|
BESLUIT van 7 juli 2010, houdende regels
inzake elektronisch verkeer met de bestuursrechter (Besluit
elektronisch verkeer met de bestuursrechter)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van
Onze Minister van
Justitie, Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
van 7 juni 2010, nr. 5658199/10/6;
Gelet op artikel
8:40a, tweede lid, van de
Algemene wet bestuursrecht;
De Raad van State gehoord (advies van 16
juni 2010, nr. W03.10.0224/II);
Gezien het nader rapport van Onze Minister
van Justitie, Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties van 1 juli 2010, nr. 5658199/10/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
-1. Beroep bij de bestuursrechter kan
slechts langs elektronische weg worden ingesteld op een
vanwege de gerechten aangegeven wijze.
-2. Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing op:
a. het bij de bestuursrechter
aanwenden van andere rechtsmiddelen; en
b. het bij de bestuursrechter
indienen van andere geschriften in het kader van een
procedure.
Art. 2.
Voor de overeenkomstige toepassing van
artikel 2:16 van de
Algemene wet bestuursrecht wordt de methode
die voor authentificatie is gebruikt in ieder geval geacht
voldoende betrouwbaar te zijn indien deze van een door Onze
Minister van Justitie aangewezen betrouwbaarheidsniveau is.¹
1. Ingevolge artikel 2 van de
Regeling aanwijzing betrouwbaarheidsniveau authentificatie bij
elektronisch verkeer met de bestuursrechter (Stcrt. 2010,
15000) wordt in ieder geval als voldoende betrouwbaar aangemerkt
een methode van authentificatie die minimaal van
betrouwbaarheidsniveau 2 STORK is, red.
Art. 3.
Dit besluit treedt in werking met ingang van
1 juli 2010. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt
geplaatst, wordt uitgegeven na 30 juni 2010, treedt het in werking
met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin het wordt geplaatst.
Art. 4.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit
elektronisch verkeer met de bestuursrechter.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 7 juli 2010
BEATRIX
De Minister van Justitie, Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties,
E.M.H. Hirsch Ballin
Uitgegeven de vijftiende juli 2010
De Minister van Justitie,
E.H.M. Hirsch Ballin
NOTA
VAN TOELICHTING
[7 juli 2010]
Algemeen
Dit besluit strekt tot uitvoering van de
Wet
elektronisch verkeer met de bestuursrechter (Stb. 2010, 173).
Dat
wetsvoorstel zal naar verwachting op 1 juli 2010 in werking
treden. Het wetsvoorstel vult de
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
aan met een artikel 8:40a. Dit artikel bepaalt, kort gezegd, dat
afdeling 2.3 Awb, inzake elektronisch verkeer met bestuursorganen,
van overeenkomstige toepassing is op elektronisch verkeer met de
bestuursrechter. Dit betekent, dat burgers langs elektronische weg
met de bestuursrechter zullen kunnen communiceren voor zover de
gerechten deze mogelijkheid openstellen (artikel
2:15, eerste lid, Awb).
Zoals in de nota naar aanleiding van het
verslag bij het wetsvoorstel (Kamerstukken II 2009/20 [lees:
2009-2010, red.], 31 867, nr.
6, blz. 2) is uiteengezet, worden binnen de rechtspraak al de
nodige voorbereidingen getroffen om elektronisch verkeer mogelijk
te maken. Onder auspiciën van de Raad voor de rechtspraak is een
landelijk project e-filing bestuursrechtspraak opgezet. Daarbij
wordt ook samengewerkt met de Afdeling bestuursrechtspraak van de
Raad van State, die niet onder de verantwoordelijkheid van de Raad
voor de rechtspraak valt. Naar verwachting zal het vanaf 1 oktober
2010 mogelijk zijn om via een centrale website door middel van een
webformulier beroep bij de bestuursrechter in te stelllen, alsmede
om een voorlopige voorziening te vragen. Niet lang daarna zal het
ook mogelijk worden om langs deze weg hoger beroep in te stellen.
Het webformulier, dat inmiddels wordt getest
in een pilot bij de rechtbank Breda, maakt het mogelijk om een
(hoger)beroepschrift dan wel een verzoek om voorlopige
voorziening in te dienen, alsmede om daaraan bijlagen toe te
voegen. Ook kan een appellant in een later stadium nog nadere
stukken indienen. De communicatie vanuit de rechtbank naar de
burger - met uitzondering van de bevestiging van de ontvangst
van een elektronisch beroepschrift - zal voorlopig nog op papier
plaatsvinden. Bij de invoering van elektronisch procederen in het
bestuursrecht is bewust voor de weg der geleidelijkheid gekozen.
Te verwachten is dat de procedure in de toekomst verder zal worden
"gedigitaliseerd", maar dat mag geen beletsel zijn om nu vast de
eerste stappen te zetten. Artikel 8:40a, tweede lid,
Awb maakt het mogelijk om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere
regels te stellen over het elektronisch verkeer met de
bestuursrechter. In dit stadium bestaat daaraan nog maar in
beperkte mate behoefte. Het onderhavige besluit voorziet slechts
in twee hoofdregels:
• De verplichting om voor het
elektronisch instellen van beroep gebruik te maken van het
daartoe door de rechtspraak ontwikkelde middel. Vooralsnog is
dit een door de rechtspraak ontwikkeld webformulier.
• De verplichting om een methode van
authentificatie ("elektronische handtekening") van een door
de Minister van Justitie aangewezen niveau te gebruiken.
Deze regels worden hierna in de
artikelsgewijze toelichting nader toegelicht. Naast deze twee
hoofdregels zullen zo nodig nog enige aanvullende spelregels
worden opgenomen in de procesregelingen van de diverse gerechten.
Daarbij kan het onder meer gaan om de regel dat een maximum aan de
omvang van de digitaal in te dienen stukken kan worden gesteld;
diverse buitenlandse regelingen op het gebied van elektronisch
procederen bevatten om praktische redenen zo’n regel.
Het ontwerpbesluit is voorbereid in nauw
overleg met een projectgroep uit de rechtspraak. De Raad voor de
rechtspraak heeft op 26 april 2010 een positief advies over het
ontwerpbesluit uitgebracht.
Administratieve lasten
De mogelijkheid van beroep langs
elektronische weg leidt tot een lichte reductie van de lasten die
voor burgers en bedrijven aan het instellen van beroep zijn
verbonden. In een nulmeting uit 2002 is aangenomen dat indienen
van een geschrift per mail in plaats van per post een
tijdsbesparing oplevert van gemiddeld tien minuten en gemiddeld
ongeveer €|2,- aan portokosten bespaart. De totale besparingen
kunnen niet worden aangegeven, omdat niet bekend is welk
percentage van de beroepen langs elektronische weg zal worden
ingesteld.
Artikelsgewijs
Artikel 1
Het eerste lid bepaalt dat het instellen van
beroep slechts kan geschieden op een vanwege de gerechten
aangegeven wijze. Vooralsnog moet dit door gebruik te maken van
een webformulier dat door de rechtspraak is ontwikkeld en
beschikbaar wordt gesteld. Er is bewust gekozen voor een
webformulier. Op die manier kan worden gewaarborgd dat het
elektronisch verkeer voldoende betrouwbaar en vertrouwelijk
verloopt en het administratieve proces beheersbaar blijft. Een
gewoon e-mailbericht biedt op deze punten onvoldoende waarborgen.
Bovendien heeft het webformulier voor de burger nog een ander
voordeel: doordat expliciet gevraagd wordt naar de verplichte
elementen van een beroepschrift (naam, adres, aanduiding bestreden
besluit, enzovoort) fungeert het tevens als een "schrijfhulp"
voor het opstellen van een deugdelijk beroepschrift.
Bij het beroepschrift kunnen bijlagen worden
gevoegd in de meest gangbare bestandsformaten; het webformulier
converteert die automatisch naar zogenaamde pdf-bestanden. Het
formulier stelt wel een grens aan de omvang van deze bijlagen; er
kunnen ten hoogste tien bijlagen van ten hoogste tien bladzijden elk
worden ingediend. Indien bij uitzondering een bijlage nodig is die
deze omvang overschrijdt, kan deze per gewone post worden
nagezonden.
Er wordt daarnaast een tweede webformulier
beschikbaar gesteld voor het doen van een verzoek om voorlopige
voorziening en een derde voor het indienen van nadere stukken. Dit
laatste formulier kan ook door een andere belanghebbende dan de
appellant, die op de voet van artikel 8:26
Awb als partij aan het
geding deelneemt, worden gebruikt om stukken in te dienen.
De regel dat bij elektronisch beroep het
webformulier moet worden gebruikt, geldt ook voor het aanwenden
van andere rechtsmiddelen of het indienen van andere stukken door
partijen. Dit betekent bijvoorbeeld dat het instellen van beroep
in cassatie vooralsnog niet langs elektronische weg kan
geschieden, want daar is nog geen formulier voor beschikbaar
gesteld. Het ligt overigens in de bedoeling dit in de niet al te
verre toekomst wel mogelijk te maken. Het doen van verzet tegen
een uitspraak met toepassing van artikel 8:54
Awb is weer wel
mogelijk, omdat daarvoor het webformulier voor het indienen van
een nader stuk in een lopende procedure kan worden gebruikt.
Hetzelfde geldt voor het vragen van herziening. Verweerder kan
vooralsnog geen stukken elektronisch indienen, omdat daarvoor nog
geen formulier beschikbaar is.
Het voorgestelde artikel vermijdt overigens
met opzet het woord webformulier. Dit is in overeenstemming met
het streven om algemeen verbindende voorschriften zoveel mogelijk
techniek-onafhankelijk te formuleren. Waar het om gaat, is dat voor
het aanwenden van rechtsmiddelen communicatiemiddelen worden
gebruikt die voldoen aan de door de rechtspraak - mede uit een
oogpunt van betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid - gestelde
specificaties. Het is geenszins uitgesloten dat daaraan in de
toekomst ook op andere wijze dan door het gebruik van het
webformulier kan worden voldaan. Denkbaar is bijvoorbeeld dat
applicaties op de markt komen die de mogelijkheid om een digitaal
beroepschrift in te dienen, integreren met de kantoorsoftware die
advocatenkantoren gebruiken. Om te voorkomen dat bij dergelijke
ontwikkelingen telkens dit besluit moet worden aangepast, is
gekozen voor een algemenere formulering.
Artikel 2
Artikel
6:5, eerste lid, Awb eist dat een beroepschrift ondertekend is. Uit
artikel 2:16 juncto artikel 8:40a
Awb volgt dat aan dit vereiste kan
worden voldaan door een elektronische handtekening, mits de
daarbij gebruikte methode voor authentificatie voldoende
betrouwbaar is, gelet op de aard en de inhoud van het
elektronische bericht en het doel waarvoor het wordt gebruikt. Om
onzekerheid daarover te voorkomen, geeft artikel 2 de
Minister van
Justitie de bevoegdheid om methoden voor het plaatsen van een
elektronische handtekening aan te wijzen die in ieder geval als
voldoende betrouwbaar kunnen gelden. Op Europees niveau is in het
zogenaamde STORK-project een abstracte indeling gemaakt in vier
niveaus van identificatie en authenticatie (in de wettekst is in
navolging van de Europese richtlijn de samentrekking
authentificatie gebruikt). STORK, een initiatief van de Europese
Commissie, staat voor Secure idenTity acrOss boRders linKed; dit
project beoogt ook in grensoverschrijdende situaties een
betrouwbare vaststelling van iemands identiteit in het
elektronisch verkeer mogelijk te maken. Een Nederlandse invulling
van de STORK-indeling zal in de loop van 2010 beschikbaar komen.
Aanwijzing door de Minister van Justitie maakt het mogelijk ook in
de toekomst snel in te spelen op nieuwe ontwikkelingen.
In de praktijk zullen natuurlijke personen
voor de ondertekening van het webformulier gebruik moeten maken
van DigID, het elektronische identificatiesysteem dat speciaal
voor elektronische overheidsdiensten is ontwikkeld; het
webformulier zal dit ook aangeven. Voor personen die namens een
bedrijf of instelling beroep instellen, komt in de loop van 2010
een systeem beschikbaar in het kader van het Afsprakenstelsel
eHerkenning voor bedrijven, dat door het ministerie van
Economische Zaken wordt ontwikkeld. Vanaf dat moment zullen ook
bedrijven en instellingen op deze wijze elektronisch beroep kunnen
instellen.
Advocaten zullen op korte termijn ook
gebruik kunnen maken van een speciaal voor de advocatuur
ontwikkeld systeem, genaamd BAR/LAT, dat voorziet in een
beroepscertificaat (voor de individuele advocaat) en een
kantoorcertificaat (voor kantoren) voor advocaten.
De Minister van Justitie, Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties,
E.M.H. Hirsch Ballin
|