|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2008-2009, 31 890
Wijziging
van de Algemene Kinderbijslagwet en de Algemene
nabestaandenwet in verband met aanpassing aan de invoering van een
kwalificatieplicht in de Leerplichtwet
1969 en het aanbrengen van een aantal vereenvoudigingen in de
Algemene Kinderbijslagwet alsmede enkele andere aanpassingen van die
wet
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Aansluiting bij de
kwalificatieplicht |
| 2.1 |
Voorkomen
schooluitval en het begrip kwalificatieplicht |
| 2.2 |
Vervanging
van AKW-bepalingen door bepalingen die aansluiten bij de
kwalificatieplicht |
| 2.3 |
Huidige
AKW-voorwaarden voor jongeren van 16 en 17 jaar |
| 2.4 |
Voorgestelde
AKW-voorwaarden voor jongeren van 16 en 17 jaar |
| 2.5 |
Nieuwe
onderwijsvoorwaarde |
| 2.6 |
Nieuwe voorwaarden
in geval van werkloosheid |
| 2.7 |
Verschillen tussen
huidige voorwaarden en de nieuwe voorwaarden |
| 2.8 |
Uitvoering van de
nieuwe voorwaarden |
| 2.9 |
Harmonisatie
Anw- en AKW-voorwaarden |
| 3 |
Uitwerking
"eigen kind" |
| 4 |
Financiële effecten |
| 5 |
Commentaren naar
aanleiding van het wetsvoorstel |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
I t/m IV |
Algemeen
1.
Inleiding
Met
de Wet van 24 mei 2007 tot wijziging van de Leerplichtwet
1969 en de Wet
inburgering in verband met onder meer de invoering van een
kwalificatieplicht (Stb. 2007, 203) is via een verplichting tot
inschrijving bij scholen en opleidingen voorgeschreven dat jongeren tot
18 jaar een startkwalificatie halen en daarmee kwalificatieplichtig
worden. Deze invoering van een kwalificatieplicht geldt met ingang van 1
augustus 2007. In voorliggend wetsvoorstel worden voorstellen gedaan
voor vervanging van enkele bepalingen uit de
Algemene Kinderbijslagwet (AKW) door bepalingen die beter
aansluiten bij de kwalificatieplicht. Voornaamste doel hiervan is
samenhang aan te brengen in het beleid ter bestrijding van schooluitval
en ter bevordering van het behalen van een startkwalificatie. Hierop
wordt in
hoofdstuk 2 van deze memorie van toelichting nader ingegaan.
De Algemene
nabestaandenwet (Anw) kent bepalingen die overeenkomen met de bepalingen uit de
AKW die met dit wetsvoorstel worden vervangen. Omdat het
behalen van een startkwalificatie ook voor wezen van belang is, wordt
voorgesteld ook de Anw hieraan aan te passen. Omdat zowel de AKW als
de Anw door de Sociale
verzekeringsbank (SVB) worden uitgevoerd,
is dit ook vanuit uitvoeringstechnisch oogpunt een voordeel. In
paragraaf 2.9 van deze memorie van toelichting wordt dit voorstel nader
toegelicht.
In dit wetsvoorstel
wordt verder een voorstel gedaan voor uitwerking van het begrip
"eigen kind" in de
AKW. Aan het begrip "eigen
kind" heeft de SVB in zijn uitvoeringsbeleid invulling gegeven. Mede naar
aanleiding van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15
april 2005 wordt nu een wettelijke uitwerking van het begrip "eigen
kind" voorgesteld. Hierop wordt in hoofdstuk 3 van deze memorie van
toelichting nader ingegaan.
rblz.|2|
Voorts bevat dit wetsvoorstel enkele voorstellen ter verbetering van de
wetstechnische structuur van de
AKW. Deze voorstellen hebben geen inhoudelijke betekenis.
Tot slot wordt voorgesteld het overgangsrecht
dat was opgenomen in een Wet van 22 december 1994 over te hevelen naar
de AKW. Voor een toelichting op dit voorstel verwijs ik naar het
artikelsgewijze gedeelte (bij
artikel II) van deze toelichting.
Dit
wetsvoorstel wordt medeondertekend door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, vanwege haar verantwoordelijkheid voor de Anw
alsmede voor de uitvoering van zowel
AKW als Anw door het zelfstandige bestuursorgaan de SVB.
2.
Aansluiting bij de kwalificatieplicht
2.1.
Voorkomen schooluitval en het begrip kwalificatieplicht
Op 28 juni 2007
heeft het kabinet het programma Jeugd en Gezin naar de voorzitter van de
Tweede Kamer gezonden. In dit programma staan de ambities van de
regering voor de komende tijd op het terrein van Jeugd en Gezin.
Eén van de ambities van de regering voor de
komende tijd is om met een integrale aanpak het behalen van een
startkwalificatie door jongeren te bevorderen en schooluitval te
voorkomen. Samenwerking tussen onder meer onderwijs, ouders, betrokken
instanties en jongeren is hierbij van groot belang. Een jongere behaalt
een startkwalificatie met een HAVO-, VWO- of MBO2-diploma.
Jongeren die het onderwijs verlaten zonder het
behalen van een startkwalificatie worden aangemerkt als voortijdig
schoolverlaters. In 2002 telde Nederland nog 71 000 nieuwe voortijdig
schoolverlaters (van 12-22 jaar [lees: 12 tot 22 jaar, red.]).
Het kabinet wil bereiken dat het aantal schoolverlaters in 2012 is
gehalveerd. De grootste uitval doet zich voor tussen het 16de en 18de
levensjaar.
Eén van de maatregelen die de regering al
heeft getroffen om te bereiken dat jongeren hun opleiding afronden, is
de invoering per 1 augustus 2007 van de kwalificatieplicht in de
Leerplichtwet 1969. De
kwalificatieplicht houdt in dat jongeren die nog geen 18 jaar zijn,
verplicht zijn een volledig onderwijsprogramma te volgen dat is gericht
op het behalen van een startkwalificatie. Volledige onderwijsprogramma’s
zijn de VMBO-, HAVO- en VWO-opleidingen in het voortgezet onderwijs en
de beroepsopleidende en beroepsbegeleidende leerweg in het middelbaar
beroepsonderwijs.
Daarnaast is de aandacht gericht op de
preventie van voortijdige schooluitval door bijvoorbeeld aanbod van meer
praktijkgericht onderwijs.
2.2.
Vervanging van AKW-bepalingen door bepalingen die aansluiten bij de
kwalificatieplicht
De regering ambieert om
met een integrale aanpak het behalen van een startkwalificatie door
jongeren te bevorderen. Gelet hierop ligt het voor de hand om de voorwaarden
die in het kader van de AKW voor jongeren van
16 en 17 jaar gelden om voor kinderbijslag
in aanmerking te komen, te laten aansluiten bij de kwalificatieplicht uit de
Leerplichtwet 1969,
inclusief de vrijstellingsgronden. Hierdoor ontstaat samenhangend beleid en
wordt het beleid dat op het ene beleidsterrein wordt gevoerd
ondersteund door beleid dat op het andere beleidsterrein wordt gevoerd. Zo geven
opleidingen, met name opleidingen die meer aansluiten bij de
mogelijkheden en behoeftes van jongeren en die vallen onder de definities van
de Leerplichtwet 1969, eerder recht op kinderbijslag. rblz.|3|
Dit motiveert
jongeren en hun ouders, waardoor de kans dat de jongeren op school
blijven groter wordt.
Daarnaast is straks,
doordat in de AKW met dezelfde definities wordt gewerkt als in de
Leerplichtwet 1969, voor de ouders helder dat als niet voldaan wordt
aan de
kwalificatieplicht de kans bestaat op beëindiging van het
kinderbijslagrecht. Ook in het contact tussen leerplichtambtenaar en ouders kan zonder
reserves op de consequentie van het vervallen van het recht op
kinderbijslag bij niet voldoen aan de kwalificatieplicht worden gewezen.
De invalshoek van het
kabinet is een positieve, namelijk dat geen schooluitval plaatsvindt en dat
zoveel mogelijk jongeren een startkwalificatie halen. Dit biedt hen een
beter perspectief op de arbeidsmarkt. Naar verwachting zet
duidelijkheid omtrent het gevolg van het niet voldoen aan de kwalificatieplicht
ouders ertoe aan om, indien hun kind verzuimt, het weer terug in de
schoolbanken te krijgen. Het kabinet realiseert zich dat hiervoor geen garanties
kunnen worden geboden, omdat sommige ouders niet bij machte
zijn om hun kind te bewegen naar school te gaan. Het kabinet is echter
van mening dat in het belang van de jongeren zelf alle zeilen moeten
worden bijgezet.
Voor kinderen van 16 en
17 krijgen ouders nu alleen kinderbijslag als deze kinderen onderwijs
volgen, gehandicapt zijn of werkloos zijn. Met andere woorden, er worden
voorwaarden gesteld aan hun tijdbesteding. Het kabinet handhaaft dit
uitgangspunt en deze voorwaarden, maar dit wetsvoorstel formuleert de
voorwaarden op een andere manier, namelijk door aan te sluiten bij de
begrippen van de Leerplichtwet
1969.
Naast het leveren van
een bijdrage aan het bevorderen van het behalen van een
startkwalificatie beoogt de regering met de voorgestelde nieuwe onderwijsvoorwaarde
tegemoet te komen aan signalen over knelpunten vanuit de
uitvoeringspraktijk bij de toetsing aan de huidige
onderwijsvoorwaarde. Het huidige
klokurencriterium (zie hierna) is gevoelig voor veranderingen, zoals de
ontwikkeling van moderne didactische vormen. Het hangt van de
organisatie van het onderwijs op een school af of recht bestaat op kinderbijslag. Voorts telt bij de klokureneis het maken van huiswerk niet mee.
Onduidelijk is hoe moet worden omgegaan met lessen waarin een gedeelte van
de tijd beschikbaar wordt gesteld voor het maken van huiswerk. De
regering verwacht dat met de voorgestelde onderwijsvoorwaarde deze problemen niet meer
zullen voorkomen. Door het gebruik van dezelfde
definities in de
AKW als in Leerplichtwet
1969 kan de uitwisseling van
gegevens tussen organisaties bovendien worden geoptimaliseerd.
Samengevat heeft dit
wetsvoorstel als primair doel, als aanvulling op de maatregelen die op
onderwijsterrein worden getroffen, het bevorderen dat alle jongeren een
startkwalificatie halen. Het secundaire doel is dat de uitvoering vereenvoudigd
wordt.
2.3.
Huidige AKW-voorwaarden voor jongeren van 16 en 17 jaar
In het kader van de
AKW worden voor het recht op kinderbijslag
ten aanzien van jongeren tot
16 jaar geen voorwaarden gesteld wat de tijdbesteding betreft. Achtergrond
hiervan is dat jongeren volledig leerplichtig zijn tot het einde van
het schooljaar waarin ze 16 jaar worden.
Voor een jongere van 16 of 17 jaar, die tot 1 augustus 2007 niet of
slechts partieel leerplichtig was, gelden wel
tijdbestedingsvoorwaarden. Voor een jongere van 16 of 17 jaar kan
recht op kinderbijslag bestaan, als de
jongere:
a. onderwijs of een beroepsopleiding volgt: lessen of stages volgen rblz.|4|
gedurende gemiddeld ten minste 213 klokuren per kwartaal
(klokurencriterium);
b. werkloos is: geregistreerd staan bij de Centrale organisatie werk en inkomen
(CWI) [lees: Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] als werkzoekende, en
niet ten minste 19 uur per week aan het werk, of een
werkloosheidsuitkering krijgen; hierbij gelden ook verplichtingen om
een passende baan te aanvaarden;
c. arbeidsongeschikt is: als rechtstreeks en medisch vast te stellen
gevolg van ziekte of gebreken niet in staat zijn om 55% te verdienen
van hetgeen een lichamelijk en geestelijk gezond kind, dat overigens
in gelijke omstandigheden verkeert, kan verdienen en daartoe gedurende
een periode van meer dan zes maanden niet in staat is geweest of naar
verwachting zal zijn.
2.4.
Voorgestelde AKW-voorwaarden voor jongeren van 16 en 17 jaar
Zoals eerder aangegeven,
heeft het kabinet voor de nieuwe voorwaarden voor tijdbesteding,
zoals in dit wetsvoorstel voorgesteld, aansluiting gezocht bij de nieuwe
bepalingen van de Leerplichtwet
1969.
De Leerplichtwet
1969 is erop gericht dat leerplichtige leerlingen zijn ingeschreven
op een school en deze school ook bezoeken. Vanaf de 5de verjaardag tot
het einde van het schooljaar waarin een jongere 16 jaar wordt, geldt een
volledige leerplicht.
Met de Wet van 24 mei 2007 tot wijziging van de
Leerplichtwet 1969 etc. is de kwalificatieplicht ingevoerd. In
aansluiting hierop stelt de regering voor dat ouders voor jongeren van
16 of 17 jaar in beginsel alleen nog kinderbijslag
krijgen als zij bezig zijn een startkwalificatie te behalen (dus een
onderwijsprogramma volgen), hem gehaald hebben en nog geen werk hebben
gevonden, of door hun gezondheid niet in staat zijn de kwalificatie te
behalen dan wel om andere redenen zijn vrijgesteld van de
kwalificatieplicht. Op de voorwaarden die ten aanzien van deze jongeren
worden gesteld, wordt hieronder ingegaan. Het gaat om
onderwijsvoorwaarden en voorwaarden met betrekking tot werkloosheid.
2.5.
Nieuwe onderwijsvoorwaarde
Algemeen
Volgens de nieuwe onderwijsvoorwaarde van dit wetsvoorstel heeft de
verzekerde recht op
kinderbijslag voor een jongere van 16 of 17
jaar die ingeschreven staat op een school of instelling die een
volledige VMBO-, HAVO- of VWO-dagopleiding verzorgt in het voortgezet
onderwijs, speciaal onderwijs of praktijkonderwijs, dan wel een
beroepsopleidende of beroepsbegeleidende leerweg in het middelbaar
beroepsonderwijs. Hierbij worden de voorschriften van de Leerplichtwet
1969 gevolgd. Niet ingeschreven staan op een dergelijke school of
instelling is een vorm van absoluut verzuim. Dan bestaat geen recht op
kinderbijslag.
Bij inschrijving overeenkomstig de voorwaarden
van de Leerplichtwet 1969 gaat het om vormen van uit de openbare kas
bekostigd en erkend onderwijs. Voor jongeren die deze vormen van
onderwijs volgen, bestaat op dit moment in beginsel ook recht op
kinderbijslag.
Voor bepaalde categorieën jongeren zijn in de Leerplichtwet
1969 op de inschrijvingseis uitzonderingen gemaakt: zij zijn
vrijgesteld van de verplichting om ingeschreven te staan bij een school
of instelling. Ook voor deze kinderen zal recht op kinderbijslag
bestaan. De SVB gaat hierbij uit van het
oordeel van de leerplichtambtenaar.
De Leerplichtwet 1969 kent vrijstellingen voor
de volgende groepen jongeren:
• Jongeren met een lichamelijke of psychische handicap.
• Jongeren die een school in het buitenland bezoeken.
rblz.|5|
• Jongeren waarvan de ouders overwegende bedenkingen hebben tegen alle
scholen die op een redelijke afstand van het huis liggen.
• Jongeren waarvan de ouders een trekkend bestaan leiden.
• Jongeren die op een andere manier voldoende onderwijs genieten.
• Jongeren op wie vervangende leerplicht van toepassing is.
Daarnaast geldt de inschrijvingseis niet voor
jongeren die in het bezit zijn van een getuigschrift of schooldiploma
praktijkonderwijs of voor jongeren die als zeer moeilijk lerende of
meervoudig gehandicapte jongere het speciaal onderwijs hebben bezocht.
Dit kan als volgt worden
toegelicht:
Arbeidsongeschikte c.q. gehandicapte
jongeren
Voor een jongere die op
lichamelijke of psychische gronden niet geschikt is om tot een school of
instelling te worden toegelaten, of voor een zeer moeilijk lerende of
meervoudig gehandicapte jongere, zal nu veelal op titel van
arbeidsongeschiktheid kinderbijslag worden toegekend. De SVB
laat nu voor het bepalen
van
de mate van arbeidsongeschiktheid van de jongere een eigen
keuring verrichten. Deze keuring is na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
niet meer nodig, omdat de SVB kan aansluiten bij de vrijstellingen zoals die
in de Leerplichtwet
1969 zijn geformuleerd en door de leerplichtambtenaar
zijn afgegeven.
Onderwijs in het
buitenland
Op grond van de huidige
onderwijsvoorwaarden in de
AKW kan ook recht op kinderbijslag bestaan
voor kinderen die in het buitenland onderwijs volgen.
De Leerplichtwet
1969 ziet op ouders en hun kinderen in Nederland. Er wordt ook aan de
inschrijvingseis voldaan als jongeren die in Nederland wonen onderwijs volgen
in het buitenland.
Bedenkingen tegen de
richting van het onderwijs
Ouders die bedenkingen
hebben tegen de richting van het onderwijs van alle scholen of
onderwijsinstellingen die binnen een redelijke afstand van hun woning
liggen,
kunnen een beroep op vrijstelling doen. Hiervoor moeten zij jaarlijks een
verklaring afleggen, waarbij de leerplichtambtenaar beoordeelt of de
verklaring voldoet.
Trekkend bestaan
Ouders die gedurende de
maanden maart tot en met oktober als kermisexploitant of als
circusmedewerker samen met hun kinderen een trekkend bestaan leiden,
zijn in die periode vrijgesteld van de inschrijvingseis. Deze
vrijstellingsmogelijkheid geldt voor jongeren tot en met 14 jaar. Voor onderhavig
wetsvoorstel is deze vrijstellingsmogelijkheid dus niet relevant.
Ander onderwijs
De leerplichtambtenaar
kan op grond van bijzondere omstandigheden vrijstelling van de
inschrijvingseis verlenen. Aangetoond moet worden dat de jongere op andere
wijze voldoende onderwijs geniet. Als de leerplichtambtenaar een dergelijke
vrijstelling heeft afgegeven en deze er dus van overtuigd is dat de
jongere op andere wijze voldoende onderwijs geniet, bestaat in de nieuwe
situatie recht op kinderbijslag.
Vervangende leerplicht
Jongeren van wie
vaststaat dat zij niet in staat zijn om het volledige dagonderwijs van een
school te volgen, kunnen in aanmerking komen voor een vorm van vervangende leerplicht. De school waar de jongere
staat ingeschreven, moet
voor de jongere een plan van aanpak opstellen. Ook jongeren die in het
laatste jaar van hun volledige leerplicht zitten (dat rblz.|6|
zijn jongeren die ten
minste twaalf jaren een school hebben bezocht of jongeren die de
16-jarige leeftijd hebben bereikt), kunnen een beroep doen op vervangende
leerplicht.
Overige groepen
Voor de volledigheid zij
opgemerkt dat jongeren die in het buitenland wonen niet onder de Leerplichtwet
1969 vallen. Voor bepaalde jongeren die in het buitenland
wonen, bestaat nu wel recht op kinderbijslag. Het is niet de bedoeling van
dit wetsvoorstel deze jongeren het recht op kinderbijslag te ontnemen.
Daarom is voor deze
categorie jongeren in dit wetsvoorstel apart geregeld dat recht op
kinderbijslag bestaat mits zij voldoen aan voorwaarden van inschrijving
op en
geregeld bezoek van een onderwijsinrichting die onderwijs dan wel een combinatie
van leren en werken verzorgt vergelijkbaar met dat in Nederland, waarbij ook sprake kan zijn van een vrijstellingsgrond.
De SVB zal dit zelf
moeten onderzoeken.
Het
komt voor dat een jongere na het behalen van een startkwalificatie
besluit om niet meteen naar het hoger onderwijs te gaan, maar wel verder
te leren. Zo kan een jongere met een HAVO-diploma besluiten om in
aansluiting op zijn HAVO-opleiding een VWO-opleiding te gaan volgen. De
regering vindt dat ook deze leerlingen tot hun 18e verjaardag in
aanmerking moeten blijven komen voor kinderbijslag.
Als
geen sprake is van inschrijving op bekostigd of erkend onderwijs of als
geen grond voor vrijstelling aanwezig is, wordt niet aan de voorwaarden
van de Leerplichtwet
1969 voldaan en bestaat geen recht op kinderbijslag.
Soms echter gedoogt een leerplichtambtenaar dat een jongere die niet is
vrijgesteld ook niet aan de inschrijvingseis voldoet. Dat is het geval
als een jongere op een wachtlijst staat om toegelaten te worden tot een
bepaalde school of instelling. Het kan een jongere en zijn of haar
ouders in zo’n geval niet worden aangerekend dat niet aan de
voorwaarden van de Leerplichtwet 1969 wordt voldaan. De SVB
gaat af op het oordeel van de
leerplichtambtenaar.
Geregeld schoolbezoek
Inschrijving bij een
school is niet voldoende, de jongere moet de school ook geregeld bezoeken.
Als een jongere gedurende drie achtereenvolgende dagen of gedurende vier
opvolgende weken meer dan 1/8ste deel van de les- of
praktijktijd de school of instelling zonder reden (ongeoorloofd) niet heeft bezocht, is
sprake van relatief verzuim. De leerplichtambtenaar beoordeelt dit. Ook
hiervoor gelden vrijstellingen. De vrijstelling geldt bijvoorbeeld als
de school is gesloten, als de jongere bij wijze van tuchtmaatregel
tijdelijk de toegang tot de school is ontzegd of als de jongere ziek is.
Zoals eerder aangegeven,
is schoolverzuim een voorspeller voor het voortijdig verlaten van de school.
Hoe eerder wordt ingegrepen, hoe beter het is. Door de ouders te
wijzen op de kans van het vervallen van het recht op kinderbijslag
bij schoolverzuim kan druk worden uitgeoefend op de ouders om de kinderen
weer terug op school te krijgen. Hierbij speelt de leerplichtambtenaar een
cruciale rol. De leerplichtambtenaar bepaalt ook of het relatief verzuim
dermate ernstig is dat een signaal hiervan aan de SVB
moet worden
afgegeven.
Indien de
leerplichtambtenaar tot de conclusie komt dat op basis van artikel 22 van de
Leerplichtwet 1969 proces verbaal van het verzuim moet worden gezonden aan de
officier van justitie, maakt hij tevens melding van het eventuele
signaal dat hij heeft afgegeven aan de SVB. Het is aan de rechter om bij een
eventuele strafoplegging hiermee rekening te houden.
rblz.|7|
2.6.
Nieuwe voorwaarden in geval van werkloosheid
Het beleid van het
kabinet is gericht op een sluitende aanpak voor schoolverlaters.
Werkloze jongeren dienen binnen een halfjaar terug te zijn op school of
aan het werk te zijn. In het licht van dit beleid past het niet om voor
jongeren die de school verlaten hebben zonder startkwalificatie kinderbijslag
te betalen.
De regering wil het recht op kinderbijslag voor
werkloze jongeren van 16 of 17 jaar beperken tot die categorie die de
school verlaten heeft mét startkwalificatie. Uiteraard moet de jongere
zich ook volgens de nieuwe voorwaarden als werkzoekende laten
registreren. De registratie moet plaatsvinden bij het
UWV.
Gemeenten zijn
verantwoordelijk voor het ondersteunen van deze jongeren bij
arbeidsinschakeling. In het voorliggende wetsvoorstel wordt van jongeren
van 16 en 17 jaar die de school hebben verlaten mét startkwalificatie,
voor het recht op kinderbijslag verlangd bij de gemeente een
werkleeraanbod, zoals geregeld in de Wet investeren in jongeren,¹
aan te vragen. Recht op kinderbijslag bestaat gedurende de periode dat
deze jongeren in afwachting zijn van de beslissing op de aanvraag voor
een werkleeraanbod, bedoeld in artikel 14
van die
wet. Wanneer aan deze jongeren een werkleeraanbod wordt gedaan,
bestaat alleen recht op kinderbijslag indien dat werkleeraanbod ook
daadwerkelijk door die jongeren is geaccepteerd. De jongeren moeten in
het verlengde hiervan voldoen aan de verplichtingen die genoemde wet
aan de jongere stelt. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de plicht om mee
te werken aan het opstellen van een plan met betrekking tot
arbeidsinschakeling of om de plicht om geen onredelijke eisen te stellen
die het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid
belemmeren. Niet voldoen aan die verplichtingen kan het recht op
kinderbijslag beïnvloeden. Ten aanzien van in het buitenland wonende
jongeren worden vergelijkbare eisen gesteld.
1. Kamerstukken 31 775.
2.7.
Verschillen tussen huidige voorwaarden en de nieuwe voorwaarden
In verreweg de meeste
gevallen betekent het aansluiten bij de voorwaarden van de leerplicht en de
startkwalificatie alleen een vereenvoudiging van de uitvoering en
geen verschil in het recht op kinderbijslag. In uitzonderingsgevallen
kunnen de nieuwe voorwaarden tot gevolg hebben dat voor een jongere
niet meer, of juist wel, recht op kinderbijslag bestaat. Dit heeft te maken met
de vrijstellingen uit de Leerplichtwet
1969, met het begrip "geregeld
bezoeken van de school" en met het aansluiten van het werkloosheidsbegrip aan
de startkwalificatie. De regering is van mening dat deze geringe
verschillen
gezien het doel van het wetsvoorstel geaccepteerd moeten worden.
Voor een jongere
bijvoorbeeld die is vrijgesteld vanwege bedenkingen van de ouders tegen
onderwijs in de nabije omgeving zal juist wel kinderbijslag
worden toegekend, waar
dat met toepassing van de klokureneis niet het geval was.
Daar staat tegenover dat
in de nieuwe situatie naar verwachting vaker een recht op kinderbijslag
beëindigd zal worden als sprake is van ernstig relatief verzuim. Over de
gegevensuitwisseling hierover zijn afspraken gemaakt tussen de
leerplichtambtenaren en de SVB. De melding van relatief verzuim door de
leerplichtambtenaar aan de SVB wordt gestimuleerd door de gelijkluidende
definitie van onderwijs binnen de
AKW en Leerplichtwet
1969.
Verder kan voor een
jongere zonder startkwalificatie, die geen school of onderwijsinstelling
bezoekt en ook niet van de leer- en kwalificatieplicht is vrijgesteld,
niet langer
op grond van werkloosheid kinderbijslag worden toegekend.
rblz.|8|
2.8.
Uitvoering van de nieuwe voorwaarden
Nieuwe
onderwijsvoorwaarde en vrijstellingen
De SVB kan bij de
beoordeling of een jongere is ingeschreven op een school of instelling,
bedoeld in de artikelen 2 en 4a van de Leerplichtwet
1969, in beginsel
uitgaan van gegevens die bekend zijn bij de Informatie Beheer Groep (IB-Groep).
Ook in de huidige situatie informeert de IB-Groep de SVB al de
meeste gevallen over het volgen van onderwijs door jongeren. Hierbij
wordt gebruik gemaakt van het zogenaamde onderwijsnummer. Deze
gegevensuitwisseling tussen SVB en IB-Groep heeft betrekking op uit
de openbare kas bekostigde scholen. Circa 95-98% van de 16- en 17-jarige
schoolgaande jongeren zit op het bekostigd onderwijs.
Voor de vraag of een
niet-bekostigde school of instelling wel of niet erkend is, kan de SVB
naast de schoolverklaring die de ouders overleggen gebruik maken van de
lijst met erkende scholen van de Inspectie van het Onderwijs. Het
gebruik van de advieslijst garandeert de eenduidigheid in de uitvoering waar
het gaat om erkend onderwijs. Op termijn zal waarschijnlijk ook
voor erkend onderwijs aan de hand van een onderwijsnummer gebruik
gemaakt kunnen worden van gegevens van de IB-Groep. In
twijfelgevallen gaat de SVB af op het oordeel van de leerplichtambtenaar.
Of een jongere is
vrijgesteld van de inschrijvingsverplichting uit de Leerplichtwet
1969, kan de SVB vaststellen aan de hand van een vrijstellingsbeschikking die door de
leerplichtambtenaar is afgegeven en die de ouders overleggen aan de
SVB. De SVB hoeft in deze gevallen dus niet zelf onderzoek te doen
naar de vrijstellingsgronden. Ditzelfde geldt voor de jongeren die een
getuigschrift of schooldiploma praktijkonderwijs hebben of die als zeer
moeilijk lerende kinderen of meervoudig gehandicapte jongeren (voortgezet)
speciaal onderwijs hebben gevolgd. Voor de beoordeling van het
recht op kinderbijslag in die gevallen is het voldoende als de ouders
het getuigschrift of schooldiploma praktijkonderwijs kunnen overleggen of als
de ouders kunnen aantonen dat hun kind (voortgezet) speciaal onderwijs heeft bezocht.
Voor de vaststelling of
een jongere die buiten Nederland woont en daar is ingeschreven op een
onderwijsinrichting die vergelijkbaar is met een school of instelling als
bedoeld in artikel 2 of 4a van de Leerplichtwet
1969, moet de SVB - net als in de huidige situatie
- zelf onderzoek doen.
Als een
leerplichtambtenaar gedoogt dat een jongere niet is ingeschreven op een school of
onderwijsinstelling zonder dat sprake is van een vrijstelling, gaat de
SVB voor de
beoordeling van het recht op kinderbijslag
uit van het oordeel van de
leerplichtambtenaar.
Als sprake is van
relatief verzuim dat gevolgen moet hebben voor het kinderbijslagrecht,
geeft de leerplichtambtenaar een signaal af aan de SVB. Ook hier sluit
de
SVB aan bij het oordeel van de leerplichtambtenaar. Deze volgt het
gemeentelijke beleid met betrekking tot spijbelen en schooluitval.
Nieuwe voorwaarden in
geval van werkloosheid
Of een jongere een startkwalificatie heeft en of hij of zij bij het UWV
is geregistreerd als werkzoekende, kunnen de jongere en diens ouders
voor de vaststelling van het recht op kinderbijslag
zelf aan de SVB aantonen. Voor de overige
vragen is de SVB afhankelijk van informatie van de gemeente.
Het gaat hier bijvoorbeeld om de vraag of een jongere zich tot de
gemeente heeft gewend met verzoek om hem of haar een werkleeraanbod rblz.|9|
te doen en om de vraag of een jongere zich aan zijn met dit
werkleeraanbod samenhangende verplichtingen houdt. Artikel 62
van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI) regelt dat
informatie hierover kosteloos aan de SVB moet worden verstrekt.
2.9.
Harmonisatie Anw- en AKW-voorwaarden
In de Anw
worden voor het recht op wezenuitkering ten aanzien van wezen vanaf
16 jaar ook voorwaarden gesteld wat de tijdbesteding betreft. Twee
voorwaarden, namelijk de onderwijsvoorwaarde en de voorwaarde inzake
arbeidsongeschiktheid, komen vrijwel overeen met de voorwaarden die
ten aanzien van 16- en 17-jarigen in het kader van de
AKW worden gesteld. Daarnaast bestaat nog recht op
wezenuitkering voor een wees van 16 tot 21 jaar die het huishouden
van zijn overleden ouders voortzet waartoe nog een wees behoort en
voor studerende wezen.
De regering vindt het ook voor wezen van
belang dat zij een startkwalificatie behalen en niet voortijdig de
school verlaten. Daarom worden de tijdbestedingsvoorwaarden die in
de Anw voor het recht op wezenuitkering voor 16 en 17 jaar worden
gesteld, conform de voorstellen voor de AKW, vervangen door
voorwaarden die aansluiten bij de kwalificatieplicht uit de Leerplichtwet
1969.
Recht op wezenuitkering bestaat volgens de
nieuwe voorwaarden van dit wetsvoorstel voor de wees van 16 of 17
jaar die ingeschreven staat op een school of instelling die een
volledige VMBO-, HAVO- of VWO-dagopleiding verzorgt in het
voortgezet onderwijs dan wel een beroepsopleidende of
beroepsbegeleidende leerweg in het middelbaar beroepsonderwijs. De
school of instelling moet ook geregeld bezocht worden. Als de wees
is vrijgesteld van genoemde verplichtingen kan, conform de AKW, ook
recht bestaan op wezenuitkering. Dit geldt bijvoorbeeld voor
arbeidsongeschikte wezen.
Aan deze nieuwe voorwaarden kan door de SVB
op dezelfde wijze uitvoering worden gegeven als aan de nieuwe
voorwaarden die voor de AKW gaan gelden. Ook vanuit
uitvoeringstechnisch oogpunt is deze harmonisatie dus een voordeel.
Voor de wees van 16 tot 21 jaar die het huishouden verzorgt, bestaat
volgens de nieuwe voorwaarde alleen recht op wezenuitkering als deze
"huishoudwees" een startkwalificatie heeft behaald.
Hiermee wordt voorkomen dat de huishoudwees op 21-jarige leeftijd
zonder kwalificatie de arbeidsmarkt op moet. Heeft een huishoudwees
geen startkwalificatie, dan bestaat geen recht op wezenuitkering.
Een 16- of 17-jarige wees is op grond van de Leerplichtwet
1969 verplicht deze alsnog te behalen. Een oudere huishoudwees
kan een werkleeraanbod op grond van de Wet investeren in jongeren
bij de gemeente aanvragen. Er bestaat dan
onder voorwaarden recht op inkomensvoorziening.
Voor studerende wezen van 18 tot 21 jaar
verandert er niets. Zolang zij een voltijdstudie volgen, hebben zij
recht op wezenuitkering.
3.
Uitwerking "eigen kind"
Een verzekerde heeft
onder voorwaarden recht op kinderbijslag voor een eigen kind, een
aangehuwd kind en een pleegkind dat jonger is dan 16 jaar en tot zijn
huishouden behoort, of jonger is dan 18 jaar en door hem in belangrijke mate
wordt onderhouden.
Aan het begrip "eigen kind" is in de
AKW geen invulling gegeven. De SVB verstaat in zijn uitvoeringsbeleid onder eigen kinderen de
kinderen van de vrouw die op grond van artikel 1:198 van het Burgerlijk
Wetboek (BW) als hun moeder wordt aangemerkt en de kinderen van de man die
op grond van artikel 1:199 van het BW
als hun vader wordt aangemerkt.
Dat houdt in dat het kind tijdens een huwelijk rblz.|10|
moet zijn geboren of
door de vader moet zijn erkend. Een erkenning naar buitenlands recht werd
door de SVB geaccepteerd indien deze voor de daarvoor geldende
vereisten en de daaraan verbonden rechtsgevolgen kon worden gelijkgesteld
met erkenning naar Nederlands recht.
De Centrale Raad van
Beroep (CRvB) heeft op 15 april 2005 evenwel uitspraak gedaan
in een kinderbijslagkwestie (00/744
AKW, RSV 2005/224, LJN AT4754)
op grond waarvan aan het begrip eigen kind een ruimere uitleg moet
worden gegeven. Zeer opvallend in die uitspraak is dat als eigen
kind van een mannelijke verzekerde wordt aangemerkt het kind ten
aanzien waarvan het biologisch vaderschap van de verzekerde door
middel van DNA-onderzoek is vastgesteld. De verzekerde moet het kind
wel feitelijk in relevante mate onderhouden.
De SVB heeft zijn
uitvoeringsbeleid aangepast aan het oordeel van de CRvB. De SVB
heeft er daarbij voor gekozen dat als het kind al als eigen kind van
een andere man wordt aangemerkt, bijvoorbeeld omdat die het kind
heeft erkend, vaststelling van het biologisch vaderschap door middel
van DNA-onderzoek niet leidt tot toekenning van kinderbijslag
aan de biologische vader. Het recht van de man die het kind erkend
heeft, gaat dan voor.
In voorliggend wetsvoorstel wordt dit
beleid - omwille van de kenbaarheid - in wetgeving omgezet.
4.
Financiële effecten
De inschatting is dat
met de nieuwe onderwijsvoorwaarde - waarmee zoals eerder aangegeven
beoogd wordt om een bijdrage te leveren aan de strijd tegen schooluitval en het bevorderen van het behalen van een
startkwalificatie - en de vrijstellingen
voor meer kinderen recht op kinderbijslag zal
ontstaan. Uit hoofde van behoedzaamheid uitgaande van het aantal (circa
3000) kinderen dat op grond van het huidige klokurencriterium niet in
aanmerking komt voor kinderbijslag is de verwachting dat de
uitkeringslasten structureel zullen toenemen met circa €|3,6
miljoen. Met betrekking tot het aantal werkloze kinderen wordt verwacht
dat het aantal kinderen waarvoor recht zal bestaan op kinderbijslag met
10% zal dalen, omdat alleen nog jongeren met een startkwalificatie als
werkloos kind worden aangemerkt. De uitkeringslasten zullen hierdoor
dalen met circa €|0,2 miljoen
structureel.
De effecten op de uitkeringslasten van de
uitwerking van het begrip "eigen kind" in de
AKW zijn verwaarloosbaar klein.
De effecten op de Anw-uitkeringslasten
als gevolg van de vervanging van het klokurencriterium door een
nieuw onderwijscriterium in die wet zijn
eveneens verwaarloosbaar klein, omdat deze maatregel slechts weinig
gerechtigden raakt.
De effecten op de uitkeringslasten zijn de volgende, bij invoering
per 1 oktober 2009 [x €|1 miljoen, red.]:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2009 |
2010 |
2011 |
2012 |
| Nieuwe definitie
onderwijs volgen voor 16/17-jarigen |
x3,6 |
x3,6 |
x3,6 |
x3,6 |
| Aanpassing voorwaarden
werkloze kinderen |
–0,2 |
–0,2 |
–0,2 |
–0,2 |
| Totaal |
x3,4 |
x3,4 |
x3,4 |
x3,4 |
Er zal meer
gegevensverkeer tot stand komen tussen de leerplichtambtenaren en de
SVB; mogelijke
extra kosten zijn marginaal. Deze eventuele kosten kunnen uit de
bestaande gemeentelijke budgetten worden rblz.|11|
gefinancierd. Per saldo wordt een geringe daling van de
uitvoeringskosten bij de SVB met circa €|0,1
miljoen verwacht.
5.
Commentaren naar aanleiding van het wetsvoorstel
Het wetsvoorstel is voor
commentaar voorgelegd aan de SVB, uitvoerder van de
AKW en Anw, en aan de Inspectie Werk en Inkomen (IWI).
De SVB had vooral behoefte aan een nadere
toelichting op diverse aspecten van de nieuwe onderwijsvoorwaarde.
Hierin is in paragraaf 2.2.2 [lees: paragraaf 2.2, red.].
van deze memorie van toelichting voorzien. Het wetsvoorstel gaf de
IWI geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.
Ook het Adviescollege toetsing administratieve lasten [Actal, red.]
heeft de gelegenheid gekregen om over dit wetsvoorstel advies uit te
brengen. Actal heeft het wetsvoorstel niet geselecteerd voor een
advies omdat het niet of nauwelijks gevolgen zal hebben voor de
administratieve lasten.
Het Uitvoeringspanel [lees: Uitvoeringspanel gemeenten, red.],
waarin VNG [Vereniging van Nederlandse
Gemeenten, red.], Divosa [Vereniging
van directeuren van overheidsorganen voor sociale arbeid, red.]
en gemeenten zijn vertegenwoordigd, heeft
het wetsvoorstel eveneens voorzien van commentaar. Het commentaar
heeft aanleiding gegeven om in deze memorie van toelichting
explicieter de relatie aan te geven met het te introduceren
werkleeraanbod door gemeenten. Volgens het Uitvoeringspanel levert
het wetsvoorstel geen onoverkomelijke uitvoeringsproblemen op, mits
de manier waarop gegevensuitwisseling gaat plaatsvinden uitvoerbaar
is. Hierover heeft tussen de betrokken partijen uitgebreid overleg
plaatsgevonden, hetgeen heeft geresulteerd in goede werkafspraken.
Artikelsgewijs
Artikel
I.
Wijziging van
de Algemene Kinderbijslagwet
Onderdeel A
Artikel 4 strekt ertoe vereenvoudiging
en verduidelijking aan te brengen ten aanzien van het kindbegrip in
de
AKW.
Tot nu toe ontbrak een duidelijke
definitiebepaling in de AKW van het begrip "kind". Deze is
thans opgenomen in het eerste lid van dit artikel. Het tweede lid
bevat een uitwerking van het begrip "eigen kind", waarop
in het algemeen deel van deze toelichting
uitvoerig is ingegaan.
Daar kan nog het volgende aan worden
toegevoegd.
Onderdeel d:
Voorgesteld wordt om als eigen kind te
beschouwen het kind van de man wiens biologisch vaderschap door
middel van een DNA-onderzoek is vastgesteld. Het laboratorium dat
het DNA-onderzoek verricht, dient te voldoen aan de Richtlijn
Rechtsgeldig Verwantschapsonderzoek. Deze richtlijn zijn de drie
Nederlandse laboratoria (Sanguin, LUMC en NFI) in december 2007
overeengekomen met het ministerie van Justitie
ten behoeve van DNA-testen die in opdracht van de IND [Immigratie-
en Naturalisatiedienst, red.] worden verricht. Verder wordt
opgemerkt dat het in dit geval met name ook gaat om de vaststelling
naar buitenlands recht of het kind reeds een andere man als
juridische vader heeft.
Het derde en vierde lid
voorzien erin dat het begrip "pleegkind" in één artikel, en niet meer
verspreid in de wet (de artikelen 7, tiende lid, en
8, onderdeel a),
wordt
omschreven.
rblz.|12|
Onderdeel B
Dit is een technische
wijziging. Met deze wijziging wordt de delegatiegrondslag voor de regeling bij
algemene maatregel van bestuur verduidelijkt. In artikel
6, tweede
lid, is geregeld dat niet verzekerd voor de
AKW is de vreemdeling die
niet rechtmatig verblijf houdt in Nederland op de grondslag van de daar
genoemde artikelen van de Vreemdelingenwet
2000. Dat wil in hoofdlijnen
zeggen dat niet verzekerd zijn de vreemdelingen die niet in het bezit zijn van
een verblijfsvergunning of als EU-onderdaan. In het vierde lid was
bepaald
dat van deze bepaling kan worden afgeweken bij algemene maatregel van
bestuur voor vreemdelingen die rechtmatig arbeid verrichten en
vreemdelingen die na een rechtmatig verblijf in afwachting van een
beslissing op een bezwaarschrift op grond van de Vreemdelingenwet
2000 rechtmatig in Nederland verblijven. Het gaat dus om personen die geen
EU-onderdaan zijn of een verblijfsvergunning hebben. Dit is nu expliciet
geregeld in dit artikel. Op deze wijze wordt expliciet in de wet
toegestaan dat
geregeld kan worden dan ook die vreemdelingen - ondanks dat ze niet
verzekerd zouden zijn op grond van het tweede lid - wel verzekerd kunnen
zijn. Dit is dan ook geregeld in artikel 10 en
11 van het Besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999. Deze wijziging beoogt
dus geen wijziging te brengen in deze bepalingen. De aanpassing van
artikel 13, vijfde lid, van de Anw
(in artikel III, onderdeel A) houdt hetzelfde in.
Deze aanpassingen vloeien voort uit de
inventarisatie van afwijkende bepalingen op grond van de
motie-Jurgens (brief van de Minister van Justitie
aan de Eerste Kamer van 1 september 2008, Kamerstukken I 2007-2008,
26 200 VI, nr. 65/21 109, letter F).
Onderdeel C
Artikel 7 is opnieuw geformuleerd, deels
om inhoudelijke redenen, deels uit oogpunt van stroomlijning en
vereenvoudiging.
Zoals is aangegeven in het algemeen deel (hoofdstuk 2)
van deze toelichting, wordt voorgesteld de huidige
AKW-voorwaarden voor tijdbesteding voor 16- en 17-jarigen aan te
passen.
Het klokurencriterium wordt vervangen door
het kwalificatieplichtcriterium in aansluiting op de per 1 augustus
2007 ingevoerde kwalificatieplicht in de Leerplichtwet
1969. Dit wordt geregeld artikel 7,
tweede lid, onderdeel a. Daarin is ook bepaald dat voor de
jongere die op grond van die wet
is vrijgesteld van de kwalificatieplicht toch recht op kinderbijslag
bestaat.
Er zijn jongeren voor wie met toepassing
van het klokurencriterium recht op kinderbijslag bestaat, maar die
niet onder de kwalificatieplicht vallen, omdat zij daarvan zijn
vrijgesteld. Zo zijn er jongeren die vanwege een handicap niet aan
de kwalificatieplicht kunnen voldoen, of kinderen die vanwege een
cognitieve beperking hiertoe niet in staat zijn, zoals in artikel 4a,
tweede lid, van de
Leerplichtwet 1969
wordt bepaald. Tevens geldt de plicht tot inschrijving bij een
school of instelling niet voor jongeren die op lichamelijke of
psychische gronden niet in staat zijn op een school te worden
toegelaten (artikel 5, onderdeel a, van de Leerplichtwet
1969). Het zou onredelijk zijn als voor deze jongeren het recht
op kinderbijslag komt te vervallen. Vandaar dat voorgesteld wordt om
ook voor deze jongeren recht op kinderbijslag te laten bestaan. Het
huidige onderdeel b van het tweede lid van
artikel 7
kan daarmee vervallen (zie paragraaf 2.5
algemeen deel van deze memorie van toelichting).
Verder wordt geregeld dat voor jongeren die een startkwalificatie
hebben behaald (en dus niet meer kwalificatieplichtig zijn), jonger
dan 18 jaar zijn en een vervolgstudie anders dan hoger onderwijs
volgen, recht op kinderbijslag
bestaat. Deze categorie jongeren ontvangt thans ook kinderbijslag rblz.|13|
en er is geen reden om
het recht daarop in de nieuwe situatie te laten vervallen (artikel
7,
tweede lid, onderdeel b). Voor een nadere invulling van het begrip
vervolgstudie moet aansluiting worden gezocht bij de artikelen 4a en
4c van
de Leerplichtwet 1969. De jongere moet zijn ingeschreven bij een school of
instelling die volledig dagonderwijs dan wel een bij de wet geregelde
combinatie van leren en werken verzorgt en moet de school of
instelling geregeld bezoeken. In artikel 7, tweede lid, onderdeel b, is voorts
geregeld dat voor een jongere onder de 18 jaar die een startkwalificatie
heeft behaald en daarna op lichamelijke en psychische gronden niet geschikt is
om tot een school te worden toegelaten, recht op kinderbijslag
bestaat. Van een dergelijke jongere kan ook niet worden verwacht dat
het
zich beschikbaar stelt voor de arbeidsmarkt.
Jongeren die in het buitenland wonen, vallen niet onder de Leerplichtwet
1969. Voor hen kan het kwalificatieplichtcriterium uit deze wet
[lees: die
wet, red.] niet zonder meer gelden als
onderwijsvoorwaarde voor het recht op kinderbijslag.
Om toch zoveel mogelijk daarbij aan te sluiten, is ervoor gekozen om
als voorwaarde te stellen dat die categorie jongeren staat
ingeschreven bij een onderwijsinstelling in het buitenland die
vergelijkbaar is met een school of instelling waar een jongere in
Nederland moet zijn ingeschreven (artikel
7, tweede lid, onderdeel
c). Om aan deze voorwaarde te voldoen, zal het in ieder geval
moeten gaan om een studie of beroepsopleiding die de jongere
perspectief biedt op een plaats op de arbeidsmarkt in het betrokken
land.
Op deze jongeren kunnen de
vrijstellingsgronden van de Leerplichtwet 1969 van overeenkomstige
toepassing zijn. Het is aan de SVB om dit
te beoordelen.
Er zal, net als in Nederland, ook sprake
moeten zijn van geregeld bezoek van de school of instelling, hetgeen
inhoudt dat de jongere geen les of praktijktijd mag verzuimen,
tenzij een met één van de vrijstellingsgronden, bedoeld in artikel
11 van de Leerplichtwet
1969, vergelijkbare vrijstellingsgrond van toepassing is.
Regels met betrekking
tot de mate waarin het kind door de verzekerde wordt onderhouden, staan
nu verspreid in de wet (in artikel 7,
eerste, derde en vierde lid, en
in de artikelen 9 en 10).
Uit oogpunt van
vereenvoudiging en verduidelijking zijn de artikelen 9 en
10 samengevoegd en
opgenomen in het vierde lid van artikel 7.
Het huidige vierde lid,
dat regeling bij of krachtens algemene maatregel van bestuur van de mate
waarin ("in belangrijke mate" of "grotendeels") het kind door de
verzekerde wordt onderhouden mogelijk maakt, wordt, in aansluiting op het
nieuwe vierde lid, verplaatst naar het vijfde lid.
Het zesde lid is gelijk
aan het huidige vijfde lid. Dit gaat over het vaststellen van het beëindigen van
een opleiding of studie tijdens een vakantie of kort vóór
het einde van een schooljaar vóór het begin van een vakantie.
Zoals in paragraaf 2.6
(Nieuwe voorwaarden in geval van werkloosheid) van het algemeen deel
van deze toelichting is uiteengezet, wordt voorgesteld de huidige
voorwaarden bij werkloosheid te vervangen door andere. Ten eerste
moet het kind een startkwalificatie hebben en ten tweede moet hij
activiteiten ontplooien om zijn kansen op arbeidsinschakeling te
vergroten of om werk te vinden. Voor dit laatste wordt aangesloten
bij de Wet investeren in
jongeren. Het zevende lid van artikel 7
is daarop aangepast. In het zevende lid wordt geregeld dat voor
jongeren die in afwachting zijn van de beslissing op de aanvraag
voor een werkleeraanbod, bedoeld in artikel 14
van de Wet investeren in jongeren, alsmede
voor jongeren die in het verlengde van die aanvraag dat aanbod
hebben aanvaard, recht op kinderbijslag
bestaat.
rblz.|14|
Voor een in het
buitenland woonachtig kind gelden vergelijkbare verplichtingen op grond van het achtste
lid. Hij dient als hij werkloos is, een onderwijsniveau te hebben vergelijkbaar met een startkwalificatie en te
zijn ingeschreven als
werkzoekende bij een arbeidsbureau dat daartoe in dat land bestaat. Bij
het ontbreken van een met het arbeidsbureau vergelijkbare dienst wordt het kind
geacht aan de inschrijvingseis te hebben voldaan indien
aannemelijk kan worden gemaakt dat het werkloos is en beschikbaar is voor de
arbeidsmarkt. Verplichtingen die in artikel 44 van de
Wet investeren in
jongeren zijn genoemd, betekenen dat deze jongere ook verplicht is gebruik
te maken van in dat land aangeboden voorzieningen gericht op
arbeidsinschakeling en moet meewerken aan onderzoek naar mogelijkheden tot
arbeidsinschakeling en moet meewerken aan het behoud of bevorderen
van zijn arbeidsbekwaamheid en aan activiteiten of werkzaamheden
gericht op zijn arbeidsinschakeling. Kortom als er trajecten voor hem
worden ingezet in dat land, dient hij daaraan mee te werken.
Het negende lid is
conform het bestaande achtste lid.
Het kan blijken dat
voor bepaalde onderdelen van dit artikel, met name op het punt van de
beoordeling van de verschillende voorwaarden voor tijdsbesteding voor
het
recht op kinderbijslag, nadere regels noodzakelijk zijn. In verband hiermee
is in het tiende lid een delegatiebepaling opgenomen.
Onderdelen D en
E
In het voorgestelde
artikel 4, eerste lid, wordt een definitie gegeven van het
begrip kind. Hieronder wordt verstaan een eigen, aangehuwd of
pleegkind. Als gevolg hiervan zijn de artikelen 7a,
eerste lid en
7b, eerste en derde lid,
(technisch) aangepast. Volstaan kan nu worden met vermelding van het
begrip kind, waar bedoeld wordt een eigen, aangehuwd of pleegkind.
De aanpassing van
artikel 7b, vierde lid, vloeit voort uit de motie-Jurgens
(zoals
toegelicht in
onderdeel B).
Onderdeel F
Zoals bij onderdeel A is
aangegeven, wordt voorgesteld om artikel 8, onderdeel a, op te nemen
in artikel 4, vierde lid. Artikel 8 kan daarom vervallen, omdat onderdeel
b geen praktische betekenis heeft. De artikelen
9 en 10 vervallen, omdat
de bepalingen over het inkomen van het kind en de onderhoudsbijdragen
in artikel 7 zijn opgenomen.
Onderdeel G
De wijzigingen van
artikel 11 zijn technisch van aard als gevolg van het vervallen van de daarin
genoemde artikelen (de artikelen 8 en 9).
Onderdeel H
De wijziging van artikel
18 betreft een aanpassing in verband met de inventarisatie van
afwijkende bepalingen naar aanleiding van de motie-Jurgens.
Het zesde lid is geherformuleerd, zodat
duidelijk wordt waaruit de afwijking in de lagere regelgeving kan
bestaan. Het gaat erom dat er bijvoorbeeld bij samenloop aan andere
personen kan worden betaald dan aan de persoon tot wiens huishouden
een kind behoort. Op deze grondslag zijn regels gesteld voor
betaling bij co-ouderschap in het Samenloopbesluit
kinderbijslag.
rblz.|15|
Onderdeel I
Ingevoegd zijn twee
nieuwe artikelen, artikel 41a en
artikel 41b, die een aantal
overgangsbepalingen bevatten.
De kwalificatieplicht
gaat met ingang van het schooljaar 2008/2009 in zijn volle omvang werken. Het
streven is dat de SVB
vanaf 1 oktober 2009 voor het eerst aan deze
vereisten zal toetsen. Om de overgang geleidelijk te laten verlopen, wordt
bepaald dat de toetsing alleen geldt voor de kinderen die vanaf 1
oktober 2009 de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt. Voor die kinderen is het
in ieder geval zeker dat de kwalificatieplicht in ieder geval ook geheel
zal gelden. In het artikel 41a wordt daarom
bepaald dat het
artikel
7 zoals het gold vóór de inwerkingtreding van het hier voorgestelde nieuwe
artikel blijft gelden voor kinderen die vóór 1 oktober 2009 al 16 jaar zijn
geworden.
De inhoud van het
voorgestelde artikel 41b is in gewijzigde vorm overgenomen van het huidige artikel
IV van de Wet van 22 december 1994 tot nadere wijziging van de
Algemene Kinderbijslagwet, de Ziekenfondswet en de
Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten (Stb. 1994, 957) (hierna: de wijzigingswet).
Artikel IV is het enige
artikel van de wijzigingswet dat nog praktische waarde heeft. Nu de
inhoud hiervan wordt overgeheveld naar de AKW, kan de
wijzigingswet worden ingetrokken. Bijkomend voordeel is dat hierdoor
de toegankelijkheid van het overgangsrecht wordt vergroot.
Het eerste lid van
artikel 41b stemt overeen met het eerste lid van artikel IV, het tweede lid met
het zesde lid en ten slotte het derde lid met het zevende lid. In genoemde
leden zijn enkele puur technische aanpassingen doorgevoerd waaronder de
verwijzing naar een concrete datum van inwerkingtreding van eerdergenoemde wijzigingswet.
Het tweede en vierde lid
van artikel IV zijn al op een eerder tijdstip vervallen. Verder wordt
de inhoud van het derde en vijfde lid niet overgeheveld omdat deze leden geen
praktische waarde meer hebben.
Artikel
II.
Intrekking
van de Wet van 22 december 1994 tot nadere wijziging van de
Algemene Kinderbijslagwet, de Ziekenfondswet en de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb. 1994, 957)
Deze wet kan worden
ingetrokken omdat het enige artikel van die wet dat nog praktische waarde
had (artikel IV), is overgeheveld naar de AKW
(zie
ook de toelichting op artikel I, onderdeel I).
Artikel
III.
Wijziging
van de Algemene nabestaandenwet
Onderdeel B
Naast de
AKW bevat ook de Anw het
klokurencriterium zoals omschreven in paragraaf 2.3
van het algemeen deel van deze toelichting. Wezen van 16-21 jaar
[lees: 16 tot 21 jaar, red.] kunnen in aanmerking komen voor
wezenuitkering indien zij aan de klokureneis voldoen. Uit oogpunt
van harmonisatie wordt voorgesteld voor wezen van 16 en 17 jaar ook
in de Anw
dit
klokurencriterium te vervangen door de kwalificatieverplichting.
Ook voor hen gelden de vrijstellingen op grond van de Leerplichtwet
1969 en bestaat recht op wezenuitkering indien zij na het behalen van een
startkwalificatie op lichamelijke en psychische gronden niet geschikt
zijn om tot een school te worden toegelaten dan wel indien een
vervolgstudie wordt gevolgd. Voor een toelichting op het voorgestelde
artikel 26, onderdeel a en b, wordt - voor zover van toepassing
- verwezen naar
paragraaf 2.9 van het algemeen deel van deze toelichting en artikel
I, onderdeel C (artikel 7, tweede lid,
onderdeel
a en rblz.|16|
b,
AKW). Studerende wezen van 18
tot 21 jaar houden, zolang zij een voltijdstudie volgen, recht op
wezenuitkering.
Voor huishoudwezen wordt het recht op
wezenuitkering beperkt tot hen die een startkwalificatie hebben. De
voor de kwalificatieplicht geldende vrijstellingsgronden zijn in dat
geval ook van toepassing.
Het zal duidelijk zijn dat de
gelijkstelling van de criteria in de Anw met die in de AKW ook voor
de uitvoering eenvoudiger is.
Onderdeel C
De overgangsbepaling die wordt opgenomen in het nieuwe artikel 26a
heeft dezelfde achtergrond als die van artikel 8
AKW en die hiervoor is toegelicht bij artikel
I, onderdeel F.
Vanwege de kenbaarheid van het geldend
recht zijn de overgangsbepalingen in de wet
zelf opgenomen. Dit uitgangspunt is tot nu ook steeds in de Anw
gehanteerd.
Artikel
IV.
Inwerkingtreding
Gestreefd wordt naar inwerkingtreding per 1 oktober 2009 van de
nieuwe voorwaarden in het kader van de
AKW en de Anw. De eerste peildatum
voor de vaststelling van AKW-recht in het schooljaar 2008/2009 is 1
oktober 2009. Er is gekozen voor een flexibel
inwerkingtredingsartikel, omdat het noodzakelijk kan blijken voor
bepaalde onderdelen die een iets andere achtergrond hebben of
samenhangen met een andere wet een ander tijdstip te kiezen.
De Minister voor Jeugd
en Gezin,
A. Rouvoet
|