|
Raad voor de rechtspraak
Een
met deze regeling overeenkomende regeling is vastgesteld door de
rechtbank Alkmaar in de
vergadering van het gerechtsbestuur van 27 mei 2008, rechtbank
Almelo in de vergadering van het gerechtsbestuur van 28 mei 2008,
rechtbank Amsterdam in de vergadering van het gerechtsbestuur van 5 juni
2008, rechtbank Arnhem in de vergadering van het
gerechtsbestuur van 26 mei 2008, rechtbank Assen in de vergadering
van het gerechtsbestuur van 23 mei 2008, rechtbank Breda in de
vergadering van het gerechtsbestuur van 29 mei 2008, rechtbank
Dordrecht in de vergadering van het gerechtsbestuur van 27 mei 2008,
rechtbank Groningen in de vergadering van het gerechtsbestuur van 21 mei
2008, rechtbank 's-Gravenhage in de vergadering van het
gerechtsbestuur van 20 mei 2008, rechtbank Haarlem in de vergadering
van het gerechtsbestuur van 26 mei 2008, rechtbank ’s-Hertogenbosch
in de vergadering van het gerechtsbestuur van 27 mei 2008,
rechtbank Leeuwarden in de vergadering van het gerechtsbestuur van 26
mei 2008, rechtbank Maastricht in de vergadering van het
gerechtsbestuur van 27 mei 2008, rechtbank Middelburg in de
vergadering van het gerechtsbestuur van 26 mei 2008, rechtbank
Roermond in de vergadering van het gerechtsbestuur van 3 juni 2008,
rechtbank Rotterdam op 27 mei 2008, rechtbank Utrecht in de
vergadering van het gerechtsbestuur van 27 mei 2008, rechtbank
Zutphen op 16 mei 2008 en door rechtbank Zwolle in de vergadering
van het gerechtsbestuur van 10 juni 2008.
Modelregeling,
vastgesteld in het landelijk overleg voorzitters sectoren bestuursrecht
d.d. 16 april 2008,
houdende richtlijnen voor het behandelen van algemeenbestuursrechtelijke,
vreemdelingenrechtelijke en fiscaalrechtelijke zaken bij de sectoren
bestuursrecht van de rechtbanken.
Deze procesregeling heeft betrekking op (de voortgang van de procedure
in) algemeenbestuursrechtelijke, vreemdelingenrechtelijke en
fiscaalrechtelijke zaken bij de sectoren bestuursrecht van de rechtbanken. Ieder gerechtsbestuur heeft voor het eigen gerecht een met
deze modelregeling overeenkomende procesregeling vastgesteld. De data
waarop dat is gebeurd, staan vermeld in de Staatscourant.
HOOFDSTUK
1
Algemeen
Art. 1.
Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. een belastingzaak: een zaak waarop het procesrecht van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen van toepassing is;
b. een vreemdelingenzaak: een zaak waarin de
rechtbank ’s-Gravenhage
ingevolge artikel 71 van de Vreemdelingenwet
2000 (Vw 2000) bevoegd is;
c. een vrijheidsontnemende maatregel: een besluit tot oplegging van een
vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikelen 6, 58 en 59
van de Vw 2000;
d. een eerste beroep (inzake een vrijheidsontnemende maatregel): een
beroep waarop artikel 94 van de Vw
2000 van toepassing is;
e. een vervolgberoep (inzake een vrijheidsontnemende maatregel): een
beroep waarop artikel 96 van de Vw
2000 van toepassing is;
f. een AC-zaak: een voorlopigevoorzieningszaak over een afwijzing van
een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor
bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw
2000, waarop artikel
3.117 van het Vreemdelingenbesluit
2000 is toegepast;
g. een Dublinzaak: een voorlopigevoorzieningszaak over een afwijzing van
een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw
2000, krachtens artikel 30,
aanhef en onder a, van de Vw
2000;
h. Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken: het onderdeel van de
rechtbank
’s-Gravenhage (nevenzittingsplaats Haarlem) dat is
aangewezen voor het indienen van beroepschriften en verzoekschriften in
een vreemdelingenzaak, een zaak over een besluit als bedoeld in artikel
3a van de Wet
Centraal Orgaan opvang asielzoekers en een zaak over een
besluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet
arbeid vreemdelingen.
Art. 2.
De verzending van
stukken door de rechtbank (de artikelen 8:37 en 8:38 van de
Awb)
-1. De griffier verzendt de uitnodiging voor de zitting aangetekend of
met bericht van ontvangst of per fax, tenzij de rechtbank anders
bepaalt.
-2. De griffier verzendt stukken waarin (de griffier van) de rechtbank
een laatste termijn stelt voorafgaande aan mogelijke vereenvoudigde
afdoening, eveneens aangetekend of met bericht van ontvangst of per fax.
-3. De griffier verzendt stukken waarop artikel
8:37, tweede lid, van de
Awb betrekking heeft bij gewone brief of per fax, tenzij de rechtbank
anders bepaalt.
Art. 3.
De gemachtigde (de
artikelen 6:17 en 8:24 van de
Awb)
Indien een partij zich door een gemachtigde laat bijstaan of
vertegenwoordigen, richt de rechtbank correspondentie en zendt de op de
zaak betrekking hebbende stukken uitsluitend aan die gemachtigde. Een
oproeping van een partij zendt de rechtbank, voor zover het
desbetreffende adres bekend is, aan die partij zelf. Zij stelt de
gemachtigde daarvan in kennis.
Art. 4.
Uitstel van een
door de rechtbank gestelde termijn
-1. De rechtbank verlengt een door haar gestelde termijn slechts in
uitzonderlijke omstandigheden en indien daarom binnen die termijn
schriftelijk en gemotiveerd is verzocht.
-2. De rechtbank deelt haar beslissing op het verzoek om uitstel aan
de verzoeker mee binnen één week na ontvangst van dit verzoek.
-3. Indien de rechtbank een verzoek om uitstel inwilligt, geeft zij aan
de verzoeker een nadere termijn van ten hoogste vier weken na de
verzending van de mededeling, bedoeld in het tweede lid.
-4. De rechtbank wijst een volgend verzoek om verlenging van een gestelde
termijn dat betrekking heeft op dezelfde aangelegenheid in beginsel af.
Art. 5.
Openbare stukken
-1. Indien een partij een beroep doet op stukken van algemene aard
(inclusief rechterlijke uitspraken) behoeft zij daarvan geen kopie over
te leggen indien zij de vindplaats vermeldt en die vindplaats openbaar
is.
-2. In een vreemdelingenzaak, een zaak over een besluit als bedoeld in
artikel 3a van de Wet
Centraal Orgaan opvang asielzoekers en een zaak
over een besluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet
arbeid vreemdelingen merkt de rechtbank in ieder geval de bronnen vermeld in de
lijst die is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl
als openbare
vindplaats aan.
Art. 6.
Versnelde
behandeling (artikel 8:52 van de
Awb)
-1. Binnen twee weken na ontvangst van een gemotiveerd verzoek om
versnelde behandeling als bedoeld in artikel 8:52 van de
Awb deelt de rechtbank partijen mee of het verzoek wordt ingewilligd.
-2. In geval van versnelde behandeling kunnen de in deze procesregeling
gestelde termijnen worden verkort, voor zover de wet
dit toelaat.
HOOFDSTUK
2
Het begin van de
procedure
Art. 7.
De
ontvangstbevestiging, de kennisgeving, de berichtgeving, de stukken en
het verweerschrift (de artikelen 6:14 en 8:42 van de
Awb)
-1. De rechtbank verzendt de bevestiging, bedoeld in
artikel 6:14, eerste
lid, van de
Awb, binnen één week nadat het beroepschrift bij de
griffie is ingekomen.
-2. De rechtbank verzendt de kennisgeving, bedoeld in
artikel 6:14,
tweede lid, van de
Awb, binnen één week nadat het beroepschrift bij de
griffie is ingekomen.
-3. In afwijking van het tweede lid verzendt het Centraal Inschrijfbureau
Vreemdelingenzaken in een vreemdelingenzaak de kennisgeving, bedoeld in artikel
6:14, tweede lid, van de
Awb, binnen één werkdag nadat het
beroepschrift bij hem is binnengekomen. De (neven)zittingsplaats waaraan
de zaak is toebedeeld, bericht het bestuursorgaan daarvan binnen één
week dan wel, indien hoofdstuk 9, 11 of
12 van deze regeling van
toepassing is, binnen twee werkdagen nadat het beroepschrift is
ingediend.
-4. Bij de kennisgeving, genoemd in het tweede lid, onderscheidenlijk bij
de berichtgeving, bedoeld in het derde lid, tweede volzin, verzoekt de
rechtbank het bestuursorgaan binnen vier weken de op de zaak betrekking
hebbende stukken in te zenden en een verweerschrift in te dienen. Het
verzoek om indiening van een verweerschrift blijft daarbij achterwege
indien het beroepschrift nog niet de gronden van het beroep bevat. In
dat geval deelt de rechtbank aan het bestuursorgaan mee dat bij de
doorzending van de gronden zal worden verzocht binnen vier weken een
verweerschrift in te dienen.
-5. In een belastingzaak verzoekt de rechtbank, in afwijking van het
vierde lid, pas nadat de indiener van het beroepschrift eventuele
verzuimen heeft hersteld en het verschuldigde griffierecht is ontvangen,
het bestuursorgaan binnen vier weken de op de zaak betrekking hebbende
stukken over te leggen en een verweerschrift in te dienen.
Art. 8.
De
derde-belanghebbende (de artikelen 8:26 en
8:43 van de
Awb)
-1. Indien aanstonds blijkt van een derde-belanghebbende, stelt de
rechtbank hem binnen twee weken na ontvangst van het beroepschrift en de
gronden van het beroep ambtshalve in de gelegenheid als partij aan het
geding deel te nemen. De rechtbank zendt hem het bestreden besluit, het
beroepschrift en de gronden van het beroep. De rechtbank stelt hem een
termijn van twee weken om kenbaar te maken of hij als partij aan het
geding wil deelnemen.
-2. De rechtbank beslist binnen vier weken na ontvangst van een verzoek
van een derde-belanghebbende om als partij aan het geding deel te nemen,
op dat verzoek.
-3. Binnen twee weken nadat is komen vast te staan dat een
derde-belanghebbende als partij aan het geding deelneemt, zendt de
rechtbank hem de op de zaak betrekking hebbende stukken. De rechtbank
stelt hem daarbij in de gelegenheid binnen vier weken een schriftelijke
uiteenzetting over de zaak te geven.
-4. De rechtbank verlengt de in het eerste en derde lid genoemde
termijnen voor zover dat noodzakelijk is vanwege besluitvorming over
beperking van de kennisneming of geheimhouding van stukken of vanwege de
feitelijke uitvoering van een beslissing die de rechtbank daarover heeft
genomen.
Art. 9.
Verwijzing,
voeging en splitsing (de artikelen 8:13 en
8:14 van de
Awb) en
overdracht aan een (neven)zittingsplaats
-1. De rechtbank beslist op een verzoek om verwijzing, voeging of
splitsing als bedoeld in de artikelen 8:13, tweede lid, en
8:14, tweede
lid, van de
Awb binnen vier weken na ontvangst daarvan.
-2. In een vreemdelingenzaak, dan wel een zaak over een besluit als
bedoeld in artikel 3a van de Wet
Centraal Orgaan opvang asielzoekers of
artikel 21 van de Wet
arbeid vreemdelingen, kan een (neven)zittingsplaats
van de rechtbank het beroep in iedere stand van de procedure overdragen
aan een andere (neven)zittingsplaats.
-3. Indien een partij in een vreemdelingenzaak, dan wel een zaak over een
besluit als bedoeld in artikel 3a van de Wet
Centraal Orgaan opvang asielzoekers of artikel 21 van de Wet
arbeid vreemdelingen, verzoekt om
behandeling door een andere (neven)zittingsplaats, beslist de
(neven)zittingsplaats van de rechtbank binnen vier weken op dat verzoek.
HOOFDSTUK
3
De vereisten
voor de procedure
Art. 10.
Herstel van een
verzuim (de artikelen 6:5 en 6:6 van de
Awb)
-1. Indien de rechtbank
vaststelt dat sprake is van een verzuim als
bedoeld in artikel 6:6 van de
Awb, stelt zij de indiener van het
beroepschrift in de gelegenheid het verzuim binnen vier weken te
herstellen. In de brief vermeldt de rechtbank dat het beroep
niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim niet binnen de
gestelde termijn wordt hersteld.
-2. Indien de voorzieningenrechter in een met het beroep samenhangende
voorlopigevoorzieningszaak de indiener van het verzoekschrift in de
gelegenheid stelt een verzuim als bedoeld in het eerste lid te
herstellen binnen een van dat eerste lid afwijkende termijn en bovendien
de indiener van het verzoekschrift en de indiener van het beroepschrift
dezelfde (rechts)persoon is, kan de rechtbank in de beroepszaak de
indiener van het beroepschrift een termijn gelijk aan die in de
voorlopigevoorzieningszaak stellen.
Art. 11.
De machtiging (artikel 8:24 van de
Awb)
Indien de rechtbank van een gemachtigde als bedoeld in artikel 8:24 van
de
Awb een machtiging verlangt, nodigt zij hem schriftelijk uit de
machtiging binnen vier weken in te zenden.
Art. 12.
Het griffierecht
(de artikelen 8:41 en 6:15 van de
Awb)
-1. Na ontvangst van het beroepschrift nodigt de griffier de indiener per
gewone post uit het griffierecht binnen vier weken te voldoen.
-2. Indien na de verzending van de uitnodiging per gewone post de termijn
waarbinnen dient te worden betaald, is verstreken en het verschuldigde
griffierecht niet is ontvangen, verzendt de griffier de mededeling,
genoemd in artikel 8:41, tweede lid, van de
Awb, aangetekend.
-3. Indien na verzending van de mededeling, genoemd in het tweede lid,
het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is bijgeschreven of
gestort, geeft de rechtbank toepassing aan de tweede volzin van artikel
8:41, tweede lid, van de
Awb.
-4. Indien de rechtbank het beroepschrift met toepassing van
artikel 6:15, eerste of tweede lid, van de
Awb doorzendt aan een bestuursorgaan
of aan een andere bestuursrechter dan de sector bestuursrecht van een
andere rechtbank, heft de griffier, voor zover nodig in afwijking van
het eerste tot en met het derde lid, geen griffierecht.
-5. Indien de rechtbank, nadat griffierecht is geheven, het beroepschrift
doorzendt aan of de zaak verwijst naar de sector bestuursrecht van een
andere rechtbank, bericht de doorzendende of verwijzende rechtbank haar
zo spoedig mogelijk over de ontvangst van het griffierecht. De eerste
volzin is van overeenkomstige toepassing op de overdracht van een
vreemdelingenzaak, dan wel een zaak over een besluit als bedoeld in
artikel 21 van de Wet
arbeid vreemdelingen, aan een
(neven)zittingsplaats, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van deze
regeling.
-6. Indien griffierecht is geheven voordat de rechtbank het beroepschrift
doorzendt aan een bestuursorgaan ter behandeling als bezwaarschrift of
administratiefberoepschrift of aan een andere bestuursrechter dan
genoemd in het vijfde lid, eerste volzin, ter behandeling als
beroepschrift, betaalt de griffier het griffierecht na ontvangst terug,
tenzij de doorzending plaatsvindt nadat de rechtbank uitspraak heeft
gedaan.
-7. Indien het beroep niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet
tijdig betalen van het griffierecht, betaalt de griffier het eventueel
na de (laatste) termijn betaalde griffierecht ter zake van dat beroep
terug.
HOOFDSTUK
4
Het
vooronderzoek
Art. 13.
De geheimhouding
en beperking van de kennisneming (artikel 8:29 van de
Awb)
-1. Indien in een verzoek om geheimhouding of beperking van de
kennisneming slechts van delen van de inlichtingen of stukken
geheimhouding of beperking van de kennisneming wordt verzocht, wijst de rechtbank
de verzoeker er zo nodig op dat van hem wordt verwacht dat hij
een versie van de inlichtingen geeft of stukken overlegt die aan de
andere partij(en) mag worden gezonden.
-2. Indien de verzoeker ook beperking van de kennisneming wenst van
(delen van) de motivering van het verzoek om geheimhouding of beperking
van de kennisneming, houdt de rechtbank met dat verzoek slechts rekening
indien hij dat bij het verzoek meedeelt en tevens een versie van zijn
verzoek overlegt die ook aan de andere partijen mag worden gezonden.
-3. De rechtbank kan de andere partij( en) in de gelegenheid stellen
binnen een termijn van twee weken op het verzoek om geheimhouding of
beperking van de kennisneming te reageren. Daarbij neemt de rechtbank
het in het tweede lid bedoelde verzoek om beperking van de kennisneming
van (delen van) de motivering van het verzoek in acht.
-4. Tenzij de rechtbank de partij dan wel het bestuursorgaan of de
werkgever, bedoeld in artikel 8:45, tweede respectievelijk derde lid,
van de
Awb, om nadere toelichting op het verzoek vraagt, deelt zij de
beslissing, bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de
Awb, mee aan
partijen en, voor zover van toepassing, aan het bestuursorgaan of de
werkgever als hiervoor bedoeld:
a. binnen vier weken na ontvangst van het verzoek of;
b. indien toepassing wordt gegeven aan het derde lid, binnen vier weken
na ontvangst van de reactie(s) of het ongebruikt verstrijken van de
reactietermijn.
-5. Indien de rechtbank het verzoek om beperking van de kennisneming
afwijst, stelt de rechtbank de verzoeker in de gelegenheid binnen vier
weken schriftelijk mee te delen welke consequenties hij aan de
beslissing van de rechtbank verbindt. De rechtbank voldoet aan een in
reactie hierop gedaan verzoek tot terugzending van de stukken waarop het
verzoek betrekking heeft.
-6. Indien en voor zover de rechtbank de verzochte beperking van de
kennisneming gerechtvaardigd acht, stelt zij de andere partij(en) in de
gelegenheid, voor zover niet op een eerder moment al toestemming is
verleend, op de voet van artikel 8:29, vijfde lid, van de
Awb de
rechtbank binnen twee weken te berichten of die partij(en) erin toestemt onderscheidenlijk toestemmen dat de rechtbank uitspraak doet
mede op grondslag van de (delen van de) stukken waarvan beperking van de
kennisneming gerechtvaardigd is geacht.
-7. Na de uitspraak op het beroep zendt de rechtbank de stukken waarvan
de kennisneming is beperkt op grond van een beslissing van de rechtbank,
binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak terug aan de partij
die dan wel het bestuursorgaan dat of de werkgever die deze heeft
ingediend.
-8. Het vijfde en zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing op de
in het tweede lid bedoelde motivering waarvan de beperking van de
kennisneming is verzocht.
Art. 14.
De repliek, de
dupliek en de schriftelijke uiteenzetting (artikel 8:43 van de
Awb)
-1. Indien de rechtbank
gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in
artikel 8:43, eerste lid, eerste volzin, van de
Awb, geeft zij aan de
indiener van het beroepschrift een termijn van vier weken om te
repliceren.
-2. Na ontvangst van de repliek stelt de rechtbank het bestuursorgaan in
de gelegenheid binnen vier weken schriftelijk te dupliceren.
-3. De rechtbank stelt dan tevens een derde-belanghebbende die als partij
aan het geding deelneemt (nogmaals) in de gelegenheid binnen vier weken
een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven. Bij toepassing
van artikel 8:52 van de
Awb kan de rechtbank de eerste volzin buiten
toepassing laten.
Art. 15.
Het
deskundigenonderzoek (de artikelen 8:47 en
8:48 van de
Awb)
-1. Indien de rechtbank
gebruikmaakt van de bevoegdheid, bedoeld in
artikel 8:47, derde lid, tweede volzin, van de
Awb, geeft zij aan
partijen een termijn van twee weken om hun wensen omtrent het onderzoek
aan haar kenbaar te maken.
-2. De termijn, genoemd in artikel
8:47, vierde lid, van de
Awb, bedraagt
ten hoogste dertien weken.
-3. De rechtbank zendt het verslag, bedoeld in
artikel 8:47, vierde lid,
van de
Awb, aan partijen binnen één week na ontvangst daarvan, onder
verwijzing naar de mogelijkheid van partijen, bedoeld in artikel
8:47,
vijfde lid, van de
Awb.
-4. De rechtbank legt de ingekomen reacties binnen twee weken voor
commentaar voor aan de deskundige, tenzij het commentaar daarvoor geen
aanleiding geeft. De rechtbank geeft de deskundige daarbij een termijn
van ten hoogste vier weken om zijn nader verslag in te dienen. Met
overeenkomstige toepassing van het derde lid zendt de rechtbank dat
nader verslag aan partijen.
HOOFDSTUK
5
Het onderzoek
ter zitting
Art. 16.
De uitnodiging of
oproeping voor de zitting (de artikelen 8:56 en 8:59 van de
Awb)
-1. De rechtbank zendt partijen en, voor zover van toepassing, getuigen
en deskundigen de uitnodiging of oproeping om op een zitting van de
rechtbank te verschijnen ten minste zes weken vóór de datum van de
zitting. Indien dat noodzakelijk is, kan de rechtbank de eerste volzin,
met inachtneming van artikel 8:56 van de
Awb, buiten toepassing laten.
-2. In de uitnodiging of oproeping vermeldt de rechtbank of de zaak door
een enkelvoudige of een meervoudige kamer wordt behandeld. Tevens
vermeldt de rechtbank hierin de naam onderscheidenlijk namen van de
rechter(s).
-3. Indien de rechtbank een partij oproept, vermeldt zij in de oproeping
zo mogelijk de reden waarom de partij wordt opgeroepen. Zij stelt ook de
wederpartij(en) van die redengeving in kennis.
-4. Indien de rechtbank zaken ter zitting gevoegd of gesplitst behandelt
en zij daarvan niet eerder mededeling heeft gedaan, doet zij daarvan
mededeling in de uitnodiging of oproeping.
-5. Tenzij de datum van behandeling al na overleg met partijen is
bepaald, stelt de rechtbank, met vermelding hiervan in de uitnodiging of
oproeping, partijen bij de eerste uitnodiging of oproeping voor de
zitting in de gelegenheid gedurende één week na verzending van die
uitnodiging of oproeping wegens verhindering om een andere datum te
verzoeken, onder vermelding van verhinderdata in de periode van zes
weken na de geagendeerde zittingsdatum. In dat geval willigt de
rechtbank een verzoek om verdaging steeds in.
-6. De rechtbank willigt een verzoek om verdaging, behoudens in de
situatie dat de in het vijfde lid bedoelde mogelijkheid is geboden en
het verzoek is gedaan binnen de in dat lid bedoelde termijn van één
week, slechts in indien daarom zo spoedig mogelijk schriftelijk en
gemotiveerd is verzocht en bovendien sprake is van uitzonderlijke
omstandigheden.
-7. De rechtbank deelt een weigering de zitting te verdagen mee aan de
verzoekende partij binnen één week na ontvangst van dit verzoek.
-8. De rechtbank stelt partijen en eventuele andere betrokkenen binnen
één week in kennis van een beslissing tot verdaging.
-9. Slechts indien de rechtbank een partij aan wie de vrijheid is
ontnomen in persoon oproept, gelast zij ambtshalve het transport.
Art. 17.
Bijstand door een
tolk ter zitting (de artikelen 8:59 en 8:60
van de
Awb)
-1. Bij een eerste beroep inzake een vrijheidsontnemende maatregel zorgt
de rechtbank steeds voor een tolk ter zitting indien betrokkene
tolkbijstand behoeft. In andere zaken zorgt de rechtbank op verzoek voor
een tolk ter zitting indien een partij in persoon is opgeroepen of de
rechtbank ambtshalve getuigen en/of deskundigen wil horen en
tolkbijstand daarvoor nodig is. De tweede volzin vindt geen toepassing
indien betrokkene de vrijheid is ontnomen en hij uitsluitend wordt
opgeroepen omdat hij heeft verzocht te willen worden gehoord.
-2. De rechtbank zorgt op verzoek voor een tolk ter zitting indien de
zaak over een punitieve sanctie gaat en tolkbijstand nodig is om te
garanderen dat degene aan wie de punitieve sanctie is opgelegd het
verhandelde ter zitting kan volgen in een taal die hij verstaat.
Art. 18.
De schorsing (artikel 8:64 van de
Awb)
Indien ter zitting niet alle partijen aanwezig waren en de rechtbank
het
onderzoek ter zitting met toepassing van artikel
8:64, eerste lid, van
de
Awb heeft geschorst, doet de griffier binnen twee weken na die
zitting mededeling aan partijen van de schorsing en van de wijze waarop
het onderzoek wordt voortgezet.
Art. 19.
De sluiting van
het onderzoek na schorsing en heropening met toestemming een nadere
zitting achterwege te laten (de artikelen 8:57 en
8:64 van de
Awb)
Binnen vier weken nadat partijen toestemming als bedoeld in artikel
8:57, eerste volzin, onderscheidenlijk artikel
8:64, vijfde lid, eerste
volzin, van de
Awb hebben gegeven, deelt de rechtbank de beslissing
omtrent de sluiting van het onderzoek aan partijen mee.
HOOFDSTUK
6
De uitspraak
Art. 20.
De termijn voor
de schriftelijke uitspraak (artikel 8:66 van de
Awb)
Indien de rechtbank de termijn, genoemd in artikel
8:66, tweede lid, van
de
Awb, overschrijdt, doet zij aan partijen hiervan mededeling onder
vermelding van de datum waarop uiterlijk uitspraak wordt gedaan.
Art. 21.
De grosse (artikel 8:76 van de
Awb en artikel 430 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering)
-1. De griffier verstrekt kosteloos en bij aangetekende brief aan iedere
partij op verzoek niet meer dan eenmaal een grosse van een uitspraak.
Daarbij worden gezamenlijk procederende personen als één partij
aangemerkt.
-2. Een door de rechtbank
verstrekte grosse is een afschrift van de
uitspraak, opgemaakt in de voor afschriften gebruikelijke vorm,
behoudens de volgende afwijkingen. Aan het hoofd plaatst de griffier de
woorden: "IN NAAM DER KONINGIN".
Aan het slot plaatst de griffier de woorden: "Uitgegeven voor
eensluidend afschrift en GROSSE aan (verzoeker) te (woonplaats) op heden
(datum), de griffier,". Deze slotformule wordt gevolgd door een afdruk
van het stempel van de rechtbank en de handtekening van degene die de
grosse afgeeft. Gelijktijdig met de ondertekening van de grosse plaatst
de griffier op het voorblad van het origineel (de minuut) van de
uitspraak met inkt de aantekening: "GROSSE
afgegeven aan (verzoeker) te (woonplaats) op heden (datum), de griffier".
Deze aantekening waarmerkt de griffier met een paraaf.
Art. 22.
Publicatie van
een uitspraak in een belastingzaak (artikel 27g van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen)
In een belastingzaak beslist de rechtbank op een door een partij gedaan
verzoek als bedoeld in artikel 27g, tweede lid, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen om de uitspraak niet vrij te geven aan anderen
dan partijen alleen inhoudelijk, indien die partij dat verzoek uiterlijk
ter zitting en gemotiveerd doet.
HOOFDSTUK
7
Het niet tijdig
nemen van een besluit
Indien afdeling 8.2.4a
van
de
Awb (de Wet dwangsom en beroep
bij niet tijdig beslissen,
Kamerstukken I 2005-2006, 29 934, A) van
toepassing is op een beroep tegen het niet
tijdig beslissen, wordt artikel 24 van deze
regeling toegepast. In alle andere
gevallen wordt op een beroep tegen
het niet tijdig beslissen artikel 23
van deze regeling toegepast.
Art. 23.
Het beroep tegen
het niet tijdig nemen van een besluit
(de artikelen 6:2 en 6:20 van de
Awb)
-1. Indien beroep is
ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een
besluit, behandelt de rechtbank, los
van het antwoord op de vraag of
daarna wordt beslist tot toepassing
van de vereenvoudigde behandeling,
bedoeld in artikel 8:54 van de
Awb,
het beroep versneld met
toepassing van artikel 8:52 van de
Awb. Dit
wordt partijen meegedeeld in de
ontvangstbevestiging onderscheidenlijk de
kennisgeving, bedoeld in artikel 6:14,
eerste en tweede lid, van de
Awb.
-2. De rechtbank behandelt
het beroep zo mogelijk met toepassing
van artikel 8:54 van de
Awb. In dat
geval doet de rechtbank uitspraak
binnen vier weken na ontvangst van
de op de zaak betrekking hebbende
stukken of nadat deze termijn voor het
inzenden van de stukken ongebruikt is
verstreken.
-3. In andere gevallen doet
de rechtbank uitspraak binnen dertien
weken na ontvangst van de op de
zaak betrekking hebbende stukken
of nadat de termijn voor het
inzenden van de stukken ongebruikt is
verstreken.
-4. Indien het bestuursorgaan
alsnog een besluit neemt en dat aan
de rechtbank heeft gezonden voordat de rechtbank uitspraak heeft
gedaan, behandelt de rechtbank het
beroep verder op de gewone wijze.
-5. In een belastingzaak kan
de rechtbank het eerste tot en met derde
lid buiten toepassing laten en
het beroep op de gewone wijze
behandelen.
Art. 24.
Het beroep tegen
het niet tijdig nemen van een besluit
met toepassing van afdeling 8.2.4a van de Awb (de artikelen
6:2, 6:20
en 8:55a tot en met 8:55e van de
Awb)
-1. Indien beroep is
ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een
besluit, behandelt de rechtbank, los
van het antwoord op de vraag of
daarna wordt beslist tot toepassing
van de vereenvoudigde behandeling,
bedoeld in artikel 8:54 van de
Awb,
het beroep versneld met
toepassing van artikel 8:52 van de
Awb. Dit
wordt partijen meegedeeld in de
ontvangstbevestiging onderscheidenlijk de
kennisgeving, bedoeld in artikel 6:14,
eerste en tweede lid, van de
Awb.
-2. Indien beroep is
ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een
besluit en sprake is van een verzuim
als bedoeld in artikel 6:5 van de
Awb,
stelt de rechtbank in afwijking van
artikel 10, eerste lid, van deze
regeling de indiener van het beroepschrift in de
gelegenheid het verzuim binnen twee weken te herstellen. In de
brief vermeldt de rechtbank dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden
verklaard indien het verzuim niet
binnen de gestelde termijn wordt
hersteld.
-3. Bij de kennisgeving,
genoemd in artikel 7, tweede lid, van
deze regeling verzoekt de rechtbank in
afwijking van artikel 7, vierde lid,
eerste volzin, het bestuursorgaan
binnen twee weken de op de zaak
betrekking hebbende stukken in te
zenden en een verweerschrift in te dienen.
In de brief deelt de rechtbank het
bestuursorgaan mee dat indien het
bestuursorgaan hieraan niet of niet geheel voldoet, op het beroep zal
worden beslist op grondslag van de
beschikbare stukken.
-4. Indien de rechtbank het
beroep ter zitting behandelt, zendt
zij, in afwijking van artikel 16, eerste lid,
eerste volzin, van deze regeling,
partijen de uitnodiging of oproeping om
op een zitting van de rechtbank te
verschijnen ten minste twee weken vóór
de datum van de zitting. In dat
geval doet de rechtbank binnen
twee weken na de zitting uitspraak.
-5. Binnen één week nadat
een verzet gegrond is verklaard als
bedoeld in artikel 8:55e, derde lid,
van de
Awb geeft de rechtbank
toepassing aan het vierde lid, eerste volzin.
In dat geval doet de rechtbank binnen
twee weken na de zitting uitspraak.
-6. Indien het bestuursorgaan
alsnog een besluit neemt en dat aan
de rechtbank heeft gezonden voordat de rechtbank uitspraak heeft
gedaan, behandelt de rechtbank het
beroep verder op de gewone wijze.
-7. In een belastingzaak kan
de rechtbank het eerste tot en met vijfde
lid buiten toepassing laten en
het beroep op de gewone wijze
behandelen.
HOOFDSTUK
8
Het verzet
Art. 25.
Het verzet (artikel 8:55 van de
Awb)
-1. De rechtbank behandelt
een verzet met overeenkomstige
toepassing van de artikelen 2, 3, 4,
5, 7,
eerste en tweede lid, 16, tweede tot
en met negende lid, en 17 van deze
regeling.
-2. Indien de rechtbank
vaststelt dat sprake is van een verzuim
als bedoeld in artikel 6:6 van de
Awb,
stelt zij de indiener van het
verzetschrift in de gelegenheid het verzuim
binnen twee weken te herstellen. In de
brief vermeldt de rechtbank dat het verzet niet-ontvankelijk kan worden
verklaard indien het verzuim niet
binnen de gestelde termijn wordt
hersteld.
-3. Indien de rechtbank de
indiener van het verzetschrift in de
gelegenheid stelt ter zitting te worden
gehoord, zendt zij de kennisgeving
daarvan ten minste drie weken vóór de
datum van de zitting aan de indiener
en stelt zij de overige partijen in de
bodemzaak daarvan op de hoogte.
-4. De rechtbank behandelt
het verzet binnen dertien weken na
ontvangst van het verzetschrift ter
zitting of doet binnen deze termijn
zonder zitting uitspraak.
HOOFDSTUK
9
De
vrijheidsontnemende maatregel
Art. 26.
Toepassingsbereik
van dit hoofdstuk
-1. Dit hoofdstuk is van
toepassing op een zaak over een
vrijheidsontnemende maatregel.
-2. Indien dit hoofdstuk van
toepassing is, zijn naast dit hoofdstuk slechts de artikelen
1, 2, 3, 5, 7, derde lid,
9, tweede en derde lid, 16, tweede en negende lid,
17, 21 en 49
van deze regeling van toepassing.
Art. 27.
De
ontvangstbevestiging (artikel 6:14 van de
Awb)
De rechtbank verzendt de
bevestiging, bedoeld in artikel 6:14,
eerste lid, van de
Awb, binnen twee
werkdagen nadat het beroepschrift is
ingediend.
Art. 28.
De toevoeging van
een raadsman (de artikelen 100
en 101 van de Vw 2000)
De rechtbank voegt, zowel
bij een eerste beroep als bij een
vervolgberoep, ambtshalve aan de
vreemdeling een raadsman toe als bedoeld
in de artikelen 100 en 101 van de Vw
2000, tenzij vaststaat dat de
vreemdeling zelf een raadsman heeft
gekozen. Onder dit laatste wordt
tevens verstaan de situatie dat de
vreemdeling al wordt bijgestaan door een raadsman die op verzoek van die
vreemdeling door het bureau
rechtsbijstandvoorziening aan de vreemdeling is toegevoegd.
Art. 29.
De op de zaak
betrekking hebbende stukken in een
eerste beroep (artikel 8:42 van de
Awb en
artikel 94 van de Vw 2000)
-1. De rechtbank verzoekt het bestuursorgaan indien het om
een eerste beroep gaat, de op de
zaak betrekking hebbende stukken, bedoeld in artikel 8:42 van
de
Awb en artikel 94, tweede lid,
vierde volzin, van de Vw
2000, in te zenden
op zodanig tijdstip dat deze
uiterlijk op de derde werkdag vóór de zitting om 16:00 uur worden ontvangen.
-2. De rechtbank verzoekt het bestuursorgaan een afschrift
van deze stukken gelijktijdig ook aan
de raadsman van de vreemdeling te zenden
en daarvan mededeling te doen
aan de rechtbank.
Art. 30.
De inlichtingen
betreffende een vervolgberoep (artikel
96 van de Vw 2000)
-1. Indien het om een
vervolgberoep gaat, zendt de rechtbank het beroepschrift aan het
bestuursorgaan en stelt zij het
bestuursorgaan in de gelegenheid binnen drie
werkdagen na die verzending inlichtingen
te verstrekken die van belang zijn voor de beoordeling van de zaak (de
zogenoemde voortgangsrapportage).
-2. De rechtbank verzoekt het bestuursorgaan een afschrift
van deze stukken ook aan de raadsman
van de vreemdeling te zenden en
daarvan mededeling te doen aan de
rechtbank.
-3. Na ontvangst van de in
het eerste lid bedoelde inlichtingen
stelt de rechtbank de vreemdeling in
de gelegenheid binnen twee werkdagen schriftelijk op deze
inlichtingen te reageren en zich uit te
laten over de noodzaak van behandeling van
het vervolgberoep ter zitting.
De rechtbank neemt een verzoek de
vreemdeling in persoon op te roepen in behandeling indien de
vreemdeling uiterlijk bij het geven van
deze reactie daarom verzoekt.
HOOFDSTUK
10
De voorlopige
voorziening in een vreemdelingenzaak
Art. 31.
Toepassingsbereik
van dit hoofdstuk
-1. Dit hoofdstuk is van
toepassing op een zaak over een verzoek om
voorlopige voorziening in een
vreemdelingenzaak, niet zijnde een AC-zaak of een Dublinzaak, en een zaak
over een besluit als bedoeld in
artikel 3a van de Wet
Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
-2. Indien dit hoofdstuk van
toepassing is, zijn naast dit hoofdstuk slechts de artikelen
1, 2, 3, 5, 7, eerste en derde lid,
9, tweede en
derde lid, 16, negende lid, 17, 21 en
49 van deze regeling van
(overeenkomstige) toepassing.
Art. 32.
Herstel van een
verzuim (artikel 8:81, vierde lid,
gelezen in samenhang met de artikelen
6:5 en 6:6 van de
Awb)
-1. Indien de
voorzieningenrechter vaststelt dat sprake is van
een verzuim als bedoeld in artikel 6:6
van de
Awb, stelt hij de indiener
van het verzoekschrift in de gelegenheid het
verzuim binnen twee weken te
herstellen. Deze termijn wordt niet
verlengd. In de brief vermeldt de voorzieningenrechter dat het verzoek
niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim niet binnen de
gestelde termijn wordt hersteld.
-2. Indien de rechtbank
in
een met het verzoek om voorlopige
voorziening samenhangende beroepszaak de
indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stelt een verzuim als
bedoeld in het eerste lid te
herstellen binnen een van dat eerste lid
afwijkende termijn en bovendien de indiener van het beroepschrift en de
indiener van het verzoekschrift dezelfde (rechts)persoon is, kan de
voorzieningenrechter in de voorlopigevoorzieningszaak de indiener van het
verzoekschrift een termijn gelijk aan die
in de beroepszaak stellen.
Art. 33.
De op de zaak
betrekking hebbende stukken (artikel
8:83 van de
Awb)
-1. De voorzieningenrechter
verzoekt het bestuursorgaan de op de
zaak betrekking hebbende stukken
binnen twee weken in te zenden.
Deze termijn wordt niet verlengd.
-2. De voorzieningenrechter
verzoekt het bestuursorgaan een
afschrift van deze stukken gelijktijdig
ook aan (de gemachtigde van) de indiener
van het verzoekschrift te zenden en
daarvan mededeling te doen aan de
voorzieningenrechter.
Art. 34.
De uitnodiging of
oproeping voor de zitting (artikel
8:83 van de
Awb)
-1. De voorzieningenrechter
zendt partijen de uitnodiging of oproeping
om op een zitting van de
voorzieningenrechter te verschijnen ten minste
twee weken vóór de datum van de
zitting.
-2. In de uitnodiging of
oproeping vermeldt de voorzieningenrechter voor zover van toepassing de in
artikel 78 van de Vw
2000 bedoelde
mogelijkheid dat de voorzieningenrechter
niet alleen op het verzoek om
voorlopige voorziening hangende bezwaar
of administratief beroep, maar
ook op dat bezwaar of administratief beroep beslist.
Art. 35.
De termijn voor
de uitspaak (artikel 8:84
van de
Awb)
De voorzieningenrechter doet
binnen twee weken na de zitting
uitspraak.
HOOFDSTUK
11
De AC-zaak
Art.
36. Toepassingsbereik van dit hoofdstuk
-1. Dit hoofdstuk is van toepassing op een
AC-zaak.
-2. Indien dit hoofdstuk van toepassing is,
zijn naast dit hoofdstuk slechts de artikelen 1, 2,
3, 5, 7, derde lid, 9, tweede en derde lid,
16, negende lid, 17, 21 en
49 van deze regeling
van (overeenkomstige) toepassing.
Art.
37. De ontvangstbevestiging en de uitnodiging of oproeping
voor de zitting (artikel 8:81, vierde lid, gelezen in samenhang met
artikel 6:14, en artikel 8:83 van de
Awb)
-1. De voorzieningenrechter verzendt de
bevestiging, bedoeld in artikel 6:14, eerste lid, van de
Awb, binnen
twee werkdagen nadat het verzoekschrift is ingediend.
-2. De voorzieningenrechter nodigt de
indiener van het verzoekschrift bij de brief met de in het eerste lid
genoemde bevestiging uit of roept hem daarbij op voor een zitting, dan
wel deelt hem mee op welke datum het verzoek ter zitting zal worden
behandeld.
Art.
38. Vaste zittingsdagen (artikel 8:83 van
de
Awb)
De voorzieningenrechter behandelt het verzoek om voorlopige voorziening
op vaste wekelijkse zittingsdagen waarvan de data worden gepubliceerd in
de Bijlage betreffende AC-zaken (www.rechtspraak.nl).
Art.
39. De op de zaak betrekking hebbende stukken (artikel 8:83
van de
Awb)
-1. De voorzieningenrechter verzoekt het
bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken uiterlijk op
het tijdstip vermeld in de Bijlage betreffende AC-zaken (www.rechtspraak.nl)
in te zenden.
-2. De voorzieningenrechter verzoekt het
bestuursorgaan een afschrift van deze stukken gelijktijdig ook aan (de
gemachtigde van) de indiener van het verzoekschrift te zenden en daarvan
mededeling te doen aan de voorzieningenrechter.
Art.
40. Herstel van een verzuim (artikel
8:81, vierde lid, gelezen
in samenhang met de artikelen 6:5 en 6:6 van de
Awb)
-1. Indien de voorzieningenrechter
vaststelt dat sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van
de
Awb, stelt hij de indiener van het verzoekschrift in de brief met de
in artikel 37, eerste lid, genoemde bevestiging in de gelegenheid het
verzuim te herstellen. De termijn voor het herstel eindigt op het
tijdstip vermeld in de Bijlage betreffende AC-zaken (www.rechtspraak.nl).
Deze termijn wordt niet verlengd. In de brief vermeldt de
voorzieningenrechter dat het verzoek niet-ontvankelijk kan worden
verklaard indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt
hersteld.
-2. De voorzieningenrechter verzoekt de
indiener van het verzoekschrift een afschrift van de desbetreffende
stukken gelijktijdig ook aan het bestuursorgaan te zenden en daarvan
mededeling te doen aan de voorzieningenrechter.
Art.
41. De termijn voor de uitspraak (artikel 8:84 van de
Awb)
De voorzieningenrechter doet binnen vijf werkdagen na de zitting
uitspraak. De uitspraak wordt op dezelfde dag per fax verzonden.
HOOFDSTUK
12
De
Dublinzaak
Art.
42. Toepassingsbereik van dit hoofdstuk
-1. Dit hoofdstuk is van toepassing op een
Dublinzaak.
-2. Indien dit hoofdstuk van toepassing is,
zijn naast dit hoofdstuk slechts de artikelen 1, 2,
3, 5, 7, derde lid, 9, tweede en derde lid,
16, negende lid, 17, 21 en
49 van deze regeling
van (overeenkomstige) toepassing.
Art.
43. De ontvangstbevestiging (artikel
8:81, vierde lid, gelezen
in samenhang met artikel 6:14 van de
Awb)
De voorzieningenrechter verzendt de bevestiging, bedoeld in artikel
6:14, eerste lid, van de
Awb, binnen twee werkdagen nadat het
verzoekschrift is ingediend.
Art.
44. De op de zaak betrekking hebbende stukken (artikel 8:83
van de
Awb) en het verweerschrift (in de onderliggende beroepszaak;
artikel 8:42 van de
Awb)
-1. De voorzieningenrechter verzoekt het
bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken uiterlijk
binnen één week na indiening van het verzoek om voorlopige voorziening
in tweevoud in te zenden.
-2. De rechtbank verzoekt het
bestuursorgaan een verweerschrift in te dienen op zodanig tijdstip dat
dit uiterlijk op de derde werkdag vóór de zitting om 16:00 uur wordt
ontvangen.
-3. De voorzieningenrechter deelt het
bestuursorgaan in de brief met het in het eerste lid bedoelde verzoek om
inzending van stukken mee dat indien het bestuursorgaan na die inzending
van stukken nog (nadere) stukken in het geding wil brengen, het wordt
verzocht een afschrift van die (nadere) stukken gelijktijdig ook aan (de
gemachtigde van) de indiener van het verzoekschrift te zenden en daarvan
mededeling te doen aan de voorzieningenrechter.
Art.
45. Herstel van een verzuim (artikel
8:81, vierde lid, gelezen
in samenhang met de artikelen 6:5 en 6:6 van de
Awb)
-1. Indien de voorzieningenrechter
vaststelt dat sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van
de
Awb, stelt hij in de brief met de in artikel 43 genoemde bevestiging
de indiener van het verzoekschrift in de gelegenheid het verzuim te
herstellen binnen een termijn van drie weken. Deze termijn wordt niet
verlengd. In de brief vermeldt de voorzieningenrechter dat het verzoek
niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim niet binnen de
gestelde termijn wordt hersteld.
-2. De voorzieningenrechter verzoekt de
indiener van het verzoekschrift een afschrift van de desbetreffende
stukken gelijktijdig ook aan het bestuursorgaan te zenden en daarvan
mededeling te doen aan de voorzieningenrechter.
Art.
46. De uitnodiging of oproeping voor de zitting (artikel 8:83
van de
Awb)
Binnen twee weken nadat de in artikel 45 genoemde termijn voor het
herstellen van een verzuim is verstreken, nodigt de voorzieningenrechter
de indiener van het verzoekschrift uit of roept hem op voor een zitting.
Indien geen termijn voor het herstellen van een verzuim wordt gesteld,
nodigt de voorzieningenrechter binnen twee weken nadat de brief met de
in artikel 43 genoemde bevestiging is verzonden de indiener van het
verzoekschrift uit of roept hem op voor een zitting. De zittingsdatum
wordt in (telefonisch) overleg met (de gemachtigde van) de indiener van
het verzoekschrift vastgesteld. De voorzieningenrechter nodigt
gelijktijdig het bestuursorgaan uit voor de zitting.
Art.
47. Vaste zittingsdagen (artikel 8:83
van de
Awb)
De voorzieningenrechter behandelt het verzoek om voorlopige voorziening
ter zitting binnen tien weken na indiening van dat verzoek.
Art.
48. De termijn voor de uitspraak (artikel 8:84 van
de
Awb)
De voorzieningenrechter doet binnen twee weken na de zitting uitspraak.
De uitspraak wordt per post of per fax verzonden.
HOOFDSTUK
13
Slotbepaling
Art.
49. Slotbepaling
-1. Op de termijnen, bedoeld in deze
regeling, is de Algemene
termijnenwet van toepassing.
-2. De tekst van deze regeling wordt in de
Staatscourant geplaatst en tevens op www.rechtspraak.nl
gepubliceerd.
-3. Deze regeling treedt in werking op ¹ 1
juli 2008.
-4. Deze regeling wordt aangehaald als:
Procesregeling bestuursrecht 2008.
1. Volgens de redactie
dient "op" te worden vervangen door: met ingang van.
TOELICHTING
[17 juni 2008]
Algemeen
Met
de Procesregeling bestuursrecht 2008 is een volgende stap gezet in de
beleidsontwikkeling van de sectoren bestuursrecht van de rechtbanken,
gericht op een uniforme rechtstoepassing. Met name springt hierbij in
het oog dat naast het algemene bestuursrecht en het belastingrecht, nu
ook het vreemdelingenrecht in de procesregeling wordt geregeld. Hiermee
wordt gehoor gegeven aan aanbeveling 4.3 van de Commissie
Verbetervoorstellen van het Landelijk Overleg van Voorzitters sectoren
Bestuursrecht (LOVB). Haar rapport is te vinden op www.rechtspraak.nl.
De meeste vreemdelingenzaken vallen nu onder - kort gezegd - de
hoofdstukken 1 tot en met 8 van deze regeling. Vanwege het bijzondere
karakter is voor een aantal categorieën vreemdelingenzaken een
uitzondering gemaakt. Dit geldt voor de vrijheidsontnemende maatregelen,
de zogenoemde AC-zaken en de zogenoemde Dublinzaken. Wat het verzoek om
voorlopige voorziening betreft, is de huidige situatie gehandhaafd: aan
de voorlopige voorziening in vreemdelingenzaken zijn wel, aan de
voorlopige voorziening in de overige bestuursrechtelijke zaken zijn geen
artikelen gewijd.
In
de vroegere vreemdelingenrechtelijke procesregeling waren veel bepalingen
opgenomen die meer mededelingen van feitelijke informatie (bijvoorbeeld
de gegevens van het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken en de
piketregeling) waren. Die gegevens zijn nu uit de procesregeling
geschrapt. Die gegevens zijn (nog steeds) te vinden op www.rechtspraak.nl. Ten tijde van de totstandkoming van deze toelichting was het
precieze adres voor de adresgegevens van het CIV www.rechtspraak.nl/[enz.,
red].
De piketregeling is bedoeld voor
voorlopigevoorzieningszaken met bijzondere spoed, bijvoorbeeld indien
buiten kantooruren de noodzaak tot het treffen van een voorlopige
voorziening opkomt en in zaken waarin verzoeker nog niet op de hoogte is
van de zittingsplaats van de rechtbank die de zaak zal behandelen. Een
dergelijke bijzondere spoed kan zijn gelegen in een voorgenomen
daadwerkelijke uitzetting op zeer korte termijn. Het nummer van de
centrale pikettelefoon van het Centraal Inschrijfbureau
Vreemdelingenzaken is te vinden op www.rechtspraak.nl.
Verder is een redactiewijziging doorgevoerd. In navolging van de
hogerberoepscolleges wordt nu een doorlopende tekst gegeven, zonder
vermelding van de relevante wettelijke bepalingen in een aparte
linkerkolom. Per artikel wordt wel in de kop vermeld welke wetsartikelen
relevant zijn. Daarbij is gekozen voor een volgorde die de loop van de
procedure volgt.
Van
het rapport Toepassing en effecten van de Algemene wet bestuursrecht
2002-2006 (Evaluatie Awb III, maart 2007) van de Commissie Ilsink is
aanbeveling 26 overgenomen. Die wordt hierna, in de artikelsgewijze
toelichting, besproken.
In
de vorige procesregeling was opgenomen dat indien een bestuursorgaan
niet (tijdig) de op de zaak betrekking hebbende stukken indiende, hij
kon worden opgeroepen te verschijnen op een comparitie als bedoeld in
artikel 8:44 van de
Awb. Die bepaling is in de huidige regeling
geschrapt. In de eerste plaats komt een dergelijke weigerachtigheid
weinig (meer) voor. In de tweede plaats weten bestuursorganen dat zij
met een dergelijke verplichte oproeping kunnen worden geconfronteerd.
Uniformerend beleid is daarom op dit punt niet meer nodig. Hiermee is
geen wijziging van de bestaande praktijk bedoeld. Zo nodig kunnen en
zullen rechtbanken van dit middel gebruik maken.
In
het besef dat beleid per definitie uitzonderingen kent in bijzondere
gevallen, zijn dergelijke in de vorige versie van de procesregelingen
uitdrukkelijk opgenomen uitzonderingen veelal niet meer geregeld.
Ten
slotte zijn, waar mogelijk, termijnen aangescherpt en geüniformeerd.
Artikelsgewijze
toelichting (voor zover relevant)
Artikel
2. De
verzending van stukken door de rechtbank
In
dit artikel is een regeling opgenomen ter invulling van de bevoegdheden
en verplichtingen van de rechtbank in de artikelen 8:37 en
8:38 van de
Awb. Deze regeling introduceert in het eerste lid de correspondentie per
fax als regulier middel voor de uitnodiging voor de zitting (voor het
overige is het eerste lid weliswaar herhaling van de wettekst, maar dat
is bewust zo geredigeerd om niet de indruk te wekken dat verzending van
de uitnodiging per fax bedoeld zou zijn de aangetekende verzending of
verzending met bericht van ontvangst te vervangen). In feite is het
communiceren per fax bestaand gebruik, met name in het
vreemdelingenrecht, maar nu wordt dat in brede zin in de procesregeling
vastgelegd. Voor de overige in artikel 8:37, eerste lid, genoemde
stukken (inclusief de oproeping voor de zitting) wordt de fax in deze
procesregeling niet in algemene zin als regulier communicatiemiddel van
de rechtbank geïntroduceerd; in hoofdstuk 11 over AC-zaken is in deze
procesregeling wel de verzending van de uitspraak per fax geregeld. Ook
het eerste lid van artikel 2 eindigt, net als artikel
8:37, eerste lid,
van de
Awb, met "tenzij de rechtbank anders bepaalt", omdat in
aanvulling op het beleid in deze procesregeling de rechtbank als beleid
of in individuele gevallen wederom kan kiezen voor andere verzendwijzen.
Ook de andere twee leden van dit artikel openen de mogelijkheid dat de
rechtbank de desbetreffende stukken per fax verstuurt.
Het
tweede lid heeft als doel dat zo goed mogelijk wordt zeker gesteld dat de
laatste brief die de rechtbank verstuurt voorafgaande aan een mogelijke
vereenvoudigde behandeling ook daadwerkelijk bij betrokkene aankomt.
Artikel
4. Uitstel
van een door de rechtbank gestelde termijn
Dit
artikel is gehandhaafd. Vanwege het algemene karakter - het geldt voor
vele, in verschillende fases van de procedure door de rechtbank
gestelde
termijnen - is het naar voren gehaald.
Artikel
5. Openbare
stukken
Dit
artikel is, gewijzigd, afkomstig uit de vreemdelingenrechtelijke
procesregeling. Toepassing op alle bestuursrechtelijke zaken ligt voor
de hand. Evident is dat alle reguliere jurisprudentiebladen en
vaktijdschriften (AB, JB, TAR, BR, NJ, JV, NJB, BNB, VN, etc.) en de van
staatswege uitgegeven bladen (Staatscourant en Staatsblad) openbare bronnen zijn.
De bronnen die voor vreemdelingenzaken zijn
aangewezen op www.rechtspraak.nl
als openbare vindplaats gelden nu als "in ieder geval" aan te merken als openbare vindplaats.
Verwezen wordt in de regeling slechts
naar de site, zonder nadere aanduiding die al snel verouderingsgevoelig
zou kunnen blijken. Ten tijde van de totstandkoming van deze toelichting
was het precieze adres voor het openen van de lijst openbare
vindplaatsen: www.rechtspraak.nl/[enz.,
red.]. Op die lijst zijn bronnen vermeld die
mogelijk anders in discussie zouden kunnen zijn (en dus niet de evident
openbare bronnen). Door opneming van de term "in ieder geval" is
beoogd de rechtzoekende in voorkomend geval de gelegenheid te bieden te
claimen dat een door hem genoemde bron die niet op die lijst voorkomt,
toch een openbare bron is. Wat openbare bronnen zijn, is immers
dynamisch van aard en valt niet altijd sluitend in een lijst te vatten.
Als een partij claimt dat een stuk waarop zij
zich beroept in een openbare bron te vinden is, is zij, vanzelfsprekend,
wel gehouden een precieze aanduiding daarvan te geven.
Verwijzing naar een (mogelijk zeer
uitgebreide) site zal veelal niet volstaan.
Artikel
7. De
ontvangstbevestiging, de kennisgeving, de berichtgeving, de stukken en
het verweerschrift
De
regeling van de kennisgeving aan het verwerende bestuursorgaan laat
verschillen zien tussen het algemene bestuursrecht en het
vreemdelingenrecht. Dit wordt veroorzaakt door de "tussenschakeling"
van het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken. Die instantie
verzendt de wettelijke kennisgeving (strekking: "er is beroep
ingesteld tegen uw besluit"). Als de zaak aan een rechtbank
wordt
toebedeeld, stuurt zij ook een brief aan het verwerende bestuursorgaan
(strekking: "de zaak is bij ons aanhangig"), maar dat is niet de in
artikel 6:14, tweede lid, van de
Awb bedoelde kennisgeving. In de
procesregeling is die laatste brief, ter onderscheiding, "berichtgeving"
genoemd.
In het vreemdelingenrecht was voorheen
gebruikelijk dat het verweerschrift aanzienlijk later in de procedure
werd ingediend dan in het algemene bestuursrecht. De IND [Immigratie- en
Naturalisatiedienst, red.] werkt nu meer
en meer "Awb-conform". Hoewel op het moment van totstandkoming van
deze procesregeling de nieuwe werkwijze nog niet in de hele organisatie
van de IND en bij alle rechtbanken is ingevoerd, kan toch nu worden
vastgesteld dat het niet meer nodig is voor het vreemdelingenrecht een
uitzondering te maken ter zake van de indiening van het verweerschrift.
Artikel
8. De
derde-belanghebbende
Dit
artikel is toegesneden op de derde-belanghebbende die aanstonds uit het
dossier naar voren komt. Deze bepaling laat dus onverlet dat er in elke
stand van de procedure nog een derde-belanghebbende kan opduiken en laat
eveneens onverlet dat soms pas ter zitting definitief kan worden
vastgesteld of iemand als derde-partij tot het geding moet worden
toegelaten.
In artikel 8 wordt gesproken over toezending
van bepaalde stukken aan de derde-belanghebbende. Het spreekt wellicht
voor zich dat betrokkenen hieraan geen recht kunnen ontlenen stukken te
verkrijgen waarover, met toepassing van met name de artikelen 8:29 en
8:32 van de
Awb, is beslist dat zij, kort gezegd, niet aan derden mogen
worden vrijgegeven.
Artikel
10. Herstel
van een verzuim
Het
tweede lid is nieuw. Met name is dit lid van belang voor de Dublinzaak
waar in de voorlopigevoorzieningszaak een termijn voor het herstellen van
een verzuim van drie weken wordt gegeven (zie ook artikel
45, eerste
lid). Parallellie met de hoofdzaak is hier gewenst in die gevallen
waarin in de beroepszaak en de voorlopigevoorzieningszaak gelijktijdig
een herstelmogelijkheid wordt geboden. Het is een "kan-bepaling",
omdat in andere zaken (met name AC-zaken) wordt gekozen voor een "losse"
herstelmogelijkheid in de voorlopigevoorzieningszaak, zonder een
parallelle herstelmogelijkheid in de beroepszaak; zo nodig volgt die
laatste dan later met de "gewone" termijn van vier weken. Vanwege de
systematiek van deze procesregeling - waarin het beroep het uitgangspunt
is - is dit tweede lid opgenomen, strekkende tot een termijnstelling in
de beroepszaak parallel aan de termijnstelling in de voorlopigevoorzieningszaak. Het laat onverlet dat ook kan worden gekozen
voor de omgekeerde parallellie, met een termijnstelling in de
voorlopigevoorzieningszaak parallel aan de termijnstelling in de
beroepszaak. Het tweede lid is immers een "kan-bepaling". Dat is ook
geregeld in artikel 32 over de voorlopige voorziening in een
vreemdelingenzaak. Als bijvoorbeeld de standaardhersteltermijn vier
weken in de beroepszaak en drie weken in de connexe
voorlopigevoorzieningszaak is, is het mogelijk om termijnen van (a) drie
weken respectievelijk drie weken, (b) vier weken respectievelijk drie
weken en (c) vier weken respectievelijk vier weken te stellen.
Artikel
11. De
machtiging
Dit
artikel volgt uit aanbeveling 4.1 van de Commissie Verbetervoorstellen.
Die aanbeveling spreekt ook over het bewijs van
vertegenwoordigingsbevoegdheid. Anders dan bij de machtiging is het
ontbreken van zo’n bewijs wetsystematisch gesproken direct een
verzuim. Voor het herstellen daarvan stelt artikel 10, eerste lid, van
de procesregeling al een termijn van vier weken. Het ontbreken van een
machtiging is pas een verzuim als de rechtbank
daarom heeft gevraagd.
Artikel 8:24 van de
Awb bepaalt immers dat de rechtbank om een
machtiging kan vragen. In deze procesregeling wordt daarom in een apart
artikel de machtiging, bedoeld in artikel 8:24 van de
Awb, geregeld.
Overigens betekent dit wetsystematische verschil niet dat de rechtbank
bij het ontbreken van een machtiging twee brieven zou moeten sturen (een
eerste waarin om een machtiging wordt gevraagd en een tweede waarin een
termijn voor het herstellen van het verzuim zou worden geboden) alvorens
tot niet-ontvankelijkverklaring over te kunnen gaan. Met het vragen om
een machtiging wordt het ontbreken daarvan een verzuim. Voor het
herstellen daarvan wordt in diezelfde brief de herstelmogelijkheid geboden.
Opmerking verdient dat artikel 11
slechts gedeeltelijk gehoor geeft aan genoemde aanbeveling 4.1, namelijk
voor zover die aanbeveling zich leent voor opneming in de
procesregeling. Uniformering vindt hier plaats in de termijnstelling. De
procesregeling regelt niet (inhoudelijk) in welke gevallen een bewijs
van vertegenwoordigingsbevoegdheid of een machtiging wordt gevraagd.
Artikel
12. Het
griffierecht
In
dit artikel is vervallen de regel dat de rechtbank
geen uitspraak doet
voordat het verschuldigde griffierecht is ontvangen, tenzij zij het
beroep niet-ontvankelijk verklaart wegens het niet betalen van
griffierecht. Regeling hiervan is niet nodig geacht.
Toegevoegd is een (nieuw) zevende lid,
waarin de bestaande praktijk, zowel bij de sectoren bestuursrecht van de
rechtbanken als bij de meeste hogerberoepscolleges, is neergelegd.
Als een beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens het
niet betalen van griffierecht en daarna alsnog het griffierecht
binnenkomt, wordt dat teruggestort. Het wordt onwenselijk geacht dat
diegene die te laat betaalt uiteindelijk slechter af is dan degene die
helemaal niet betaalt.
Artikel
13. De
geheimhouding en beperking van de kennisneming
Dit
artikel is een samenvoeging en stroomlijning van de twee bestaande
regelingen in de algemene en de vreemdelingenrechtelijke procesregeling.
"Geheimhouding" is de in de procesregeling gekozen handzame term
voor wat in artikel 8:29 van de
Awb heet "(het gerechtvaardigd achten
door de rechtbank
van) de weigering inlichtingen te geven dan wel
stukken over te leggen". De twee typen, geheimhouding en beperking van
de kennisneming, zijn scherper uit elkaar getrokken. Bij geheimhouding
wordt toegestaan dat een stuk buiten het procesdossier blijft; bij
beperking van de kennisneming neemt de rechter wel, maar neemt of nemen
de wederpartij( en) geen kennis van het desbetreffende stuk. In de
procesregeling van de hogerberoepscolleges is ervoor gekozen alleen de
beperking van de kennisneming te regelen; gelet op de bij de rechtbank
voorkomende gevallen is het aangewezen geacht ook de geheimhouding te
regelen.
Ook
is geregeld de regelmatig voorkomende mogelijkheid dat de verzoeker om
geheimhouding/beperking van de kennisneming, tevens verzoekt om beperkte
kennisneming van het verzoek zelf. In de vreemdelingenrechtelijke
procesregeling kwam zoiets al summier voor.
Ter
verduidelijking is hieronder een overzicht opgenomen waarin wordt
aangeduid in welke artikelleden een regeling is opgenomen van (a) de
beperking van de kennisneming, (b) de geheimhouding en (c) de beperking
van de kennisneming van (delen van) het verzoek zelf.
| Onderwerp |
Beperking
van de kennisneming |
Geheimhouding |
Beperking
van de kennisneming van het verzoek |
| Artikel
13, lid |
1,
3, 4, 5, 6, 7 |
1,
3, 4 |
2,
8 |
Met het derde lid is uniformering
beoogd: de rechtbank kan de wederpartij(en) in de gelegenheid stellen
haar of hun visie op het verzoek om geheimhouding te geven alvorens zij
beslist op het verzoek. Hiermee is beoogd om recht te doen aan het
beginsel van hoor- en wederhoor, aangezien het bij toepassing van
artikel 8:29 van de
Awb gaat om een belangrijke inbreuk op het principe
dat beide partijen toegang hebben tot dezelfde stukken (equality of
arms). Omdat soms een zaak zich hiervoor evenwel niet leent
(bijvoorbeeld omdat de wederpartij(en) er niets zinnigs over kan/kunnen
zeggen juist vanwege onbekendheid met het desbetreffende stuk), is dit
lid wel als "kan-bepaling" geredigeerd.
In
het vierde lid is afgezien van een inhoudelijk criterium. Gelet op het
uitgangspunt dat alle partijen beschikken over dezelfde informatie en
dat de rechter moet kunnen oordelen over alle relevante aspecten (de
door artikel 6 van het EVRM [Europees verdrag tot bescherming van de
rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, red.] beschermde uitgangspunten van equality of
arms respectievelijk merits of the matter), moet duidelijk zijn dat
slechts bij hoge uitzondering beperking van de kennisneming respectievelijk geheimhouding kan worden toegestaan. In de Procesregeling
belastingkamers gerechtshoven 2005 (artikel 8) is dat ook verwoord. Ook
de andere bestuursrechtelijke hogerberoepsrechters zijn op dit punt niet
snel geneigd beperking van de kennisneming of geheimhouding toe te
staan. Ook gelet daarop ligt het voor de hand dat de
eerstelijnsrechtspraak dat niet snel toestaat.
Artikel
15. Het
deskundigenonderzoek
De
Commissie Verbetervoorstellen spreekt in aanbeveling 5.5 uit dat geborgd
moet worden dat wordt voldaan aan de criteria voor deskundigenonderzoek,
zoals die voortvloeien uit het Mantovanelli-arrest (EHRM [Europees Hof
voor de Rechten van de Mens, red.] 18 maart 1997;
NJ 1998, 278 m.nt. HJS). Met dit artikel wordt aan die aanbeveling
gehoor gegeven.
Met het voorleggen van de reacties aan de
deskundige, zoals geregeld in het vierde lid, wordt bovendien voldaan
aan de eisen die de CRvB [Centrale Raad van
Beroep, red.] in zijn uitspraak van 21 juli 2006 (LJN
AY5328 en USZ 2006/254) stelt aan het door de rechter volgen van het advies van
een deskundige.
Artikel
16. De
uitnodiging of oproeping voor de zitting
In
het eerste lid staat nu dat de uitnodiging of oproeping "ten minste
zes weken" vóór de zittingsdatum wordt verstuurd. In de vorige
procesregeling stond daar "in de regel ten minste zes weken".
Aangezien voor beleid per definitie geldt dat het voor de regel en niet
voor de uitzondering is, is dat "in de regel" geschrapt. Hiermee is
geen wijziging in de bestaande praktijk beoogd. Om mogelijke
onduidelijkheid hierover weg te nemen, is toegevoegd dat indien dat
noodzakelijk is, agendering binnen een termijn van minder dan zes, maar
ten minste drie weken ook mogelijk is. Hoofdregel is en blijft dus
agendering ten minste zes weken te voren.
In
de Procesregeling bestuursrecht 2008 is ingevoerd dat in de uitnodiging
of oproeping voor de zitting de naam (namen) van de behandelende
rechter(s) wordt (worden) vermeld. Achterliggende gedachte is dat
partijen hierdoor al ruim vóór de zitting weten wie de rechter(s)
is/zijn, zodat zij eventuele wrakingsaspecten tevoren kunnen beoordelen
en naar voren brengen. Weliswaar komt wraking in de bestuursrechtelijke
praktijk niet veel voor, maar omdat het hier gaat om een belangrijke
waarde (de onpartijdigheid van de rechter), is het goed het niet op de
zitting te laten aankomen.
In
het rapport Evaluatie Awb III (te vinden op: www.justitie.nl/[enz.,
red.]) wordt in aanbeveling
26 uitgesproken dat het wenselijk is in geval van oproeping de reden van
die oproeping te vermelden (gebaseerd op paragraaf 4.6.3). Die
aanbeveling is overgenomen in het derde lid. Omdat hiermee de rechtbank
één partij laat blijken wat de haar moverende redenen zijn om die
partij op te roepen en die reden mogelijk van belang is voor de uitkomst
van het geding, is ook opgenomen dat zij de wederpartij(en) van die
reden in kennis stelt. Overigens moet worden gezegd dat oproeping niet
vaak voorkomt.
Een
aantal rechtbanken biedt partijen een mogelijkheid om binnen een
bepaalde, korte, termijn na verzending van de uitnodiging of oproeping
te melden dat de zittingsdatum op problemen stuit. Indien betrokkene
zich houdt aan die korte termijn, wordt het verzoek om verdaging dan
steeds gehonoreerd. Een verzoek om verdaging dat daarna wordt gedaan
valt in het "zwaardere regime" dat uitstel slechts in uitzonderlijke
omstandigheden wordt gehonoreerd. Dat systeem met een "soepele"
uitstelmogelijkheid bij een tijdige reactie is nu in het vijfde lid
opgenomen. Aangesloten is bij de meest voorkomende variant, namelijk dat
dan een reactietermijn van één week geldt. Als uitzondering voor dit
systeem is opgenomen dat de zittingsdatum al in overleg met partijen is
vastgesteld. Dan is zo’n systeem met een soepele uitstelmogelijkheid
immers niet nodig. De praktijk laat drie vormen van vaststelling van de
zittingsdatum in overleg zien: (1) de griffier belt met partijen om de
zittingsdatum vast te stellen; (2) er wordt een vooraankondiging naar
partijen gestuurd waarin de voorlopige zittingsdatum wordt genoemd; als
niet met een bericht van verhindering wordt gereageerd, wordt die
voorlopige datum de definitieve zittingsdatum en (3) er wordt een
algemene vooraankondiging naar partijen gestuurd met daarin de
mededeling dat de zaak binnenkort op zitting zal worden behandeld;
partijen worden in de gelegenheid gesteld hun verhinderdata door te
geven; met inachtneming van die verhinderdata wordt de zittingsdatum
bepaald; voor die laatste variant is wel nodig dat de door de rechtbank
aangewezen periode duidelijk genoeg is.
Artikel
17. Bijstand
door een tolk ter zitting
Het
eerste lid van dit artikel is gewijzigd overgenomen uit de vreemdelingenrechtelijke procesregeling.
Uitzonderingen vormen het vervolgberoep
bij zaken over een vrijheidsontnemende maatregel en andere beroepen (en
verzoeken) waarin het iemand betreft die de vrijheid is ontnomen.
Betrokkene wordt dan uitsluitend gehoord indien hij heeft verklaard dat
te wensen. Gebruik is dat (de gemachtigde van) betrokkene dan zelf voor
tolkbijstand zorg draagt. Er is geen aanleiding daarin verandering te
brengen, juist omdat het horen ter zitting afhankelijk is van de wens
van betrokkene. Het woord "uitsluitend" in de derde volzin van het
eerste lid is wel zo bedoeld dat in die gevallen waarin de rechtbank
het
zelf (ook) nodig vindt dat betrokkene wordt gehoord, zij zorgt voor een
tolk. Om te voorkomen dat er dan twee tolken verschijnen, zou
communicatie hierover aan te bevelen zijn. Bij een eerste beroep over
een vrijheidsontnemende maatregel draagt de rechtbank zo nodig wel
steeds zorg voor tolkbijstand.
Het tweede lid is nieuw. Ook voor punitieve
sancties is het namelijk nodig dat wordt gewaarborgd dat de gestrafte
(beboete) persoon het verhandelde ter zitting kan volgen in een taal die
hij verstaat. Dit volgt uit artikel 6, derde lid, van het EVRM. In dit
verband wordt gewezen op de uitspraak van de Hoge Raad van 22 maart 1995
(BNB 1995/153) waarin hij overwoog dat indien "(in cassatie wordt
geklaagd dat) het horen van een ter zitting van het gerechtshof
verschenen belanghebbende, die blijkens de uitspraak van het gerechtshof
en de stukken van het geding kennelijk de Nederlandse taal niet
voldoende beheerst, heeft plaatsgevonden zonder de bijstand van een
tolk, [...] de uitspraak de redenen [dient] in te houden waarom zulks is
geschied".
De overweging
van de Hoge Raad is in algemene termen gesteld en lijkt zich niet te
beperken tot punitieve sancties. Beperking tot de punitieve sancties in
deze procesregeling lijkt voorshands verantwoord.
Beide leden zijn afhankelijk gesteld van een
verzoek (van de gemachtigde) om tolkbijstand. Dat houdt impliciet ook in
dat, indien er niet om is verzocht, maar eenvoudigweg ter zitting blijkt
dat betrokkene het Nederlands niet machtig is, verdaging in beginsel
steeds nodig is zodat een tweede zitting mét tolkbijstand kan
plaatsvinden.
Artikel
19. De
sluiting van het onderzoek na schorsing en heropening met toestemming
een nadere zitting achterwege te laten
In
dit artikel is de sluiting van het onderzoek geregeld in die gevallen
dat het onderzoek tijdens de (eerste) zitting is geschorst of na afloop
van de (eerste) zitting is heropend. Bijna altijd vraagt de rechtbank
partijen dan, na de relevante stukkenwisseling, om toestemming de zaak
af te doen zonder (nadere) zitting. De in dit artikel bedoelde
mededeling is niet de uitspraak zelf, maar een brief waarmee het
onderzoek gesloten wordt verklaard. Deze brief dient twee doelen: (a)
partijen weten dat ook de andere partij(en) toestemming heeft
onderscheidenlijk hebben gegeven en (b) duidelijk is dat er geen nadere
stukken meer kunnen worden toegevoegd aan het dossier.
De artikelen
23 en 24. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
De
regeling in artikel 23 is in grote lijnen overgenomen van de
vreemdelingenrechtelijke procesregeling. In de vorige (algemene)
procesregeling was de toepassing van de artikelen 8:52 en
8:54 van de
Awb omgekeerd, maar de vreemdelingenrechtelijke keuze ligt meer voor de
hand. De gedachte is dat sowieso de versnelde behandeling van artikel
8:52 van de
Awb wordt ingezet. Indien daarna wordt gekozen om de
vereenvoudigde behandeling van artikel 8:54 van de
Awb toe te passen,
kan die versnelde behandeling geen kwaad; indien niet tot vereenvoudigde
behandeling wordt overgegaan, kan tempo worden gehouden met de versnelde
behandeling.
Met
inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep
bij niet tijdig beslissen is een nieuwe regeling nodig. Die is opgenomen in artikel
24. In de wet
zelf wordt in afdeling 8.2.4a van de
Awb al een groot aantal zaken
geregeld die daarvóór nog niet waren geregeld (met name de toepassing
van artikel 8:54 van de
Awb en een groot aantal termijnen).
Voor de belastingrechtspraak is een uitzonderingsmogelijkheid
gehandhaafd (de artikelen 23, vijfde lid, en 24, zevende lid). In het
belastingrecht wordt vaak niet alleen (processueel) op het beroep tegen
het niet tijdig beslissen, maar ook op de zaak ten gronde beslist. Het
kan evenwel ook voorkomen dat de insteller van het beroep nadrukkelijk
om een processuele beslissing vraagt. Indien de Wet dwangsom en beroep
bij niet tijdig beslissen in werking treedt, moet bovendien worden
bedacht dat ook bij een niet tijdig beslissen op een aanvraag daartegen
beroep op de bestuursrechter (en geen bezwaar) openstaat (artikel
7:1,
eerste lid, aanhef en onder e, van de
Awb). In de spaarzame gevallen
waarin in het belastingrecht sprake is van een aanvraag (bijvoorbeeld
een verzoek om een VAR-verklaring [VAR: verklaring arbeidsrelatie, red.]
of een verzoek om als fiscale eenheid
te worden aangemerkt) kan het zich dus ook voordoen dat een beroep wordt
ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op die aanvraag. Dan lijkt
het, ook binnen de belastingrechtspraak, niet voor de hand te liggen dat
inhoudelijk op het beroep zou worden beslist. De artikelen
23, vijfde
lid, en 24, zevende lid, zijn echter niet dwingend geformuleerd, zodat
de belastingrechter dus ook een processuele beslissing op het beroep
tegen het niet tijdig beslissen kan nemen.
De artikelen
26 tot en met 48
Deze artikelen regelen de in de algemene toelichting hierboven genoemde
aparte vreemdelingenrechtelijke categorieën. Met enige
redactiewijzigingen en schrapping van nu overbodig geachte regels gaat
het hier om betrekkelijk neutrale overneming van de al bestaande regels.
In
elk van de vier hoofdstukken is een aantal artikelen van de algemene
regeling van (overeenkomstige) toepassing verklaard. Belangrijk om op te
merken is dat in artikel 1 de Dublinzaak en de AC-zaak zijn gedefinieerd
als (uitsluitend) de voorlopigevoorzieningszaak in de desbetreffende
procedure. Dat wil zeggen dat de samenhangende beroepszaak steeds onder
de algemene regeling van de hoofdstukken 1 tot en met 8 valt.
Waar in de hoofdstukken 10 tot en met 12 over de voorlopige voorziening,
de AC-zaak en de Dublinzaak (de uitnodiging of oproeping voor) de
zitting ter sprake komt, zou mogelijk de misvatting kunnen ontstaan dat
elke zaak ter zitting wordt behandeld. Dat heeft evenwel te maken met de
wijze van regelen, met name omdat in deze hoofdstukken alleen de
voorlopigevoorzieningszaak is geregeld. De (rechtbank onderscheidenlijk
de) voorzieningenrechter zal zo nodig (toepassing geven aan artikel 8:54
van de
Awb, de vereenvoudigde afdoening, in de bodemzaak en daarmee
samenhangend ook) de voorlopigevoorzieningszaak zonder zitting afdoen.
In
de hoofdstukken over de vrijheidsontnemende maatregel, de AC-zaak en de
Dublinzaak is een regeling voor de ontvangstbevestiging van het
beroepschrift van twee werkdagen opgenomen (de artikelen
27, 37 en 43).
Op de overige vreemdelingenrechtelijke (voorlopigevoorzienings)zaken is de
"gewone" termijn voor de ontvangstbevestiging van één week van
toepassing (artikel 31, tweede lid, gelezen in samenhang met
artikel 7,
eerste lid).
Hoofdstuk 9.
De
vrijheidsontnemende maatregel
Dit
hoofdstuk kan zeer beperkt blijven. Dat is mogelijk omdat zeer veel al
wettelijk is geregeld. Wat mogelijkerwijs opvalt, is dat, anders dan in
de andere hoofdstukken over vreemdelingenzaken, hier bepalingen over de
zitting ontbreken. Voor een eerste beroep regelt de wet zelf de termijn
(veertien dagen, artikel 94 van de Vreemdelingenwet
2000). Voor een
vervolgberoep is van belang dat de rechtbank ook buiten toestemming van
partijen uitspraak kan doen zonder zitting (artikel 96 van die
wet).
Verder worden voor deze zaken vaste zittingsdagen gehanteerd, met per
zittingsplaats gestelde vaste termijnen. Die praktijk voldoet goed.
Hoofdstuk 10.
De voorlopige
voorziening in een vreemdelingenzaak
In
de regeling over het verzoek om voorlopige voorziening kwamen in de
vreemdelingenrechtelijke procesregeling ook bepalingen voor over
verkorting en verlenging van de gestelde termijnen. In lijn met het
hierboven in de algemene toelichting al genoemde uitgangspunt dat beleid
per definitie uitzonderingen kent, zijn die bepalingen vervallen.
Daarmee is geen wijziging in de bestaande praktijk beoogd.
De voorzieningenrechter kan in een
vreemdelingenzaak zowel hangende beroep als hangende bezwaar of
administratief beroep "doorpakken". In artikel
8:86, tweede lid, van
de
Awb wordt wel gezegd dat in de uitnodiging voor de zitting wordt
meegedeeld dat die mogelijkheid hangende beroep bestaat. Opneming
daarvan in de procesregeling is dus niet nodig. Van mededeling in de
uitnodiging voor de zitting van de bevoegdheid om door te pakken hangende
bezwaar of administratief beroep is geen wettelijke bepaling aan te
wijzen. Daarom is alleen die laatste bevoegdheid genoemd in de
procesregeling, artikel 34, tweede lid.
Hoofdstuk 11.
De AC-zaak
In
artikel 37 wordt wel de uitnodiging of oproeping voor de indiener van
het verzoekschrift geregeld, maar niet die voor verweerder. Dat neemt
niet weg dat verweerder wel tijdig wordt uitgenodigd. Omdat verweerder
niet per zaak, maar voor de zitting als geheel wordt uitgenodigd, is een
uitnodigingstermijn te moeilijk bepaalbaar voor opneming in de
procesregeling. Bovendien kan hij gelet op de datum van binnenkomst van
het beroepschrift/verzoekschrift de zittingsdatum via de hieronder
genoemde site op internet bepalen.
In dit hoofdstuk wordt verwezen naar www.rechtspraak.nl
voor de
zittingsdagen. Ten tijde van de totstandkoming van deze toelichting was
het precieze adres: www.rechtspraak.nl/[enz.,
red.]
Hoofdstuk 12.
De Dublinzaak
De
regeling voor Dublinzaken loopt zoveel mogelijk in de pas met de
overige vreemdelingenrechtelijke hoofdstukken. Bovendien wordt zo nauw
mogelijk aangesloten bij de bestaande praktijk van de rechtbank
Zwolle-Lelystad die deze zaken behandelt.
|
|