|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2009-2010, 32 260
Aanpassing
van de Wet investeren in jongeren en enkele
andere wetten ter verduidelijking en
verbetering van enige punten
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding en voorgeschiedenis |
| 2 |
Financiële
gevolgen |
| 3 |
Administratieve
lasten |
| 4 |
Adviezen |
| xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m VIII |
Algemeen
1.
Inleiding en voorgeschiedenis
Dit
wetsvoorstel regelt een aantal
aanpassingen van de Wet investeren in
jongeren (WIJ) en enkele andere wetten.
Met de aanpassingen wordt beoogd een
verduidelijking en verbetering van
enkele bepalingen te realiseren.
Met
ingang van 1 oktober 2009 is de WIJ in
werking getreden (met uitzondering van
enkele bepalingen). In de nadere memorie
van antwoord bij het wetsvoorstel WIJ
(Kamerstukken I 2008-2009, 31 775, E) is
naast de invoering per 1 oktober 2009
tevens gemeld dat de overgangsperiode
tot 1 juli 2010 loopt. Hiertoe wordt in
dit wetsvoorstel voorgesteld om artikel
86 van de WIJ
aan te passen, hierin is
het overgangsrecht geregeld voor
jongeren die op 30 september 2009 een
uitkering op grond van de Wet werk en
bijstand (Wwb) ontvangen.
Daarnaast
is gebleken dat enkele artikelen van de
WIJ aanpassing behoeven. Ten eerste
wordt voorgesteld een aantal technische
en inhoudelijke omissies te herstellen.
Verder is gebleken dat sommige
bepalingen van de WIJ onduidelijkheid
kunnen opleveren. Om deze reden zijn
enkele bepalingen geherformuleerd.
2. Financiële
gevolgen
De
correctie van het overgangsrecht voor
jongeren die op 30 september 2009 een
uitkering op grond van de Wwb ontvingen,
alsmede de overige aanpassingen uit dit
wetsvoorstel, leiden niet tot financiële
consequenties.
3. Administratieve
lasten
De
voorgestelde aanpassingen hebben geen
gevolgen voor de administratieve lasten.
4. Adviezen
Dit
wetsvoorstel is voorgelegd aan het
Uitvoeringspanel gemeenten (UP)
voor een toets op de uitvoerbaarheid.
Verder is het wetsvoorstel voorgelegd
aan de Inspectie Werk en Inkomen (IWI)
voor een toets op de mogelijkheden van
het houden van toezicht op de
rechtmatigheid en de doelmatigheid.
Hierna volgen de reacties van het UP en
de IWI.
Uitvoeringspanel
gemeenten
Het
UP concludeert in zijn advies dat de
voorgestelde wijzigingen bijdragen aan
de uitvoerbaarheid van de WIJ
en acht de
wijzigingen in die zin ook wenselijk.
Wat betreft de wijziging in artikel
28,
vierde lid, betreffende de samenloop van
WIJ en Wwb
heeft het UP gevraagd naar de
mogelijkheid om deze wijziging in
werking te laten treden met
terugwerkende kracht tot en met 1
oktober 2009. Dit is niet mogelijk. Deze
wijziging kan in bepaalde situaties ten
voordele van de jongere uitpakken, maar
de wijziging kan in bepaalde situaties
ook ten nadele van de jongere uitpakken.
Dit is bijvoorbeeld het geval als een
maatregel die wordt opgelegd aan de
partner met een Wwb-uitkering na
wijziging van artikel
28, vierde lid,
van de WIJ, rechtstreeks doorwerkt in de
WIJ. Door de huidige formulering van
artikel 28, vierde lid van de WIJ wordt
een als gevolg van een opgelegde
maatregel toegepaste verlaging van een
bijstandsuitkering (van een
belanghebbende van 27 jaar of ouder)
gecompenseerd door een hogere
inkomensvoorziening van zijn jongere
partner. Deze compensatie wordt met de
formulering zoals voorgesteld in het
huidige wetsvoorstel ongedaan gemaakt.
Het is in principe niet toegestaan om
terugwerkende kracht te verlenen aan
wijzigingen die nadelig kunnen zijn voor
belanghebbenden.
Het
UP gaf verder aan te betwijfelen of
voldoende werd voorzien in een
verrekeningsmogelijkheid van een
vordering in het kader van de Wwb met
een inkomensvoorziening in de sfeer van
de WIJ. De twijfel van het UP is terecht
gebleken. In verband hiermee is in het
wetsvoorstel een
verrekeningsmogelijkheid toegevoegd.
Inspectie
Werk en Inkomen
De IWI heeft de voorgenomen
aanpassingen van de WIJ
beoordeeld en
voorziet geen problemen bij het toezicht
op de uitvoering van de gewijzigde
wetgeving.
Artikelsgewijs
Artikel
I. Wijziging van de Wet investeren in
jongeren
Onderdeel
A (artikel
2a)
Ter
verduidelijking wordt voorgesteld om in
de WIJ te regelen dat onder woning mede
verstaan wordt een woonwagen of
woonschip.
Onderdeel
B (artikel
4)
Voorgesteld
wordt om voor de toepassing van twee
artikelen van de WIJ
onder kind mede te
verstaan het pleegkind.
Het
gaat ten eerste om de toepassing van
artikel 17 van de WIJ. Hierdoor wordt
ook aan de alleenstaande ouder met een
pleegkind jonger dan 5 jaar
desgevraagd een werkleeraanbod
inhoudende scholing gedaan. Verder
betreft het de toepassing van artikel
35, tweede lid, van de WIJ. Hierdoor
geldt ook dat alleenstaanden en
alleenstaande ouders met ten laste
komende pleegkinderen die recht hebben
op een toeslag, op grond van artikel
35,
tweede lid, onderdeel a, de maximale
toeslag ontvangen indien geen ander in
de woning zijn hoofdverblijf heeft. Dit
laatste is ook geregeld voor de Wwb
in
de nota van wijziging bij het voorstel
van wet tot wijziging van de Wet
werk en bijstand, de Algemene
Ouderdomswet en de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
in verband met de overheveling van de
uitvoering van de aanvullende bijstand
voor personen van 65 jaar of ouder van
de gemeenten naar de Sociale
verzekeringsbank en het aanbrengen van
enkele andere aanpassingen in de
Algemene Ouderdomswet en tot wijziging
van enkele socialeverzekeringswetten in
verband met de gelijkstelling binnen de
sociale zekerheid van voormalige pleeg-
en stiefkinderen met eigen kinderen
(Kamerstukken II 2008-2009, 32 037, nr.
7).
Onderdelen
C en L
(artikelen 5
en 38)
Om
te verduidelijken in welke gevallen het
bij verwijzingen naar normen in de WIJ
gaat om de normen inclusief verhogingen
en verlagingen op grond van de artikelen
30 tot en met 35 en in welke gevallen
het puur om de normen zelf gaat, wordt
in artikel 5 een nieuw begrip
geïntroduceerd. Dit betreft de
inkomensvoorzieningsnorm. Als deze term
gebruikt wordt in de WIJ, wordt de norm
inclusief eventuele van toepassing
zijnde verhogingen of verlagingen
bedoeld.
Onderdelen
D en T
(artikel 7)
In
het huidige artikel 7 wordt voor het
begrip inkomen verwezen naar artikel
32,
eerste en tweede lid, van de Wwb. Hier
moet echter ook een verwijzing naar
artikel 33, dat over bijzonder inkomen
gaat, aan worden toegevoegd. Het betreft
een verwijzing naar de eerste drie leden
van artikel
33. Het eerste lid van
artikel 33 van de Wwb
gaat over inkomen
in natura. Het tweede en derde lid van
artikel 33 van de Wwb
bepalen op welke
manier inkomen uit studiefinanciering en
de tegemoetkoming op grond van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
schoolkosten in aanmerking moet worden
genomen. Deze leden zullen terugwerken
tot en met 1 oktober 2009, de dag dat de
WIJ in werking is getreden. Verwijzing
naar het vierde lid van artikel 33 wordt
in het kader van de WIJ niet
noodzakelijk geacht, het college kan
rekening houden met eventuele inkomsten
uit (onder)huur of kostgangerschap bij
de verhoging of verlaging van de norm
en/of de toeslag, bedoeld in de
artikelen 30 tot en met 35 van de WIJ.
Het vijfde lid is niet van toepassing
omdat dit gaat over personen ouder dan
65 jaar [lees: van 65 jaar of ouder, red.].
Verder
wordt in artikel 7 in de definitie van
"middelen" op dit moment verwezen naar
onderdeel n van artikel
31, tweede lid,
van de Wwb. Bij de verwijzing naar
onderdeel n is uitgegaan van de
verlettering van artikel
31, tweede lid,
onderdeel o tot onderdeel n, in
artikel
58, onderdeel M, van de WIJ. Echter, in
het Besluit van 1 juli 2009 tot
vaststelling van het tijdstip van
inwerkingtreding van de Wet investeren
in jongeren (Stb. 2009, 283) is bepaald dat de
wijziging van (onder andere) artikel 31
van de Wwb pas op 1 januari 2011 in
werking zal treden. Om deze reden wordt
een tweede lid aan artikel 7 toegevoegd
waarin is bepaald dat tot die datum in
plaats van een verwijzing naar onderdeel
n een verwijzing naar onderdeel o moet
worden gelezen. In onderdeel T van
artikel I is ten slotte bepaald dat het
tweede lid van artikel 7 vervalt met
ingang van 1 januari 2011 aangezien
hetgeen daarin is bepaald dan geen
werking meer heeft.
Onderdelen
E en F
(artikelen 13 en
19)
In
deze artikelen wordt abusievelijk
verwezen naar de normen, bedoeld in de
artikelen 26 tot en met 29 van de WIJ.
Hier had echter tevens verwezen moeten
worden naar de artikelen op basis
waarvan de norm verhoogd of verlaagd kan
worden. Om deze reden wordt hier het
begrip inkomensvoorzieningsnorm gebruikt
(zie ook de toelichting op de onderdelen
C en L).
Onderdeel
G (artikel
24)
De
onderdelen a en b van het eerste lid van
artikel 24 worden anders geformuleerd
zodat duidelijker is dat het bij de
vaststelling van het recht op
inkomensvoorziening niet alleen om het
in aanmerking te nemen inkomen en
vermogen van de jongere zelf gaat. In
het geval dat de jongere immers een
gezamenlijke huishouding heeft, dienen
ook het inkomen en vermogen van zijn
partner in aanmerking te worden genomen.
Verder zal worden verwezen naar de
inkomensvoorzieningsnorm in het eerste
lid, onderdeel b, in plaats van te
verwijzen naar de artikelen 26 tot en
met 29. Dit omdat het hierbij niet
(alleen) gaat om de norm als bedoeld in
de artikelen 26 tot en met
29, maar om
de norm als bedoeld in de artikelen 26
tot en met 29 inclusief eventuele
verlagingen of verhogingen op basis van
de artikelen 30 tot en met 35 (zie ook
de toelichting op de onderdelen
C en L).
Onderdelen
H en I
(artikelen 28 en
31)
De
onderdelen c en e van het eerste en
tweede lid van artikel 28 blijken bij
nader inzien overbodig te zijn. Deze
onderdelen bepalen wat de van toepassing
zijnde norm is indien één van de
gehuwden geen recht heeft op
inkomensvoorziening vanwege het feit dat
hij 27 jaar of ouder is. Deze bepalingen
zijn echter niet nodig omdat uit het
derde lid van artikel 28 al valt af te
leiden wat in die gevallen de
toepasselijke norm is. Om deze reden
vervalt de inhoud van de onderdelen c en
e van het eerste en tweede lid en wordt
de inhoud van het huidige onderdeel d
van het eerste en tweede lid opnieuw
vastgesteld in onderdeel c van het
eerste en tweede lid.
Hierdoor
dient ook de verwijzing naar artikel 28
in artikel 31 te worden gewijzigd
(onderdeel I).
Het
vierde lid van artikel 28 wordt
gewijzigd naar aanleiding van signalen
van gemeenten en het Coördinatiepunt
ICT (CP ICT) over de technische
uitvoerbaarheid van de WIJ
in de
situatie waarin sprake is van samenloop
tussen een inkomensvoorziening in het
kader van de WIJ en een uitkering op
basis van de Wwb. Voorgesteld wordt niet
de verstrekte algemene bijstand maar in
plaats daarvan de voor de Wwb-gerechtigde geldende
bijstandsnorm
in mindering te brengen op de norm,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel b
(jongste echtgenoot 18-21 jaar [lees: 18
tot en met 20 jaar, red.]) of c
(jongste echtgenoot 21-27 jaar [lees: 21
tot en met 26 jaar, red.]). Dit
leidt ertoe dat de WIJ-norm in beginsel
niet elke maand fluctueert (doordat na
de wijziging niet het daadwerkelijk
uitbetaalde bedrag aan bijstand in
mindering wordt gebracht, maar de
geldende bijstandsnorm). Tevens leidt
dit tot een betere overdraagbaarheid van
de regeling aan de jongere en een groter
aantal uitkeringen dat automatisch (via
de systemen in plaats van handmatig)
berekend kan worden, zodat er minder
kans op fouten bestaat.
Voorts
heeft deze wijziging tot gevolg dat een
eventuele inkomstenvrijlating van de Wwb-gerechtigde niet (onbedoeld) over de
band van de WIJ wordt verrekend met de
inkomensvoorziening. En ten slotte wordt
op deze wijze geregeld dat een verlaging
van de Wwb-uitkering op grond van een
oplegde maatregel niet wordt
gecompenseerd door een hogere
inkomensvoorziening in het kader van de
WIJ.
Onderdeel
J (artikel
36)
Artikel
36 wordt opnieuw vastgesteld.
Eerste lid
In
het nieuwe eerste lid is bepaald wat de
hoogte van de inkomensvoorziening is.
Dit is het verschil tussen het inkomen
en de inkomensvoorzieningsnorm. De
inkomensvoorzieningsnorm is de norm in
de artikelen 26 tot en met 29 inclusief
eventuele verlagingen of verhogingen op
grond van de artikelen 30 tot en met 35
van de WIJ. Op deze
inkomensvoorzieningsnorm wordt het
inkomen in mindering gebracht. In
artikel 7 van de WIJ
is bepaald dat
onder inkomen het inkomen als bedoeld in
de artikelen
32, eerste en tweede lid,
en 33, eerste tot en met derde lid, van
de Wwb wordt verstaan. Door dit te
regelen, kunnen het huidige derde en
vierde lid van artikel 36 vervallen
aangezien daarin wordt geregeld dat op
de van toepassing zijnde norm in
aanmerking te nemen inkomen in mindering
moet worden gebracht.
Tweede
lid
Hier
wordt bepaald dat er in de
inkomensvoorziening een vakantietoeslag
is begrepen. De hoogte van de
vakantietoeslag bedraagt 5 procent van
de inkomensvoorziening. Dit lid komt
overeen met het huidige eerste lid van
artikel 36. Verschil is dat er niet meer
wordt gesproken van een percentage van
de norm, maar van een percentage van de
inkomensvoorziening. Ook het percentage
is aangepast door toepassing van artikel
43, eerste lid, onderdeel b.
Derde
lid
Het
voorgestelde derde lid komt overeen met
het huidige tweede lid van artikel
36.
Vierde
lid
Het
vierde lid komt overeen met het huidige
vijfde lid. De verwijzingen naar
onderdeel d van artikel
28, eerste en
tweede lid, zijn echter vervangen door
verwijzingen naar onderdeel c van het
eerste en tweede lid. Dit naar
aanleiding van de voorgestelde wijziging
van artikel
28.
Vijfde
lid
Dit
lid komt grotendeels overeen met de
inhoud van het huidige zesde lid.
Echter, de formulering is aangepast
zodat de bedoeling van het vijfde lid
duidelijker wordt. In de situatie dat
gehuwden tijdelijk gescheiden leven en
één van partners geen recht heeft op een
inkomensvoorziening op grond van de WIJ
moet rekening met zijn inkomen worden
gehouden voor zover dat inkomen meer
bedraagt dan de inkomensvoorzieningsnorm
waar hij recht op zou hebben indien hij
wel recht op een inkomensvoorziening had
gehad. Indien de niet-rechthebbende
echtgenoot ten laste
komende kinderen heeft, gaat het om de
inkomensvoorzieningsnorm van de
alleenstaande ouder van 26 jaar. Indien
hij geen ten laste komende kinderen
heeft, gaat het om de
inkomensvoorzieningsnorm van de
alleenstaande van 26 jaar. Voor de
leeftijd van 26 jaar is gekozen omdat
bij de meeste niet-rechthebbende
echtgenoten het gaat om een persoon
die 27 jaar of ouder is. In die gevallen
kan beter bij de norm van jongeren van
21 tot en met 26 jaar worden aangesloten
dan bij de norm van jongeren van 18 tot
en met 21 jaar [lees: 18 tot en met 20
jaar, red.].
Zesde
lid
Het
nieuwe zesde lid biedt het college de
mogelijkheid om indien er sprake is van
co-ouderschap, de inkomensvoorziening
hierop aan te passen.
Onderdeel
K (artikel
37)
Dit
betreft een technische wijziging.
Aangezien in artikel
36, eerste lid,
wordt bepaald wat de hoogte van de
inkomensvoorziening is (inkomensvoorzieningsnorm
verminderd met het in aanmerking te
nemen inkomen), hoeft dit niet meer in
het tweede lid van artikel 37
uitgeschreven te worden. Verder is het
zinsdeel geschrapt dat het moet gaan om
de norm "die naar verwachting op de
jongere van toepassing zal zijn". Dit
omdat deze zinsnede overbodig wordt
geacht.
Onderdeel
M (artikel
42)
In
het huidige artikel
42, eerste lid,
onderdeel f, is bepaald dat indien het
werkleeraanbod op grond van artikel 21
is ingetrokken, er geen recht op
inkomensvoorziening bestaat. Dat
betekent dat ook in het geval dat het
werkleeraanbod is ingetrokken omdat van
de jongere niet meer gevergd kan worden
dat hij uitvoering geeft aan dat
werkleeraanbod, er geen recht meer
bestaat op inkomensvoorziening. Dit is
een onwenselijke situatie. Om die reden
wordt bepaald dat voornoemd geval wordt
uitgezonderd.
Onderdeel
N (artikel
42a)
Het
voorgestelde nieuwe artikel
42a komt
overeen met artikel 50 van de
Wwb. In
het eerste lid van artikel
42a wordt
geregeld dat ondanks het feit dat een
jongere een eigen woning heeft, hij
recht op inkomensvoorziening heeft
indien tegeldemaking of bezwaring van
die woning in redelijkheid niet van hem
kan worden verlangd.
Indien
hij recht heeft op die
inkomensvoorziening, wordt bij de
vaststelling hiervan het vermogen dat
gebonden is in de eigen woning tot het
bedrag, genoemd in artikel
34, tweede
lid, onderdeel d, van de Wwb
(dat van
toepassing is op grond van artikel 7 van
de WIJ), niet als vermogen in aanmerking
genomen. Indien het vermogen echter meer
dan dat bedrag bedraagt, wordt de
inkomensvoorziening als geldlening
verstrekt. Dit is geregeld in het tweede
lid, onderdeel b, van artikel
42a.
Daarnaast geldt als voorwaarde voor
verstrekking van de inkomensvoorziening
als geldlening dat die
inkomensvoorziening in de periode van
één jaar meer zal bedragen dan het
nettominimumloon (onderdeel a).
Onderdeel
O (artikel
43)
Per
abuis is in artikel
43, eerste lid,
onderdeel a, van de WIJ
geen verwijzing
naar artikel
30, tweede lid, opgenomen.
Dit wordt hierbij gecorrigeerd. Deze
wijziging zal terugwerken tot en met 1
oktober 2009.
In
onderdeel b van het eerste lid van
artikel 43 wordt de verwijzing naar
artikel 36 aangepast. Dit omdat de
inhoud van het huidige eerste lid van
artikel 36 wordt verplaatst naar het
tweede lid van artikel 36 (zie de
toelichting op onderdeel J).
Onderdeel
P (artikel
54)
In
het eerste lid van artikel 54 wordt een
aantal wijzigingen voorgesteld. Ten
eerste wordt in onderdeel b een onjuiste
verwijzing gecorrigeerd. Daarnaast wordt
een nieuw onderdeel c ingevoegd waardoor
de onderdelen c en d worden verletterd
tot onderdelen d en e. Het nieuwe onderdeel wordt
ingevoegd omdat er door de introductie
van het nieuwe artikel
42a (zie ook de
toelichting op onderdeel N) ook de
mogelijkheid moet worden gecreëerd om
inkomensvoorziening in de vorm van een
geldlening terug te vorderen.
Doordat
de onderdelen c en d in het eerste lid
worden verletterd, dient de verwijzing
in het vijfde lid naar onderdeel d te
worden aangepast.
Onderdeel
Q (artikel
55)
In
het huidige artikel
55, eerste lid,
wordt slechts verwezen naar de norm voor
gehuwden zonder kinderen (artikel
28,
eerste lid). Er dient echter naar alle
gehuwdennormen verwezen te worden, dus
ook naar de normen voor gehuwden met ten
laste komende kinderen en gehuwden
waarvan één van de partners geen recht
heeft op een inkomensvoorziening op
grond van de WIJ. Om deze reden wordt
voorgesteld te verwijzen naar het gehele
artikel 28.
Onderdeel
R (artikel
56)
In
artikel 56 van de WIJ
wordt op drie
plaatsen verwezen naar artikelen van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit
zijn artikelen die door de Aanpassingswet
vierde tranche Awb per 1
juli 2009 in de Awb zijn
geïntroduceerd. Toen de verwijzingen
naar deze artikelen in de WIJ
werden
opgenomen, waren deze artikelen nog niet
definitief genummerd en werd er een
voorlopige nummering gehanteerd. In de
tussentijd is er een definitieve
nummering gekomen en om deze reden
dienen de verwijzingen naar die
artikelen aangepast te worden.
Onderdeel
S (artikel
86)
In
artikel 86, eerste lid, is
overgangsrecht geregeld voor jongeren
die op de dag vóór inwerkingtreding van
de WIJ een uitkering op grond van de
Wwb ontvangen. Bepaald is dat deze jongeren
nog maximaal twaalf maanden na die
inwerkingtreding onder het regime van de
Wwb blijven vallen. Deze
overgangstermijn wordt nu gewijzigd,
zodat de overgangsperiode tot 1 juli
2010 zal duren. In de nadere memorie van
antwoord (Kamerstukken I 2008-2009, 31
775, E) is het uitstel van de invoering
van de WIJ tot 1 oktober 2009 gemeld.
Daarbij is tevens aangegeven dat de
overgangsperiode tot 1 juli 2010 zal
lopen. Uiterlijk op die datum zal de WIJ
ook voor deze jongeren gaan gelden.
Daarnaast
wordt een lid toegevoegd dat regelt dat
indien toepassing met terugwerkende
kracht van de wijziging van artikel
7,
eerste lid, ten nadele van de jongere
zou zijn, dat gewijzigde artikel
7,
eerste lid, voor die jongere pas per
datum van de inwerkingtreding van
artikel I, onderdeel D, geldt.
Artikel
II. Wijziging van de Wet werk en
bijstand
Onderdeel
A (artikel
12)
In
artikel 12 van de Wwb
wordt verwezen
naar de bijstandsnorm voor personen van
18, 19 of 20 jaar. Echter, vanaf de inwerkingtreding van de WIJ
hebben
personen jonger dan 27 jaar geen recht
meer op algemene bijstand (uitgezonderd
de groep die onder het overgangsregime
valt) en bestaat er dus ook geen
bijstandsnorm meer voor deze groep. Om
deze reden wordt in plaats van naar de
toepasselijke bijstandsnorm naar de
inkomensvoorzieningsnorm op grond van de
WIJ verwezen.
Onderdeel
B (artikel
60)
In
het huidige derde lid van artikel 60 is
een verrekeningsbevoegdheid van het
college opgenomen. Indien de persoon van
wie op grond van artikel 58 of
artikel
59 Wwb teruggevorderd wordt algemene
bijstand of één van de genoemde door de
gemeente
verstrekte uitkeringen
ontvangt, kan het college de kosten die
teruggevorderd moeten worden direct
verrekenen met die bijstand of die
uitkeringen.
Hier
dient aan te worden toegevoegd dat ook
verrekend kan worden met een
inkomensvoorziening op grond van de WIJ.
Onderdeel
C (artikel
78f)
In
artikel 78f, tweede lid, wordt verwezen
naar de normen, bedoeld in de artikelen
26 tot en met 33 van de WIJ. Hier moet
echter verwezen worden naar de normen,
bedoeld in de artikelen 26 tot en met 35
van de WIJ. Dit wordt hiermee
gecorrigeerd.
Artikel
III. Wijziging van de Wet
participatiebudget
De
verwijzing naar artikel
13, eerste lid,
van de WIJ wordt toegevoegd aan artikel
3, vierde lid, van de Wet
participatiebudget. Per abuis is dit
niet gebeurd bij de totstandkoming van
de WIJ. Met deze toevoeging wordt
geregeld dat de regels uit de WIJ alleen
gelden voor zover er een
re-integratievoorziening wordt
aangeboden aan een persoon die onder de
doelgroep van de WIJ valt.
Artikel
IV. Wijziging van Algemene wet
bestuursrecht
De
bijlage bij de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) bevat de zogenoemde
negatieve lijst. Tegen besluiten op deze
lijst staat geen beroep en bezwaar in de
zin van de Awb open. Aan deze lijst
worden artikelen van de WIJ
toegevoegd
die inhoudelijk overeenkomen met de
artikelen uit de Wwb
die op de negatieve
lijst staan. Het betreft besluiten van
de voorzitter van gedeputeerde staten
omtrent de verlening van onverwijlde
bijstand (artikel
91, maar alleen met
betrekking tot het daarin genoemde
artikel 81 van de Wwb), besluiten
omtrent voorschotverlening (artikel
37)
en besluiten omtrent verhaal (artikel
57).
Artikel
V. Wijziging van de Beroepswet
Indien
een besluit is genomen op grond van één
van de wettelijke voorschriften die op
de bijlage van de Beroepswet staat,
dient het hoger beroep tegen een
uitspraak inzake zo’n besluit te
worden ingesteld bij de Centrale Raad
van Beroep. Aan deze bijlage wordt de
WIJ toegevoegd.
Artikel
VI. Wijziging van de Wet
inburgering
Onderdeel
A (artikel 24)
Met
het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet
inburgering (vrijwillige
inburgering, persoonlijk
inburgeringsbudget en harmoniseren
handhavingstermijnen) (Kamerstukken II
2008-2009, 31 791) wordt artikel 24b aan
de Wet
inburgering toegevoegd. In dat
artikel zou moeten worden verwezen naar
de WIJ. Dit is geregeld in
artikel 84,
onderdeel B, van de WIJ,
dat de Wet
inburgering wijzigt. Er is daarbij van
uitgegaan dat genoemd wetsvoorstel
eerder in werking zou treden dan de WIJ.
Dit blijkt niet het geval te zijn,
waardoor de wijziging van artikel 24b
van de Wet
inburgering niet plaatsvindt
met artikel 84, onderdeel
B, van de WIJ.
Bij deze wordt geregeld dat artikel 24b
van de Wet
inburgering op het moment dat
genoemd wetsvoorstel in werking treedt
alsnog wordt gewijzigd.
Onderdeel
B (artikel 37)
In
artikel 37 van de Wet
inburgering wordt
een verwijzing naar de WIJ
aangepast. In
plaats van naar artikel 37 van de
WIJ had naar
artikel 41 verwezen moeten
worden.
Artikel
VII. Eenmalige aanpassing normen en
percentage
Op
het moment van inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel zijn er normen, percentages
en bedragen in dit wetsvoorstel die
aanpassing behoeven in verband met
herzieningen van onder meer het nettominimumloon tussen indiening van het
wetsvoorstel en inwerkingtreding van het
wetsvoorstel. Het betreft de normen,
genoemd in het in artikel I, onderdeel
E, voorgestelde artikel
28, eerste lid,
onderdeel c, en tweede lid, onderdeel
c,
en het percentage, genoemd in het in
artikel I, onderdeel G, voorgestelde
artikel 36, tweede lid.
Artikel
VIII. Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten
Indien
het voorstel van wet tot wijziging van
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten in verband met het
bevorderen van de participatie van
jonggehandicapten door werk en
arbeidsondersteuning in werking treedt,
zal de citeertitel "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten" vervangen worden
door de "Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten". Om deze reden wordt
de verwijzing in artikel 47 van de
WIJ hieraan aangepast.
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
J.
Klijnsma
|