|
[Raad voor de rechtspraak, red.]
Deze procesregeling heeft betrekking op (de voortgang van de procedure
in) algemeenbestuursrechtelijke, vreemdelingrechtelijke en
fiscaalrechtelijke zaken bij de sectoren bestuursrecht van de rechtbanken.
Ieder gerechtsbestuur heeft voor het eigen gerecht een met deze
modelregeling overeenkomende procesregeling vastgesteld. De data waarop
dat is gebeurd, staan vermeld in de Staatscourant.
Een met deze regeling overeenkomende regeling
is vastgesteld door de
rechtbank Alkmaar in de vergadering van het gerechtsbestuur van 8
november 2011, rechtbank
Almelo in de vergadering van het gerechtsbestuur van 15 november
2011,
rechtbank Amsterdam in de vergadering van het gerechtsbestuur van 15
december 2011, rechtbank Arnhem in de
vergadering van het gerechtsbestuur van 7 november 2011, rechtbank Assen
in de vergadering van het gerechtsbestuur van 15 november 2011, rechtbank Breda
in de vergadering van het gerechtsbestuur van 10 november 2011, rechtbank
Dordrecht in de vergadering van het gerechtsbestuur van 15 november
2011,
rechtbank Groningen in de vergadering van het gerechtsbestuur van 3
november 2011, rechtbank Den Haag in de
vergadering van het gerechtsbestuur van 8 november 2011, rechtbank Haarlem
in de vergadering van het gerechtsbestuur van 22 november 2011, rechtbank ’s-Hertogenbosch
in de vergadering van het gerechtsbestuur van 8 november 2011,
rechtbank Leeuwarden in de vergadering van het gerechtsbestuur van
14 november 2011, rechtbank Maastricht
in de vergadering van het gerechtsbestuur van 15 november 2011, rechtbank Middelburg
in de vergadering van het gerechtsbestuur van 29 november 2011, rechtbank
Roermond in de vergadering van het gerechtsbestuur van 15 november
2011,
rechtbank Rotterdam in de vergadering van het gerechtsbestuur van 22
november 2011, rechtbank Utrecht
in de vergadering van het gerechtsbestuur van 15 november 2011, rechtbank
Zutphen in de vergadering van het gerechtsbestuur van 8 november 2011
en door de rechtbank
Zwolle-Lelystad in de vergadering van het gerechtsbestuur van 11
november 2011.
Modelregeling, vastgesteld in het landelijk overleg voorzitters sectoren
bestuursrecht d.d. 12 oktober 2011, houdende richtlijnen voor het behandelen
van algemeenbestuursrechtelijke, vreemdelingrechtelijke en
fiscaalrechtelijke zaken bij de sectoren bestuursrecht van de rechtbanken.
HOOFDSTUK
1
Algemeen
Art. 1.
Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. een belastingzaak: een zaak waarop het procesrecht van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen van toepassing is;
b. een vreemdelingenzaak: een zaak waarin de
rechtbank Den Haag ingevolge artikel 71 van de
Vreemdelingenwet
2000 (Vw 2000) bevoegd is;
c. een vrijheidsontnemende maatregel:
een besluit tot oplegging van een
vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikelen 6, 58 en 59
van de Vw 2000;
d. een eerste beroep (inzake een
vrijheidsontnemende maatregel): een beroep waarop artikel 94 van de Vw
2000 van toepassing is;
e. een vervolgberoep (inzake een
vrijheidsontnemende maatregel): een beroep waarop artikel 96 van de Vw
2000 van toepassing is;
f. een AC-zaak: een
voorlopigevoorzieningszaak over een
afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning
asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw
2000,
waarop artikel 3.117 van het Vreemdelingenbesluit
2000 is toegepast;
g. een Dublinzaak: een
voorlopigevoorzieningszaak over een
afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning
voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw
2000, krachtens
artikel 30, aanhef en onder a, van de Vw
2000;
h. Centraal Inschrijfbureau
Vreemdelingenzaken: het onderdeel van de rechtbank Den Haag (nevenzittingsplaats Haarlem) dat is aangewezen voor het indienen van
beroepschriften en verzoekschriften in een vreemdelingenzaak, een zaak
over een besluit als bedoeld in artikel 3a van de Wet
Centraal Orgaan opvang asielzoekers en een zaak over een besluit als bedoeld in artikel
21 van de Wet
arbeid vreemdelingen.
Art. 2.
De verzending van stukken door
de rechtbank (de artikelen 8:37 en 8:38 van de
Awb)
-1. De griffier verzendt de uitnodiging
voor de zitting aangetekend of met bericht van ontvangst of per fax,
tenzij de rechtbank anders bepaalt.
-2. De griffier verzendt stukken waarin
(de griffier van) de rechtbank een laatste termijn stelt voorafgaande
aan mogelijke vereenvoudigde afdoening, eveneens aangetekend of met
bericht van ontvangst of per fax.
-3. De griffier verzendt stukken waarop
artikel 8:37, tweede lid, van de Awb betrekking
heeft bij gewone brief
of per fax, tenzij de rechtbank anders bepaalt.
Art. 2a.
Elektronisch indienen van
beroepschriften, verzoeken om een voorlopige voorziening en nader
ingediende elektronische stukken (artikelen
8:40a van de
Awb)
De rechtbank neemt een elektronisch
ingediend beroep- of verzoekschrift uitsluitend in behandeling indien
het is ingediend via één van de webapplicaties van de rechtbank (http://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht).
Hetzelfde geldt voor nader ingediende elektronische stukken. Deze
bepaling heeft geen betrekking op faxverkeer.
Art. 3.
De gemachtigde (de artikelen
6:17 en 8:24 van de Awb)
Indien een partij zich door een
gemachtigde laat bijstaan of vertegenwoordigen, richt de rechtbank
correspondentie en zendt de op de zaak betrekking hebbende stukken
uitsluitend aan die gemachtigde. Een oproeping van een partij zendt de
rechtbank, voor zover het desbetreffende adres bekend is, aan die partij
zelf. Zij stelt de gemachtigde daarvan in kennis.
Art. 4.
Uitstel van een door de
rechtbank gestelde termijn
-1. De rechtbank verlengt een door haar
gestelde termijn slechts in uitzonderlijke omstandigheden en indien
daarom binnen die termijn schriftelijk en gemotiveerd is verzocht.
-2. De rechtbank deelt haar beslissing op
het verzoek om uitstel aan verzoeker mee binnen één week na ontvangst
van dit verzoek.
-3. Indien de rechtbank een verzoek om
uitstel inwilligt, geeft zij aan de verzoeker een nadere termijn van ten
hoogste vier weken na de verzending van de mededeling, bedoeld in het
tweede lid.
-4. De rechtbank wijst een volgend verzoek
om verlenging van een gestelde termijn dat betrekking heeft op dezelfde
aangelegenheid in beginsel af.
Art. 5.
Openbare stukken
-1. Indien een partij een beroep doet op
stukken van algemene aard (inclusief rechterlijke uitspraken), behoeft
zij daarvan geen kopie over te leggen indien zij de vindplaats vermeldt
en die vindplaats openbaar is.
-2. In een vreemdelingenzaak, een zaak
over een besluit als bedoeld in artikel 3a van de Wet
Centraal Orgaan opvang asielzoekers en een zaak over een besluit als bedoeld in artikel
21 van de Wet
arbeid vreemdelingen merkt de rechtbank in ieder geval de
bronnen vermeld in de lijst die is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl
als openbare vindplaats aan.
Art. 6.
Versnelde behandeling (artikel
8:52 van de Awb)
-1. Binnen twee weken na ontvangst van een
gemotiveerd verzoek om versnelde behandeling als bedoeld in artikel 8:52
van de Awb deelt de rechtbank
partijen mee of het verzoek wordt
ingewilligd.
-2. In geval van versnelde behandeling
kunnen de in deze procesregeling gestelde termijnen worden verkort, voor
zover de wet dit toelaat.
HOOFDSTUK
2
Het begin
van de procedure
Art. 7.
De ontvangstbevestiging, de
kennisgeving, de berichtgeving, de stukken en het verweerschrift (de
artikelen 6:14 en 8:42 van de Awb)
-1. De rechtbank verzendt de bevestiging,
bedoeld in artikel 6:14, eerste lid, van de
Awb, binnen één week nadat
het beroepschrift bij de griffie is ingekomen.
-2. De rechtbank verzendt de kennisgeving,
bedoeld in artikel 6:14, tweede lid, van de
Awb, binnen één week nadat
het beroepschrift bij de griffie is ingekomen.
-3. In afwijking van het tweede lid
verzendt het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken in een
vreemdelingenzaak de kennisgeving, bedoeld in artikel
6:14, tweede lid,
van de Awb, binnen één werkdag nadat het beroepschrift bij hem is
binnengekomen. De (neven)zittingsplaats waaraan de zaak is toebedeeld,
bericht het bestuursorgaan daarvan binnen één week dan wel, indien
hoofdstuk 9, 11 of 12 van deze regeling van toepassing is, binnen twee
werkdagen nadat het beroepschrift is ingediend.
-4. Bij de kennisgeving, genoemd in het
tweede lid, onderscheidenlijk bij de berichtgeving, bedoeld in het derde
lid, tweede volzin, verzoekt de rechtbank het bestuursorgaan binnen vier
weken de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden.
-5. In een belastingzaak verzoekt de
rechtbank, in afwijking van het vierde lid, pas nadat de indiener van het
beroepschrift eventuele verzuimen heeft hersteld en het verschuldigde
griffierecht is ontvangen, het bestuursorgaan binnen vier weken de op de
zaak betrekking hebbende stukken over te leggen.
-6. Indien de rechtbank het bestuursorgaan
in de gelegenheid stelt een verweerschrift in te dienen, stelt de
rechtbank daarvoor een termijn van vier weken.
Art. 8.
De derde-belanghebbende (de
artikelen 8:26 en 8:43 van de Awb)
-1. Indien aanstonds blijkt van een
derde-belanghebbende, stelt de rechtbank hem binnen twee weken na
ontvangst van het beroepschrift en de gronden van het beroep ambtshalve
in de gelegenheid als partij aan het geding deel te nemen. De rechtbank
zendt hem het bestreden besluit, het beroepschrift en de gronden van het
beroep. De rechtbank stelt hem een termijn van twee weken om kenbaar te
maken of hij als partij aan het geding wil deelnemen.
-2. De rechtbank beslist binnen vier weken
na ontvangst van een verzoek van een derde-belanghebbende om als partij
aan het geding deel te nemen, op dat verzoek.
-3. Binnen twee weken nadat is komen vast
te staan dat een derde-belanghebbende als partij aan het geding
deelneemt, zendt de rechtbank hem de op de zaak betrekking hebbende
stukken. De rechtbank stelt hem daarbij in de gelegenheid binnen vier
weken een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven.
-4. De rechtbank verlengt de in het eerste
en derde lid genoemde termijnen voor zover dat noodzakelijk is vanwege
besluitvorming over beperking van de kennisneming of geheimhouding van
stukken of vanwege de feitelijke uitvoering van een beslissing die de
rechtbank daarover heeft genomen.
Art. 9.
Verwijzing, voeging en
splitsing (de artikelen 8:13 en 8:14 van de
Awb) en overdracht aan een
(neven)zittingsplaats
-1. De rechtbank beslist op een verzoek om
verwijzing, voeging of splitsing als bedoeld in de artikelen
8:13,
tweede lid, en 8:14, tweede lid, van de Awb
binnen vier weken na
ontvangst daarvan.
-2. In een vreemdelingenzaak, dan wel een
zaak over een besluit als bedoeld in artikel 3a van de Wet
Centraal Orgaan opvang asielzoekers of artikel 21 van de Wet
arbeid vreemdelingen, kan een (neven)zittingsplaats van de rechtbank het beroep in iedere
stand van de procedure overdragen aan een andere (neven)zittingsplaats.
-3. Indien een partij in een
vreemdelingenzaak, dan wel een zaak over een besluit als bedoeld in
artikel 3a van de Wet
Centraal Orgaan opvang asielzoekers of artikel 21
van de Wet arbeid
vreemdelingen, verzoekt om behandeling door een andere
(neven)zittingsplaats, beslist de (neven)zittingsplaats van de rechtbank
binnen vier weken op dat verzoek.
HOOFDSTUK
3
De
vereisten voor de procedure
Art. 10.
Herstel van een verzuim (de
artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb)
-1. Indien de rechtbank
vaststelt dat
sprake is van een herstelbaar verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de
Awb, stelt zij de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid het
verzuim binnen vier weken te herstellen. In de brief vermeldt de
rechtbank dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien
het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld.
-2. Indien de voorzieningenrechter in een
met het beroep samenhangende voorlopigevoorzieningszaak de indiener van
het verzoekschrift in de gelegenheid stelt een verzuim als bedoeld in
het eerste lid te herstellen binnen een van dat eerste lid afwijkende
termijn en bovendien de indiener van het verzoekschrift en de indiener
van het beroepschrift dezelfde (rechts)persoon is, kan de rechtbank in
de beroepszaak de indiener van het beroepschrift een termijn gelijk aan
die in de voorlopigevoorzieningszaak stellen.
Art. 11.
De machtiging (artikel 8:24
van de Awb)
Indien de rechtbank van een gemachtigde
als bedoeld in artikel 8:24 van de Awb
een machtiging verlangt, nodigt
zij hem schriftelijk uit de machtiging binnen vier weken in te zenden.
Art. 12.
Het griffierecht (de artikelen
8:41 en 6:15 van de Awb)
-1. Na ontvangst van het beroepschrift
nodigt de griffier de indiener per gewone post uit het griffierecht
binnen vier weken te voldoen.
-2. Indien na de verzending van de
uitnodiging per gewone post de termijn waarbinnen dient te worden
betaald, is verstreken en het verschuldigde griffierecht niet is
ontvangen, verzendt de griffier de mededeling, genoemd in artikel
8:41,
tweede lid, van de Awb, aangetekend.
-3. Indien na verzending van de
mededeling, genoemd in het tweede lid, het griffierecht niet binnen de
gestelde termijn is bijgeschreven of gestort, geeft de rechtbank
toepassing aan de tweede volzin van artikel
8:41, tweede lid, van de Awb.
-4. Indien de rechtbank het beroepschrift
met toepassing van artikel 6:15, eerste of tweede lid, van de
Awb doorzendt aan een bestuursorgaan of aan een andere bestuursrechter dan
de sector bestuursrecht van een andere rechtbank, heft de griffier, voor
zover nodig in afwijking van het eerste tot en met het derde lid, geen
griffierecht.
-5. Indien de rechtbank, nadat
griffierecht is geheven, het beroepschrift doorzendt aan of de zaak
verwijst naar de sector bestuursrecht van een andere rechtbank, bericht
de doorzendende of verwijzende rechtbank haar zo spoedig mogelijk over
de ontvangst van het griffierecht. De eerste volzin is van
overeenkomstige toepassing op de overdracht van een vreemdelingenzaak,
dan wel een zaak over een besluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet
arbeid vreemdelingen, aan een (neven)zittingsplaats, bedoeld in artikel
9, tweede lid, van deze regeling.
-6. Indien griffierecht is geheven voordat
de rechtbank het beroepschrift doorzendt aan een bestuursorgaan ter
behandeling als bezwaarschrift of administratiefberoepschrift of aan
een andere bestuursrechter dan genoemd in het vijfde lid, eerste volzin,
ter behandeling als beroepschrift, betaalt de griffier het griffierecht
na ontvangst terug, tenzij de doorzending plaatsvindt nadat de rechtbank
uitspraak heeft gedaan.
-7. Indien het beroep niet-ontvankelijk is
verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht, betaalt
de griffier het eventueel na de (laatste) termijn betaalde griffierecht
ter zake van dat beroep terug.
HOOFDSTUK
4
Het
vooronderzoek
Art. 13.
De geheimhouding en beperking
van de kennisneming (artikel 8:29 van de Awb)
-1. Indien in een verzoek om geheimhouding
of beperking van de kennisneming slechts van delen van de inlichtingen
of stukken geheimhouding of beperking van de kennisneming wordt
verzocht, wijst de rechtbank de verzoeker er zo nodig op dat van hem
wordt verwacht dat hij een versie van de inlichtingen geeft of stukken
overlegt die aan de andere partij(en) mag worden gezonden.
-2. Indien het, zo nodig op grond van het
eerste lid aangevulde, verzoek betrekking heeft op (delen van) stukken
waarvan de openbaarmaking op grond van de Wet
openbaarheid van bestuur is geweigerd en het beroep tegen die weigering is gericht, handelt de
rechtbank alsof het verzoek om beperking van de kennisneming is
ingewilligd.
-3. Indien de verzoeker ook beperking van
de kennisneming wenst van (delen van) de motivering van het verzoek om
geheimhouding of beperking van de kennisneming, houdt de rechtbank met
dat verzoek slechts rekening indien hij dat bij het verzoek meedeelt en
tevens een versie van zijn verzoek overlegt die ook aan de andere
partijen mag worden gezonden.
-4. De rechtbank kan de andere partij(en)
in de gelegenheid stellen binnen een termijn van twee weken op het
verzoek om geheimhouding of beperking van de kennisneming te reageren.
Daarbij neemt de rechtbank het in het derde lid bedoelde verzoek om
beperking van de kennisneming van (delen van) de motivering van het
verzoek in acht.
-5. Tenzij de rechtbank de partij dan wel
het bestuursorgaan of de werkgever, bedoeld in artikel
8:45, tweede
respectievelijk derde lid, van de Awb, om nadere toelichting op het
verzoek vraagt, deelt zij de beslissing, bedoeld in artikel
8:29, derde
lid, van de Awb, mee aan partijen en, voor zover van toepassing, aan het
bestuursorgaan of de werkgever als hiervoor bedoeld:
a. binnen vier weken na ontvangst van
het verzoek; of
b. indien toepassing wordt gegeven aan
het vierde lid, binnen vier weken na ontvangst van de reactie(s) of het
ongebruikt verstrijken van de reactietermijn.
-6. Indien de rechtbank het verzoek om
beperking van de kennisneming afwijst, stelt de rechtbank de verzoeker
in de gelegenheid binnen vier weken schriftelijk mee te delen welke
consequenties hij aan de beslissing van de rechtbank verbindt. De
rechtbank voldoet aan een in reactie hierop gedaan verzoek tot
terugzending van de stukken waarop het verzoek betrekking heeft.
-7. Indien en voor zover de rechtbank de
verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd acht, stelt zij
de andere partij(en) in de gelegenheid, voor zover niet op een eerder
moment al toestemming is verleend, op de voet van artikel
8:29, vijfde
lid, van de Awb de rechtbank binnen twee weken te berichten of die
partij(en) erin toestemt onderscheidenlijk toestemmen dat de rechtbank
uitspraak doet mede op grondslag van de (delen van de) stukken waarvan
beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is geacht.
-8. Na de uitspraak op het beroep zendt
de rechtbank de stukken waarvan de kennisneming is beperkt op grond van
een beslissing van de rechtbank, binnen twee weken na het verzenden van
de uitspraak terug aan de partij die dan wel het bestuursorgaan dat of
de werkgever die deze heeft ingediend.
-9. Het zesde en achtste lid zijn van
overeenkomstige toepassing op de in het derde lid bedoelde motivering
waarvan de beperking van de kennisneming is verzocht.
Art. 14.
De repliek, de dupliek en de
schriftelijke uiteenzetting (artikel 8:43 van de
Awb)
-1. Indien de rechtbank
gebruik maakt van
de bevoegdheid, bedoeld in artikel 8:43, eerste lid, eerste volzin, van
de Awb, geeft zij aan de indiener van het beroepschrift een termijn van
vier weken om te repliceren.
-2. Na ontvangst van de repliek stelt de
rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid binnen vier weken
schriftelijk te dupliceren.
-3. De rechtbank stelt dan tevens een
derde-belanghebbende die als partij aan het geding deelneemt (nogmaals)
in de gelegenheid binnen vier weken een schriftelijke uiteenzetting over
de zaak te geven. Bij toepassing van artikel 8:52 van de
Awb kan de
rechtbank de eerste volzin buiten toepassing laten.
Art. 15.
Het deskundigenonderzoek (de
artikelen 8:47 en 8:48 van de Awb)
-1. Indien de rechtbank
gebruik maakt van
de bevoegdheid, bedoeld in artikel 8:47, derde lid, tweede volzin, van
de Awb, geeft zij aan partijen een termijn van twee weken om hun wensen
omtrent het onderzoek aan haar kenbaar te maken.
-2. De termijn, genoemd in artikel
8:47,
vierde lid, van de Awb, bedraagt ten hoogste dertien weken.
-3. De rechtbank zendt het verslag,
bedoeld in artikel 8:47, vierde lid, van de
Awb, aan partijen binnen
één week na ontvangst daarvan, onder verwijzing naar de mogelijkheid
van partijen, bedoeld in artikel 8:47, vijfde lid, van de
Awb.
-4. De rechtbank legt de ingekomen
reacties binnen twee weken voor commentaar voor aan de deskundige,
tenzij het commentaar daarvoor geen aanleiding geeft. De rechtbank geeft
de deskundige daarbij een termijn van ten hoogste vier weken om zijn
nader verslag in te dienen. Met overeenkomstige toepassing van het derde
lid zendt de rechtbank dat nader verslag aan partijen.
HOOFDSTUK
5
Het
onderzoek ter zitting
Art. 16.
De uitnodiging of oproeping
voor de zitting (de artikelen 8:56 en 8:59 van de
Awb)
-1. In de uitnodiging of oproeping
vermeldt de rechtbank
of de zaak door een enkelvoudige of een
meervoudige kamer wordt behandeld. Tevens vermeldt de rechtbank hierin
de naam onderscheidenlijk namen van de rechter(s).
-2. Indien de rechtbank een partij
oproept, vermeldt zij in de oproeping zo mogelijk de reden waarom de
partij wordt opgeroepen. Zij stelt ook de wederpartij(en) van die
redengeving in kennis.
-3. Indien de rechtbank zaken ter zitting
gevoegd of gesplitst behandelt en zij daarvan niet eerder mededeling
heeft gedaan, doet zij daarvan mededeling in de uitnodiging of
oproeping.
-4. Als de datum van behandeling niet op
andere wijze in overleg met partijen is bepaald, kondigt de rechtbank
aan partijen aan wanneer de zitting zal plaatsvinden en biedt de
rechtbank partijen gedurende één week na verzending van die
aankondiging de gelegenheid een andere datum te verzoeken onder
vermelding van verhinderdata. Die verhinderdata dienen te liggen in de
periode van twee weken vóór en twee weken na de aangekondigde
zittingsdatum als de rechtbank de aankondiging binnen zes weken na
binnenkomst van het beroepschrift aan partijen heeft verzonden. In de
andere gevallen dienen die verhinderdata te liggen in de periode van zes
weken na de geagendeerde zittingsdatum. Indien een partij binnen één
week na de aankondiging en onder vermelding van verhinderdata om een
andere datum verzoekt, willigt de rechtbank een verzoek om verdaging
steeds in.
-5. De rechtbank willigt een verzoek om
verdaging slechts in indien daarom zo spoedig
mogelijk schriftelijk en gemotiveerd is verzocht en bovendien sprake is
van uitzonderlijke omstandigheden, behoudens in de situatie zoals
bedoeld in de laatste zin van het vierde lid.
-6. De rechtbank deelt een weigering de
zitting te verdagen mee aan de verzoekende partij binnen één week na
ontvangst van dit verzoek.
-7. De rechtbank stelt partijen en
eventuele andere betrokkenen binnen één week in kennis van een
beslissing tot verdaging.
-8. Slechts indien de rechtbank een partij
aan wie de vrijheid is ontnomen in persoon oproept, gelast zij
ambtshalve het transport.
Art. 17.
Bijstand door een tolk ter
zitting (de artikelen 8:59 en 8:60 van de
Awb)
-1. Bij een eerste beroep inzake een
vrijheidsontnemende maatregel zorgt de rechtbank
steeds voor een tolk
ter zitting indien betrokkene tolkbijstand behoeft. In andere zaken
zorgt de rechtbank op verzoek voor een tolk ter zitting indien een
partij in persoon is opgeroepen of de rechtbank ambtshalve getuigen
en/of deskundigen wil horen en tolkbijstand daarvoor nodig is. De tweede
volzin vindt geen toepassing indien betrokkene de vrijheid is ontnomen
en hij uitsluitend wordt opgeroepen omdat hij heeft verzocht te willen
worden gehoord.
-2. De rechtbank zorgt op verzoek voor een
tolk ter zitting indien de zaak over een punitieve sanctie gaat en
tolkbijstand nodig is om te garanderen dat degene aan wie de punitieve
sanctie is opgelegd het verhandelde ter zitting kan volgen in een taal
die hij verstaat.
Art. 18.
De schorsing (artikel 8:64 van
de Awb)
Indien ter zitting niet alle partijen
aanwezig waren en de rechtbank het onderzoek ter zitting met toepassing
van artikel 8:64, eerste lid, van de Awb
heeft geschorst, doet de
griffier binnen twee weken na die zitting mededeling aan partijen van de
schorsing en van de wijze waarop het onderzoek wordt voortgezet.
Art. 19.
De sluiting van het onderzoek
zonder (nadere) zitting (de artikelen 8:57 en
8:64 van de Awb)
Binnen vier weken nadat partijen
toestemming hebben gegeven als bedoeld in artikel
8:57, eerste lid,
onderscheidenlijk artikel 8:64, vijfde lid, eerste volzin, van de
Awb,
deelt de rechtbank de beslissing over de sluiting van het onderzoek aan
partijen mee. Indien de rechtbank toepassing geeft aan artikel
8:57,
tweede lid, onderscheidenlijk artikel 8:64, vijfde lid, tweede volzin,
van de Awb, deelt de rechtbank de beslissing omtrent de sluiting van het
onderzoek aan partijen mee binnen vier weken nadat zich één van de
situaties heeft voorgedaan als bedoeld in artikel
8:57, tweede lid, van
de Awb.
HOOFDSTUK
6
De
uitspraak
Art. 20.
De termijn voor de
schriftelijke uitspraak (artikel 8:66 van de
Awb)
Indien de rechtbank de termijn, genoemd
in artikel 8:66, tweede lid, van de Awb, overschrijdt, doet zij aan
partijen hiervan mededeling onder vermelding van de datum waarop
uiterlijk uitspraak wordt gedaan.
Art. 21.
De grosse (artikel 8:76 van de Awb
en artikel 430 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering)
-1. De griffier verstrekt kosteloos en bij
aangetekende brief aan iedere partij op verzoek niet meer dan eenmaal
een grosse van een uitspraak. Daarbij worden gezamenlijk procederende
personen als één partij aangemerkt.
-2. Een door de rechtbank
verstrekte
grosse is een afschrift van de uitspraak, opgemaakt in de voor
afschriften gebruikelijke vorm, behoudens de volgende afwijkingen. Aan
het hoofd plaatst de griffier de woorden: "IN NAAM DER KONINGIN".
Aan het slot plaatst de griffier de woorden: "Uitgegeven voor
eensluidend afschrift en GROSSE aan (verzoeker) te (woonplaats) op heden
(datum), de griffier,". Deze slotformule wordt gevolgd door een afdruk
van het stempel van de rechtbank en de handtekening van degene die de
grosse afgeeft. Gelijktijdig met de ondertekening van de grosse plaatst
de griffier op het voorblad van het origineel (de minuut) van de
uitspraak met inkt de aantekening: "GROSSE afgegeven aan (verzoeker)
te (woonplaats) op heden (datum), de griffier". Deze aantekening
waarmerkt de griffier met een paraaf.
Art. 22.
Publicatie van een uitspraak
in een belastingzaak (artikel 27g van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen)
In een belastingzaak beslist de rechtbank op een door een partij gedaan verzoek als bedoeld in artikel
27g, tweede
lid, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen om de uitspraak niet
vrij te geven aan anderen dan partijen alleen inhoudelijk, indien die
partij dat verzoek uiterlijk ter zitting en gemotiveerd doet.
HOOFDSTUK
7
Het niet
tijdig nemen van een besluit
Art. 23.
Vervallen.
Art. 24.
Het beroep tegen het niet
tijdig nemen of bekendmaken van een besluit met toepassing van
afdeling 8.2.4a
van de Awb
(de artikelen 6:2, 6:20 en
8:55b tot en met 8:55f van
de Awb)
-1. Indien beroep is ingesteld tegen het
niet tijdig nemen van een besluit of bekendmaken van een beschikking van
rechtswege als bedoeld in artikel 8:55f
van de Awb, behandelt de
rechtbank, los van het antwoord op de vraag of daarna wordt beslist tot
toepassing van de vereenvoudigde behandeling, bedoeld in artikel 8:54
van de Awb, het beroep versneld met toepassing van
artikel 8:52 van de Awb. Dit wordt partijen meegedeeld in de ontvangstbevestiging
onderscheidenlijk de kennisgeving, bedoeld in artikel
6:14, eerste en
tweede lid, van de Awb.
-2. Indien beroep is ingesteld tegen het
niet tijdig nemen van een besluit of bekendmaken van een beschikking van
rechtswege als bedoeld in artikel 8:55f
van de Awb
en sprake is van een
verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, stelt de rechtbank in
afwijking van artikel 10, eerste lid, van deze regeling de indiener van
het beroepschrift in de gelegenheid het verzuim binnen twee weken te
herstellen. In de brief vermeldt de rechtbank dat het beroep
niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim niet binnen de
gestelde termijn wordt hersteld.
-3. Bij de kennisgeving, genoemd in
artikel 7, tweede lid, van deze regeling, verzoekt de rechtbank in
afwijking van artikel 7, vierde en zesde lid, het bestuursorgaan
binnen twee weken de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden
en een verweerschrift in te dienen. In de brief deelt de rechtbank het
bestuursorgaan mee dat indien het bestuursorgaan hieraan niet of niet
geheel voldoet, op het beroep zal worden beslist op grondslag van de
beschikbare stukken.
-4. Indien de rechtbank het beroep ter
zitting behandelt, zendt zij partijen de uitnodiging of oproeping om
op een zitting van de rechtbank te verschijnen ten minste twee weken vóór de datum van de zitting. In dat geval doet de rechtbank binnen twee
weken na de zitting uitspraak.
-5. Binnen één week nadat een verzet
gegrond is verklaard als bedoeld in artikel
8:55e, derde lid, van de Awb
geeft de rechtbank toepassing aan het vierde lid, eerste volzin. In dat
geval doet de rechtbank binnen twee weken na de zitting uitspraak.
-6. Indien het bestuursorgaan alsnog een
besluit neemt en dat aan de rechtbank heeft gezonden voordat de
rechtbank uitspraak heeft gedaan, behandelt de rechtbank het beroep
verder op de gewone wijze.
-7. In een belastingzaak kan de rechtbank
het eerste tot en met vijfde lid buiten toepassing laten en het beroep
op de gewone wijze behandelen.
HOOFDSTUK
8
Het verzet
Art. 25.
Het verzet (artikel 8:55 van
de Awb)
-1. De rechtbank behandelt een verzet met
overeenkomstige toepassing van de artikelen 2, 3,
4, 5, 7, eerste en
tweede lid, 16 en 17 van deze regeling.
-2. Indien de rechtbank vaststelt dat
sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de
Awb, stelt
zij de indiener van het verzetschrift in de gelegenheid het verzuim
binnen twee weken te herstellen. In de brief vermeldt de rechtbank dat
het verzet niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim
niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld.
-3. Indien de rechtbank de wederpartij de
gelegenheid geeft te reageren op het verzet, stelt de rechtbank een
termijn van twee weken.
-4. Indien de rechtbank de indiener van
het verzetschrift in de gelegenheid stelt ter zitting te worden gehoord,
zendt zij de kennisgeving daarvan ten minste drie weken vóór de datum
van de zitting aan de indiener en stelt zij de overige partijen in de
bodemzaak daarvan op de hoogte.
-5. De rechtbank behandelt het verzet
binnen dertien weken na ontvangst van het verzetschrift ter zitting of
doet binnen deze termijn zonder zitting uitspraak.
HOOFDSTUK
9
De
vrijheidsontnemende maatregel
Art.
26. Toepassingsbereik van dit
hoofdstuk
-1. Dit hoofdstuk is van toepassing op een
zaak over een vrijheidsontnemende maatregel.
-2. Indien dit hoofdstuk van toepassing
is, zijn naast dit hoofdstuk slechts de artikelen 1, 2,
3, 5, 7, derde
lid, 9, tweede en derde lid, 16,
eerste en achtste lid,
17, 21 en 49 van
deze regeling van toepassing.
Art. 27.
De ontvangstbevestiging (artikel 6:14 van de
Awb)
De rechtbank verzendt de bevestiging,
bedoeld in artikel 6:14, eerste lid, van de
Awb, binnen twee werkdagen
nadat het beroepschrift is ingediend.
Art. 28.
De toevoeging van een raadsman
(de artikelen 100 en 101 van de Vw
2000)
De rechtbank voegt, zowel bij een eerste beroep als bij een vervolgberoep, ambtshalve aan de vreemdeling een
raadsman toe als bedoeld in de artikelen 100 en 101 van de Vw
2000,
tenzij vaststaat dat de vreemdeling zelf een raadsman heeft gekozen.
Onder dit laatste wordt tevens verstaan de situatie dat de vreemdeling
al wordt bijgestaan door een raadsman die op verzoek van die
vreemdeling door het bureau rechtsbijstandvoorziening aan de vreemdeling
is toegevoegd.
Art. 29.
De op de zaak betrekking
hebbende stukken in een eerste beroep (artikel 8:42 van de
Awb en
artikel 94 van de Vw
2000)
-1. De rechtbank verzoekt het
bestuursorgaan indien het om een eerste beroep gaat, de op de zaak
betrekking hebbende stukken, bedoeld in artikel 8:42 van de
Awb en
artikel 94, tweede lid, vierde volzin, van de Vw
2000, in te zenden op
zodanig tijdstip dat deze uiterlijk op de derde werkdag vóór de
zitting om 16:00 uur worden ontvangen.
-2. De rechtbank verzoekt het
bestuursorgaan een afschrift van deze stukken gelijktijdig ook aan de
raadsman van de vreemdeling te zenden en daarvan mededeling te doen aan
de rechtbank.
Art. 30.
De inlichtingen betreffende
een vervolgberoep (artikel 96 van de Vw
2000)
-1. Indien het om een vervolgberoep gaat,
zendt de rechtbank het beroepschrift aan het bestuursorgaan en stelt zij
het bestuursorgaan in de gelegenheid binnen drie werkdagen na die
verzending inlichtingen te verstrekken die van belang zijn voor de
beoordeling van de zaak (de zogenoemde voortgangsrapportage).
-2. De rechtbank verzoekt het
bestuursorgaan een afschrift van deze stukken ook aan de raadsman van de
vreemdeling te zenden en daarvan mededeling te doen aan de rechtbank.
-3. Na ontvangst van de in het eerste lid
bedoelde inlichtingen stelt de rechtbank de vreemdeling in de
gelegenheid binnen twee werkdagen schriftelijk op deze inlichtingen te
reageren en zich uit te laten over de noodzaak van behandeling van het
vervolgberoep ter zitting. De rechtbank neemt een verzoek de vreemdeling
in persoon op te roepen in behandeling indien de vreemdeling uiterlijk
bij het geven van deze reactie daarom verzoekt.
HOOFDSTUK
10
De
voorlopige voorziening in een vreemdelingenzaak
Art. 31.
Toepassingsbereik van dit
hoofdstuk
-1. Dit hoofdstuk is van toepassing op een
zaak over een verzoek om voorlopige voorziening in een
vreemdelingenzaak, niet zijnde een AC-zaak of een Dublinzaak, en een
zaak over een besluit als bedoeld in artikel 3a van de Wet
Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
-2. Indien dit hoofdstuk van toepassing
is, zijn naast dit hoofdstuk slechts de artikelen 1, 2,
3, 5, 7, eerste
en derde lid, 9, tweede en derde lid, 16,
achtste lid,
17, 21 en 49 van
deze regeling van (overeenkomstige) toepassing.
Art. 32.
Herstel van een verzuim (artikel 8:81, vierde lid, gelezen in samenhang met de
artikelen 6:5 en
6:6 van de Awb)
-1. Indien de voorzieningenrechter
vaststelt dat sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van
de Awb, stelt hij de indiener van het verzoekschrift in de gelegenheid
het verzuim binnen twee weken te herstellen. Deze termijn wordt niet
verlengd. In de brief vermeldt de voorzieningenrechter dat het verzoek
niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim niet binnen de
gestelde termijn wordt hersteld.
-2. Indien de rechtbank
in een met het
verzoek om voorlopige voorziening samenhangende beroepszaak de indiener
van het beroepschrift in de gelegenheid stelt een verzuim als bedoeld in
het eerste lid te herstellen binnen een van dat eerste lid afwijkende
termijn en bovendien de indiener van het beroepschrift en de indiener
van het verzoekschrift dezelfde (rechts)persoon is, kan de
voorzieningenrechter in de voorlopigevoorzieningszaak de indiener van
het verzoekschrift een termijn gelijk aan die in de beroepszaak stellen.
Art. 33.
De op de zaak betrekking
hebbende stukken (artikel 8:83 van de Awb)
-1. De voorzieningenrechter verzoekt het
bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken binnen twee
weken in te zenden. Deze termijn wordt niet verlengd.
-2. De voorzieningenrechter verzoekt het
bestuursorgaan een afschrift van deze stukken gelijktijdig ook aan (de
gemachtigde van) de indiener van het verzoekschrift te zenden en daarvan
mededeling te doen aan de voorzieningenrechter.
Art. 34.
De uitnodiging of oproeping
voor de zitting (artikel 8:83 van de Awb)
-1. De voorzieningenrechter zendt partijen
de uitnodiging of oproeping om op een zitting van de
voorzieningenrechter te verschijnen ten minste twee weken vóór de datum
van de zitting.
-2. In de uitnodiging of oproeping
vermeldt de voorzieningenrechter voor zover van toepassing de in artikel
78 van de Vw 2000
bedoelde mogelijkheid dat de voorzieningenrechter niet
alleen op het verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar of
administratief beroep, maar ook op dat bezwaar of administratief beroep
beslist.
Art. 35.
De termijn voor de uitspaak (artikel 8:84 van de
Awb)
De voorzieningenrechter doet binnen twee
weken na de zitting uitspraak.
HOOFDSTUK
11
De AC-zaak
Art. 36.
Toepassingsbereik van dit
hoofdstuk
-1. Dit hoofdstuk is van toepassing op een
AC-zaak.
-2. Indien dit hoofdstuk van toepassing
is, zijn naast dit hoofdstuk slechts de artikelen 1, 2,
3, 5, 7, derde
lid, 9, tweede en derde lid, 16,
achtste lid,
17, 21 en 49 van deze
regeling van (overeenkomstige) toepassing.
Art. 37.
De ontvangstbevestiging en de
uitnodiging of oproeping voor de zitting (artikel
8:81, vierde lid,
gelezen in samenhang met artikel 6:14, en
artikel 8:83 van de Awb)
-1. De voorzieningenrechter verzendt de
bevestiging, bedoeld in artikel 6:14, eerste lid, van de
Awb, binnen
twee werkdagen nadat het verzoekschrift is ingediend.
-2. De voorzieningenrechter nodigt de
indiener van het verzoekschrift bij de brief met de in het eerste lid
genoemde bevestiging uit of roept hem daarbij op voor een zitting, dan
wel deelt hem mee op welke datum het verzoek ter zitting zal worden
behandeld.
Art. 38.
Vaste zittingsdagen (artikel
8:83 van de Awb)
De voorzieningenrechter behandelt het
verzoek om voorlopige voorziening op vaste wekelijkse zittingsdagen waarvan de data
worden gepubliceerd in de Bijlage betreffende AC-zaken (www.rechtspraak.nl).
Art. 39.
De op de zaak betrekking
hebbende stukken (artikel 8:83 van de Awb)
-1. De voorzieningenrechter verzoekt het
bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken uiterlijk op
het tijdstip vermeld in de Bijlage betreffende AC-zaken (www.rechtspraak.nl)
in te zenden.
-2. De voorzieningenrechter verzoekt het
bestuursorgaan een afschrift van deze stukken gelijktijdig ook aan (de
gemachtigde van) de indiener van het verzoekschrift te zenden en daarvan
mededeling te doen aan de voorzieningenrechter.
Art. 40.
Herstel van een verzuim (artikel 8:81, vierde lid, gelezen in samenhang met de
artikelen 6:5 en
6:6 van de Awb)
-1. Indien de voorzieningenrechter
vaststelt dat sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van
de Awb, stelt hij de indiener van het verzoekschrift in de brief met de
in artikel 37, eerste lid, genoemde bevestiging in de gelegenheid het
verzuim te herstellen. De termijn voor het herstel eindigt op het
tijdstip vermeld in de Bijlage betreffende AC-zaken (www.rechtspraak.nl).
Deze termijn wordt niet verlengd. In de brief vermeldt de
voorzieningenrechter dat het verzoek niet-ontvankelijk kan worden
verklaard indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt
hersteld.
-2. De voorzieningenrechter verzoekt de
indiener van het verzoekschrift een afschrift van de desbetreffende
stukken gelijktijdig ook aan het bestuursorgaan te zenden en daarvan
mededeling te doen aan de voorzieningenrechter.
Art. 41.
De termijn voor de uitspraak (artikel 8:84 van de
Awb)
De voorzieningenrechter doet binnen vijf
werkdagen na de zitting uitspraak. De uitspraak wordt op dezelfde dag
per fax verzonden.
HOOFDSTUK
12
De Dublinzaak
Art. 42.
Toepassingsbereik van dit
hoofdstuk
-1. Dit hoofdstuk is van toepassing op een
Dublinzaak.
-2. Indien dit hoofdstuk van toepassing
is, zijn naast dit hoofdstuk slechts de artikelen 1, 2,
3, 5, 7, derde
lid, 9, tweede en derde lid, 16,
achtste lid,
17, 21 en 49 van deze
regeling van (overeenkomstige) toepassing.
Art. 43.
De ontvangstbevestiging (artikel 8:81, vierde lid, gelezen in samenhang met
artikel 6:14 van de Awb)
De voorzieningenrechter verzendt de
bevestiging, bedoeld in artikel 6:14, eerste lid, van de
Awb, binnen
twee werkdagen nadat het verzoekschrift is ingediend.
Art. 44.
De op de zaak betrekking
hebbende stukken (artikel 8:83 van de Awb) en het verweerschrift (in de
onderliggende beroepszaak; artikel 8:42 van de
Awb)
-1. De voorzieningenrechter verzoekt het
bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken uiterlijk
binnen één week na indiening van het verzoek om voorlopige voorziening
in tweevoud in te zenden.
-2. De rechtbank verzoekt het
bestuursorgaan een verweerschrift in te dienen op zodanig tijdstip dat
dit uiterlijk op de derde werkdag vóór de zitting om 16:00 uur wordt
ontvangen.
-3. De voorzieningenrechter deelt het
bestuursorgaan in de brief met het in het eerste lid bedoelde verzoek om
inzending van stukken mee dat indien het bestuursorgaan na die inzending
van stukken nog (nadere) stukken in het geding wil brengen, het wordt
verzocht een afschrift van die (nadere) stukken gelijktijdig ook aan (de
gemachtigde van) de indiener van het verzoekschrift te zenden en daarvan
mededeling te doen aan de voorzieningenrechter.
Art.
45. Herstel van een verzuim (artikel
8:81, vierde lid, gelezen in samenhang met de artikelen 6:5 en
6:6 van de Awb)
-1. Indien de voorzieningenrechter
vaststelt dat sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van
de Awb, stelt hij in de brief met de in artikel 43 genoemde bevestiging
de indiener van het verzoekschrift in de gelegenheid het verzuim te
herstellen binnen een termijn van drie weken. Deze termijn wordt niet
verlengd. In de brief vermeldt de voorzieningenrechter dat het verzoek
niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim niet binnen de
gestelde termijn wordt hersteld.
-2. De voorzieningenrechter verzoekt de
indiener van het verzoekschrift een afschrift van de desbetreffende
stukken gelijktijdig ook aan het bestuursorgaan te zenden en daarvan
mededeling te doen aan de voorzieningenrechter.
Art. 46.
De uitnodiging of oproeping
voor de zitting (artikel 8:83 van de Awb)
Binnen twee weken nadat de in artikel 45
genoemde termijn voor het herstellen van een verzuim is verstreken,
nodigt de voorzieningenrechter de indiener van het verzoekschrift uit of
roept hem op voor een zitting. Indien geen termijn voor het herstellen
van een verzuim wordt gesteld, nodigt de voorzieningenrechter binnen
twee weken nadat de brief met de in artikel 43 genoemde bevestiging is
verzonden de indiener van het verzoekschrift uit of roept hem op voor
een zitting. De zittingsdatum wordt in (telefonisch) overleg met (de
gemachtigde van) de indiener van het verzoekschrift vastgesteld. De
voorzieningenrechter nodigt gelijktijdig het bestuursorgaan uit voor de
zitting.
Art. 47.
Vaste zittingsdagen (artikel
8:83 van de Awb)
De voorzieningenrechter behandelt het
verzoek om voorlopige voorziening ter zitting binnen tien weken na
indiening van dat verzoek.
Art. 48.
De termijn voor de uitspraak (artikel 8:84 van de
Awb)
De voorzieningenrechter doet binnen twee
weken na de zitting uitspraak. De uitspraak wordt per post of per fax
verzonden.
HOOFDSTUK
13
Slotbepaling
Art. 49. Slotbepaling
-1. Op de termijnen, bedoeld in deze regeling, is de Algemene
termijnenwet van toepassing.
-2. De tekst van deze regeling wordt in de Staatscourant
geplaatst en tevens op www.rechtspraak.nl
gepubliceerd.
-3. Deze regeling treedt in werking op ¹ 15 december 2011.
-4. Deze regeling wordt aangehaald als: Procesregeling bestuursrecht
2010.
1. Volgens de redactie dient
"op" te worden vervangen door: met ingang van.
TOELICHTING
[12 oktober 2011]
Algemeen
Medio 2010 is in de
Procesregeling bestuursrecht 2010 een aantal wijzigingen doorgevoerd
in verband met de inwerkingtreding van de Wet
bestuurlijke lus Awb, de Wet dwangsom en
beroep bij niet tijdig beslissen,
de Dienstenwet, de Crisis-
en herstelwet en de Wet
elektronisch verkeer met de bestuursrechter. Eind 2011 is in deze procesregeling
een aantal wijzigingen doorgevoerd in verband met de nieuwe
zaaksbehandeling. Voor zover nodig worden
deze wijzingen toegelicht bij de betrokken bepalingen.
Artikelsgewijs
Artikel
2. De verzending van stukken door de rechtbank
Dit artikel
bevat een regeling ter invulling van de bevoegdheden en verplichtingen
van de rechtbank in de artikelen 8:37 en
8:38 van de Awb. Het eerste lid
noemt de correspondentie per fax als regulier middel voor de uitnodiging
voor de zitting (voor het overige is het eerste lid weliswaar herhaling
van de wettekst, maar dat is bewust zo geredigeerd om niet de indruk te
wekken dat met verzending van de uitnodiging per fax bedoeld zou zijn de
aangetekende verzending of verzending met bericht van ontvangst te
vervangen). Voor de overige in artikel 8:37, eerste lid, genoemde
stukken (inclusief de oproeping voor de zitting) wordt de fax in deze
procesregeling niet in algemene zin als regulier communicatiemiddel van
de rechtbank vermeld; in hoofdstuk 11 over AC-zaken is in deze
procesregeling wel de verzending van de uitspraak per fax geregeld. Ook
het eerste lid van artikel 2 eindigt, net als artikel
8:37, eerste lid,
van de Awb, met "tenzij de rechtbank anders bepaalt", omdat in
aanvulling op het beleid in deze procesregeling de rechtbank als beleid
of in individuele gevallen wederom kan kiezen voor andere verzendwijzen.
Ook de andere twee leden van dit artikel
openen de mogelijkheid dat de rechtbank de desbetreffende stukken per
fax verstuurt.
Het tweede lid heeft als doel dat zo goed
mogelijk wordt zeker gesteld dat de laatste brief die de rechtbank
verstuurt voorafgaande aan een mogelijke vereenvoudigde behandeling ook
daadwerkelijk bij betrokkene aankomt.
Artikel 2a.
Elektronisch indienen van
beroepschriften, verzoeken om een voorlopige voorziening en nader
ingediende elektronische stukken
De aanvulling van de
Awb met regels over elektronisch verkeer met de
bestuursrechter (Wet elektronisch verkeer met
de bestuursrechter) heeft
geleid tot artikel 2a. Daarin is neergelegd dat de
rechtbank een
elektronisch ingediend beroep- of verzoekschrift alleen dan in
behandeling neemt indien het is ingediend via de landelijke website.
Faxverkeer is hier uitgesloten. Hoewel faxverkeer ook onder de definitie
van "elektronisch verkeer" valt, spreekt voor zich dat faxverkeer
niet via een webapplicatie, maar via telefoon/faxapparatuur plaats blijft
vinden via daarvoor bekendgemaakte faxnummers.
Artikel 5.
Openbare stukken
Evident is dat alle reguliere
jurisprudentiebladen en vaktijdschriften (AB, JB, TAR, BR, NJ, JV, NJB,
BNB, V-N, etc.) en de van staatswege uitgegeven bladen (Staatscourant
en Staatsblad) openbare bronnen zijn. De bronnen die voor vreemdelingenzaken zijn
aangewezen op www.rechtspraak.nl
als openbare vindplaats gelden nu als "in ieder geval" aan te merken als openbare vindplaats.
Verwezen wordt in de regeling slechts
naar de site, zonder nadere aanduiding die al snel verouderingsgevoelig
zou kunnen blijken. Door opneming van de term "in ieder geval" is
beoogd de rechtzoekende in voorkomend geval de gelegenheid te bieden te
claimen dat een door hem genoemde bron die niet op die lijst voorkomt,
toch een openbare bron is. Wat openbare bronnen zijn, is immers
dynamisch van aard en valt niet altijd sluitend in een lijst te vatten.
Als een partij claimt dat een stuk waarop
zij zich beroept in een openbare bron te vinden is, is zij,
vanzelfsprekend, wel gehouden een precieze aanduiding daarvan te geven.
Verwijzing naar een (mogelijk zeer uitgebreide) site zal veelal niet
volstaan.
Artikel 7.
De ontvangstbevestiging, de
kennisgeving, de berichtgeving, de stukken en het verweerschrift
De regeling van de kennisgeving aan het
verwerende bestuursorgaan laat verschillen zien tussen het algemene
bestuursrecht en het vreemdelingenrecht. Dit wordt veroorzaakt door de
"tussenschakeling" van het Centraal Inschrijfbureau
Vreemdelingenzaken. Die instantie verzendt de wettelijke kennisgeving
(strekking: "er is beroep ingesteld tegen uw besluit").
Als de zaak aan een
rechtbank wordt
toebedeeld, stuurt zij ook een brief aan het verwerende bestuursorgaan
(strekking: "de zaak is bij ons aanhangig"), maar dat is niet de in
artikel 6:14, tweede lid, van de Awb
bedoelde kennisgeving. In de
procesregeling is die laatste brief, ter onderscheiding, "berichtgeving"
genoemd.
Teneinde daartoe aangewezen zaken in het kader
van het NZB-model (nieuwe zaaksbehandeling) binnen de streeftermijn van
dertien weken op zitting te kunnen behandelen, zal het bestuursorgaan
ook steeds direct na binnenkomst van de zaak om het inzenden van de
stukken worden gevraagd. De regeling laat ook in verband met de vereiste
snelheid voortaan open of een verweerschrift al in dat stadium wordt
gevraagd. Een uitzondering wordt gemaakt voor belastingzaken. In het
vijfde lid is bepaald dat het bestuursorgaan pas na herstel van
eventuele verzuimen door de indiener van het beroepschrift en ontvangst
van het griffierecht wordt verzocht binnen vier weken de op de zaak
betrekking hebbende stukken over te leggen en een verweerschrift in te
dienen.
Artikel 8.
De derde-belanghebbende
Dit artikel
bevat een regeling die is toegesneden op de
derde-belanghebbende die aanstonds uit het dossier naar voren komt. Deze
bepaling laat onverlet dat er in elke stand van de procedure nog een
derde-belanghebbende kan opduiken en laat eveneens onverlet dat soms pas
ter zitting definitief kan worden vastgesteld of iemand als derde-partij
tot het geding moet worden toegelaten.
In artikel 8 wordt gesproken over
toezending van bepaalde stukken aan de derde-belanghebbende. Het spreekt
wellicht voor zich dat betrokkenen hieraan geen recht kunnen ontlenen
stukken te verkrijgen waarover, met toepassing van met name de artikelen
8:29 en 8:32 van de Awb, is beslist dat zij, kort gezegd, niet aan
derden mogen worden vrijgegeven.
Artikel 10.
Herstel van een verzuim
In verband met de invoering van de
Crisis- en herstelwet
is in het eerste lid ingevoegd het woord "herstelbaar",
omdat met invoering van die wet bepaalde verzuimen niet buiten de
beroepstermijn mogen worden hersteld. Het tweede lid is van belang voor
de Dublinzaak waar in de voorlopigevoorzieningszaak een termijn voor het
herstellen van een verzuim van drie weken wordt gegeven (zie ook artikel
45, eerste lid). Parallellie met de hoofdzaak is hier gewenst in die
gevallen waarin in de beroepszaak en de voorlopigevoorzieningszaak
gelijktijdig een herstelmogelijkheid wordt geboden. Het is een "kan-bepaling",
omdat in andere zaken (met name AC-zaken) wordt gekozen voor een "losse"
herstelmogelijkheid in de voorlopigevoorzieningszaak, zonder een
parallelle herstelmogelijkheid in de beroepszaak; zo nodig volgt die
laatste dan later met de "gewone" termijn van vier weken. Vanwege de
systematiek van deze procesregeling - waarin het beroep het
uitgangspunt is - is dit tweede lid opgenomen, strekkende tot een
termijnstelling in de beroepszaak parallel aan de termijnstelling in de
voorlopigevoorzieningszaak. Het laat onverlet dat ook kan worden gekozen
voor de omgekeerde parallellie, met een termijnstelling in de
voorlopigevoorzieningszaak parallel aan de termijnstelling in de
beroepszaak. Het tweede lid is immers een "kan-bepaling".
Dat is ook geregeld in artikel 32 over de
voorlopige voorziening in een vreemdelingenzaak.
Als bijvoorbeeld de
standaardhersteltermijn vier weken in de beroepszaak en drie weken in de
connexe voorlopigevoorzieningszaak is, is het mogelijk om termijnen van
(a) drie weken respectievelijk drie weken, (b) vier weken
respectievelijk drie weken en (c) vier weken respectievelijk vier weken
te stellen.
Artikel 11.
De machtiging
Dit artikel volgt uit aanbeveling 4.1 van
de Commissie Verbetervoorstellen van het Landelijk Overleg van
Voorzitters sectoren Bestuursrecht (LOVB). Haar rapport is te vinden op www.rechtspraak.nl. Die aanbeveling spreekt ook over het bewijs van
vertegenwoordigingsbevoegdheid. Anders dan bij de machtiging is het
ontbreken van zo'n bewijs wetsystematisch gesproken direct een verzuim.
Voor het herstellen daarvan stelt artikel
10, eerste lid, van de procesregeling al een termijn van vier weken. Het
ontbreken van een machtiging is pas een verzuim als de rechtbank
daarom
heeft gevraagd. Artikel 8:24 van de Awb
bepaalt immers dat de rechtbank
om een machtiging kán vragen. In deze procesregeling wordt daarom in een
apart artikel de machtiging, bedoeld in artikel 8:24 van de
Awb,
geregeld. Overigens betekent dit wetsystematische verschil niet dat de
rechtbank bij het ontbreken van een machtiging twee brieven zou moeten
sturen (een eerste waarin om een machtiging wordt gevraagd en een tweede
waarin een termijn voor het herstellen van het verzuim zou worden
geboden) alvorens tot niet-ontvankelijkverklaring over te kunnen gaan.
Met het vragen om een machtiging wordt het ontbreken daarvan een
verzuim. Voor het herstellen daarvan wordt in diezelfde brief de
herstelmogelijkheid geboden. Opmerking verdient dat artikel 11 slechts
gedeeltelijk gehoor geeft aan genoemde aanbeveling 4.1, namelijk voor
zover die aanbeveling zich leent voor opneming in de procesregeling.
Uniformering vindt hier plaats in de termijnstelling. De procesregeling
regelt niet (inhoudelijk) in welke gevallen een bewijs van
vertegenwoordigingsbevoegdheid of een machtiging wordt gevraagd.
Artikel 12.
Het griffierecht
Het zevende lid regelt bestaande
praktijk. Als een beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens het
niet betalen van griffierecht en daarna alsnog het griffierecht
binnenkomt, wordt dat teruggestort. Het wordt onwenselijk geacht dat
diegene die te laat betaalt uiteindelijk slechter af is dan degene die
helemaal niet betaalt.
Artikel 13.
De geheimhouding en beperking
van de kennisneming
"Geheimhouding" is de in de
procesregeling gekozen handzame term voor wat in artikel 8:29 van de
Awb
heet "(het gerechtvaardigd achten door de rechtbank
van) de weigering
inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen". De twee typen,
geheimhouding en beperking van de kennisneming, zijn scherper uit elkaar
getrokken. Bij geheimhouding wordt toegestaan dat een stuk buiten het
procesdossier blijft; bij beperking van de kennisneming neemt de rechter
wel, maar neemt of nemen de wederpartij(en) geen kennis van het
desbetreffende stuk.
In de procesregeling van de hogerberoepscolleges is
ervoor gekozen alleen de beperking van de
kennisneming te regelen; gelet op de bij de rechtbank voorkomende
gevallen is het aangewezen geacht ook de geheimhouding te regelen.
Ook is geregeld de regelmatig voorkomende
mogelijkheid dat de verzoeker om geheimhouding/beperking van de
kennisneming, tevens verzoekt om beperkte kennisneming van het verzoek
zelf.
Aan artikel 13 is toegevoegd een bepaling
voor procedures die betrekking heeft op geschillen over openbaarheid van
bestuur. Teneinde de procesgang te bekorten, kan in die zaken een
toetsing aan artikel 8:29 van de Awb
geheel achterwege blijven. Die
toetsing kan in die zaken immers in wezen niet anders dan in toewijzing
van het verzoek om geheimhouding of beperking van de kennisneming
uitmonden omdat de procedure juist over niet openbaar maken van (delen
van) gegevens gaat.
Met het vierde lid is uniformering
beoogd: de rechtbank kan de wederpartij(en) in de gelegenheid stellen
haar of hun visie op het verzoek om geheimhouding te geven alvorens zij
beslist op het verzoek. Hiermee is beoogd om recht te doen aan het
beginsel van hoor- en wederhoor, aangezien het bij toepassing van
artikel 8:29 van de Awb gaat om een belangrijke inbreuk op het principe
dat beide partijen toegang hebben tot dezelfde stukken (equality of
arms). Omdat soms een zaak zich hiervoor evenwel niet leent
(bijvoorbeeld omdat de wederpartij(en) er niets zinnigs over kan/kunnen
zeggen juist vanwege onbekendheid met het desbetreffende stuk), is dit
lid wel als "kan-bepaling" geredigeerd.
In het vijfde lid is afgezien van een
inhoudelijk criterium. Gelet op het uitgangspunt dat alle partijen
beschikken over dezelfde informatie en dat de rechter moet kunnen
oordelen over alle relevante aspecten (de door artikel 6 van het EVRM
[Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden, red.] beschermde uitgangspunten van equality of arms respectievelijk merits of
the matter), moet duidelijk zijn dat slechts bij hoge uitzondering
beperking van de kennisneming respectievelijk geheimhouding kan worden
toegestaan.
Artikel 15.
Het deskundigenonderzoek
Met dit artikel wordt voldaan aan de
criteria voor deskundigenonderzoek, zoals die voortvloeien uit het
Mantovanelli-arrest (EHRM [Europees Hof voor de Rechten van de Mens, red.]
18 maart 1997; NJ 1998, 278 m.nt. HJS). Met
het voorleggen van de reacties aan de deskundige, zoals geregeld in het
vierde lid, wordt bovendien voldaan aan de eisen die de CRvB [Centrale
Raad van Beroep, red.] in zijn uitspraak van 21 juli 2006 (LJN
AY5328 en USZ 2006/254) stelt aan het
door de rechter volgen van het advies van een deskundige.
Artikel 16.
De uitnodiging of oproeping
voor de zitting
Bij zaken met
een streeftermijn van behandeling van dertien weken plant de rechtbank
de zitting zo snel mogelijk. Omdat er ook zittingen met andere zaken
gepland zullen moeten worden waarin de termijnen minder scherp spelen,
is er een differentiatie aangebracht in de regeling verhinderdata.
Artikel 17.
Bijstand door een tolk ter
zitting
In het tweede lid wordt gewaarborgd dat
bij punitieve sancties de gestrafte (beboete) persoon het verhandelde
ter zitting kan volgen in een taal die hij verstaat. Dit volgt uit
artikel 6, derde lid, van het EVRM. In dit verband wordt gewezen op de
uitspraak van de Hoge Raad van 22 maart 1995 (BNB 1995/153) waarin hij
overwoog dat indien "(in cassatie wordt geklaagd dat) het horen van
een ter zitting van het gerechtshof verschenen belanghebbende, die
blijkens de uitspraak van het gerechtshof en de stukken van het geding
kennelijk de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, heeft
plaatsgevonden zonder de bijstand van een tolk, [...] de uitspraak de
redenen [dient] in te houden waarom zulks is geschied". De overweging
van de Hoge Raad is in algemene termen gesteld en lijkt zich niet te
beperken tot punitieve sancties. Beperking tot de punitieve sancties in
deze procesregeling lijkt voorshands verantwoord.
Zowel het eerste
als het tweede lid zijn afhankelijk gesteld van
een verzoek (van de gemachtigde) om tolkbijstand. Dat houdt impliciet
ook in dat, indien er niet om is verzocht, maar eenvoudigweg ter zitting
blijkt dat betrokkene het Nederlands niet machtig is, verdaging in
beginsel steeds nodig is zodat een tweede zitting mét tolkbijstand kan
plaatsvinden.
Artikel 19.
De sluiting van het onderzoek
zonder (nadere) zitting
In dit artikel is de sluiting van het
onderzoek geregeld in die gevallen dat het onderzoek tijdens de (eerste)
zitting is geschorst of na afloop van de (eerste) zitting is heropend.
Bijna altijd vraagt de rechtbank partijen dan, na de relevante
stukkenwisseling, om toestemming de zaak af te doen zonder (nadere)
zitting. De in dit artikel bedoelde mededeling is niet de uitspraak
zelf, maar een brief waarmee het onderzoek gesloten wordt verklaard.
Deze brief dient twee doelen: (a) partijen weten dat ook de andere
partij(en) toestemming heeft onderscheidenlijk hebben gegeven en (b)
duidelijk is dat er geen nadere stukken meer kunnen worden toegevoegd
aan het dossier.
De op 1 januari 2010 in werking getreden
Wet bestuurlijke lus Awb voorziet erin dat niet altijd toestemming van
partijen nodig is om einduitspraak te doen na een eerdere
tussenuitspraak. De tweede volzin van dit artikel voorziet erin dat
indien de rechtbank bepaalt dat een nadere zitting achterwege blijft, ook
dan aan partijen wordt meegedeeld dat het onderzoek gesloten wordt
verklaard.
Artikel 24.
Het beroep tegen het niet
tijdig nemen of bekendmaken van een besluit met toepassing van afdeling
8.2.4a van de Awb
Het vervallen artikel 23 zag op de regeling voor beroep
tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zoals die gold tot de
invoering van de Wet dwangsom en beroep bij niet
tijdig beslissen. Met inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet
tijdig beslissen en de Dienstenwet
was een nieuwe regeling nodig. Die is
opgenomen in artikel 24. In de wet zelf wordt in afdeling
8.2.4a van de Awb
al een groot aantal zaken geregeld die daarvóór nog niet waren
geregeld (met name de toepassing van artikel 8:54 van de
Awb
en een
groot aantal termijnen).
Voor de belastingrechtspraak is een
uitzonderingsmogelijkheid gehandhaafd (artikel 24, zevende lid). In het
belastingrecht wordt vaak niet alleen (processueel) op het beroep tegen
het niet tijdig beslissen, maar ook op de zaak ten gronde beslist. Het
kan evenwel ook voorkomen dat de insteller van het beroep nadrukkelijk
om een processuele beslissing vraagt. Sedert de invoering van de Wet
dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen moet bovendien worden
bedacht dat ook bij een niet tijdig beslissen op een aanvraag daartegen
beroep op de bestuursrechter (en geen bezwaar) openstaat (artikel
7:1,
eerste lid, aanhef en onder e, van de Awb). In de spaarzame gevallen
waarin in het belastingrecht sprake is van een aanvraag (bijvoorbeeld
een verzoek om een VAR-verklaring [VAR: verklaring arbeidsrelatie, red.]
of een verzoek om als fiscale eenheid
te worden aangemerkt) kan het zich dus ook voordoen dat een beroep wordt
ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op die aanvraag. Dan lijkt
het, ook binnen de belastingrechtspraak, niet voor de hand te liggen dat
inhoudelijk op het beroep zou worden beslist. Artikel 24, zevende lid,
is echter niet dwingend geformuleerd, zodat de belastingrechter dus ook
een processuele beslissing op het beroep tegen het niet tijdig beslissen
kan nemen.
Artikel 25.
Het verzet
In het derde lid van
artikel 25 is
bepaald dat indien de rechtbank de wederpartij de gelegenheid geeft te
reageren op het verzet, de rechtbank een termijn stelt van twee weken.
Met wederpartij in dit artikellid wordt bedoeld de wederpartij in de
beroepszaak.
De artikelen 26 tot en met 48
Voor de vreemdelingrechtelijke
categorieën is in elk van de vier hoofdstukken een aantal artikelen van
de algemene regeling van (overeenkomstige) toepassing verklaard.
Belangrijk om op te merken is dat in artikel 1 de Dublinzaak en de
AC-zaak zijn gedefinieerd als (uitsluitend) de voorlopigevoorzieningszaak in de desbetreffende procedure. Dat wil
zeggen dat de samenhangende beroepszaak steeds onder de algemene
regeling van de hoofdstukken 1 tot en met 8 valt.
Waar in de hoofdstukken 10 tot en met 12
over de voorlopige voorziening, de AC-zaak en de Dublinzaak (de
uitnodiging of oproeping voor) de zitting ter sprake komt, zou mogelijk
de misvatting kunnen ontstaan dat elke zaak ter zitting wordt behandeld.
Dat heeft evenwel te maken met de wijze van regelen, met name omdat in
deze hoofdstukken alleen de voorlopigevoorzieningszaak is geregeld. De (rechtbank onderscheidenlijk de) voorzieningenrechter zal
zo nodig
(toepassing geven aan artikel 8:54 van de
Awb, de vereenvoudigde
afdoening, in de bodemzaak en daarmee samenhangend ook) de voorlopigevoorzieningszaak zonder zitting afdoen.
In de hoofdstukken over de
vrijheidsontnemende maatregel, de AC-zaak en de Dublinzaak is een
regeling voor de ontvangstbevestiging van het beroepschrift van twee
werkdagen opgenomen (de artikelen 27, 37 en
43). Op de overige
vreemdelingrechtelijke (voorlopige voorziening) zaken is de "gewone"
termijn voor de ontvangstbevestiging van één week van toepassing (artikel
31, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste
lid).
Hoofdstuk
9. De vrijheidsontnemende maatregel
Anders dan in de
andere hoofdstukken over vreemdelingenzaken ontbreken hier bepalingen
over de zitting. Voor een eerste beroep regelt de wet zelf de termijn
(veertien dagen, artikel 94 van de Vreemdelingenwet
2000). Voor een
vervolgberoep is van belang dat de rechtbank ook buiten toestemming van
partijen uitspraak kan doen zonder zitting (artikel 96 van die
wet).
Verder worden voor deze zaken vaste zittingsdagen gehanteerd, met per
zittingsplaats gestelde vaste termijnen. Die praktijk voldoet goed.
Hoofdstuk
10. De voorlopige voorziening in een vreemdelingenzaak
De
voorzieningenrechter kan in een vreemdelingenzaak zowel hangende beroep
als hangende bezwaar of administratief beroep "doorpakken". In
artikel 8:86, tweede lid, van de Awb
wordt wel gezegd dat in de
uitnodiging voor de zitting wordt meegedeeld dat die mogelijkheid
hangende beroep bestaat. Opneming daarvan in de procesregeling is dus
niet nodig. Van mededeling in de uitnodiging voor de zitting van de
bevoegdheid om door te pakken hangende bezwaar of administratief beroep
is geen wettelijke bepaling aan te wijzen. Daarom is alleen die laatste
bevoegdheid genoemd in de procesregeling, artikel 34, tweede lid.
Hoofdstuk
11. De AC-zaak
In
artikel 37 wordt wel de uitnodiging of oproeping voor de indiener van
het verzoekschrift geregeld, maar niet die voor verweerder. Dat neemt
niet weg dat verweerder wel tijdig wordt uitgenodigd. Omdat verweerder
niet per zaak, maar voor de zitting als geheel wordt uitgenodigd, is een
uitnodigingstermijn te moeilijk bepaalbaar voor opneming in de
procesregeling. Bovendien kan hij gelet op de datum van binnenkomst van
het beroepschrift/verzoekschrift de zittingsdatum via internet (www.rechtspraak.nl)
bepalen.
Hoofdstuk
12. De Dublinzaak
De
regeling voor Dublinzaken loopt zoveel mogelijk in de pas met de
overige vreemdelingrechtelijke hoofdstukken. Bovendien wordt zo nauw
mogelijk aangesloten bij de bestaande praktijk van de rechtbanken die
deze zaken behandelen.
|