|
Een
met deze regeling overeenkomstige regeling is vastgesteld door de
rechtbank Alkmaar in de
vergadering van het gerechtsbestuur van 7 februari 2005, rechtbank
Almelo in de vergadering van het gerechtsbestuur van 26 januari 2005,
rechtbank Amsterdam in de vergadering van het gerechtsbestuur van 17
februari 2005, rechtbank Arnhem in de vergadering van het
gerechtsbestuur van 31 januari 2005, rechtbank Assen in de vergadering
van het gerechtsbestuur van 4 februari 2005, rechtbank Breda in de
vergadering van het gerechtsbestuur van 3 februari 2005, rechtbank
Dordrecht in de vergadering van het gerechtsbestuur van 25 januari 2005,
rechtbank Groningen in de vergadering van het gerechtsbestuur van 11
februari 2005, rechtbank Den Haag in de vergadering van het
gerechtsbestuur van 1 februari 2005, rechtbank Haarlem in de vergadering
van het gerechtsbestuur van 25 januari 2005, rechtbank ’s-Hertogenbosch
in de vergadering van het gerechtsbestuur van 15 februari 2005,
rechtbank Leeuwarden in de vergadering van het gerechtsbestuur van 18
februari 2005, rechtbank Maastricht in de vergadering van het
gerechtsbestuur van 1 februari 2005, rechtbank Middelburg in de
vergadering van het gerechtsbestuur van 26 januari 2005, rechtbank
Roermond in de vergadering van het gerechtsbestuur van 25 februari 2005,
rechtbank Rotterdam op 28 februari 2005, rechtbank Utrecht in de
vergadering van het gerechtsbestuur van 8 februari 2005, rechtbank
Zutphen op 22 februari 2005 en door rechtbank Zwolle in de vergadering
van het gerechtsbestuur van 1 maart 2005.
Modelregeling,
vastgesteld in het landelijk overleg voorzitters sectoren bestuursrecht
d.d. 10 februari 1999 en gewijzigd op 4 juli 2001, 13 augustus 2003 en
10 november 2004, houdende richtlijnen voor het behandelen van
bestuursrechtelijke beroepszaken, met inbegrip van belastingzaken maar
met uitzondering van de zaken waarbij de rechtbank
Den Haag bevoegd is op grond van de Vreemdelingenwet
2000, door de
enkelvoudige en meervoudige kamers van de sectoren bestuursrecht
(Procesregeling bestuursrecht).
1.
Ontvangstbevestiging, stukken en verweerschrift
Wettelijk kader (Awb)
6:14
-1. Het orgaan waarbij het bezwaar- of beroepschrift is ingediend,
bevestigt de ontvangst daarvan schriftelijk.
-2. Het orgaan waarbij het beroepschrift is ingediend, geeft daarvan zo
spoedig mogelijk kennis aan het bestuursorgaan dat het bestreden besluit
heeft genomen.
8:42
-1. Binnen vier weken na de dag van verzending van het beroepschrift aan
het bestuursorgaan zendt dit de op de zaak betrekking hebbende stukken
aan de
rechtbank en dient het een verweerschrift in.
-2. De rechtbank kan de in het eerste lid bedoelde termijn verlengen.
Richtlijnen
Art. 1.
-1. De
rechtbank verzendt de bevestiging,
bedoeld in artikel 6:14, eerste lid, van de Awb, binnen één week nadat
het beroepschrift bij de griffie is ingekomen.
-2. De rechtbank verzendt de kennisgeving,
bedoeld in artikel 6:14, tweede lid, van de Awb, met een kopie van het
beroepschrift binnen één week nadat het beroepschrift bij de griffie
is ingekomen.
-3. Bij de kennisgeving, bedoeld in het
tweede lid, wordt het bestuursorgaan verzocht binnen vier weken de op de
zaak betrekking hebbende stukken in te zenden en een verweerschrift in
te dienen. Het verzoek om indiening van een verweerschrift blijft
daarbij achterwege indien het beroepschrift nog niet de gronden van het
beroep bevat. In dat geval wordt het bestuursorgaan medegedeeld dat bij
de doorzending van de gronden zal worden verzocht binnen vier weken een
verweerschrift in te dienen.
-4. In belastingzaken wordt, in afwijking
van het derde lid, het verzoek om inzending van de op de zaak betrekking
hebbende stukken en indiening van een verweerschrift gedaan binnen twee
weken, nadat eventuele verzuimen door de indiener van het beroepschrift
zijn hersteld en het verschuldigde griffierecht is ontvangen.
-5. Indien bij de indiening van het
beroepschrift aanstonds blijkt van derden-belanghebbenden, geeft de
rechtbank aan hen binnen twee weken nadat het beroepschrift bij de
griffie is ingekomen daarvan kennis.
2.
Gemachtigde
Wettelijk kader (Awb)
6:17
Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, zendt het orgaan dat bevoegd
is op het bezwaar of het beroep te beslissen, de op de zaak betrekking
hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde.
8:24
-1. Partijen kunnen zich laten bijstaan of door een gemachtigde laten
vertegenwoordigen.
Richtlijnen
Art. 2.
Indien een partij zich door een gemachtigde laat vertegenwoordigen,
zendt de
rechtbank de op de zaak betrekking hebbende stukken uitsluitend aan die gemachtigde. Een
oproeping van een partij wordt echter
aan die partij zelf gezonden. De
gemachtigde wordt daarvan in kennis gesteld.
3. Derden-belanghebbenden
Wettelijk kader (Awb)
8:26
1. De
rechtbank kan tot de
sluiting van het onderzoek ter
zitting ambtshalve, op verzoek van een partij of op hun eigen verzoek
belanghebbenden in de gelegenheid stellen
als partij aan het geding deel te
nemen.
8:43
2. De
rechtbank stelt andere
partijen dan de in het eerste lid
bedoelde in de gelegenheid om ten minste eenmaal een schriftelijke
uiteenzetting over de zaak te geven. Zij stelt
hiervoor een termijn vast.
Richtlijnen
Art. 3.
-1. Zo mogelijk binnen twee
weken na ontvangst van het
beroepschrift, de gronden van het beroep en de
op de zaak betrekking hebbende
stukken stelt de
rechtbank de
daarvoor in aanmerking komende derden-belanghebbenden ambtshalve in de gelegenheid
als partij aan het geding
deel te nemen. De rechtbank zendt
aan hen het bestreden besluit, het beroepschrift en de gronden
van het beroep. De rechtbank stelt
aan hen een termijn van twee weken
om kenbaar te maken of zij als partij
aan het geding willen deelnemen.
-2. De rechtbank beslist
binnen vier weken na ontvangst op een
verzoek om derden-belanghebbenden in de gelegenheid te stellen als
partij aan het geding deel te nemen.
-3. Binnen twee weken nadat
is komen vast te staan dat
derden-belanghebbenden als partij aan het geding deelnemen, zendt de rechtbank aan hen
de op de zaak betrekking
hebbende stukken. De rechtbank stelt
hen daarbij in de gelegenheid binnen
vier weken een schriftelijke
uiteenzetting over de zaak te geven.
4. Herstel verzuimen
Wettelijk kader (Awb)
6:5
-1. Het bezwaar- of
beroepschrift wordt ondertekend en bevat
ten minste:
a. de naam en het adres van
de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van het
besluit waartegen het bezwaar of
beroep is gericht;
d. de gronden van het
bezwaar of beroep.
-2. Bij het beroepschrift
wordt zo mogelijk een afschrift van
het besluit waarop het geschil
betrekking heeft, overgelegd.
-3. Indien het bezwaar- of
beroepschrift in een vreemde taal is
gesteld en een vertaling voor een
goede behandeling van het bezwaar
of beroep noodzakelijk is,
dient de indiener zorg te dragen voor
een vertaling.
6:6
Indien niet is voldaan aan
artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet
gesteld vereiste voor het in
behandeling nemen van het bezwaar of
beroep, kan dit niet-ontvankelijk
worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te
herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Richtlijnen
Art. 4.
Indien de
rechtbank vaststelt dat sprake is van een verzuim
als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb,
geeft zij daarvan kennis aan de
indiener van het beroepschrift en stelt
daarbij de indiener van het
beroepschrift in de gelegenheid het verzuim
binnen vier weken te herstellen.
5. Griffierecht
Wettelijk kader (Awb)
8:41
-1. Van de indiener van het beroepschrift wordt door de
griffier een griffierecht geheven.
Indien het een beroepschrift ter zake
van twee of meer samenhangende besluiten
of van twee of meer indieners ter
zake van hetzelfde besluit betreft,
is eenmaal griffierecht verschuldigd.
In die gevallen bedraagt het griffierecht
het hoogste op grond van het derde lid
ter zake van één van de
besluiten onderscheidenlijk door één van de indieners verschuldigde bedrag.
-2. De griffier wijst de
indiener van het beroepschrift op de
verschuldigdheid van het griffierecht en
deelt hem mee dat het verschuldigde
bedrag binnen vier weken na de dag
van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de
rekening van de
rechtbank dan wel ter
griffie dient te zijn gestort. Indien het
bedrag niet binnen deze termijn is
bijgeschreven of gestort, wordt het beroep
niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld
dat de indiener in verzuim is
geweest.
6:15
-1. Indien het bezwaar- of beroepschrift wordt
ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of
bij een onbevoegde administratieve
rechter, wordt het, nadat daarop de
datum van ontvangst is
aangetekend, zo spoedig mogelijk
doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder
gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender.
-2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing indien in plaats
van een bezwaarschrift een
beroepschrift is ingediend of omgekeerd.
-3. Het tijdstip van
indiening bij het onbevoegde orgaan is
bepalend voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is
ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van
procesrecht.
Richtlijnen
Art. 5.
-1. Na ontvangst van het
beroepschrift wordt de indiener per gewone
post uitgenodigd het griffierecht
binnen vier weken te voldoen.
-2. Indien na de verzending
van de uitnodiging per gewone post
de termijn waarbinnen dient te worden betaald, is verstreken en het
verschuldigde griffierecht niet is
ontvangen, wordt de mededeling, bedoeld
in artikel 8:41, tweede lid, van de Awb, aangetekend verzonden.
-3. Indien na verzending van
de mededeling, bedoeld in het tweede lid,
het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is bijgeschreven of
gestort, wordt toepassing gegeven aan
de tweede volzin van artikel 8:41, tweede lid, van de Awb.
-4. De
rechtbank doet geen
uitspraak voordat het verschuldigde
griffierecht is ontvangen, tenzij de
uitspraak strekt tot
niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het
niet of niet tijdig betalen van het
griffierecht.
-5. Indien het beroepschrift
ingevolge artikel 6:15, eerste of
tweede lid, van de Awb wordt doorgezonden
aan een bestuursorgaan of aan een
andere administratieve rechter dan
de sector bestuursrecht van een andere rechtbank, wordt geen griffierecht
geheven. Indien griffierecht is
geheven voordat het beroepschrift
wordt doorgezonden, wordt het na
ontvangst terugbetaald, tenzij de
doorzending plaatsvindt nadat de
rechtbank uitspraak heeft gedaan.
-6. Indien, nadat
griffierecht is geheven, het beroepschrift wordt
doorgezonden aan of de zaak wordt
verwezen naar de sector bestuursrecht van een andere rechtbank, deelt
de doorzendende of verwijzende rechtbank dit aan die rechtbank mede
en bericht zij haar zo spoedig mogelijk
over de ontvangst van het
griffierecht.
6. Stukken en verweerschrift
Wettelijk kader (Awb)
8:42
-1. Binnen vier weken na de
dag van verzending van het
beroepschrift aan het bestuursorgaan zendt dit
de op de zaak betrekking hebbende
stukken aan de
rechtbank en dient
het een verweerschrift in.
-2. De rechtbank kan de in
het eerste lid bedoelde termijn
verlengen.
8:44
-1. De
rechtbank kan partijen
oproepen om in persoon dan wel in
persoon of bij gemachtigde te
verschijnen om te worden gehoord, al dan niet voor het geven van
inlichtingen. Indien niet alle partijen
worden opgeroepen, worden de niet-opgeroepen partijen in de gelegenheid
gesteld het horen bij te wonen en een uiteenzetting over de zaak te geven.
8:59
De
rechtbank kan een partij
oproepen om in persoon dan wel in
persoon of bij gemachtigde te
verschijnen, al dan niet voor het geven
van inlichtingen.
8:31
Indien een partij niet
voldoet aan de verplichting te verschijnen
(…), kan de
rechtbank daaruit de gevolgtrekkingen maken die haar geraden
voorkomen.
Richtlijnen
Art. 6.
-1. Indien de
rechtbank binnen de termijn, bedoeld in artikel 8:42,
eerste lid, van de Awb, de op de
zaak betrekking hebbende stukken
niet heeft ontvangen, kan zij
toepassing geven aan artikel 8:44,
eerste lid, van de Awb door het
bestuursorgaan uiterlijk binnen twee weken
na het verstrijken van die termijn
op te roepen.
-2. Indien de rechtbank na
het verstrijken van de termijn, bedoeld in
artikel 8:42, eerste lid, van de Awb, wel de op de zaak betrekking
hebbende stukken maar geen
verweerschrift heeft ontvangen en indien
niet is verzocht om uitstel voor het indienen van een verweerschrift, gaat
zij over tot verdere behandeling van
het beroep.
-3. De rechtbank maakt,
anders dan ingevolge artikel 1, derde
lid, tweede en derde volzin, niet
ambtshalve gebruik van de bevoegdheid,
bedoeld in artikel 8:42, tweede lid,
van de Awb.
7. Voortgang procedure
Richtlijnen
Art. 7.
Binnen dertien weken na:
a. de ontvangst van de op de
zaak betrekking hebbende stukken;
b. het ongebruikt
verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 3, eerste lid, derde
volzin; of
c. de ontvangst van de
schriftelijke uiteenzetting, bedoeld in
artikel 8:43, tweede lid, eerste volzin,
van de Awb, dan wel het ongebruikt
verstrijken van de termijn, bedoeld in
artikel 3, derde lid, tweede volzin,
deelt de
rechtbank aan partijen mede
op welke wijze het beroep
verder wordt behandeld.
8. Verwijzing, voeging en
splitsing
Wettelijk kader (Awb)
8:13
-1. De
rechtbank kan een bij
haar aanhangig gemaakte zaak ter
verdere behandeling verwijzen naar
de rechtbank waar een andere zaak
aanhangig is gemaakt indien naar haar
oordeel behandeling van die zaken door één rechtbank gewenst is.
Zij kan een bij haar aanhangig gemaakte
zaak ter verdere behandeling verwijzen naar een andere rechtbank indien
naar haar oordeel door
betrokkenheid van de rechtbank behandeling van
die zaak door een andere
rechtbank gewenst is.
-2. Een verzoek tot
verwijzing kan worden gedaan tot de aanvang
van het onderzoek ter zitting.
8:14
-1. De
rechtbank kan zaken
over hetzelfde of een verwant onderwerp ter behandeling voegen en de behandeling
van gevoegde zaken splitsen.
-2. Een verzoek daartoe kan
worden gedaan tot de sluiting van
het onderzoek ter zitting.
Richtlijnen
Art. 8.
De
rechtbank beslist binnen
vier weken na ontvangst van een
verzoek om verwijzing, splitsing of
voeging als bedoeld in de artikelen 8:13, tweede lid, en
8:14, tweede lid,
van de Awb.
9. Beslissing artikel 8:29,
derde lid
Wettelijk kader (Awb)
8:29
-1. Partijen die verplicht
zijn inlichtingen te geven dan wel stukken
over te leggen, kunnen, indien
daarvoor gewichtige redenen zijn, het
geven van inlichtingen dan wel het
overleggen van stukken weigeren of de
rechtbank mededelen dat uitsluitend
zij kennis zal mogen nemen van
de inlichtingen
onderscheidenlijk de stukken.
(...)
-3. De rechtbank beslist of
de in het eerste lid bedoelde
weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
Richtlijnen
Art. 9.
-1. Binnen zes weken na
ontvangst van een verzoek tot
geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29,
eerste lid, van de Awb deelt de
rechtbank de beslissing, als bedoeld in
artikel 8:29, derde lid, van de Awb, aan
partijen mede.
-2. Deze beslissing bevat de
namen van partijen en van hun
vertegenwoordigers of gemachtigden, de gronden van de beslissing, de
beslissing en de naam van de rechter of de
namen van de rechters die de
beslissing heeft of hebben genomen.
-3. Indien het verzoek om
geheimhouding wordt afgewezen, geeft de
rechtbank de verzoekende partij de gelegenheid binnen vier weken
schriftelijk aan te geven welke
consequenties aan de beslissing van de rechtbank zullen worden verbonden. De
rechtbank zal voldoen aan een in reactie
hierop gegeven verzoek tot terugzending van de stukken waarop het
verzoek betrekking heeft.
-4. Na de einduitspraak
worden de stukken die op grond van een
beslissing van de rechtbank geheim zijn gehouden binnen twee weken
na het verzenden van de uitspraak
teruggestuurd naar de partij die ze heeft ingediend.
10. Repliek, dupliek en
schriftelijke uiteenzetting
Wettelijk kader (Awb)
8:43
-1. De
rechtbank kan de
indiener van het beroepschrift in de
gelegenheid stellen schriftelijk te
repliceren. In dat geval wordt het
bestuursorgaan in de gelegenheid gesteld
schriftelijk te dupliceren. De rechtbank
stelt de termijnen voor repliek en dupliek
vast.
-2. De rechtbank stelt andere
partijen dan de in het eerste lid
bedoelde in de gelegenheid om ten minste eenmaal een schriftelijke
uiteenzetting over de zaak te geven. Zij stelt
hiervoor een termijn vast.
Richtlijnen
Art. 10.
-1. Indien de
rechtbank gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld
in artikel 8:43, eerste lid, van de Awb, geeft zij aan de indiener van het beroepschrift een termijn
van vier weken om schriftelijk te
repliceren.
-2. Na ontvangst van de
repliek stelt de rechtbank het
bestuursorgaan en de derden-belanghebbenden
die als partij aan het geding deelnemen in de gelegenheid om binnen
vier weken schriftelijk te dupliceren onderscheidenlijk een schriftelijke
uiteenzetting over de zaak te geven.
-3. Na het ongebruikt
verstrijken van de termijn, bedoeld in het
eerste lid, dan wel na ommekomst van de termijn, bedoeld in het tweede lid,
deelt de rechtbank partijen binnen
vier weken mede op welke wijze
het beroep verder wordt
behandeld.
11. Deskundigenonderzoek
Wettelijk kader (Awb)
8:47
-1. De
rechtbank kan een
deskundige benoemen voor het instellen
van een onderzoek.
-2. Bij de benoeming worden
vermeld de opdracht die moet worden
vervuld en de termijn, bedoeld in
het vierde lid.
-3. Van het voornemen tot het
benoemen van een deskundige als
bedoeld in het eerste lid wordt aan
partijen mededeling gedaan. De
rechtbank kan partijen in de
gelegenheid stellen om hun wensen omtrent het onderzoek binnen een door haar te
bepalen termijn schriftelijk aan
haar kenbaar te maken.
-4. De rechtbank stelt een
termijn binnen welke de deskundige aan haar een schriftelijk verslag van
het onderzoek uitbrengt.
-5. Partijen kunnen binnen
vier weken na de dag van verzending van
het verslag aan hen schriftelijk
hun zienswijze met betrekking tot het
verslag naar voren brengen.
-6. De rechtbank kan de in
het vijfde lid bedoelde termijn
verlengen.
Richtlijnen
Art. 11.
-1. Indien de
rechtbank gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld
in artikel 8:47, eerste lid, van de Awb, wordt aan
artikel 8:47,
derde lid, eerste volzin, van de Awb binnen
één week na die beslissing
toepassing gegeven.
-2. Indien de rechtbank
gebruik maakt van haar bevoegdheid,
bedoeld in artikel 8:47, derde lid,
tweede volzin, van de Awb, geeft zij aan
partijen een termijn van twee weken om
hun wensen omtrent het onderzoek aan haar kenbaar te maken.
-3. De termijn, bedoeld in
artikel 8:47, vierde lid, van de Awb,
bedraagt ten hoogste dertien weken.
-4. Het verslag, bedoeld in
artikel 8:47, vierde lid, van de Awb, wordt aan partijen verzonden
binnen één week na ontvangst daarvan
door de rechtbank, onder verwijzing
naar de bevoegdheid van partijen,
bedoeld in artikel 8:47, vijfde lid,
van de Awb.
-5. Na het verstrijken van de
termijn, bedoeld in artikel 8:47,
vijfde lid, van de Awb, deelt de rechtbank
partijen binnen vier weken mede op
welke wijze het beroep verder
wordt behandeld.
-6. De rechtbank maakt niet
ambtshalve gebruik van de bevoegdheid, bedoeld in artikel
8:47,
zesde lid, van de Awb.
12. Uitstel
Richtlijnen
Art. 12.
-1. Een door de
rechtbank gestelde termijn wordt slechts
verlengd in uitzonderlijke omstandigheden en indien daarom binnen die termijn
schriftelijk en gemotiveerd wordt
verzocht.
-2. De rechtbank deelt haar
beslissing op het verzoek om uitstel
aan verzoeker mee binnen één week na ontvangst van dit verzoek.
-3. Indien de rechtbank een
verzoek om uitstel inwilligt, geeft
zij aan de verzoeker een termijn van
maximaal vier weken na de verzending
van de mededeling, bedoeld in het
tweede lid.
-4. Nadat de proceshandeling
waarvoor uitstel is verleend alsnog
is verricht, dan wel na het ongebruikt verstrijken van de termijn, bedoeld in
het derde lid, gaat de
rechtbank over tot verdere behandeling van
het beroep.
13. Versnelde behandeling
Wettelijk kader (Awb)
8:52
-1. De
rechtbank kan, indien
de zaak spoedeisend is, bepalen dat
deze versneld wordt behandeld.
-2. In dat geval kan de
rechtbank:
a. de in artikel 8:41,
tweede lid, bedoelde termijn verkorten;
b. de in artikel 8:42,
eerste lid, bedoelde termijn verkorten;
c. artikel 8:43, tweede lid,
geheel of gedeeltelijk buiten
toepassing laten;
d. artikel 8:47, derde lid,
geheel of gedeeltelijk buiten
toepassing laten; en
e. de in artikel 8:47,
vijfde lid, bedoelde termijn verkorten.
-3. Indien de rechtbank
bepaalt dat de zaak versneld wordt
behandeld, bepaalt zij tevens zo
spoedig mogelijk het tijdstip waarop de
zitting zal plaatsvinden en doet zij
daarvan onverwijld mededeling aan
partijen. Artikel 8:56 is niet van
toepassing.
Richtlijnen
Art. 13.
-1. Binnen vier weken na
ontvangst van een gemotiveerd verzoek
om versnelde behandeling, als bedoeld in artikel 8:52 van de Awb,
deelt de
rechtbank partijen mee of
het verzoek wordt ingewilligd.
-2. In geval van versnelde
behandeling kunnen de in deze
procesregeling genoemde termijnen worden verkort, voor zover de wet dit
toelaat.
14. Uitnodiging en oproeping
voor de zitting
Wettelijk kader (Awb)
8:56
Na afloop van het
vooronderzoek worden partijen ten minste
drie weken tevoren uitgenodigd om
op een in de uitnodiging te
vermelden plaats en tijdstip op een
zitting van de
rechtbank te verschijnen.
8:58
-1. Tot tien dagen vóór de
zitting kunnen partijen nadere stukken
indienen.
-2. Op deze bevoegdheid
worden partijen in de uitnodiging, bedoeld
in artikel 8:56, gewezen.
8:59
De
rechtbank kan een partij
oproepen om in persoon dan wel in
persoon of bij gemachtigde te
verschijnen, al dan niet voor het geven
van inlichtingen.
8:31
Indien een partij niet
voldoet aan de verplichting te verschijnen
(…), kan de
rechtbank daaruit de gevolgtrekkingen maken die haar geraden
voorkomen.
Richtlijnen
Art. 14.
-1. Onverminderd artikel 8:56
van de Awb wordt de uitnodiging of oproeping om op een zitting van de
rechtbank te verschijnen in de regel
ten minste zes weken
voorafgaande aan de zitting verzonden.
-2. In de uitnodiging of
oproeping wordt vermeld of de zaak
door een enkelvoudige of een
meervoudige kamer wordt behandeld.
-3. Indien zaken ter zitting
gevoegd of gesplitst worden behandeld
en daarvan niet eerder mededeling is gedaan, wordt daarvan mededeling
gedaan in de uitnodiging of oproeping.
-4. Een verzoek om verdaging
van de behandeling ter zitting
wordt slechts ingewilligd in
uitzonderlijke omstandigheden en indien daarom zo spoedig mogelijk schriftelijk en
gemotiveerd wordt verzocht.
-5. De rechtbank deelt haar
beslissing op het verzoek om verdaging
aan verzoeker mede binnen één week na ontvangst van dit verzoek.
-6. Van de beslissing tot
verdaging stelt de rechtbank de andere
partij(en) en eventuele overige
betrokkenen binnen één week in kennis.
15. Schorsing en heropening
Wettelijk kader (Awb)
8:64
-1. De
rechtbank kan het
onderzoek ter zitting schorsen. Zij
kan daarbij bepalen dat het
vooronderzoek wordt hervat.
8:68
-1. Indien de
rechtbank van
oordeel is dat het onderzoek niet
volledig is geweest, kan zij het
heropenen. De rechtbank bepaalt daarbij op
welke wijze het onderzoek wordt
voortgezet.
Richtlijnen
Art. 15.
-1. Indien ter zitting niet
alle partijen aanwezig waren en de
rechtbank het onderzoek ter zitting met toepassing van artikel
8:64, eerste
lid, van de Awb heeft geschorst, doet de
griffier binnen twee weken na die zitting mededeling aan partijen van
de schorsing en van de wijze
waarop het onderzoek wordt voortgezet.
-2. Indien de rechtbank met
toepassing van artikel 8:68, eerste
lid, van de Awb het onderzoek heeft
heropend, doet de griffier mededeling
aan partijen van de heropening en van de
wijze waarop het onderzoek wordt voortgezet.
16. Sluiting van het
onderzoek na schorsing en heropening
Wettelijk kader (Awb)
8:57
Indien partijen daarvoor
toestemming hebben gegeven, kan de
rechtbank bepalen dat het onderzoek
ter zitting achterwege blijft. In dat
geval sluit de rechtbank het onderzoek.
8:64
-5. Indien partijen daarvoor
toestemming hebben gegeven, kan de
rechtbank bepalen dat de nadere
zitting achterwege blijft. In dat
geval sluit de rechtbank het onderzoek.
8:66
-1. Tenzij mondeling
uitspraak wordt gedaan, doet de
rechtbank binnen zes weken na de sluiting van het onderzoek schriftelijk uitspraak.
-2. In bijzondere
omstandigheden kan de rechtbank deze termijn
met ten hoogste zes weken verlengen.
-3. Van deze verlenging wordt
aan partijen mededeling gedaan.
Richtlijnen
Art. 16.
-1. Binnen zes weken nadat
partijen toestemming als bedoeld in
artikel 8:57, eerste volzin,
onderscheidenlijk artikel 8:64, vijfde lid,
eerste volzin, van de Awb hebben gegeven,
deelt de
rechtbank de beslissing
omtrent de sluiting van het onderzoek
aan partijen mee.
-2. Indien de rechtbank het
onderzoek niet heeft gesloten, deelt
zij partijen tevens mede op welke wijze
het beroep verder wordt
behandeld.
-3. Indien de rechtbank het
onderzoek heeft gesloten, deelt zij
partijen tevens mede wanneer uitspraak zal worden gedaan.
17. Uitspraaktermijn
Wettelijk kader (Awb)
8:66
-1. Tenzij mondeling
uitspraak wordt gedaan, doet de
rechtbank binnen zes weken na de sluiting van het onderzoek schriftelijk uitspraak.
-2. In bijzondere
omstandigheden kan de rechtbank deze termijn
met ten hoogste zes weken verlengen.
-3. Van deze verlenging wordt
aan partijen mededeling gedaan.
Richtlijnen
Art. 17.
Indien de
rechtbank de
termijn, bedoeld in artikel 8:66,
tweede lid, van de Awb, overschrijdt,
wordt aan partijen hiervan mededeling
gedaan onder vermelding van de
datum waarop de uitspraak
uiterlijk wordt verzonden.
18. Beroep tegen het niet
tijdig nemen van een besluit
Wettelijk kader (Awb)
6:2
Voor de toepassing van
wettelijke voorschriften over bezwaar
en beroep worden met een besluit gelijkgesteld:
a. (…)
b. het niet tijdig nemen van
een besluit.
6:20
-1. Indien het bezwaar of
beroep is gericht tegen het niet
tijdig nemen van een besluit, blijft het bestuursorgaan verplicht een besluit op de
aanvraag te nemen.
-2. (…)
-3. (…)
-4. Het bezwaar of beroep
wordt geacht mede te zijn gericht
tegen het besluit op de aanvraag,
tenzij dat besluit aan het bezwaar of
beroep geheel tegemoet komt.
8:52
-1. De
rechtbank kan, indien
de zaak spoedeisend is, bepalen dat
deze versneld wordt behandeld.
8:54
-1. Totdat partijen zijn
uitgenodigd om op een zitting van de
rechtbank te verschijnen, kan de
rechtbank het onderzoek sluiten indien
voortzetting van het onderzoek niet nodig
is, (…)
Richtlijnen
Art. 18.
-1. Indien beroep is
ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een
besluit, wordt het beroep zo mogelijk behandeld met toepassing van artikel
8:54 van de Awb en doet de
rechtbank binnen vier weken na
ontvangst van de op de zaak betrekking hebbende stukken uitspraak.
-2. Indien geen toepassing
wordt gegeven aan artikel 8:54 van de Awb, wordt het beroep behandeld
met toepassing van artikel 8:52 van de Awb. In dat geval doet de
rechtbank binnen dertien weken na ontvangst van de op de zaak betrekking
hebbende stukken uitspraak.
-3. Indien het bestuursorgaan
alsnog een besluit neemt voordat de
rechtbank uitspraak heeft gedaan,
wordt het beroep verder op de
gewone wijze behandeld.
-4. In belastingzaken kan de rechtbank het
eerste en tweede lid buiten toepassing laten en het beroep op de gewone
wijze behandelen.
19. Verzet
Wettelijk kader (Awb)
8:55
-1. Tegen de uitspraak,
bedoeld in artikel 8:54, tweede lid,
kunnen een belanghebbende en het
bestuursorgaan verzet doen bij de
rechtbank. (…)
Richtlijnen
Art. 19.
-1. Het verzet wordt
behandeld met overeenkomstige toepassing
van de artikelen 1, eerste en
tweede lid, 2, 4, 12,
14, tweede tot en met
zesde lid, en 15. De
rechtbank behandelt
het verzet binnen dertien weken na ontvangst van het verzetschrift ter
zitting of doet binnen deze termijn
zonder zitting uitspraak.
20. Rectificatie
Richtlijnen
Art. 20.
Een kennelijke fout in een
uitspraak kan ambtshalve of op verzoek
van een partij worden
gerectificeerd. Op een verzoek om rectificatie
wordt binnen twee weken na ontvangst van
het verzoek beslist. De rectificatie vindt plaats
door de (voorzitter van de) kamer
die de uitspraak heeft gedaan. Een afschrift van de gerectificeerde
uitspraak wordt aan partijen gezonden.
21.
Publicatie van uitspraken
Wettelijk kader (Awr)
Art.
27g. (Tekst wetsvoorstel 29 251)
-1. In afwijking van artikel
8:79, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht geschiedt de verstrekking overeenkomstig die bepaling
van afschriften of uittreksels aan anderen dan partijen met machtiging
van de
rechtbank.
-2. Met betrekking tot schriftelijke
uitspraken blijft de machtiging, bedoeld in het eerste lid, slechts
achterwege indien op een vóór de uitspraak gedaan verzoek van één
der partijen de rechtbank oordeelt dat ook na anonimisering de
geheimhouding van persoonlijke en financiële gegevens onvoldoende wordt
beschermd en bovendien het belang van de openbaarheid van de rechtspraak
niet opweegt tegen dit belang.
Richtlijnen
Art.
21.
Een verzoek als bedoeld in artikel 27g, tweede lid, Algemene
wet inzake rijksbelastingen om de uitspraak niet vrij te geven aan anderen
dan partijen dient uiterlijk ter zitting te worden gedaan. Het verzoek
dient te worden gemotiveerd.
22.
Overgangs- en
slotbepalingen
Art.
22.
-1. Op de termijnen, genoemd
in deze regeling, is de Algemene
termijnenwet van overeenkomstige toepassing.
-2. De tekst van deze
regeling wordt in de Staatscourant
geplaatst en ook overigens op een zodanige
wijze bekendgemaakt dat voldoende
verzekerd is dat belanghebbenden ervan op de hoogte kunnen zijn.
-3. Deze regeling treedt in
werking met ingang van 1 januari 2005.
-4. Deze regeling wordt
aangehaald als: Procesregeling
bestuursrecht.
TOELICHTING
A. Algemeen
De Procesregeling
bestuursrecht (hierna: de regeling) bevat
richtlijnen voor de behandeling van bestuursrechtelijke beroepszaken door de
enkelvoudige en meervoudige kamers voor bestuursrechtelijke zaken
van de rechtbanken, met inbegrip van
belastingzaken en met uitzondering van zaken waarbij de rechtbank Den
Haag bevoegd is op grond van de Vreemdelingenwet
2000. Zij is
niet van toepassing op de behandeling van
verzoeken om voorlopige voorziening.
De regeling is als
modelregeling vastgesteld door het
landelijk overleg van voorzitters van de
sectoren bestuursrecht van de
rechtbanken en vervolgens door de negentien
rechtbanken afzonderlijk aanvaard. Wat de juridische status van de
regeling betreft, kan aansluiting
worden gezocht bij het arrest van
de Hoge Raad van 28 juni 1996 (JB
1996, nr. 1986).
De regeling beoogt ten
eerste de duur van de
beroepsprocedures bij de rechtbanken te bekorten,
door het stellen en handhaven van
duidelijke termijnen voor het
verrichten van proceshandelingen door
partijen, andere betrokkenen én de
rechtbank zelf. Ten tweede beoogt zij
een verdere uniformering van (de
toepassing van) het bestuursprocesrecht
te bevorderen, door het
beleidsmatig invullen van enkele in
hoofdstuk 8 van de Algemene wet
bestuursrecht (hierna: de Awb) aan de
rechtbank toegekende (discretionaire)
bevoegdheden. De regeling draagt aldus tevens bij aan een grotere
duidelijkheid en voorspelbaarheid van de beroepsprocedure voor
partijen en andere betrokkenen. De
regeling heeft uitdrukkelijk geen
betrekking op inhoudelijke, voor de
beslissing van een zaak (mede) bepalende,
bevoegdheden van de rechtbank.
De eerste versie van de
regeling is in werking getreden met ingang
van 1 oktober 1999, de tweede met
ingang van 1 oktober 2001, de derde met ingang van 15 oktober 2003 en de
vierde versie met ingang van 1 januari 2005.
In de tweede versie zijn toegevoegd
de artikelen 1, derde en vierde lid, 1a, 1b, 2a, 4a,
4b, 9, tweede en derde
lid, 9a, 10, 11 en 12. Artikel 9, tweede, derde en vierde lid, is vernummerd
tot artikel 9, vierde, vijfde en zesde
lid, en artikel 10 tot artikel 13. De artikelen 1, tweede lid, 3, derde lid, 4
en 5, tweede lid, zijn inhoudelijk
gewijzigd. De artikelen 2 en 13 (nieuw) zijn opnieuw geredigeerd. Ten
slotte zijn enkele ondergeschikte
wijzigingen van redactionele aard aangebracht.
In de derde versie is met
name de uniformering beoogd van de
toepassing van de artikelen 8:41,
eerste en tweede lid, van de Awb en
8:29 van de Awb. Voorts zijn
richtlijnen over de versnelde behandeling, de uitspraaktermijn en de rectificatie
opgenomen. Naast enkele ondergeschikte wijzigingen heeft ook een hernummering
van de artikelen
plaatsgevonden.
Met de vierde versie is de regeling aangepast
in verband met de invoering van de Wet
belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties op 1 januari
2005. De regeling is in artikel 1, vierde lid, artikel
18, vierde lid, en artikel 21 aangevuld met
bepalingen die slechts gelden voor belastingzaken.
B. Artikelsgewijs
Artikel
1,
eerste, tweede en
derde lid
Artikel
6:14, eerste lid,
van de Awb verplicht tot het
schriftelijk bevestigen van de ontvangst van een beroepschrift. Om mogelijke
problemen binnen de beroepstermijn te
kunnen redresseren, is het van
belang dat de indiener van het
beroepschrift (eiser) binnen zeer korte
termijn duidelijkheid verkrijgt over de ontvangst van het beroepschrift.
Daarom is in het eerste lid gekozen voor
een termijn van één week.
Op grond van het tweede lid
zal binnen diezelfde termijn de
kennisgeving, bedoeld in artikel 6:14,
tweede lid, van de Awb, aan het
bestuursorgaan worden verzonden. Daarbij wordt meegezonden een kopie
van het beroepschrift (met
eventuele bijlagen). Als gevolg daarvan gaat voor het bestuursorgaan de
termijn, bedoeld in artikel 8:42,
eerste lid, van de Awb lopen. Daardoor wordt
reële tijdwinst geboekt.
Ingevolge het derde lid,
eerste volzin, wordt het bestuursorgaan
bij de kennisgeving verzocht
binnen vier weken de op de zaak
betrekking hebbende stukken in te zenden en
een verweerschrift in te
dienen. Het komt regelmatig voor dat eiser
een niet- of niet volledig gemotiveerd beroepschrift heeft
ingediend. In een dergelijk geval is het
niet zinvol van het bestuursorgaan te
verlangen dat het dan al een
verweerschrift indient. Daarom is in de tweede
volzin bepaald dat in dat geval
het verzoek om indiening van een
verweerschrift bij de kennisgeving,
bedoeld in het tweede lid, achterwege
blijft en in de derde volzin dat bij die
gelegenheid aan het bestuursorgaan
wordt medegedeeld dat het verzoek om
indiening van een verweerschrift
pas zal worden gedaan bij de doorzending
van de gronden. Artikel 8:42,
tweede lid, van de Awb biedt voor deze
handelwijze ruimte.
Artikel
1, vierde lid
Op
het voorgaande wordt in het vierde lid een uitzondering gemaakt voor
belastingzaken. De uitzondering wordt ingegeven door een vaste praktijk
van de Hoge Raad en de gerechtshoven
om de stukken bij het bestuursorgaan op te vragen en om een
verweerschrift te vragen nadat eventuele verzuimen zijn hersteld en het
griffierecht door de indiener van het beroep is betaald. Omdat de
ervaringscijfers van de gerechtshoven uitwijzen dat het veelvuldig
voorkomt dat in belastingzaken, nadat om motivering van het beroep of
betaling van griffierecht is verzocht, het beroep wordt ingetrokken,
sluiten de
rechtbanken zich in belastingzaken aan bij de werkwijze van de Hoge
Raad en gerechtshoven om zo nodeloos werk bij de rechtbanken en
bestuursorganen te voorkomen.
Artikel
1, vijfde lid
In veel gevallen waarin
de indiener van het beroepschrift
niet degene is tot wie het in beroep
bestreden besluit is gericht, is
het van groot belang dat die
belanghebbende (waarbij in het bijzonder kan
worden gedacht aan
vergunninghouders) zo spoedig mogelijk op de
hoogte raakt van het feit dat beroep
is ingesteld, opdat hij een
weloverwogen keuze kan maken met betrekking
tot het al dan niet reeds ten uitvoer leggen van het bestreden besluit.
Het vijfde lid voorziet daarom in een
signalering ten behoeve van die
belanghebbende. Deze voorziening moet
niet worden verward met de, in
artikel 3 geregelde, toepassing van artikel
8:26, eerste lid, van de Awb. Gekozen
is voor een termijn van twee weken.
Om deze termijn te kunnen halen en ook
overigens om tijdverlies te
voorkomen, is uitdrukkelijk bepaald dat
de voorziening beperkt is tot die
gevallen waarin de aanwezigheid van derden-belanghebbenden aanstonds uit het beroepschrift (en
eventuele bijlagen, waaronder het bestreden
besluit) blijkt.
Derden-belanghebbenden zullen zich nimmer kunnen
beroepen op het feit dat de
rechtbank hen niet op de voet van artikel 1, vijfde lid, heeft geïnformeerd.
Artikel 2
Om misverstanden te
voorkomen, is het nodig dat bij de
toepassing van artikel 6:17 van de Awb een uniforme gedragslijn wordt
gevolgd. Gekozen is voor de lijn dat de
stukken uitsluitend aan de gemachtigde worden gezonden, met
uitzondering van de oproeping van een partij
om ter zitting of ter comparitie te
verschijnen of mee te werken aan het
instellen van een onderzoek door
een deskundige. Dit artikel heeft ook
betrekking op bestuursorganen die
zich door een derde laten
vertegenwoordigen.
Artikel 3
Dit artikel ziet op de
toepassing door de
rechtbank van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb. Het
dient niet te worden verward met
artikel 1, vijfde lid, welke bepaling in
een veel eerder stadium van de procedure
wordt toegepast.
Het is uit een oogpunt
van doelmatige rechtsbescherming en om
redenen van proceseconomie van
belang dat de daarvoor in aanmerking
komende derden-belanghebbenden zo
spoedig mogelijk in de
gelegenheid worden gesteld als partij aan
het geding deel te nemen. Daarom is in
het eerste lid, eerste volzin, bepaald
dat de rechtbank hen zo mogelijk binnen
twee weken na ontvangst van
het beroepschrift, de gronden
van het beroep en de op de zaak
betrekking hebbende stukken daartoe
ambtshalve in de gelegenheid stelt.
De toevoeging "zo mogelijk" is
opgenomen omdat niet in alle
gevallen duidelijk is of sprake is van andere
belanghebbenden in de zin van artikel 1:2
van de Awb
bij het bestreden
besluit dan de indiener(s) van het
beroepschrift, terwijl voorts niet
altijd duidelijk is of derden-belanghebbenden
wel voldoen aan de in de
jurisprudentie ontwikkelde voorwaarden om in de
gelegenheid te worden gesteld als
partij aan het geding deel te nemen. In
die gevallen waarin de vereiste
duidelijkheid wel bestaat (bijvoorbeeld als
het gaat om de vergunninghouder wiens
vergunning door een ander wordt
aangevochten, om gedeputeerde staten indien het beroep van
rechtswege mede betrekking heeft op
een door hen afgegeven verklaring
van geen bezwaar of om het primair
beslissende bestuursorgaan indien het
beroep is gericht tegen een in
administratief beroep genomen besluit),
dient de rechtbank echter binnen
twee weken na ontvangst van de
genoemde stukken de desbetreffende
derden-belanghebbenden in de gelegenheid te
stellen als partij aan het geding
deel te nemen. Teneinde een
weloverwogen beslissing van de
derden-belanghebbenden ter zake mogelijk te
maken, dient de rechtbank aan
hen het bestreden besluit, het
beroepschrift (met eventuele bijlagen,
waaronder het bestreden besluit) en de gronden
van het beroep te zenden (eerste
lid, tweede volzin). De overige op de
zaak betrekking hebbende
stukken worden op dat moment niet toegezonden. Met het oog op de
voortgang van de procedure wordt een
reactietermijn gesteld van twee weken
(eerste lid, derde volzin). Indien een derde-belanghebbende van de geboden
gelegenheid geen gebruik wil maken, hoeft hij zulks niet
uitdrukkelijk kenbaar te maken. Zodra een derde-belanghebbende kenbaar heeft gemaakt van de geboden
gelegenheid wel gebruik te willen
maken, is hij partij in het geding. Dit
systeem beoogt een einde te maken
aan de praktijk waarbij de
beoordeling met betrekking tot
derden-belanghebbenden pas in een (te) late fase
van de procedure geschiedt.
Een partij of een derde-belanghebbende kan de rechtbank ook
verzoeken derden-belanghebbenden in
de gelegenheid te stellen
als partij aan het geding deel te nemen.
Op een dergelijk verzoek dient de
rechtbank overeenkomstig het tweede
lid binnen vier weken te beslissen.
Zodra de rechtbank het verzoek
heeft ingewilligd, is de desbetreffende derde-belanghebbende partij in het geding.
In het derde lid, eerste
volzin, is bepaald dat de rechtbank
vervolgens binnen twee weken de - dan nog niet in hun bezit zijnde - op de zaak betrekking hebbende
stukken zendt aan de
derden-belanghebbenden die als partij aan het geding
deelnemen. De tweede volzin schrijft
voor dat die derden-belanghebbenden,
tegelijkertijd met de verzending aan hen
van de - overige - op de
zaak betrekking hebbende stukken in de
gelegenheid worden gesteld binnen
vier weken de in artikel 8:43, tweede
lid, van de Awb
bedoelde
schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven.
Het combineren van deze twee acties
bevordert de voortgang van de
procedure. Het vragen van een
schriftelijke uiteenzetting gaat derhalve vooraf aan het - eventueel - vragen van repliek en dupliek als bedoeld in
artikel 8:43, eerste lid, van de Awb.
Voor de goede orde wordt
nog opgemerkt dat niet valt
uit te sluiten dat eerst in een - veel - later stadium in de procedure komt vast
te staan dat een derde-belanghebbende als partij aan het geding
deelneemt. In die gevallen dient zoveel
mogelijk overeenkomstig het
onderhavige artikel te worden gehandeld. Dat
kan er, gelet op artikel 9,
eerste lid, onder omstandigheden toe leiden
dat een nieuwe datum voor een
reeds geplande zitting moet worden
vastgesteld.
Artikel 4
Deze bepaling heeft
betrekking op de toepassing, uiteraard
binnen de daarvoor in de jurisprudentie
ontwikkelde grenzen, van artikel 6:6
van de Awb. Zij ziet derhalve ook op
het vereiste dat het beroepschrift de
gronden van het beroep bevat. Voor
het in voorkomend geval herstellen van dit
verzuim wordt een termijn van
vier weken redelijk geacht.
Hoewel voor andere verzuimen een
kortere termijn zou kunnen worden
gesteld, is daar uit een oogpunt van
uniformiteit van termijnen van afgezien.
Op deze wijze wordt bereikt dat een
einde komt aan de praktijk dat een
beroepschrift eerst behoeft te worden
gemotiveerd nadat de
rechtbank de op de
zaak betrekking hebbende stukken van
verweerder heeft ontvangen en deze
stukken heeft doorgezonden naar
eiser. In dat kader moet worden bedacht
dat voorafgaand aan nagenoeg alle
beroepsprocedures reeds een voorprocedure is gevolgd, zodat eiser
te allen tijde in staat moet worden geacht
in ieder geval in hoofdlijnen aan
te geven waarom hij zich niet kan
verenigen met het bestreden
besluit. De bepaling ziet niet op de
mogelijkheid een gemotiveerd beroepschrift
nader aan te vullen.
Artikel 5
Artikel 8:41 van de
Awb bevat een gedetailleerd uitgewerkte
regeling voor het griffierecht.
Toch blijkt deze regeling in de praktijk
nog enkele vragen open te laten, die
door de rechtbanken verschillend
kunnen worden beantwoord. Artikel 5
beoogt hierin uniformiteit te
brengen.
De werkwijze bij het
innen van het griffierecht is in het
aangepaste artikel 5 opgenomen in het eerste
tot en met derde lid. Hiermee is
vastgelegd dat alle rechtbanken op
een uniforme wijze het griffierecht
innen en er geen verschil is ten aanzien
van het moment waarop mogelijk
ontvankelijkheidsproblemen ontstaan bij niet (tijdige) betaling van
het griffierecht. In het eerste lid is het
uitgangspunt neergelegd dat de
uitnodiging tot betaling van griffierecht per
gewone post wordt verzonden.
Ingevolge het tweede lid wordt de
mededeling inzake het verschuldigde
griffierecht aangetekend verzonden indien het
griffierecht niet binnen de gestelde termijn van vier weken is
betaald en het griffierecht ook na die
termijn niet is ontvangen. Achterliggende
gedachte hierbij is dat mogelijk
de uitnodiging per gewone post niet is
ontvangen. Eventuele
niet-ontvankelijkheid vanwege het niet tijdig betalen
van het griffierecht kan dan
(nog) niet aan de orde zijn. Indien na het
verstrijken van de termijn genoemd in
de aangetekend verzonden mededeling het griffierecht niet is
ontvangen, wordt ingevolge het derde lid
de procedure gevolgd zoals is bepaald
in artikel 8:41, tweede lid, tweede
volzin, van de Awb. Het voorgaande
neemt niet weg dat partijen er - in het kader van de voortgang van de
procedure - baat bij hebben het
griffierecht zo spoedig mogelijk te
voldoen.
Het bepaalde in het
vierde lid staat er niet aan in de weg dat
de rechtbank reeds begint met de
behandeling van het beroep
overeenkomstig de artikelen 1, 3 en 4. Zou
dit anders zijn, dan zou immers in
alle gevallen de behandeling van het
beroep belangrijke vertraging
ondervinden.
In het vijfde lid is
neergelegd dat indien het beroepschrift
wordt doorgezonden aan een bestuursorgaan of aan een andere
administratieve rechter dan de sector
bestuursrecht van een andere rechtbank en
de doorzending geschiedt zonder dat de
rechtbank een uitspraak heeft
gedaan, geen griffierecht is
verschuldigd en derhalve ook geen
griffierecht wordt geheven. Is niettemin het
griffierecht toch reeds geheven en
voldaan, dan wordt dit terugbetaald,
tenzij eerst bij de uitspraak is
vastgesteld dat doorzending dient plaats te vinden.
Het zesde lid ziet op de
situatie dat zonder dat de rechtbank
een uitspraak heeft gedaan, de
doorzending geschiedt aan de sector
bestuursrecht van een andere rechtbank,
alsmede op de situatie dat de
zaak wordt verwezen naar de sector
bestuursrecht van een andere rechtbank.
Indien de doorzendende of
verwijzende rechtbank het griffierecht reeds
heeft geheven, geschiedt overeenkomstig
de bestaande praktijk de
financiële afwikkeling bij die
rechtbank en vindt geen terugbetaling
plaats. De doorzendende of verwijzende rechtbank bericht aan de andere
rechtbank dat het griffierecht reeds is
geheven. Vervolgens bericht zij
deze zo spoedig mogelijk over de
ontvangst van het griffierecht. Aldus
worden onnodige handelingen voorkomen.
Artikel
6, eerste lid
De
rechtbank dient zo
spoedig mogelijk de beschikking te hebben
over de op de zaak betrekking
hebbende stukken. Alleen dan kan
zij nagaan of, en zo ja, welke
proceshandelingen in het kader van het
vooronderzoek dienen te worden
verricht. En alleen dan kan zij tijdig
toepassing geven aan artikel 3 en zonder
vertraging voor het vervolg van de
procedure beslissen op verzoeken op
grond van artikel 8:29 van de Awb.
Gelet hierop leidt het niet tijdig
gevolg geven aan het verzoek van de
rechtbank om inzending van de
gedingstukken bijna per definitie tot
vertraging. Deze overwegingen hebben
geleid tot het in deze bepaling neergelegde
systeem. Daarbij is verdisconteerd
dat in die gevallen waarin het
beroep slechts wordt ingesteld ter
bewaring van rechten en nadien wordt
ingetrokken, het bestuursorgaan
achteraf gezien vergeefse inspanningen
heeft verricht. Overigens vormt de "dreiging"
van een comparitie in de regel
voldoende reden voor het
bestuursorgaan om daaraan voorafgaand de
gedingstukken alsnog in te zenden. In
dat geval zal de rechtbank
beslissen dat de geplande zitting geen
doorgang vindt. Indien de rechtbank
besluit tot het beleggen van een
comparitie, roept zij verweerder op. Daarbij
wordt gewezen op de verplichting tot
het overleggen van de gedingstukken ter
comparitie. Ingevolge artikel 8:44,
eerste lid, tweede volzin, van de Awb
geeft de rechtbank van de
voorgenomen comparitie tevens kennis aan de
andere partij(en). Daarbij wordt
erop gewezen dat het slechts gaat om
het alsnog inzenden van de
gedingstukken en niet (ook) om een
mondelinge behandeling van het
beroep ten gronde. De formulering van
deze bepaling biedt overigens de
mogelijkheid dat de rechtbank na het
ongebruikt verstrijken van de in artikel 8:42,
eerste lid, van de Awb
genoemde
termijn aan het bestuursorgaan
een herinnering zendt, waarin nog een
(zeer) korte termijn wordt
gegeven voor het inzenden van de
gedingstukken. Blijft het bestuursorgaan
ook na de comparitie in gebreke de
gedingstukken in te zenden, dan ligt
het in de rede dat de rechtbank
overgaat tot de verdere behandeling van
het beroep. In dat geval kan zij uit
de proceshouding van het bestuursorgaan op grond van artikel 8:31
van de Awb
de gevolgtrekkingen maken
die haar geraden voorkomen,
bijvoorbeeld door recht te doen op
basis van de wel in het dossier
aanwezige stukken.
Artikel
6, tweede lid
Artikel
8:42, eerste lid,
van de Awb maakt geen onderscheid
tussen het inzenden van de
gedingstukken en het indienen van een
verweerschrift. Desondanks bestaat een
wezenlijk verschil tussen beide
proceshandelingen. De gedingstukken vormen immers een belangrijk
hulpmiddel bij de beoordeling van het
beroep, terwijl het bij een
verweerschrift "slechts" gaat om een reactie op de
stellingen die eiser in zijn
beroepschrift heeft geponeerd. Gezien het
vorenstaande behoeft, onverminderd
artikel 1, derde lid, tweede en
derde volzin, voor de
rechtbank geen
aanleiding te bestaan tot opschorting
van de behandeling van het
beroep zolang geen verweerschrift is
ingediend en daarvoor ook geen uitstel
is gevraagd en verleend.
De verplichting tot het
indienen van een verweerschrift blijft
overigens bestaan. Hoewel het
indienen van een verweerschrift niet
behoort tot de in artikel 8:31 van de Awb
gesanctioneerde verplichtingen, is het
voor een goede voortgang van de
procedure echter niettemin van
groot belang dat het verweerschrift tijdig
wordt ingediend. De door sommige
bestuursorganen gevolgde praktijk om met
het indienen van een
verweerschrift te wachten tot (iets meer
dan) tien dagen vóór de zitting
moet daarom, nog daargelaten dat
artikel 8:58 van de Awb
geen betrekking
heeft op het verweerschrift, worden
verworpen.
Artikel
6, derde lid
De invulling die het
derde lid van dit artikel aan de
bevoegdheid van artikel 8:42, tweede lid, van de Awb
geeft, maakt duidelijk
dat de termijn voor het inzenden van de
gedingstukken en/of het indienen van
een verweerschrift behoudens artikel 1,
derde lid, tweede en derde
volzin, slechts wordt verlengd als het
bestuursorgaan om uitstel heeft verzocht
en de
rechtbank dat verzoek
heeft ingewilligd. Op een dergelijk verzoek
is artikel 12 van toepassing.
Artikel 7
Dit artikel verzekert dat
de
rechtbank zich met enige spoed
buigt over de materiële kern van het
voorliggende geschil en vormt daarmee
een belangrijk instrument ter
versnelling van de beroepsprocedure. De zogenoemde
dertienwekenmededeling
kan onder meer inhouden de
aankondiging dat partijen worden
uitgenodigd om op een zitting van de
rechtbank te verschijnen (eventueel
met vermelding van de termijn waarbinnen
een dergelijke uitnodiging
kan worden verwacht of zelfs met
vermelding van de concrete
zittingsdatum), dat partijen in de gelegenheid worden
gesteld te repliceren en te
dupliceren, dat één of meer partijen wordt
verzocht inlichtingen te geven
en/of nadere stukken over te leggen,
of dat de rechtbank het voornemen
heeft tot het benoemen van een
deskundige. Voorts verzekert deze
bepaling dat partijen daadwerkelijk
binnen een redelijke termijn
duidelijkheid krijgen over de stand van zaken
in de beroepsprocedure. Zo
mogelijk noemt de rechtbank de termijn
waarop een volgende stap naar
verwachting kan worden gezet.
Onderdeel a bevat de
hoofdregel: binnen dertien weken na de
ontvangst van de op de zaak
betrekking hebbende stukken dient de
dertienwekenmededeling te worden verzonden. De onderdelen b en c
hebben betrekking op de
procedure van artikel 3. De rechtbank zal
immers doorgaans pas nadat is komen vast
te staan of
derden-belanghebbenden als partij aan het geding
deelnemen, en zo ja, pas na ontvangst van
de schriftelijke uiteenzetting, bedoeld in
artikel 8:43, tweede lid, eerste
volzin, van de Awb, kunnen bepalen op
welke wijze het beroep verder wordt
behandeld. In essentie komen deze
onderdelen erop neer dat de verdere
behandeling van het beroep eerst een
aanvang neemt nadat de "incidenten"
met betrekking tot
derden-belanghebbenden zijn afgewikkeld. Op die
wijze wordt ook recht gedaan
aan de processuele positie van de
derden-belanghebbenden die als partij aan het geding deelnemen. Van
belang is dat in alle gevallen sprake
is van een objectief bepaalbaar
moment waarop de termijn gaat lopen.
Het is mogelijk dat de
mededeling aanleiding geeft tot
discussie tussen een partij en de
rechtbank. Indien een partij in dat verband
verzoekt om van een bepaalde
bevoegdheid (geen) gebruik te maken, dient
de rechtbank zo spoedig mogelijk op
dat verzoek te beslissen en daarvan
mededeling te doen aan partijen.
Artikel 8
Teneinde te verzekeren
dat partijen daaromtrent tijdig worden
geïnformeerd, is in artikel 8 bepaald
dat de
rechtbank binnen vier
weken beslist op een verzoek om
verwijzing, splitsing of voeging. Die termijn
moet in het algemeen voldoende
worden geacht.
Artikel 9
Indien het verzoek om
toepassing van artikel 8:29 van de Awb op bepaalde stukken wordt afgewezen,
rijst de vraag of de betreffende
stukken zonder meer aan het
procesdossier moeten worden toegevoegd. De
praktijk op dit punt lag bij de
rechtbanken ver uiteen, hetgeen
onwenselijk werd geacht. Om uniformiteit
te bereiken, wordt hierover nu een
artikel in de procesregeling
bestuursrecht opgenomen. Het bestaande artikel in
de regeling is daartoe
uitgebreid.
In het artikel is thans
geregeld dat de partij die het verzoek
om toepassing van artikel 8:29 van de Awb heeft gedaan, na een
afwijzing van het verzoek in de
gelegenheid wordt gesteld hierop binnen
vier weken schriftelijk te reageren.
Denkbaar is dat verweerder (indien
deze de verzoekende partij is) in reactie op
de afwijzing van het verzoek
om toepassing van artikel 8:29 van de Awb besluit het verzoek te
laten vallen, het bestreden besluit in te
trekken of het verzoek om geheimhouding
in aangepaste vorm, met inachtneming
van de beslissing, te handhaven.
Het is uiteraard aan de rechtbank om afhankelijk van die reactie
daaraan gevolgen te verbinden.
In het eerste lid is een
beslistermijn van zes weken opgenomen. Mocht het geval zich
voordoen dat binnen die termijn de
zitting zal plaatsvinden, dan dient
de beslissing uiteraard eerder, vóór
de zitting, te zijn gegeven. Denkbaar is
voorts dat de rechtbank aanleiding
ziet om de verzoekende partij om een
nadere toelichting te vragen. In
dat geval zal de termijn van zes weken
niet altijd worden gehaald.
Artikel 10
Bij de keuze van de in
het eerste lid opgenomen termijn
waarbinnen eiser mag repliceren, is
aansluiting gezocht bij de artikelen 8:42,
eerste lid, en 8:47, vijfde lid, van de Awb.
Na ontvangst van de
repliek worden alle andere partijen op
grond van het tweede lid tegelijk
in de gelegenheid gesteld schriftelijk te
reageren. De termijn van vier weken
sluit aan bij de termijn voor
repliek.
Op de in het derde lid
bedoelde momenten treedt een met
de situatie, bedoeld in artikel 7,
vergelijkbare toestand in. Daarom is hier
bepaald dat na het afwikkelen van de "incidenten" rond repliek en dupliek
de
rechtbank (opnieuw) bepaalt op
welke wijze het beroep verder wordt
behandeld. Een termijn van vier weken is
daarvoor toereikend.
Artikel 11
In het verleden leidde
het instellen van een
deskundigenonderzoek vaak tot ernstige
vertragingen. Om dergelijke vertragingen tegen te
gaan, voorziet de regeling hier in
eenduidige en korte termijnen.
De periode van dertien
weken, neergelegd in het derde
lid, moet voor een deskundige in het
algemeen voldoende zijn voor het verrichten
van het door de
rechtbank gevraagde onderzoek en het
opstellen van het verslag daarvan.
De invulling die het
zesde lid geeft aan de in artikel 8:47,
zesde lid, van de Awb aan de rechtbank
toegekende bevoegdheid maakt
duidelijk dat de termijn voor het inzenden
van schriftelijke zienswijzen met
betrekking tot het verslag van de
deskundige slechts wordt verlengd indien
een partij om uitstel heeft verzocht en
de rechtbank dat verzoek heeft
ingewilligd. Op een dergelijk verzoek is
artikel 12 van toepassing.
Artikel 12
Het verlenen van uitstel
leidt welhaast per definitie tot
verlenging van de procedure. Gelet op het
uitgangspunt van de regeling ligt een
zeer terughoudend uitstelbeleid dan ook
voor de hand. Bij het stellen
van een termijn door de
rechtbank zal uit
de brief waarbij daarvan
kennis wordt gegeven aan de betrokkene
moeten blijken wanneer die
termijn begint en wanneer hij eindigt.
Slechts wanneer een verzoek om uitstel
ruim vóór het verstrijken van de
gestelde termijn wordt gedaan, zodat de
rechtbank in de gelegenheid is daarop
nog vóór het einde van die termijn
te reageren, is een succesvol verzoek
om uitstel denkbaar. Een partij
dient er immers van uit te gaan dat
zolang uitstel nog niet schriftelijk is
verleend, de door de rechtbank gestelde
termijn niet is verlengd. Het risico van
overschrijding van een door de rechtbank
gestelde termijn dient bij de op
termijn gestelde partij te blijven. Zo
wordt voorkomen dat een verzoek om
uitstel onnodig vertragend kan werken.
Artikel 13
Een verzoek om versnelde
behandeling impliceert dat een
verzoek wordt gedaan om met voorrang
een zaak te behandelen. Als een
verzoek om versnelde behandeling wordt
ingewilligd, kunnen, onder toepassing
van het tweede lid van artikel
8:52 van de Awb, termijnen worden
verkort waardoor de zitting eerder zal
plaatsvinden.
Een voorbeeld van een
geval waarin toepassing wordt gegeven
aan artikel 8:52 van de Awb is terug
te vinden in het tweede lid van
artikel 18 van deze procesregeling (beroep
tegen het niet tijdig nemen van een
besluit).
Artikel
14, eerste lid
Evenals verzoeken om
uitstel leiden verzoeken om verdaging
van de behandeling van de zaak
ter zitting tot een ongewenste
verlenging van de procedure. In dezelfde
lijn als die van het bij artikel 12
toegelichte uitstelbeleid is uiterste
terughoudendheid ook hier op haar plaats. Door
partijen en andere betrokkenen zoveel
mogelijk in de gelegenheid te
stellen hun agenda aan de voornemens van de
rechtbank aan te passen, wordt de
noodzaak om om uitstel te
verzoeken, zo mag worden aangenomen,
beperkt. Om die reden is het
aanbevelenswaardig dat de rechtbank de
uitnodiging of oproeping voor de
zitting in de regel reeds verzendt
voordat de termijn, bedoeld in artikel 8:56
van de Awb, aanvangt. Ook een
vooraankondiging van de zittingsdatum, al dan niet in het kader van
de dertienwekenmededeling van artikel 7, kan daarbij nuttig zijn. In
voorkomend geval zal een verzoek om
verdaging dan ook zodanig tijdig
kunnen worden gedaan dat, bij
inwilliging van dat verzoek, met
inachtneming van artikel 8:56 van de Awb nog een andere zaak in de plaats
van de uitgestelde zaak kan worden
geagendeerd.
Artikel
14, tweede lid
Partijen blijken er
behoefte aan te hebben om te weten of een
zaak door een enkelvoudige of een
meervoudige kamer wordt behandeld.
Aan die behoefte aan informatie
kan op eenvoudige wijze worden voldaan door hierover in de
kennisgeving uitsluitsel te geven. De vermelding
dat een zaak enkelvoudig of meervoudig
wordt behandeld, voorkomt
verder dat partijen ter zitting worden
verrast door de samenstelling van de
rechtbank.
Artikel
14, derde lid
Het derde lid voorkomt
dat partijen eerst ter zitting worden
geconfronteerd met het feit dat de
rechtbank heeft besloten zaken te
voegen of te splitsen. Indien de
rechtbank al eerder, al dan niet op verzoek
van één of meer partijen, tot
voeging of splitsing van zaken heeft besloten
en daarvan is mededeling
gedaan aan partijen, is een
vermelding in de uitnodiging of oproeping voor de
zitting uiteraard niet nodig.
Voor de goede orde wordt
opgemerkt dat ook nog tijdens de
zitting kan worden besloten tot
voeging of splitsing.
Artikel
14, vierde lid
Een verzoek om verdaging
van de behandeling ter zitting
dient op dezelfde wijze benaderd
te worden als een verzoek om verlenging
van een door de
rechtbank gestelde termijn. Aan een verzoek om
verdaging hoeft echter niet de eis te
worden gesteld dat het binnen de in
artikel 8:56 van de Awb genoemde termijn
wordt gedaan. Wel kan als eis
worden gesteld dat het zo
spoedig mogelijk na opkomst van de reden
van verhindering wordt gedaan.
Artikel
15, eerste lid
Een beslissing tot
schorsing van het onderzoek ter zitting is
veelal een belangrijk moment in de
procedure. In de regel krijgen
partijen van die beslissing kennis op het
moment dat zij wordt genomen. Dat is
slechts anders indien niet alle
partijen ter zitting aanwezig waren.
Daarom is in artikel 15, eerste lid,
bepaald dat in dat geval de griffier, en
wel binnen twee weken, aan partijen
mededeling doet van de schorsing en
van de wijze waarop het onderzoek
wordt voortgezet. De regeling sluit aan bij
het stelsel van artikel 8:68 van de Awb. Voor deze
tussenbeslissing zal een standaardmodel worden
opgesteld.
Het staat de
rechtbank uiteraard vrij, indien dat
bijvoorbeeld voor de duidelijkheid nodig is,
ook in andere gevallen een dergelijke
mededeling aan partijen te doen
toekomen. Evenzeer staat het de
rechtbank vrij te bepalen of een
proces-verbaal van de zitting wordt
opgemaakt en aan partijen gezonden.
Artikel
15, tweede lid
Ook een beslissing tot
heropening van het onderzoek is een
belangrijk moment in de procedure.
Artikel 8:68, tweede lid, van de Awb bepaalt daarom dat de griffier
van de beslissing tot heropening en van de
wijze waarop het onderzoek
wordt voortgezet, zo spoedig mogelijk
mededeling doet aan partijen. De
onderhavige bepaling stelt een
termijn van twee weken voor de verzending
van die mededeling.
Ook voor deze
tussenbeslissing zal een standaardmodel worden
opgesteld.
Ook hier geldt dat het de
rechtbank vrijstaat te bepalen of
een proces-verbaal van de zitting wordt
opgemaakt en aan partijen gezonden.
Artikel 16
In de praktijk kom het
nogal eens voor dat zaken ten
aanzien waarvan partijen toestemming
hebben gegeven voor het achterwege laten
van de zitting (artikel 8:57 van de Awb)
of van de nadere zitting (artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb) blijven
liggen, omdat de wet voor deze
gevallen niet voorziet in een termijn
voor het nemen van een beslissing
omtrent het sluiten van het
onderzoek. Aldus wordt in de wet geen
moment gefixeerd waarop het
onderzoek wordt gesloten, zodat ook
het begin van de termijn, bedoeld
in artikel 8:66, eerste lid, van de Awb, niet kan worden vastgesteld. In
deze lacune wordt door het eerste
lid, eerste volzin, voorzien. Een termijn van
vier weken moet toereikend
worden geacht voor het nemen van
een verantwoorde beslissing ter zake. In de tweede volzin is bepaald
dat de
rechtbank vervolgens de beslissing
binnen twee weken aan partijen
mededeelt. Daarbij dient te worden
vermeld de datum waarop het
onderzoek is gesloten.
In het tweede lid is een
regeling getroffen voor het geval waarin de rechtbank, ondanks de
door partijen gegeven toestemming,
termen aanwezig acht om toch niet tot
sluiting van het onderzoek over te
gaan. Dat zal zich met name voordoen
indien partijen toch nog nadere
opmerkingen hebben gemaakt of de
toestemming niet ongeclausuleerd is
gegeven. In een dergelijk geval zal
alsnog een zitting moeten plaatsvinden. Het
tweede lid strekt ertoe dat de
rechtbank de zaak alsdan met enige
spoed voor zitting zal agenderen. De
mededeling dient tegelijk met de
mededeling, bedoeld in het eerste
lid, tweede volzin, te worden gedaan.
Na het sluiten van het
onderzoek vindt artikel 8:66 van de Awb toepassing. Op grond van dit artikel
doet de rechtbank binnen zes
weken na sluiting van het onderzoek
schriftelijk uitspraak. In bijzondere
gevallen kan de rechtbank deze termijn
met ten hoogste zes weken
verlengen. Hiervan worden partijen op de
hoogte gesteld bij de mededeling. De
mededeling dient tegelijk met de
mededeling, bedoeld in het eerste
lid, tweede volzin, te worden gedaan.
Artikel 17
Hoewel het zeer ongewenst
is, komt het voor dat er niet
binnen de in de Awb vastgestelde termijn
uitspraak wordt gedaan. Voor dat
geval voorziet de regeling erin dat
partijen in elk geval op de hoogte
worden gesteld van de datum
waarop zij uitspraak op zijn laatst kunnen
verwachten.
Artikel 18
Op grond van
artikel 8:1,
eerste lid, in verbinding met artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb kan beroep worden ingesteld tegen
het niet tijdig nemen van een beslissing
op bezwaar. Een dergelijk beroep is uitsluitend gericht op het alsnog verkrijgen van een
reëel, inhoudelijk besluit.
Deze benadering is uitdrukkelijk verwoord in de
uitspraak van de ABRvS [Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State, red.] van 3
december 1998, JB 1999, 13, en AB 1999, 107. In dit artikel wordt een
praktische invulling gegeven aan deze interpretatie van artikel 6:2,
aanhef en onder b. De door de
rechter te verrichten toetsing is
meestal eenvoudig. Naast de beoordeling van
de ontvankelijkheid (is het beroep niet te vroeg ingesteld - artikel 6:10 van de
Awb
- of is het
beroepschrift niet onredelijk laat ingediend - artikel 6:12 van de
Awb
- ) is
de toetsing in de meeste gevallen
beperkt tot de vraag of verweerder de
voor het nemen van een beslissing
op bezwaar gestelde termijn heeft
overschreden. Is dat het geval, dan is
daarmee in de meeste gevallen tevens
gegeven dat het beroep - kennelijk - gegrond is, zodat het kan worden
afgedaan met toepassing van artikel
8:54 van de Awb. Het eerste lid stelt
daarom voorop dat dergelijke
beroepen zo mogelijk, dat wil zeggen
indien naar het oordeel van de
rechtbank sprake is van een "kennelijk"
gegrond beroep, worden behandeld met
toepassing van artikel 8:54 van de Awb. Binnen vier weken na ontvangst
van de op de zaak betrekking hebbende
stukken, welke in dit geval
beperkt kunnen blijven tot die stukken
die nodig zijn om te kunnen beoordelen
of inderdaad sprake is van
overschrijding van de beslistermijn, doet de
rechtbank dan uitspraak.
Overigens staat het
bepaalde in dit lid niet in de weg aan de praktijk waarbij de rechtbank
voordat een besluit ingevolge artikel
8:54 van de Awb
wordt genomen het
bestuursorgaan middels bijvoorbeeld het
houden van een comparitie
aanspoort alsnog een reëel, inhoudelijk
besluit te nemen.
Ligt de zaak naar het
oordeel van de rechtbank minder
eenvoudig en is dus geen sprake van een "kennelijk" gegrond beroep, dan wordt
op grond van het tweede lid het
beroep met toepassing van artikel
8:52 van de Awb
versneld behandeld.
Naar de praktijk bij een aantal
rechtbanken heeft uitgewezen, gaat van
deze werkwijze tevens de nodige druk op
het bestuursorgaan uit om
alsnog, hangende het beroep tegen het
uitblijven van de beslissing op
bezwaar, met een reëel, inhoudelijk
besluit te komen. Dan doet de rechtbank
uitspraak binnen dertien weken na de
ontvangst van de op de zaak
betrekking hebbende stukken.
In het vierde lid wordt een andere regeling
getroffen voor belastingzaken. Deze regeling wordt ingegeven door
jurisprudentie van de Hoge Raad. De rechter
hoeft zich in belastingzaken niet te beperken tot de vraag of het
bestuursorgaan de voor het nemen van een besluit gestelde termijn heeft
overschreden, maar mag het geschil inhoudelijk beoordelen (zie
bijvoorbeeld HR 1 maart 2002, BNB 2002/168).
De toetsing van een beroep tegen het niet tijdig beslissen op het
bezwaar is daardoor (meestal) in de regel niet eenvoudig, zodat
afdoening zonder zitting niet in de rede ligt, tenzij de indiener van
het beroepschrift uitsluitend om een bevel tot beslissen heeft gevraagd.
Artikel 19
Teneinde ook de
verzetprocedure zoveel mogelijk te
uniformeren, worden in het eerste lid de
artikelen 1, eerste en tweede lid, 2, 4,
12, 14, tweede tot en met zesde
lid, en 15 daarop van
overeenkomstige toepassing verklaard op de
verzetprocedure. Daaruit volgt onder meer
dat alle partijen, met inbegrip
van eventuele derden-belanghebbenden
die in de gelegenheid zijn gesteld
als partij aan het geding deel te nemen,
op de hoogte worden gesteld van
het feit dat verzet is gedaan.
Het is, met het oog op en
eventuele voortzetting van de zaak,
wenselijk dat verzetschriften zo
snel mogelijk worden behandeld. De
behandelingstermijn kan kort zijn, omdat het
in de regel om een relatief
eenvoudige beoordeling gaat. In
verband hiermee wordt in het tweede lid
de totale behandelingsduur van de verzetprocedure aan een maximum gebonden. Indien uitspraak zonder
zitting wordt gedaan, dient dit binnen
dertien weken na ontvangst van
het verzetschrift te worden gedaan. Indien
een zitting plaatsvindt,
wordt deze gehouden binnen dertien weken na
ontvangst van het verzetschrift. Vervolgens is artikel
8:66 van de Awb van toepassing.
Artikel 20
Tegen uitspraken kan
worden opgekomen door het instellen van
gewone rechtsmiddelen (hoger
beroep en verzet), dan wel het buitengewone rechtsmiddel van
herziening. In de praktijk wordt de
behoefte gevoeld aan een mogelijkheid om
kennelijke fouten buiten het
aanwenden van genoemde rechtsmiddelen
om te (laten) corrigeren door
de
rechtbank. Met de term "kennelijke
fout" is aansluiting gezocht bij de in het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering voorkomende, met deze
bepaling vergelijkbare regeling.
Blijkens uitspraak van de
Afdeling bestuursrechtspraak (van
26 maart 2003, LJN-nummer AF6393, zaaknr. 2002424/1) kan een
dergelijke correctie niet bij griffiersbrief
worden gedaan, maar dient dit
door de rechter te geschieden die de
uitspraak waarvan correctie wordt
verzocht, heeft gedaan. Is
ondertekening door deze rechter niet
mogelijk, dan zou de praktijk zich kunnen
redden met de ondertekening door een
collega-rechter, waarbij wordt aangegeven "bij verhindering van ... voor deze".
Een gerectificeerde
uitspraak wordt aan alle partijen
gezonden. Zo nodig kunnen verstrekte grossen
van de uitspraak worden teruggevraagd.
Artikel
21
De Algemene
wet inzake rijksbelastingen (Awr) kent in artikel 27g
een van artikel 8:79 Awb
afwijkende bepaling over het verstrekken van afschriften en uittreksels
aan anderen dan partijen. De
rechtbank kan er ook zelf voor
kiezen een uitspraak op www.rechtspraak.nl
te publiceren. Voor een dergelijke vrijgave aan derden dient machtiging
te zijn verleend. Die machtiging kan ingevolge het tweede lid van artikel
27g Awr slechts achterwege blijven indien één van de partijen
dat heeft verzocht. In navolging van de procesregeling bij de gerechtshoven
is aangegeven dat een dergelijk verzoek moet worden gemotiveerd en
wanneer dat verzoek uiterlijk dient te worden gedaan.
Artikel
22, derde lid
De regeling zoals deze
met ingang van 1 januari 2005 luidt, kan zonder bezwaar onmiddellijk
worden toegepast ook op reeds aanhangige zaken, omdat de per 1 januari
2005 aangebrachte wijzigingen enkel zien op belastingzaken (en deze
zaken zich eerst na 1 januari 2005 zullen voordoen). Daarom voorziet artikel
22, derde lid, niet in bepalingen van overgangsrecht die een inbreuk
maken op de directe werking. Uiteraard is directe werking alleen aan de
orde in relatie tot de fase waarin een zaak zich bevindt en kan geen
sprake zijn van terugwerkende kracht.
|
|