|
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2009-2010, 32 260.
Handelingen II 2009-2010, blz. 6306.
Kamerstukken I 2009-2010, 32 260 (A, B).
Handelingen I niet gepubliceerd.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 29 april 2010, Stb.
2010, 228, tot aanpassing van de Wet investeren
in jongeren en enkele andere wetten
ter verduidelijking en verbetering van enige punten. Inwerkingtreding: 1
juli 2010 onderscheidenlijk 23 juni 2010 (Stb. 2010, 229).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is in de Wet investeren in jongeren
en enkele andere wetten enkele
wijzigingen van wetstechnische aard aan te brengen dan wel deze op een
aantal punten te verduidelijken en te verbeteren;
Zo is het dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art. I.
Wijziging van de Wet investeren in jongeren [MvT]
De Wet investeren in jongeren wordt als
volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Na artikel 2 wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
Art. 2a. Woning
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt onder een woning mede verstaan een woonwagen of een
woonschip.
B. [MvT]
In artikel 4 wordt aan de definitie
"kind" toegevoegd: of, voor de toepassing van de artikelen 17 en
35,
tweede lid, het in Nederland woonachtige pleegkind.
C. [MvT]
Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het opschrift wordt na "Inkomensvoorziening" ingevoegd:
,
inkomensvoorzieningsnorm.
2. Aan het eerste lid wordt, onder
vervanging van de punt aan het slot van de definitie van "werkleeraanbod"
door een puntkomma, een definitie toegevoegd, luidende:
- inkomensvoorzieningsnorm: de op grond van de
artikelen 26 tot en
met 29 op de jongere van toepassing zijnde norm, vermeerderd of
verminderd met de op grond van de artikelen 30 tot en met 35 door het
college vastgestelde verhoging of verlaging.
D. [MvT]
Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding "-1." geplaatst.
2.¹ In de definitie van "inkomen" in het
eerste lid wordt "artikel 32, eerste en tweede lid," vervangen door:
de artikelen 32, eerste en tweede lid, en
33, eerste tot en met derde
lid,.
3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-2. In het eerste lid wordt in de
definitie van "middelen" tot 1 januari 2011 in plaats van
"k en n"
gelezen: k en o.
E. [MvT]
In artikel 13, eerste lid, onderdeel b,
wordt "de op hem van toepassing zijnde norm, bedoeld in de artikelen 26
tot en met 29" vervangen door: de inkomensvoorzieningsnorm.
F. [MvT]
In artikel 19 wordt "de op hem van
toepassing zijnde norm, bedoeld in de artikelen 26 tot en met
29"
vervangen door: de inkomensvoorzieningsnorm.
G. [MvT]
Artikel 24, eerste lid, onderdeel a en
b, komt te luiden:
a. er geen in aanmerking te nemen
vermogen is; en
b. het in aanmerking te nemen inkomen
lager is dan de inkomensvoorzieningsnorm.
H. [MvT]
Artikel 28 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt als volgt
gewijzigd:
a. Onderdeel c komt te luiden:
c. gehuwden waarvan beide echtgenoten
zich in de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar bevinden: €|1273,37.
b. De onderdelen d en e
vervallen.²
2. Het tweede lid wordt als volgt
gewijzigd:
a. Onderdeel c komt te luiden:
c. gehuwden waarvan beide echtgenoten
zich in de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar bevinden: €|1273,37.
b. De onderdelen d en e
vervallen.²
3. Het vierde lid wordt als volgt
gewijzigd:
a. In de aanhef wordt "die algemene
bijstand" vervangen door: de op die gehuwde van toepassing zijnde bijstandsnorm.
b. In onderdeel b wordt "onderdeel
d"
vervangen door: onderdeel c.
I. [MvT]
In artikel 31 wordt "artikel
28, eerste
lid, onderdeel a, b en d, en tweede lid, onderdeel
a, b, en d,"
vervangen door: artikel 28, eerste, tweede en derde lid,.
J. [MvT]
Artikel 36 komt te luiden:
Art. 36. Hoogte inkomensvoorziening
-1. De hoogte van de inkomensvoorziening
is het verschil tussen het inkomen en de inkomensvoorzieningsnorm.
-2. In de inkomensvoorziening is een
vakantietoeslag begrepen ter hoogte van 5 procent van die
inkomensvoorziening.
-3. De inkomensvoorziening wordt verhoogd
met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente
die de inkomensvoorziening verleent, op grond van de Wet
op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede met de vergoeding,
bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet.
-4. Indien één van de gehuwden geen recht
op inkomensvoorziening heeft, wordt zijn inkomen slechts in aanmerking
genomen voor zover het inkomen van de gehuwden tezamen, met inbegrip van
de inkomensvoorziening die zou worden verleend indien zijn inkomen niet
in aanmerking wordt genomen, meer zou bedragen dan:
a. indien de echtgenoot die geen recht
heeft op inkomensvoorziening jonger is dan 27 jaar, de norm voor
gehuwden die van toepassing zou zijn geweest indien beide echtgenoten
recht op inkomensvoorziening zouden hebben;
b. indien de echtgenoot die geen recht
heeft op inkomensvoorziening 27 jaar of ouder is:
1º. indien de gehuwden geen te hunnen
laste komende kinderen hebben:
a. indien de jongste echtgenoot zich in
de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar bevindt, de norm,
bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel
b;
b. indien de jongste echtgenoot zich in
de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar bevindt, de norm,
bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel
c;
2º. indien de gehuwden één of meer te
hunnen laste komende kinderen hebben:
a. indien de jongste echtgenoot zich in
de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar bevindt, de norm,
bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel
b;
b. indien de jongste echtgenoot zich in
de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar bevindt, de norm,
bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel
c.
-5. In afwijking van het vierde lid wordt,
indien de gehuwden gescheiden leven, doch niet duurzaam gescheiden, het
inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot slechts in aanmerking
genomen, voor zover het:
a. indien hij geen ten laste komende
kinderen heeft, de inkomensvoorzieningsnorm niet te boven gaat die van
toepassing zou zijn indien hij een rechthebbende alleenstaande van 26
jaar was;
b. indien hij ten laste komende kinderen
heeft, de inkomensvoorzieningsnorm niet te boven gaat die van toepassing
zou zijn indien hij een rechthebbende alleenstaande ouder van 26 jaar
was.
-6. Indien een jongere die recht heeft op
een inkomensvoorziening in de omstandigheid verkeert dat hij, op basis
van een overeenkomst met een ander persoon, met die ander persoon een
kind overwegend in gelijke mate verzorgt en onderhoudt, zonder met die
andere persoon een gezamenlijke huishouding te voeren, stemt het college
de inkomensvoorziening af op die omstandigheid.
K. [MvT]
Artikel 37, tweede lid, komt te luiden:
-2. De hoogte van het voorschot, bedoeld
in het eerste lid, bedraagt in ieder geval 90% van de hoogte van de
inkomensvoorziening, bedoeld in artikel 36, eerste lid.
L. [MvT]
In artikel 38, vijfde lid, wordt "norm"
vervangen door: inkomensvoorzieningsnorm.
La.
Na artikel 39 wordt een artikel
ingevoegd, luidende:
Art. 39a. Vorm van inkomensvoorziening
-1. Tenzij in deze wet anders is bepaald,
wordt de inkomensvoorziening verleend om niet.
-2. Indien het college de
inkomensvoorziening verleent in de vorm van een geldlening, kan het
college hieraan verplichtingen verbinden die zijn gericht op meer
zekerheid voor de nakoming van de aan deze inkomensvoorziening verbonden
rente- en aflossingsverplichtingen.
-3. Indien de jongere aan wie een
inkomensvoorziening in de vorm van een geldlening wordt verleend een
inkomensvoorziening, algemene bijstand op grond van de Wet werk en
bijstand of een uitkering op grond van het Besluit
bijstandverlening zelfstandigen 2004 of de Wet werk en inkomen kunstenaars ontvangt, is
het college bevoegd tot verrekening van die geldlening met die
inkomensvoorziening, algemene bijstand of uitkering.
M. [MvT]
Artikel 42 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid, onderdeel f, komt te
luiden:
f. indien het werkleeraanbod op grond van
artikel 21 is ingetrokken, tenzij het werkleeraanbod is ingetrokken
uitsluitend omdat het college van oordeel is dat om redenen van
lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet kan worden gevergd dat de
jongere uitvoering geeft aan het werkleeraanbod;.
2. Aan het eerste lid wordt, onder
vervanging van de punt aan het slot van onderdeel m door een puntkomma,
een onderdeel toegevoegd, luidende:
n. indien de jongere van het
werkleeraanbod is uitgesloten op grond van artikel
22.
N. [MvT]
Na artikel 42 wordt een artikel
ingevoegd, luidende:
Art. 42a. Eigen woning
-1. De jongere die eigenaar is van een
door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf heeft
recht op een inkomensvoorziening voor zover tegeldemaking, bezwaring of
verdere bezwaring van het in de woning met bijbehorend erf gebonden
vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd.
-2. Indien voor de jongere, bedoeld in het
eerste lid, recht op een inkomensvoorziening bestaat, heeft die
inkomensvoorziening de vorm van een geldlening:
a. indien de inkomensvoorziening over een
periode van één jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover de
inkomensvoorziening wordt verleend, naar verwachting meer bedraagt dan
het nettominimumloon, bedoeld in artikel 9, eerste lid; en
b. voor zover het vermogen gebonden in de
woning met bijbehorend erf hoger is dan het vermogen, bedoeld in artikel
34, tweede lid, onderdeel d, van de Wet werk en
bijstand.
O. [MvT]
Artikel 43, eerste lid, wordt als volgt
gewijzigd:
1.¹ Aan onderdeel a wordt toegevoegd: , en
het bedrag, genoemd in artikel 30, tweede lid.
2. In onderdeel b wordt "artikel
36,
eerste lid" vervangen door: artikel 36, tweede lid.
Oa.
Artikel 47, eerste lid, komt te luiden:
-1. Indien de inkomensvoorziening wordt
verleend over een periode waarover een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Toeslagenwet of
een inkomensvoorziening op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten als voorschot op grond van artikel 4:95 van de
Algemene wet bestuursrecht betaalbaar is gesteld en dit voorschot door
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt teruggevorderd,
kan deze inkomensvoorziening op grond van deze wet zonder machtiging van
de jongere tot het bedrag van dit voorschot aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen worden betaald.
P. [MvT]
Artikel 54 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt als volgt
gewijzigd:
a. In onderdeel b wordt "artikel
32"
vervangen door: artikel 37.
b. Er wordt, onder verlettering van de
onderdelen c en d tot onderdelen d en e, een onderdeel ingevoegd, luidende:
c. in de vorm van geldlening is verleend
en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet
behoorlijk worden nagekomen;.
2. In het vijfde lid wordt "onderdeel d" vervangen door: onderdeel
e.
Q. [MvT]
Artikel 55, eerste lid, komt te luiden:
-1. Indien de inkomensvoorziening
overeenkomstig een norm als bedoeld in artikel 28 had moeten worden
verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de jongere de
verplichtingen, bedoeld in artikel 44 of
artikel 30c, tweede lid of
derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen,
niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten van de
inkomensvoorziening mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens
middelen bij de verlening van de inkomensvoorziening rekening had moeten
worden gehouden.
R. [MvT]
Artikel 56 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid wordt als volgt
gewijzigd:
a. "teruggevorderd algemene bijstand"
wordt vervangen door: teruggevorderd een inkomensvoorziening, algemene
bijstand op grond van de Wet werk en bijstand.
b. Na "verrekening van die kosten met"
wordt ingevoegd: die inkomensvoorziening,.
2. In het vierde lid wordt: "artikel
4.4.4.2.10" vervangen door: artikel
4:123.
3. Het vijfde lid wordt als volgt
gewijzigd:
a. In onderdeel a wordt "artikel
4.4.1.9, derde lid," vervangen door: artikel
4:93, vierde lid,.
b. In onderdeel b wordt "artikel
4.4.4.2.3" vervangen door: artikel
4:116.
Ra.
In artikel 58, onderdeel L, onder 1,
wordt na "ten laste komende kinderen" ingevoegd: of met thuisinwonende
kinderen als bedoeld in artikel 25, eerste lid,.
S. [MvT]
Artikel 86 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt "twaalf
maanden na inwerkingtreding van deze wet" vervangen door: met ingang
van 1 juli 2010.
2. Er wordt een lid toegevoegd luidende:
-4. Artikel 7, eerste lid, zoals dat
luidde op de dag vóór inwerkingtreding van artikel I, onderdeel
D, van
het bij koninklijke boodschap van 10 december 2009 ingediende voorstel
van wet tot aanpassing van de Wet investeren in jongeren en enkele
andere wetten ter verduidelijking en verbetering van enige punten
(Kamerstukken 32 260) nadat dat tot wet is verheven, blijft tot en met
die dag van toepassing met betrekking tot inkomen uit studiefinanciering
of tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten dat minder
bedraagt dan het op grond van artikel 7, eerste lid, in aanmerking te
nemen inkomen uit die bronnen.
T. [MvT]
Artikel 7, tweede lid, alsmede de
aanduiding "-1" voor het eerste lid, vervallen met ingang van 1 januari
2011.
1. Ingevolge het Besluit
van 4 juni 2010, Stb. 2010, 229, treedt artikel
I, onderdeel D, onder 2, voor wat betreft de verwijzing naar artikel
33, tweede en derde lid, en O, onder 1, in werking
met ingang van 23 juni 2010, red.
2. Volgens de redactie
dient "De onderdelen d en e vervallen"
telkens te worden vervangen door: Onder vervanging van de puntkomma aan
het slot van onderdeel c door een punt vervallen de onderdelen d en e.
Art.
II. Wijziging van de Wet werk en bijstand [MvT]
De Wet werk en bijstand wordt als volgt
gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 12, aanhef, wordt "de bijstandsnorm" vervangen door: de inkomensvoorzieningsnorm op grond van
de Wet investeren in jongeren.
Aa.
Artikel 48 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het door de Aanpassingswet
vierde tranche Awb toegevoegde vierde lid wordt vernummerd tot vijfde lid.
2. Het vijfde lid (nieuw) wordt als volgt
gewijzigd:
a. Na "Wet werk en inkomen
kunstenaars"
wordt ingevoegd: of een inkomensvoorziening op grond van de Wet
investeren in jongeren.
b. "die algemene bijstand of uitkering"
wordt vervangen door: die algemene bijstand, uitkering of
inkomensvoorziening.
Ab.
Artikel 53, eerste lid, komt te luiden:
-1. Indien algemene bijstand wordt
verleend over een periode waarover een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen of de Toeslagenwet of een
inkomensvoorziening op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten als voorschot op grond van artikel 4:95 van de
Algemene wet bestuursrecht betaalbaar is gesteld en dit voorschot door
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
wordt teruggevorderd,
kan deze bijstand zonder machtiging van de belanghebbende tot het bedrag
van dit voorschot aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
worden betaald.
Ac.
Artikel 59, tweede lid, komt te luiden:
-2. Indien de bijstand:
a. als gezinsbijstand aan gehuwden had
moeten worden verleend;
b. overeenkomstig een norm als bedoeld in
artikel 24 had moeten worden verleend omdat één van de gehuwden een
inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren ontvangt;
maar zulks achterwege is gebleven omdat
de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel
17 of artikel 30c, tweede en derde lid, van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten
van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens
middelen als bedoeld in paragraaf 3.4, bij de verlening van bijstand
rekening had moeten worden gehouden.
B. [MvT]
Artikel 60, derde lid, wordt als volgt
gewijzigd:
a. "algemene bijstand of een uitkering"
wordt vervangen door: algemene bijstand, een uitkering.
b. Na "Wet werk en inkomen
kunstenaars"
wordt ingevoegd: of een inkomensvoorziening op grond van de Wet
investeren in jongeren.
c. "die algemene bijstand of uitkering"
wordt vervangen door: die algemene bijstand, uitkering of
inkomensvoorziening.
C. [MvT]
Artikel 78f wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te luiden:
-2. Indien verlening van algemene bijstand
op grond van het eerste lid aan een zelfstandige die jonger dan 27 jaar
is, plaatsvindt:
a. zijn de inkomensvoorzieningsnormen,
met uitzondering van artikel 28, derde en vierde lid, van de
Wet
investeren in jongeren van toepassing;
b. is de norm, indien hij gehuwd is met
een persoon die geen recht heeft op een inkomensvoorziening op grond van
de Wet investeren in jongeren, gelijk aan de norm die voor hem als
alleenstaande of alleenstaande ouder op grond van de Wet investeren in
jongeren zou gelden.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-3. Indien de zelfstandige, bedoeld in het
tweede lid, aanhef, gehuwd is met iemand van 27 jaar of ouder die recht
op algemene bijstand heeft en zij één of meer te hunnen laste komende
kinderen hebben, wordt, in afwijking van het tweede lid, onderdeel b, de
op laste ¹ die persoon van 27 jaar of ouder van toepassing zijnde bijstandsnorm
in mindering gebracht op:
a. de norm, bedoeld in artikel 28, tweede
lid, onderdeel b, van de Wet investeren in
jongeren, indien de
zelfstandige zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar
bevindt;
b. de norm, bedoeld in artikel 28, tweede
lid, onderdeel c, van de Wet investeren in
jongeren, indien de
zelfstandige zich in de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar
bevindt.
1. Volgens de redactie
dient "laste" te vervallen.
Art.
III. Wijziging van de Wet participatiebudget [MvT]
Artikel 3, vierde lid, onderdeel d, van
de Wet
participatiebudget komt te luiden:
d. een re-integratievoorziening aanbiedt
aan een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel
a, of
derde lid, tweede zin, van de Wet werk en
bijstand, artikel 34, eerste
lid, onderdeel a, van de Ioaw, artikel
34, eerste lid, onderdeel a, van
de Ioaz of artikel
13, eerste lid, van de Wet investeren in
jongeren,
is de Wet werk en bijstand, de Ioaw, de
Ioaz, respectievelijk de Wet
investeren in jongeren, van toepassing.
Art.
IV. Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht [MvT]
In onderdeel F, onder 2, van de bijlage
bij de Algemene wet bestuursrecht wordt na "81 van de
Wet werk
en bijstand" ingevoegd: , artikel
37, artikel 57 en artikel
91, voor
zover het besluiten van de voorzitter van
gedeputeerde staten betreft,
van de Wet investeren in jongeren.
Art. V.
Wijziging van de Beroepswet [MvT]
In de bijlage bij de Beroepswet wordt in
onderdeel C na onderdeel 25 een onderdeel ingevoegd, luidende:
25a. Wet investeren in jongeren.
Art.
VI. Wijziging van de Wet inburgering [MvT]
De Wet inburgering wordt als volgt
gewijzigd:
A. [MvT]
Indien artikel I, onderdeel H, van het
bij koninklijke boodschap van 24 november 2008 ingediende voorstel van
wet tot wijziging van de Wet inburgering (vrijwillige inburgering,
persoonlijk inburgeringsbudget en harmoniseren handhavingstermijnen)
(Kamerstukken 31 791) tot wet is of wordt verheven, wordt in artikel 24b, eerste lid,
"op grond van de Wet werk en bijstand" vervangen
door: op grond van de Wet werk en bijstand, dan wel de
Wet investeren in jongeren.
B. [MvT]
In artikel 37 wordt "artikel 37 van de
Wet investeren in jongeren" vervangen door: artikel 41 van de
Wet
investeren in jongeren.
Art.
VII. Eenmalige aanpassing normen en percentage [MvT]
-1. Onze Minister kan de normen en het
percentage, genoemd in de onderdelen H en J van artikel I van deze wet,
eenmalig aanpassen na de datum van inwerkingtreding van deze wet.
-2. Dit artikel vervalt zes maanden na
zijn inwerkingtreding.
Art.
VIII.¹ Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
[MvT]
Indien artikel I, onderdeel A, van het
bij koninklijke boodschap van 19 november 2008 ingediende voorstel van
wet tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten in verband met het bevorderen van de participatie van
jonggehandicapten door werk en arbeidsondersteuning tot wet is of wordt
verheven, wordt in artikel 47, eerste lid, van de
Wet investeren in
jongeren "artikel 47, tweede lid, van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering jonggehandicapten" vervangen door:
artikel 47,² tweede lid, van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
1. Gelet op het bepaalde in artikel
I, onderdeel Oa, dient volgens de redactie artikel
VIII te vervallen.
2. Volgens de redactie
dient "artikel 47" te worden
vervangen door: artikel 3:45.
Art.
VIIIa. Wijziging van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten
De Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 1:4, eerste lid, onderdeel
c, vervalt "in de
onderwijsbijdrage en de schoolkosten".
B.¹
In artikel 2:39, zevende lid, wordt
"onderdeel e en f" vervangen door: onderdeel e,
f of g.
C.
Artikel 2:43 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
-1. In afwijking van de artikelen 2:40,
2:41 en 2:42 ontvangt de jonggehandicapte die recht heeft op
arbeidsondersteuning, inkomensondersteuning als bedoeld in artikel
2:44:
a. indien hij aanspraak heeft op studiefinanciering
op grond van de Wet
studiefinanciering 2000;
b. indien hij aanspraak heeft op een
financiële voorziening als bedoeld in artikel 7.51, eerste lid, van de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
c. indien hij aanspraak heeft op een
tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; of
d. indien de verzekerde in de zin van de
Algemene Kinderbijslagwet voor hem aanspraak heeft op kinderbijslag op
grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel
a, van die wet.
2. Onder vernummering van het tweede lid
tot derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
-2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de jonggehandicapte door zijn handelen of nalaten
geen aanspraak heeft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot en
met c, dan wel door handelen of nalaten van de jonggehandicapte of
verzekerde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, deze verzekerde geen
aanspraak als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, heeft.
D.¹
In artikel 2:46, eerste lid, onderdeel
b,
wordt "en ten hoogste" vervangen door: maar minder dan.
E.¹
Artikel 2:53 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te luiden:
-2. De vakantiebijslag bedraagt 8 procent van het bedrag aan inkomensvoorziening waarop recht bestond. De
betaling van de vakantiebijslag vindt eenmaal per jaar plaats in de
maand mei of, indien het recht op arbeidsondersteuning eerder dan in de
maand mei eindigt, in de desbetreffende maand.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-6. Het eerste tot en met het derde lid is
van overeenkomstige toepassing op de overlijdensuitkering, bedoeld in
artikel 2:56.
F.¹
In artikel 5:3, eerste lid, onderdeel
i,
wordt "artikel 3:10" vervangen door: de
artikelen 2:52 en 3:10.
1. Ingevolge het Besluit
van 4 juni 2010, Stb. 2010, 229, treden de onderdelen
B, D, E en F
in werking met ingang van 23 juni 2010, red.
Art.
VIIIb.¹ Wijziging van de Wet tegemoetkoming
chronisch zieken en gehandicapten
In artikel 10 van de Wet
tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten wordt "de persoon die recht heeft op
een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of
meer" vervangen door: de persoon die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid
van 35% of meer of op arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
1. Ingevolge het Besluit
van 4 juni 2010, Stb. 2010, 229, treedt artikel
VIIIb in werking met ingang van 23 juni 2010, red.
Art.
IX. Inwerkingtreding
-1. De artikelen van deze wet treden in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden
vastgesteld.¹
-2. Artikel I, onderdeel D, onder 2, voor
wat betreft de verwijzing naar artikel 33, tweede en derde lid, en O,
onder 1, werken terug tot en met 1 oktober 2009.
-3. De artikelen VIIIa,
onderdeel
B, D, E
en F, en VIIIb werken terug tot en met 1 januari 2010.
1. Bij Besluit
van 4 juni 2010, Stb. 2010, 229, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 juli 2010,
met uitzondering van de artikelen I,
onderdeel D, onder 2, voor wat
betreft de verwijzing naar artikel
33,
tweede en derde lid, en O, onder 1,
VIIIa, onderdeel B, D, E en
F, en VIIIb, die in werking treden met ingang
van 23 juni 2010, red.
Lasten en
bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 29 april 2010
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de tweeëntwintigste
juni 2010
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|