, 6, en ABRvS 19
juni 2002, JB 2002, 206). Ook wij zijn, anders dan de opstellers van het
voorontwerp, van oordeel dat preventieve toepassing van herstelsancties onder
omstandigheden ook mogelijk behoort te zijn als niet vaststaat
dat ernstige schade zal ontstaan. Ook in andere gevallen kan er
aanleiding zijn om in te grijpen in plaats van lijdzaam toe te zien tot de
overtreding is gepleegd. Daarbij komt dat vaak niet voorzienbaar is of zich
als gevolg van de overtreding schade zal voordoen, noch hoe ernstig die zal
zijn als zij zich voordoet.
Uiteraard kan en moet de
dreiging van ernstige schade wel een rol spelen bij de ingevolge artikel
3:4 Awb
te verrichten belangenafweging. Maar het ontbreken van dergelijke
schade betekent niet zonder meer dat niet preventief kan worden
opgetreden.
Bij een last onder
bestuursdwang kan het zowel gaan om een preventieve last als om de
preventieve toepassing van bestuursdwang. Soms wordt volstaan met een
preventieve last. Met de daadwerkelijke toepassing van bestuursdwang wordt dan
gewacht tot het tijdstip waarop met de overtreding een aanvang wordt
gemaakt. Soms ligt dit ook in de rede. Indien iemand aankondigt
vuurwerk te gaan verkopen op een plaats of een tijdstip waarop dit niet is toegestaan, kan,
indien waarschuwingen niet helpen, op een gegeven
moment preventief bestuursdwang worden aangezegd, om
daadwerkelijk in te grijpen zodra de verkoop een aanvang neemt. Er zijn echter ook
gevallen, bijvoorbeeld bij dreigende ernstige schade aan het milieu,
waarin het noodzakelijk is nog vóór de aanvang van de overtreding
maatregelen te nemen die de overtreding verhinderen. Zo moest in ABRvS 29
september 2000, AB 2000, 474, preventief bestuursdwang worden toegepast om een
- niet opzettelijke, maar daarom niet minder schadelijke - lozing van met bestrijdingsmiddelen vervuild bluswater te voorkomen. In dat
geval moest overigens wel van kostenverhaal worden afgezien. In ABRvS 19 juni 2002, JB 2002, 206, werd preventief bestuursdwang toegepast
om het in strijd met de afvalstoffenregelgeving uitvaren van het met
asbest vervuilde schip Sandrien te voorkomen. Daarom is in de wettekst
geen onderscheid gemaakt tussen de aanzegging en de uitvoering van bestuursdwang. Beide zijn onder omstandigheden
mogelijk.
Artikel 5.0.8
[5:8]
Samenloop van
gedragsvoorschriften doet zich voor indien door een bepaald feitelijk
handelen of nalaten twee of meer voorschriften worden overtreden. De vraag
rijst dan of de op overtreding van beide voorschriften voorziene sancties gewoon
bij elkaar kunnen worden opgeteld, dan wel dat een keuze
moet worden gemaakt.
Dit probleem speelt in de
eerste plaats bij bestuurlijke boeten. Dan is het antwoord op de vraag of
beide voorschriften kunnen worden toegepast, dan wel slechts één van
beide, van belang voor de hoogte van de sanctie. Als een wet een gedraging
bedreigt met een bestuurlijke boete van ten hoogste €|500,-, terwijl
een andere wet op dezelfde gedraging een bestuurlijke boete van ten hoogste
€|1000,- stelt, rijst in het concrete geval de vraag of nu maximaal
€|500,-,
€|1000,- of zelfs
€|1500,- kan worden opgelegd. Het strafrecht maakt in
deze gevallen onderscheid tussen meerdaadse samenloop en eendaadse
samenloop. Van meerdaadse samenloop is sprake indien een
gedraging (een fysieke handeling) meer overtredingen oplevert, die ook afzonderlijk hadden kunnen worden gepleegd en die
verschillende belangen
schenden. Een voorbeeld is het geval dat bij controle van een bedrijf
een machine wordt aangetroffen die zowel rblz.|91|
onveilig is voor werknemers (overtreding van de arbeidsomstandighedenwetgeving)
als geluidhinder
veroorzaakt voor omwonenden (overtreding van de milieuwetgeving).
Meerdaadse samenloop is
veruit de meest voorkomende vorm van samenloop. Artikel 5.0.8
[5:8] bepaalt dat dan voor iedere overtreding afzonderlijk de daartoe bedreigde
bestuurlijke sanctie kan worden opgelegd. Indien voor beide overtredingen
een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, kunnen deze boeten dus cumuleren. Dit is in overeenstemming met de
regeling in het strafrecht waar geldboeten krachtens artikel 57, tweede lid,
Sr
eveneens kunnen
cumuleren. Het strafrecht stelt slechts grenzen aan de cumulatie van
vrijheidsstraffen. Indien voor twee of meer samenhangende overtredingen
verschillende bestuursorganen bevoegd zijn, kan in geval van meerdaadse
samenloop ieder bestuursorgaan dus in beginsel zelfstandig een
bestuurlijke sanctie opleggen. Vgl. ABRvS 10 februari 1997, AB 1997, 427, waarin in
een geval waarin inkomsten zowel in het kader van de Algemene
bijstandswet als in het kader van de Wet individuele huursubsidie waren
verzwegen, werd overwogen dat sancties op grond van de ene wet los
stonden van die op grond van de andere wet.
Dit laat echter onverlet
dat ook bij meerdaadse samenloop het totaal van de opgelegde bestuurlijke
sancties in overeenstemming moet zijn met het evenredigheidsbeginsel.
Een bestuursorgaan dat voor te onderscheiden, maar wel samenhangende
overtredingen twee of meer bestuurlijke boeten oplegt, zal zich dan ook moeten afvragen of het totaal van de
boeten nog wel aansluit
bij de ernst van de overtreding. Evenzo zal een bestuursorgaan dat een
boete oplegt voor een overtreding die samenhangt met een overtreding
waarvoor reeds door een ander bestuursorgaan een boete is opgelegd,
dan wel een strafsanctie is opgelegd of een strafrechtelijke
transactie heeft plaatsgevonden, zo nodig rekening moeten houden met eerder
door andere organen opgelegde straffen. Artikel 5.4.1.7
[5:46] biedt
daartoe de ruimte. Toepassing van dit artikel kan er dus toe leiden dat een
bestuurlijke boete die voor de betreffende overtreding in het algemeen redelijk
is, in het concrete geval als onevenredig moet worden beschouwd in verband met door andere bestuursorganen of
de strafrechtelijke
autoriteiten voor samenhangende overtredingen opgelegde bestraffende sancties.
Het voorontwerp maakte op de hoofdregel van artikel 5.0.8
[5:8] een uitzondering voor wat in het
strafrecht eendaadse samenloop heet. Daarvan is kort gezegd sprake als door
één gedraging twee of meer voorschriften worden overtreden die naar hun
strekking zodanig nauw samenhangen dat in wezen slechts één
overtreding plaatsvindt (vgl. artikel 55, eerste lid,
Sr). De wijze
waarop deze
uitzondering in het voorontwerp was vormgegeven en toegelicht, heeft
blijkens de reacties op het voorontwerp nogal wat vragen opgeroepen. Nu
eendaadse samenloop in de praktijk - ook in de strafrechtspraktijk - maar zelden voorkomt, is het uit een oogpunt van eenvoud van wetgeving
beter daarvoor in het bestuursrecht geen afzonderlijke regeling te treffen. Het
door de opstellers van het voorontwerp beoogde doel - het
tegengaan van onredelijke cumulatie van sancties - kan ook door toepassing
van het evenredigheidsbeginsel worden bereikt. In de schaarse gevallen
waarin eendaadse samenloop zich voordoet, zal steeds ook moeten worden
gezegd dat het evenredigheidsbeginsel zich in concreto verzet tegen de
door artikel 5.0.8 [5:8] in abstracto toegelaten cumulatie van sancties. Bij
bestuurlijke boeten geeft artikel
5.4.1.7 [5:46], tweede en derde lid, het
bestuursorgaan dan de bevoegdheid en de verplichting om met één sanctie te
volstaan. Het ligt in de rede dat de bestuursrechter bij de beantwoording van de
vraag of sprake is van eendaadse samenloop aansluiting zal zoeken
bij de rechtspraak van de Hoge Raad inzake artikel 55, eerste lid,
Sr. In
dat geval zal eendaadse samenloop zich, als gezegd, in de praktijk
slechts uiterst zelden voordoen.
Artikel 5.0.8
[5:8] geldt ook
voor herstelsancties. Het is dus - uiteraard weer binnen de grenzen van het
evenredigheidsbeginsel - ook mogelijk om bij rblz.|92|
overtreding van twee
voorschriften een bestuurlijke boete op te leggen wegens overtreding van
het ene voorschrift en een herstelsanctie wegens overtreding van het andere voorschrift
(vgl.
artikel 58
Sr
over
cumulatie van
ongelijksoortige hoofdstraffen). Ook is het bij overtreding van twee voorschriften in
beginsel mogelijk om twee herstelsancties op te leggen: één wegens overtreding van het ene voorschrift en de tweede
wegens overtreding van
het andere voorschrift. Artikel 5.0.6
[5:6] verzet zich daar niet tegen, omdat de
sancties niet wegens dezelfde overtreding worden opgelegd.
Aan de cumulatie van
herstelsancties is echter naast het evenredigheidsbeginsel wel een tweede grens
gesteld, die zich laat illustreren aan de hand van het eerder
gegeven voorbeeld van een machine die zowel onveilig is voor
werknemers als geluidhinder veroorzaakt voor omwonenden. Denkbaar is dat het
bestuursorgaan dan op grond van beide voorschriften de
buitengebruikstelling van de machine wil afdwingen. In dat geval kan een gebod
daartoe niet met zowel bestuursdwang als een dwangsom worden gesanctioneerd. Het bestuur kan immers, indien de
overtreder de machine
blijft gebruiken, niet zowel zelf de machine buiten werking stellen op
kosten
van de overtreder als ook nog eens een dwangsom innen. Bestuursdwang en dwangsom veronderstellen beide
een last, een bevel aan
de overtreder, en kunnen niet tegelijk worden toegepast ter
sanctionering van twee bevelen van dezelfde inhoud. Anders gezegd: als twee
gelijktijdige overtredingen leiden tot hetzelfde bevel aan de overtreder,
kan niet gelijktijdig met bestuursdwang en met een dwangsom worden
gedreigd, want dat zou op hetzelfde neerkomen als de door artikel 5.0.6
[5:6] verboden gelijktijdige toepassing van bestuursdwang en dwangsom bij één
overtreding.
Het ligt echter anders
indien het bestuursorgaan, in het gegeven voorbeeld, enerzijds met toepassing
van bestuursdwang de machine beveiligt door het plaatsen van een
hek, anderzijds de overtreder beveelt om op straffe van een dwangsom
binnen twee weken de nodige geluidwerende voorzieningen te treffen.
Dit is wel mogelijk, omdat het om twee te onderscheiden overtredingen en bevelen
gaat.
Het is ook nog denkbaar
dat op één gedraging zowel een meer specifiek als een meer algemeen voorschrift van dezelfde strekking van toepassing
is. Niet uitgesloten is
bijvoorbeeld dat overtreding van een specifiek gedragsvoorschrift tevens
een schending van een meer algemene zorgplicht oplevert. In dat geval
ligt het in de rede dat het bestuursorgaan een eventuele sanctie primair
baseert op het meer specifieke voorschrift (vgl. artikel 55, tweede lid,
Sr).
Voor het antwoord op de vraag wanneer twee voorschriften zich
verhouden als een "specialis" en "generalis" kan zo nodig wederom aansluiting
worden gezocht bij de jurisprudentie van de strafrechter.
Artikel 5.0.9
[5:9]
Artikel 5.0.9
[5:9] bevat
enkele eisen waaraan elke beschikking waarbij een bestuurlijke sanctie
wordt opgelegd, moet voldoen. In alle gevallen dient de beschikking een
omschrijving van de gedraging alsmede de overtreden bepaling te vermelden.
Voor zover dit nodig is om de gedraging te identificeren, dient de beschikking tevens een aanduiding te bevatten van
de plaats waar en het tijdstip waarop de gedraging plaatsvond.
Voor beschikkingen
waarbij een bestuurlijke boete wordt opgelegd, gelden enkele aanvullende
eisen, die zijn neergelegd in artikel
5.4.2.5 [5:52]. Voor zover de
sanctiebeschikking de verplichting tot betaling van een geldsom inhoudt, moet zij
voorts voldoen aan de eisen die het voorgestelde artikel
4.4.1.2 [4:86], tweede
lid, aan dergelijke beschikkingen stelt. Deze eisen betreffen onder
meer de betalingstermijn.
Voor het besluit tot
oplegging van een bestuurlijke boete zijn de genoemde bepalingen van
essentieel belang, nu zij voor de betrokkene de rblz.|93|
kennisgeving van de reden
en aard van de beschuldiging en de op te leggen boete vormen. De
eis van kennisgeving volgt onder meer uit artikel 6, derde lid,
aanhef en onder a, EVRM. Het bepaalde in deze verdragsbepaling brengt
mee dat de gronden waarop het opleggen van de boete berust in
bijzonderheden en uiterlijk op het tijdstip van de oplegging van de boete aan de
betrokkene moeten worden medegedeeld (zie bijvoorbeeld HR 20 december
1989, BNB 1990/102 en CRvB 29 juni 2000, JB 2000, 254). Opmerking verdient
overigens dat artikel 6, derde lid, aanhef en onder a, EVRM zelf
geen sanctie geeft voor het niet nakomen van het in deze bepaling
neergelegde recht. Uitgangspunt van deze bepaling is dat de betrokkene in
staat wordt gesteld zijn verdediging adequaat voor te bereiden. Dit betekent
dat schending van de mededelingsplicht niet zonder meer hoeft te
leiden tot het vervallen van de boete. Waar het om gaat, is dat de overtreder
door de schending niet in zijn verdediging wordt geschaad. De
belastingkamer van de Hoge Raad is zeer streng op dit punt: schending van de
kennisgevingsplicht leidt tot vernietiging van de boetebeschikking. De boete vervalt en er
kan geen nieuwe boetebeschikking worden genomen (zie HR 19
december 1990, BNB 1991/176).
Deze strenge opstelling
van de Hoge Raad wordt gemotiveerd met een verwijzing naar artikel
6, derde lid, aanhef en onder a, EVRM. In recente jurisprudentie
lijkt de Hoge Raad zich wat soepeler op te stellen. Volgens de Hoge Raad mag
de inspecteur de juridische kwalificatie van de feitelijke gedraging
waarvoor de boete is opgelegd in de loop van de bezwaarprocedure
aanpassen, zelfs nog tijdens een beroepsprocedure voor de rechter, mits de
toegang tot de rechter daardoor niet wordt belemmerd en mits de
betrokkene niet zodanig in zijn verdediging wordt geschaad dat niet meer
kan worden gesproken van een eerlijke behandeling van de zaak (HR 4 april
2001, BNB 2001, 272). Deze uitspraak is naar het oordeel van de
regering meer in overeenstemming met het uitgangspunt van artikel 6, derde lid,
aanhef en onder a, EVRM, namelijk dat de betrokkene niet in
zijn verdediging wordt geschaad.
Indien de beschikking
niet aan genoemde eisen voldoet, hoeft dat derhalve niet zonder meer
tot vernietiging van de boetebeschikking te leiden. Met toepassing
van artikel 6:22 Awb kan de rechter een beschikking ondanks schending van
deze vormvoorschriften in stand laten indien de overtreder door de schending niet in zijn belangen
- bij sancties betekent
dit vooral ook: in zijn
verdediging - is geschaad (vgl. ook ABRvS 28 augustus 2002, ABKort
2002, 661).
Artikel 5.0.10
[5:10]
Eerste lid
Voor zover een
bestuurlijke sanctie verplicht tot het betalen van een geldsom, komt deze
geldsom toe aan de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan dat de
sanctie heeft opgelegd, behoort. Dit geldt voor de bestuurlijke boete en
voor verbeurde dwangsommen, maar ook voor de kosten van bestuursdwang.
De last onder bestuursdwang verplicht immers tot betaling van
de kosten en vermeldt dit ook (artikel 5:25, tweede lid), zij het dat
het bedrag van die kosten veelal pas op een later tijdstip kan worden
vastgesteld.
Eén en ander is in
overeenstemming met het geldende recht. Voor verbeurde dwangsommen is
dit neergelegd in het huidige artikel 5:33, eerste lid. Voor de
kosten van bestuursdwang is één en ander thans niet met zoveel woorden
bepaald, maar het spreekt vanzelf dat die kosten verschuldigd zijn aan de
rechtspersoon die de kosten heeft gemaakt. Wat de bestuurlijke boeten
betreft, bevatten de meeste bestaande boeteregelingen een bepaling die
overeenkomt met het voorgestelde artikel
5.0.10 [5:10].
Van diverse zijden (onder
meer de Hoge Raad en het openbaar ministerie)
rblz.|94|
is opgemerkt dat de voorgestelde regeling mogelijk leidt tot misbruik door
het bestuursorgaan, nu
het bestuur een financieel belang heeft bij de oplegging van een boete.
De regering is niet overtuigd van dit mogelijke misbruik en ziet juist
voordelen in de voorgestelde regeling, nu daarmee de eigen
verantwoordelijkheid van het bestuur voor de handhaving wordt benadrukt. Met de
opbrengst van de bestuurlijke boetes kunnen bovendien de kosten van handhaving
deels worden gecompenseerd. Onder meer de VNG [Vereniging
van Nederlandse Gemeenten, red.] ziet dit als
een groot voordeel. Doorgaans zal deze compensatie overigens slechts
gedeeltelijk zijn: op de meeste beleidsterreinen overtreffen de kosten van
handhaving de opbrengsten daarvan. Reeds daarom behoeft niet te
worden gevreesd dat bestuursorganen handhavingsbevoegdheden
louter uit financieel gewin zouden gaan inzetten. De voorgestelde
regeling komt voorts overeen met het geldende recht, zowel voor bestuurlijke dwangsommen als voor bestuurlijke
boeten. Niet is gebleken
dat deze thans reeds geldende regelingen hebben geleid tot
oneigenlijk gebruik van handhavingbevoegdheden of zelfs maar de schijn daarvan. Bovendien staat tegen financiële sanctiebesluiten
altijd beroep open bij de
bestuursrechter, die niet alleen kan en moet toetsen of de
overtreding bewezen is, maar ook of de daarvoor opgelegde sanctie evenredig is. Ook kan hij toetsen of de sanctie past
binnen het door het
bestuursorgaan gevoerde handhavingsbeleid. Voor dit handhavingsbeleid
gelden tenslotte de normale vormen van politieke controle. De jaarlijkse
raming en verantwoording van de opbrengsten in het kader van de
begrotingscyclus levert ook een bijdrage aan deze controle. Gelet hierop
bestaan er naar ons oordeel voldoende waarborgen tegen misbruik.
In sommige gevallen kan
er echter aanleiding zijn de bestemming van de opbrengst anders te
regelen; zo komen bijvoorbeeld boeten krachtens de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften niet toe aan de politieregio’s,
maar aan de Staat. Daarom is de mogelijkheid geopend bij wettelijk voorschrift van de hoofdregel af te wijken.
Tweede lid
Het tweede lid
bepaalt
dat uit de oplegging van bestuurlijke sancties voortvloeiende
geldschulden kunnen worden ingevorderd bij dwangbevel. Ook dit is overeenkomstig
het geldende recht. De invordering geschiedt dan
overeenkomstig de regels van afdeling
4.4.4. Eén en ander geldt niet slechts voor
sancties die zelf een financieel karakter hebben, zoals de bestuurlijke
boete en de dwangsom, maar ook voor de kosten van bestuursdwang.
Artikel 5.0.11
[5:11]
Eerste lid
Artikel 14, derde lid,
onderdeel g, IVBPR bepaalt dat niemand gehouden is tegen zichzelf te
getuigen of een bekentenis af te leggen, het zogenoemde "nemo-teneturbeginsel".
Sinds het arrest Funke (EHRM 25 februari 1993, NJ 1993, 485) is het
Europees Hof voor de Rechten van de Mens van oordeel dat het zwijgrecht en het recht zichzelf niet te beschuldigen tevens
besloten liggen in het "fair-trialbeginsel" van artikel 6, eerste lid,
EVRM. Ook het Hof van Justitie
van de EG erkent dit recht (HvJEG 18 oktober 1989, zaak 374/87, Jur.
3283, NJ 1991, 687 (Orkem)). Dit zwijgrecht geldt niet alleen in het
strafrecht, maar ook bij door bestuursorganen op te leggen bestraffende
sancties.
In dit wetsvoorstel is
het zwijgrecht neergelegd in artikel 5.0.11
[5:11] voor de fase van de voorbereiding
van de boetebeschikking en de bezwaarfase en in het nieuwe artikel 8:28a
voor een eventuele beroepsprocedure tegen de boetebeschikking. Gekozen
is voor plaatsing in titel 5.1, omdat het
zwijgrecht rblz.|95|
onder meer derogeert aan de in
artikel 5:16
juncto 5:20 neergelegde verplichtingen om
inlichtingen te verschaffen aan toezichthouders. Ter vermijding van
misverstand zij er overigens op gewezen dat de betekenis van het zwijgrecht
daartoe niet is beperkt. Het zwijgrecht geldt evenzeer tegenover bestuursorganen
en tegenover ambtenaren die geen toezichthouder in de zin van artikel
5:11 zijn.
Tegenover dit recht om te
zwijgen staat dat de bestuursrechtelijke wetgeving burgers vaak
verplichtingen oplegt om inlichtingen aan bestuursorganen te verstrekken,
bijvoorbeeld ten behoeve van de belastingheffing. Dit roept de vraag op
waar de inlichtingenplicht ophoudt en het zwijgrecht begint.
In dat verband is
allereerst van belang dat het "nemo-teneturbeginsel" volgens het Hof niet
inhoudt dat iemand op geen enkele wijze kan worden gedwongen aan zijn eigen
veroordeling mee te werken (EHRM 17 december 1996, NJ 1997, 699 (Saunders)).
Zo kan een burger ook in een strafprocedure worden gedwongen
materiaal over te leggen dat onafhankelijk van zijn wil bestaat,
zoals geschriften, ademlucht en lichaamsmateriaal. Artikel 6 EVRM garandeert
slechts het zwijgrecht in strikte zin: het recht om niet te worden
gedwongen een bekentenis of een verklaring tegen zichzelf af te leggen.
Ook het Nederlandse recht kent geen onvoorwaardelijk beginsel dat iemand
op generlei wijze kan worden verplicht tot medewerking aan het verkrijgen van
mogelijkerwijs bezwarend bewijsmateriaal (HR 26 oktober 1993, NJ 1994, 629).
Uit de arresten Funke en
Saunders kan worden afgeleid dat het zwijgrecht in ieder geval geldt
vanaf het tijdstip waarop kan worden gesproken van een "criminal
charge".
Veelal wordt aangenomen dat sprake is van een "criminal charge"
vanaf het tijdstip waarop de overtreder uit handelingen van het bestuursorgaan
redelijkerwijs kan afleiden dat hem een boete zal worden opgelegd. Vanaf
dat tijdstip is hij derhalve niet (meer) verplicht ten behoeve van de
boeteoplegging enige verklaring over de overtreding af te leggen. De formulering
"uit handelingen van het bestuur redelijkerwijs kan afleiden dat..." is
ontleend aan rechtspraak van de Hoge Raad, in lijn met uitspraken van
het EHRM over de vraag wanneer sprake is van een "criminal charge"
(HR 17 februari 1987, NJ 1987, 951, HR 23 juni 1993, BNB 1993/271; zie ook
EHRM 27 februari 1980, NJ 1980, 561 (Deweer) en EHRM 15 juli 1982, Publ.
ECHR Ser. A, Vol. 51 (Eckle)). Volgens het EHRM is sprake van een "criminal
charge" wanneer de overheid een officiële kennisgeving aan de betrokkene richt, inhoudende dat hij een wetsovertreding
heeft begaan die "criminal" is in de zin van het EVRM, of wanneer
de overheid naar
aanleiding van een dergelijke overtreding handelingen verricht die de positie
van de betrokkene wezenlijk beïnvloeden. Het zwijgrecht bestaat dus niet bij
iedere vraag die belastende informatie zou kunnen opleveren, maar
slechts bij vragen die daarop zijn gericht.
In lijn met één en ander
was in het voorontwerp bepaald dat het zwijgrecht toekwam aan "degene die
aan een handeling van het bestuursorgaan redelijkerwijs de
gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem een bestuurlijke sanctie,
niet zijnde een herstelsanctie, zal worden opgelegd". Vergelijkbare
formuleringen waren eerder opgenomen in een reeks bijzondere wetten die in de
bevoegdheid tot het opleggen van bestuurlijke boeten voorzien
(bijvoorbeeld artikel 67j Algemene
wet inzake rijksbelastingen).
Niettemin heeft deze
formulering vrij veel kritiek opgeroepen. Van strafrechtelijke zijde (zie onder meer
G.J. Knigge, RM Themis 2000, blz. 83-96) is opgemerkt dat er geen
goede redenen zijn om op dit punt onderscheid te maken tussen
bestuursrecht en strafrecht. De problematiek van de verhouding tussen zwijgrecht en inlichtingenplicht, bijvoorbeeld, doet zich
in het strafrecht ook
voor, omdat veel bestuursrechtelijke wetten (mede) strafrechtelijk worden
gehandhaafd. Daarom zou het bestuursrecht op dit punt aansluiting moeten
zoeken bij het strafrecht. In het strafrecht geldt het zwijgrecht voor
degene die als verdachte wordt gehoord (artikel 29 rblz.|96|
Wetboek van
Strafvordering). Voordat de vervolging is aangevangen, geldt als verdachte
degene ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden
van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit (artikel 27 Sv).
Ook de Raad van State
heeft in diverse adviezen kritiek geuit op de in de desbetreffende
wetsvoorstellen overgenomen formulering van het voorontwerp. De Raad suggereerde
daarbij om het zwijgrecht te laten gelden vanaf het tijdstip waarop de betrokkene aan een jegens hem verrichte handeling vanwege de
overheid in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hij wordt
ondervraagd ter zake van een overtreding die tot het opleggen van een
bestuurlijke boete kan leiden (zie bijvoorbeeld Kamerstukken II, 1998-1999,
26 363 A, blz. 4, wijziging Postwet; de cursiveringen geven de verschillen aan
ten opzichte van het voorontwerp).
De Raad van State
overwoog hierbij dat de jurisprudentie van het EHRM op dit punt nog niet is
uitgekristalliseerd. Daarom verdient het volgens de Raad aanbeveling te
kiezen voor een formulering die zowel uit handhavingsoogpunt als uit oogpunt van
waarborging van de rechten van de belanghebbenden verantwoord is. De Raad
was er derhalve niet zeker van dat de formulering van het voorontwerp
in overeenstemming was met artikel 6 EVRM.
De regering heeft
destijds deze adviezen van de Raad van State niet gevolgd. Een belangrijk
argument daarvoor was dat de gebruikte formulering reeds in een aantal
wetten voorkwam en dat het in ieder geval onwenselijk was om in
verschillende bestuursrechtelijke wetten verschillende formuleringen te
gebruiken. Daarbij werd aangetekend dat het wetsvoorstel voor de vierde tranche
van de Awb
een geschikt kader zou zijn om de kwestie voor
de gehele bestuursrechtelijke wetgeving opnieuw te bezien.
Derhalve heeft de
regering zich bij de voorbereiding van het onderhavige wetsvoorstel opnieuw op
de problematiek van het zwijgrecht bezonnen. Dat heeft geleid tot de
conclusie dat het wenselijk is om een van het voorontwerp afwijkende regeling voor te stellen.
Deze aanleiding ligt vooral in de wens om onnodige
verschillen met het strafrecht te vermijden. Dit klemt te meer nu de
regelingen van het zwijgrecht in het bestuursrecht en in het strafrecht beide
moeten voldoen aan de eisen van hetzelfde artikel 6 EVRM. Daarbij doet zich
overigens wel het probleem voor dat de jurisprudentie van het EHRM geen
volstrekte duidelijkheid biedt over de eisen die het EVRM stelt.
De door de Raad van State
in het hiervoor aangehaalde advies over het ontwerp-Postwet
voorgestelde formulering van het zwijgrecht achten wij in ieder geval te ruim.
Als reeds voldoende zou zijn dat de ondervraging betrekking heeft op een
overtreding die tot het opleggen van een bestuurlijke boete kan leiden, zou het
zwijgrecht ook reeds bestaan in een fase waarin nog niet gekozen
is tussen het optreden met een herstelsanctie of met een bestraffende
sanctie en zelfs wanneer al is gekozen voor een herstelsanctie. Dat gaat
veel verder dan artikel 6 EVRM eist en ook verder dan het strafrecht en zou
de handhaving te zeer belemmeren.
Alles afwegende stellen
wij daarom voor te bepalen dat aan een persoon het zwijgrecht toekomt,
zodra hij met het oog op het opleggen van een bestraffende sanctie
wordt verhoord. Deze formulering maakt in de eerste plaats duidelijk dat het
gaat om situaties waarin het bestuursorgaan serieus overweegt om de overtreding
"punitief" af te doen. Het bestuursorgaan overweegt derhalve niet
(langer) om (alleen) een herstelsanctie op te leggen. De
terminologie "wordt verhoord" in plaats van "wordt ondervraagd"
sluit aan bij het
strafrecht en het fiscale recht. Zij onderstreept mede daardoor nog eens
dat het recht om te zwijgen geldt bij vragen die zijn gericht op
bestraffing, niet bij vragen die (tevens) zijn gericht op andere bestuurstaken,
zoals bijvoorbeeld de belasting- of premieheffing. Dit is van belang voor de
afbakening tussen het zwijgrecht en bestuursrechtelijke inlichtingenplichten.
rblz.|97|
Daarnaast
bieden de
woorden "wordt verhoord" een objectiever aanknopingspunt dan de formulering uit
het voorontwerp, die aanknoopte bij een door de (vermeende)
overtreder te maken gevolgtrekking. In de nieuwe formulering gaat het erom
dat naar objectieve omstandigheden door een redelijk waarnemer kan worden vastgesteld dat sprake is van een
"verhoor" met het oog op de oplegging van een bestuurlijke boete. Het subjectieve inzicht van
de verhorende ambtenaar is dus niet doorslaggevend. Deze objectieve omstandigheden maken dat het bestuursorgaan
ook niet zomaar "straffeloos" de toezichtsfase kan uitrekken teneinde de
vermoedelijke overtreder
bepaalde waarborgen te onthouden. De rechter zal zich uiteindelijk - mede in het licht van artikel 6 EVRM
- een oordeel moeten vormen over de
vraag wanneer van dergelijke omstandigheden sprake is. Praktisch zal
dat overigens vaak niet tot een ander resultaat leiden dan toetsing aan
de bestaande formulering. Het "verhoor" is immers ook een
"handeling waaraan betrokkene redelijkerwijs de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem
een boete zal worden opgelegd" en zal in veel gevallen de
eerste zodanige handeling zijn waarmee de overtreder wordt geconfronteerd.
Het zwijgrecht laat - zoals ook uit het bovenstaande al blijkt
- verplichtingen om inlichtingen te
verschaffen ten behoeve van de uitvoering of het toezicht op de
naleving van voorschriften in het algemeen onverlet. Het zwijgrecht heeft
slechts betrekking op het afleggen van verklaringen over de overtreding
waarvan iemand wordt beschuldigd. Een belastingplichtige kan bijvoorbeeld niet
weigeren een ten behoeve van de belastingheffing gestelde vraag over een
aangifte te beantwoorden op de enkele grond dat uit het antwoord zou kunnen blijken dat de aangifte niet
geheel conform de
waarheid is. Evenzo laat de omstandigheid dat bijvoorbeeld een aanslagregelende
ambtenaar overweegt een boete op te leggen omdat de aangifte
inkomstenbelasting over jaar X in strijd met de waarheid is gedaan, de
verplichting van de belastingplichtige om naar waarheid aangifte te doen over
volgende jaren geheel onverlet, ook als uit die aangifte feiten zouden
blijken die het vermoeden staven dat de aangifte over jaar X onjuist is.
Uit de jurisprudentie van
het EHRM blijkt wel dat onder omstandigheden verklaringen die
voorafgaand aan de "criminal charge" op grond van een plicht tot
informatieverstrekking zijn afgelegd, niet mogen worden gebruikt voor het bewijs
van een overtreding waarop een bestraffende sanctie staat. Men zie
naast het reeds genoemde Saunders-arrest ook EHRM 3 mei 2001, EHRC
2001, nr. 45; BNB 2002, nr. 26; AB 2002, 343 (J.B./Zwitserland); vgl. ook HR
27 juni 2001, AB 2002, 342. Dit betekent echter niet dat ter naleving van
een inlichtingenplicht verstrekte informatie nooit mag worden gebruikt ter
onderbouwing van een daaropvolgende bestraffende sanctie. Dit mag in ieder
geval wel indien het gaat om informatie die onafhankelijk van de
wil van betrokkene bestaat. Zo kunnen bloed- en urinemonsters en gegevens
die de overheid in handen krijgt op basis van eigen handelen, zoals een
boekenonderzoek, huisbezoek of een huiszoeking, wel voor de bewijsvoering
ter onderbouwing van de bestuurlijke boete worden gebruikt.
Maar ook los daarvan
volgt uit de arresten Saunders en J.B./Zwitserland niet dat onder dwang
verkregen verklaringen nooit voor het bewijs van een overtreding mogen
worden gebruikt. Beide arresten betroffen enigszins atypische casusposities,
hetgeen noopt tot voorzichtigheid bij het trekken van algemene conclusies. Het Hof geeft, zoals gebruikelijk, ook
aan dat het zich beperkt
tot een beoordeling van de concrete voorliggende zaak. In Saunders had een
aanklager ten overstaan van een jury langdurig voorgelezen uit in de
toezichtsfase onder dwang verkregen verklaringen, met het oogmerk om de geloofwaardigheid van de verdachte te ondermijnen.
Het arrest J.B./Zwitserland
betrof een procedure wegens vermeende belastingontduiking. De
Zwitserse fiscale autoriteiten vorderden van de rblz.|98|
klager op straffe van
boeten een verklaring over de herkomst van geïnvesteerde bedragen die hij in zijn
aangiften verzwegen had, alsmede afgifte van alle documenten over die investering waarover hij beschikte. Deze
informatie werd gevraagd
met het oog op een juiste vaststelling van de aanslag, maar er zou ook
een boete op kunnen worden gebaseerd. J.B. weigerde herhaaldelijk de
gevraagde informatie te verstrekken. Voor deze weigeringen werden hem
enkele bestuurlijke boeten opgelegd.
Volgens het EHRM was in
dit geval sprake van een "criminal charge", nu vanaf het begin van de
procedure duidelijk was dat een boete wegens belastingontduiking in
het verschiet lag. Het opleggen van een boete wegens het niet voldoen
aan de inlichtingenplicht acht het Hof in de omstandigheden van het geval in strijd met het
"nemo-teneturbeginsel". Daarbij wijst het Hof erop dat in dit geval geen sprake was van bewijsmateriaal dat onafhankelijk van de
wil van de J.B. bestond, dat J.B. rekening moest houden met de
mogelijkheid dat de gevraagde documenten zouden worden gebruikt
voor het opleggen van een boete wegens belastingontduiking, alsmede dat er maar
liefst vier keer een forse geldboete was opgelegd wegens het niet
verschaffen van deze informatie. Ook hier ligt de nadruk dus
op de
bijzondere omstandigheden van het geval.
Naar het oordeel van de
regering dwingt dit arrest daarom geenszins tot de uitleg dat een belastingplichtige zich in het kader van de normale
belastingheffing kan
beroepen op een zwijgrecht ten opzichte van de belastinginspecteur op de
enkele grond dat hij een straf wegens belastingontduiking riskeert. Op
deze manier
zouden (vermoedelijke) fraudeurs in een bevoorrechte
positie komen vergeleken met belastingplichtigen die niet van fraude worden
verdacht (vgl. M.W.C. Feteris in BNB 2002/27c, blz. 214 en NJCM-Bulletin
2002, blz. 48). Ook de Hoge Raad is van oordeel dat een belastingplichtige de
bij een controleonderzoek gevraagde gegevens, inlichtingen en
bescheiden niet kan weigeren te geven met een beroep op het "nemo-teneturbeginsel",
voor zover het de vaststelling van de belastingschuld betreft.
Hij kan derhalve wel gedwongen worden vragen te beantwoorden die mede
voor de belastingheffing van belang zijn (HR 27 juni 2001, BNB 2002,
27c).
Het kan wel zo zijn dat
wegens de bijzondere omstandigheden van een bepaald geval bepaalde
informatie uiteindelijk niet kan worden gebruikt voor het bewijs van een
overtreding waarop een bestuurlijke boete staat. De arresten Saunders en
J.B./Zwitserland wijzen erop dat in dat verband ook de wijze waarop
het
bewijs is verkregen en wordt gebruikt een rol kan spelen (aldus ook
O.J.D.M.L. Jansen en M.J.J.P. Luchtman in AB 2002, 343). Eén en ander zal in
een concreet geval door de rechter moeten worden beoordeeld, mede
in het licht van de Straatsburgse jurisprudentie over artikel 6 EVRM.
Het zwijgrecht kan ook
van belang zijn in de bezwaarfase. De Hoge Raad heeft in een
belastingzaak overwogen dat de aanduiding van de gronden van het bezwaar (in de
zin van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en
onder d,
Awb) tegen een fiscale
boete summier mag zijn en onder omstandigheden ook erin kan bestaan dat
de belastingplichtige aangeeft het niet eens te zijn met de voor
de boete gegeven gronden en daarbij stelt dat standpunt niet nader te
kunnen motiveren zonder zichzelf te incrimineren (zie HR 8 maart 2002, AB
2002, 353).
Tweede lid
Naast het zwijgrecht is
ook de zogenoemde "cautie" van belang. De cautie (letterlijk:
waarschuwing) is de uitdrukkelijke mededeling aan de overtreder dat hij
op te stellen
vragen geen antwoord hoeft te geven. Een verplichting tot het
geven van een cautie kan niet direct uit de mensenrechtenverdragen
worden afgeleid, doch het is van belang dat de betrokkene door het
bestuursorgaan op zijn zwijgrecht wordt gewezen. Hiermee wordt aangesloten
bij artikel 29, tweede lid, van het Wetboek
van Strafvordering rblz.|99| en artikel
67m, tweede lid, Algemene
wet inzake rijksbelastingen. Evenals in het strafrecht
kan het immers voorkomen dat de overtreder zich in directe
confrontatie met het bestuursorgaan verplicht voelt te antwoorden, terwijl
hij daartoe juridisch niet gehouden is. Met het oog daarop dient de overtreder
in deze gevallen op de hoogte te worden gesteld van het feit dat
hij niet langer verplicht is verklaringen af te leggen. De artikelen
5.0.11 [5:11] en 8.28a
voorzien hierin.
De plicht om de cautie te
geven, geldt indien sprake is van een verhoor. Een verhoor is een
mondelinge ondervraging met het oog op het opleggen van een
bestraffende sanctie. De achtergrond van de cautieplicht is immers het
ervaringsgegeven dat van een mondelinge ondervraging een zekere psychische
druk om te antwoorden kan uitgaan. De cautie wil voorkomen dat de
ondervraagde onder deze druk verklaringen aflegt waarvan niet meer kan
worden gezegd dat zij in vrijheid zijn afgelegd.
Van schriftelijke vragen
gaat, door het ontbreken van de directe confrontatie met de ondervrager, veel
minder druk om te antwoorden uit. Bij schriftelijke vragen is
als regel geen sprake van een verhoor en behoeft dus geen cautie te worden
gegeven. Dit is slechts anders indien in bijzondere omstandigheden van een
schriftelijke vraag een zodanige druk om te antwoorden zou uitgaan
dat materieel sprake is van een verhoor.
Indien verzuimd is de
cautie te geven, betekent dit niet zonder meer dat een vervolgens afgelegde
verklaring niet voor het bewijs mag worden gebruikt. Volgens de
strafrechtelijke jurisprudentie kan een dergelijke verklaring niettemin aan
het bewijs bijdragen indien de overtreder door het ontbreken van de cautie niet is benadeeld. Bij de beantwoording van
de vraag of de overtreder
door het ontbreken van de cautie is benadeeld, is onder meer van belang
of de overtreder tijdens het verhoor werd bijgestaan door een rechtsgeleerd
raadsman (zie o.m. HR 16 november 1982, NJ 1983, 283; HR 13
september 1988, NJ 1989, 454).
rblz.|100|
IV. Herstelsancties
1. Inleiding
De Awb
bevat sedert 1
januari 1998 een regeling van de twee belangrijkste herstelsancties die ons
bestuursrecht kent: de last onder bestuursdwang en de last onder
dwangsom. Thans is er aanleiding om enkele wijzigingen van deze regeling voor te
stellen. Deze wijzigingen vloeien voor een deel voort uit de in dit
wetsvoorstel opgenomen algemene bepalingen over bestuurlijke handhaving
en de bepalingen inzake bestuursrechtelijke geldschulden. Daarnaast is in de
commentaren op het voorontwerp vierde tranche
aandacht gevraagd
voor enkele andere kwesties betreffende herstelsancties. Aan twee
daarvan, te weten de zogenoemde partiële handhaving en de
preventieve handhaving, is reeds aandacht besteed in de artikelsgewijze
toelichting bij respectievelijk de artikelen 5.0.2 en 5.0.7. De overige worden in dit
hoofdstuk toegelicht. Ten slotte is, op advies van de Raad van
State, van de
gelegenheid gebruik gemaakt om de afdeling over bestuursdwang beter
te doen aansluiten bij de afdeling over de last onder dwangsom en bij de
praktijk, door daarin voortaan te spreken van een last onder
bestuursdwang (zie hierna paragraaf 2).
Om redenen die in
paragraaf 3 van het algemeen deel van hoofdstuk III van deze toelichting zijn
uiteengezet, wordt voorgesteld hoofdstuk 5 van de
Awb onder te verdelen
in titels en de bestaande afdelingen iets anders te groeperen. Onderdeel G
zet de bestaande afdeling 5.2 om in een titel,
onderdeel H bevat de
nieuwe titel 5.3 inzake herstelsancties, onderverdeeld in
een afdeling over de last
onder bestuursdwang en een afdeling over de last onder dwangsom.
In verband met het aantal wijzigingen is ervoor gekozen titel 5.3 ter
wille van de leesbaarheid geheel opnieuw uit te schrijven.
2. Van bestuursdwang naar
last onder bestuursdwang
De regeling van de last
onder dwangsom, zoals deze in 1998 in de Awb
werd opgenomen, komt
materieel grotendeels overeen met eerdere regelingen in de Provinciewet,
Gemeentewet en Waterschapswet. Waar echter de organieke wetten het begrip
"dwangsom" gebruikten, introduceerde de Awb het begrip "last
onder dwangsom". Dit is geen materiële wijziging, maar geeft nauwkeuriger
aan wat er aan de hand is. De kern van de herstelsanctie "last
onder dwangsom" is het bevel (de last) aan de overtreder om iets te doen of na
te
laten; de dwangsom is de stok achter de deur voor het geval dit
bevel niet wordt nageleefd.
Bij bestuursdwang is het
in wezen niet anders. Ook bij bestuursdwang gelast het bestuursorgaan
als regel eerst de overtreder om maatregelen te nemen om de overtreding
te beëindigen of haar gevolgen weg te nemen. Pas als deze last niet
wordt nageleefd, kan het bestuursorgaan op kosten van de overtreder zelf de
nodige maatregelen nemen. In de praktijk fungeert dus ook
bestuursdwang vooral als stok achter de deur voor het geval een voorafgaande
last niet wordt nageleefd. In de praktijk hoeft het in de meeste gevallen
niet tot daadwerkelijk optreden van het bestuursorgaan te komen. Alleen in
(zeer) spoedeisende gevallen ontbreekt deze voorafgaande last.
De huidige wettelijke
regeling stelt echter het optreden van het bestuursorgaan voorop en vermeldt
slechts terloops dat de overtreder dit optreden kan voorkomen door zelf
maatregelen te nemen. Dat doet voorkomen alsof optreden door het
bestuursorgaan de regel is en herstel door de overtreder zelf de uitzondering. In werkelijkheid is het andersom. Gelet
hierop is, op advies van de
Raad van State, van de gelegenheid gebruik gemaakt om de wettelijke
regeling meer met deze werkelijkheid in overeenstemming te brengen door (ook)
daarin de last centraal te stellen. Dit rblz.|101|
heeft tevens als voordeel
dat de parallel tussen de last onder bestuursdwang en de last onder dwangsom
duidelijker tot uitdrukking komt.
Eén en ander leidt tot
een groot aantal technische wijzigingen van de afdeling over
bestuursdwang. Daarom is de regeling met het oog op de leesbaarheid opnieuw
uitgeschreven. Benadrukt zij dat daarmee op zichzelf geen materiële wijziging
van het recht is beoogd.
3.
Wijzigingen voortvloeiend uit titel 4.4 (Bestuursrechtelijke
geldschulden)
De voorgestelde regeling
inzake bestuursrechtelijke geldschulden heeft gevolgen voor de regeling
van de herstelsancties. De toepassing van bestuursdwang geschiedt
in beginsel op kosten van de overtreder (artikel
5:25) en leidt in zoverre
dus tot het ontstaan van een bestuursrechtelijke geldschuld. De geldschuld
die ontstaat als een door een bestuursorgaan opgelegde dwangsom wordt
verbeurd, is eveneens bestuursrechtelijk van aard.
De in
artikel 4.4.1.2 [4:86] neergelegde hoofdregel is dat een bestuursrechtelijke verplichting tot betaling
van een geldsom bij beschikking wordt vastgesteld. Dit uitgangspunt heeft
een belangrijke rol gespeeld bij de in afdeling 4.4.4 neergelegde
regeling van de rechtsbescherming tegen dwanginvordering. Indien de bestuursrechter
kennis kan nemen van uit de beschikking
voortvloeiende geschillen over bijvoorbeeld de hoogte van de betalingsplicht, is er
geen aanleiding om wijziging aan te brengen in de (bestaande) bevoegdheid
van de burgerlijke rechter om kennis te nemen van geschillen die uit de
executie van een bestuursrechtelijke geldschuld voortvloeien. In dat
geval komen in deze executiegeschillen immers geen bestuursrechtelijke
vragen meer aan de orde.
De geldschulden die
kunnen voortvloeien uit het opleggen van een herstelsanctie worden
naar huidig recht echter juist niet bij beschikking vastgesteld. De last
onder bestuursdwang is een beschikking (artikel
5:24, eerste lid), maar het in
rekening brengen van de kosten wordt thans niet als een
publiekrechtelijke rechtshandeling beschouwd. Daardoor kunnen geschillen over de hoogte
van de kosten thans slechts aan de burgerlijke (executie)rechter worden
voorgelegd, terwijl het in een dergelijk geschil vaak zal gaan over de
bestuursrechtelijke vraag naar de redelijkheid en proportionaliteit van de
wijze waarop de bestuursdwang is toegepast. Systematisch zou het
juister zijn als de bestuursrechter over deze geschillen zou oordelen.
Daarom wordt voorgesteld artikel 5:26 in die zin te
wijzigen dat een
aparte kostenbeschikking in het leven wordt geroepen. Voor de
burgerlijke rechter blijven dan over de "zuivere" executiegeschillen,
bijvoorbeeld over de vraag of op bepaalde goederen of rekeningen beslag kan
worden gelegd.
Bij de last onder
dwangsom doet zich een enigszins vergelijkbare, maar meer gecompliceerde
problematiek voor. Naar huidig recht wordt de dwangsom van rechtswege
verbeurd als de last niet wordt nageleefd, dus als opnieuw een
overtreding wordt gepleegd of de oorspronkelijke overtreding niet (tijdig)
wordt
beëindigd. De verbeurte wordt dus niet uitdrukkelijk bij beschikking
vastgesteld. Dit heeft twee nadelen. In de eerste plaats betekent het dat
geschillen over de vraag of de last nu wel of niet is nageleefd bij de
burgerlijke (executie)rechter terechtkomen, hoewel daarin bij uitstek
bestuursrechtelijke vragen aan de orde zijn. In de tweede plaats betekent het dat
derden zich niet tot de bestuursrechter kunnen wenden als zij van
oordeel zijn dat het bestuursorgaan ten onrechte meent dat geen dwangsom
is verbeurd of een verbeurde dwangsom ten onrechte niet invordert.
Op dit laatste punt wordt in de volgende paragraaf van deze toelichting
ingegaan.
rblz.|102|
In
verband met deze
nadelen hebben de opstellers van het voorontwerp overwogen een zogenaamde
"verbeurdverklaringsbeschikking" te introduceren. Zij hebben daar echter
van afgezien omdat deze figuur, kort gezegd, nogal wat
procedurele complicaties oplevert (voorontwerp, blz. 137). In diverse reacties
op het voorontwerp werd dit betreurd en zijn alternatieve oplossingen
gezocht. Het ministerie van VROM heeft daartoe door de Universiteit
Utrecht een onderzoek doen verrichten (A.B. Blomberg, G.T.J.M. Jurgens, F.C.M.A.
Michiels, Handhaving van milieurecht onder de vierde tranche
Awb, Den Haag
(ministerie van VROM) 2001). Op basis van dit onderzoek
stellen de onderzoekers voor om in plaats van een "verbeurdverklaringsbeschikking"
een "invorderingsbeschikking" te introduceren.
Ook wij zijn van oordeel
dat het, zowel uit systematisch oogpunt als ter versterking van de
positie van derden, wenselijk is om voor vragen rond het verbeuren en
invorderen van dwangsommen een rechtsingang bij de bestuursrechter te
creëren. De door de Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht
gesignaleerde procedurele complicaties kunnen naar ons oordeel door
wettelijke voorzieningen worden ondervangen (zie hierna paragraaf
4).
Gelet hierop introduceert
het wetsvoorstel, in navolging van de suggestie van Blomberg c.s., de
figuur van de invorderingsbeschikking. Indien het bestuursorgaan tot
invordering wil overgaan, dan wel een belanghebbende daarom verzoekt, moet het
eerst een invorderingsbeschikking geven. Deze beschikking behelst een gemotiveerde beslissing omtrent de
invordering. Dit
impliceert dat het bestuursorgaan in de invorderingsbeschikking ook een oordeel moet
geven over de vraag in hoeverre dwangsommen zijn verbeurd. Men kan immers slechts invorderen wat
verbeurd is. Aldus wordt bereikt dat geschillen over de vraag in hoeverre dwangsommen zijn
verbeurd aan de bestuursrechter kunnen worden voorgelegd. In vergelijking met de figuur van de verbeurdverklaringsbeschikking
heeft de
invorderingsbeschikking echter het voordeel dat tevens een oordeel moet
worden gegeven over de vraag of de verbeurde dwangsommen zullen worden
ingevorderd. De vraag of dwangsommen verbeurd zijn en de vraag
of zij zullen worden ingevorderd, vallen namelijk niet geheel samen. Als
regel zal dat wel het geval zijn, maar het bestuursorgaan heeft blijkens de
jurisprudentie enige ruimte om wegens bijzondere omstandigheden geheel of
gedeeltelijk van invordering af te zien (vgl. Hof Leeuwarden 27
februari 2002, JB 2002, 136).
Naar huidig recht worden
dwangsommen van rechtswege verbeurd zodra de last wordt overtreden.
Ter vermijding van misverstand zij opgemerkt dat de introductie van
een invorderingsbeschikking hierin geen verandering brengt. Als gezegd, zal
het bestuursorgaan bij de motivering van de invorderingsbeschikking een oordeel moeten geven over de vraag in
hoeverre dwangsommen zijn
verbeurd, maar dit oordeel heeft een declaratoir karakter: de
betalingsverplichting ontstaat reeds door het niet naleven van de last en
niet pas door de invorderingsbeschikking.
4. Versterking van de
positie van de derde die om handhaving vraagt
Het komt vaak voor dat
burgers het bestuur op een overtreding attenderen en daarbij verzoeken om
een herstelsanctie toe te passen. Indien het bestuursorgaan zo’n
verzoek afwijst, kunnen burgers daartegen in bezwaar en beroep komen
voor zover zij belanghebbende in de zin van artikel 1:2
Awb
zijn. Het
komt echter voor dat naar aanleiding van een dergelijk verzoek wel een
herstelsanctie wordt opgelegd, maar deze vervolgens niet wordt
geëffectueerd: verbeurde dwangsommen worden niet ingevorderd of de
aangezegde bestuursdwang wordt niet daadwerkelijk toegepast. Naar huidig
recht heeft de belanghebbende die om handhaving heeft verzocht dan geen
bestuursrechtelijke mogelijkheden om het rblz.|103|
bestuur tot daadwerkelijk optreden te bewegen. In theorie is wel mogelijk
dat hij zich tot de
burgerlijke rechter wendt met een vordering strekkende tot een bevel om op te
treden, maar in de praktijk blijkt de drempel voor deze procedure veelal te
hoog.
In de literatuur is er
reeds herhaaldelijk op gewezen dat deze stand van zaken noch uit een
oogpunt van rechtsbescherming van de derde, noch uit een oogpunt van
effectieve handhaving bevredigend is (zie recent Blomberg c.s., a.w., blz.
16/17). De Raad van State heeft in zijn advies over de
derde tranche van de
Algemene wet
bestuursrecht eveneens op deze problematiek gewezen
(Kamerstukken II 1993-1994, 23 700, A, punten 8.17 en 8.18).
Ook wij zijn van oordeel
dat de positie van de derde die om handhaving heeft gevraagd, op dit
punt moet worden versterkt. Het is van algemene bekendheid dat de
bestuurlijke handhaving van wettelijke voorschriften helaas soms nog
tekortschiet. Verzoeken tot handhaving van benadeelde burgers kunnen een
bijdrage leveren aan verbetering van het handhavingsniveau. Maar
dan dient de burger ook een effectief middel te hebben om het bestuur zo
nodig tot daadwerkelijk optreden te bewegen. Aan louter papieren sancties heeft de benadeelde immers niets.
Daarmee is niet gezegd
dat het bestuur nimmer goede gronden kan hebben om van de
effectuering van een eenmaal opgelegde sanctie af te zien. Het oordeel van het
bestuur dat dergelijke gronden aanwezig zijn, dient echter wel door de
rechter te kunnen worden getoetst. Als gezegd, zou dit nu in theorie
door de burgerlijke rechter kunnen geschieden, maar het is systematisch
juister en ook effectiever om daarvoor een rechtsingang bij de bestuursrechter te
openen. Het gaat immers ook in dit geval om typisch bestuursrechtelijke vragen.
Gelet hierop menen wij dat
een derde die om handhaving heeft gevraagd ook bij geschillen
omtrent de effectuering van herstelsancties toegang tot de bestuursrechter
behoort te hebben. Bij geschillen over het al dan niet invorderen van
dwangsommen wordt dit reeds gerealiseerd door de introductie van de in de
vorige paragraaf van deze toelichting besproken invorderingsbeschikking.
De derde-belanghebbende die om handhaving heeft verzocht, zal als
regel immers ook belang hebben bij de beslissing omtrent de effectuering
van de herstelsanctie, tenzij dit belang door wijziging van de feitelijke
situatie is weggevallen (bijvoorbeeld doordat de omwonende die overlast
ondervond inmiddels is verhuisd). Indien deze derde meent dat ten
onrechte niet wordt ingevorderd, zal hij bij het bestuursorgaan dus een invorderingsbeschikking kunnen aanvragen en
tegen de beslissing op deze aanvraag zo nodig bezwaar en beroep kunnen aantekenen.
Bij een last onder
bestuursdwang kan zich een vergelijkbare problematiek voordoen. Het komt voor
dat een bestuursorgaan naar aanleiding van een klacht van een derde een
last onder bestuursdwang oplegt, maar vervolgens niet daadwerkelijk
bestuursdwang toepast, hoewel de overtreding voortduurt. Naar huidig recht is dit
niet toepassen van bestuursdwang
geen besluit, maar een
feitelijke handeling, zodat voor de benadeelde derde de weg naar de
bestuursrechter is afgesloten. Om dezelfde reden als bij de last onder dwangsom is deze situatie onbevredigend. Daarom
stellen wij voor - wederom
in navolging van meergenoemde publicatie van Blomberg c.s. - om
het bestuursorgaan te verplichten om op verzoek van een derde die om
handhaving heeft gevraagd een beschikking omtrent de toepassing van
de bestuursdwang te geven. Deze beschikking kan zo nodig door de
bestuursrechter worden getoetst.
5. Cumulatie van
besluitmomenten
Dit wetsvoorstel creëert
in de sfeer van de herstelsancties drie nieuwe typen (bijkomende)
beschikkingen: de kostenbeschikking en de beschikking omtrent toepassing bij de
last onder bestuursdwang en de rblz.|104|
invorderingsbeschikking
bij de last onder dwangsom. Deze bijkomende beschikkingen zijn
vatbaar voor bezwaar en beroep. Dat is ook wenselijk, want het is immers juist
de bedoeling om de toegang tot de bestuursrechter te openen. Indien echter
zowel tegen de hoofdbeschikking (waarbij de herstelsanctie is opgelegd) als tegen de bijkomende beschikking(en)
telkens afzonderlijk
bezwaar en beroep zou moeten worden aangetekend, zou dit tot een
ongewenste opeenstapeling van procedures kunnen leiden. Degene die
beroep instelt
tegen een beschikking waarbij een last onder dwangsom is opgelegd, zal
zich immers ook niet kunnen verenigen met de beschikking waarbij
wordt vastgesteld dat dwangsommen zijn verbeurd en zullen worden
ingevorderd.
Bij beschikkingen tot het
vaststellen van een geldschuld doet zich een vergelijkbaar probleem
voor. Daarvoor is een voorziening getroffen die erop neerkomt dat een nog
aanhangig bezwaar of beroep tegen de hoofdbeschikking geacht wordt mede
betrekking te hebben op de bijkomende beschikking(en) (zie het voorgestelde
artikel 4.4.5.1 [4:125]). In de voorgestelde
artikelen 5:31c en 5:39
wordt een soortgelijke voorziening getroffen voor de bijkomende
beschikkingen bij respectievelijk bestuursdwang en de last onder dwangsom.
Aldus
wordt bereikt dat de verschillende aspecten van het geschil zoveel
mogelijk in één procedure worden behandeld. Dat is immers voor alle
betrokkenen (burger, bestuur én rechter) het meest efficiënt.
6. De zelfstandige
dwangsombevoegdheid
De last onder dwangsom is
in ons bestuursrecht geïntroduceerd als een alternatief voor
bestuursdwang. Aanvankelijk was de bevoegdheid tot het opleggen van een last
onder dwangsom dan ook steeds gekoppeld aan de bevoegdheid tot het
toepassen van bestuursdwang. Ook het huidige artikel
5:32, eerste lid, Awb
volgt nog dit systeem.
De laatste jaren kennen
bijzondere wetten echter steeds vaker ook zelfstandige - dat wil zeggen niet
aan een bestuursdwangbevoegdheid gekoppelde - dwangsombevoegdheden toe. Het gaat dan om gevallen waarin het voor een
adequate handhaving nodig is de naleving van verplichtingen door
burgers of bedrijven meer rechtstreeks af te dwingen dan met een boete
mogelijk is, maar waarin bestuursdwang niet denkbaar of niet uitvoerbaar is.
Men zie bijvoorbeeld artikel 56 Mededingingswet, artikel 90b
Wet
toezicht kredietwezen 1992, artikel 48b Wet
toezicht effectenverkeer 1995 en
artikel 94 Wet
personenvervoer 2000.
Gelet hierop wordt
voorgesteld om de Awb
zodanig aan te passen dat met deze zelfstandige dwangsombevoegdheden rekening wordt
gehouden. Dit vergt geen
grote aanpassingen. Uit het voorgestelde artikel
5.0.4 [5:4], eerste lid, vloeit
voort dat de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie, dus
ook de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom, bij
formele wet kan worden toegekend. Dat kan een bijzondere wet zijn,
zoals de Mededingingswet, maar ook de Awb zelf. Van laatstgenoemde
mogelijkheid wordt thans reeds gebruik gemaakt in artikel
5:32, eerste lid.
Daar wordt de dwangsombevoegdheid toegekend aan ieder bestuursorgaan
dat reeds over een bestuursdwangbevoegdheid beschikt.
De bestaande regel dat
ieder bestuursorgaan dat over een bestuursdwangsbevoegdheid beschikt tevens
bevoegd
is om in plaats van bestuursdwang toe te
passen een last onder dwangsom op te leggen, blijft dus gehandhaafd.
Daarnaast wordt erkend dat er ook gevallen zijn waarin de
dwangsombevoegdheid niet van een bestuursdwangbevoegdheid is afgeleid. In
laatstgenoemde gevallen is er uiteraard geen behoefte aan een
criterium voor de keuze tussen bestuursdwang en dwangsom. Daarom geldt
dit criterium slechts in de gevallen waarin een bestuursorgaan over beide
bevoegdheden beschikt (zie het voorgestelde rblz.|105|
artikel
5:32, tweede lid,
dat voor het overige overeenkomt met het bestaande artikel
5:32,
derde lid).
Indien de bijzondere wet
een zelfstandige dwangsombevoegdheid toekent, is het dus niet
meer nodig om, zoals thans veelal geschiedt (zie bijvoorbeeld artikel 58,
derde lid, Mededingingswet), de dwangsombepalingen van de Algemene wet
bestuursrecht van overeenkomstige toepassing te verklaren. Deze zijn voortaan gewoon rechtstreeks van
toepassing.
Artikelsgewijs
Afdeling
5.3.1.
Bestuursdwang [Last onder bestuursdwang, red.]
Artikel 5:21
Als gevolg van de in
artikel 5.0.2 [5:2], eerste lid, onderdeel b, opgenomen definitie van het
begrip herstelsanctie en de in artikel
5.0.1 [5:1], eerste lid, opgenomen definitie van
het begrip overtreding dient de definitie van het begrip bestuursdwang te
worden aangepast. Een inhoudelijke wijziging is met deze aanpassing niet
beoogd. Het begrip overtreding komt overeen met de thans in artikel
5:21 gebruikte woorden "hetgeen in strijd met bij of krachtens enig
wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of
nagelaten". De thans in het artikel voorkomende woorden "door of vanwege
een bestuursorgaan" zijn niet meer nodig, nu bestuursdwang is
gedefinieerd als een herstelsanctie en een herstelsanctie per definitie wordt
opgelegd door een bestuursorgaan. Dat daarbij mandaat mogelijk is,
volgt reeds uit artikel 10:3, eerste lid; dat het bestuursorgaan anderen
kan machtigen om de feitelijke handelingen namens het bestuursorgaan
te verrichten, spreekt vanzelf.
Zoals in paragraaf 2 van
het algemeen gedeelte van dit hoofdstuk van de toelichting is
uiteengezet, wordt, op advies van de Raad van
State, niet langer het
begrip "bestuursdwang", maar het begrip "last onder
bestuursdwang" gebruikt.
Aan de toepassing van bestuursdwang gaat immers vooraf een last
aan de overtreder om de overtreding te beëindigen of de gevolgen daarvan
geheel of gedeeltelijk weg te nemen. Derhalve is in de
definitie tot uitdrukking gebracht dat de last onder bestuursdwang, net als de
last onder dwangsom, bestaat uit twee elementen: een last tot
herstel van de overtreding en een verplichting die intreedt als deze last
niet wordt nageleefd.
Het eerste element, de
last, is gemeenschappelijk aan de last onder bestuursdwang en de last
onder dwangsom. Het is in de definities van beide sancties dan ook in
dezelfde bewoordingen omschreven (vgl. het voorgestelde artikel 5:31d
voor de definitie van de last onder dwangsom). De last moet strekken tot
"herstel van de overtreding". Deze uitdrukking verwijst naar de
definitie van herstelsanctie in artikel
5.0.2 [5:2], eerste lid, onderdeel b. Dit betekent
dat de last kan strekken tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of
beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een
overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen
van een overtreding.
Artikel 5:22
[vervallen]
Artikel 5:22
[vervallen] regelt
thans dat de bevoegdheid tot het toepassen van bestuursdwang slechts bestaat indien zij bij of krachtens de wet is toegekend. Deze bepaling kan
vervallen, omdat het nieuwe artikel 5.0.4
[5:4], eerste lid, reeds voor
bestuurlijke sancties in het algemeen (en dus ook voor bestuursdwang) een
wettelijke grondslag eist.
rblz.|106|
Artikel 5:23
Dit artikel is
ongewijzigd.
Artikel 5:24
Het eerste en het tweede
lid van het huidige artikel 5:24 kunnen vervallen. Dat een last onder bestuursdwang een beschikking is, volgt uit de aard
van die last in
combinatie met de omschrijving van het beschikkingsbegrip in artikel
1:3, tweede lid.
Dat de last onder bestuursdwang moet vermelden welk voorschrift is of wordt overtreden, volgt reeds uit het
voorgestelde artikel 5.0.9 [5:9], aanhef en
onder a.
Het nieuwe eerste lid
komt materieel overeen met de tweede volzin van het huidige vierde lid,
het nieuwe tweede lid met de eerste volzin van het huidige vierde lid. Het
derde lid is, behoudens een redactionele aanpassing, gelijk aan het huidige
derde lid.
Het huidige vijfde en
zesde lid van artikel 5:24, inzake spoedeisende bestuursdwang, zijn om
systematische redenen verplaatst naar het voorgestelde artikel
5:31.
Spoedeisende bestuursdwang vormt de uitzondering op de hoofdregel dat aan
de bestuursdwang een last voorafgaat. Deze uitzondering kan beter in
een aparte bepaling worden neergelegd.
Artikel 5:25
Dit artikel regelt de
kosten van de bestuursdwang. Het komt materieel overeen met de huidige
artikelen 5:25 en 5:26 [vervallen]. Het eerste lid komt overeen met het huidige
artikel 5:25, eerste lid, maar is redactioneel aangepast. In het tweede lid zijn het
huidige tweede en derde lid samengenomen. Het derde tot en met het vijfde lid komen overeen met het huidige vierde tot
en met zesde lid.
Het tweede tot en met het
vierde lid van het huidige artikel 5:26
[vervallen] Awb
kunnen vervallen. Deze
bepalingen geven voorschriften omtrent de dwangbevelprocedure en
het verzet. Zij worden overbodig, omdat de voorgestelde afdeling
4.4.4 voorziet in een geharmoniseerde invorderingsprocedure en
de (bestaande) regeling van het executiegeschil in artikel 438 Rv
de
plaats gaat innemen van de verzetsprocedure. Tevens kunnen in het huidige
eerste lid de bevoegdheid om de aan de toepassing van bestuursdwang
verbonden kosten bij dwangbevel in te vorderen, alsmede de mogelijkheid
om de op de invordering vallende kosten in te vorderen, vervallen. Uit
de algemene bepalingen over bestuurlijke sancties (artikel
5.0.10 [5:10], tweede
lid) volgt reeds dat de uit de toepassing van bestuursdwang
voortvloeiende geldschulden bij dwangbevel kunnen worden ingevorderd. In de
mogelijkheid om de met de invordering gemoeide kosten in te
vorderen, voorziet het wetsvoorstel via de artikelen 4.4.4.8 en
4.4.4.9 [artikelen 4.4.4.2.6
[4:119] en 4.4.4.2.7
[4:120],
red.].
Thans behoeft alleen nog
te worden bepaald dat de hoogte van de kosten die verbonden zijn aan de toepassing van bestuursdwang, door het
bestuursorgaan wordt
vastgesteld. Dit is geschied in het voorgestelde artikel
5:25, zesde lid. Op grond van artikel 5:25, eerste lid, komen deze kosten in beginsel voor
rekening van de overtreder. In de huidige situatie wordt een (niet-appellabele) nota gestuurd. Wanneer de overtreder het daar niet mee eens is,
kan hij - behalve niet betalen - niets ondernemen. Voor het bestuur levert
dit niet betalen geen eenduidig signaal op. Het kan zowel op
betalingsonmacht
duiden als op inhoudelijke bezwaren tegen de wijze waarop de
bestuursdwang is uitgevoerd. Pas bij de daadwerkelijke (dwang)invordering komt
het bestuursorgaan de werkelijke reden op het spoor, bijvoorbeeld door
het al dan niet aantekenen van verzet (waardoor de dwanginvordering van
rechtswege wordt opgeschort). Door een betalingsbeschikking te
creëren, kunnen eventuele inhoudelijke geschillen rblz.|107|
in een eerdere fase
beslecht worden en kan het invorderingstraject efficiënter verlopen.
Zoals in paragraaf 3 van
het algemeen gedeelte van dit hoofdstuk van de toelichting is
uiteengezet, heeft het introduceren van een betalingsbeschikking bovendien uit
systematisch oogpunt het voordeel dat geschillen over de hoogte
van de kosten - en daarmee over de redelijkheid en de proportionaliteit
van het bestuursdwangoptreden - voortaan door de bestuursrechter
zullen kunnen worden beslecht. De op artikel
5:25, zesde lid,
Awb
gebaseerde vaststelling van de kosten door het bestuursorgaan is immers
een besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat. Het is daarmee
dezelfde rechter die mogelijk eerder al over de bestuursdwangaanzegging
heeft geoordeeld die voortaan over de redelijkheid en de proportionaliteit
van het bestuursdwangoptreden gaat oordelen.
Artikelen 5:27 en
5:28
Deze artikelen komen
overeen met de huidige artikelen 5:27 en 5:28, maar zijn redactioneel
aangepast aan de nieuwe terminologie en aan het voorgestelde artikel
1:1, vierde lid.
Artikel 5:29
Dit artikel komt
materieel overeen met het huidige artikel
5:29, maar is redactioneel
vereenvoudigd, waarbij het huidige vierde lid in twee leden is gesplitst.
Artikel 5:30
Dit artikel komt
materieel overeen met het huidige artikel
5:30, maar is redactioneel
vereenvoudigd. De regeling is in eerste instantie beperkt tot de verkoop
van meegevoerde
zaken die niet kunnen worden teruggegeven. De alternatieven van
eigendomsoverdracht om niet en vernietiging zijn ondergebracht in een
nieuw vijfde lid.
Artikel 5:31
Het huidige
artikel 5:31
verbiedt het toepassen van bestuursdwang zolang een ter zake van dezelfde
overtreding opgelegde last onder dwangsom niet is ingetrokken. Deze
bepaling kan vervallen, omdat het verbod van het gelijktijdig opleggen
van twee herstelsancties voor dezelfde overtreding reeds uit het voorgestelde
artikel 5.0.6 [5:6] volgt.
Het nieuwe artikel 5:31
regelt bestuursdwang in spoedeisende situaties. Deze regeling komt
materieel overeen met het huidige artikel
5:24, vijfde en zesde lid. Het eerste
lid bepaalt dat in spoedeisende gevallen bestuursdwang kan worden toegepast
zonder voorafgaande last. Er moet dan nog wel een besluit worden
genomen en bekendgemaakt waarin de door het bestuursorgaan te nemen
maatregelen worden omschreven. Het tweede lid ziet op de situaties
die zo spoedeisend zijn dat zelfs het opstellen van een besluit niet kan
worden afgewacht. In dat geval kan het bestuursorgaan terstond bestuursdwang
toepassen, maar moet wel achteraf zo spoedig mogelijk een
besluit worden opgesteld en bekendgemaakt. Daardoor kan de beslissing om
bestuursdwang toe te passen achteraf door de bestuursrechter worden
getoetst, hetgeen van belang kan zijn in verband met eventuele
schadeclaims.
rblz.|108|
Artikel
5:31a
Eerste lid
Zoals in
paragraaf 4 van
het algemeen gedeelte van dit hoofdstuk van deze toelichting is
uiteengezet, is er behoefte aan versterking van de positie van de derde die
een verzoek tot handhaving heeft gedaan. Meer in het bijzonder is het
wenselijk dat deze derde zich tot de bestuursrechter kan wenden indien het
bestuursorgaan wel een sanctie heeft opgelegd, maar deze vervolgens niet
effectueert. Daartoe wordt de figuur van de "toepassingsbeschikking"
geïntroduceerd. Deze beschikking omtrent de toepassing bevat een - vanzelfsprekend gemotiveerde
- beslissing van het bestuursorgaan om al dan
niet tot toepassing van de reeds aangezegde bestuursdwang over te
gaan. Daaruit volgt dat een toepassingsbeschikking slechts kan worden
gegeven ter zake van een overtreding waarvoor reeds een last
onder bestuursdwang is opgelegd. Voor een positieve beschikking op
het verzoek tot toepassing van bestuursdwang is voorts natuurlijk
vereist dat de overtreding of haar gevolgen nog bestaan,
alsmede dat de termijn
die aan de overtreder is gegund om de overtreding te beëindigen of haar
gevolgen weg te nemen inmiddels is verstreken.
Als aan deze voorwaarden
is voldaan, zal het bestuursorgaan het verzoek tot toepassing in
beginsel moeten inwilligen. Als regel mag van een bestuursorgaan dat
bestuursdwang aanzegt, worden verwacht dat het de bestuursdwang ook
effectueert als de overtreder niet bereid blijkt binnen de gestelde termijn
aan
zijn verplichtingen te voldoen. Zowel de door de overtreden voorschriften
beschermde belangen als de geloofwaardigheid van de overheid nopen tot
dit uitgangspunt. Slechts in bijzondere omstandigheden kan er aanleiding zijn om
bijvoorbeeld de overtreder nog iets meer tijd te gunnen dan
aanvankelijk was voorzien.
Een beschikking omtrent
toepassing van bestuursdwang kan slechts op verzoek worden gegeven.
Het is nodig noch wenselijk dat een bestuursorgaan dat tot uitvoering van
aangezegde bestuursdwang wil overgaan ambtshalve een
beschikking tot toepassing geeft. Dat zou een voortvarende handhaving eerder
belemmeren dan bevorderen.
Het verzoek om toepassing
van bestuursdwang kan in de eerste plaats worden gedaan door degene op
wiens aanvraag de last onder bestuursdwang
is opgelegd. In
aanvulling daarop achten wij het wenselijk dat ook een andere belanghebbende
die door de overtreding wordt benadeeld om toepassing van bestuursdwang kan vragen. Te denken valt aan een
omwonende die hinder of
overlast ondervindt van de overtreding, maar zelf destijds niet om het
opleggen van de sanctie heeft gevraagd. Dat laatste behoeft immers
niet te betekenen dat de kwestie hem niet raakt. Het is mogelijk dat hij
destijds niet om optreden heeft gevraagd omdat een ander het bestuur al
op de overtreding had geattendeerd, dan wel omdat hij destijds nog
ergens anders woonde en dus nog geen belanghebbende was. Denkbaar is ook dat
de oorspronkelijke verzoeker inmiddels geen belanghebbende meer
is, bijvoorbeeld omdat hij is verhuisd. In al deze gevallen is
het wenselijk dat een beslissing van het bestuur om de reeds aangezegde bestuursdwang niet toe te
passen door de bestuursrechter
kan worden getoetst. Het
zou merkwaardig zijn als dit wel mogelijk zou zijn als de
oorspronkelijke klager om toepassing vraagt, maar niet als diens buurman met precies
hetzelfde belang daar om vraagt. Vereist is slechts dat degene die om
toepassing vraagt door de overtreding en daarmee door de
beslissing om niet daadwerkelijk op te treden rechtstreeks in zijn belang wordt
getroffen.
Anders dan bij de last
onder dwangsom (zie de toelichting op artikel
5:37), achten wij het echter
niet wenselijk dat ook de overtreder om een beschikking omtrent toepassing zou
kunnen vragen (aldus ook Blomberg c.s., a.w., blz. 23). Dat zou
alleen zin hebben als dit verzoek de tenuitvoerlegging rblz.|109|
van de last schorst
en dat zou het voor de overtreder wel erg gemakkelijk maken om daadwerkelijk
ingrijpen door het bestuur te voorkomen, althans uit te stellen.
Dat is hoogst ongewenst, omdat bestuursdwang naar zijn aard vaak
spoedeisend is. De reden waarom het bestuur niet voor een last onder
dwangsom, maar voor het (voor het bestuur potentieel meer bewerkelijke en
duurdere) alternatief van de last onder bestuursdwang kiest, is
immers vaak dat de overtreding zo ernstig is dat het bestuur zekerheid wil
hebben dat zij op korte termijn wordt beëindigd. Bij de dwangsom spelen
dergelijke problemen veel minder, reeds omdat een verzoek van de
overtreder op zichzelf niet verhindert dat dwangsommen worden verbeurd.
Bij bestuursdwang kunnen
behalve de overtreder ook (andere) rechthebbenden zijn betrokken (bijvoorbeeld de eigenaar/verhuurder van het
perceel of het pand waar
de overtreding plaatsvindt), wier belangen parallel lopen met die
van de overtreder. Derhalve behoren zij om dezelfde reden ook niet bevoegd te zijn om om een beschikking omtrent
toepassing te vragen. De
strekking van de regeling is derhalve dat de belanghebbenden die het
bestuur tot handhaving willen bewegen om een beschikking omtrent
toepassing kunnen vragen en aldus toegang tot de bestuursrechter krijgen,
maar belanghebbenden die handhaving juist willen voorkomen niet.
Dit laat onverlet dat laatstgenoemden wel bezwaar kunnen maken en
beroep kunnen instellen als het bestuur op verzoek van een derde tot toepassing van de bestuursdwang besluit. Dit
bezwaar of beroep schorst
de toepassing echter niet op (artikel 6:16
Awb). Een beschikking omtrent
toepassing van bestuursdwang veronderstelt uiteraard een last onder bestuursdwang. Deze last behoeft echter geenszins
onherroepelijk te zijn,
want bezwaar en beroep tegen de last schorsen niet de werking daarvan (artikel
6:16 Awb). Indien echter de last onder bestuursdwang
op verzoek
van de overtreder door de voorzieningenrechter is geschorst, kan zolang
de schorsing duurt uiteraard niet tot toepassing van de
bestuursdwang worden besloten. Een verzoek tot toepassing van een derde
dient dan reeds op die grond te worden afgewezen.
Tweede lid
Een verzoek om toepassing
is pas mogelijk als de last niet is nageleefd, dus als de termijn die de
overtreder is gegund om zelf de overtreding te beëindigen, casu quo
haar gevolgen weg te nemen, is verstreken. Vóór dat tijdstip is het
bestuur immers nog niet bevoegd om bestuursdwang toe te passen. Het tweede
lid onderstreept dit en maakt tevens duidelijk dat het niet mogelijk is
om reeds bij voorbaat een verzoek tot toepassing te doen "voor het geval
dat". Het bestuursorgaan kan een dergelijk verzoek buiten behandeling laten en moet dit in beginsel zelfs doen,
omdat pas na het
verstrijken van de termijn kan worden beoordeeld of toepassing van
bestuursdwang nog nodig is en of er bijzondere omstandigheden zijn die zich tegen
toepassing van bestuursdwang verzetten.
Derde lid
Het derde lid regelt ten
eerste de termijn binnen welke het bestuursorgaan op het verzoek om
toepassing van bestuursdwang moet beslissen. Gekozen is voor een
relatief korte beslistermijn van vier weken. Het gaat immers om situaties
waarin de derde meent dat het bestuur talmt met de tenuitvoerlegging van een
reeds genomen handhavingsbesluit. In zo’n geval moet de derde
kunnen rekenen op een spoedige reactie van het bestuur. Dat is ook
mogelijk, omdat eerder reeds is vastgesteld dat een overtreding heeft
plaatsgevonden en dat er aanleiding is om daartegen zo nodig met bestuursdwang
op te treden, alsmede welke maatregelen de overtreder binnen welke
termijn moet nemen (vgl. artikel 5:24, derde lid). Het
rblz.|110|
bestuursorgaan behoeft
dus nog slechts te beoordelen of deze maatregelen zijn genomen. Indien dit
niet het geval is, kan bestuursdwang worden toegepast en zal
deze in beginsel ook moeten worden toegepast. Slechts indien zich
bijzondere omstandigheden voordoen, zal nog van toepassing van de
bestuursdwang kunnen worden afgezien. Het ligt op de weg van de overtreder om
deze bijzondere omstandigheden aan te voeren.
De tweede volzin van het
derde lid stelt buiten twijfel dat de beslissing omtrent de toepassing in
de hier bedoelde gevallen moet worden aangemerkt als een beschikking in de
zin van artikel 1:3, tweede lid,
Awb
en derhalve vatbaar is voor
bezwaar en beroep. De formulering is ontleend aan het huidige artikel 5:24, eerste lid, tweede volzin.
Artikel
5:31b
Een beschikking omtrent
de toepassing van de bestuursdwang kan slechts worden gegeven als eerst
een last onder bestuursdwang is opgelegd. Als geen last is opgelegd,
valt er immers ook niets ten uitvoer te leggen. Om dezelfde reden dient
intrekking of vernietiging van de last onder bestuursdwang ook gevolgen te hebben
voor de beschikking omtrent de toepassing van bestuursdwang. Daarom
is in artikel 5:31b bepaald dat de beschikking omtrent de
toepassing van rechtswege vervalt als de last onder bestuursdwang wordt
ingetrokken of vernietigd. Dit geldt ook voor een eventuele beschikking
waarbij van toepassing van bestuursdwang is afgezien. Ook deze heeft
immers geen betekenis meer als de last onder bestuursdwang niet meer
geldt.
Het komt in de praktijk
regelmatig voor dat de (vermeende) overtreder de bestuursrechter verzoekt
om een last onder bestuursdwang bij wege van voorlopige voorziening (artikel
8:81 Awb) te schorsen. Doorgaans gebeurt dit zo kort na de
bekendmaking van de last dat er nog geen beschikking omtrent de toepassing is.
In de zeldzame gevallen waarin dit anders is, heeft het verzoek om
voorlopige voorziening op verzoek van de overtreder mede betrekking op
de
beschikking tot toepassing (zie het voorgestelde artikel 5:31c). Als de
voorzieningenrechter de last onder bestuursdwang
schorst, ligt het in de
rede dat hij tevens de beschikking tot toepassing schorst. Een
afzonderlijke regeling voor deze situatie is derhalve niet nodig.
Artikel
5:31c
Eerste lid
Ingevolge
dit
wetsvoorstel kunnen na een last onder bestuursdwang onder omstandigheden nog
twee bijkomende beschikkingen volgen: een beschikking tot
toepassing van bestuursdwang en een kostenbeschikking. Elk van deze
beschikkingen is in beginsel vatbaar voor bezwaar en beroep. Om de daaruit voor
bestuur, burger en rechter voortvloeiende procedurelasten te beperken, zorgt
artikel 5:31c, eerste lid, ervoor dat eventuele procedures over de
bijkomende beschikkingen waar mogelijk worden gecombineerd met een nog
aanhangige procedure tegen de last onder bestuursdwang, zodat de
rechter het gehele geschil in één keer kan beslechten.
De regeling van artikel 5:31c, eerste lid, is ontleend aan de regeling van het huidige
artikel 6:19
voor intrekkings- en wijzigingsbesluiten en komt zoveel mogelijk overeen
met het voorgestelde artikel 4.4.5.1
[4:125] voor bijkomende beschikkingen inzake
geldschulden. Indien hangende een bezwaar of beroep tegen een last
onder bestuursdwang een bijkomende beschikking wordt gegeven en deze
door degene die het bezwaar of beroep heeft ingesteld, wordt betwist,
wordt het reeds aanhangige bezwaar of beroep automatisch uitgebreid
tot de betwiste bijkomende beschikking. Dat hij de rblz.|111|
bijkomende beschikking
betwist, kan de belanghebbende doen blijken op dezelfde wijze als waarop
hij enig ander standpunt in de procedure inneemt; men zie ook de
toelichting op artikel 4.4.5.1.
De belanghebbende kan
tegen de bijkomende beschikking niet meer afzonderlijk bezwaar
maken of beroep instellen. Doet hij dat toch, dan dient het bezwaar- of
beroepschrift ingevolge artikel 6:15 Awb te worden doorgezonden naar de
instantie waar het beroep tegen de last onder bestuursdwang aanhangig
is. Indien geen procedure tegen de last onder bestuursdwang (meer)
aanhangig is, is de bijkomende beschikking uiteraard wel afzonderlijk vatbaar
voor bezwaar en beroep.
Artikel 5:31c, eerste
lid, ziet in de eerste plaats op een beschikking die strekt tot toepassing van
bestuursdwang. De verplichting om binnen vier weken op een verzoek van
een derde te beslissen, brengt mee dat het bestuursorgaan soms
verplicht zal zijn een dergelijke beschikking tot toepassing van bestuursdwang te geven, hoewel nog niet is beslist op het
beroep van de overtreder
tegen de last onder bestuursdwang. In zo’n geval kan de (vermeende)
overtreder door betwisting van de toepassingsbeschikking bereiken dat de rechter
in de lopende procedure ook daarover een oordeel geeft. In de
praktijk wellicht nog belangrijker is dat de overtreder daardoor zo nodig ook een
voorlopige voorziening tegen de toepassingsbeschikking
kan vragen.
Artikel 5:31c
geldt niet
voor een beschikking die inhoudt dat van toepassing van bestuursdwang wordt
afgezien. Daartegen zal immers slechts de derde die om toepassing
heeft gevraagd in voorkomende gevallen willen opkomen, terwijl de
lopende bezwaar- of beroepsprocedure tegen de last onder bestuursdwang bijna
altijd door de (vermeende) overtreder is aangespannen. Het ligt
niet in de rede dat een derde die een beschikking tot niet-toepassing wil
aanvechten daartoe gratis kan "meeliften" in een door een ander met
tegengestelde belangen ingesteld beroep. Dit zou anders liggen in het in
theorie denkbare geval dat de derde ook zelf beroep heeft ingesteld
tegen de last onder bestuursdwang, bijvoorbeeld omdat hij de
begunstigingstermijn te lang of de voorgeschreven maatregelen onvoldoende
vindt. Dit
komt echter in de praktijk zo weinig voor dat van een afzonderlijke
regeling voor dat geval is afgezien.
Artikel
5:31c ziet voorts op een eventuele kostenbeschikking. Doordat een derde straks toepassing
van de bestuursdwang kan afdwingen, zal het vaker dan thans voorkomen
dat de bestuursdwang wordt toegepast en de kosten worden vastgesteld
voordat de last onder bestuursdwang onherroepelijk is. In dat geval kan de
overtreder door betwisting bereiken dat de rechter of het
bestuursorgaan waarbij het beroep of bezwaar tegen de last onder bestuursdwang
aanhangig is meteen een oordeel geeft over de hoogte van de door het
bestuursorgaan in rekening gebrachte kosten van de bestuursdwang.
Tweede lid
Het eerste lid kan
meebrengen dat in de procedure tegen de beschikking tot toepassing van
bestuursdwang of de kostenbeschikking één of zelfs twee instanties worden
overgeslagen. Als de bijkomende beschikking bijvoorbeeld wordt
gegeven op een tijdstip waarop de procedure tegen de last onder bestuursdwang
zich reeds in de fase van het hoger beroep bevindt, is het gevolg
dat de toepassings- of kostenbeschikking in eerste en enige aanleg door de
appelrechter wordt beoordeeld. Als regel is dit niet bezwaarlijk, omdat
het proceseconomisch voordeel zwaarder moet wegen - en in de meeste
gevallen ook in de ogen van de belanghebbende zwaarder zal wegen - dan het verlies van instantie. Niet uit te sluiten valt echter dat in bijzondere
gevallen - bijvoorbeeld als alsnog ingewikkelde feitelijke geschilpunten
rijzen - eerst een behandeling in lagere instantie gewenst is. Daarom geeft
het tweede lid de rechter de bevoegdheid om rblz.|112|
het geschil over de
bijkomende beschikking zo nodig terug te wijzen naar deze lagere instantie.
Een vergelijkbare bepaling is thans reeds opgenomen in artikel
6:19, tweede
lid.
Derde lid
Bij betwisting van een
bijkomende beschikking moet zo mogelijk een afschrift van deze
bijkomende beschikking worden overgelegd. Deze verplichting geldt niet
in de bezwaarfase, want de bijkomende beschikking is per definitie
afkomstig van het bestuursorgaan dat het bezwaarschrift behandelt en dat
derhalve
geacht moet worden de inhoud van deze bijkomende beschikking te kennen.
Vierde lid
Het vierde lid stelt
buiten twijfel dat de regeling van artikel 5:31c
ook kan worden toegepast indien
tegen de last onder bestuursdwang een voorlopige voorziening is gevraagd
en de bijkomende beschikking wordt gegeven voordat op dit
verzoek is beslist. Dat geval zal zich uit de aard der zaak niet vaak voordoen,
maar uitgesloten is het niet.
Afdeling
5.3.2. Last onder
dwangsom
In verband met de
verdeling van hoofdstuk 5 in titels wordt de afdeling over de last onder
dwangsom vernummerd. Tevens wordt de terminologie van het opschrift in
overeenstemming gebracht met die van de artikelen.
Artikel
5:31d
Een definitie van de last
onder dwangsom ontbrak tot dusver in de Algemene wet
bestuursrecht. Uit oogpunt van systematiek is het wenselijk
deze thans toe te voegen;
een inhoudelijke wijziging is daarmee niet beoogd. Vastgelegd is slechts dat de last onder dwangsom uit twee elementen bestaat. Het
eerste element is een bevel (de last) tot het herstel van de overtreding. Het
woord herstel verwijst naar de definitie van herstelsanctie in artikel
5.0.2 [5:2], eerste lid, onderdeel b. De last kan dus strekken tot het geheel
of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het
voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen
of beperken van de gevolgen van de overtreding. Het tweede element is de
verplichting tot betaling van een geldsom. Deze verplichting heeft
een voorwaardelijk karakter. Zij ontstaat pas als de last niet of niet tijdig
wordt uitgevoerd. De bedoeling van een last onder dwangsom is immers juist
dat de verschuldigdheid van de dwangsom wordt voorkomen doordat
de dreiging daarvan bewerkstelligt dat de overtreder de overtreding
beëindigt.
In vergelijking met het voorontwerp zijn in onderdeel b de woorden "geheel of gedeeltelijk" toegevoegd om buiten twijfel te stellen dat partiële handhaving
onder omstandigheden mogelijk is. Verwezen zij naar de toelichting
op artikel 5.0.2.
Artikel 5:32
Het eerste lid van deze
bepaling blijft ongewijzigd. Het geeft ieder bestuursorgaan dat
bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen tevens de
bevoegdheid om in plaats daarvan een last onder dwangsom op te leggen
(zogenaamde afgeleide dwangsombevoegdheid). Het tweede lid komt
zakelijk overeen met het huidige derde lid van artikel 5:32. Het bepaalt dat een
bestuursorgaan niet voor een last onder dwangsom mag kiezen
indien de door het overtreden voorschrift rblz.|113|
beschermde belangen zich daartegen verzetten. Dit keuzecriterium heeft
uiteraard slechts
betekenis voor de gevallen waarin het bestuursorgaan zowel over een
bestuursdwang- als over een dwangsombevoegdheid beschikt ("afgeleide" dwangsombevoegdheid). Impliciet wordt daarmee
tevens erkend dat er ook
gevallen zijn waarin het bestuursorgaan uitsluitend over een
dwangsombevoegdheid beschikt (zogenaamde zelfstandige dwangsombevoegdheid; zie
paragraaf 5 van het algemeen gedeelte van dit hoofdstuk van de
memorie van toelichting).
Het huidige tweede lid
van artikel 5:32 kan vervallen. Het bepaalt dat een last onder dwangsom
ertoe strekt de overtreding ongedaan te maken, dan wel verdere
overtreding of herhaling van de overtreding te voorkomen. Eén en ander volgt reeds
uit de algemene definitie van herstelsanctie (artikel
5.0.2 [5:2], onderdeel b), in samenhang met de definitie van last
onder dwangsom (artikel 5:31d).
Het huidige vierde en
vijfde lid van artikel 5:32 zijn overgebracht naar de nieuwe
artikelen
5:32a,
tweede lid, en 5:32b. Daarmee wordt beter tot uitdrukking gebracht dat
deze bepalingen gelden voor alle dwangsombevoegdheden en niet slechts voor de
afgeleide dwangsombevoegdheid van artikel
5:32.
Artikel
5:32a
Het eerste lid bepaalt
dat de last de maatregelen moet omschrijven die de overtreder moet nemen om
verbeurte van een dwangsom te voorkomen. Dit is een voor de hand
liggende eis van rechtszekerheid. De huidige wet expliciteert deze eis
voor de bestuursdwang (artikel 5:24, vierde lid, tweede volzin; in
dit wetsvoorstel verplaatst naar artikel 5:24, eerste lid), maar opmerkelijk
genoeg niet voor de last
onder dwangsom. Dat is bij nader inzien een omissie, die thans
wordt hersteld.
Het tweede lid komt
overeen met het huidige artikel
5:32, vijfde lid. Voor alle duidelijkheid zij
nog opgemerkt dat bij een last onder dwangsom die strekt tot het voorkomen
van herhaling uit de aard der zaak geen termijn behoeft te worden gegund
(vgl. ook ABRvS 24 oktober 2001, AB 2002, 47).
Artikel
5:32b
Dit artikel komt,
behoudens een redactionele aanpassing, overeen met het huidige artikel 5:32,
vierde lid. Het is ter wille van de leesbaarheid in drie leden gesplitst.
Artikel 5:33
Artikel 5:33
wordt
vervangen door een nieuwe bepaling. Het nieuwe artikel 5:33 regelt
slechts de termijn voor betaling van een dwangsom. Dat is nodig omdat de
algemene betalingstermijn van artikel 4.4.1.3
[4:87] hier niet rechtstreeks van
toepassing is. De hoofdregel van artikel 4.4.1.3
[4:87] geldt voor betalingsverplichtingen
die bij beschikking worden vastgesteld. Bij verbeurte van een
dwangsom ontstaat de betalingsverplichting echter van rechtswege door de
overtreding van de last en niet pas door de latere invorderingsbeschikking.
Derhalve moet ook vóór de aanvang van de betalingstermijn worden
aangeknoopt bij het tijdstip van verbeurte.
Voor de lengte van de
betalingstermijn - zes weken - is wel aansluiting gezocht bij de hoofdregel
van artikel 4.4.1.3 [4:87]. Nadat de verplichting om de verbeurde geldsom te
betalen - van rechtswege - is ontstaan en de betalingstermijn is verstreken, zal het
bestuursorgaan op grond van artikel 5:37 eerst een invorderingsbeschikking moeten geven, alvorens een
aanmaning te kunnen
versturen en eventueel een dwangbevel te kunnen uitvaardigen.
rblz.|114|
De
huidige tekst van
artikel 5:33 kan vervallen. Het huidige eerste lid bepaalt dat verbeurde
dwangsommen toekomen aan de rechtspersoon waartoe het
bestuursorgaan behoort dat de dwangsom heeft vastgesteld, alsmede dat het
bestuursorgaan het verschuldigde bedrag, verhoogd met de op de invordering
vallende kosten, bij dwangbevel kan invorderen.
Deze bepaling is
overbodig in verband met artikel 5.0.10
[5:10] van de algemene bepalingen over
bestuurlijke handhaving en de voorgestelde afdeling
4.4.4, die in een
geharmoniseerde dwangbevelprocedure voorziet. Uit artikel 5.0.10
[5:10] vloeit
reeds voort dat voor zover de oplegging van een last onder dwangsom verplicht
tot betaling van een geldsom, deze geldsom toekomt aan het
bestuursorgaan dat de dwangsom heeft opgelegd, alsook dat deze geldsom bij
dwangbevel kan worden ingevorderd.
Het huidige tweede lid verwijst naar artikel 5:26
[vervallen],
tweede tot en met vierde lid, welke artikelleden
betrekking hebben op de dwangbevelprocedure en het verzet tegen het
dwangbevel. Het tweede lid kan eveneens vervallen in verband met de
voorgestelde afdeling 4.4.4.
Artikel 5:34
Dit artikel is
ongewijzigd.
Artikel 5:35
Artikel 5:35 wordt
opnieuw geformuleerd. Voorgesteld wordt om te bepalen dat de
bevoegdheid om tot invordering van verbeurde bedragen over te gaan, verjaart
door verloop van één jaar na de dag waarop zij - van rechtswege - zijn
verbeurd. Eén en ander in afwijking van artikel
4.4.3.1 [4:104], dat een termijn van vijf
jaren kent.
Het huidige eerste lid
van artikel 5:35 kent een verjaringstermijn van zes maanden. Deze wordt in de
praktijk als te kort ervaren, onder meer omdat men soms de uitkomst van
een eventueel beroep tegen de dwangsomoplegging wil afwachten. Dit
laatste zal na inwerkingtreding van dit voorstel in ieder geval niet meer
kunnen als een derde om invordering verzoekt. Niettemin is
zes maanden bij nader inzien ook los daarvan aan de korte kant. Ook tussen
het tijdstip van verbeurte en het tijdstip waarop bij controle wordt vastgesteld dat de overtreding voortduurt, kan immers
enige tijd verstrijken.
Daarom wordt voorgesteld de praktijk enigszins tegemoet te komen door
een verlenging van de termijn tot één jaar.
De verjaringtermijn voor
het invorderen van verbeurde dwangsommen in artikel 5:35 vormt een
afwijking van artikel 4.4.3.1
[4:104], dat voor de rechtsvordering tot betaling een
verjaringstermijn kent van vijf jaren nadat de voorgeschreven
betalingstermijn is verstreken. De overige bepalingen van afdeling 4.4.3 inzake
stuiting en verlenging van de verjaringstermijn zijn wel van toepassing. In
verband met dit laatste kan het huidige tweede lid van artikel 5:35
vervallen. Opgemerkt zij dat uit het voorgestelde artikel
4.4.3.7 [4:110], tweede lid,
voortvloeit dat na stuiting van de verjaring opnieuw een verjaringstermijn van
één jaar begint te lopen.
Artikel 5:36
[vervallen]
Het huidige
artikel 5:36 [vervallen] verbiedt het opleggen van een last onder dwangsom zolang een ter zake van dezelfde overtreding genomen beschikking tot
toepassing van bestuursdwang niet is ingetrokken. Deze bepaling kan vervallen,
omdat het verbod van het gelijktijdig opleggen van twee herstelsancties
voor dezelfde overtreding reeds uit het voorgestelde artikel 5.0.6
[5:6] volgt.
rblz.|115|
Artikel 5:37
Eerste lid
Artikel 5:37 regelt de in
de paragrafen 3 en 4 van het algemeen gedeelte van dit hoofdstuk van de toelichting besproken invorderingsbeschikking.
Deze regeling komt deels
overeen met die van de beschikking tot toepassing van bestuursdwang (artikel 5:31a), maar verschilt daarvan ook
op een aantal punten. Deze
verschillen houden onder meer verband met het gegeven dat de dwangsom
een financiële sanctie is, die derhalve een bestuursrechtelijke
geldschuld in de zin van titel 4.4 doet ontstaan.
Het bestuursorgaan dat
een last onder dwangsom heeft opgelegd, dient in de eerste plaats een invorderingsbeschikking te
geven indien het van
oordeel is dat
dwangsommen zijn verbeurd en het daarom tot invordering wil overgaan (eerste
lid). Nauwkeuriger: de invorderingsbeschikking dient te worden gegeven
alvorens het bestuursorgaan een aanmaning tot betaling van de dwangsommen in de
zin van artikel 4.4.4.2 [artikel
4.4.4.1.1 [4:112], red.] kan doen uitgaan. Aangezien invordering bij
dwangbevel pas mogelijk is nadat is aangemaand (artikel
4.4.4.6 [artikel 4.4.4.2.4 [4:117], red.]), wordt
aldus bereikt dat dwanginvordering pas kan plaatsvinden nadat de geldschuld bij beschikking is vastgesteld.
Dit betekent,
overeenkomstig de hoofdregel van de nieuwe titel
4.4, tevens dat de
bestuursrechter voortaan zal oordelen over geschillen over het bestaan en de omvang
van de geldschuld. Dat is juist bij de last onder dwangsom van groot
belang, omdat geschillen over het bestaan van de geldschuld hier niets
anders zijn dan geschillen over de vraag of de last is overtreden. Bij een last
die strekt tot het voorkomen van herhaling van de overtreding gaan deze
geschillen doorgaans over de vraag of na de overtreding naar aanleiding waarvan
de last onder dwangsom is opgelegd opnieuw een overtreding
heeft plaatsgevonden. Over deze typisch bestuursrechtelijke
geschillen kan thans slechts de civiele (executie)rechter oordelen, hetgeen, zoals elders in deze toelichting uiteengezet, uit
systematisch oogpunt,
maar ook uit een oogpunt van rechtsbescherming van de (vermeende)
overtreder, ongewenst is.
Het dictum van de
invorderingsbeschikking behelst in dit geval de beslissing om over te gaan tot
invordering van een bepaald bedrag aan verbeurde dwangsommen.
Ter motivering van deze beslissing zal het bestuursorgaan allereerst
moeten aangeven op welke gronden het van oordeel is dat
dwangsommen zijn verbeurd (dus: dat de last is overtreden), alsmede tot welk bedrag
deze zijn verbeurd. Nogmaals zij benadrukt dat de
invorderingsbeschikking in zoverre een declaratoir karakter heeft.
De dwangsommen worden van
rechtswege verbeurd door de overtreding van de last. De
vaststelling bij beschikking dat en tot welk bedrag dit is geschied, is nodig om de
geldschuld te kunnen invorderen, maar doet haar niet ontstaan.
Naast dit oordeel over de
verbeurte dient het bestuursorgaan de beslissing om tot invordering over
te gaan te motiveren. Doorgaans zal daartoe echter kunnen worden
volstaan met de overweging dat er geen redenen zijn om van invordering
af te zien. Een adequate handhaving vergt immers dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat
verbeurde dwangsommen ook
worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel
of gedeeltelijk van invordering worden afgezien; het ligt op de weg van de
overtreder om dergelijke omstandigheden onder de aandacht van het
bestuursorgaan te brengen. Daarbij zij overigens aangetekend dat het
treffen van een betalingsregeling, waarbij bijvoorbeeld gedeeltelijk
uitstel van betaling wordt verleend, iets anders is dan het afzien van
invordering.
Tweede lid
Het bestuursorgaan dient
voorts een beschikking omtrent de invordering rblz.|116|
te geven indien een belanghebbende daarom vraagt. Daarbij kan in de
eerste plaats worden
gedacht aan de derde op wiens verzoek in een eerder stadium de last
onder dwangsom is opgelegd. In dat geval kan de beschikking ook inhouden
dat niet wordt ingevorderd, hetzij omdat het bestuursorgaan van
oordeel is dat geen dwangsommen zijn verbeurd, hetzij omdat het van
oordeel is dat op grond van bijzondere omstandigheden van invordering van de
verbeurde dwangsommen moet worden afgezien. De verplichting
om dit oordeel in een beschikking vast te leggen, verschaft de derde dan de
mogelijkheid om dit oordeel door de bestuursrechter te laten toetsen. De
functie van de beschikking omtrent invordering is dan vergelijkbaar met
die van de beschikking omtrent tenuitvoerlegging bij bestuursdwang: zij
geeft de derde de mogelijkheid om het bestuur via de bestuursrechter tot daadwerkelijk optreden te bewegen. Bepaald is dat iedere
belanghebbende om een invorderingsbeschikking kan vragen. Dat kan de
derde zijn die in een eerder stadium om handhaving heeft verzocht of een
andere derde-belanghebbende (zie de toelichting op artikel 5:31c), maar
ook de overtreder. De overtreder zal als regel echter geen behoefte
hebben om een invorderingsbeschikking te vragen, omdat het bestuursorgaan
die toch al moet geven voordat het tot invordering kan overgaan. Als bestuur
en overtreder van mening verschillen over de vraag of de last correct is uitgevoerd, is echter denkbaar dat de overtreder
om een
invorderingsbeschikking vraagt om het geschil snel aan de rechter te kunnen
voorleggen. Ook dat is uit een oogpunt van handhaving niet bezwaarlijk, omdat
zo’n verzoek niet voorkomt dat dwangsommen worden verbeurd.
Derde lid
Om dezelfde reden als bij
de beschikking omtrent toepassing van bestuursdwang is bepaald
dat op het verzoek om een invorderingsbeschikking binnen vier weken moet
worden beslist. Kortheidshalve zij verwezen naar de
toelichting op artikel 5:31a, tweede lid.
Artikel 5:38
Deze bepaling komt
overeen met artikel 5:31b. Als de last onder dwangsom door intrekking
of vernietiging haar rechtskracht verliest, dient ook de
invorderingsbeschikking te vervallen. Verwezen zij naar de toelichting
op artikel
5:31b.
Artikel 5:39
Artikel 5:39 komt overeen
met artikel 5:31c. Indien een beschikking tot invordering (dat wil
zeggen een beschikking die inhoudt dat wel wordt ingevorderd) wordt
gegeven, terwijl nog een bezwaar of beroep tegen de last onder dwangsom
aanhangig is, kan de overtreder door betwisting van de invorderingsbeschikking bewerkstelligen dat deze in het kader van
het reeds aanhangige
bezwaar of beroep tevens de dwangsombeschikking wordt getoetst. Aldus
wordt een afzonderlijke procedure over de invorderingsbeschikking voorkomen. Voor het overige zij kortheidshalve
verwezen naar de
toelichting op artikel 5:31c.
rblz.|117|
V. De
bestuurlijke boete
1. Aanleiding
Sedert het midden van de
jaren negentig is een groot aantal wettelijke regelingen tot stand
gekomen waarin bestuursorganen de bevoegdheid krijgen om aan burgers
boeten op te leggen. Op zichzelf is deze bestuurlijke boete geen nieuw
verschijnsel. Het belastingrecht kent haar sinds jaar en dag, tot 1998 onder
de
naam verhoging. Vanaf de jaren vijftig is de niet door de rechter, maar
door de uitvoerende macht opgelegde boete daarnaast door een aantal Europese
regelingen in de Nederlandse rechtsorde geïntroduceerd.
Buiten deze twee gebieden
kwam de bestuurlijke boete lange tijd maar sporadisch voor. In het
begin van de jaren negentig kwam daar verandering in. Eerst werd door de
introductie van de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de handhaving van het verkeersrecht voor een belangrijk deel van het strafrecht naar het
bestuursrecht
overgebracht. Vervolgens werd, tegen de achtergrond van de hiervoor gesignaleerde
discussie over het handhavingstekort, gezocht naar mogelijkheden om ook
op andere terreinen de strafrechtelijke handhaving te vervangen door, dan
wel aan te vullen met, bestuursrechtelijke handhaving.
In dit kader heeft de
Minister van Justitie in 1993 aan de Commissie voor de toetsing van wetgevingsprojecten
(CTW) advies gevraagd over de mogelijkheden van
handhaving door bestuurlijke boeten. Begin 1994 adviseerde de CTW in haar
advies "Handhaving door bestuurlijke boeten" om de bestuurlijke boete
in te voeren in een groot aantal wetten op het terrein van het economischeordeningsrecht. Een
halfjaar na het verschijnen van het
CTW-advies werd dit op hoofdlijnen door het kabinet overgenomen (Kamerstukken
II 1993-1994, 23 400 VI, nr. 48). Sindsdien zijn in een reeks van wetten
de strafrechtelijke sancties vervangen door of aangevuld met
bestuurlijke boeten. Enkele voorbeelden zijn de Mededingingswet, de
Telecommunicatiewet, de
Postwet, de Arbeidsomstandighedenwet
1998, de Warenwet en
de meeste socialeverzekeringswetten (zie bijlage 2 bij deze
memorie van toelichting voor een overzicht). Het ligt in de lijn der
verwachtingen dat de komende jaren nog meer wetsvoorstellen zullen
volgen. Het Hoofdlijnenakkoord van het kabinet-Balkenende-II
(Kamerstukken II 2002-2003, 28 637, nr. 19) onderstreept het belang van de
bestuurlijke handhaving. In dat kader is onder meer aangekondigd dat gemeentebesturen
de
bevoegdheid zullen krijgen om bestuurlijke boetes op te
leggen teneinde de zogenaamde "kleine ergernissen" (graffiti, verkeerd
geplaatste vuilniszakken e.d.) aan te kunnen pakken (Kamerstukken II
2002-2003, 28 684, nr. 1,
blz. 37).
Deze toegenomen aandacht
voor de bestuursrechtelijke handhaving is in beginsel positief. Het
bijzondere bestuursrecht is de neerslag van door democratisch
gelegitimeerde organen in het algemeen belang geformuleerd overheidsbeleid. Wil dit
beleid zijn doel bereiken, dan zal dit bijzondere bestuursrecht voldoende
moeten worden gehandhaafd. Daarvoor zijn veelal bestraffende
sancties nodig. Het opleggen daarvan was vanouds de taak van de
strafrechtelijke autoriteiten. Zoals hiervoor uiteengezet, heeft de ervaring echter
geleerd dat het wenselijk kan zijn ook het bestuur een aandeel in de
bestraffende handhaving te geven. Dat kan zijn omdat het wenselijk is om
uitvoering en handhaving, dan wel reparatoire en bestraffende
handhaving, gedeeltelijk in één hand te brengen en aldus te benadrukken dat
het
bestuur ook voor de handhaving verantwoordelijkheid draagt. Dit is
bijvoorbeeld een overweging geweest bij de introductie van de bestuurlijke boete
in de sociale zekerheid.
Een andere reden kan zijn dat de handhaving specialistische deskundigheid vergt, terwijl het, gelet
op de relatief geringe aantallen zaken, voor het strafrechtelijk
apparaat niet lonend is deze deskundigheid op te rblz.|118|
bouwen. Dit is
bijvoorbeeld een overweging geweest om de handhaving van het mededingingsrecht
geheel naar het bestuursrecht over te brengen.
Een derde reden kan zijn
dat de geringe ernst van de overtredingen de inzet van
strafrechtelijke procedures niet rechtvaardigt. Dit heeft destijds bijvoorbeeld een rol
gespeeld bij de beslissing om het niet betalen van de - inmiddels afgeschafte
- omroepbijdrage bestuursrechtelijk af te doen. Ten slotte kan de massaliteit van de overtredingen een argument zijn voor
bestuursrechtelijke
afdoening. Het bestuursrecht is nu eenmaal meer ingesteld op het nemen van
grote aantallen routinebeslissingen dan het strafrecht. Dit argument
speelt vanouds een rol in het belastingrecht, en meer recent ook in het
verkeersrecht. Vaak gaat het ook om een combinatie van de genoemde
argumenten.
Dit alles laat
vanzelfsprekend onverlet dat, hoe sterk ook de doelmatigheidsargumenten
voor bestuurlijke handhaving mogen zijn, een rechtsstaat bij het
opleggen van bestraffende sancties dient te voorzien in voldoende, aan het
strafrecht gelijkwaardige, rechtsbescherming van de burger. Dit volgt ook uit
artikel 6 EVRM. Om die reden zijn in het verleden wel principiële bezwaren
geuit tegen het opleggen van bestraffende sancties door het bestuur.
Sedertdien heeft de bestuursrechtelijke rechtsbescherming zich echter in hoog tempo
verder ontwikkeld. Heden ten dage biedt het bestuursrecht
de burger een aan het strafrecht gelijkwaardige rechtsbescherming. Met
name is thans ook in het bestuursrecht gewaarborgd dat een opgelegde sanctie
altijd door de onafhankelijke rechter kan worden getoetst. Daardoor
behoeft het toekennen van bestraffende sanctiebevoegdheden aan
het bestuur thans niet meer op rechtsstatelijke bezwaren te stuiten.
Uiteraard dient de
wetgever bij het toekennen van dergelijke bevoegdheden wel zekere grenzen in
acht te nemen. Zo is onomstreden dat het opleggen van
vrijheidsstraffen aan de rechter blijft voorbehouden (artikel
113, derde lid, Grondwet).
Voorts zijn in de
wetgevingspraktijk van de laatste tien jaar, voortbouwend op het CTW-advies van
1994, gaandeweg enige criteria ontwikkeld die een rol spelen bij de keuze
tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving. Deze criteria hebben
veelal het karakter van indicaties pro of contra de keuze voor
één van beide rechtsstelsels. Met uitzondering van het hierna als eerste te
noemen criterium (vrijheidsstraffen) is geen van de afzonderlijke criteria
op zichzelf doorslaggevend. Evenmin is uitgesloten dat ook nog andere
gezichtspunten een rol spelen; het onderstaande is niet limitatief bedoeld.
Om duidelijk te maken waarvoor de thans voorgestelde regeling is bedoeld, is
het echter nuttig om op deze plaats aan te geven dat bij de keuze
tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving in ieder geval de
volgende criteria een rol spelen.
a. Voor zover voor een
adequate handhaving vrijheidsstraffen nodig zijn, komt uitsluitend het
strafrecht in aanmerking.
b. Naarmate de te
handhaven norm meer aansluit bij in de maatschappij levende fundamentele
waarden, komt strafrechtelijke handhaving eerder in aanmerking. In
het verlengde daarvan geldt dat naarmate meer behoefte bestaat aan
openbare berechting van een normovertreding, het strafrecht eerder in
aanmerking komt.
c. Als de kans groot is
dat de overtreding rechtsreeks leidt tot individuele schade of letsel, is dit
een indicatie voor toepassing van het strafrecht.
d. Indien ingrijpende
dwangmiddelen nodig zullen zijn om tot oplegging van een sanctie te kunnen
komen, is dat een indicatie voor toepassing van het strafrecht. Dit
geldt in ieder geval als vrijheidsbenemende dwangmiddelen nodig
zijn.
rblz.|119|
e. Een indicatie voor
handhaving door bestuurlijke boeten bestaat, indien:
- voor de vaststelling
van de feiten, waaronder de identiteit van de overtreder, geen
ingrijpende dwangmiddelen nodig zijn; en
- verwacht mag worden
dat in de praktijk in de meeste gevallen geen beroep bij de rechter
zal worden ingesteld.
f. Een contra-indicatie
voor handhaving door bestuurlijke boeten bestaat indien te verwachten is
dat in de praktijk veelvuldig strafrechtelijke middelen (bijvoorbeeld
het opmaken van proces-verbaal wegens het niet opvolgen van een
ambtelijk bevel (artikel 184 Sr)) zullen moeten worden ingezet om de
bestuurlijke boete te kunnen opleggen en effectueren. Als politie en justitie
toch veelvuldig zullen moeten worden ingeschakeld, is het
efficiënter om ook de onderliggende norm strafrechtelijk te handhaven.
g. Voorwaarde voor
handhaving door bestuurlijke boeten is dat het bestuursorgaan over
voldoende deskundigheid beschikt. Dit betekent niet dat uitsluitend
eenvoudige normen voor bestuursrechtelijke handhaving in aanmerking komen.
Juist als de handhaving specialistische deskundigheid vergt, kan
dit een argument zijn om daarmee een gespecialiseerd
bestuursorgaan te belasten, hetzij door attributie van de bevoegdheid om
bestuurlijke boeten op te leggen, hetzij door de strafrechtelijke
transactiebevoegdheid aan dit bestuursorgaan over te dragen (vgl. artikel 37
WED [Wet op
de economische delicten, red.]), hetzij door ambtenaren van het betrokken bestuursorgaan aan te
wijzen als buitengewoon opsporingsambtenaar (artikel 142 Sr).
h. Indien plaatselijke
verschillen in handhaving ongewenst zijn of de plaatselijke situatie
niet relevant is voor de handhaving, is bestuursrechtelijke handhaving door
decentrale bestuursorganen niet aangewezen.
i. Indien bij de
handhaving regelmatig een algemeen leerstuk of rechtsinstrument moet worden toegepast
dat
specifiek op één van beide rechtsgebieden is
uitgewerkt, is dat een indicatie om de handhaving geheel in dat
rechtsgebied onder te brengen. Als veel moet worden samengewerkt met
buitenlandse autoriteiten, kan dat een indicatie zijn voor strafrechtelijke
handhaving, omdat het strafrecht het instrument van de internationale
rechtshulp kent en het bestuursrecht niet.
Het is aan de bijzondere
wetgever om met behulp van deze criteria de keuze te maken voor
strafrechtelijke of bestuursrechtelijke handhaving of een combinatie van beide.
De criteria hebben echter wel gevolgen voor de opzet van onderhavige
algemene regeling. Zo voorziet deze niet in verdergaande onderzoeksbevoegdheden en
dwangmiddelen dan die welke aan toezichthouders reeds op grond van de huidige afdeling 5.2 Awb toekomen. Ook betekenen
deze criteria, zo leert inmiddels de ervaring, dat bij veel wetten zal
worden gekozen voor een combinatie van strafrechtelijke en bestuursrechtelijke
handhaving. Daarom is een regeling getroffen voor samenloop tussen strafrechtelijke en bestuursrechtelijke
sancties.
Een
andere voorwaarde
voor de rechtsstatelijke aanvaardbaarheid van bestuurlijke boeten is
dat voldoende waarborgen voor de burger worden opgenomen. Deze
waarborgen vloeien voor een belangrijk deel voort uit voor Nederland bindende
mensenrechtenverdragen. Op deze verdragsrechtelijke eisen wordt hierna
afzonderlijk ingegaan. Nu deze waarborgen op alle terreinen van het
bestuursrecht in acht moeten worden genomen, ligt het voor de hand
daarvoor een algemene regeling in de Awb te treffen. Reeds de CTW
adviseerde daarom op den duur een algemene regeling inzake de
bestuurlijke boete op te nemen in de Awb. Ook vanuit de Staten-Generaal is
daar herhaaldelijk op aangedrongen. De bestuurlijke rblz.|120|
boete was echter tot voor
kort ook voor de wetgever relatief onontgonnen terrein. Daarom moest
eerst enige ervaring worden opgedaan met regelingen in bijzondere wetten,
alvorens een goede algemene regeling kon worden ontworpen. Thans
is echter het moment aangebroken dat met vrucht een algemene
regeling kan worden beproefd. Daaraan bestaat ook steeds meer behoefte, nu
met het aantal boeteregelingen ook het gevaar van nodeloze verschillen
tussen die regelingen toeneemt.
De thans voorgestelde
regeling inzake bestuurlijke boete is voornamelijk harmoniserend. Veel
bepalingen inzake handhaving uit het wetsvoorstel staan nu reeds her en der
verspreid in bijzondere wetten die [in, red.] de mogelijkheid van de oplegging van een
bestuurlijke boete voorzien. De formuleringen van deze bepalingen lopen
soms uiteen in deze bijzondere wetten, terwijl de thans in het
wetsvoorstel opgenomen bepalingen niet in alle bijzondere boetewetten
zijn opgenomen. Het wetsvoorstel harmoniseert deze diverse bepalingen
en voorkomt daarmee dat er onnodige verschillen tussen
bestaan. Vanuit het perspectief van doorzichtigheid voor burgers biedt de
algemene regeling voordelen: her en der verspreide regels worden
samengebracht en een aantal regels uit de jurisprudentie wordt gecodificeerd.
Bovendien wordt een aantal procedurele waarborgen gegeven. Ook voor het
bestuur en de rechtstoepassing in het algemeen levert een
uniforme regeling voordelen op.
2. Verschillende
boetestelsels
De CTW heeft in haar
advies twee modellen gegeven voor inrichting van een
bestuurlijkeboeteregeling. Deze modellen, aangeduid als model A en model B, verschillen
op twee punten: de verhouding tussen het strafrecht en het bestuursrecht en
de vaststelling van de hoogte van de boete.
In model A komt de
bestuurlijke boete in de plaats van het strafrecht. De gedragingen waarvoor
bestuurlijke boeten kunnen worden opgelegd, worden niet langer als
strafbare feiten aangemerkt, met dien verstande dat daarop
uitzonderingen
kunnen worden gemaakt voor het geval zich strafverzwarende omstandigheden voordoen, bijvoorbeeld recidive of het
toebrengen van letsel aan
personen of schade aan goederen. Een strafsanctie in plaats van het
opleggen van een bestuurlijke boete is in deze gevallen dus niet meer
mogelijk. Een voorbeeld van dit model is de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. In model B daarentegen blijven de
beboetbare feiten tevens strafbaar, zodat in concrete gevallen kan
worden gekozen tussen het opleggen van een bestuurlijke boete of het
opleggen van een strafrechtelijke sanctie. De boeteregelingen in de socialezekerheidswetgeving en de fiscale wetgeving bieden hiervan
voorbeelden.
In model A is het bedrag
van de boete voor een bepaalde overtreding in (een bijlage bij) de wet
gefixeerd. Het bestuursorgaan heeft dus in beginsel geen
beoordelingsvrijheid ten aanzien van de hoogte van de boete. Dit stelsel vinden
wij bijvoorbeeld in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften en in de
financiëletoezichtswetgeving. In model B daarentegen
legt de wet, zoals in het strafrecht gebruikelijk, slechts het
maximum van de op te leggen boete vast; het bestuursorgaan heeft dus
in concreto beoordelingsvrijheid ten aanzien van de hoogte van de
boete.
De CTW sprak in haar
advies een voorkeur uit voor model A, maar in het kabinetsstandpunt over
dit advies werd deze voorkeur enigszins gerelativeerd. Het kabinet erkende dat
model A het voordeel van de eenvoud had, maar achtte model B een
bruikbaar alternatief. Model B zou bijvoorbeeld van dienst kunnen zijn
indien behoefte bestaat om rekening te houden met de omstandigheden van
het concrete geval, zoals recidive, de ernst van het feit, het
berokkende nadeel of het behaalde voordeel. Een stelsel van gefixeerde boetes
biedt daarvoor soms te weinig flexibiliteit. Daarnaast zijn er gevallen waarin
achter een delictsomschrijving gedragingen rblz.|121|
van sterk uiteenlopende
ernst schuilgaan, waardoor het wenselijk is zowel bestuursrechtelijk als
strafrechtelijk te kunnen handhaven. De keuze tussen de verschillende modellen dient derhalve aan de bijzondere
wetgever te worden
overgelaten. In de bestaande of in voorbereiding zijnde wetgeving komen
beide modellen voor. Ook komen mengvormen voor: de Mededingingswet
wordt uitsluitend bestuursrechtelijk gehandhaafd (in zoverre model A),
maar bepaalt slechts het maximum van de op te leggen boeten (in
zoverre model B). Dit betekent dat de regeling in de Awb
op beide punten met
beide modellen rekening dient te houden.
3. De opzet van de
regeling
3.1. Algemeen
Evenmin als de afdeling
inzake de last onder bestuursdwang bepaalt welke bestuursorganen in
welke gevallen een last onder bestuursdwang kunnen opleggen, bepaalt
de thans voorgelegde regeling welk bestuursorgaan in welke gevallen een
bestuurlijke boete kan opleggen, noch hoe hoog die boete dan is. Het legaliteitsbeginsel eist voor bestuurlijke boeten
een zo specifiek
mogelijke wettelijke grondslag. Het is derhalve de bijzondere wetgever die zal moeten
bepalen of voor een bepaalde gedraging een boete kan worden
opgelegd, en zo ja, hoe hoog die boete is en door welk bestuursorgaan zij
kan worden opgelegd. Daarmee kan de bijzondere wetgever voortaan echter
ook volstaan; de Awb regelt de procedure die bij het opleggen van de
boete moet worden gevolgd en de overige aspecten van de
boeteoplegging.
Titel 5.4 is verdeeld in
twee afdelingen. Afdeling 5.4.1 bevat bepalingen over een aantal materieelrechtelijke onderwerpen,
afdeling 5.4.2 betreft de
procedure die bij het
opleggen van de boete dient te worden gevolgd.
3.2. De procedure
De in de bestaande
wetgeving voorkomende bestuurlijke boeten lopen in zwaarte sterk uiteen.
Op grond van de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften kunnen boeten van enkele tientallen tot enkele honderden euro’s
worden opgelegd, maar in de
Mededingingswet
bedraagt de maximale
boete €|450 000,- of, als dat meer is,
10% van de omzet van de onderneming.
In het belastingrecht kan de boete voor een vergrijp tot 100% van de
ten onrechte niet geheven belasting bedragen. In beide laatstgenoemde
gevallen kan de boete in de praktijk oplopen tot vele miljoenen euro’s.
In verband hiermee zijn
in afdeling 5.4.2 twee procedures neergelegd: een meer eenvoudige voor de
lichtere boeten en een meer uitvoerige voor de zwaardere boeten.
Wetstechnisch gezien is dit vormgegeven door eerst de eenvoudigere procedure
uit te schrijven, waarna in een slotartikel is geregeld welke elementen daaraan
bij zware boeten worden toegevoegd. Dat zijn er drie: de
verplichting om een rapport op te maken, de hoorplicht en het vereiste van de
zogenaamde functiescheiding. Krachtens artikel 5.4.1.6
[5:45] geldt voorts bij
zwaardere boeten een langere verjaringstermijn.
De keuze tussen beide
procedures is geregeld in artikel
5.4.2.6 [5:53], eerste lid. De zware procedure geldt
bij overtredingen waarvoor een bestuurlijke boete van meer dan €|340,- kan worden opgelegd, tenzij bij wettelijk voorschrift een andere grens is
bepaald. Bij boeten van minder dan €|340,- zou de zware procedure in de
meeste gevallen tot onevenredige lasten leiden. Daarom geldt voor deze
boeten in beginsel de lichte procedure. De grens van €|340,- is ontleend
aan de maximale boete die op grond van de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften kan worden opgelegd (artikel 2, derde
lid, tweede volzin, geeft een maximum van €|340,-). Of een boete als licht of
als zwaar moet worden beschouwd, hangt echter mede af van de context
waarin zij wordt opgelegd. Een boete van €|500,- is
rblz.|122|
in de context van de
Algemene bijstandswet een zware sanctie, maar in de context van het
toezicht op financiële instellingen een lichte. Daarom is de mogelijkheid geopend
dat de bijzondere wetgever een andere grens bepaalt. Aldus wordt
bereikt dat de wetgever bij boeten hoger dan €|340,- wel kan kiezen voor de
lichte procedure, maar dit steeds bewust moet doen. De positie van de
overtreder wordt daarmee het best gewaarborgd. Het opleggen van een
bestuurlijke boete is een beschikking, zodat de voorschriften van
hoofdstuk 3 en titel 4.1 van toepassing zijn.
Afdeling 5.4.2 geeft daarnaast een
aantal aanvullende voorschriften. In grote lijnen verloopt de zware
procedure als volgt. De overtreding zal als regel door een ambtenaar worden
geconstateerd. Dat kan een toezichthouder zijn, maar ook een andere door
het bevoegde bestuursorgaan met handhavingstaken belaste
ambtenaar of - indien de gedraging tevens een strafbaar feit is - een
opsporingsambtenaar. Deze ambtenaar maakt van de geconstateerde
overtreding een rapport op. Dit rapport is de bestuursrechtelijke tegenhanger van het
proces-verbaal van de opsporingsambtenaar, met dien verstande dat
het geen bijzondere bewijskracht heeft. Is de constaterende ambtenaar
(tevens) opsporingsambtenaar, dan treedt zijn proces-verbaal in de
plaats van het rapport.
Het rapport wordt
toegezonden aan het bestuursorgaan dat bevoegd is de boete op te leggen. Dit
bestuursorgaan zal veelal een ambtenaar belasten met de voorbereiding van
de boetebeschikking. Deze mag niet de ambtenaar zijn die de overtreding
heeft geconstateerd. Indien deze tweede ambtenaar van oordeel is
dat een bestuurlijke boete moet worden opgelegd, stelt hij de overtreder
in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen. Uiterlijk op
dat
tijdstip wordt het rapport aan de overtreder toegezonden of
uitgereikt, zodat deze weet tegen welke beschuldiging hij zich moet verweren. De
overtreder is in ieder geval in dit stadium niet meer verplicht omtrent de
gedraging inlichtingen ten behoeve van de boeteoplegging te
verstrekken. Hij heeft tevens het recht op inzage in en afschrift van stukken die
aan het voornemen tot boeteoplegging ten grondslag liggen.
Nadat de overtreder is
gehoord, zijn er twee mogelijkheden. Indien het voornemen tot
boeteoplegging wordt gehandhaafd, wordt een beschikking van die strekking
gegeven. Wordt van het opleggen van een boete afgezien, dan wordt de
overtreder daarvan schriftelijk in kennis gesteld.
In de lichte procedure
bestaat wel de bevoegdheid, maar niet de verplichting om van de gedraging een
rapport op te maken. Ook de hoorplicht en de eis van
functiescheiding gelden niet. Uiteraard blijft het bestuursorgaan wel bevoegd
de overtreder
in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen.
Maakt het bestuursorgaan van deze bevoegdheid gebruik en is
er een rapport, dan dient dit ook uiterlijk op dat tijdstip aan de overtreder
te worden toegezonden. In het andere geval ontvangt deze het rapport
tegelijk met de boetebeschikking. Indien de zienswijze van betrokkene ertoe leidt dat van het voornemen tot boeteoplegging wordt afgezien, dan wordt
hem dit medegedeeld.
4. Verdragsrechtelijke
eisen
De artikelen 6 en 7 van
het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM) en de artikelen
14 en 15 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR)
bevatten een aantal belangrijke rechten en waarborgen voor degene tegen wie een
"strafvervolging" (in de authentieke Engelse tekst: "a
criminal charge") wordt ingesteld. De belangrijkste daarvan zijn het recht
op een eerlijke en openbare behandeling binnen een redelijke termijn
door een onafhankelijke en onpartijdige instantie, het legaliteitsbeginsel, de
onschuldpresumptie, het zwijgrecht van de beschuldigde, het "ne-bis-in-idembeginsel" en een aantal rechten van de verdediging.
rblz.|123|
Deze rechten en
waarborgen zijn ook bij het opleggen van bestuurlijke boeten van groot belang.
Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
volgt namelijk dat het begrip "criminal charge" een autonoom
begrip is (EHRM
8 juni 1976, Publ. ECHR, Ser. A, Vol. 22 (Engel); EHRM 21 februari 1984, NJ 1988, 937
(Öztürk)). Dat wil zeggen
dat voor de
toepasselijkheid van de door het verdrag gegarandeerde rechten en waarborgen
niet van belang is of een bepaalde sanctie naar nationaal recht als strafrechtelijk of bestuursrechtelijk wordt gekwalificeerd.
Beslissend is slechts of
de sanctie materieel het karakter van een straf heeft. Volgens het
Öztürk-arrest hangt dit vooral af van de al dan niet algemene aard van de
overtreden norm en het karakter van de sanctie, in het bijzonder of deze
bestraffend en afschrikwekkend is.
De vraag wat deze
criteria precies inhouden, heeft heel wat pennen in beweging gebracht.
Niettemin kan deze discussie hier blijven rusten. Inmiddels is in Nederland
namelijk onomstreden dat het opleggen van een bestuurlijke boete in
(zo goed als) alle gevallen een "criminal charge" oplevert. Ook de
nationale jurisprudentie gaat daarvan uit (zie voor de fiscale boete HR 22 juni
1988, NJ 1988, 955; voor de verkeersboeten HR 10 november 1992, NJ
1993, 181).
Anderzijds blijkt uit de
Europese jurisprudentie evenzeer dat het opleggen van boeten door bestuursorganen
op zichzelf niet in strijd is met artikel 6
EVRM (zie het zojuist
aangehaalde Oztürk-arrest, alsmede EHRM 24 februari 1994, Publ.
ECHR Ser. A, Vol. 284, NJ 1994, 496 (Bendenoun)), mits de door dat artikel
gegarandeerde rechten en waarborgen worden gerespecteerd. Daarbij is
van belang dat niet iedere afzonderlijke fase in de procedure aan alle
eisen van artikel 6 EVRM behoeft te voldoen; voldoende is dat de
procedure als geheel daaraan voldoet (EHRM 23 juni 1981, NJ 1982, 602 (Le
Compte, Van Leuven en De Meijere); EHRM 10 februari 1983, NJ
1987, 315 (Albert en Le Compte)).
In verband met de
verdragsrechtelijke eisen is in de voorgestelde regeling van de bestuurlijke boete
een aantal bepalingen opgenomen. Daarop wordt in het
artikelsgewijze gedeelte van deze toelichting nader ingegaan. Enkele andere waarborgen
behoeven geen regeling meer, omdat de Awb daar reeds in voorziet.
Het belangrijkste voorbeeld is het recht op een openbare behandeling door
een onafhankelijke en onpartijdige instantie. Omdat het opleggen van de
bestuurlijke boete een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb
is, opent
artikel 8:1 daartegen reeds beroep op de onafhankelijke rechter, waarbij
artikel
8:62 de openbaarheid van de behandeling verzekert. Het recht op
bijstand door een raadsman behoeft evenmin regeling, want dat volgt
reeds uit de artikelen 2:1 en 8:24.
Artikel 6 EVRM vereist niet dat beroep in twee instanties openstaat. Artikel 14, vijfde lid,
IVBPR stelt die eis wel, maar knoopt daarbij niet aan bij het begrip
"criminal charge", maar bij het begrip "crime". Hoewel jurisprudentie schaars
is, is minst genomen verdedigbaar dat daarmee alleen de wat zwaardere overtredingen zijn bedoeld (zo ook
G.T.J.M. Jurgens, F.C.M.A. Michiels,
Bestuurlijke boeten in het milieurecht, Publicatiereeks
milieubeheer 1997/5, ministerie van VROM, Den
Haag 1997).
Niettemin zal in ieder
geval tegen de wat zwaardere boeten beroep in twee instanties moeten
openstaan. In de meeste gevallen voorziet ons bestuursprocesrecht
daarin reeds. De hoofdregel is immers dat tegen een besluit beroep openstaat
bij de rechtbank, gevolgd door hoger beroep bij hetzij de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State, hetzij de Centrale Raad van Beroep.
Ook het belastingrecht kent van oudsher rechtspraak in twee instanties, zij
het dat, zoals opgemerkt, de tweede instantie (de Hoge
Raad) niet over
de feiten oordeelt. Op sommige deelterreinen van bestuursrecht is
echter beroep in één instantie regel. Op die terreinen zal bij invoering van
(zwaardere) bestuurlijke boeten tevens invoering van een tweede instantie
moeten worden overwogen. Om die reden is bijvoorbeeld in een aantal wetten (de
Mededingingswet, de Postwet, de
rblz.|124|
Wet op
de
telecommunicatievoorzieningen en de Warenwet) het vanouds bestaande
beroep in één
instantie vervangen door beroep op de Rechtbank Rotterdam, gevolgd door hoger
beroep bij het College van Beroep
voor het bedrijfsleven
(zie de bijlage bij de Wet
bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie). In
het belastingrecht was geruime tijd in discussie in hoeverre artikel 14,
vijfde lid, IVBPR eist dat de tweede rechter ook over de feiten moet kunnen
oordelen. Deze discussie zal binnenkort haar belang verliezen door de
voorgenomen invoering op 1 januari 2005 van een tweede feitelijke
instantie voor belastingzaken (zie het wetsvoorstel Wet
belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties, Kamerstukken II 2003-2004, 29 251,
nrs. 1-3).
Ten slotte is relevant de
aanbeveling van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 13
februari 1991 (No. R (91) 1) inzake bestuurlijke sancties. De
(niet-bindende) aanbeveling bevat een aantal beginselen dat door het bestuur in acht
moet worden genomen bij de oplegging van een bestraffende bestuurlijke sanctie, dat wil zeggen een boete of een andere
bestraffende maatregel.
Maatregelen die het bestuur moet nemen naar aanleiding van een
strafprocedure en tuchtrechtelijke sancties vallen niet onder het toepassingsbereik van de aanbevelingen. Het gaat hier om
beginselen die voor een
belangrijk deel ook besloten liggen in artikel 6 EVRM en de daarop
gebaseerde Straatsburgse jurisprudentie, zoals het legaliteitsbeginsel, het
verbod van bis in idem en het recht van de persoon die een
bestuurlijke boete krijgt opgelegd om de aard van de beschuldiging te vernemen
en genoeg tijd te hebben teneinde zichzelf adequaat te kunnen
verdedigen. Binnen de Nederlandse rechtsorde worden deze beginselen
reeds gerespecteerd en het onderhavige wetsvoorstel werkt de beginselen
op een
aantal punten nog nader uit.
5. Verhouding tot het
strafrecht
In dit
wetsvoorstel is
gekozen voor een eigen regeling van de bestuurlijke boete in de Algemene wet
bestuursrecht, mede met het oog op de kenbaarheid van de
regeling naar het bestuur en de burger toe. Het EVRM noopt niet tot één
uniform regime voor alle sancties. Het feit dat de eisen van de artikelen 6 EVRM
en 14 IVBPR op bestuurlijke boeten en strafrechtelijke sancties gelijkelijk van
toepassing zijn, brengt wel mee dat de regeling van de bestuurlijke boete
op enkele wezenlijke punten moet overeenkomen met het strafrecht. De
regeling van de bestuurlijke boete in het bestuursrecht behoeft
derhalve geen exacte kopie te zijn van de regeling in het Wetboek
van Strafrecht. Waar het om gaat, is dat in het geval van bestraffende sancties
bepaalde minimumwaarborgen gelden, ongeacht de classificatie naar
nationaal recht.
Meer in het algemeen
roept de omstandigheid dat het opleggen van een bestuurlijke boete in
essentie niet verschilt van het opleggen van een straf de vraag op in
hoeverre allerlei onderwerpen uit het algemeen deel van het strafrecht een
parallelle regeling moeten vinden in het bestuursrecht.
In commentaren op het voorontwerp is vooral vanuit strafrechtelijke hoek de vraag gesteld waarom
het nodig is om in de Algemene wet bestuursrecht strafrechtelijke
leerstukken opnieuw te regelen en niet te volstaan met een verwijzing naar
de betreffende bepalingen in het Wetboek van Strafrecht. Zo vraagt Knigge zich af waarom het
algemeen deel van het
Wetboek van Strafrecht niet van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Knigge is van
oordeel dat het strafrecht en het bestuursrecht steeds meer naar elkaar
toe groeien en dat van gescheiden werelden geen sprake meer kan zijn.
Enerzijds is de opsporing en vervolging van strafbare feiten bestuursrecht
voor zover het daarbij gaat om het handelen van bestuursorganen (politie,
openbaar ministerie). Anderzijds gaat het bij de oplegging van een
bestuurlijke boete volgens Knigge om strafrecht.
Eén en ander betekent
volgens Knigge dat regels van bestuursrecht rblz.|125|
kunnen worden toegepast
op strafrechtelijk terrein en omgekeerd dat regels van strafrecht
kunnen worden toegepast bij de oplegging van bestuurlijke boetes (G.J.
Knigge, De verkalking voorbij. Over de verhouding van het strafrecht tot
het bestuursrecht, RM Themis 2000/3, blz. 83-96, in het bijzonder op blz. 96).
Ook de Hoge Raad vraagt zich af waarom in het
voorontwerp enkele uit het
strafrecht bekende vraagstukken afzonderlijk worden geregeld. De Hoge
Raad adviseert te verwijzen naar de desbetreffende bepalingen uit het
Wetboek van Strafrecht dan wel die bepalingen integraal over te nemen,
zoals de artikelen inzake daderschap, samenloop en het verbod van bis in
idem. Ook Jansen pleit voor een betere afstemming met een aantal algemene
leerstukken uit het strafrecht, in het bijzonder door strakker
aan te sluiten bij het strafrechtelijke regime voor overtredingen
(O.J.D.M.L.
Jansen, De dynamiek van het publiekrechtelijke sanctierecht, preadvies
NJV 2002, blz. 169-254, in het bijzonder op blz. 228-230).
Er bestaan inderdaad
overeenkomsten tussen strafrecht en bestuursrecht; van gescheiden werelden
kan dan ook geen sprake zijn. Uitgangspunt dient dan ook te zijn
dat het bestraffende bestuursrecht niet nodeloos moet afwijken van het
strafrecht en daarvan gelet op artikel 6 EVRM op een aantal punten ook niet kan afwijken. Op een aantal essentiële punten
wordt dan ook aangesloten
bij het strafrecht. Toch is het integraal overnemen, dan wel het in algemene
zin van overeenkomstige toepassing verklaren van de relevante bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht, om
een aantal redenen niet
de aangewezen weg.
In de eerste plaats zijn
de betreffende bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht in een geheel
andere context geschreven en vooral gericht tot de rechter die zich,
nadat het onderzoek ter terechtzitting is gesloten, op grondslag van de
tenlastelegging moet beraden over het te wijzen vonnis (zie de artikelen 348
e.v. Wetboek van
Strafvordering). De bepalingen inzake de bestuurlijke
boete zullen zich vooral tot het bestuur moeten richten, nu het in eerste
instantie het bestuursorgaan is dat de bestuurlijke boete oplegt.
In de tweede plaats
brengt het gegeven dat de bestuurlijke boete vooral bedoeld is voor relatief
eenvoudige feiten (zowel wat betreft hun aard als de wijze waarop zij kunnen
worden geconstateerd) mee dat een aantal bepalingen uit het
Wetboek van Strafrecht niet of onvoldoende toegeschreven is op de bestuurlijke
boete en dat aan bepaalde leerstukken in het bestuursrecht geen
behoefte bestaat. Zo bestaat bijvoorbeeld in het bestuursrecht geen
behoefte aan een regeling voor onvoltooide delicten. Ook in het strafrecht is
poging tot overtreding niet strafbaar en de meeste gedragingen waarop
bestuurlijke boeten zijn gesteld, komen naar zwaarte overeen met
strafrechtelijke overtredingen. Aan het opleggen van boeten voor
voorbereidingshandelingen bestaat a fortiori geen behoefte; deze zijn ook in het
strafrecht slechts bij de zwaarste misdrijven strafbaar gesteld.
Evenmin is behoefte aan
een speciale regeling voor het opleggen van sancties aan jeugdigen vergelijkbaar met het jeugdstrafrecht; deze kwestie
speelt in de praktijk van
de bestuurlijke handhaving geen grote rol. Bij de oplegging van een
bestuurlijke boete zou de leeftijd van de overtreder wel een factor kunnen zijn:
het evenredigheidsbeginsel kan meebrengen dat in de bijzondere
omstandigheden van het geval een lagere boete zou moeten worden opgelegd.
De bijzondere wet waarin de mogelijkheid van een bestuurlijke boete
wordt geïntroduceerd, kan ten aanzien van de hoogte van de op te leggen
boete ook rekening houden met minderjarigen. Zo bepaalt artikel 2,
vierde lid, van de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften dat de op grond van deze wet op te leggen boetes worden
gehalveerd voor personen die ten tijde van de beboetbare gedraging nog
geen 16 jaar oud waren.
Vraagstukken van opzet en
schuld spelen in het bestuursrecht, met uitzondering van het fiscale recht,
ook geen grote rol, omdat de bestuursrechtelijk rblz.|126|
gesanctioneerde
gedragingen, net als de overtredingen in het strafrecht, veelal materieel zijn
omschreven en geen opzet of schuld als bestanddeel kennen.
Derhalve kon worden volstaan met het vastleggen van het beginsel dat
geen boete kan worden opgelegd voor een gedraging waarvan de dader geen
verwijt kan worden gemaakt. Om soortgelijke redenen is niet voorzien in een regeling van specifieke dwangmiddelen.
Het zou in theorie wel
mogelijk zijn bestuursrechtelijke equivalenten, zo nodig
compleet met rechterlijke tussenkomst, te creëren van de strafrechtelijke
inbeslagneming of zelfs de voorlopige hechtenis en de telefoontap, maar als
uit een oogpunt van handhaving aan dergelijke ingrijpende middelen
behoefte bestaat, verdient het in het algemeen de voorkeur te kiezen voor
strafrechtelijke handhaving. In deze constatering ligt een aanwijzing aan
de bijzondere wetgever besloten: deze dient er bij de keuze tussen
strafrechtelijke en bestuursrechtelijke handhaving rekening mee te houden dat de
mogelijkheden van het bestuursrecht in dit opzicht bewust beperkt
zijn gehouden. Als de hiervoor geformuleerde criteria (zie paragraaf
5.1) worden gehanteerd, is een goed onderscheid gewaarborgd tussen het
strafrechtelijke en bestuursrechtelijke regime. Enkele andere uit het
strafrecht bekende vraagstukken spelen wel een rol in het bestuursrecht. In
de artikelsgewijze toelichting zal worden ingegaan op de cumulatie van
sancties en samenloop van feiten, op de vraag aan wie voor een bepaalde
gedraging een bestuurlijke boete kan worden opgelegd (daderschap en
deelnemingsvormen; artikel 5.0.1
[5:1], tweede lid), alsmede
op de vraag in
welke gevallen wegens bijzondere omstandigheden van boeteoplegging moet
worden afgezien (rechtvaardigingsgronden en
schulduitsluitingsgronden; artikelen 5.0.5
[5:5] en 5.4.1.2 [5:41]).
Het voorontwerp deed al in
aanzienlijke mate recht aan het uitgangspunt zoveel mogelijk aan te
sluiten bij regelingen in het strafrecht en om slechts op onderdelen waar
dat echt nodig is een eigen regeling in het bestuursrecht te
formuleren. Bij nadere beschouwing van de kritieken op het voorontwerp
zijn wij
van oordeel dat het wetsvoorstel op drie punten nog nauwer zou kunnen
aansluiten bij de regeling in het strafrecht. In de eerste plaats betreft dit
de regeling van het zwijgrecht en de cautie in artikel
5.0.11 [5:11], die in dit wetsvoorstel nauwer aansluit bij de regeling in artikel
29 Wetboek van
Strafvordering. In de tweede plaats betreft dit artikel
5.4.1.7 [5:46], vierde lid: de
overtreder dient te profiteren van een na het plegen van de overtreding ten
gunste van hem gewijzigde boeteregeling, ook al is de zaak inmiddels voor
de rechter. Deze regeling sluit beter aan bij het bepaalde in artikel 1,
tweede lid, van het Wetboek
van Strafrecht. In de derde plaats is wat het
opleggen van sancties aan rechtspersonen betreft artikel 51
Sr
van overeenkomstige toepassing verklaard, in plaats van
een eigen regeling te
geven. Voor een nadere uitwerking wordt verwezen naar de artikelsgewijze
toelichting.
In de literatuur is wel
bepleit om een algemene regeling van bestuurlijke boetes op te nemen in een
aparte Wet op het Bestuursstrafrecht. Een belangrijk argument
hiervoor is dat de bestuurlijke boete wordt beheerst door zowel regels van het
strafrecht als van het bestuursrecht. Het zogenoemde bestuursstrafrecht is in
deze visie een van het strafrecht en het bestuursrecht te
onderscheiden deel van het recht waarin publiekrechtelijke bestuursorganen zonder
tussenkomst van de betrokkene of een onafhankelijke rechter sancties met een
bestraffend karakter kunnen opleggen (zie o.m. A.R.
Hartmann en P.M. van Russen Groen, Contouren van het bestuursstrafrecht,
Deventer 1998, blz. 74). Ook Albers pleit in haar dissertatie voor een
aparte wettelijke regeling inzake de oplegging van bestraffende
bestuursrechtelijke sancties. Een belangrijke reden voor dit pleidooi is dat het
bestaande bestuursprocesrecht volgens deze auteurs onvoldoende zou zijn
toegesneden op procedures tot oplegging van bestraffende sancties,
zeker waar het betreft het bieden van voldoende rechtsbescherming aan de
vermoedelijke overtreder. In deze regeling zouden dan
bestuursstraf(proces)rechtelijke regels neergelegd moeten rblz.|127|
worden waarin ten minste
wordt voldaan aan de uit het EVRM en IVBPR voortvloeiende waarborgen
en waarin zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de relevante
bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek
van Strafvordering (C.L.G.F.H. Albers, Rechtsbescherming bij bestuurlijke boeten, Balanceren
op een
magische lijn?, diss. Maastricht 2002, Den Haag 2002, met name op blz. 413-414 en 445-447).
Wij delen niet de
opvatting dat voor de oplegging van bestraffende bestuursrechtelijke
sancties een aparte - los van de Algemene wet bestuursrecht staande - wettelijke regeling noodzakelijk is. Bestuurlijke boetes maken onderdeel
uit van het bestuursrecht, zij het dat gezien het bestraffende karakter
ervan een aantal bijzondere regels nodig is. Uitgangspunt blijft
echter dat de algemene regels van het bestuursrecht gelden: zo is een besluit
tot het opleggen van een bestuurlijke boete een besluit (nog preciezer:
een beschikking) in de zin van artikel 1:3
Awb, zodat de in
hoofdstuk 3 van de
Algemene wet bestuursrecht opgenomen algemene regels over besluiten
(onder meer over zorgvuldige voorbereiding, motivering en bekendmaking) en de
in hoofdstuk 4 opgenomen bijzondere
bepalingen over besluiten
van toepassing zijn (onder meer met bepalingen over beschikkingen, zoals
de voorbereiding en de beslistermijnen). Verder is op het
bestuurlijke boetebesluit het in de Algemene wet bestuursrecht voorziene
stelsel van rechtsbescherming van toepassing (bezwaarschrift, beroep op
de bestuursrechter), dus ook zonder verplichte procesvertegenwoordiging.
Voor zover er behoefte bestaat aan enige algemene regels inzake
bestuurlijke boeten, is regeling in de Algemene wet bestuursrecht passend
(vgl. O.J.D.M.L. Jansen in zijn preadvies voor de NJV 2002, De dynamiek
van het publiekrechtelijke sanctierecht, Deventer 2002, blz. 190).
Bovendien kan er ook een aantal algemene regels worden opgenomen dat
geldt voor de drie in de Awb
opgenomen of op te nemen sancties, te weten
bestuursdwang, dwangsom en bestuurlijke boete. Eén en ander neemt niet weg dat voor (de voorbereiding van) een
besluit tot oplegging van
een bestuurlijke boete enige bijzondere eisen gelden en dat de rechter
bij de toetsing van boetebesluiten een bijzondere positie inneemt (vgl.
C.L.G.F.H. Albers en R.J.N. Schlössels, De bestuurlijke boete: een koekoeksei in
het bestuursprocesrecht?, NTB 2002, blz. 187-198). In verband
daarmee zijn in dit wetsvoorstel de nodige voorzieningen getroffen.
6. De bijzondere positie
van de rechter bij toetsing van boetebesluiten
De toetsing van
bestuurlijke boetebesluiten vindt plaats volgens de algemene regels van het
bestuursprocesrecht, zoals opgenomen in de Algemene wet
bestuursrecht.
Bepalingen van strafprocesrecht en strafrechtelijke leerstukken zijn niet
rechtstreeks van toepassing in een bestuursrechtelijke
context. Onder omstandigheden kunnen zij wel door de bestuursrechter
analoog worden toegepast, met name indien de bestuursrechtelijke
verhouding tussen partijen sterke overeenkomsten vertoont met een strafrechtelijke verhouding
(vgl. CRvB
5 april 2002, JB
2002, 173). De
bestuursrechter kan zich uiteraard laten inspireren door de uitspraken van zijn
strafrechtelijke collega (voor voorbeelden zij verwezen naar de artikelsgewijze
toelichting).
Zoals reeds vermeld,
verzet het EVRM zich er niet tegen dat een bestraffende sanctie in eerste
instantie door het bestuur wordt opgelegd, mits daarna maar een beroep
op een onafhankelijke rechter openstaat dat voldoet aan alle
vereisten van artikel 6 EVRM. Het besluit tot het opleggen van een bestuurlijke
boete moet wel terdege worden onderbouwd. Er worden extra eisen
gesteld aan de voorbereiding, in het bijzonder aan de bewijsvoering van de
overtreding en aan de motivering van het sanctiebesluit (zie bijvoorbeeld
ABRvS 15
februari 2001, JB 2001, 88, en ABRvS 7 augustus 2002, NJB 2002, blz. 1808,
nr. 49). Zoals de bestuurlijke beslissing aan rblz.|128|
bepaalde eisen moet
voldoen, zo moet ook de toetsing door de rechter aan bepaalde extra eisen
voldoen. Deze eisen worden voor een belangrijk deel gegeven door artikel
6 EVRM. De bestuursrechter neemt een bijzondere positie in in dit
verband: enerzijds oordeelt hij als "gewoon" bestuursrechter,
anderzijds is zijn positie enigszins vergelijkbaar met die van een strafrechter.
De toetsing door de
rechter van de bestuurlijke boete moet op grond van artikel 6 EVRM volledig
zijn ("full jurisdiction"). De Nederlandse jurisprudentie laat zien dat bij
bestraffende sancties indringend wordt getoetst op evenredigheid: de zwaarte
(hoogte) van de sanctie moet zijn afgestemd op de ernst van de gedraging. De rechter laat dan zijn in het algemeen terughoudende
opstelling bij de
toetsing van bestuursbesluiten varen (zie bijvoorbeeld ABRvS
4 juni 1996, JB
1996, 172 en CRvB 1 november 2001, JB 2001, 329). Bij deze
evenredigheidstoets dient ook de verwijtbaarheid van het beboetbare feit te worden betrokken
(zie bijvoorbeeld ABRvS 17 april 2002, JB 2002, 164,
ABRvS 7 augustus 2002, NJB
2002, blz. 1808, nr. 49 en CRvB 13 juni 2001, RSV 2001, 242). Naast de
hoogte van de boete dient ook een volle toetsing plaats te vinden ten aanzien van het bewijs van de feiten die de overtreding
constitueren. De
onschuldpresumptie van artikel 6, tweede lid, EVRM kan meebrengen dat de
rechter bij de beoordeling ook feiten meeneemt die het bestuursorgaan
niet kon kennen op het moment van het nemen van het boetebesluit. De
bewijslast ten aanzien van deze feiten rust op het bestuur (zie bijvoorbeeld
ABRvS 15 april 1999, RAwb, 146). Ook dient de rechter een inmiddels ten
gunste van de overtreder gewijzigd voorschrift in zijn beoordeling mee
te nemen (zie nader de toelichting op artikel
5.4.1.7, vierde lid).
Een ander bijzonder
aspect van de rol van de rechter is dat hij, indien hij een boetebesluit
vernietigt, de zaak zoveel mogelijk zelf afdoet. Indien de rechter constateert dat
de hoogte van een bestuurlijke boete onevenredig hoog is, kan hij op
grond
van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak voorzien en een lagere boete opleggen. In de jurisprudentie zijn hier reeds
voorbeelden van te vinden
(zie bijvoorbeeld CRvB 23 januari 1997, RSV 1997, 108 en CvBSf [College
van beroep studiefinanciering, red.] 15 december
2000, JB 2001, 19). In de belastingrechtspraak is dit reeds lang vaste
jurisprudentie, niet alleen op het terrein van boetebesluiten (zie bijvoorbeeld
HR 28 maart
1990, BNB 1990, 194). Eén en ander is ook in lijn met de eisen die
artikel 6 EVRM stelt aan de toetsing van een bestraffende sanctie ("full
jurisdiction"). Dit uitgangspunt, dat recht doet aan het beginsel van
effectieve rechtsbescherming, wordt in het onderhavige wetsvoorstel
voorgeschreven.
Naast de mogelijkheid om
het boetebesluit te vernietigen, kan de rechter met toepassing van
artikel 6:22 Awb de schending van vormvoorschriften passeren indien de
betrokkene niet in zijn belangen (dat wil zeggen zijn verdediging) wordt
geschaad. Verder zou de bestuursrechter kunnen volstaan met de vermindering van de boete
(vgl. I. de Raat en R.J.G.M. Widdershoven, De
bestuurlijke boete in de Algemene wet bestuursrecht, NJCM-Bulletin 2000,
blz. 771-788, op blz. 783-784). De bestuursrechter past deze methode reeds toe
bij schending van het vereiste van de redelijke termijn (zie bijvoorbeeld
CBb 28
maart 1995, AB 1995, 513) en volgt hiermee de Straatsburgse
jurisprudentie ter zake. Deze methode kan worden gebruikt in geval van inbreuken
op procedurele waarborgen die niet kunnen worden gepasseerd, maar
waarbij het ook te ver gaat om het gehele boetebesluit te
vernietigen.
7. De positie van
derden-belanghebbenden
Het komt voor dat iemand
een bestuursorgaan verzoekt een boete op te leggen aan een ander. Een dergelijk verzoek kan
- mits voldoende
concreet en onderbouwd - voor het bestuursorgaan uiteraard aanleiding zijn om een onderzoek in
te stellen naar de volgens de verzoeker gepleegde overtreding.
Het bestuursorgaan kan daarvan echter ook rblz.|129|
afzien, bijvoorbeeld
omdat het voor de inzet van de beperkte handhavingscapaciteit
andere prioriteiten heeft gesteld.
Voor de wijze waarop een
dergelijk verzoek moet worden behandeld, is van belang of de
verzoeker kan worden aangemerkt als een belanghebbende in de zin van artikel
1:2, eerste lid, Awb: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is
betrokken. Als dat het geval is, is het verzoek namelijk een aanvraag in
de zin van artikel 1:3, derde lid, Awb, waarop met inachtneming van de
regels van titel 4.1 moet worden beslist.
Volgens vaste
jurisprudentie is voor het zijn van belanghebbende vereist dat de verzoeker door het
besluit wordt getroffen in een eigen, persoonlijk belang, waarbij bovendien
voldoende causaal verband moet bestaan tussen het besluit en de
aantasting van het belang. Bij veel overtredingen waarvoor bestuurlijke boeten kunnen worden opgelegd, zijn echter geen
individuele burgers aan
te wijzen die rechtstreeks worden benadeeld: wie zijn belastingaangifte of
het aanvraagformulier voor een uitkering in strijd met de waarheid invult,
benadeelt de gemeenschap, niet (rechtstreeks) een individuele burger.
Een rechtstreeks belang
bij een boetebesluit kan onder omstandigheden, bijvoorbeeld, wel worden aangenomen voor de directe concurrent van de
overtreder van
mededingingsregels. De overtreder kan zich door de overtreding een economisch voordeel
hebben verschaft ten opzichte van zijn concurrenten en de boete
heeft mede tot effect dat dit wederrechtelijk verkregen economisch
voordeel geheel of gedeeltelijk ongedaan wordt gemaakt. Een dergelijke
casus speelde bijvoorbeeld voor de Rechtbank Rotterdam.
Op verzoek van
de derde (Norsk Hydro) had de NMa [Nederlandse Mededingingsautoriteit, red.]
aan de NV Samenwerkende elektriciteitsproductiebedrijven (SEP) een bestuurlijke boete van 14 miljoen gulden opgelegd wegens het maken van misbruik van een
economische machtspositie (in strijd met artikel 24 Mededingingswet). Het
bezwaar van SEP tegen dit boetebesluit werd afgewezen en de rechtbank
verklaarde het beroep van de SEP ongegrond. Norsk Hydro was destijds
beoogd contractpartij van de SEP in verband met de doorlevering van
elektriciteit. De SEP weigerde echter een dergelijke overeenkomst aan te gaan.
De rechtbank erkende Norsk Hydro als belanghebbende en daarmee
als procespartij in de zin van artikel 8:26, eerste lid, van de
Awb
(Rb Rotterdam 26 november 2002, AB 2003, 385; op dit punt bevestigd door
CBb
28 mei 2004, LJN-nr. AP 1336). In deze zaak had de derde
derhalve een direct, rechtstreeks belang bij de oplegging van de boete.
(Zie voor
een vergelijkbare zaak ABRvS
18 februari 2004, AB 2004, 113 (Commissariaat voor de Media, Radio 538)). Een dergelijk
direct, rechtstreeks
belang ligt voor consumenten in een dergelijke casus niet voor de hand (zie
ook A.T. Ottow, Het verschil tussen duivenhokken en telecommunicatie,
preadvies VAR 2003, VAR-geschrift 130, Den Haag 2003).
Het voorgaande laat
vanzelfsprekend onverlet dat een bestuursorgaan in een verzoek van een derde
aanleiding kan zien om een onderzoek naar een mogelijke overtreding
in te stellen, alsook dat een klacht van een derde over het niet
optreden tegen een overtreding een klacht kan zijn die met toepassing van
hoofdstuk 9 van de Algemene wet
bestuursrecht moet worden behandeld.
Indien een
gedragsvoorschrift niet alleen door middel van bestuurlijke boeten, maar ook
strafrechtelijk kan worden gehandhaafd, kan het voorkomen dat een
derde-belanghebbende het niet eens is met een beslissing om een overtreding
bestuursrechtelijk af te doen en zich daarom op grond van artikel 12 van het
Wetboek van
Strafvordering bij het gerechtshof beklaagt over het niet
strafrechtelijk vervolgen van de overtreder. Voor dat geval bepaalt dit
wetsvoorstel dat de bestuurlijke boete vervalt indien het gerechtshof oordeelt
dat de overtreder alsnog strafrechtelijk moet worden vervolgd (zie het
voorgestelde artikel 5.4.1.8 [5:47]). Dit komt overeen met de regeling die het
strafrecht reeds kent voor het geval de persoon rblz.|130|
wiens vervolging wordt
bevolen reeds een transactie is aangegaan met het openbaar ministerie
(artikel 74b
Sr).
8. Een
bestuursrechtelijke transactie?
In de literatuur (G.T.J.M. Jurgens, F.C.M.A.
Michiels, Bestuurlijke boeten in het milieurecht,
Publicatiereeks milieubeheer 1997/5, ministerie van
VROM, Den Haag 1997, blz. 64 e.v.; A.B. Blomberg, F.C.M.A. Michiels, Handhaven met effect,
VUGA,
Den Haag 1997, blz. 346; zie ook Commissie bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke handhaving, Handhaven op
niveau, Deventer 1998, blz. 81) is ervoor gepleit om in het kader van een algemene regeling inzake
bestuurlijke boeten tevens de invoering van de zogenaamde bestuursrechtelijke transactie te overwegen.
De bestuursrechtelijke
transactie moet worden onderscheiden van de strafrechtelijke
transactie in handen van het bestuur. Een strafrechtelijke transactie is het afzien
van strafvervolging in ruil voor het betalen van een geldbedrag door de
verdachte. Een strafrechtelijke transactie kan worden aangeboden door het
openbaar ministerie, in sommige gevallen door de politie en in een enkel
geval door een bestuursorgaan (vgl. bijvoorbeeld artikel 85, derde lid, Waterschapswet
en artikel 76, tweede lid, Awr). Artikel 37 van de Wet
op de economische delicten biedt daarnaast de mogelijkheid dat de transactiebevoegdheid van het OM voor bepaalde
delicten aan een
bestuursorgaan wordt overgedragen. Thans loopt daarmee een experiment op
het terrein van het milieurecht. Op 1 november 2000 is in werking getreden het Transactiebesluit milieudelicten
(Stb. 2000, 320). Dit besluit
biedt aan een aantal bestuursorganen de mogelijkheid om bij bepaalde -
doorgaans eenvoudige - milieudelicten een transactie voor te stellen aan de
overtreders, binnen daartoe in het besluit gestelde grenzen en onder
toezicht van het openbaar ministerie. Het Project Bestuurlijke
Transactie Milieudelicten stelt het bestuur in een zestal proefarrondissementen in
staat te experimenteren met de strafrechtelijke transactie.
De bestuursrechtelijke
transactie is echter een andere figuur dan de strafrechtelijke transactie in handen
van
het bestuur. Zoals de strafrechtelijke transactie een
alternatief is voor strafvervolging, zou de bestuursrechtelijke transactie een
alternatief moeten zijn voor het opleggen van een bestuurlijke boete.
In plaats van een bestuurlijke boete te betalen, zou de overtreder kunnen
volstaan met het betalen van een lager bedrag, mits hij in ruil daarvoor
afziet van bezwaar en beroep.
Uit een oogpunt van
beperking van bestuurslasten en "lik-op-stukbeleid" zou een dergelijke
regeling ontegenzeggelijk voordelen kunnen hebben. Zij roept echter ook de
nodige vragen op. Mede doordat op veel beleidsterreinen nog maar beperkte
ervaring met de bestuurlijke boete is opgedaan, is niet duidelijk of een
bestuursrechtelijke transactie voor de overtreder voldoende aantrekkelijk
zou zijn om tot een substantiële beperking van bestuurslasten te
leiden. De strafrechtelijke transactie is voor burgers en bedrijven mede
aantrekkelijk, omdat daardoor een strafvervolging, met alle negatieve
publiciteit van dien, wordt vermeden. Omdat een bestuurlijke boete als minder
stigmatiserend wordt ervaren, is onzeker of dit voor de bestuursrechtelijke
transactie wel in dezelfde mate zou gelden.
Voorts zou een regeling
van de bestuursrechtelijke transactie waarschijnlijk relatief uitvoerig moeten
zijn. De bevoegdheid van het bestuursorgaan om betaling van een lager
bedrag te verlangen, zou in de wet neergelegd en genormeerd moeten
worden. Daarbij zou ook het afstand doen van bezwaar en beroep nader
moeten worden ingekaderd. Hoewel afstand van rechtsbescherming
onder omstandigheden mogelijk is, zouden wel zekere waarborgen nodig
zijn om te voorkomen dat burgers zich onder druk gezet voelen om
afstand van rechtsbescherming te doen.
Gelet hierop is er thans
onvoldoende aanleiding om een algemene regeling van de
bestuursrechtelijke transactie voor te stellen. Dit sluit niet uit dat rblz.|131|
dit standpunt wordt
heroverwogen als in de praktijk een duidelijke behoefte aan deze figuur
zou blijken te bestaan.
9. Bewijs
Anders dan in de
literatuur (zie met name A.R. Hartmann, Bewijs in het bestuursstrafrecht,
diss.
EUR 1998, Arnhem 1998) en op onderdelen ook door de Raad van State
(zie punt 15 van het advies) wel is bepleit, bevat dit wetsvoorstel geen
afzonderlijke regeling voor het bewijs in zaken waarin een bestuurlijke
boete kan worden opgelegd. Hoewel voor bestuurlijke boeten enige
specifieke bewijsregels gelden, kunnen die niet los worden gezien van het
bestuursrechtelijk bewijsrecht als geheel. Codificatie van bewijsregels voor
bestuurlijke boeten zou daarom slechts goed mogelijk zijn in de
context van een meeromvattende codificatie van het bestuursrechtelijk
bewijsrecht. Dat zou een omvangrijke wetgevingsoperatie vergen, waaraan naar ons
oordeel thans geen behoefte bestaat.
Uit artikel 3:46 Awb
volgt reeds dat een besluit - dus ook een besluit tot het opleggen van een
bestuurlijke boete - dient te berusten op een deugdelijke motivering. Deze eis van
een deugdelijke motivering omvat onder meer de eis van een
juiste feitelijke grondslag. Het bestuursorgaan mag dus geen bestuurlijke
boete opleggen, zolang het niet de overtuiging heeft dat de overtreding
daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het bestuursorgaan zal zich er dus steeds,
maar in ieder geval bij gemotiveerde betwisting, terdege van moeten vergewissen dat daarvoor voldoende
bewijs bestaat.
Indien beroep wordt
ingesteld, zal het bestuur zo nodig de rechter van de juistheid van de aan de
boetebeschikking ten grondslag gelegde feiten moeten overtuigen. Dit
volgt uit het gegeven dat in het Nederlandse bestuursproces in
beginsel de materiële waarheid centraal staat, met het oog waarop de bestuursrechter de feitelijke grondslag van het bestreden
besluit volledig kan
toetsen. Eén en ander betekent dat reeds toepassing van het algemene
bestuurs(proces)recht
er in overeenstemming met artikel 6, tweede lid,
EVRM toe leidt dat geen bestuurlijke boete kan worden opgelegd als de
overtreding niet, zo nodig ten genoege van de rechter, is bewezen.
Afzonderlijke bepalingen zijn daarvoor niet nodig.
Uit artikel 3:2 Awb
volgt
voorts reeds dat het onderzoek naar de feiten op een zorgvuldige wijze
moet plaatsvinden. Gelet daarop zijn nadere regels omtrent de bewijsgaring
en de keuze en de waardering van de bewijsmiddelen niet nodig. Ook in
beroep is er geen reden voor bestuurlijke boeten een inbreuk te maken op
de traditioneel in het bestuursprocesrecht
geldende vrij-bewijsleer.
De beoordeling van de toereikendheid van het bewijs kan aan de
rechter worden overgelaten.
Ditzelfde geldt voor de
vraag of het bewijs rechtmatig is verkregen. De vrijheid van de
bestuursrechter ten aanzien van de bewijswaardering brengt mee dat het aan de
rechter is te beoordelen in hoeverre bewijsmateriaal bij de vergaring waarvan
enig voorschrift is geschonden aan het bewijs van de overtreding kan bijdragen, aldus
HR 1 juli 1992, BNB
1992, 306. De Hoge Raad
tekent daarbij aan dat het enkele feit dat bewijs strafrechtelijk gezien
onrechtmatig is verkregen niet zonder meer meebrengt dat dit bewijs
ook in een bestuursrechtelijke procedure niet mag worden gebruikt. De
eigen aard van bestuursrecht en strafrecht verzetten zich tegen een
dergelijk eenvoudige gelijkstelling. Daarbij is bijvoorbeeld van belang
dat in het bestuursrecht relatief veel fouten bij de bewijsgaring - bijvoorbeeld het
niet horen van de overtreder - in de bezwaarschriftprocedure
kunnen worden hersteld (aldus ook Hartmann, a.w., blz. 196), terwijl
vormfouten met toepassing van artikel 6:22
Awb
ook door de rechter kunnen
worden gepasseerd.
Eén en ander neemt
vanzelfsprekend niet weg dat het ook in het bestuursrecht kan
voorkomen dat bij de bewijsgaring zodanig fundamentele normen - te denken valt
aan de essentiële normen van artikel 6 EVRM rblz.|132|
- zijn geschonden en de
overtreder daardoor zozeer in zijn belangen is geschaad, dat het
verkregen bewijs niet kan worden gebruikt om een boete op te leggen.
10. De bestuurlijke boete
en het gemeenschapsrecht
Ook het gemeenschapsrecht
kent de figuur van de bestuurlijke boete. Zo is de Europese Commissie
op het gebied van het mededingingsrecht bevoegd om bestuurlijke
boeten (en ook bestuurlijke dwangsommen) op te leggen (vgl. met name artikel
83, tweede lid, EG-verdrag (artikel 87, tweede lid-oud), uitgewerkt in Vo. (EG) 1/2003). Deze bevoegdheid kan hier buiten beschouwing blijven, nu
de Algemene wet bestuursrecht daarop
vanzelfsprekend niet van toepassing is.
In veruit de meeste
gevallen is de handhaving van het gemeenschapsrecht echter opgedragen aan de
lidstaten. Daarbij zijn de lidstaten in beginsel vrij in de keuze
van het handhavingssysteem en de op te leggen sancties (HvJEG 10 juli
1990, zaak C-326/88, Jur. I-2911 (Hansen); HvJEG 22 april 1997, zaak
C-180/95 (Draempaehl)). Het gemeenschapsrecht stelt aan deze vrijheid echter
wel duidelijke grenzen. In de eerste plaats is er de plicht van de lidstaten
tot effectieve handhaving van het gemeenschapsrecht, welke door het Hof van
Justitie wordt afgeleid uit het beginsel van de gemeenschapstrouw (artikel
10 (artikel 5-oud) EG-verdrag) (HvJEG 21 september 1989, zaak
68/88, Jur. 2965 (Griekse maïs)). Deze plicht kan de naar Nederlands recht
veelal bestaande beleidsvrijheid om van het opleggen van een boete af
te zien in bepaalde gevallen beperken. In de tweede plaats geldt het
assimilatiebeginsel, hetgeen inhoudt dat tegen schendingen van het
gemeenschapsrecht op dezelfde wijze en met dezelfde intensiteit moet
worden opgetreden als tegen vergelijkbare schendingen van nationaal
recht (HvJEG 10 april 1984, zaak 14/83, Jur. 1908 (Von Colson en Kamann); HvJEG 2 augustus 1993, zaak C-276/91,
Jur. I-4413
(Commissie/Frankrijk)).
Naast deze algemene
beginselen bevat het (secundaire) gemeenschapsrecht in toenemende mate ook
meer specifieke voorschriften inzake de handhaving en
sanctionering van communautaire regelingen. Diverse verordeningen verplichten
de lidstaten om voor bepaalde overtredingen bestuurlijke sancties, waaronder ook bestuurlijke boeten,
op te leggen (zie bijvoorbeeld Vo. (EG) 3007/84,
Pb 1984 L 283, gewijzigd bij Vo. (EG) 1260/90, Pb 1990 L 124). Het Hof van
Justitie heeft in ieder geval voor het terrein van de landbouw erkend dat de
Gemeenschap daartoe bevoegd is (HvJEG 27 oktober 1992, zaak
C-240/90, Jur.I-5383 (Duitsland/Commissie)), maar ook op andere terreinen
wordt deze bevoegdheid inmiddels door de gemeenschapswetgever
verondersteld. Dit blijkt met name uit Vo. (EG) 2988/95, Pb 1995 L
[publicatienummer is niet afgedrukt, red.],
inzake de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap. Dit is
een kaderverordening die regels geeft voor het opleggen van bestuurlijke
sancties, waaronder bestuurlijke boeten, voor nader bij
sectorverordeningen te bepalen overtredingen. Hoewel deze sectorverordeningen thans
nog niet tot stand zijn gekomen, valt te verwachten dat de
kaderverordening in de toekomst van steeds groter belang zal worden voor de
bestuurlijke handhaving.
Dit roept de vraag op
naar de verhouding tussen de Awb en de communautaire regelingen.
In beginsel is deze helder: bij strijdigheid gaat het gemeenschapsrecht
voor. Voor zover echter het gemeenschapsrecht bepaalde aspecten
ongeregeld laat, of daarvoor zelfs uitdrukkelijk naar het nationale recht verwijst,
is de Awb wel (aanvullend) van toepassing. Dit kan in sommige situaties
leiden tot een nogal gecompliceerd rechtsregime, maar dat is het
onvermijdelijke gevolg van de interferentie tussen harmonisatie van wetgeving
op nationaal niveau en harmonisatie op
Europees niveau. Het is
niet doenlijk om in de Awb bij voorbaat rekening te houden met allerlei
regels in specifieke verordeningen, te meer daar deze onderling ook weer
verschillen. Wel is waar mogelijk rekening rblz.|133|
gehouden met de meer
algemene Verordening (EG) 2988/95, zij het dat de afstemming, mede door de
verschillen in de gehanteerde begrippenkaders, nooit volledig sluitend
kan zijn.
Bovendien moeten ook hier
soms keuzen worden gemaakt tussen verschillende vormen van
harmonisatie. Een voorbeeld kan dit illustreren. Artikel 3, eerste lid,
eerste alinea, van de Verordening (EG) 2988/95 bepaalt dat de verjaringstermijn
voor de overtredingen waarop zij betrekking heeft vier jaar
bedraagt, met dien verstande dat de sectorverordeningen een kortere termijn van
ten minste drie jaar kunnen bepalen. Het onderhavige wetsvoorstel (artikel
5.4.1.6 [5:45]) werkt met termijnen van twee jaar ingeval de lichte procedure van toepassing
is en vijf jaar indien de zware
procedure van toepassing
is. Laatstgenoemde termijnen kunnen derhalve in een concreet geval in
strijd komen met de Verordening. In een regeling die op nationaal niveau
uniform wil zijn, valt dit echter niet te voorkomen, nu de communautaire
verjaringstermijn zelf binnen het toepassingbereik van de Verordening niet
uniform zal zijn. Wel is naar aanleiding van de Verordening overwogen de
korte vervaltermijn in dit wetsvoorstel op drie in plaats van twee jaar
te stellen, doch daarvan is afgezien, omdat dit weer zou kunnen leiden tot een
disharmonie tussen de bestuursrechtelijke en de strafrechtelijke verval-
respectievelijk verjaringstermijnen voor dezelfde overtreding, terwijl
samenloop tussen nationaal bestuurs- en strafrecht vooralsnog aanzienlijk
vaker voorkomt dan samenloop tussen nationaal en communautair
bestuursrecht. Het gevolg dat artikel 5.4.1.6
[5:45] in een voorkomend geval buiten
toepassing zal moeten worden gelaten ten faveure van het
gemeenschapsrecht, is daarbij als onvermijdelijk
aanvaard.
Artikelsgewijs
Titel 5.4. Bestuurlijke boete
Afdeling 5.4.1. Algemene
bepalingen
Artikel 5.4.1.1
[5:40]
Eerste lid
De bestuurlijke boete
wordt in dit wetsvoorstel gedefinieerd als de bestuurlijke sanctie,
inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom,
die is gericht op bestraffing van de overtreder. Een bestuurlijke boete is
een sanctie en kan derhalve slechts worden opgelegd voor een overtreding, een verboden gedraging. Daarin onderscheidt
zij zich van
verplichtingen tot betaling van een geldsom die door de overheid worden
opgelegd ter zake van gedragingen die op zichzelf niet in strijd met het
bestuursrecht zijn, zoals heffingen, retributies en (andere) belastingen.
Een bestuurlijke boete is
voorts een sanctie met een punitief karakter; daarin onderscheidt zij
zich van de bestuurlijke dwangsom. Een dwangsom strekt tot het
voorkomen, beëindigen of ongedaan maken van een onrechtmatige
situatie. Dit komt tot uiting in het feit dat een dwangsom slechts kan
worden opgelegd in combinatie met een last om iets te doen of na te
laten. Bij een bestuurlijke boete is van zo’n last geen sprake. De boete maakt de
overtreding ook niet ongedaan - hoogstens indirect, door het
afromen van door de overtreding verkregen economisch voordeel - en is
slechts indirect, door haar afschrikkende werking, gericht op het voorkomen van
verdere overtredingen.
De gekozen omschrijving
brengt mee dat een bestuurlijke boete niet voorwaardelijk kan worden opgelegd. Aan een boete onder de opschortende
voorwaarde dat de
overtreder binnen een bepaalde periode niet opnieuw een overtreding
pleegt, bestaat geen behoefte, nu zij op rblz.|134|
hetzelfde neerkomt als
een last onder dwangsom. Ook van andere vormen van voorwaardelijke
boeteoplegging is niet gebleken dat daaraan in de praktijk behoefte
bestaat.
Tweede lid
Het komt regelmatig voor
dat een door de overheid verleende financiële aanspraak - een
uitkering of subsidie - wegens niet-naleving van de daaraan verbonden
voorschriften wordt verminderd of ingetrokken. Een dergelijke sanctie heeft
een ander karakter dan een bestuurlijke boete. In de meeste gevallen wordt
een dergelijke sanctie in de rechtspraak zelfs niet als een bestraffende
sanctie aangemerkt (vgl. ABRvS 23 maart 1998, Rechtspraak
bestuursrecht: de annotaties 1997/98, blz. 119 (Renovatiesubsidie Diemen);
ABRvS 8
februari
2000, JB 2000, 91, AB 2001, 118 (woningverbeteringssubsidie
Den Haag); ABRvS 20 maart 2002, JB 2002, 159). Onder
omstandigheden is echter niet uitgesloten dat een de vermindering of intrekking van een
financiële aanspraak wel een bestraffend karakter heeft (zie voor
een voorbeeld ABRvS 20 november 2002, JB 2003, 18 en idem AB 2003, 173).
Dan zou de vraag kunnen rijzen of een dergelijke sanctie een bestuurlijke
boete is waarop de bepalingen van titel 5.4 van toepassing zijn. Om
onduidelijkheid daarover te vermijden, bepaalt het tweede lid dat de
bepalingen over de bestuurlijke boete niet van toepassing zijn. Aldus
wordt voorkomen dat de toepasselijkheid van titel 5.4 afhangt van de in
concreto soms moeilijk te bepalen grens tussen een bestraffende en een
niet-bestraffende "korting" op een aanspraak.
Artikel 5.4.1.2
[5:41]
Deze bepaling beoogt het
beginsel "geen straf zonder schuld" ook voor bestuurlijke boeten te
codificeren. Thans is het te vinden in een aantal bijzondere wetten, zoals
de Wet
bescherming persoonsgegevens (artikel 66, tweede lid). Net als
bij strafrechtelijke overtredingen is schuld in de zin van verwijtbaarheid bij
bestuursrechtelijk gesanctioneerde overtredingen doorgaans geen
bestanddeel van het delict. Dit betekent dat het bestuursorgaan de verwijtbaarheid niet
behoeft te bewijzen, maar deze mag veronderstellen als het daderschap
vaststaat. Dit laat echter onverlet dat ook in deze gevallen het
beginsel "geen straf zonder schuld" geldt (zo reeds HR 14 februari 1916, NJ
1916, 681 (Melk-en-water-arrest)). Om aan het opleggen van een boete te
ontkomen, zal de overtreder dan echter een beroep moeten doen op
afwezigheid van alle schuld en deze afwezigheid aannemelijk moeten maken. Eén en ander is neergelegd in
artikel
5.4.1.2 [5:41]. Binnen het kader van deze
bepaling kunnen zo nodig ook de klassieke schulduitsluitingsgronden
uit het strafrecht (ontoerekeningsvatbaarheid, noodweerexces, overmacht
en handelen ter uitvoering van een onbevoegd gegeven ambtelijk bevel)
aan de orde komen. In de praktijk van de bestuurlijke handhaving
zal men dan vooral aan de laatste twee moeten denken. Om dezelfde reden
als bij de rechtvaardigingsgronden (zie de toelichting
op artikel 5.0.5) is ervan afgezien in de Awb een catalogus van geschreven
schulduitsluitingsgronden op te nemen.
De voorgestelde regeling
is in overeenstemming met artikel 6 EVRM. Het tweede lid van dat
artikel bepaalt dat een ieder voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn
schuld wettig is bewezen. Schuld moet hier niet worden opgevat als
verwijtbaarheid, maar als daderschap. Als het daderschap vaststaat, mag schuld in de
zin van
verwijtbaarheid worden verondersteld, mits tegenbewijs mogelijk
is (EHRM 7 oktober 1988, Publ. ECHR, Ser. A, Vol 141-A, NJ
1991, 351 (Salabiaku); EHRM 25 september 1992, Publ. ECHR, Ser. A, Vol.
207, NJ 1995, 593 (Pham Hoang)). Nu de overtreder te allen tijde een
beroep kan doen op afwezigheid van alle schuld, is aan deze laatste
voorwaarde voldaan.
In het licht van de
onschuldpresumptie van artikel 6, tweede lid, EVRM, rblz.|135|
rijst voorts nog de vraag
of de hoofdregel van het bestuursrecht (artikel 6:16 Awb), inhoudende dat
aan bezwaar en beroep geen schorsende werking toekomt, ook voor
boetebeschikkingen kan gelden. Met het oog op de slagvaardigheid van
de handhaving is schorsende werking van bezwaar en beroep immers
soms minder gewenst. Uit de Straatsburgse jurisprudentie volgt dat
de onschuldpresumptie van artikel 6, tweede lid, EVRM niet uitsluit dat de
tenuitvoerlegging van besluiten plaatsvindt voordat de rechter
onherroepelijk over de schuld van de overtreder heeft beslist. Deze bevoegdheid
tot onmiddellijke executie moet wel binnen redelijke grenzen worden
toegepast, waarbij een redelijk evenwicht tussen de betrokken belangen in
acht moet worden genomen.
Bij deze beoordeling moet
onder meer worden betrokken of in het geval van een succesvol beroep de reeds betaalde bedragen kunnen worden teruggevorderd en de
oorspronkelijke rechtspositie van de betrokkene kan worden hersteld (zie EHRM
23 juli 2002, Janosevic tegen Zweden, EHRC 2002, nr. 88). Bij gebleken onschuld zal de boete moeten worden terugbetaald.
Het bestuursorgaan zal
ook rente over dit bedrag moeten vergoeden, zo volgt uit
artikel 4.4.2.6 [4:102] van dit wetsvoorstel. Het gaat immers om een betaling
aan een bestuursorgaan op grond van een beschikking die in
bezwaar of in beroep is gewijzigd of vernietigd. Dit betekent dat ook rente
moet worden betaald indien een reeds betaalde boete in bezwaar of
beroep wordt verlaagd. Daarnaast is van belang dat
naar Nederlands
bestuursrecht steeds de mogelijkheid bestaat om de voorzieningenrechter te
verzoeken een boetebeschikking te schorsen (artikel 8:81 Awb).
Artikel 6:16
Awb biedt de bijzondere wetgever de mogelijkheid om van de hoofdregel dat
bezwaar en beroep geen schorsende werking hebben af te wijken. In
specifieke gevallen kan hiervoor aanleiding bestaan. Indien in de
primaire fase geen hoorplicht geldt, kan schorsende werking van het bezwaar
nuttig zijn om feitelijke onjuistheden nog vóór het invorderbaar worden
van de boete te kunnen herstellen. Daarnaast kan er reden voor
schorsende werking zijn als de opgelegde boeten zeer hoog zijn en het direct
invorderen voor de overtreder tot onevenredige financiële lasten zou
leiden. Om die reden wordt dan ook in enkele bestaande boeteregelingen
wel schorsende werking aan het beroep toegekend (bijvoorbeeld artikel
63, eerste lid, Mededingingswet).
Om de aanzuigende werking
van een dergelijke uitzondering op het aantekenen van bezwaar en beroep
te
beperken, kan in de bijzondere wet worden voorzien in een
zekerheidstelling bij het instellen van beroep (zie artikel 11 Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften), dan wel in de
verschuldigdheid van wettelijke rente als de opgelegde boete in beroep
in stand
blijft (zie artikel 67, tweede lid, Mededingingswet
en HR 9 oktober 1996, BNB
1997/6). Bij eerstgenoemde variant dient ervoor gewaakt te worden
dat dit niet tot een te grote beperking van de toegang tot de rechter
leidt (HR 31 januari 1995, NJ 1995, 598). Bij de tweede variant doet dit
probleem zich minder voor, nu de overtreder gedurende de procedure
ook zelf rente kan genieten over het bedrag van de verschuldigde boete.
Artikel 5.4.1.3
[5:42]
In navolging van het
strafrecht (artikel 69 Sr), het fiscale recht (artikel 67i
Awr) en het
socialezekerheidsrecht bepaalt artikel 5.4.1.3
[5:42] dat geen boete meer kan worden opgelegd
indien de overtreder is overleden. Wanneer de boete slechts de
nalatenschap zou treffen, kan zij immers het beoogde bestraffende effect niet
hebben. In lijn daarmee is bepaald dat een boete vervalt als zij op het
tijdstip van overlijden nog niet onherroepelijk is, alsmede dat een boete
vervalt voor zover zij op het tijdstip van overlijden van de overtreder nog
niet is betaald. Dit laatste geldt ook als de executie al een aanvang heeft
genomen door de betekening van het dwangbevel; de executie zal dan
moeten worden gestaakt.
rblz.|136|
Artikel 5.4.1.4
[5:43]
Dit artikel codificeert
het zogeheten "ne-bis-in-idembeginsel" voor bestuurlijke boeten. Voor
de verhouding tussen bestuurlijke boeten en strafrechtelijke sancties
is hetzelfde beginsel neergelegd in artikel
5.4.1.5 [5:44]. Het strafrecht kent het beginsel dat niemand ten tweede male kan worden vervolgd indien de
rechter reeds onherroepelijk uitspraak heeft gedaan over hetzelfde feit
(artikel
68 Sr). Voor bestuurlijke sancties is dit beginsel voor Nederland nog niet
gecodificeerd, ook niet in internationaal verband. Het beginsel is
neergelegd in artikel 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM, dat echter door
Nederland niet is geratificeerd. Het is eveneens neergelegd in artikel 14,
zevende lid, IVBPR, maar Nederland heeft bij deze bepaling een voorbehoud
gemaakt, inhoudende dat geen verdergaande verplichtingen worden
aanvaard dan reeds uit artikel 68 Sr
voortvloeien, welk voorbehoud in de
jurisprudentie ruim wordt uitgelegd (zie voor een overzicht P.M.
van Russen Groen, Rechtsbescherming in het bestuursstrafrecht, diss.
EUR 1998, Arnhem 1998, blz. 294 e.v.). Niettemin wordt algemeen
aangenomen dat ook in het bestuursrecht behoort te gelden dat
niemand tweemaal mag worden gestraft voor dezelfde overtreding. Dit
standpunt werd reeds ingenomen in het CTW-advies, terwijl ook
de bestaande boeteregelingen waar nodig steeds voorzieningen kennen om
dubbele bestraffing te voorkomen. Derhalve wordt voorgesteld dit
beginsel voor het bestuursrecht in het onderhavige artikel te codificeren.
Het beginsel houdt in
dat niemand tweemaal mag worden gestraft voor dezelfde overtreding.
Indien iemand gelijktijdig twee of meer overtredingen pleegt, kan hij wel voor
beide afzonderlijk worden gestraft. Derhalve is ook in dit
verband cruciaal of een handeling die in strijd komt met twee of meer
voorschriften moet worden opgevat als één overtreding, dan wel kan worden
uiteengelegd in twee of meer zelfstandige overtredingen. In het eerste geval kan
immers wegens die overtreding slechts eenmaal een bestraffende sanctie worden opgelegd. Als aan die sanctie
slechts één van de
geschonden voorschriften ten grondslag is gelegd, is een tweede sanctie ook
wegens schending van het andere voorschrift niet meer mogelijk. In het tweede geval daarentegen kan voor iedere overtreding
een afzonderlijke sanctie
worden opgelegd.
De jurisprudentie van de
Hoge Raad inzake artikel 68 Sr
komt erop neer dat sprake is van
"hetzelfde feit" indien "blijkt van een zodanig verband met betrekking
tot de gelijktijdigheid van de gedragingen en de wezenlijke samenhang in
het handelen en de schuld van de dader, dat de strekking van het artikel
meebrengt dat zij in de zin van deze bepaling als hetzelfde feit zijn aan
te merken" (HR 21 november 1961, NJ 1962, 89; HR 5 februari 1963, NJ 1963,
320). Dit criterium heeft zowel een feitelijke als een juridische dimensie.
Overtreding van twee voorschriften levert pas één feit op als de
overtredingen niet alleen feitelijk nauw samenhangen, maar ook kan worden
gezegd dat de dader van beide overtredingen een verwijt van dezelfde
strekking kan worden gemaakt; dat wil zeggen: als de overtreden voorschriften
soortgelijke belangen beschermen. Aan het tweede vereiste was
bijvoorbeeld niet voldaan in het bekende arrest betreffende de persoon
die dronken achter het stuur werd aangetroffen op een autoloze zondag
tijdens de eerste oliecrisis (HR 8 april 1975, NJ 1975, 296). De strekking van
beide voorschriften (het toenmalige artikel 26 Wegenverkeerswet en
artikel 1 van de toenmalige Beschikking verbruiksbeperking motorbrandstoffen
tijdens
het weekeinde) was zodanig verschillend dat de
verdachte twee verschillende feiten had gepleegd en derhalve voor elk van
beide afzonderlijk kon worden vervolgd.
Het ligt in de rede dat
bestuursorganen en de bestuursrechter bij de uitleg van het begrip
"dezelfde overtreding" in het voorgestelde artikel 5.4.1.4
[5:43] aansluiting zullen zoeken
bij deze strafrechtelijke jurisprudentie.
Ook ten aanzien van de
verhouding van het verbod van bis in idem tot rblz.|137|
het daderschap van rechtspersonen en natuurlijke personen kan aansluiting
worden gezocht bij het
strafrecht. De vraag kan zich immers voordoen of het opleggen van een
bestuurlijke boete aan een rechtspersoon wel mogelijk is wanneer
aan de directeur(en) van de rechtspersoon in kwestie reeds als
natuurlijk persoon een (bestuursrechtelijke of strafrechtelijke) boete is opgelegd. De
vraag staat dan centraal wie er feitelijk wordt geraakt door de boete: in
hoeverre kunnen de directeuren worden vereenzelvigd met de rechtspersoon. De
Centrale Raad van Beroep heeft in een dergelijk geval overwogen
dat het bestuursorgaan bij de belangenafweging of aan de rechtspersoon
een boete moet worden opgelegd, zal moeten bezien of en in hoeverre aan de boeteoplegging dezelfde feiten
ten grondslag liggen als
waarvoor de directeur-grootaandeelhouder strafrechtelijk is veroordeeld en of deze
door het opleggen van de boete tweemaal in zijn vermogen wordt
geschaad (CRvB 21 maart 2002, AB 2002, 280, JB 2002, 151). De
Centrale Raad van Beroep verwijst hierbij ook naar een arrest van de
strafkamer van de Hoge Raad (HR 20 juni 1990, NJ 1990, 811, m.nt. Van Veen).
Aandacht verdient nog
dat het in het bestuursrecht kan voorkomen dat een gedraging twee
voorschriften schendt tot handhaving waarvan twee verschillende
bestuursorganen bevoegd zijn. Dat hoeft in de praktijk geen grote problemen te geven.
Het feit dat de wetgever verschillende bestuursorganen met de handhaving heeft belast, is immers
op zich zelf
reeds een indicatie dat
de overtreden voorschriften verschillende belangen beogen te
beschermen. Eendaadse samenloop zal zich dan niet licht voordoen. Om dezelfde reden zal het niet snel voorkomen dat de
oplegging van een sanctie
door het ene bestuursorgaan tot gevolg heeft dat sanctieoplegging
door het andere bestuursorgaan in strijd komt met het verbod van dubbele
bestraffing. Zo oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak in
een geval waarin iemand zowel in het kader van de Algemene bijstandswet
als in het kader van de Wet individuele
huursubsidie inkomsten
had verzwegen, dat de krachtens laatstgenoemde wet opgelegde
bestuurlijke boete los kon worden gezien van de reeds eerder wegens overtreding
van eerstgenoemde wet opgelegde sancties (ABRvS 10 februari 1997,
AB 1997, 427). Dit laat natuurlijk onverlet dat het gewenst kan zijn dat
bestuursorganen hun sanctiebeleid op verwante terreinen onderling
afstemmen. Voorts biedt artikel 5.4.1.7
[5:46] altijd de ruimte om de boete te mitigeren
als het opleggen van sancties door verschillende bestuursorganen in een
concreet geval evident onbillijk zou uitwerken.
Ten slotte dient nog te
worden opgemerkt dat het bestuursorgaan na vernietiging door de
rechter van het boetebesluit geen nieuw boetebesluit voor hetzelfde feit kan
nemen. Dit uitgangspunt wordt reeds door de belastingrechter
gehanteerd. Het is wenselijk dit voor het gehele bestuursrecht te laten
gelden. De betrokken burger heeft er zeker in het geval van bestraffende
sancties recht op dat de zaak door de rechter definitief wordt afgedaan.
Eén en
ander doet ook recht aan de eisen van artikel 6 EVRM om een "criminal
charge" binnen redelijke termijn te
behandelen. Daartoe is in
artikel 8:72a de verplichting voor de rechter opgenomen zelf in de zaak
te voorzien nadat hij een boetebesluit heeft vernietigd (zie nader de
toelichting op dat artikel).
Artikel 5.4.1.5
[5:44]
Eerste lid
Artikel 5.4.1.4
[5:43] beoogt
het herhaald opleggen van bestuurlijke boeten voor dezelfde overtreding te
voorkomen. Het onderhavige artikel 5.4.1.5
[5:44] ziet op de verhouding tussen
bestuurlijke boeten en strafrechtelijke sancties. Ook dan geldt het beginsel
"ne bis in idem": als voor een overtreding aan iemand reeds een
strafrechtelijke sanctie is opgelegd, kan hem voor rblz.|138|
dezelfde overtreding niet
ook nog eens een bestuurlijke boete worden opgelegd, en omgekeerd
(zie HR 12 januari 1999, NJ 1999, 289).
Het punt is van groot
belang, omdat het, zoals in het algemeen gedeelte van dit hoofdstuk van
deze memorie van toelichting is uiteengezet, nogal eens voorkomt dat de wet
op overtreding van een voorschrift zowel een strafsanctie als een
bestuurlijke boete stelt. In dat geval zal de overheid moeten kiezen. Het
gaat
er niet slechts om dat geen twee straffen worden opgelegd. Ook moet worden
voorkomen dat iemand nodeloos tweemaal in een sanctieprocedure
wordt betrokken voor dezelfde overtreding ("nemo debet bis vexari").
De keuze voor één van
beide wegen dient op enig moment definitief te zijn; het kan niet zo
zijn dat als de ene weg uiteindelijk niet tot het opleggen van een sanctie
leidt, de overheid het dan zonder meer nog eens langs de andere weg
kan proberen. Artikel 5.4.1.5
[5:44] regelt dit "una-viastelsel"
(vgl. L.J.J.
Rogier, Strafsancties, administratieve sancties en het una-viabeginsel,
diss. EUR, Arnhem 1992) voor het geval dat aanvankelijk voor de strafrechtelijke
weg is gekozen. Besluit de officier van justitie een
strafvervolging in te stellen, dan is de bestuursrechtelijke weg definitief afgesloten
zodra het onderzoek ter terechtzitting is begonnen. Een eventuele vrijspraak,
ontslag van rechtsvervolging of niet-ontvankelijkheid van het OM doet de
bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete
dus niet herleven.
De bestuursrechtelijke
weg is eveneens definitief afgesloten indien de officier van justitie een
transactie aanbiedt en de overtreder deze aanvaardt. Dan is immers
een sanctie opgelegd en dient geen tweede sanctie voor hetzelfde
feit meer mogelijk te zijn. Ziet de officier van justitie echter, anders dan wegens
aanvaarding van een transactievoorstel, nog vóór de aanvang van het
onderzoek ter terechtzitting af van strafvervolging, dan krijgt het
bestuursorgaan alsnog de gelegenheid te beslissen of wel een bestuursrechtelijke sanctie wordt opgelegd.
Tweede lid
Eén en ander impliceert
uiteraard dat het OM en het bestuursorgaan met elkaar in overleg zullen
moeten treden over de vraag of de overtreding strafrechtelijk dan wel
bestuursrechtelijk zal worden afgedaan. Daarom bepaalt het tweede lid
dat het bestuursorgaan - dat bij overtredingen waarvoor bestuurlijke boeten kunnen worden opgelegd in de praktijk
veelal als eerste op de
hoogte is van de overtreding - in beginsel gehouden is de
overtreding aan de officier van justitie voor te leggen. Bij grotere aantallen
overtredingen is het echter niet doelmatig en uit oogpunt van een
consistent beleid ook minder gewenst dat dit overleg over iedere individuele
overtreding plaatsvindt. De praktijk is dan ook dat OM en bestuur in dergelijke gevallen in onderling overleg criteria formuleren
voor de keuze tussen
bestuursrechtelijke en strafrechtelijke afdoening. Deze criteria plegen te
worden neergelegd in een convenant en/of in vervolgingsrichtlijnen
van het OM. Daarom bepaalt het tweede lid dat van het aan het OM voorleggen
van de overtreding kan worden afgezien in de gevallen waarvoor zulks
tussen bestuur en OM is overeengekomen. Daarnaast is rekening gehouden met
de mogelijkheid dat de wetgever zelf criteria voor de keuze
tussen bestuursrecht en strafrecht formuleert.
Derde lid
Het derde lid bevat het
sluitstuk van de regeling: indien de overtreding aan de officier van
justitie is voorgelegd, wordt de bevoegdheid tot het opleggen van een
bestuurlijke boete opgeschort. De officier van justitie heeft vervolgens dertien
weken de tijd om te beslissen of strafrechtelijk optreden gewenst is. Als
de officier van justitie binnen deze dertien weken mededeelt dat de
overtreding strafrechtelijk zal worden afgedaan, kan rblz.|139|
geen bestuurlijke boete
worden opgelegd. Wij gaan er niet van uit, maar het valt niet geheel uit
te sluiten dat het bestuursorgaan in kwestie in een dergelijk geval toch
overgaat tot de oplegging van een bestuurlijke boete. Het openbaar ministerie
heeft in zijn commentaar op het voorontwerp aan de orde gesteld wat
hiervan de gevolgen moeten zijn. In het belang van de rechtszekerheid van de
betrokken burger menen wij dat het openbaar ministerie hiermee zijn vervolgingsrecht verliest.
Als het OM niet binnen
dertien weken reageert, herleeft de bevoegdheid om een bestuurlijke boete
op te leggen. Deze bevoegdheid herleeft eveneens indien het OM aan het
bestuursorgaan mededeelt van strafvervolging af te zien. De praktische
betekenis daarvan zal uiteraard afhangen van de reden waarom het
OM van strafvervolging afziet. Indien het OM om redenen van
prioriteitstelling van vervolging afziet, staat niets eraan in de weg dat het bestuur
wel handhavend optreedt. Indien echter het OM niet vervolgt omdat de
overtreding naar zijn oordeel niet kan worden bewezen of
gerechtvaardigd is, zal het bestuursorgaan in de praktijk niet snel tot het opleggen van
een bestuurlijke boete overgaan. Uitgesloten is dit echter niet: het feit
dat de wetgever aan het bestuursorgaan de bevoegdheid heeft
toegekend om een bestuurlijke boete op te leggen, brengt met zich dat het
bestuursorgaan zelf verantwoordelijk is voor de uitoefening van deze
bevoegdheid en derhalve ook bij de beoordeling van aspecten als
bewijsbaarheid en wederrechtelijkheid niet gebonden is aan het oordeel van het
OM.
Artikel 5.4.1.5
[5:44] betreft
de bevoegdheid van het bestuursorgaan om een bestuurlijke boete op te
leggen indien een strafrechtelijke sanctie is opgelegd of mogelijk is. De
spiegelbeeldige bevoegdheid van het OM om te vervolgen indien een
bestuurlijke boete is opgelegd of had kunnen worden opgelegd, is
geregeld in het voorgestelde tweede lid van artikel 243 van het Wetboek
van Strafvordering. Verwezen zij naar de toelichting op artikel
II.
Artikel 5.4.1.6
[5:45]
Zoals strafbare feiten
door tijdsverloop verjaren, behoort ook in het bestuursrecht de
bevoegdheid van de overheid om overtredingen te bestraffen in de tijd
begrensd te zijn. Voor de termijn gedurende welke bestuurlijke boeten
kunnen worden opgelegd, is aansluiting gezocht bij bestaande
verjaringstermijnen. Voor de lichte procedure is gekozen voor een termijn van twee
jaar; dit komt overeen met de verjaringstermijn voor strafrechtelijke
overtredingen. Voor de zware procedure is gekozen voor een termijn van vijf
jaar; een termijn die thans reeds geldt voor bestuurlijke boeten op grond van de
socialezekerheidswetgeving (bijvoorbeeld artikel 27e, tweede lid, Werkloosheidswet,
artikel 17e, tweede lid, AKW), de fiscale wetgeving (artikelen
67c,
derde lid, en 67f, vierde lid, Awr). Zie voor andere voorbeelden
artikel 15.16 Telecommunicatiewet, artikel 15k
Postwet en artikel 79 Spoorwegwet
(nog niet in werking getreden). Op verschillende
deelgebieden van het bestuursrecht bestaat aan deze langere termijn behoefte,
omdat overtredingen soms pas na verloop van tijd aan het licht komen
of uitgebreid onderzoek vergen. Het gaat daarbij ook niet meer uitsluitend
om lichte overtredingen.
In aansluiting bij
artikel 70 van het Wetboek
van Strafrecht is bepaald dat de bevoegdheid tot het
opleggen van een bestuurlijke boete door tijdsverloop vervalt (aldus ook de
artikelen 67c, derde lid, en 67f, vierde lid, Awr). Het woord verjaring is
vermeden, omdat dit in de context van de Algemene wet
bestuursrecht (vgl.
het voorgestelde artikel 4.4.3.1
[4:104]) het misverstand zou kunnen wekken dat
overschrijding van de termijn slechts aan het opleggen van een
boete in de weg zou staan indien de overtreder zich op de overschrijding beroept. Dat zou echter niet in het stelsel van ons
bestuursrecht passen. Het
bestuursorgaan zal ook ambtshalve moeten rblz.|140|
nagaan of de termijn van twee onderscheidenlijk vijf jaar niet is verstreken. Anders zou
het immers kunnen voorkomen dat een overtreder bezwaar moet maken louter
om zich op overschrijding van de termijn te kunnen beroepen.
Het derde lid biedt een
voorziening voor het geval de boete binnen de termijn is opgelegd en de overtreder vervolgens bezwaar maakt of beroep
instelt. Dit bezwaar of beroep kan onder omstandigheden leiden tot het oordeel dat een lagere
boete moet worden opgelegd. Het bestuursorgaan dient dan bij de beslissing
op bezwaar een nieuwe, lagere boete op te
leggen, de rechter dient
de opgelegde boete te vernietigen en kan vervolgens een lagere boete opleggen
door met toepassing van het voorgestelde artikel 8:72a
juncto
artikel 8:72, vierde lid, zelf in de zaak te voorzien. Indien ten tijde van de
beslissing op bezwaar, onderscheidenlijk de uitspraak van de rechter,
de termijn van twee of vijf jaar inmiddels is verstreken, zou twijfel
kunnen rijzen of nog wel de bevoegdheid bestaat om enige boete op te
leggen. Om buiten twijfel te stellen dat in dat geval die bevoegdheid nog wel
bestaat, bepaalt het derde lid dat in deze gevallen de termijn voor
het opleggen van de boete wordt opgeschort tot onherroepelijk op het
bezwaar of beroep is beslist.
Volledigheidshalve zij opgemerkt dat de termijnen van
artikel 5.4.1.6
[5:45] uitsluitend betrekking
hebben op het opleggen en niet op het invorderen van de boete. Een
bestuurlijke boete levert een bestuursrechtelijke geldschuld op, op de betaling en
invordering waarvan derhalve de bepalingen van titel 4.4 van
toepassing zijn. De verjaringstermijn voor invordering is geregeld in het
voorgestelde artikel 4.4.3.1
[4:104].
Opgemerkt zij nog dat in
het fiscale recht afwijkende termijnen gehandhaafd zullen blijven, omdat de
termijn voor het opleggen van een boete daar gekoppeld is aan de
termijnen voor de belastingheffing zelf.
Artikel 5.4.1.7
[5:46]
Eerste lid
Dit artikel ziet
op de
hoogte van de op te leggen bestuurlijke boete. Het eerste lid zegt dat de
wet het maximale bedrag van de op te leggen boeten "bepaalt". Deze
formulering is ontleend aan artikel 89 van de
Grondwet. Zij houdt,
overeenkomstig de gangbare uitleg van artikel 89
Grondwet, slechts in dat de
wet het maximum van de op te leggen boete moet aangeven.
De eis dat de maximaal op te leggen boete voor een bepaalde overtreding in de wet wordt
vastgelegd, betekent niet dat letterlijk per overtreding het maximum moet worden
vastgelegd. Evenals bij via de Wet
op de economische delicten strafrechtelijk
gesanctioneerde bepalingen is het mogelijk dat het boetemaximum voor
een aantal verschillende krachtens het desbetreffende
wetsartikel gepleegde overtredingen geldt. Ter illustratie: als artikel X bepaalt dat
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld
over een bepaalde handeling en artikel Y dat bij overtreding van artikel X
een boete wordt opgelegd van maximaal €|750,-, dan geldt dat maximum
voor alle bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur verboden
gedragingen.
Tweede
lid: het
evenredigheidsbeginsel
In de meeste gevallen
schrijft de wet niet exact voor hoe hoog de bestuurlijke boete in een concreet
geval moet zijn, maar geeft zij slechts een maximum ("model B").
Derhalve zal het bestuursorgaan bij iedere concrete overtreding
moeten beoordelen welk boetebedrag in dat geval passend is. Het tweede
lid van artikel 5.4.1.7 [5:46] bevat de belangrijkste maatstaf die daarbij moet worden
aangelegd: de hoogte van de boete moet worden afgestemd op de
ernst van de overtreding en de mate waarin zij rblz.|141|
aan de overtreder kan worden verweten (vgl. bijvoorbeeld ABRvS 17 april 2002, AB 2002, 253, JB 2002, 164),
waarbij zo nodig rekening moet worden gehouden met de
omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
Dit zogenaamde
evenredigheidsbeginsel vloeit in de eerste plaats voort uit artikel 6
EVRM. Het
EHRM heeft uitgesproken dat de rechter bij de beoordeling van
bestraffende sancties bevoegd moet zijn tot een "assesment of the proportionality of
the sanction" (EHRM 10 februari 1983, Ser. A, Vol. 58 (Albert en Le
Compte)). Ook het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft bij
herhaling geoordeeld dat de toepassing van sancties in het kader van
de uitvoering van het gemeenschapsrecht in overeenstemming moet zijn
met het evenredigheidsbeginsel (zie bijvoorbeeld HvJEG 21 juni 1979, zaak
240/78, Jur. 2137 (Atalanta) en voor een voorbeeld van toepassing
door de nationale rechter CBb
31 januari 1996, RAwb 1996, 63). Tenslotte
maakt het evenredigheidsbeginsel sedert lang deel uit van ons
nationale bestuursrecht. De Centrale Raad van Beroep
toetste disciplinaire
sancties jegens ambtenaren al vóór de Tweede Wereldoorlog aan het
evenredigheidsbeginsel; dit beginsel was voorheen neergelegd in artikel 58,
derde lid, van de Ambtenarenwet. Sedert 1 januari 1994 leiden de
verschillende bestuursrechters dit specifieke evenredigheidsbeginsel af
uit artikel 3:4, tweede lid, Awb.
Daarbij is van belang
dat artikel 3:4, tweede lid, bij bestraffende sancties een iets andere inhoud
heeft dan bij andere besluiten. In het algemeen vergt artikel
3:4, tweede
lid, van de rechter een terughoudende toetsing: de rechter mag niet
geheel zelfstandig beoordelen of de gevolgen van een besluit wel evenredig
zijn aan de daarmee te dienen doelen, maar slechts of het bestuursorgaan in
redelijkheid kon komen tot het oordeel dat deze gevolgen niet onevenredig
waren (ABRvS 9 mei 1996, JB 1996, 158 (Maxis-Praxis)). Bij besluiten
tot het opleggen van een bestuurlijke boete of een andere bestraffende
sanctie ligt dit anders. Dergelijke besluiten dient de rechter niet marginaal,
maar volledig aan het evenredigheidsbeginsel te toetsen (HR 20 december
1989, BNB 1990, 102; CBb 27 april 1990, AB 1990, 508; ABRvS 4 juni
1996, JB 1996, 172; CRvB 11 maart 1992, AB 1992, 462). Dit wil zeggen dat
de rechter zijn eigen oordeel over de hoogte van de boete in de plaats mag
stellen van het oordeel van het bestuursorgaan. Het bestuursorgaan heeft
bij bestraffende sancties geen beleids-, maar slechts
beoordelingsvrijheid. Dit betekent ook dat eventuele beleidsregels over de hoogte van de
boete het karakter hebben van wetsinterpreterende beleidsregels, waaraan de
rechter in beginsel niet is gebonden. Dit laat overigens onverlet dat het uit een oogpunt van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid zeer
gewenst kan zijn dat het bestuursorgaan beleidsregels over de hoogte van de
op te leggen boeten opstelt en bekendmaakt. Een goed voorbeeld van
dergelijke beleidsregels is het Besluit Bestuurlijke Boeten
Belastingdienst 1998 (het BBBB).
Op één punt is de
vrijheid van de bestuursrechter wel beperkt: hij kan geen hogere boete
opleggen dan het bestuursorgaan heeft gedaan. Dit volgt, behoudens
uitdrukkelijk andersluidende wetsbepaling, uit het in de Awb, in het bijzonder ook
in artikel 8:69, neergelegde stelsel dat de rechtsbescherming van de burger de
voornaamste functie van het bestuursprocesrecht is. Daarin past niet dat
de rechter buiten het geschil tussen partijen treedt door een
uitspraak te doen die de burger in een nadeliger positie brengt dan wanneer hij geen beroep had ingesteld (het zogenaamde
"verbod van reformatio
in peius").
Bij de beoordeling van de
evenredigheid van de in concreto op te leggen of opgelegde boete moeten bestuur en rechter zo nodig rekening houden
met de omstandigheden
waaronder de overtreding is gepleegd. In voorkomende gevallen kan daarbij, in
lijn met artikel 24 Sr, ook de draagkracht van de overtreder een rol
spelen. Dit betekent niet dat het bestuursorgaan steeds een
onderzoek naar deze draagkracht moet instellen. In de meeste
gevallen zal het bestuursorgaan ervan mogen rblz.|142|
uitgaan dat de draagkracht geen beletsel vormt voor het opleggen van
een boete. Maar zeker bij
hogere boeten zal het bestuursorgaan zich ervan moeten vergewissen
dat de boete, mede gelet op de draagkracht van de overtreder, geen
onevenredige gevolgen heeft. Wat een hoge boete is, zal daarbij mede van de
context afhangen. Het ligt voor de hand dat de draagkracht bijvoorbeeld
bij boeten op het gebied van de sociale zekerheid eerder en vaker een rol
zal spelen dan op veel andere terreinen.
Derde lid
Het derde lid ziet
op de
situatie waarin de wet voor iedere overtreding exact voorschrijft hoe
hoog de bestuurlijke boete moet zijn ("model A"). In dat geval heeft de
wetgever zelf de afweging gemaakt welke boete voor een bepaalde
overtreding als evenredig moet worden beschouwd. Bestuur en rechter hebben
dan in beginsel geen vrijheid meer om een andere boete op te leggen.
Anders dan wel wordt gesteld (zie bijvoorbeeld C.L.G.F.H. Albers,
Rechtsbescherming bij bestuurlijke boeten. Balanceren opeen magische lijn?,
diss. Maastricht 2002, Den Haag 2002), is dit geenszins in strijd met
artikel 6 EVRM. De jurisprudentie van het EHRM inzake de
toetsingsbevoegdheid van de rechter heeft betrekking op de verhouding tussen de
rechter enerzijds en het bestuur of de vervolgende instantie anderzijds,
niet op de verhouding tussen rechter en wetgever. De rechter moet een
bestraffende sanctie volledig aan het recht kunnen toetsen, maar is daarbij
natuurlijk zelf ook gebonden aan het recht, met inbegrip van eventuele
wettelijke bepalingen over de hoogte van de op te leggen sanctie. Het EHRM
heeft dan ook nimmer bezwaar gemaakt tegen de verplichte
minimumstraffen voor bepaalde delicten die in het strafrecht van sommige lidstaten van
de Raad van Europa voorkomen.
In theorie is wel denkbaar dat de rechter tot het oordeel moet komen dat de door de wetgever
voorgeschreven sanctie als regel zo onevenredig is dat de wet wegens strijd
met het EVRM of het communautaire evenredigheidsbeginsel
buiten toepassing moet worden gelaten. Dat is echter iets anders dan
dat de rechter in het geheel niet aan de keuze van de wetgever zou zijn
gebonden. Dat is hij wel mits kan worden gezegd dat in de wettelijke
regeling zelf rekening is gehouden met het evenredigheidsbeginsel (vgl.
EHRM 23 september 1998, NJCM-bull. 2000, blz. 873 e.v. (Malige v.
Frankrijk)).
Wij kunnen ons dan ook
niet vinden in de opvatting van de Raad van State dat een indringende
rechterlijke toetsing op evenredigheid van de hoogte van de bestuurlijke boete
ook dient plaats te vinden bij wettelijk vastgestelde boeten. Eén en ander zou
er immers op neer komen dat de rechter geen rekening hoeft te houden met een wettelijk tariefstelsel. Uit de
Straatsburgse
jurisprudentie volgt als gezegd niet dat een dergelijk wettelijk gefixeerd boetestelsel in
strijd is met artikel 6 EVRM. Vereist is wel dat de wetgever bij de
totstandkoming van de regeling de evenredigheid in acht heeft genomen. Naast
de genoemde zaak Malige wijst ook de recentere zaak Göktan/Frankrijk (EHRM 2 juli 2002, EHRC 2002, nr. 72) in
deze richting. In deze
zaak overweegt het Hof met zoveel woorden dat het EVRM wettelijk gefixeerde
sancties niet verbiedt en de rechter evenmin dwingt tot het aanpassen
van deze sancties naar de omstandigheden van het geval.
Eén en ander betekent dat
de rechter in beginsel uit kan gaan van de afweging door de wetgever
(zie ook CBb
29 april 2004, LJN-nr. AO 9910). Het EVRM dwingt niet tot
een ambtshalve toets op evenredigheid door de rechter, de klager zal
hier derhalve uitdrukkelijk een beroep op moeten doen (zie in dit verband
ook T. Barkhuysen in zijn VAR-preadvies 2004, Het EVRM als integraal
onderdeel van het Nederlandse materiële bestuursrecht, VAR-reeks 132, Den Haag
2004, met name blz. 61-64 en 90). Ook het bestuur dient in beginsel uit te gaan van deze afweging door de wetgever,
tenzij het bestuur sterke
aanwijzingen heeft dat de hoogte van de boete in rblz.|143|
een bepaalde casus
onevenredig uitpakt, bijvoorbeeld vanwege de geringe draagkracht van
de overtreder. Een dergelijke aanwijzing zal het bestuur in de meeste
gevallen krijgen doordat de betrokkene een beroep doet op dergelijke
bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld bij het geven van zijn zienswijze over
een voorgenomen boeteoplegging. Dit betekent dat het bestuur in het overgrote deel van de gevallen niet gehouden is
ambtshalve te toetsen of
de wettelijk gefixeerde boete evenredig is. Het valt echter niet geheel
uit te sluiten dat uit het "dossier" in kwestie sterke aanwijzingen blijken die
zouden moeten leiden tot een matiging van de hoogte van de
bestuurlijke boete, zonder dat de betrokkene hier expliciet een beroep
op heeft gedaan.
Resumerend betekent dit
dat een door de wetgever voorgeschreven sanctie als regel wel
evenredig is, maar dat niet kan worden uitgesloten dat deze sanctie in een
concreet geval wegens bijzondere omstandigheden onbillijk uitwerkt. De
afweging door de wetgever is nu eenmaal naar zijn aard een abstracte, waarbij niet altijd met alle bijzondere omstandigheden
rekening kan worden
gehouden. Voor dergelijke gevallen bevat het derde lid van artikel
5.4.1.7 [5:46] een "antihardheidsclausule": het bestuursorgaan is dan
bevoegd een lagere boete op te leggen dan de wet voorschrijft. Overigens
is de "antihardheidsclausule" niet bedoeld voor het geval dat de
overtreder door de bijzondere omstandigheden geen enkel verwijt van de
overtreding kan worden gemaakt; in dat geval volgt reeds uit artikel 5.4.1.2
[5:41] dat geen boete kan worden opgelegd.
Wij delen derhalve niet
het standpunt van de Raad van State dat deze "antihardheidsclausule"
betekent dat het bestuursorgaan steeds ambtshalve moet nagaan of zich
bijzondere omstandigheden voordoen. De overtreder zal daar in
beginsel een voldoende onderbouwd beroep op moeten doen. Op deze wijze
biedt de antihardheidsclausule voldoende ruimte om de mede door
artikel 6 EVRM vereiste evenredigheid in concreto te waarborgen.
Ten slotte is het
mogelijk dat een EU-verordening het bedrag van de boete fixeert op (een percentage
van) het verschil tussen het geclaimde en het rechtens juiste bedrag.
De desbetreffende EU-verordening valt dan te beschouwen als een
wettelijk voorschrift in de zin van artikel
5.4.1.7 [5:46], derde lid. De vraag of in
een concreet geval wegens bijzondere omstandigheden niettemin een lagere
bestuurlijke boete moet worden opgelegd, dient in overeenstemming
met het gemeenschapsrecht te worden beantwoord. Daarbij is van belang
dat het Hof van Justitie reeds vele malen heeft geoordeeld dat de
grondrechten, zoals deze voortvloeien uit de gemeenschappelijke
constitutionele tradities van de lidstaten en de internationale verdragen waarbij zij
partij zijn, in het bijzonder ook het EVRM, deel uitmaken van de
algemene beginselen van gemeenschapsrecht, met de handhaving waarvan het
Hof van Justitie is belast. Anders gezegd: hoewel de Europese Unie
geen partij is bij het EVRM, acht zij zich daar in vergaande mate aan gebonden en pleegt het Hof van Justitie bij grondrechtelijke
vraagstukken ook
aansluiting te zoeken bij de rechtspraak van het Europees Hof voor de
Rechten van de Mens. Derhalve zal in een gemeenschapsrechtelijke
context in beginsel een zelfde evenredigheidstoets gelden als in een puur
nationaalrechtelijke casus.
Vierde lid
Artikel 15, eerste lid,
derde volzin, IVBPR bepaalt: "Indien, na het begaan van het strafbare feit, de
wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, dient de
overtreder daarvan te profiteren".
De authentieke Engelse
tekst van het verdrag gebruikt voor "strafbaar feit" de woorden
"criminal offence". Hoewel deze woorden wellicht iets beperkter moeten worden
uitgelegd dan de woorden "criminal charge", in die zin dat lichte
overtredingen er wellicht buiten vallen, moet worden rblz.|144|
aangenomen dat ook aan
het begrip "criminal offence" een autonome, materiële uitleg moet
worden gegeven. Dat wil zeggen dat niet beslissend is of het feit naar
nationaal recht als strafbaar feit wordt gekwalificeerd. Ware dit anders, dan zou
de betekenis van artikel 15 per verdragsstaat uiteen kunnen gaan lopen,
hetgeen in strijd zou zijn met de bedoeling van het verdrag.
Dit betekent dat in ieder
geval bij zwaardere bestuurlijke boeten sprake is van een "criminal
offence" en dat daarmee de regel van artikel 15, eerste lid, derde volzin, IVBPR
geldt. Ook artikel 2, tweede lid, tweede volzin, van Vo. (EG) 2988/95, Pb 1995
L 312, is relevant in dit verband. Indien de wetgever besluit de boete of maximale boete voor een bepaalde overtreding
te verlagen, geldt deze
verlaging ook voor overtredingen die vóór de inwerkingtreding van de
verlaging hebben plaatsgevonden.
Nu kan zich het geval
voordoen dat een verlaging van een bestuurlijke boete in werking treedt
nadat een boete is opgelegd, maar voordat op een beroep daartegen is
beslist. De vraag rijst dan of de bestuursrechter de beschikking tot oplegging
van een boete moet vernietigen omdat zij te hoog is. Naar ons oordeel
is dat het geval. Het past bij de bijzondere rol van de bestuursrechter
ingeval hij boetebesluiten toetst, dat hij rekening houdt met een dergelijke
wijziging ten gunste van de overtreder. Dit sluit aan bij het bepaalde in
artikel 15, eerste lid, IVBPR en artikel 1, tweede lid, van het Wetboek
van Strafrecht. Op grond van deze regel kan de overtreder niet alleen in de
bezwaarfase, maar ook in de fase van beroep voor de rechter profiteren van
een verlaging van de bestuurlijke boete. Deze regel wordt in de jurisprudentie reeds aanvaard (zie
bijvoorbeeld
CRvB 1 maart
2000, JB 2000, 107, RSV
2000, 87, CRvB 7 december 2000, JB 2001, 18, RSV 2001, 84 en CRvB 14
februari 2001, AB 2001, 151, JB 2001, 80 en RSV 2001, 108 en 109; CRvB 17
december 2002, Gst. 2002, 7182, nr. 52).
In het vierde lid van
artikel 5.4.1.7 [5:46] wordt artikel 1, tweede lid, van het Wetboek
van Strafrecht van overeenkomstige toepassing verklaard. Laatstgenoemd artikel
bepaalt dat bij "verandering van wetgeving" de voor de verdachte meest
gunstige bepalingen worden toegepast. Daarbij gaat het dus niet alleen
om wijzigingen in de aard of hoogte van de sanctie, maar ook om
wijzigingen in het overtreden voorschrift, zij het dat de rechtspraak heeft
uitgemaakt dat artikel 1, tweede lid, Sr
in dat geval slechts toepassing
vindt indien de wijziging berust op gewijzigd inzicht van de wetgever
over de strafwaardigheid van het feit (zie bijvoorbeeld HR
11 oktober 1989, NJ 1989,
455, tegenover HR 24 november 1987, NJ 1988, 931). Hiervan is bijvoorbeeld geen sprake indien een systeem van strafrechtelijke
handhaving wordt
vervangen door een bestuurlijke boete, omdat de wetgever
laatstgenoemd systeem van wetshandhaving effectiever acht (zie HR 26 oktober
1999, NJ 2000, 240: het betrof hier de vervanging van
strafsancties door bestuurlijke boeten in de Wet op de particuliere
beveiligingsorganisaties). De Rechtbank Rotterdam heeft
geoordeeld dat het in
artikel 15, eerste lid, IVBPR neergelegde beginsel ook toepassing moet
vinden indien beleidsregels inzake de hoogte van de boete ten gunste van de
overtreder zijn gewijzigd (Rb Rotterdam 26 november 2002, AB 2003, 385).
De wetgever - dit kan
ook de lagere wetgever zijn - kan overigens bij de wijziging van de
boeteregeling in kwestie zelf een overgangsregeling treffen. Een voorbeeld
biedt HR 14 mei 2002, NJ 2002, 369: na het plegen van het strafbare feit in
kwestie was een aantal bepalingen in het Wetboek
van Strafrecht en het Wetboek
van Strafvordering aangepast, waardoor
- kort gezegd - iets
ruimere mogelijkheden bestonden voor de oplegging van een taakstraf. De
verdachte beroept zich op artikel 15 IVBPR, nu het gerechtshof ten onrechte
niet deze nieuwe regeling heeft toegepast en het aanbod tot het verrichten
van een taakstraf heeft afgewezen.
De Hoge Raad overweegt
echter dat zich hier niet de in artikel 15 IVBPR bedoelde situatie
voordoet, nu de nieuwe regeling bepaalt dat de wet geen gevolgen heeft voor
strafzaken die vóór de inwerkingtreding rblz.|145|
daarvan bij wege van
verkorte dagvaarding, oproeping of dagvaarding aanhangig zijn gemaakt.
De Hoge Raad hoeft zich derhalve niet over de vraag uit te spreken of
door de invoering van de nieuwe regeling sprake is van een lichtere straf,
doordat nu een taakstraf in plaats van gevangenisstraf kan worden opgelegd. De
wetgever dient zich op dat moment uit te spreken over de vraag of
op het terrein in kwestie overtreders van de desbetreffende
boeteregeling van de wijziging al dan niet moeten profiteren. Indien deze wetgever hier
niets over regelt, geldt de regel zoals neergelegd in het vierde
lid.
Artikel 5.4.1.8
[5:47]
Indien een overtreding
waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd tevens een strafbaar feit
is, kan het voorkomen dat, nadat een bestuurlijke boete is
opgelegd, een derde zich op de voet van artikel 12 Wetboek
van Strafvordering tot het gerechtshof wendt met een klacht wegens niet-vervolging
van de overtreder voor datzelfde feit. In wezen beklaagt de derde zich
dan over de keuze om de overtreding bestuursrechtelijk af te
doen. Een voorbeeld biedt ABRvS 10 september 2003, nr. 200204238/1 (te
vinden op www.raadvanstate.nl): aan een bedrijf was
op grond van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 een bestuurlijke boete opgelegd naar aanleiding
van een arbeidsongeval met dodelijke afloop. De ouders van het slachtoffer begonnen vervolgens een
artikel-12-Sv-procedure. Er rijzen dan
twee vragen: kan het gerechtshof alsnog, zonder strijd met het beginsel
ne bis in idem, de vervolging bevelen voor een feit waarvoor al een boete is
opgelegd, en zo ja, wat betekent dat dan voor de reeds opgelegde boete?
Een vergelijkbare
situatie kan zich binnen het strafrecht voordoen indien het beklag wegens
niet-vervolging betrekking heeft op een feit waarvoor het openbaar ministerie
met de verdachte een transactie is aangegaan. Ingevolge artikel 74b
Wetboek van
Strafrecht herleeft dan, indien het gerechtshof vervolging
beveelt, het recht op strafvervolging en moeten eventueel reeds in het
kader van de transactie betaalde bedragen onverwijld worden terugbetaald.
Voor de bestuurlijke
boete stellen wij een analoge regeling voor. Daartoe is in de tweede volzin
artikel 74b, eerste lid,
Sr
van overeenkomstige toepassing verklaard op
het geval waarin een bestuurlijke boete is opgelegd, maar vervolgens het
gerechtshof vervolging beveelt. Dit betekent dat het recht tot strafvervolging, dat door de bestuurlijke boete in beginsel
was vervallen, door het
bevel van het gerechtshof weer herleeft. Daardoor kan betrokkene alsnog
worden vervolgd. Dit laat onverlet dat dubbele bestraffing uiteraard ook
in deze situatie moet worden voorkomen.
Daarom bepaalt artikel
5.4.1.8 [5:47], eerste volzin, dat het bevel tot vervolging van het gerechtshof van
rechtswege tot gevolg heeft dat een reeds opgelegde bestuurlijke boete
vervalt. Dit geldt ook als deze bestuurlijke boete reeds onherroepelijk is
geworden.
Dit brengt mee dat, voor zover de bestuurlijke boete reeds is betaald, deze betaling achteraf gezien
onverschuldigd is geweest. Het bestuursorgaan dient de betaalde
bedragen dus aan de overtreder terug te betalen. Behoorlijk bestuur
vereist dat dit met bekwame spoed gebeurt.
Eén en ander
veronderstelt uiteraard dat het bestuursorgaan van het bevel van het gerechtshof
op de hoogte is. Het is echter niet nodig daarvoor een regeling te treffen.
De overtreder heeft er immers zelf alle belang bij om het bestuursorgaan
zo spoedig mogelijk van het bevel op de hoogte te stellen.
rblz.|146|
Afdeling 5.4.2. De
procedure
Artikel 5.4.2.1
[5:48]
Voor het vaststellen van
overtredingen zijn waarnemingen en andere handelingen door of
vanwege het bestuursorgaan nodig. In strafrechtelijke termen: overtredingen
moeten worden opgespoord. Indien bij invoering van een bestuurlijke
boete de strafbaarstelling van een bepaalde gedraging vervalt,
vervallen daarmee ook de opsporings- en andere strafvorderlijke bevoegdheden van de
overheid. Daarvoor in de plaats komen de bestuursrechtelijke
toezichtsbevoegdheden van titel 5.2 Awb, zoals de bevoegdheid om plaatsen
te betreden, inlichtingen te verlangen en inzage in gegevens en bescheiden
te vorderen, de bevoegdheid om zaken te onderzoeken, etc.
Deze bevoegdheden kan de toezichthouder uitoefenen voor zover dat voor de
uitoefening van zijn taak redelijkerwijs nodig is. Een concrete
verdenking is niet noodzakelijk.
In de meeste gevallen
zullen deze bevoegdheden voldoende zijn om adequaat te kunnen
handhaven. Soms zullen aanvullende bevoegdheden nodig zijn, zoals de
bevoegdheid tot het in beslag nemen van voorwerpen of het nemen van andere
conservatoire maatregelen. Deze bevoegdheden zullen dan in de bijzondere wet moeten worden opgenomen. De
Awb laat
daarvoor ruimte. Er is
dus uitdrukkelijk niet voor gekozen om in deze algemene regeling regels
te stellen omtrent een "onderzoek" naar door bestuurlijke boeten te
handhaven overtredingen, als een soort aparte "opsporingsfase" na het
toezicht.
Overigens kunnen ook
andere ambtenaren dan toezichthouders in de zin van titel 5.2
taken
verrichten ten behoeve van de vaststelling van overtredingen, bijvoorbeeld door
eenvoudig administratief na te gaan of een burger tijdig aangifte
heeft gedaan of andere verplichte bescheiden heeft ingediend. In sommige
gevallen zijn met het oog daarop aan het bestuursorgaan zelf al rechtstreeks
bevoegdheden toegekend, bijvoorbeeld tot het vorderen van
inlichtingen. Vooral in de socialezekerheids- en fiscale regelgeving doet
zich dit
voor. Zowel deze ambtenaren als toezichthouders kunnen van een
geconstateerde overtreding een rapport opmaken. Indien voorschriften
tevens strafrechtelijk kunnen worden gehandhaafd, zullen naast toezichthoudende ambtenaren ook opsporingsambtenaren de
overtreding kunnen
vaststellen. Deze ambtenaren moeten, indien zij een strafbaar feit
constateren, in plaats van een rapport een ambtsedig proces-verbaal opmaken
(artikel
152 Sv).
Vanzelfsprekend zal in
deze gevallen in afspraken tussen bestuur en OM zo duidelijk mogelijk
moeten worden vastgelegd in welke gevallen de strafrechtelijke en in
welke gevallen de bestuursrechtelijke weg wordt bewandeld. Het opmaken
van een proces-verbaal impliceert echter nog geen keuze voor de strafrechtelijke weg. Als proces-verbaal is opgemaakt,
kan later zonder
problemen alsnog voor de bestuursrechtelijke weg worden gekozen. Dit
proces-verbaal bevat immers soortgelijke informatie als het rapport en
vervult dezelfde functie. Daarom is bepaald dat een proces-verbaal zo nodig
voor het rapport in de plaats kan treden. Omgekeerd is een
proces-verbaal geen absolute voorwaarde voor een strafvervolging.
Weliswaar heeft een rapport strafrechtelijk gezien het nadeel dat het geen
bijzondere bewijskracht heeft, maar dat behoeft in de praktijk geen probleem te
zijn als er ander bewijs is of als het feit wordt erkend. Wel verdient het
in verband hiermee de voorkeur om bij twijfel of strafrechtelijke afdoening wenselijk is, zo mogelijk voor een
proces-verbaal
te kiezen.
De artikelen 155 tot en
met 157 van het Wetboek
van Strafvordering bepalen, kort gezegd, dat opsporingsambtenaren hun processen-verbaal
dienen toe te zenden aan
de officier van justitie. In de praktijk geschiedt dit bij buitengewone
opsporingsambtenaren ook wel door tussenkomst van het bestuursorgaan
onder verantwoordelijkheid waarvan zij werkzaam rblz.|147|
zijn. Artikel
5.4.1.5 [5:44], tweede lid, waarborgt dat het proces-verbaal dan uiteindelijk toch bij de
officier terechtkomt, tenzij de wetgever heeft bepaald dan wel het OM ermee heeft
ingestemd dat daarvan wordt afgezien.
Het is niet altijd
noodzakelijk een rapport op te maken van een gedraging waarvoor een bestuurlijke
boete wordt opgelegd. Een rapport kan nuttig zijn voor de
bewijsvoering en de toetsing door de rechter, alsook om te voldoen aan de eis van
artikel 6 EVRM dat de betrokkene zo snel mogelijk wordt geïnformeerd over
de tegen hem gerezen verdenking. Het verplicht opmaken van een rapport
bij overtredingen van meer administratieve aard (te laat aangifte
doen of andere gegevens verstrekken) zou echter tot onnodige lasten leiden.
Daarnaast zou het niet stroken met artikel 3:2 Awb
om het bestuursorgaan bij
het nemen van de boetebeschikking te beperken in zijn
informatiebronnen. Ook het beginsel van vrije bewijsvoering in het bestuursrecht
verzet zich ertegen het rapport te veel status te geven. Fouten in het
rapport moeten niet desastreus zijn voor het vervolg van de procedure. Het
rapport moet echter wel duidelijk zijn.
Er is dus voor gekozen om
het rapport alleen verplicht te stellen bij het opleggen van een
zwaardere boete (zie artikel 5.4.2.6
[5:53], tweede lid).
Indien van de overtreding
een rapport wordt opgemaakt, dient dit rapport een omschrijving van de overtreding, het overtreden
voorschrift en zo
nodig de plaats waar en
het tijdstip waarop de overtreding plaatsvond te bevatten. Het vereiste
van omschrijving van de overtreding komt overeen met de thans wel in de
wetgeving voorkomende eis van vermelding van "de gronden waarop het
voornemen om een boete op te leggen berust (vgl. artikel 67k Awr).
Wat de overtreder betreft, kan zo nodig worden volstaan met een functionele aanduiding van de overtreder, aangezien in
dit stadium nog niet
altijd over de volledige gegevens zal kunnen worden beschikt. Dit speelt met
name als de overtreder een rechtspersoon is. Gegevens als rechtsvorm,
statutaire zetel en precieze verantwoordelijke voor de overtreding
zullen dan niet altijd direct voorhanden zijn.
Artikel 5.4.2.2
[5:49]
Eerste
lid: inzage
dossier
Het eerste lid van deze
bepaling, dat is ontleend aan artikel 67m Awr, voorziet erin dat de
overtreder op zijn verzoek ter voorbereiding van zijn verdediging inzage kan
verkrijgen in zijn dossier. Onder het dossier dient in dit verband te worden
verstaan alle stukken die relevant zijn voor de besluitvorming over de
bestuurlijke boete. Daaronder vallen in ieder geval alle stukken die moeten
dienen tot onderbouwing van de beslissing tot het opleggen van een
bestuurlijke boete, maar ook stukken die informatie bevatten die ten voordele
van de overtreder strekt (EHRM 16 december 1992, Publ. ECHR Ser. A.
Vol 247 (Edwards)). Indien het bestuursorgaan meent ten aanzien van
enig stuk tot geheimhouding verplicht te zijn, dan kan het dit stuk onder
omstandigheden buiten het dossier laten, maar dan kan het stuk ook niet
meer ter motivering van de boete worden gebruikt; een bestraffende sanctie
kan niet worden gebaseerd op stukken waartegen de overtreder zich niet
kan verweren. Als gezegd, kunnen bovendien stukken die ten voordele van de overtreder
strekken niet buiten het
dossier worden gehouden.
Dit recht op inzage geldt ook in de bezwaarfase en derogeert in zoverre
aan artikel 7:4, zesde lid (vgl. ook Rb Rotterdam 26
november 2002,
AB 2003, 385 (SEP/NMa).
Tweede
lid: taalhulp
Het tweede lid is
opgenomen in verband met de onderdelen a en e van het derde lid van artikel
6 EVRM. Onderdeel a bepaalt dat de overtreder onverwijld en in
bijzonderheden op de hoogte moet worden gesteld van rblz.|148|
de aard en de reden van
de tegen hem ingebrachte beschuldiging. Voor zover dit niet reeds bij het
opmaken van een rapport of proces-verbaal is geschied, waarborgt de
onderhavige regeling dat dit geschiedt door de overtreder in de
gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen (zware procedure;
artikel 5.4.2.6 [5:53], derde lid, juncto
5.4.2.3
[5:50], eerste lid, onderdeel a), dan wel
uiterlijk bij de bekendmaking van de beschikking waarbij de boete wordt
opgelegd (lichte procedure; artikel 5.0.9
[5:9] juncto artikel 3:46). Artikel 6, derde lid,
onderdeel a, EVRM eist daarnaast dat de mededeling van de gronden van de
beschuldiging geschiedt in een taal die de overtreder verstaat. Onderdeel
e
geeft de overtreder voorts recht op kosteloze bijstand door een tolk
indien hij de ter terechtzitting gebezigde taal niet verstaat. Het EHRM heeft
beide bepalingen in hun onderlinge samenhang zo uitgelegd dat de
overtreder recht heeft op mondelinge vertolking en schriftelijke vertaling
telkens wanneer, maar ook alleen wanneer en voor zover, dit nodig is om een
adequate verdediging te kunnen voeren (vgl. EHRM 28 november 1978, Ser. A, Vol. 29
(Luedicke, Belkacem en Koç); EHRM 19 december 1989, Ser. A, Vol. 168
(Kamasinki).
Eén en ander is in de
onderhavige bepaling en in artikel
5.4.2.3 [5:50], eerste lid, onderdeel b, uitgedrukt
door het criterium "voor zover blijkt dat de verdediging van de overtreder dit
redelijkerwijs vergt". Op de overheid rust een inspanningsverplichting
om alles te doen hetgeen redelijkerwijs gevergd kan worden om de betrokkene in staat te stellen om zich adequaat te
verdedigen. Dit betekent
dus niet dat een overtreder die het Nederlands niet beheerst zonder
meer recht heeft op vertaling van het gehele dossier (aldus ook G.J.M.
Corstens, Het Nederlandse strafprocesrecht, Arnhem 1993, blz. 139). Waar het
om gaat, is of de overtreder materieel een adequate verdediging kan
voeren (vgl. ook HR 26 mei 1992, NJ 1992, 676). Onder omstandigheden kan
een mondelinge toelichting op een schriftelijk stuk daartoe voldoende
zijn (vgl. het zojuist aangehaald Kamasinski-arrest). Onder omstandigheden kan
het eventueel voldoende zijn dat de advocaat of adviseur van
de betrokkene de Nederlandse taal begrijpt. Uitgangspunt blijft
echter dat de overtreder in staat wordt gesteld om een adequate verdediging te
voeren. Zeker bij de kennisgeving van de aard van de beschuldiging is
het van belang dat zij in een voor de betrokkene begrijpelijke taal plaatsvindt en kan niet te snel worden aangenomen dat
aan de verplichtingen van
artikel 6 EVRM is voldaan door het feit dat de advocaat of adviseur van
de betrokkene het Nederlands beheerst.
Bij schending van de in
dit artikel opgenomen waarborgen is toepassing van artikel 6:22 Awb
minder waarschijnlijk, nu de overtreder door schending
van deze voorschriften
doorgaans in zijn verdediging zal zijn geschaad. Schendingen van de in
afdeling 5.4.2 genoemde procedurevoorschriften kunnen overigens in de
bezwaarfase worden goedgemaakt. De rechter moet inhoudelijk
beoordelen of de totale procedure (primaire fase en bezwaarfase) met
voldoende waarborgen is omkleed.
Overige rechten van de
verdediging
Degene tegen wie een
vervolging is ingesteld - of, in het onderhavige geval, aan wie een
bestuurlijke boete is of zal worden opgelegd - heeft een aantal rechten met
het oog op zijn verdediging. Deze rechten volgen uit artikel 6, derde lid,
van het EVRM en artikel 14, derde lid, van het IVBPR. De meeste van deze
rechten zijn in het bestuursprocesrecht al gegarandeerd voor het beroep
op de rechter, bijvoorbeeld het recht om getuigen op te roepen (artikelen
7:8, eerste lid, 7:22, eerste lid, en 8:60, vierde lid,
Awb) en het
recht op bijstand door een raadsman (artikelen 2:1 en
8:24 Awb). Voorts komt
de verplichting om beschikkingen te motiveren (artikel 3:46
Awb)
tegemoet aan artikel 6, derde lid, onderdeel a, EVRM. In de onderhavige regeling
zijn enige aspecten nog nader geregeld.
Zo voorziet artikel
5.4.2.6 [5:53], derde lid, in een hoorplicht in de primaire fase bij het opleggen van
zwaardere boeten. Voor lichtere boeten is in een
rblz.|149|
mogelijkheid tot horen
voorzien. Zo nodig draagt het bestuursorgaan daarbij zorg voor
bijstand van de overtreder door een tolk (artikel
5.4.2.3 [5:50], eerste lid, onderdeel
b).
Uit de artikelen 5.4.2.1 [5:48], derde lid,
juncto 5.4.2.6, tweede lid, vloeit voort
dat de gronden voor het voornemen om een boete op te leggen aan de
overtreder worden medegedeeld. Artikel
5.4.2.2 [5:49], tweede lid, waarborgt dat
dit zo nodig geschiedt in een taal die de overtreder begrijpt.
Artikel 5.4.2.3
[5:50]
Eerste lid
Artikel 5.4.2.6
[5:53] bepaalt
dat, indien de zware procedure van toepassing is, de indiener steeds in de
gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. De in
afdeling 4.1.2 neergelegde beperkingen op deze hoorplicht zijn dan niet
van toepassing. Voor de lichte procedure geldt afdeling 4.1.2 wel. Omdat
de bestuurlijke boete een financiële beschikking in de zin van artikel
4:12 is, vloeit uit dat artikel voort dat in de lichte procedure geen hoorplicht
geldt.
Uiteraard blijft het
bestuursorgaan ook in de lichte procedure wel bevoegd om de overtreder
te horen. Daartoe kan onder omstandigheden aanleiding bestaan,
bijvoorbeeld omdat de feiten nog niet geheel duidelijk zijn. De in artikel 3:2
neergelegde verplichting tot zorgvuldig onderzoek blijft immers wel van toepassing.
Voor het geval de
overtreder in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen
- onverschillig of dit verplicht of onverplicht gebeurd - geeft
artikel 5.4.2.3 [5:50] een aantal bijzondere regels, die verband houden met het
bestraffende karakter van de boete.
In de eerste plaats dient
in dit geval het rapport of proces-verbaal - als dat er is - reeds bij de
uitnodiging voor het horen aan de overtreder te worden gezonden. De
betrokkene weet dan waartegen hij zich moet verweren. Opgemerkt zij
dat het natuurlijk denkbaar is dat een rapport is opgemaakt van twee of
meer overtredingen, maar dat het bestuursorgaan slechts voor één
daarvan het opleggen van een boete overweegt. In dat geval ligt het natuurlijk
in de rede dat ook dit aan de overtreder wordt medegedeeld.
In de tweede plaats dient
het bestuursorgaan, indien de overtreder daarom vraagt of
anderszins blijkt dat hij de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, zo nodig zorg
te dragen voor een tolk. Dit vloeit voort uit artikel 6 EVRM. De
kwalificatie "zo nodig" is van belang: artikel 5.4.2.3
[5:50] geeft niet onder alle
omstandigheden recht op een officiële tolk. Waar het om gaat, is dat
bestuursorgaan en overtreder met elkaar kunnen communiceren. Als de overtreder niet
het Nederlands, maar bijvoorbeeld wel het Engels machtig is, zal
daarvoor in veel gevallen geen tolk nodig zijn. Verwezen zij naar de
toelichting op artikel 5.4.2.2, tweede lid.
Tweede lid
Het tweede lid houdt
verband met het gegeven dat na het opmaken van een rapport niet in alle
gevallen een boetebeschikking volgt. Het is immers mogelijk dat het
bestuursorgaan besluit geen boete op te leggen. Dat kan ook nog na het
horen van de overtreder gebeuren, juist naar aanleiding van door de
overtreder verstrekte informatie. In dat geval dient de overtreder echter wel
zo spoedig mogelijk te weten dat de beschuldiging die hem boven het hoofd
hangt, is ingetrokken. Daarom dient hij hiervan schriftelijk in kennis te worden gesteld. Het is ook mogelijk dat
tijdens het horen
informatie op tafel komt die het bestuursorgaan tot de conclusie leidt dat bij
nader inzien strafrechtelijke afdoening wenselijk is. Ook daarvan dient de
overtreder dan op de hoogte te worden gesteld.
De kennisgeving dat geen
bestuurlijke boete zal worden opgelegd, is een rblz.|150|
besluit in de zin van
artikel 1:3; zij is naar haar objectieve strekking immers gericht op
het rechtsgevolg dat de bevoegdheid om voor deze overtreding aan deze overtreder een
bestuurlijke boete op te leggen, komt te vervallen. Dit is
overigens slechts van praktisch belang indien een derde-belanghebbende aanwezig
is die dit
besluit eventueel zou willen aanvechten. Zoals in
paragraaf 7 van het algemeen deel van dit hoofdstuk van de memorie van
toelichting uiteengezet, is dit bij bestuurlijke boeten als regel niet het
geval. Of de kennisgeving dat de gedraging alsnog aan het openbaar
ministerie wordt voorgelegd een besluit is, is zonder praktisch belang,
nu een derde daardoor in ieder geval niet rechtstreeks in zijn belang wordt
getroffen. Door deze kennisgeving wordt immers nog niets beslist
over het al dan niet opleggen van een sanctie.
Artikel 5.4.2.4
[5:51]
Dit artikel regelt de
beslistermijn bij het opleggen van bestuurlijke boeten. Deze knoopt aan bij het
rapport. Voor het geval er geen rapport is - hetgeen uitsluitend bij
lichte boeten kan voorkomen - is geen beslistermijn geregeld, omdat het niet
mogelijk is daarvoor een eenvoudig vast te stellen beginpunt aan te wijzen. Men bedenke
overigens dat het uit artikel
6, eerste lid, EVRM
voortvloeiende vereiste van afdoening binnen een redelijke termijn ook dan
onverkort geldt.
De beslistermijn bedraagt
dertien weken, te rekenen vanaf het tijdstip waarop van de overtreding
een rapport is opgemaakt. Binnen deze dertien weken dient dus de gehele
procedure, inclusief het eventuele horen van de overtreder, te worden
afgehandeld. De termijn wordt opgeschort zodra de gedraging ingevolge
artikel 5.4.1.5 [5:44], tweede lid, aan het openbaar ministerie wordt
voorgelegd, tot op de dag waarop het bestuursorgaan ingevolge artikel
5.4.1.5 [5:44], derde lid, bevoegd wordt om een boete op te leggen. Aangezien het OM
eveneens dertien weken heeft om te beslissen of strafrechtelijk
optreden gewenst is, bedraagt de totale beslistermijn dan ten hoogste zesentwintig
weken, dus een halfjaar.
Opgemerkt zij dat de
beslistermijn, net als andere beslistermijnen in het bestuursrecht, een
termijn van orde is. Overschrijding van de beslistermijn heeft dus niet tot gevolg
dat de bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt.
Daarvoor geldt de langere termijn van artikel
5.4.1.6 [5:45]. Wel zou de rechter de
overschrijding van de beslistermijn kunnen verdisconteren in de hoogte van de
bestuurlijke boete.
Artikel 5.4.2.5
[5:52]
De boetebeschikking moet
in de eerste plaats voldoen aan de eisen die artikel 5.0.9
[5:9] aan
bestuurlijke sanctiebeschikkingen in het algemeen stelt. Artikel 5.4.2.5
[5:52] voegt
daar nog aan toe het bedrag van de boete en de naam van de overtreder.
Een functionele aanduiding van de overtreder, zoals in het rapport,
volstaat hier niet. De beschikking moet uitdrukkelijk de naam van de overtreder
vermelden; de rechtszekerheid eist immers dat ondubbelzinnig vaststaat
wie de boete moet betalen. Opgemerkt zij nog dat de oplegging van een
boete tevens een bestuursrechtelijke geldschuld creëert, zodat de
beschikking tevens moet voldoen aan de eisen, genoemd in artikel
4.4.1.2 [4:86],
tweede lid.
Artikel 5.4.2.6
[5:53]
Eerste
lid: procedure bij
zware boeten
De grens van €|340,- is
ontleend aan de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wet Mulder). Het boetemaximum van deze wet bedraagt thans €|340,-. Een lagere grens zou kunnen betekenen dat voor het opleggen van
boeten voor verkeersovertredingen twee verschillende rblz.|151|
procedures zouden
gaan gelden, hetgeen, gelet op de gelijksoortigheid van de overtredingen en
de zeer grote aantallen verkeersboeten, voor deze wet ongewenst
zou zijn.
Bij wettelijk voorschrift
kan een ander criterium voor de toepasselijkheid van de lichte procedure
worden gegeven. Dat kan een andere financiële grens zijn (in de sfeer
van het markttoezicht, bijvoorbeeld, zal de grens van wat als een lichte boete
wordt ervaren aanzienlijk hoger liggen dan €|340,-), maar ook een kwalitatief
criterium, zoals het fiscale onderscheid tussen verzuimen en vergrijpen.
Er zijn drie verschillen
tussen de lichte en de zware procedure: in de zware procedure is het opmaken
van een rapport of proces-verbaal verplicht, geldt altijd een
hoorplicht en moet worden voldaan aan de eis van functiescheiding tussen
degene die de
overtreding constateert en degene die beslist omtrent het
opleggen van een boete. De eerste twee regels zijn neergelegd in het tweede
en derde lid van artikel 5.4.2.6
[5:53]. De eis van functiescheiding is
vormgegeven als een mandaatverbod en is daarom om wetssystematische
redenen neergelegd in artikel 10:3.
Tweede
lid: rapport of
proces-verbaal
Het eerste element van de
zwaardere procedure is dat van de overtreding steeds een rapport of proces-verbaal moet worden opgemaakt. Anders
gezegd: degene die een
overtreding constateert, dient deze constatering op schrift te stellen
voordat daarvoor een boete kan worden opgelegd. Dit schept een extra waarborg
dat duidelijk is waarvan de overtreder wordt beschuldigd.
Het rapport of
proces-verbaal speelt in het vervolg van de procedure een belangrijke rol. Het zal
veelal één van de belangrijkste bewijsmiddelen zijn. Het verschaft de
overtreder voorts belangrijke informatie over hetgeen waartegen hij
zich moet verweren. Het rapport of proces-verbaal vormt daarbij de
"buitengrens": de verdere procedure kan uitsluitend betrekking hebben op
overtredingen waarvan een rapport of proces-verbaal is opgemaakt, maar hoeft
geenszins betrekking te hebben op alle overtredingen waarvan rapport of proces-verbaal is opgemaakt. Het
bestuursorgaan kan er
immers voor kiezen om tegen bepaalde overtredingen niet op te treden. Dat kan
zijn omdat het bestuursorgaan, anders dan de opsteller van het rapport of proces-verbaal, van oordeel is dat de
gedraging geen
overtreding oplevert, niet verwijtbaar is of niet bewezen kan worden. Behoudens
andersluidende wetsbepaling is het bestuursorgaan daarnaast, binnen de in
paragraaf 10 van het algemeen gedeelte van dit hoofdstuk van
deze memorie van toelichting genoemde grenzen die uit het
gemeenschapsrecht voortvloeien, ook bevoegd om op grond van prioriteitstelling
binnen het handhavingsbeleid van het opleggen van een boete af te zien.
Derde
lid: hoorplicht bij
zware boeten
Bij zwaardere boeten is
het gewenst dat de overtreder in alle gevallen de gelegenheid krijgt om
zich tegen de tegen hem ingebrachte beschuldigingen te verweren voordat een
boete wordt opgelegd. Daarom is voorgeschreven dat de overtreder in alle
gevallen in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze
naar voren te brengen. Hij kan dat naar keuze schriftelijk of mondeling
doen (artikel 4:9).
Teneinde zich op het naar
voren brengen van zijn zienswijze te kunnen voorbereiden, dient de
overtreder vooraf op de hoogte te worden gesteld van de tegen hem
ingebrachte beschuldiging. Daarvoor is in ieder geval vereist dat hij de
beschikking krijgt over het rapport of proces-verbaal (artikel
5.4.2.3 [5:50], eerste
lid, onderdeel a). Zo nodig dient het bestuursorgaan tevens zorg te dragen
voor bijstand door een tolk (artikel
5.4.2.3 [5:50], eerste lid, onderdeel b). Voorts
heeft de overtreder het recht op inzage in het rblz.|152|
dossier (artikel
5.4.2.2 [5:49]) en ten slotte kan hij zich door een raadsman laten bijstaan (artikel
2:1).
Artikel 5.4.2.7
[5:54]
Andere bestraffende
bestuurlijke sancties dan de bestuurlijke boete worden vooralsnog niet in
de Awb geregeld. Het is echter denkbaar dat bij de aanpassingswetgeving
of op een later tijdstip blijkt dat bepaalde (financiële) bestraffende sancties
zoveel verwantschap vertonen met de bestuurlijke boete dat
de bepalingen van titel 5.4 ook daarvoor geschikt zijn.
Artikel 5.4.2.7
[5:54] biedt dan een aanknopingspunt om titel 5.4 op eenvoudige wijze ook
op die sancties
van toepassing te doen zijn.
Artikel
8:28a
Ingevolge de
artikelen
8:27 en 8:28 van de Algemene wet bestuursrecht
zijn partijen in een beroepsprocedure bij de bestuursrechter verplicht de
door de rechter gevraagde
inlichtingen te verstrekken. Deze inlichtingenplicht behoort, evenals
inlichtingenplichten jegens bestuursorganen, uitzondering te lijden voor
zover het geschil een bestuurlijke boete betreft en de partij door het
verstrekken van de inlichtingen een verklaring tegen zichzelf zou afleggen.
Hoewel artikel 5.0.11 [5:11] zich naar de letter ook tot de rechter richt, is er
duidelijkheidshalve voor gekozen deze uitzondering uitdrukkelijk neer te leggen in
het
voorgestelde artikel 8:28a. Voor de reikwijdte van het zwijgrecht zij
verwezen naar de toelichting op artikel 5.0.11
[5:11]. De vraag vanaf welk
tijdstip het zwijgrecht geldt, doet zich bij toepassing van artikel 8:28a
niet
voor. Beroep tegen een bestuurlijke boete kan immers per definitie pas worden
ingesteld nadat die boete is opgelegd, en dan is in ieder geval reeds
sprake van een "criminal charge".
Artikel
8:72a
In het algemene deel van
deze toelichting is reeds aangegeven dat de bijzondere positie van de
rechter bij de toetsing van besluiten met zich brengt dat de rechter na
vernietiging van een dergelijk besluit de zaak zoveel mogelijk zelf
afdoet. Thans gebeurt dit reeds vaak, met name indien de rechter
constateert dat de opgelegde boete onevenredig hoog is: de rechter legt dan
zelf een lagere boete op (zie bijvoorbeeld CRvB
23 januari 1997, RSV 1997, 108: de
door de bedrijfsvereniging opgelegde boete van ƒ41 263 wordt door de rechter vastgesteld
op ƒ1000). Ook op
het terrein van
bestuurlijke boeten in het belastingrecht is dit vaste jurisprudentie (zie
bijvoorbeeld HR 28 maart
1990, BNB 1990, 194).
Het is ook denkbaar dat
de rechter het boetebesluit vernietigt en de boete op nul stelt, nu de feiten
die de boete constitueren onvoldoende bewezen zijn. Het beginsel van
effectieve rechtsbescherming, zoals onder meer voortvloeiend uit artikel
6 EVRM, brengt met zich dat de rechter de zaak zoveel mogelijk zelf
afdoet. De burger heeft er, in het bijzonder in het geval van bestraffende
sancties, recht op dat de zaak binnen redelijke termijn definitief wordt
beslist. Dit artikel schrijft dan ook voor dat de rechtbank na vernietiging
van het boetebesluit een beslissing neemt omtrent het opleggen van
de boete.
De formulering van de
bepaling regelt derhalve twee zaken. In de eerste plaats moet de rechter na
vernietiging van het boetebesluit expliciet aangeven of naar zijn
oordeel een boete moet worden opgelegd, en zo ja, hoe hoog die zou moeten
zijn. In de tweede plaats volgt uit deze bepaling dat de uitspraak van de
rechter in de plaats treedt van het vernietigde besluit indien de
rechter van oordeel is dat een (lagere) boete moet worden opgelegd.
Het bepaalde in artikel 8:72a
geldt ook in hoger beroep. Dit volgt uit de bepalingen in de
desbetreffende wetten, waarin hoofdstuk 8 van de
rblz.|153|
Algemene wet bestuursrecht,
met enkele uitzonderingen, van overeenkomstige toepassing wordt
verklaard (zie artikel 39 Wet
op de Raad van State, artikel 21
Beroepswet en
artikel 19 Wet
bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie). Dit betekent dat ook de
rechter in hoger beroep na vernietiging van een boetebesluit de
zaak zoveel mogelijk zelf afdoet.
Er kunnen echter redenen
zijn om in uitzonderlijke gevallen de zaak terug te wijzen naar de
rechtbank. Deze situatie kan zich met name voordoen indien de rechtbank zich
nog helemaal niet inhoudelijk over de zaak heeft uitgesproken,
bijvoorbeeld in geval van een niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding. Indien de
hogerberoepsrechter een dergelijke
beslissing vernietigt,
ligt het voor de hand de zaak ter inhoudelijke beoordeling terug te
wijzen naar de rechtbank. Deze bevoegdheid berust op artikel 44, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet
op de Raad van State, op grond waarvan de
Afdeling
een zaak terugwijst indien de rechtbank haar onbevoegdheid of de
niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft uitgesproken en de Afdeling deze
uitspraak vernietigt met bevoegdverklaring van de rechtbank onderscheidenlijk ontvankelijkverklaring van het beroep.
In deze gevallen kan de
Afdeling zonder terugwijzing uitspraak doen indien zij naar haar
oordeel geen nadere beoordeling door de rechtbank behoeft (artikel 45 Wet
op de Raad van State).
Overigens dient de hogerberoepsrechter in geval van boetebesluiten terughoudend gebruik te
maken van de mogelijkheid de zaak terug te wijzen naar de rechtbank
(het gaat hier om de in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de
Wet op de Raad van
State genoemde mogelijkheid om vanwege andere redenen
dan bedoeld in onderdeel a de zaak naar de rechtbank terug te
wijzen). Voor de andere hogerberoepsrechters (Centrale Raad van Beroep
en College van Beroep voor het bedrijfsleven) gelden vergelijkbare
bepalingen als de artikelen 44 en 45 van de Wet
op de Raad van State,
namelijk de artikelen 26 en 27
Beroepswet en de artikelen 28 en 29 Wet
bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie).
Artikel 10:3
In het strafrecht zijn
constatering van de overtreding en strafoplegging als regel ondergebracht bij
verschillende instanties. Politie en bijzondere opsporingsdiensten voeren
de opsporende taken uit en stellen de overtreding van wettelijke
voorschriften vast, de rechter oordeelt uiteindelijk over de strafwaardigheid van
het feit en de eventueel op te leggen straf. Het openbaar ministerie
fungeert als schakel tussen beide. Het bepaalt mede de prioriteiten in de
opsporing en het aanbrengen ter zitting dan wel het transigeren of seponeren
van zaken.
Bij het opleggen van
bestuurlijke sancties is deze scheiding tussen de verschillende taken en
bevoegdheden minder duidelijk aanwezig. Vaak is het bestuursorgaan dat
een bestuurlijke boete kan opleggen tevens verantwoordelijk voor het
toezicht op de naleving van de voorschriften. Reeds in het CTW-advies
werd betoogd dat het tegen de achtergrond van het streven naar
vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van het bestuur voor de
handhaving in de rede zou liggen om het bestuursorgaan zelf met de
boeteoplegging te belasten. De CTW achtte het echter toch ongewenst dat degene die
de overtreding van het wettelijk voorschrift constateert tevens
degene is die de boete oplegt. Een feitelijke distantie tussen betrokkenheid bij
het constateren van het feit en de boeteoplegging achtte de CTW noodzakelijk.
Het kabinet heeft dit
uitgangspunt onderschreven, doch achtte het niet opportuun dit in een
algemene regeling vast te leggen. De mate waarin de bedoelde feitelijke
distantie gerealiseerd kan worden, kan namelijk per geval sterk verschillen.
Het zal vaak niet efficiënt en ook niet nodig zijn om twee afzonderlijke
instanties met de constatering van het feit en boeteoplegging te belasten.
Het is vaak wel mogelijk
een scheiding tussen deze activiteiten binnen de rblz.|154|
organisatie te
realiseren of waarborgen te bieden voor een onafhankelijke positie bij de
boeteoplegging. Zo was in het wetsvoorstel fiscale boeten oorspronkelijk voorzien
in oplegging van de boete door een speciale boete-inspecteur, die daartoe aangewezen zou worden door het hoofd van
de desbetreffende eenheid
binnen de belastingdienst. Daarmee werd aan de boetefunctionaris een
zelfstandige positie gegeven ten opzichte van de met heffing en
invordering belaste functionaris. Tegen de figuur van de boete-inspecteur zijn
echter bij de behandeling van het wetsvoorstel zowel vanuit de Tweede
als de Eerste Kamer bedenkingen geuit. De vrees bestond dat de
introductie van de boete-inspecteur een nadelige invloed zou kunnen hebben
op de
relatie tussen de belastingdienst en de belastingplichtige.
Een heroverweging van de
desbetreffende bepalingen heeft geleid tot schrapping van de figuur
van de boete-inspecteur (Kamerstukken II 1996-1997, 24 800, nr. 5).
De aanslagregelende ambtenaar kan tevens een boete opleggen. De
eenheid in het boetebeleid wordt gewaarborgd door de aanstelling van in het
boete- en strafrecht gespecialiseerde medewerkers binnen de
belastingdienst, die de aanslagregelende ambtenaren de kaders van dit
boetebeleid aangeven.
In het vierde lid van
artikel 10:3 is voor de zware procedure de regel neergelegd dat degene die de
overtreding constateert niet tevens in mandaat kan worden belast met de
boeteoplegging. In belastingzaken zou deze regel tot problemen
kunnen leiden, aangezien de oplegging van de boete doorgaans immers in
mandaat plaatsvindt. De inspecteur doet dit derhalve niet zelf. De
bezwaren van met name de Eerste Kamer tegen de introductie van een
boete-inspecteur strekken zich ook uit tot de functiescheiding die het in het vierde lid
geformuleerde mandaatverbod in de belastingpraktijk met
zich mee zou brengen. In de Algemene
wet inzake rijksbelastingen zal de
afwijking op deze hoofdregel moeten worden neergelegd (middels de clausule
"in
afwijking van artikel 10:3, vierde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht").
Artikel II
(artikel 243 Sv)
Deze bepaling
bevat het
spiegelbeeld van artikel 5.4.1.5
[5:44]. Zij vloeit evenals laatstgenoemd artikel
voort uit het "ne-bis-in-idembeginsel". Zoals geen bestuurlijke boete meer
behoort te kunnen worden opgelegd indien tegen de overtreder voor
dezelfde overtreding een strafvervolging is ingesteld of een transactie is
overeengekomen, dan wel daarvan definitief is afgezien, zo behoort ook geen
strafvervolging meer mogelijk te zijn als voor hetzelfde feit een
bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel daarvan definitief is afgezien. Indien
echter zonder meer zou worden bepaald dat het recht tot strafvordering
vervalt indien voor het feit een bestuurlijke boete is opgelegd, zou het
openbaar ministerie geen enkele mogelijkheid hebben om een zaak te
heropenen, ook niet als uit nieuwe informatie blijkt dat zij bij nader inzien
te ernstig is om bestuurlijk te worden afgedaan. Daarom is gekozen voor de
variant dat aan het opleggen van een bestuurlijke boete dezelfde
rechtsgevolgen worden verbonden als aan een kennisgeving van niet verdere
vervolging door het OM zelf. Dit betekent dat het OM een beperkte
mogelijkheid heeft om de zaak te heropenen, namelijk als tegen de verdachte
nieuwe bezwaren in de zin van artikel 255 Sv
bekend worden, alsmede in
de toekomst als het gerechtshof naar aanleiding van een klacht
op grond
van artikel 12 Sv
vervolging beveelt. Het spreekt vanzelf dat de
strafrechter in dergelijke gevallen bij de straftoemeting rekening zal houden met
de reeds opgelegde bestuurlijke boete. Op de gelijkstelling met
de kennisgeving van niet verdere vervolging is een uitzondering gemaakt
voor artikel 245a Sv, dat betekening van de kennisgeving eist. Die
eis voert voor het bestuursrecht te ver.
rblz.|155|
VI. Attributie
1. Algemeen
Attributie is het bij
wettelijk voorschift in het leven roepen en toedelen van een publiekrechtelijke
bevoegdheid. Attributie kan betrekking hebben op bevoegdheden tot
regelgeving en bestuur, maar ook op de bevoegdheid tot feitelijk handelen.
Attributie onderscheidt
zich van delegatie doordat bij attributie door de wetgever een nog niet
bestaande bevoegdheid in het leven wordt geroepen en toegedeeld,
terwijl bij delegatie door een bestuursorgaan een reeds bestaande
bevoegdheid wordt overgedragen. Beide, attributie en delegatie,
onderscheiden zich van mandaat doordat in het laatste geval geen bevoegdheid
wordt toegedeeld of overgedragen, maar een bevoegdheid wordt
uitgeoefend in naam van het bestuursorgaan dat deze bevoegdheid juridisch
bezit. Bij attributie en delegatie wordt - anders dan bij mandaat - de
toegedeelde respectievelijk overgedragen bevoegdheid op eigen naam uitgeoefend.
De Algemene wet
bestuursrecht kent wel bepalingen over mandaat en delegatie, maar nog niet
over attributie. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel voor de
derde tranche, waarin de regeling van mandaat en delegatie was opgenomen,
werd vanuit de Tweede Kamer gewezen op de wenselijkheid een regeling met betrekking tot attributie van bestuursbevoegdheden
aan ondergeschikten in
titel 10.1 op te nemen. Dit mede in verband met het verbod
van delegatie aan ondergeschikten van artikel 10:14 (Kamerstukken II
1994-1995, 23 700, nr. 4, blz. 37-38). In reactie daarop heeft de regering
aangegeven dat er weliswaar op het eerste gezicht alle aanleiding is met name
het vraagstuk van attributie aan ondergeschikten te regelen, maar dat er
in het belang van de voortgang van de derde tranche van werd afgezien
bij die gelegenheid voorstellen voor een dergelijke regeling te doen
(Kamerstukken II 1994-1995, 23 700, nr. 5, blz. 83-84). Zoals hieronder meer
uitgebreid zal worden aangegeven, moet de conclusie thans luiden
dat een regeling van attributie, meer in het bijzonder van attributie
aan een persoon of college werkzaam onder verantwoordelijkheid van
een bestuursorgaan, mogelijk en wenselijk is.
De
regeling heeft een
beperkte strekking. Anders dan bij mandaat of delegatie bestaat er geen
aanleiding voor bepalingen over grondslag voor en anderszins mogelijkheden
tot het attribueren van bevoegdheden. Zij heeft uitsluitend betrekking
op attributie aan personen of colleges die onder verantwoordelijkheid van
een bestuursorgaan werkzaam zijn, omdat op dat punt sprake is van
een knelpunt dat door de wetgever in de Algemene wet bestuursrecht kan en
moet worden opgelost. Voor een meer algemene regeling over de toedeling van bestuursbevoegdheden ontbreekt de
noodzaak.
Voor de duidelijkheid
wordt opgemerkt dat de regeling onverlet laat dat attributie kan geschieden
aan een instelling of organisatie zoals bijvoorbeeld het geval is bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank.
2. Attributie aan een
persoon of college werkzaam onder verantwoordelijkheid
van
een bestuursorgaan
In de regel heeft een
persoon of college werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een
bestuursorgaan
geen eigen bestuursbevoegdheden. Indien een persoon of college werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een
bestuursorgaan
bevoegdheden uitoefent, gebeurt dit doorgaans op grond van mandaat,
waarbij de bevoegdheid en de verantwoordelijkheid bij het bestuursorgaan
blijven berusten. Mandaat is in het algemeen rblz.|156|
de meest geschikte vorm
van spreiding van bevoegdheid binnen hiërarchische organisaties.
De wetgever heeft er
niettemin in diverse gevallen voor gekozen om bevoegdheden te spreiden
door middel van attributie aan ondergeschikten, bijvoorbeeld om wettelijk
te garanderen dat de uitoefening van een bevoegdheid
geografisch wordt gespreid, dat een speciaal daarvoor opgerichte of anderszins
geschikte dienst met de uitoefening wordt belast, dan wel dat degene die de
betrokken bevoegdheid uitoefent aan bijzondere wettelijke eisen van
bekwaamheid (opleiding, ervaring) voldoet. Deze spreiding is bij mandaat
niet gegarandeerd, omdat het daar in beginsel aan de top van de
bestuurlijke organisatie wordt overgelaten door wie de bevoegdheid wordt
uitgeoefend.
De vraag of attributie
aan ondergeschikten in een concreet geval is toegelaten, leent zich niet voor
beantwoording in een algemene regeling als de Awb. De grondslag van de
attributie zal - evenals in alle andere gevallen waarin bevoegdheden
worden geattribueerd - moeten worden gevonden in de toepasselijke
bijzondere regeling.
Een bekend voorbeeld van
attributie van bestuursbevoegdheden aan ondergeschikten is de
toekenning van deze bevoegdheden aan ambtenaren van gedeconcentreerde
rijksdiensten, zoals in artikel 11 Algemene
wet inzake rijksbelastingen, dat aan de inspecteur de bevoegdheid tot het vaststellen van
belastingaanslagen toekent, en artikel 27 juncto artikel 29, tweede lid,
Wet op de
Ruimtelijke Ordening, waarin aan de inspecteurs van de ruimtelijke
ordening de bevoegdheid is verleend om bedenkingen tegen een bestemmingsplan
in te brengen. Een ander voorbeeld betreft de aanwijzing van
toezichthouders bij wettelijk voorschrift, waarop de artikelen 5:11
e.v.
Awb
zien (bijvoorbeeld de Algemene Inspectiedienst, de belastingdienst/FIOD-ECD
en de Onderwijsinspectie).
Naast deze, in de
discussie regelmatig terugkerende, gevallen kunnen bijvoorbeeld ook de
hoofden van diplomatieke of consulaire posten genoemd worden. Op grond
van artikel 26, derde lid, respectievelijk artikel 40, zesde lid, Paspoortwet
zijn de bevoegdheden tot het in ontvangst nemen van aanvragen voor
en het verstrekken van reisdocumenten in het buitenland aan hen
geattribueerd.
Als voorbeeld van
attributie van de bevoegdheid tot feitelijk handelen aan personen en
colleges
werkzaam onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan kan onder
andere worden gewezen op de bevoegdheid om geweld te gebruiken,
toegedeeld aan politieambtenaren (artikel 8, eerste lid, Politiewet). Een ander voorbeeld is de attributie aan Rijkswaterstaat
van de uitoefening van
onder meer het oppertoezicht over de waterstaat, aanleg, beheer en
onderhoud van werken en het verzamelen van gegevens over de
waterstaatkundige toestand van het land (artikel 2 Organiek Besluit Rijkswaterstaat).
3.
Politieke verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan
Politieke
verantwoordelijkheid voor de uitoefening van een bepaalde bevoegdheid bestaat
voor zover het orgaan dat verantwoordingsplichtig is de uitoefening van
die bevoegdheid rechtens kan beïnvloeden. Zie hieromtrent de conclusies
van het rapport Steekhoudend ministerschap van de Eerste externe
commissie ministeriële verantwoordelijkheid (commissie-Scheltema) die
door parlement en regering zijn overgenomen (Steekhoudend
ministerschap. Betekenis en toepassing van de ministeriële verantwoordelijkheid,
Kamerstukken II 1992-1993, 21 427, nr. 41, blz. 24; motie-Jurgens c.s.,
Kamerstukken II 1993-1994, 21 427, nr. 69).
In het voorgaande is erop gewezen dat degene aan wie een bevoegdheid is geattribueerd deze bevoegdheid
op eigen naam uitoefent. De vraag rijst (vgl. artikel 10:1, 10:2
en 10:13) of zij ook wordt uitgeoefend onder verantwoordelijkheid van degene aan wie zij is
geattribueerd indien deze laatste rblz.|157|
ondergeschikt is aan een
(ander) bestuursorgaan. Heeft de attributie zodanige gevolgen voor de
juridische zeggenschap van het bovengeschikte bestuursorgaan over de
betrokken bevoegdheid dat zijn externe verantwoordelijkheid daarmee wordt verminderd?
Anders gezegd, doorbreekt attributie de ondergeschiktheidsrelatie, hetgeen van de (voormalig) ondergeschikte
een zelfstandig
bestuursorgaan zou maken? Of doet de attributie geen afbreuk aan
bestaande ondergeschiktheidsrelaties en blijft de (politieke) verantwoordelijkheid van het hiërarchisch bovengeschikte
bestuursorgaan volledig
in stand?
Voorop moet worden gesteld
dat de formele wetgever de gevolgen van attributie aan
ondergeschikten kan regelen. Hij kan derhalve expliciet bepalen of anderszins
laten blijken dat de ondergeschiktheid gehandhaafd blijft, ook voor de
uitoefening van de geattribueerde bevoegdheid (zoals bijvoorbeeld is gebeurd
in de Mededingingswet ten aanzien van de directeur-generaal van de
Nederlandse Mededingingsautoriteit), maar in theorie kan hij ook het
tegendeel bepalen.
De wetgever laat echter
bij attributie van bevoegdheden aan een ambtenaar dikwijls na om dit punt
uitdrukkelijk te regelen. Het gevolg daarvan is dat daardoor onzekerheid
zou kunnen ontstaan of hij met die attributie het gewone staatsrechtelijke
patroon heeft willen doorbreken, dan wel een dergelijke afwijking niet
heeft gewenst. Dit leidt regelmatig tot problemen. Met name de implicaties
van bevoegdheidstoedelingen aan inspecteurs der belastingen en
ambtenaren van het openbaar ministerie hebben tot politieke en
wetenschappelijke discussie geleid. In 1985 hield de Tweede Kamer een hoorzitting
naar aanleiding van een beslissing van de Staatssecretaris van
Financiën waarbij
deze inzake een bepaalde belastingaanslag een aanwijzing aan de
inspecteur had gegeven. De juridische verhouding tussen de Minister van
Justitie en het openbaar ministerie ter zake van de opsporing en vervolging
van strafbare feiten, overigens door artikel 1:6 van de werking van de Awb
uitgezonderd, is ook bij diverse gelegenheden voorwerp van debat
geweest. Deze verhouding werd beheerst door artikel 5 (oud) van de Wet
op de rechterlijke organisatie en is bij de wijziging van de Wet
op de rechterlijke organisatie in het kader van de reorganisatie van het openbaar ministerie
weer bevestigd in artikel 127 van de gewijzigde Wet
op de rechterlijke organisatie.
Het enerzijds bestaan van
een zelfstandige, geattribueerde bevoegdheid bij een ambtenaar en
anderzijds de ondergeschiktheidsrelatie waarin deze ambtenaar verkeert, maakt
het - mede gezien de hierboven geschetste politieke
verantwoordelijkheid - noodzakelijk om de gevolgen van de attributie te regelen
voor de verhouding tussen het bestuursorgaan en de persoon of het
college
dat onder diens verantwoordelijkheid werkzaam is. Indien een bevoegdheid
aan zo’n persoon of college is geattribueerd, kan het bestuursorgaan deze
bevoegdheid uiteraard niet zelf uitoefenen. De wetgever heeft de bevoegdheid immers niet aan het bestuursorgaan, maar
aan een ander toegedeeld.
Bovendien wordt de betrokkene voor de uitoefening van de toegedeelde
bevoegdheden zelf bestuursorgaan.
4. Doel van deze regeling
De strekking van de
voorgestelde afdeling is om buiten twijfel te stellen dat bij attributie van
een bevoegdheid aan een persoon of college werkzaam onder de
verantwoordelijkheid van een ander bestuursorgaan het gewone staatsrechtelijke
patroon niet wordt doorbroken. Het feit dat de onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame betrokkene
naar buiten toe de
bevoegdheid op eigen naam uitoefent, laat de bestaande relatie tot het
bovengeschikte bestuursorgaan onverlet. De bevoegdheid van de
minister, het college van burgemeester en wethouders of een ander
verantwoordelijk orgaan om per geval of in het algemeen instructies te geven,
blijft derhalve ook voor de toegedeelde bevoegdheid bestaan.
rblz.|158|
Deze keuze sluit aan bij
de heersende opvatting in de bestuursrechtelijke literatuur. De Commissie
inzake algemene bepalingen van administratief recht heeft in de in 1984
uitgebrachte vijfde druk van het Rapport Algemene bepalingen van
administratief recht (Abar) het standpunt ingenomen dat de keuze voor attributie van bepaalde bestuursbevoegdheden
aan een ambtenaar (in
plaats van mandaat) in beginsel slechts impliceert dat de betrokken
ambtenaar bij het nemen van zijn beslissingen op eigen naam kan optreden. Het
zou, aldus de Commissie, te ver gaan uit die keuze af te leiden dat
voor die ambtenaar het gezag van het bestuursorgaan waaraan hij ondergeschikt
is niet meer geldt en dat hij niet meer gebonden is aan
instructies van dat bestuursorgaan. De Commissie concludeert: "Indien bij
wettelijk voorschrift aan een ambtenaar de bevoegdheid is toegekend
een bepaalde beschikking te geven, volgt daaruit niet dat het bestuursorgaan waaraan hij ondergeschikt
is hem ter zake van de
uitoefening van die bevoegdheid geen (algemene of bijzondere) instructies zou kunnen
geven" (Rapport Abar, vijfde druk, Alphen aan den Rijn 1984 blz.
17. Vgl. ook P.J. Oud, Het constitutioneel recht van het Koninkrijk der
Nederlanden, deel II, tweede druk, Zwolle 1970, blz. 430).
Deze opvatting
- voorheen nog wel aangevochten (met name door F.A.M. Stroink, Het leerstuk der
deconcentratie, diss. Utrecht 1978, blz. 154-155, alsmede door P. de Haan
en H.J. de Ru in hun adviezen aan de Federatie van verenigingen van
inspecteurs en adjunct-inspecteurs van ’s Rijks belastingen, Delft/Amsterdam 1985)
- wordt thans vrij algemeen onderschreven
(zie o.a. H.G. Lubberdink,
De betekenis van de ministeriële verantwoordelijkheid voor
de organisatie van het openbaar bestuur, diss. RUG 1982, blz. 43-78;
idem, Moet attributie in de
Awb
worden geregeld?, in: M. Herweijer, K.F. Schuiling, H.B. Winter (red.), In wederkerigheid
(Scheltema-bundel),
Deventer 1997, blz. 337-345; H.G. Warmelink, Ministeriële verantwoordelijkheid voor
ambtelijk handelen, in: D.J. Elzinga (red.), Ministeriële
verantwoordelijkheid in Nederland, Zwolle 1994, blz. 103-115 en H.G.
Warmelink, Het gezag van de minister staat voorop; dat spreekt vanzelf! NJB 1998,
blz. 1343; D.J. Elzinga, Een volle ministeriële verantwoordelijkheid voor
het openbaar ministerie, NJB 1994, blz. 529-537; Van der Pot-Donner, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, veertiende druk, bewerkt
door L. Prakke, J.L. de Reede en G.J.M. van Wissen. Zwolle 2001 blz. 522-523; P. de Haan,
Th.G. Drupsteen en R. Fernhout, Bestuursrecht in de
sociale rechtsstaat, deel 1, vijfde druk, Deventer 2001 blz. 245-246; P.
Nicolaï e.a., Bestuursrecht, zesde druk, Amsterdam 1997 blz. 104; H.D. van
Wijk, Hoofdstukken van bestuursrecht, twaalfde druk, bewerkt door W.
Konijnenbelt en R.M. van Male, Den Haag 2002, blz. 110; M.M. den
Boer, Zelfstandige bestuursorganen uit de zelfkant van de democratie?
Preadvies VAR 1997, VAR-geschrift nr. 118,
Alphen aan den Rijn 1997,
blz. 143). Zij wordt ook in de jurisprudentie gevolgd: zie met name HR
28 oktober 1980, NJ 1981, 172 (Krijgstuchtondermijnend affiche). Zij vormt de
centrale achterliggende gedachte van de voorgestelde afdeling
10.1.3. Hetgeen daarin wordt geregeld, heeft geen ruimere strekking
dan implementatie van deze visie, te weten bepalingen over de
instructiebevoegdheid en de inlichtingenplicht.
5. De
instructiebevoegdheid
In de hier voorgestelde
regeling wordt vastgelegd dat de ondergeschiktheidsrelatie door de attributie aan
de
ondergeschikte niet wordt doorbroken. Dit geschiedt door de
bevoegdheid tot het geven van instructies ondubbelzinnig vast te
leggen in de Awb. Het gaat daarbij zowel om algemene instructies als om instructies voor een enkel geval. Het bestuursorgaan
heeft daarmee alle
mogelijkheden tot sturing inzake de uitoefening van een geattribueerde
bevoegdheid door een persoon of college onder rblz.|159|
zijn verantwoordelijkheid
werkzaam. De sturingsmogelijkheden bestaan zowel ten aanzien van het
beleid (zoals door middel van interne instructies van algemene aard of
beleidsregels) als met betrekking tot individuele gevallen (door middel van
instructies in concrete situaties). Hierdoor is het bestuursorgaan onder
wiens verantwoordelijkheid de bevoegdheid wordt uitgeoefend tevens in
staat de rechtseenheid en de rechtsgelijkheid te bewaken.
Zoals gezegd, kunnen - evenals dat bij mandaat het geval is
- de instructies, indien zij algemeen van
aard zijn, worden neergelegd in beleidsregels (artikel
4:81, eerste lid, Awb). Op de vraag wanneer dat wenselijk is, alsmede voor de
vraag wanneer
precies van een beleidsregel in de zin van de Awb kan worden gesproken, is
reeds uitgebreid ingegaan tijdens de parlementaire behandeling van de Derde
tranche Algemene wet bestuursrecht.
6. Inlichtingenplicht
Een ambtenaar is
op grond
van zijn ondergeschiktheidsrelatie tot het bestuursorgaan onder
wiens verantwoordelijkheid hij werkt ipso facto verplicht aan dit
bestuursorgaan op diens verzoek de gevraagde inlichtingen te verstrekken. Evenals
dat bij de instructiebevoegdheid het geval is, achten wij het gewenst de inlichtingenplicht in het kader van de regeling inzake attributie
uitdrukkelijk in deze afdeling vast te leggen.
In ons staatsbestel geldt
als richtsnoer dat de algemeen vertegenwoordigende organen, om hun wetgevende en controlerende taak te kunnen
waarmaken, moeten kunnen
beschikken over in beginsel alle informatie betreffende het handelen
van personen en colleges binnen het (relevante deel van het) openbaar
bestuur. Zij verkrijgen deze informatie in het algemeen via de inlichtingenplicht
van de politiek verantwoordelijke organen. Deze laatsten moeten dan
ook op hun beurt kunnen beschikken over de relevante informatie.
Deze gedachte ligt ten grondslag aan de inlichtingenplicht zoals
die voortvloeit uit de ambtelijke rechtspositie, de inlichtingenplicht van
artikel 10:6, tweede lid, Awb
(mandaat) en 10:16, tweede lid,
Awb (delegatie) en het voorschrift van aanwijzing
124t van de Aanwijzingen voor de
regelgeving, ingevolge welke in de instellingswet van een zelfstandig
bestuursorgaan moet worden bepaald dat het orgaan desgevraagd de minister
de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen verstrekt.
De inlichtingenplicht is tevens een noodzakelijke voorwaarde voor een
adequate uitoefening van de instructiebevoegdheid jegens de ondergeschikte.
Het is daarom van belang
dat de wetgever ondubbelzinnig uitspreekt dat de inlichtingenplicht ook
bij attributie aan ondergeschikten niet wordt doorbroken. De
onderhavige afdeling voorziet daarin. Daarmee wordt onderstreept dat de
betrokkene - ook op het terrein waarop hij met openbaar gezag is bekleed
- zich
niet kan onttrekken aan de relatie waarin hij staat tot het
bestuursorgaan onder wiens verantwoordelijkheid hij werkzaam is.
Eerder werd al gewezen op de inlichtingenplicht van artikel 10:6 en
10:16 Awb. Een aanvullend
argument voor opneming van een bepaling over de inlichtingenplicht in
afdeling 10.1.3 is dat op die manier een ongewenste a-contrarioredenering
wordt voorkomen.
7. Overige juridische
aspecten van attributie aan ondergeschikten
Het feit dat aan een
ondergeschikt persoon of college bevoegdheden zijn geattribueerd, betekent
voor sommige juridische aspecten van de bevoegdheidsuitoefening
een verandering, terwijl wat betreft andere aspecten de situatie in
juridische zin gelijk blijft.
Zo brengt het feit dat de
betrokkene binnen de kring van zijn toegedeelde bevoegdheid zelf als bestuursorgaan optreedt, ingevolge het stelsel van
rblz.|160|
de Awb mee dat hij
eveneens bevoegd - en verplicht - is om in het kader van deze wet als zodanig
op te treden, met de bijbehorende (procesrechtelijke) bevoegdheden en
verplichtingen. Met name is hij, en niet het hiërarchisch
bovengeschikte bestuursorgaan, procespartij in bezwaar en in beroep bij de
bestuursrechter.
Ook is het ondergeschikte
bestuursorgaan bevoegd beleidsregels vast te stellen over de hem
toekomende bevoegdheid (artikel 4:81, eerste lid). Zoals eerder werd opgemerkt,
kan op basis van datzelfde wetsartikel ook het bestuursorgaan onder
wiens verantwoordelijkheid de betrokkene werkzaam is over de
geattribueerde bevoegdheid beleidsregels vaststellen. Degene aan wie de
bevoegdheid is geattribueerd, dient bij het vaststellen van zijn eigen
beleidsregels de bijzondere of algemene instructies (eventueel beleidsregels)
van het
hiërarchisch hogere bestuursorgaan in acht te nemen.
Is dus het ondergeschikte
bestuursorgaan toerekenpunt in bestuursrechtelijke rechtsgeschillen, in
ander verband is het soms zo dat zijn gedragingen worden
toegerekend aan het bestuursorgaan dat hiërarchisch aan de top van de
organisatie staat? Belangrijkste voorbeeld hiervan is het feit dat
niet de ondergeschikte, maar het hogere bestuursorgaan verantwoordings- en
inlichtingenplichtig is jegens het algemeen vertegenwoordigend orgaan op
het betrokken bestuursniveau. Omdat het politiek
verantwoordelijke bestuursorgaan aanspreekbaar is voor alle gedragingen van de
personen en colleges die onder zijn verantwoordelijkheid werken, berust de
bevoegdheid tot het beslissen over informatieverzoeken op basis van de Wet
openbaarheid van bestuur en het optreden in het kader van onderzoeken
van de Nationale ombudsman bij dit bestuursorgaan.
Ditzelfde geldt voor de
interne klachtvoorziening. Ingevolge artikel
9:1, tweede lid, wordt een
gedraging van een persoon werkzaam onder de verantwoordelijkheid van
een bestuursorgaan aangemerkt als een gedraging van dat bestuursorgaan.
Artikel 9:2 draagt daarom aan dat bestuursorgaan de zorg voor een behoorlijke behandeling van klachten ook
op bij
klachten over gedragingen
van bestuursorganen die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Dit staat
er overigens niet aan in de weg dat het hiërarchisch hogere bestuursorgaan de behandeling van klachten
vervolgens weer
mandateert aan het ondergeschikte bestuursorgaan. Hiermee wordt aangesloten
bij de thans bestaande bestuurspraktijk.
In civiele
rechtsgeschillen treedt niet het ondergeschikte bestuursorgaan op, maar de
vertegenwoordiger in rechte van de rechtspersoon waarvan het ondergeschikte
bestuursorgaan deel uitmaakt. De positie van de ontvanger in het
belastingrecht vormt hierop een uitzondering.
De VAR-werkgroep Vierde tranche Awb heeft terecht opgemerkt dat de ondergeschikte ambtenaar
bij attributie ook een aantal accessoire bevoegdheden krijgt. Dit
betekent echter niet dat zijn positie daardoor zelfstandiger wordt. Het
ondergeschikte bestuursorgaan krijgt zelfstandige bevoegdheden, doch het
wordt niet zelfstandig in die zin dat de hiërarchische relatie met het
verantwoordelijke bestuursorgaan wordt doorbroken. In artikel 10:17 is
bepaald dat het bestuursorgaan de gedelegeerde bevoegdheid niet meer zelf kan uitoefenen. Bij attributie kan het verantwoordelijke
bestuursorgaan de
bevoegdheid evenmin zelf uitoefenen, omdat hij deze niet bezit
en nooit heeft bezeten. Er is van afgezien in afdeling 10.1.3 een met artikel
10:17 vergelijkbare bepaling op te nemen. Het risico dat de delegans de
overgedragen bevoegdheid zelf gaat uitoefenen, is niet denkbeeldig,
omdat hij de bevoegdheid ooit zelf bezat. Dit ligt anders bij attributie,
omdat daar de bevoegdheid immers bij wettelijk voorschrift rechtstreeks
aan de ondergeschikte wordt toegedeeld.
rblz.|161|
8. Plaats van de regeling
De bepalingen over
attributie zijn geplaatst na die over mandaat en delegatie. Hoewel dogmatisch gezien
attributie voorafgaat aan mandaat en delegatie en dus een
eerdere plaats in de Awb op zichzelf fraaier zou zijn, is hiervan afgezien.
Plaatsing aan het begin van hoofdstuk 10 zou immers tot gevolg hebben dat
de
bepalingen over mandaat en delegatie, waar in de rechtspraktijk al
enige tijd mee wordt gewerkt, zouden moeten worden vernummerd, dan wel dat
de bepalingen over attributie zelf weinig aantrekkelijk nummers
zouden krijgen (10:0 en 10:0a). Daarenboven is de strekking van bepalingen
over attributie aanzienlijk beperkter dan de strekking van de bepalingen over
mandaat en delegatie.
9. Schakelbepaling
delegatie
Anders dan afdeling
10.1.1 (mandaat) en de voorgestelde afdeling 10.1.3 (attributie) voorziet
afdeling 10.1.2 (delegatie) niet in een schakelbepaling naar andere handelingen
dan het nemen van besluiten. In een aantal - met name organieke - wetten is voorzien in overdracht van bevoegdheden in ruime zin, waaronder
niet alleen de bevoegdheid tot het nemen van besluiten, maar ook
tot het nemen van beslissingen tot het verrichten van rechtshandelingen en
feitelijke handelingen moet worden begrepen. Het is niet ondenkbaar
dat zich in de praktijk problemen voordoen doordat discussie mogelijk is
over vragen als het mogen stellen van beleidsregels (artikel
10:16, eerste
lid), privatieve werking (artikel 10:17), intrekkingsbevoegdheid
(artikel 10:18
Awb), etc.
Het is uit een oogpunt van rechtszekerheid en consistentie dan ook
goed als afdeling 10.1.2 voorziet in een
schakelbepaling die deze
afdeling van overeenkomstige toepassing verklaart op overdracht
van de bevoegdheid tot het verrichten van andere handelingen dan besluiten. Een dergelijke schakelbepaling is aanbevolen
in het in het kader van
de tweede evaluatie van de Awb
verrichte evaluatieonderzoek naar
de bepalingen over mandaat en delegatie (L.J.J. Rogier, S.E. Zijlstra
e.a., Algemeen bestuursrecht 2001: mandaat en delegatie).
Artikelsgewijs
Artikel 10:21
Dit artikel bevat de
schakelbepaling die de bepalingen inzake delegatie van overeenkomstige
toepassing verklaart op de overdracht van een bevoegdheid tot het
verrichten van andere handelingen dan besluiten. Verwezen zij naar
paragraaf 9 van het algemeen deel van dit hoofdstuk van deze toelichting.
Artikel 10:19 is slechts
van overeenkomstige toepassing verklaard, voor zover de aard van de handeling
zich daartegen niet verzet. Artikel 10:19 schrijft voor dat bij een
krachtens delegatie genomen besluit het delegatiebesluit en de
vindplaats daarvan worden vermeld. Bij andere handelingen dan besluiten
zal dit niet altijd praktisch mogelijk zijn.
Afdeling 10.1.3.
[Attributie, red.]
Artikel 10.1.3.1
[10:22]
Eerste lid
Anders dan bij de
regeling over mandaat en delegatie is afgezien van een definitie van het
begrip attributie. Voor het doel van deze afdeling - regeling van de bevoegdheden van
een bestuursorgaan ten opzichte van een onder diens
verantwoordelijkheid werkzame persoon of college met rblz.|162|
geattribueerde bevoegdheden toegerust
- is een definitiebepaling niet
nodig. Anders dan bij
mandaat en delegatie pleegt de bijzondere wetgever het woord
attributie niet te gebruiken, waarmee een bepaling met het oogmerk het
begrip attributie een voor de wetgeving meer algemeen
geldende inhoud en
strekking te geven betekenis mist.
Volstaan kan daarom
worden met een materiële omschrijving. Het kernelement van de rechtsfiguur
attributie, namelijk dat het gaat om de toedeling door de
wetgever van een nieuwe bevoegdheid en niet om het opdragen of overdragen
van een reeds bestaande bevoegdheid, wordt tot uitdrukking gebracht door
te spreken van een bevoegdheid die bij wettelijk voorschrift is
toegedeeld. Daarmee is ook het onderscheid met mandaat en delegatie
duidelijk.
De uitdrukking "bevoegdheid tot het nemen van
besluiten" is in deze afdeling op dezelfde wijze
toegepast als in de afdelingen 10.1.1 en
10.1.2. Zij omvat derhalve
dezelfde bestuursbevoegdheden (vergelijk artikel 10:1 en
10:13 met betrekking
tot respectievelijk mandaat en delegatie).
De uitdrukking persoon of college "werkzaam onder verantwoordelijkheid van een
bestuursorgaan"
heeft dezelfde betekenis als in artikel 10:4, eerste lid. Wellicht ten
overvloede zij hier opgemerkt dat het daarbij per definitie nooit kan gaan
om zelfstandige bestuursorganen. "Zelfstandig" en "werkzaam onder verantwoordelijkheid
van" sluiten elkaar uit. Ook zij
er nog opgewezen dat "verantwoordelijkheid" niet altijd ook politieke verantwoordelijkheid
betekent. Het is in theorie denkbaar dat een bevoegdheid wordt geattribueerd aan een ondergeschikte van een zelfstandig
bestuursorgaan. In dat
geval gaat het ook om "werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid" in de zin van de onderhavige bepalingen, hoewel van
politieke
verantwoordelijkheid van het zelfstandig bestuursorgaan aan een algemeen
vertegenwoordigend orgaan (eveneens per definitie) geen sprake
is.
De uitdrukking "persoon
of college" sluit aan bij de definitie van het begrip
bestuursorgaan in
artikel 1:1, eerste lid, onderdeel b,
Awb. De persoon of het college
wordt immers zelf bestuursorgaan voor zover het de uitoefening van de aan
hem geattribueerde bevoegdheid betreft. Nochtans is het gebruik van de
term "bestuursorgaan" als aanduiding vermeden. In de eerste
plaats zou gebruik van deze term, wetstechnisch gezien, verwarring kunnen
opleveren. In de tweede plaats wordt de persoon of het college
juist bestuursorgaan door de attributie van de bevoegdheid - als het
dit niet al was - zodat veelal niet kan worden gezegd dat de bevoegdheid
wordt verleend aan een bestuursorgaan (vgl. ook artikel
10:13).
Het bestuursorgaan onder
wiens verantwoordelijkheid wordt gewerkt, heeft de bevoegdheid, per
geval of in het algemeen, instructies aan de persoon of het college te
geven. Door de woorden "per geval" is de bevoegdheid vastgelegd
tot het geven van bijzondere instructies. Bij instructies "in het
algemeen" gaat het om interne instructies van algemene aard of beleidsregels
(vgl.
artikel 10:6, eerste lid). Waar in bijzondere wetten bepalingen van
dezelfde strekking zijn opgenomen, kunnen deze in de aanpassingswetgeving
bij de vierde tranche
worden geschrapt.
Dit geldt niet voor
wettelijke regelingen waarin de instructiebevoegdheid procedureel is
geclausuleerd. Daarvan is bijvoorbeeld sprake in artikel 4 van de Mededingingswet,
waarin is bepaald dat de minister zijn algemene aanwijzingen aan de
directeur-generaal moet neerleggen in beleidsregels (te publiceren in de
Staatscourant), dat een bijzondere aanwijzing schriftelijk moet worden gegeven,
alsmede dat zo’n aanwijzing in het desbetreffende dossier wordt gevoegd.
Dergelijke clausuleringen, waarin alleen de bijzondere wetgever kan
voorzien, worden door het voorgestelde artikel
10.1.3.1 [10:22], eerste lid,
ongemoeid gelaten.
rblz.|163|
Tweede lid
De inlichtingenplicht is
opgenomen op grond van de in het algemene deel van dit hoofdstuk van
deze toelichting gegeven redenen. Op verzoek van het bestuursorgaan onder
wiens verantwoordelijkheid de betrokkene werkzaam is, moeten aan
dat bestuursorgaan inlichtingen worden verschaft over de uitoefening van de geattribueerde bevoegdheid. Door
de inlichtingenplicht
wordt onderstreept dat de bestaande - hiërarchische -
relatie tussen het
bestuursorgaan en degene die onder diens verantwoordelijkheid werkt gehandhaafd
blijft, ook indien laatstgenoemde geattribueerde
bevoegdheden uitoefent. Bovendien wordt door de inlichtingenplicht
verzekerd dat het bestuursorgaan onder wiens verantwoordelijkheid de betrokkene
werkt in
staat is om de plichten die uit zijn politieke verantwoordelijkheid
voortvloeien te kunnen nakomen.
Dat artikel
10.1.3.1 [10:22],
tweede lid, evenals artikel 10:6, tweede lid, dat doet, spreekt van het geven van
inlichtingen aan het verantwoordelijke bestuursorgaan "op diens
verzoek", laat onverlet de staatsrechtelijke en ambtenaarrechtelijke
plicht van ambtenaren om ook actief, dat wil zeggen zonder dat daaraan een
verzoek ten grondslag ligt, het verantwoordelijke orgaan die gegevens te
verschaffen die dat orgaan nodig heeft om zijn verantwoordelijkheid
jegens het algemeen vertegenwoordigend orgaan waar te kunnen maken. Wij
verwijzen naar de nota van toelichting bij het Koninklijk besluit
houdende regeling van de functie en verantwoordelijkheid van de
secretaris-generaal (Besluit van 18 oktober 1988, Stb. 1988, 499). Voor de
inlichtingenplicht zijn nog van bijzonder belang de eventuele algemene of bijzondere,
wettelijke of ongeschreven geheimhoudingsplichten waaraan de persoon die of
het college dat de geattribueerde bevoegdheid uitoefent, in
bepaalde gevallen gebonden kan zijn.
De algemene
geheimhoudingsplicht van artikel 2:5
Awb
voorziet in een uitzondering, namelijk voor zover enig wettelijk voorschrift de betrokkene tot mededeling verplicht
of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit. Bij de hier voorgestelde
inlichtingenplicht op verzoek speelt deze uitzondering, evenals bij
de eerder bedoelde actieve informatieplicht, een belangrijke rol.
Naast deze algemene
geheimhoudingsplicht zijn in verschillende wetten en andere regelingen
bijzondere geheimhoudingsverplichtingen opgenomen voor gevallen waarin van
een gevoelige materie sprake is. Zo stelt artikel 67 van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen dat het een ieder verboden is hetgeen hem
in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet, of in
verband daarmede, nopens de persoon of de zaken van een ander blijkt of
medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de heffing of de
invordering van enige
rijksbelasting. Hiermee wordt de geheimhouding van gegevens gewaarborgd,
doch de inlichtingenplicht niet doorbroken. Wel geldt dat bij het
voldoen aan de inlichtingenplicht steeds rekening zal moeten worden gehouden
met de eisen van artikel 67 van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen. Andere voorbeelden zijn hoofdstuk 7 van de
Wet
op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 en de door de raad van een gemeente of
provinciale staten op te leggen geheimhoudingsplicht met betrekking tot het in
een besloten vergadering behandelde, die zich tevens uitstrekt tot
allen - waaronder ook ambtenaren zijn begrepen (zie de memorie van
toelichting bij de herziene Gemeentewet, Kamerstukken II 1985-1986, 19 403, nr.
3, blz. 83-84) - die van het behandelde of van de stukken kennis
dragen (artikel 25 Gemeentewet
en artikel 25 Provinciewet).
Ten slotte zijn er op
specifieke beroepscodes gebaseerde geheimhoudingsverplichtingen, zoals voor artsen
en
geestelijken. Indien personen in deze hoedanigheid onder
verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzaam zijn (bijvoorbeeld
geestelijke verzorgers in de krijgsmacht en in rblz.|164|
penitentiaire inrichtingen, keurings- en bedrijfsartsen in overheidsdienst), dan zijn zij ook gebonden
aan hun professionele geheimhoudingsplicht. In sommige gevallen
waarbij aan een bijzondere geheimhoudingsplicht gebonden personen of
colleges werkzaam onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan
bevoegdheden zijn geattribueerd, kan de vraag rijzen in hoeverre deze geheimhoudingsplicht in de weg staat aan het
naleven van de
inlichtingenplicht jegens dit bestuursorgaan. Deze vraag zal verschillend moeten
worden beantwoord voor de beroepsgeheimhouders en voor degenen die
onderworpen zijn aan een ambtelijke geheimhoudingsplicht.
Een geheimhoudingsplicht
die met een bepaald beroep te maken heeft, staat als zodanig los van
de verantwoordelijkheid van het betrokken bestuursorgaan, terwijl
dit voor de ambtelijke geheimhoudingsverplichtingen niet geldt. Dit zal
betekenen dat de beroepsgeheimhouder niet het belang van de
dienst, maar zijn professionele (ere)code als referentiekader moet gebruiken bij het
beantwoorden van de vraag in hoeverre de
inlichtingenplicht de geheimhoudingsplicht geheel of gedeeltelijk opheft.
Behalve in geval
van evident misbruik zal het bestuursorgaan niet in deze persoonlijke
afweging kunnen treden.
Een ambtelijke
geheimhoudingsplicht heeft te maken met de dienstvervulling als zodanig. Uit de
relatie tussen de ambtenaar en het bestuursorgaan vloeit voort dat de
ambtenaar die inlichtingen moet geven welke nodig zijn in het belang
van de dienst en van een goede werking van het mechanisme van de politieke verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan.
De ambtenaar die aan een
ambtelijke geheimhoudingsplicht is onderworpen, zal daarom
het belang van de dienst als referentiekader moeten hanteren. Als
regel zal dit meebrengen dat de ambtenaar de inlichtingen zal moeten
geven waarom het bestuursorgaan verzoekt.
Artikel 10.1.3.3
[10:23]
Ingevolge dit artikel
zijn de bepalingen van deze afdeling van toepassing indien aan een persoon of
college werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan
bij wettelijk voorschrift andere bevoegdheden zijn toegedeeld dan de
bevoegdheid tot het nemen van besluiten. Dit betekent dat artikel 10.1.3.1
[10:22] tevens van toepassing is op de bevoegdheid
tot het nemen van
beslissingen die geen besluiten zijn, zoals beslissingen tot het verrichten van
feitelijke handelingen. Zo geldt artikel 10.1.3.1
[10:22] voor alle handelingen van bijvoorbeeld de inspecteurs van de
volksgezondheid die zij
in het kader van het toezicht op de naleving van wetten verrichten. Voor
de handelingen die zijn aan te merken als besluiten geldt artikel 10.1.3.1
[10:22] direct, voor de overige handelingen geldt
artikel 10.1.3.1
[10:22] via de
onderhavige schakelbepaling.
rblz.|165|
VII.
Overgangs-
en slotbepalingen
Artikel III
Dit artikel bevat het
overgangsrecht behorende bij de nieuwe titel 4.4 inzake
bestuursrechtelijke geldschulden. Er is voor gekozen de nieuwe regeling eerbiedigende
werking te geven: op geldschulden die vóór de inwerkingtreding van de vierde tranche
bij beschikking zijn vastgesteld, dan wel rechtstreeks uit
een wettelijk voorschrift zijn ontstaan, blijft het oude recht van
toepassing.
Het tweede lid geeft om
praktische redenen een aanvullende voorziening voor subsidies: het oude
recht blijft ook van toepassing op betalingsverplichtingen die weliswaar na
inwerkingtreding van de wet zijn ontstaan, maar
samenhangen met vóór inwerkingtreding verleende subsidies. Dit is met name van
belang als een vóór inwerkingtreding verleende subsidie na
inwerkingtreding wordt vastgesteld. Het tweede lid waarborgt dat in zo’n geval op
het gehele subsidieproces hetzelfde recht van toepassing is.
Artikel IV
Dit artikel bevat het
overgangsrecht behorende bij de regeling inzake bestuurlijke sancties. Er
is voor gekozen de nieuwe regeling slechts van toepassing te doen zijn
op overtredingen die plaatsvinden na de inwerkingtreding van deze wet. Voor de
bestuurlijke boete wordt aldus voorkomen dat gedurende het proces
van toezicht of opsporing - boeteoplegging - [op, red.] bezwaar en beroep een
ander rechtsregime van toepassing wordt. Ook voor
herstelsancties is het praktischer als in een lopend handhavingsproces het
oude recht van toepassing blijft.
Artikel V
Deze bepaling machtigt de
Minister van Justitie om bij de plaatsing van deze wet in het
Staatsblad de noodzakelijke vernummeringen aan te brengen. De in het
voorontwerp opgenomen opdracht tot plaatsing van de volledige tekst van de
Algemene wet bestuursrecht in het Staatsblad is geschrapt. De publicatie
van doorlopende teksten van de Nederlandse wetgeving op het internet
heeft dergelijke tekstplaatsingen inmiddels overbodig gemaakt.
Artikel VI
Deze vierde tranche
zal
in werking treden op een [bij, red.] koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat
onder meer afhankelijk zal zijn van het gereedkomen van de
aanpassingswetgeving. Nu de vierde tranche uit een aantal zelfstandige onderwerpen bestaat, is
de mogelijkheid opengehouden dat, zo daartoe aanleiding mocht
bestaan, de verschillende onderdelen op verschillende tijdstippen
in werking treden.
Artikel VII
Omdat naar
dit
wetsvoorstel naar verwachting veelvuldig zal worden verwezen, is een
citeertitel opgenomen.
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
De Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J.W. Remkes
rblz.|166|
BIJLAGE
1
Overzicht van
wetgeving waarin een dwangbevelprocedure ter invordering van een
geldschuld voorkomt (per 18 juni 2004)
Rijkswet:
Belastingregeling
voor het Koninkrijk.
Wetten:
1. Algemene wet
bestuursrecht.
2.
Arbeidsomstandighedenwet 1998.
3. Coördinatiewet Sociale Verzekering.
4. Elektriciteitswet
1998.
5. Flora- en faunawet.
6. Gaswet.
7. Gezondheids-
en welzijnswet voor dieren.
8. Goedkeuringswet Benelux-Invorderingsverdrag.
9. Herinrichtingswet
Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën.
10. Huursubsidiewet.
11. Infectieziektenwet.
12. Invorderingswet
1990.
13. Landbouwwet.
14. Les- en
cursusgeldwet.
15. Loodsenwet.
16. Luchtvaartwet.
17. Mededingingswet.
18. Mediawet.
19. Meststoffenwet.
20. Mijnwet continentaal plat [zie Mijnbouwwet,
red.].
21. Monumentenwet 1988.
22. Noodwet
voedselvoorziening.
23. Pachtwet.
24. Pensioen-
en spaarfondsenwet.
25. Prijzennoodwet.
26. Tabakswet.
27. Telecommunicatiewet.
28. Uitvoeringswet
Nederlands-Duits Grensverdrag.
29. Warenwet.
30. Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.
31. Wet
bescherming persoonsgegevens.
32. Wet betreffende
verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling [zie Wet
verplichte beroepspensioenregeling, red.].
33. Wet bevordering
eigenwoningbezit.
34. Wet
financiële betrekkingen buitenland 1994.
35. Wet
geneesmiddelenprijzen.
36. Wet
goederenvervoer over de weg.
37. Wet inburgering
nieuwkomers.
38. Wet
inzake de geldtransactiekantoren.
39. Wet luchtvaart.
40. Wet
melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen 1996.
41. Wet
op de Accountants-Administratieconsulenten.
42. Wet
op de bedrijfsorganisatie.
43. Wet
op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.
44. Wet op de jeugdhulpverlening [zie Wet
op de jeugdzorg, red.].
45. Wet
op de kamers van koophandel en fabrieken 1997.
46. Wet
op de Registeraccountants.
47. Wet
op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990.
48. Wet
op het Centraal bureau voor de statistiek.
49. Wet
studiefinanciering 2000.
50. Wet
tarieven in burgerlijke zaken.
rblz.|167|
51. Wet
tarieven in strafzaken.
52. Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
53. Wet
toezicht beleggingsinstellingen.
54. Wet
toezicht effectenverkeer 1995.
55. Wet
toezicht kredietwezen 1992.
56. Wet
toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf.
57. Wet toezicht
trustkantoren.
58. Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993.
59. Wet tot invoering van
een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een
notarieel pensioenfonds.
60. Wet
verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000.
61. Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
62. Wetboek van
Strafvordering.
63. Zuiderzeesteunwet
1925.
rblz.|168|
BIJLAGE
2
Overzicht van
wetgeving waarin een bevoegdheid tot het opleggen van een
bestuurlijke boete voorkomt (per 18 juni 2004)
1. Algemene bijstandswet.
2. Algemene
Kinderbijslagwet.
3. Algemene
nabestaandenwet.
4. Algemene Ouderdomswet.
5. Algemene
wet inzake rijksbelastingen.
6.
Arbeidsomstandighedenwet 1998.
7. Coördinatiewet Sociale Verzekering.
8. Douanewet.
9. Huursubsidiewet.
10. Infectieziektenwet.
11. Mededingingswet.
12. Mediawet.
13. Pensioen-
en spaarfondsenwet.
14. Postwet.
15. Sanctiewet 1977.
16. Spoorwegwet.
17. Tabakswet.
18. Telecommunicatiewet.
19. Toeslagenwet.
20. Warenwet.
21. Werkloosheidswet.
22. Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.
23. Wet arbeid en zorg.
24. Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.
25. Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
26. Wet
belasting zware motorrijtuigen.
27. Wet
bescherming persoonsgegevens.
28. Wet betreffende
verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling [zie Wet
verplichte beroepspensioenregeling, red.].
29. Wet
financiële betrekkingen buitenland 1994.
30. Wet
geneesmiddelenprijzen.
31. Wet inburgering
nieuwkomers.
32. Wet
inkomensvoorziening kunstenaars.
33. Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
34. Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers.
35. Wet
inzake de geldtransactiekantoren.
36. Wet luchtvaart.
37. Wet
melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen 1996.
38. Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten.
39. Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
40. Wet
op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992.
41. Wet
op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen.
42. Wet
op de motorrijtuigenbelasting 1994.
43. Wet
op de omzetbelasting 1968.
44. Wet
op het Centraal bureau voor de statistiek.
45. Wet
particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus.
46. Wet
toezicht beleggingsinstellingen.
47. Wet
toezicht effectenverkeer 1995.
48. Wet
toezicht kredietwezen 1992.
49. Wet
toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf.
50. Wet toezicht
trustkantoren.
51. Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993.
rblz.|169|
52. Wet vermindering
afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.
53. Wet verplichte
deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000.
54. Ziektewet.
rblz.|170|
BIJLAGE
3
Lijst van
instanties die advies hebben uitgebracht over het voorontwerp
- Centraal orgaan tarieven
gezondheidszorg, brief van 16 december
1999, kenmerk HL/mt/A/99/151.
-
College van
procureurs-generaal, advies van 18 januari
2000, kenmerk 2000010501.
-
College van toezicht
sociale verzekeringen, advies van 20 december
1999, kenmerk 1999/5442.
-
College voor zorgverzekeringen, advies van 23 december
1999, kenmerk JA/99060826.
-
Hoge Raad der Nederlanden, advies van 24 december
1999, kenmerk 172/99/SM/RK.
-
Interprovinciaal overleg, advies van 23 december
1999.
-
Landelijk instituut
sociale verzekeringen, advies van 14 december
1999, kenmerk SB/AJZ/36408.
-
Nationale ombudsman, advies van 30 december
1999, kenmerk 19992365.
-
Nederlands Juristen
Comité voor de Mensenrechten, advies van 2002, ook
verschenen in NJCM-bulletin (2002)7, blz. 950.
-
Nederlandse Orde van Advocaten, advies van 21 januari
2000.
-
Nederlandse Vereniging
voor Rechtspraak, advies van 21 januari
2000, kenmerk 7.19.
- Sociaal-Economische Raad, advies van 25 januari
2000, kenmerk 0001574/EvB/vth.
-
Sociale verzekeringsbank, advies van 22 december
1999, kenmerk HD.261/99/PS/wv.
-
Vereniging van
Nederlandse Gemeenten, advies van 4 januari
2000, kenmerk BJZ/1999006697.
-
Vereniging voor
bestuursrecht VAR, advies van 26 januari
2000, ook verschenen als VAR-geschrift, Den Haag 2000.
rblz.|171|
Register
op de artikelen van de Algemene wet bestuursrecht ¹
Artikel 1:1 [1:1]
Artikel 4:52 [4:52]
Artikel 4:54 [4:54]
Artikel 4:55 [4:55]
Artikel 4:57 [4:57]
Artikel
4.4.1.1 [4:85]
Artikel 4.4.1.2 [4:86]
Artikel 4.4.1.3 [4:87]
Artikel 4.4.1.4 [4:88]
Artikel 4.4.1.5 [4:89]
Artikel
4.4.1.6
[4:90]
Artikel 4.4.1.7 [4:91]
Artikel 4.4.1.8 [4:92]
Artikel 4.4.1.9 [4:93]
Artikel 4.4.1.10 [4:94]
Artikel 4.4.1.11 [4:95]
Artikel 4.4.1.12 [4:96]
Artikel
4.4.2.1 [4:97]
Artikel 4.4.2.2 [4:98]
Artikel 4.4.2.3 [4:99]
Artikel 4.4.2.4 [4:100]
Artikel 4.4.2.5 [4:101]
Artikel 4.4.2.6 [4:102]
Artikel 4.4.2.7 [4:103]
Artikel
4.4.3.1 [4:104]
Artikel 4.4.3.2 [4:105]
Artikel 4.4.3.3 [4:106]
Artikel 4.4.3.4 [4:107]
Artikel 4.4.3.5 [4:108]
Artikel 4.4.3.6 [4:109]
Artikel 4.4.3.7 [4:110]
Artikel 4.4.3.8 [4:111]
Artikel
4.4.4.1.1 [4:112]
Artikel 4.4.4.1.2 [4:113]
Artikel 4.4.4.2.1
[4:114]
Artikel 4.4.4.2.2 [4:115]
Artikel 4.4.4.2.3 [4:116]
Artikel 4.4.4.2.4 [4:117]
Artikel 4.4.4.2.5 [4:118]
Artikel 4.4.4.2.6 [4:119]
Artikel 4.4.4.2.7 [4:120]
Artikel 4.4.4.2.8 [4:121]
Artikel 4.4.4.2.9 [4:122]
Artikel 4.4.4.2.10 [4:123]
Artikel 4.4.4.2.11 [4:124]
Artikel
4.4.5.1 [4:125]
Artikel
5.0.1
[5:1]
Artikel 5.0.2 [5:2]
Artikel 5.0.3
[5:3]
Artikel 5.0.4
[5:4]
rblz.|172|
Artikel 5.0.5 [5:5]
Artikel 5.0.6 [5:6]
Artikel 5.0.7 [5:7]
Artikel 5.0.8 [5:8]
Artikel 5.0.9 [5:9]
Artikel 5.0.10 [5:10]
Artikel 5.0.11 [5:10a]
Artikel
5:21 [5:21]
Artikel 5:22 [vervallen]
Artikel 5:23 [5:23]
Artikel 5:24 [5:24]
Artikel 5:25 [5:25]
Artikel 5:26 [vervallen]
Artikel 5:27 [5:27]
Artikel 5:28 [5:28]
Artikel 5:29 [5:29]
Artikel 5:30 [5:30]
Artikel 5:31 [5:31]
Artikel 5:31a [5:31a]
Artikel 5:31b [5:31b]
Artikel 5:31c [5:31c]
Artikel
5:31d [5:31d]
Artikel 5:32 [5:32]
Artikel 5:32a [5:32a]
Artikel 5:32b [5:32b]
Artikel 5:33 [5:33]
Artikel 5:34 [5:34]
Artikel 5:35 [5:35]
Artikel 5:36 [vervallen]
Artikel 5:37 [5:37]
Artikel 5:38 [5:38]
Artikel 5:39 [5:39]
Artikel
5.4.1.1 [5:40]
Artikel 5.4.1.2 [5:41]
Artikel 5.4.1.3 [5:42]
Artikel 5.4.1.4 [5:43]
Artikel 5.4.1.5 [5:44]
Artikel 5.4.1.6 [5:45]
Artikel 5.4.1.7 [5:46]
Artikel 5.4.1.8 [5:47]
Artikel
5.4.2.1 [5:48]
Artikel 5.4.2.2 [5:49]
Artikel 5.4.2.3 [5:50]
Artikel 5.4.2.4 [5:51]
Artikel 5.4.2.5 [5:52]
Artikel 5.4.2.6 [5:53]
Artikel 5.4.2.7 [5:54]
Artikel
8:4
[8:4]
Artikel 8:28a [8:28a]
Artikel 8:41 [8:41]
Artikel 8:72 [8:72]
Artikel 8:72a [8:72a]
Artikel 8:73 [8:73]
Artikel 8:73a [8:73a]
rblz.|173|
Artikel 8:74 [8:74]
Artikel 8:75 [8:75]
Artikel 8:76 [8:76]
Artikel 8:82 [8:82]
Artikel 8:87 [8:87]
Artikel
10:3 [10.3]
Artikel
10:21
[10:21]
Artikel 10.1.3.1 [10:22]
Artikel 10.1.3.2 [vervallen]
Artikel 10.1.3.3 [10:23]
1. De redactie
heeft de paginanummering achter de artikelen weggelaten.
rblz.|174|
Register
op de artikelen en onderdelen van dit wetsvoorstel ¹
ARTIKEL I
Onderdeel A
Onderdeel B
Onderdeel C
Onderdeel D
Onderdeel E
Onderdeel F
Onderdeel G
Onderdeel H
Onderdeel I
Onderdeel J
Onderdeel K
Onderdeel L
Onderdeel M
Onderdeel N
Onderdeel O
Onderdeel P
Onderdeel Q
Onderdeel R
Onderdeel S
Onderdeel T
Onderdeel U
Onderdeel V
Onderdeel W
Onderdeel X
Artikel
II (artikel 243 Sv)
Artikel III
Artikel IV
Artikel V
Artikel VI
Artikel VII
1. De redactie
heeft de paginanummering achter de (onderdelen van de) artikelen
weggelaten en heeft gelinkt naar de betreffende (onderdelen van)
artikelen van de Vierde tranche Algemene wet
bestuursrecht, welke vervolgens zijn gelinkt met de artikelsgewijze
toelichtingen van deze memorie.
|
|