|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2010-2011, 32 520
Wijziging
van enkele wetten van het ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2011)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Geen recht op kinderbijslag in
verband met niet voldoen aan de
kwalificatieplicht en de onbedoelde
effecten daarvan |
| 3 |
Overmakingskosten buitenland |
| 4 |
Het begrip zelfstandige in de Wet
Wajong en de Wet WIA |
| 5 |
Verantwoording door medeoverheden |
| xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m XXIV |
Algemeen
1.
Inleiding
Dit
wetsvoorstel wijzigt een aantal wetten
op het terrein van het ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW).
Dit voorstel betreft zowel wijzigingen
in de socialezekerheidswetgeving als in
wetgeving in het kader van
arbeidsverhoudingen. Het bevat ook een
wijziging van de Wet
participatiebudget waarvoor de Ministers van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap (OCW) en voor
Wonen, Wijken en Integratie
medeverantwoordelijk zijn.
Het
wetsvoorstel behelst onder andere
wijzigingen die voortvloeien uit door
het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) en de
Sociale verzekeringsbank (SVB)
aangedragen knelpunten in de uitvoering.
Hiernaast dienen enkele voorstellen ter
verduidelijking en nadere invulling van
eerder gemaakte beleidskeuzes en het
herstellen van omissies. Met de
voorgestelde wijzigingen worden geen
substantiële beleidswijzingen beoogd.
Het wetsvoorstel behelst derhalve enkel
zogenoemd "klein beleid". In het
artikelsgewijze deel van de memorie van
toelichting wordt nader ingegaan op de
verschillende wijzigingsvoorstellen.
Dit
wetsvoorstel is door de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de
toetsende instanties voorgelegd. Door
het UWV, de
SVB, het Adviescollege
vermindering administratieve lasten (Actal)
[lees:
Adviescollege toetsing administratieve
lasten (Actal), red.] en de Inspectie Werk en Inkomen (IWI)
zijn toetsen uitgebracht. Tevens is het
Uitvoeringspanel [lees: Uitvoeringspanel
gemeenten, red.] om advies gevraagd.
Het
UWV
Het UWV acht het wetsvoorstel
Verzamelwet
SZW 2011 uitvoerbaar. Het UWV
concludeert dat de meeste onderdelen in
de eerste helft van 2011 uitvoerbaar
zijn. De door het UWV voorgestelde
wijzigingen en suggesties zijn, op
enkele ondergeschikte punten na,
overgenomen. De uitvoeringskosten zijn
door het UWV begroot op minder dan €|0,5
miljoen. rblz.|2|
Deze kosten zullen
worden gedekt uit het hen ter
beschikking staande reguliere budget
voor uitvoeringskosten.
De
SVB
De SVB acht het wetsvoorstel
Verzamelwet
SZW 2011 eveneens uitvoerbaar en een
aantal aanbevelingen van de SVB zijn
verwerkt in het wetsvoorstel.
De
IWI
De
IWI heeft het wetsvoorstel beoordeeld op
de mogelijkheden om toezicht te houden
op de rechtmatigheid en de doelmatigheid
van de uitvoering van de voorgestelde
wetswijzigingen. De IWI heeft aangegeven
geen toezichtbaarheidsproblemen te
voorzien. Enkele meer technische
opmerkingen van de IWI zijn, voor zover
mogelijk, verwerkt.
Actal
Actal heeft het wetsvoorstel beoordeeld op het
effect op de administratieve lasten. Het
College kan instemmen met het voorstel
en de bijgevoegde toelichting,
natuurlijk voor zover betrekking hebbend
op het onderdeel van en de passages over
de administratieve lasten (zie ook
Administratieve lasten).
Uitvoeringspanel
Het
Uitvoeringspanel [lees: Uitvoeringspanel
gemeenten, red.] had geen opmerkingen
bij het wetsvoorstel Verzamelwet SZW
2011.
Administratieve
lasten
Actal heeft het wetsvoorstel beoordeeld op het
effect op de administratieve lasten. Actal
voorziet een licht positief effect
op de administratieve lasten door een
aantal van de voorgestelde wijzigingen.
Garantiestelling
eigenrisicodrager Zw
Ten
aanzien van de garantiestelling
eigenrisicodrager Zw [lees: ZW (Ziektewet),
red.] (artikel XXII, onderdeel
D) heeft
Actal
vastgesteld dat
het effect van het voorstel op de
administratieve lasten kleiner is dan de
vastgestelde grens van €|10 000,-, het
effect is dus verwaarloosbaar.
Artikel
37 PW
De
voorgestelde wijziging van artikel 37 PW
[Pensioenwet,
red.] voorkomt eventuele toekomstige
vernieuwing van de contracten tussen het
UWV en pensioenuitvoerders. Dit leidt
tot een jaarlijkse AL-besparing [administratievelastenbesparing,
red.] van €|24
000,-.
2. Geen recht op kinderbijslag in
verband met niet voldoen aan de
kwalificatieplicht en de onbedoelde
effecten daarvan
Als
gevolg van de inwerkingtreding van de
Wet van 4 februari 2010 tot wijziging
van de Algemene Kinderbijslagwet en de
Algemene nabestaandenwet in verband met
aanpassing aan de invoering van een
kwalificatieplicht in de Leerplichtwet
1969 en het aanbrengen van een aantal
vereenvoudigingen in de Algemene
Kinderbijslagwet alsmede enkele andere
aanpassingen van die wet (Stb.
2010, 74)
bestaat geen recht op kinderbijslag voor
16- en 17-jarigen als niet is voldaan
aan de verplichtingen voortvloeiend uit
de artikelen 2, eerste lid, en 4a,
eerste lid, van de rblz.|3|
Leerplichtwet
1969.
Voor het recht op kinderbijslag moet de
16- of 17-jarige jongere met andere
woorden voldoen aan de aan de
Leerplichtwet [lees: aan de aan de Leerplichtwet
1969 verbonden verplichtingen, red.]. Voor 16- of 17-jarigen
met startkwalificatie geldt dat zij een
vervolgstudie moeten volgen of moeten
voldoen aan de eisen voor werkloze
jongeren. Dit is geregeld in artikel
7,
tweede lid, van de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW).
Een
alleenstaande ouder met enig ten laste
komend kind van 16 of 17 jaar die geen
recht meer heeft op kinderbijslag
omdat
het kind niet voldoet aan de
kwalificatieplicht, wordt als gevolg
daarvan voor een bijstands- of andere
uitkering beschouwd als een
alleenstaande. Dit heeft een verlaging
van de uitkering naar de alleenstaandennorm tot gevolg. Dit
gevolg voor de alleenstaande ouder is
niet beoogd. Daarom wordt voorgesteld om
in de Algemene Ouderdomswet (AOW), de
Toeslagenwet (TW), de Wet
inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers (Ioaw), de Wet
inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen (Ioaz), de Wet investeren
in jongeren (WIJ), de Wet werk en
bijstand (Wwb) en de Wet Werk en inkomen
kunstenaars (Wwik) te regelen dat dit
onbedoelde effect niet optreedt. Dit
gebeurt door de omschrijving van
alleenstaande ouder aan te passen.
Daarnaast
is geconstateerd dat het verlies van
recht op de kinderbijslag
op grond van
de AKW gevolgen kan hebben voor de
overlijdensuitkering aan het kind of de
kinderen na het overlijden van de
uitkeringsgerechtigde ingevolge de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen
(IOW). In andere sociale wetgeving wordt
een overlijdensuitkering bij
ontstentenis van de echtgenoot aan de
minderjarige kinderen uitbetaald,
ongeacht of een recht op kinderbijslag
bestaat. Daarom wordt in onderhavig
wetsvoorstel voor de IOW-uitkering
dezelfde systematiek gehanteerd.
3. Overmakingskosten buitenland
Met
de inwerkingtreding van de vierde
tranche van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) op 1 juli 2009 is in
de Awb de hoofdregel neergelegd dat
kosten van betaling door een
bestuursorgaan ten laste komen van de
schuldenaar en dat, indien het gaat om
een betaling buiten de Europese Unie, de
daaraan verbonden kosten op het te
betalen bedrag in mindering kunnen
worden gebracht, tenzij bij wettelijk
voorschrift anders is bepaald. Gezien de
ontwikkelingen op het terrein van het
Europese betalingsverkeer zijn de kosten
voor overmakingen naar de landen van de
Europese Unie (EU), landen in de
Europese Economische Ruimte (EER) en
naar Zwitserland sterk gedaald of zullen
binnen afzienbare tijd sterk dalen,
waardoor de kosten van overmaking naar
deze landen niet opwegen tegen de kosten
die verband houden met het in mindering
brengen hiervan op de uitkering.
De
voorgestelde wijzigingen voorzien er
daarom in dat in onderscheidenlijk de AKW, de
Algemene nabestaandenwet (Anw),
de AOW, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO),
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ), de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten
(Wet Wajong) en de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen (Wet WIA) de
bepaling wordt geschrapt die ertoe
verplicht dat ingeval de uitkering in
het buitenland wordt uitbetaald, de
daaraan verbonden kosten van overmaking
op die uitkering in mindering worden
gebracht.
Met
betrekking tot voormelde wetten zal
dientengevolge het stelsel van
toepassing zijn dat is neergelegd in
artikel 4:91 van de Awb. Uit het eerste
lid van dat artikel blijkt dat de kosten
van betaling ten laste komen van degene
die de betaling verricht. Deze aan het
privaatrecht ontleende rblz.|4|
hoofdregel zal in
ieder geval van toepassing zijn op alle
betalingen binnen de EU. Uit het tweede
lid van artikel 4:91 van de
Awb blijkt
dat indien een bestuursorgaan betalingen
verricht aan een schuldeiser buiten de
EU, de daaraan verbonden kosten op het te
betalen bedrag in mindering kunnen
worden gebracht, tenzij bij wettelijk
voorschrift, waaronder ook begrepen de
bepalingen van verdragen en besluiten
van volkenrechtelijke organisaties die
naar hun inhoud een ieder kunnen binden,
anders is bepaald. Mits een specifiek
wettelijk voorschrift daaraan niet in de
weg staat, zijn de SVB
en het UWV
dan
ook bevoegd om bij uitbetaling van een
uitkering in een land buiten de EU de
bestaande praktijk, inhoudende dat de
kosten van overmaking op de uitkering in
mindering worden gebracht, voort te
zetten. Indien SVB en UWV van deze
bevoegdheid gebruikmaken, ligt het in
de rede dat de SVB en het UWV met
betrekking tot de wijze waarop invulling
wordt gegeven aan deze bevoegdheid
beleidsregels publiceren.
Een
bilateraal akkoord met Duitsland uit
1951 waarin een betaalconstructie van
uitkeringen op grond van de AOW, de
WAO
en de Wet WIA was geregeld, is per 1
januari 2010 opgezegd. Met Duitsland is
echter afgesproken dat dit niet zal
leiden tot een verslechtering in de
positie van de uitkeringsgerechtigde in
Duitsland. Op basis van deze afspraak - en vooruitlopend op onderhavige
wetswijziging - worden per 1 januari
2010 dan ook geen kosten voor
overmakingen naar Duitsland in mindering
gebracht op de uitkeringen.
4. Het begrip zelfstandige in de Wet
Wajong en de Wet WIA
Op
1 januari 2010 is de Wet van 3 december
2009 tot uitbreiding van de mogelijkheid
om voorzieningen te verstrekken bij
arbeid als zelfstandige (Stb.
2009, 589) in
werking getreden. Met die wet zijn de
mogelijkheden verruimd om voorzieningen
te verstrekken aan personen met ziekte
of handicap die willen starten als
zelfstandige.
De
definitie van zelfstandige was reeds
opgenomen in artikel 1 van de
Wet WIA.
Aan artikel 1:1 van de
Wet Wajong is een
eensluidende definitie toegevoegd.
Volgens deze definitie is de
zelfstandige de persoon die jonger is
dan 65 jaar, die in Nederland woont en
die belastbare winst uit onderneming
geniet als bedoeld in de Wet
inkomstenbelasting 2001. Ook een
directeur-grootaandeelhouder wordt als
zelfstandige aangemerkt. Op het moment
van de start als zelfstandige zal er
overigens nog geen sprake zijn van
winst. In die situatie stelt het UWV
op
grond van andere feitelijke
omstandigheden vast of er sprake is van
zelfstandig ondernemerschap. Na een
startperiode zal evenwel kunnen blijken
dat de belastingdienst de genoten
inkomsten uit de gestarte onderneming
niet aanmerkt als winst uit onderneming,
maar bijvoorbeeld als resultaat van
overige werkzaamheden. Uitgaande van het
begrip zelfstandige, zoals bedoeld in de
artikelen 1 van de
Wet WIA en 1:1
van de Wet Wajong, zou er dan geen grond meer
bestaan voor een verstrekking. Dit is
niet beoogd. Daarom wordt in dit
wetsvoorstel voorgesteld om de definitie
van zelfstandige aan te passen zodat ook
de starters van wie de inkomsten door de
belastingdienst niet worden aangemerkt
als winst uit onderneming in aanmerking
kunnen blijven komen voor de regeling.
Ook wordt voorgesteld de leeftijdsgrens
van 65 jaar te laten vervallen. Dit
sluit aan bij de verstrekking van
voorzieningen aan werknemers waarbij
evenmin een leeftijdsgrens wordt
gehanteerd.
5. Verantwoording door medeoverheden
Onderhavig
wetsvoorstel regelt de vereiste
aanpassingen voor de invoering van de
systematiek van single information en single audit (sisa) tussen medeoverheden
in het kader van de Wet
participatiebudget (Wpb) en de Wet
sociale werkvoorziening (Wsw). Sisa
tussen medeoverheden rblz.|5|
houdt in dat de sisa-systematiek ook van toepassing is
indien een openbaar lichaam op basis van
de Wet
gemeenschappelijke regelingen (Wgr)
zich aan een gemeente moet verantwoorden
met betrekking tot een specifieke
uitkering, waarover de gemeente zich op
haar beurt aan het Rijk moet
verantwoorden. In de keuze voor sisa
tussen medeoverheden is [lees: ligt, red.]
lastenvermindering besloten voor de
samenwerkingsverbanden die op grond van
de Wgr kunnen worden beschouwd als een
openbaar lichaam. Zij hoeven zich niet
meer naar gemeenten te verantwoorden,
voorafgaand aan de verantwoording door
gemeenten op 15 juli jaarlijks, maar
mogen dit eveneens uiterlijk op 15 juli
aanleveren via sisa aan het CBS [Centraal
bureau voor de statistiek, red.]. Voor de
verantwoording aan het Rijk heeft sisa
tussen medeoverheden tot gevolg dat, ten
opzichte van de oude situatie, één jaar
vertraging optreedt. Omdat de
verantwoording van gemeenten met
betrekking tot het
SZW-domein niet alleen betekenis heeft
voor de vaststelling van geoormerkte
specifieke uitkeringen, maar ook voor de
verdeling van budgetten, is een
voorziening getroffen om te borgen dat
de budgetverdeling kan blijven
plaatsvinden op basis van de meest
actuele gegevens (zijnde t-2). Hiertoe
heeft het kabinet een oplossing
getroffen die erin voorziet dat SZW voor
de budgetverdeling en -toekenning gebruikmaakt van de sisa-verantwoording
die de openbare lichamen op basis van de
Wgr ten behoeve van de deelnemende
gemeenten hebben opgesteld en waarbij de
gemeenschappelijke regelingen hun
verantwoording moeten specificeren naar
gemeenten. Met deze oplossing wordt het
gebruik van gecertificeerde actuele
gegevens voor de budgetverdeling door
het ministerie van SZW behouden, wordt
een lastenverlichting bereikt door deze
gecertificeerde gegevens te verkrijgen
via de sisa-verantwoording van
gemeenschappelijke regelingen én blijft
het systeem in tact dat individuele
gemeenten zich aan het Rijk
verantwoorden over de besteding van
specifieke uitkeringen. Deze oplossing
sluit aan bij de huidige werkwijze van
SZW en leidt daarom niet tot majeure
wijzigingen in het verantwoordingsproces
van de betrokken medeoverheden.
De
oplossing is tot stand gekomen in
overleg met de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten (VNG), Cedris (de
brancheorganisatie voor sociale
werkgelegenheid en arbeidsintegratie),
Divosa (Nederlandse vereniging van
gemeentelijke managers op het terrein
van participatie, werk en inkomen) en
enkele gemeenten. Bij brief van 27
oktober 2009 heeft de Staatssecretaris
van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, de VNG gevraagd in te
stemmen met de oplossing. Bij brief van
23 november 2009 heeft de VNG haar
instemming bevestigd, met de aantekening
dat nog een nadere uitwerking dient te
volgen van een aantal details in de
uitvoering en ten aanzien van mogelijk
ongewenste gevolgen door correcties
achteraf.
Mede
rekening houdend met de opmerkingen van
de VNG, dient ter effectuering van
voornoemde oplossing in het Besluit
participatiebudget en het Besluit
uitvoering sociale werkvoorziening en
begeleid werken geregeld te worden:
- dat de verantwoordingsgegevens van het
openbaar lichaam ten behoeve van de
deelnemende gemeenten door het
ministerie gebruikt kunnen worden voor
de budgettoekenningen voor het daaropvolgende jaar, zodat alle budgetten
verdeeld kunnen blijven worden met
toepassing van gecertificeerde gegevens
over t-2;
- op welke wijze de budgettoekenning
geschiedt indien niet tijdig van alle
openbare lichamen
verantwoordingsinformatie is ontvangen.
Het
proces van verantwoordingsindiening door
de gemeente en de departementale
afhandeling blijven na invoering van
sisa tussen medeoverheden op hoofdlijnen
hetzelfde. Dit geldt voor de
voorschriften rblz.|6|
met betrekking tot de
vaststelling van budgetten,
terugvordering van niet of niet
rechtmatig bestede geoormerkte gelden en
de toepassing van het (SZW-)stopbeleid.
Wel dienen de in artikel
9, vierde lid,
van de Wsw en artikel 4, derde lid, van
de Wpb opgenomen termijnen voor
nihilvaststellingen te worden aangepast.
In de artikelsgewijze toelichting wordt
hierop nader ingegaan.
Invoering
van sisa tussen medeoverheden in het
kader van de Wwb vereist alleen
aanpassingen in de lagere regelgeving.
Artikelsgewijs
Artikel
I. Wijziging van de Algemene
Kinderbijslagwet
Onderdeel
A
De
wijziging van artikel
7, tiende lid, van
de AKW is het herstel van een
omissie
waarbij de delegatiegrondslag voor de
nadere invulling van artikel
7, vierde
lid, van dezelfde wet onbedoeld niet is
opgenomen.
Onderdeel
B
Voor
de toelichting op dit onderdeel wordt
verwezen naar het algemeen deel van deze
memorie van toelichting, paragraaf
3.
Artikel
II. Wijziging van de Algemene
nabestaandenwet
Onderdeel
A, onder 1
De
wijziging van artikel
26, tweede lid,
onderdeel b, van de Anw dient ter
correctie van een niet-bedoeld effect
van de Wet van 4 februari 2010 tot
wijziging van de Algemene
Kinderbijslagwet en de Algemene
nabestaandenwet in verband met
aanpassing aan de invoering van een
kwalificatieplicht in de Leerplichtwet
1969 en het aanbrengen van een aantal
vereenvoudigingen in de Algemene
Kinderbijslagwet alsmede enkele andere
aanpassingen van die wet (Stb.
2010, 74). Het
huidige artikel leidt ertoe dat 16- en
17-jarige wezen hun wezenuitkering
verliezen als ze een studiebeurs
ontvangen waar recht op bestaat als een
studie wordt gevolgd op grond van de Wet
op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek. Dit is niet
de bedoeling: een 16- of 17-jarige wees
kan naast zijn wezenuitkering een
studiebeurs ontvangen.
Onderdeel
A, onder 2
In
artikel 7 van de AKW is een delegatiegrondslag
opgenomen, omdat in de toekomst kan
blijken dat voor de uitvoering van dat
artikel nadere regels noodzakelijk zijn.
Voor het tweede lid van artikel 26
van de Anw,
dat vergelijkbare vereisten kent als
artikel 7, tweede lid, van de AKW, geldt
hetzelfde. Daarom wordt voorgesteld om
een vergelijkbare delegatiegrondslag toe
te voegen aan artikel 26
Anw.
Van
de delegatiegrondslag zal in ieder geval
gebruikgemaakt worden om een
onafhankelijke adviescommissie te kunnen
instellen. De onafhankelijke
adviescommissie kan adviseren in een
voorkomend bezwaar tegen een beschikking
van de SVB inzake de intrekking van de
wezenuitkering omdat niet is voldaan aan
de artikelen 2, eerste lid, en 4a,
eerste lid, van de Leerplichtwet
1969.
rblz.|7|
Onderdeel
B
Voor
de toelichting op dit onderdeel wordt
verwezen naar het algemeen deel van deze
memorie van toelichting, paragraaf
3.
Artikel
III. Wijziging van de Algemene
Ouderdomswet
Onderdeel
A
Voor
de toelichting op dit onderdeel wordt
verwezen naar het algemeen deel van deze
memorie van toelichting, paragraaf
2.
Onderdeel
B
Voor
de toelichting op dit onderdeel wordt
verwezen naar het algemeen deel van deze
memorie van toelichting, paragraaf
3.
Artikel
IV. Wijziging van de Pensioenwet
Onderdeel
A
Thans
is in artikel 37 Pensioenwet
en artikel
45 Wet
verplichte beroepspensioenregeling
(Wvb, zie
artikel XVIII) geregeld dat
pensioenuitvoerders een overeenkomst
sluiten met het UWV
op basis waarvan het
UWV de arbeidsongeschiktheid van een
deelnemer aan de pensioenuitvoerder
meldt. Uitgangspunt voor deze huidige
artikelen is het "automatisch"
doorgeven van
arbeidsongeschiktheidsmeldingen door het
UWV aan pensioenuitvoerders, zonder dat
daarvoor een actie van de werkgever of
werknemer nodig is. Dit voorstel leidt
ertoe dat de wettelijke plicht tot het
sluiten van contracten tussen het UWV en
pensioenuitvoerders vervalt. Dit leidt
tot lastenverlichting bij beide zojuist
vermelde partijen. Het voorstel leidt
niet tot de introductie van nieuwe of
afschaffing van bestaande
administratieve verplichtingen voor
burgers of bedrijven.
Vanuit
het pensioenveld is verzocht om de
huidige gegevensstroom over
arbeidsongeschiktheid van
pensioendeelnemers op een eenvoudiger
wijze, met minder administratieve
lasten, te organiseren. Dat verzoek
geldt des te meer nu het UWV
voornemens
is de lopende contracten te vernieuwen.
Concreet is voorgesteld om de
contractuele verplichting tot het
sluiten van contracten te schrappen,
onder handhaving van de wettelijke
verplichting voor het UWV tot het
leveren van
arbeidsongeschiktheidsmeldingen.
Met
de voorgestelde aanpassing komt de
regering tegemoet aan de wens vanuit het
veld. Belangrijke overweging daarvoor is
dat zowel het doel als het uitgangspunt
van de huidige artikelen intact blijven,
maar op een administratief minder
belastende wijze worden gediend.
De
delegatiebepaling ziet op het stellen
van nadere regels inzake het melden van
arbeidsongeschiktheid door het UWV. Het
is wenselijk daarin (onder meer)
voorwaarden op te nemen waaronder het
UWV gegevens verstrekt aan de diverse
pensioenuitvoerders.
Onderdeel
B
De
Fonds Voorheffing Pensioenverzekeringsregeling (FVP-regeling)
was een door sociale partners op
centraal niveau uitgevoerde regeling.
Met de beëindiging van de FVP-regeling
per 1 januari 2011 (zie artikel
XV)
bestaat bij een aantal sectorale
partners de wens een FVP-vervangende
regeling aan te bieden. Dergelijke
regelingen bieden werkloze werknemers de
mogelijkheid de pensioenopbouw gedurende
een bepaalde periode rblz.|8|
vrijwillig voort te
zetten. Daarbij kunnen afspraken worden
gemaakt dat een deel van de premie door
het collectief (het pensioenfonds)
betaald wordt. Omdat in de praktijk een
deel van de werkloze werknemers binnen
een halfjaar weer het werk heeft
hervat, zullen de FVP-vervangende
regelingen net als de FVP regeling vaak
een wachttijd (van bijvoorbeeld zes maanden) hanteren.
In
dit voorstel wordt geëxpliciteerd dat
ook opbouw van pensioenaanspraken die
uiterlijk negen maanden na einde
dienstbetrekking begint vrijwillige
voortzetting is. Daarbij wordt buiten
twijfel gesteld dat de regeling met
betrekking tot drempelperiodes of
wachttijden bij aanvang van de
pensioenverwerving niet van toepassing
is. De huidige artikelen (54 Pensioenwet
en 65 Wvb
(zie artikel XVIII, onderdeel
B)) kennen in het vierde lid een
aanmeldingstermijn van drie maanden. Een
wettelijke aanmeldingstermijn kan bij
vrijwillige regelingen die een bepaalde
wachttijd kennen tot onnodige
administratieve lasten leiden. Om die
reden wordt voorgesteld de termijn in de
wet te schrappen. Het is aan
pensioenuitvoerders zelf om in de
statuten of in het reglement een
aanmeldingstermijn op te nemen.
Onderdeel
C
In
artikel 70, vierde lid, van de Pensioenwet
(en artikel 81, vierde lid,
van de Wvb; zie
artikel XVIII, onderdeel C) worden onjuiste verwijzingen
gerepareerd.
Onderdeel
D
In
artikel 71 van de Pensioenwet
(en
artikel 82 van de Wvb; zie
artikel
XVIII, onderdeel D) is de individuele
waardeoverdracht van de ene naar de
andere pensioenuitvoerder in de zin van
de Pensioenwet
en de Wvb
geregeld.
Daarbij wordt ervan uitgegaan dat
sprake is van waardeoverdracht in
verband met de beëindiging van de
deelname in de ene Nederlandse regeling
ten behoeve van deelname aan een andere
Nederlandse regeling (waarop de
Pensioenwet volledig van toepassing is).
Wat
de wetgever voor ogen staat bij
waardeoverdracht in verband met de
deelname aan een buitenlandse regeling,
is vastgelegd in artikel 85 van de Pensioenwet
en artikel 93 van de Wvb.
Daarin is geregeld onder welke
voorwaarden de pensioenuitvoerder moet
meewerken aan een verzoek van een
gewezen deelnemer tot waardeoverdracht
naar een buitenlandse
pensioeninstelling. Eén van die
voorwaarden is dat de
afkoopmogelijkheden na waardeoverdracht
niet ruimer mogen zijn.
De
gecombineerde artikelen 71 en 85 van de Pensioenwet
en 82 en 93 van de Wvb
gaan
feitelijk voorbij aan de mogelijkheid
dat een buitenlandse regeling is
ondergebracht bij een (Nederlandse)
pensioenuitvoerder. Voor die situatie
wordt voorgesteld in de Pensioenwet
en
de Wvb
een artikel in te voeren met een
bepaling die overeenstemt met wat in
artikel 85 van de Pensioenwet
en artikel
93 van de Wvb
is geregeld. Dat leidt
ertoe dat wordt voorgesteld dat er geen
plicht tot waardeoverdracht bestaat
indien de afkoopmogelijkheden na
waardeoverdracht ruimer zijn dan op
grond van de Pensioenwet en de Wvb.
Daarmee worden de Pensioenwet en de Wvb
dus feitelijk intern consistent gemaakt
ten aanzien van de verplichting van de
uitvoerder om mee te werken aan een
verzoek van een gewezen deelnemer tot
waardeoverdracht ten behoeve van de
deelname in een buitenlandse
pensioenregeling.
rblz.|9|
Artikel
V. Wijziging van de Toeslagenwet
Onderdeel
A
Voor
de toelichting op dit onderdeel wordt
verwezen naar het algemeen deel van deze
memorie van toelichting, paragraaf
2.
Onderdeel
B
Per
abuis is deze bepaling (destijds
opgenomen in artikel
11, zesde lid, van
de Toeslagenwet) per 1 juli 2009
vervallen als gevolg van de Aanpassingswet
vierde tranche Awb. Door
deze wijziging van artikel 11 van de
Toeslagenwet wordt dit hersteld.
Artikel
VI. Wijziging van de Werkloosheidswet
Onderdeel
A
Indien
een werknemer bij de beoordeling van
zijn aanspraken op grond van de Wet WIA
minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt
geacht, maar niettemin op medische
gronden een urenbeperking heeft, is hij
minder beschikbaar voor arbeid in de zin
van de WW dan het gemiddeld aantal
arbeidsuren (GAA) dat hij vóór het
intreden van zijn arbeidsongeschiktheid
had. Deze werknemer zou hierdoor een
lagere WW-uitkering krijgen omdat het
ontstane recht op WW-uitkering, dat is
gebaseerd op dat GAA, onmiddellijk zou
eindigen voor het aantal uren dat hij
niet beschikbaar is. Om te voorkomen dat
de werknemer met een medische
urenbeperking slechts recht heeft op een
gedeeltelijke - en dus lagere - WW-uitkering, is in artikel
16, tiende
lid, WW geregeld dat in deze situatie
het GAA wordt gesteld op het aantal uren
dat hij medisch gezien in staat is tot
arbeid.
Deze
aanpassing van het GAA vindt echter
niet plaats in het geval van de
herleving van de WW-uitkering van de
werknemer die vanuit een WW-uitkering
ziek wordt, einde wachttijd van de Wet
WIA bereikt en vervolgens minder dan 35%
arbeidsongeschikt wordt geacht, maar wel
op medische gronden een urenbeperking
heeft. Diens herleefde WW-uitkering
eindigt onmiddellijk voor het aantal
uren dat hij niet beschikbaar is. Om dit
ongewenste verschil ongedaan te maken,
wordt hierbij voorgesteld om, indien de
WW in de laatstbedoelde situatie
herleeft, artikel
16, tiende lid, WW van
overeenkomstige toepassing te verklaren.
Aldus leidt de medische urenbeperking in
dat geval van herleving evenmin tot een
(gedeeltelijke) beëindiging van het
recht op WW-uitkering.
Onderdeel
B
Voorgesteld
wordt om de plicht tot tijdige aangifte
(melding) van werkloosheid (artikel
26,
eerste lid, onderdeel a, WW) af te
schaffen. Deze bepaling heeft geen
waarde in de uitvoeringspraktijk, omdat
de werknemer op grond van artikel
26,
eerste lid, onderdeel b, WW verplicht is
om binnen één week na het intreden van
de werkloosheid een WW-aanvraag in te
dienen.
Artikel
VII. Wijziging van de Wet
arbeidsongeschiktheidverzekering
zelfstandigen [zie
art. VII, onderdeel H, van de
wet, red.]
Voor
de toelichting op dit artikel wordt
verwezen naar het algemeen deel van deze
memorie van toelichting, paragraaf
3.
rblz.|10|
Artikel
VIII. Wijziging van de Wet financiering
sociale verzekeringen
Onderdelen
A en B
In
artikel 40, tweede lid, van de Wet
financiering sociale verzekeringen
(Wfsv) is voor de werkgever die
eigenrisicodrager wil worden voor de
Ziektewet (ZW) of de werkhervattingsregeling gedeeltelijk
arbeidsgeschikten (WGA) van de Wet WIA
de verplichting opgenomen om een
garantie over te leggen van een
kredietinstelling of een verzekeraar.
Met die garantie verplicht de garant
zich om de verplichtingen van de
werkgever na te komen. In de artikelen 43, eerste lid, en
44
van de Wfsv zijn nadere bepalingen
opgenomen over het bedrag waartoe de
garantie zich uitstrekt. De garantie
wordt per kalenderjaar vastgesteld op
een bedrag dat overeenkomt met hetgeen
het UWV naar verwachting zal moeten
betalen aan ziekengeld als de
eigenrisicodrager in betalingsonmacht
zou komen te verkeren. Dit bedrag is nog
gebaseerd op de verplichting tot
betaling van ziekengeld gedurende één
jaar. Nu de verplichting tot betaling
van ziekengeld is verlengd tot twee
jaar, is dit bedrag inmiddels te laag.
De belastingdienst
moet op grond van de
geldende bepalingen jaarlijks
vaststellen of de garantie overeenkomt
met de wettelijke bepaling aan de hand
van het ziekterisicocijfer van de sector
waartoe de werkgever behoort en het
premieloon van de werkgever. De belastingdienst
ontvangt daartoe van het
UWV gegevens over het ziekterisicocijfer
per sector. Indien het bedrag van de
garantie ontoereikend is, zal de belastingdienst
aan de werkgever een
nieuwe garantie of aanhangsel bij de
garantie vragen met het nieuwe bedrag.
De werkgever zal vervolgens aanpassing
van de garantie vragen aan de bank of
verzekeraar die de garantie heeft
afgegeven. Deze aanpassingen vormen een
bewerkelijk proces voor de belastingdienst, maar ook levert het
overleggen van nieuwe garanties
structureel werkzaamheden en
administratieve lasten op voor de
werkgever en de garant. Ook als de
garantie bij het begin van het
kalenderjaar voldoet, kan die op een
later moment in het jaar onvoldoende
blijken door wijziging in de loonsom en
door de omvang van het ziekterisico van
de werkgever.
Daarom
wordt voorgesteld de bijzondere
bepalingen over het bedrag van de
garantie te laten vervallen. De inhoud
van de garantie voor de
eigenrisicodrager ZW sluit daarmee aan
bij de garantie van de eigenrisicodrager
WGA, de bewerkelijke jaarlijkse
handelingen voor de belastingdienst en
de aanlevering van nieuwe garanties
vervallen en de garantie is altijd
toereikend. Vanaf de datum van
inwerkingtreding moeten werkgevers die
eigenrisicodrager voor de ZW zijn
eenmalig zorgen dat zij een garantie
overleggen aan de belastingdienst die
aan deze nieuwe bepaling voldoet. Dit
levert eenmalig extra lasten op voor de
werkgevers die op grond van de bestaande
regels geen nieuwe garantie hoefden te
verstrekken omdat het bedrag toereikend
was. Daarna is geen wijziging van de
garantie meer nodig en dit voorstel
levert dus een structurele besparing op
de administratieve lasten op. Indien de
eigenrisicodrager geen nieuwe garantie
overlegt, vervalt het
eigenrisicodragerschap voor de ZW.
Werkgevers die na inwerkingtreding van
deze aanpassing eigenrisicodrager voor
het vangnet ZW willen worden, moeten
direct een garantie overleggen zonder
specifiek bedrag. Voor hen is dan ook
geen sprake van een extra handeling en
van hen zullen vervolgens geen
aanpassingen meer gevraagd worden. Op
dit moment zijn minder dan 100
werkgevers eigenrisicodrager voor het
vangnet van de ZW, zodat het effect op
de administratieve lasten van werkgevers
verwaarloosbaar is.
rblz.|11|
Onderdeel
C
In
deze bepaling is abusievelijk verwezen
naar artikel
30, eerste lid, onderdeel b, van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
(Wet SUWI). Dit moet zijn artikel
30a,
eerste lid, onderdeel b, van die
wet.
Deze omissie is hersteld.
Artikel
IX. Wijziging van de Wet
inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen
Onderdeel
A
Voor
de toelichting op dit onderdeel wordt
verwezen naar het algemeen deel van deze
memorie van toelichting, paragraaf
2.
Onderdeel
B
De
wijzingen in artikel
20, eerste en
tweede lid, Ioaz (en
artikel 20, tweede
lid, Ioaw, zie
artikel X, onderdeel
D)
hangen samen met de aanpassing van deze
artikelen in de Wet van 17 december 2009
tot bundeling van uitkeringen
inkomensvoorziening aan gemeenten (Stb.
2009, 592). In die wet zijn de bepalingen
betreffende het opleggen van maatregelen
afgestemd op de verlaging zoals die in
de Wwb is geregeld. In
dit wetsvoorstel
wordt artikel
20, tweede lid, Ioaz
- zoals beoogd met voornoemd wetsvoorstel
- overeenkomstig artikel
20, eerste
lid, Ioaw geformuleerd. Voorts worden
het eerste lid van artikel 20
Ioaz en
het tweede lid van artikel 20
Ioaw technisch aangepast aan het feit dat de
maatregel op het overtreden van artikel
37, eerste lid, onderdeel a, van die
wetten (naar vermogen trachten algemeen
geaccepteerde arbeid te verkrijgen) al
is geregeld in het tweede lid van
artikel 20 Ioaz
respectievelijk het
eerste lid van artikel 20
Ioaw. Er is
daarmee geen inhoudelijke wijziging in
het maatregelenbeleid beoogd. De overige
wijzigingen hebben eveneens tot doel de
aanpassingen van artikel 20 op grond van
genoemde wet en de wijziging van dit
artikel in verband met de inwerkingtreding van de
vierde tranche van
de Awb beter op elkaar af te stemmen.
Artikel
X. Wijziging van de Wet
inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers
Onderdeel
A
Dit
betreft een redactionele verbetering.
Onderdeel
B
Voor
de toelichting op dit onderdeel wordt
verwezen naar het algemeen deel van deze
memorie van toelichting, paragraaf
2.
Onderdeel
C, onder 1
De
eerste voorgestelde wijziging van
artikel 5, zesde lid, Ioaw
herstelt een
omissie in de huidige tekst. Ook na een
loongerelateerde WGA-uitkering kan
immers (op grond van artikel
2,
onderdeel b, onder 2º, Ioaw) recht op een
Ioaw-uitkering
ontstaan.
Onderdeel
C, onder 2
Het
tweede subonderdeel ziet op het
volgende. Het recht op Ioaw-uitkering
ontstaat op de dag na de dag waarop de
geldende uitkeringsduur op grond van de WW
dan wel de loongerelateerde rblz.|12|
uitkering
van de WGA-uitkering is verstreken. De
hoogte van de Ioaw-uitkering is
afhankelijk van de grondslag die op de
uitkeringsgerechtigde van toepassing is.
De grondslag is geregeld in het derde
tot en met vijfde lid van artikel 5
Ioaw. Deze grondslag kan op grond van
artikel 5, zesde lid, Ioaw
lager worden
vastgesteld. De hoogte van de grondslag
wordt dan berekend aan de hand van het
totaalbedrag aan uitkeringen (factor A,
bedoeld in artikel
5, zesde lid, Ioaw)
en het laatst verdiende loon uit
dienstbetrekking (factor B, bedoeld in
artikel 5, zesde lid, Ioaw) in de
kalendermaand voorafgaande aan de dag
waarop de geldende uitkeringsduur van de
uitkering op grond van de WW of van de
WGA-uitkering is verstreken. Aldus wordt
bewerkstelligd dat de verlaging die (het
loon uit) werkzaamheden in
dienstbetrekking heeft teweeggebracht
in factor A, wordt gecompenseerd met
factor B.
Wanneer
de WW-uitkeringsgerechtigde arbeid is
gaan verrichten in de uitoefening van
een bedrijf of in de zelfstandige
uitoefening van een beroep of de
WGA-uitkeringsgerechtigde niet
verzekeringsplichtige arbeid in de zin
van de Wet WIA
is gaan verrichten, wordt
de verlaging die aldus plaatsvindt in
factor A van de aangepaste grondslag
niet gecompenseerd met factor B. Dat is
ook niet goed mogelijk omdat inkomsten
uit dergelijke arbeid voor de
fiscaliteit veelal op jaarbasis worden
vastgesteld. Voorgesteld wordt derhalve
dat in deze gevallen voor de
vaststelling van de aangepaste grondslag
uitgegaan wordt van het bedrag aan
loondervingsuitkering dat zou zijn
genoten indien de WW- respectievelijk
WGA-uitkeringsgerechtigde geen arbeid
als zelfstandige was gaan verrichten.
Gezien
het feit dat de voorgestelde wijziging
gunstig is voor betrokkenen is het
wenselijk om het ongerechtvaardigde
verschil tussen personen die in
loondienst zijn gaan werken en zij die
als zelfstandigen aan de slag zijn
gegaan met terugwerkende kracht te
herstellen tot 1 december 2009. Op die
datum trad de Wet van 25 juni 2009 tot
invoering en wijziging van de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen
(Stb. 2009, 390) in werking, waarin onder meer
artikel 5, zesde lid, Ioaw
werd
ingevoerd.
Onderdeel
D
Voor
de toelichting op dit onderdeel wordt
verwezen naar de toelichting
op artikel
IX, onderdeel B.
Onderdeel
E
In
de Ioaw
komen twee artikelen
63c voor.
Zowel bij Wet van 25 juni 2009 tot
invoering en wijziging van de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen
(Stb. 2009, 390) als bij Wet van 17 december
2009 tot wijziging van de Wet werk en
bijstand, de Algemene Ouderdomswet en de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in verband met de
overheveling van de uitvoering van de
aanvullende bijstand voor personen van
65 jaar of ouder van de gemeenten naar
de SVB en het aanbrengen van enkele
andere aanpassingen in de Algemene
Ouderdomswet en tot wijziging van enkele
sociale verzekeringswetten in verband
met de gelijkstelling binnen de sociale
zekerheid van voormalige pleeg- en
stiefkinderen met eigen kinderen (Stb.
2009, 596) is een artikel
63c ingevoegd. Met
onderhavige wijziging wordt dit
hersteld.
rblz.|13|
Artikel
XI. Wijziging van de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen
Onderdeel
A
Voor
de toelichting op dit onderdeel wordt
verwezen naar het algemeen deel van deze
memorie van toelichting, paragraaf
2.
Onderdeel
B
In
de WW is de bevoegdheid opgenomen voor
het UWV om in bijzondere gevallen de
uitkering te mogen betalen over perioden
gelegen vóór 26 weken voorafgaande aan
de datum van aanvraag. De voorgestelde
wijziging van artikel
4, derde lid, van
de IOW voorziet in een vergelijkbare
afwijkingsbevoegdheid voor het UWV.
Onderdeel
C
Het
recht op IOW-uitkering ontstaat op de
dag na de dag waarop de geldende
uitkeringsduur op grond van de WW
dan
wel de loongerelateerde uitkering van de
WGA-uitkering is verstreken. De hoogte
van de IOW-uitkering wordt berekend aan
de hand van het totaalbedrag aan
uitkeringen (onderdeel a van factor A,
bedoeld in artikel
10, eerste lid, IOW)
en het laatst verdiende loon uit
dienstbetrekking (onderdeel b van factor
A, bedoeld in artikel
10, eerste lid, IOW) in de kalendermaand voorafgaande
aan de dag waarop de geldende
uitkeringsduur van de uitkering op grond
van de WW of van de WGA-uitkering is
verstreken. Aldus wordt bewerkstelligd
dat de verlaging die (het loon uit)
werkzaamheden in dienstbetrekking heeft
teweeggebracht in onderdeel a, wordt
gecompenseerd met onderdeel b.
Wanneer
de WW- of WGA-uitkeringsgerechtigde niet
verzekeringsplichtige arbeid is gaan
verrichten zoals arbeid in de
uitoefening van een bedrijf of in de
zelfstandige uitoefening van een beroep,
wordt de verlaging die aldus plaatsvindt
in onderdeel a van factor A echter niet
gecompenseerd met onderdeel b van die
factor. Dat is ook niet goed mogelijk,
omdat inkomsten uit dergelijke arbeid
voor de fiscaliteit veelal op jaarbasis
worden vastgesteld. Voorgesteld wordt
derhalve dat in deze gevallen voor de
vaststelling van factor A uitgegaan
wordt van het bedrag aan
loondervingsuitkering dat zou zijn
genoten indien de WW- respectievelijk
WGA-uitkeringsgerechtigde geen arbeid
als zelfstandige was gaan verrichten.
Gezien
het feit dat de voorgestelde wijziging
gunstig is voor betrokkenen is het
wenselijk om het ongerechtvaardigde
verschil tussen personen die in
loondienst zijn gaan werken en zij die
bijvoorbeeld als zelfstandigen aan de
slag zijn gegaan met terugwerkende
kracht te herstellen tot 1 december 2009
(de datum van inwerkingtreding van de IOW).
Onderdeel
D
Artikel
16, eerste lid, van de IOW biedt de
mogelijkheid vrijstelling te verlenen
van de verplichtingen, genoemd in de
artikelen 14 en 15
IOW. Aangezien het in
de rede ligt om ook vrijstelling te
kunnen verlenen van de verplichting,
bedoeld in artikel
12, tweede lid,
onderdeel c, IOW, overeenkomstig
artikel 26, derde lid,
WW voorziet dit
wetsvoorstel hierin.
rblz.|14|
Onderdeel
E
Voor
de toelichting op dit onderdeel wordt
verwezen naar het algemeen deel van deze
memorie van toelichting, paragraaf
2.
Artikel
XII. Wijziging van de Wet investeren in
jongeren
Onderdeel
A
Voor
de toelichting op dit onderdeel wordt
verwezen naar het algemeen deel van deze
memorie van toelichting, paragraaf
2.
Onderdeel
B
In
het eerste tot en met het derde lid van
artikel 56a (nieuw) van de WIJ
wordt geregeld dat
indien een college de kosten van de
inkomensvoorziening terugvordert en de
belanghebbende bijstand, een
inkomensvoorziening of een uitkering van
het college van een andere gemeente
of
een uitkering of inkomensondersteuning
van het UWV
of van de SVB
ontvangt, het
college van die andere gemeente, het UWV
of de SVB zonder machtiging van de
belanghebbende uit die bijstand,
inkomensvoorziening, uitkering of
inkomensondersteuning het bedrag dat
wordt teruggevorderd, mag betalen aan het
college dat terugvordert. Dit artikel
komt overeen met het eerste tot en met
derde lid van het voorgestelde artikel
60a van de Wwb
(zie
artikel XX, onderdeel D).
Artikel
XIII. Wijziging van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
Onderdeel
A
Artikel 42, vierde lid,
WAO bevat een
bijzondere
regeling voor de herziening van de
uitkering als de mate van
arbeidsongeschiktheid van iemand is
gewijzigd als gevolg van de voltooiing
van een scholing of opleiding. In dat
geval wordt de uitkering niet eerder
herzien dan één jaar na voltooiing van
die scholing of opleiding. Op deze
manier wordt voorkomen dat de uitkering
van betrokkene direct na die scholing of
opleiding moet worden verlaagd omdat hij
nieuwe bekwaamheden heeft verworven. Hij
heeft zodoende één jaar de tijd om
passende arbeid te vinden met behoud van
zijn uitkering. Als hij in dat jaar een
baan vindt, bepaalt de tweede zin van
het huidige vierde lid van artikel 42
WAO dat de anticumulatieregeling van
artikel 44, eerste lid, WAO tot
uiterlijk het einde van dat jaar van
overeenkomstige toepassing is. Daarmee
werd beoogd dat de uitkering niet alsnog
zou worden verlaagd direct na
aanvaarding van een baan binnen één
jaar na de scholing of opleiding. Met
ingang van 1 januari 2009 is in artikel
44, eerste lid, WAO
echter bepaald dat
na het aanvaarden van arbeid, ongeacht
de aard van die arbeid, gedurende vijf
jaar het inkomen uit die arbeid wordt
verrekend met de uitkering. Dit voorkomt
dat de uitkering in verband met het
aanvaarden van die arbeid direct moet
worden herzien. De tweede zin van
artikel 42, vierde lid, WAO
kan daarom
vervallen.
Onderdeel
B
Voor
de toelichting op dit onderdeel wordt
verwezen naar het algemeen deel van deze
memorie van toelichting, paragraaf
3.
rblz.|15|
Artikel
XIV. Wijziging van de Wet participatiebudget
Onderdelen
A en B
Voor
de algemene toelichting op dit onderdeel
wordt verwezen naar het algemeen deel
van deze toelichting, paragraaf
5.
In
artikel 5, eerste lid, van de Wpb is de
verplichte gegevensverstrekking door gemeenten aan
Onze Ministers geregeld.
Deze verplichting betreft onder andere
statistische gegevens over de inzet van
participatievoorzieningen in de vorm van
re-integratievoorzieningen,
inburgeringsvoorzieningen en
volwasseneneducatie, die met het
participatiebudget worden bekostigd. Op
grond van artikel 2, vijfde lid, van de Wpb
zijn in artikel 13 van het Besluit
participatiebudget regels gesteld voor
de betaling van het participatiebudget
en de opschorting van de betaling bij
het niet tijdig verstrekken van
verantwoordingsinformatie. Ook bevat dit
artikel 13 een dergelijke mogelijkheid
van opschorting van de betaling bij het
niet (tijdig) verstrekken van het beeld
van de uitvoering (geregeld in artikel
5, vierde lid, van de Wpb). Op grond van
de Wwb zijn in de
Regeling
Wwb en WIJ (artikel
4) soortgelijke regels gesteld
voor het opschorten van de betaling in
verband met het niet tijdig indienen van
het beeld van de uitvoering. Het is
wenselijk dit algemene instrument niet
alleen toe te passen indien de gemeente
niet tijdig aan haar
informatieverplichting voldoet, maar het
ook, analoog aan artikel 17b van de
Financiële-verhoudingswet
en artikel
186 van de Gemeentewet, expliciet van
toepassing te verklaren indien de wel
tijdig verstrekte informatie van
onvoldoende kwaliteit is. Het
voorgestelde derde lid van artikel 5 van
de Wpb
biedt de mogelijkheid om dit in
het verlengde van de regeling in artikel
13 van het Besluit
participatiebudget nader te regelen bij ministeriële
regeling, evenals dit ook geregeld is - voor het beeld van de uitvoering
- in de Regeling
Wwb en WIJ.
Uitgangspunt
is dat het bestuur van de
gemeenschappelijke regeling in de plaats
treedt van het college van burgemeester
en wethouders voor de uitvoering van de Wpb
(artikel 6). Daarop worden
uitzonderingen gemaakt ten aanzien van
de bepalingen over de budgetvaststelling
en de verantwoording van de besteding.
Zoals reeds is toegelicht in paragraaf 5
van het algemeen deel van de memorie van
toelichting, blijven de uitkeringen
(budgetten) op grond van deze wet [lees:
die
wet, red.] toegekend en betaald worden aan de
deelnemende gemeenten. De colleges van
burgemeester en wethouders van die
gemeenten blijven dan ook
verantwoordelijk voor de (tijdige)
verantwoording.
In
artikel 6 van de Wpb
wordt in het nieuwe
onderdeel a bepaald, dat als
uitzondering daar weer op ook gebruik
kan worden gemaakt van de informatie die
de besturen van de gemeenschappelijke
regelingen via de sisa-systematiek
(zoals in artikel 34a van de Wgr met de
verwijzing naar artikel 17a van de
Financiële-verhoudingswet
is bepaald)
aan de deelnemende gemeenten
verantwoorden. Het gaat dan om het
gebruik van deze sisa-informatie bij de
bepaling van de hoogte van het budget en
de verdeling over de verschillende
onderdelen van het participatiebudget op
grond van artikel 2 van Wpb. In artikel
5, tweede lid, Wpb
is bepaald dat de
informatie voor het vaststellen van de
verdeelsleutels via de sisa-systematiek
dient te worden verstrekt. Vandaar dat
ook naar dat artikellid wordt verwezen.
Hoe dit in aanmerking wordt genomen, zal
in de op artikel 2, vierde en zesde lid,
Wpb
gebaseerde algemene maatregel van
bestuur (het Besluit
participatiebudget)
worden bepaald.
rblz.|16|
In
artikel 4 van de Wpb
is geregeld dat de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid het budget op nihil
vaststelt en reeds betaalde gelden
volledig terugvordert indien een gemeente
haar verantwoordinginformatie
in het kader van sisa niet binnen een
gestelde termijn heeft ingediend. Alleen
wanneer dat leidt tot een onbillijkheid
van overwegende aard, wordt de
terugvordering op een lager bedrag
vastgesteld. Aangezien in dit artikel
wordt gesproken over de ontvangst van de
sisa-verantwoordingsinformatie door de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, is duidelijk dat
het gaat om de informatie van
medeoverheden die door colleges van de
deelnemende gemeenten dient te worden
aangeleverd. Die colleges blijven immers
naar het Rijk toe verantwoordelijk voor
het verstrekken van de
verantwoordingsinformatie. Het kan
echter voorkomen dat de colleges van de
deelnemende gemeenten, als gevolg van de
door sisa tussen medeoverheden
optredende verantwoordingsvertraging aan
het Rijk, niet in staat zijn deze
informatie tijdig bij de jaarrekening en
met de accountantsverklaring door te
geven. Dit heeft tot gevolg dat zonder
nadere aanpassing van genoemd artikel
het budget van de gemeente over het
desbetreffende verantwoordingsjaar op
nihil wordt gesteld en dat het te veel
betaalde wordt teruggevorderd. Dit
gevolg moet (eventueel) een jaar later
plaatsvinden, omdat een gemeente, in de
situatie van sisa tussen medeoverheden,
pas een jaar later een volledige
verantwoording kan afleggen over de
besteding van het Wpb-budget. Om te
voorkomen dat de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid al tot
nihilstelling moet besluiten vóórdat
de gemeente zich feitelijk heeft kunnen
verantwoorden, is de termijn voor
nihilstelling met het voorgestelde
artikel (artikel 6, onderdeel b, Wpb)
met twaalf maanden verlengd ingeval
sprake is van uitvoering door het
openbaar bestuur van een
gemeenschappelijke regeling.
Artikel
XV. Wijziging van de Wet privatisering
FVP
Het
bestuur van Stichting Fonds Voorheffing
Pensioenverzekering (FVP) heeft 13
oktober 2009 besloten de
FVP-bijdrageregeling niet te verlengen
per 1 januari 2011.
De
Stichting FVP (bestuurd door sociale
partners op centraal niveau) is in 1975
gestart met gelden die vrijvielen uit de
bevriezingen van de kinderbijslag. Op
grond van de FVP-regeling kunnen
werkloze werknemers van 40 jaar of ouder
een bijdrage ontvangen voor de
voortzetting van hun pensioenopbouw
gedurende de periode van werkloosheid.
In 1998 is de Stichting FVP
geprivatiseerd en sindsdien is er geen
overheidsbemoeienis meer. Het besluit de
regeling niet te verlengen, betekent dat
de instroom in de FVP-bijdrageregeling
per 1 januari 2011 eindigt. Werknemers
die op of na 1 januari 2011 werkloos
worden, kunnen derhalve geen gebruik meer
maken van de regeling. Alle
FVP-gerechtigden die 1 augustus 2013 nog
niet de WW zijn uitgestroomd, worden
administratief afgedaan en uitbetaald op
basis van een maximale WW-duur (affinanciering).
Het vermogen dat (eventueel) resteert na
de uitbetaling van alle FVP-gerechtigden
wordt beschouwd als "restvermogen".
Gelet
op de doelomschrijving, beschreven in
het eerste lid van artikel 2 van de Wet
privatisering FVP, zijn de alternatieven
waaraan dit restvermogen kan worden
besteed beperkt. Stichting FVP kan
volgens het huidige artikel voorzien in
aanvullende pensioenvoorzieningen ten
behoeve van werknemers of hun nagelaten
betrekkingen en op verzoek van de
Sociaal-Economische Raad (SER) voorzien
in bijdragen ter financiering van
onderzoeken inzake aanvullende
pensioenen.
Het
eventuele "restvermogen" wenst het
bestuur van Stichting FVP breder te
besteden dan louter aan SER-onderzoek.
Het geld dat in het verleden aan
SER-onderzoek is besteed, is namelijk
bescheiden, in de rblz.|17|
orde van maximaal €|200 000,- per jaar. Het is op dit moment
niet duidelijk hoeveel het restvermogen
zal bedragen. Bij een restvermogen van €|10 miljoen
- hetgeen niet
ondenkbaar is - kunnen er zonder een
verruiming van de wettelijke
doelstelling van Stichting FVP, nog
jarenlang uitkeringen worden gedaan aan
de SER. Het bestuur wenst echter dat het
restvermogen binnen een afzienbare tijd
wordt besteed, zodat de werkzaamheden
van de Stichting en het bestuur kunnen
worden afgerond. Een verruiming van de
wettelijke doelstelling is daarom
opportuun. Een eventueel restvermogen
dient ten goede te komen aan
uiteenlopende pensioengerelateerde
onderzoeken en projecten. Onderhavig
wetsvoorstel voorziet in een dergelijke
verruiming.
Artikel
XVI. Wijziging van de Wet sociale
werkvoorziening [zie
art. XVI,
onderdeel A, van de
wet, red.]
Voor
de algemene toelichting op dit artikel
wordt verwezen naar het algemeen deel
van deze toelichting, paragraaf
5.
Uitgangspunt
is dat het bestuur van de
gemeenschappelijke regeling in de plaats
treedt van het college van burgemeester
en wethouders voor de uitvoering van de
Wsw (artikel
1, tweede lid). Daarop
worden uitzonderingen gemaakt ten
aanzien van de bepalingen over de
budgetvaststelling en de verantwoording
van de uitgaven. Zoals reeds is
toegelicht in paragraaf 5
van het algemeen deel van deze memorie van
toelichting, blijven de uitkeringen
(budgetten) op grond van deze wet [lees:
die wet, red.]
toegekend en betaald worden aan de
(deelnemende) gemeenten. De colleges van
burgemeester en wethouders van die
gemeenten blijven dan ook
verantwoordelijk voor de (tijdige)
verantwoording.
In
artikel 1, tweede lid, van de Wsw wordt
in het nieuwe onderdeel a
bepaald dat
als uitzondering daar weer op ook
gebruik kan worden gemaakt van de
informatie die de besturen van de
gemeenschappelijke regelingen via de
sisa-systematiek (zoals in artikel 34a
van de Wgr met de verwijzing naar artikel 17a van
de Financiële-verhoudingswet
is
bepaald) aan de deelnemende gemeenten
verantwoorden. Het gaat dan om het
gebruik van deze sisa-informatie bij de
bepaling van de hoogte van het budget op
grond van artikelen 8 en
9 van de Wsw.
Hoe dit in aanmerking wordt genomen, zal
in de op artikel 8 gebaseerde algemene
maatregel van bestuur worden bepaald.
In
artikel 9, vierde lid, van de Wsw is
geregeld dat de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid het budget op
nihil vaststelt en reeds betaalde gelden
volledig terugvordert indien een gemeente
haar verantwoordinginformatie
in het kader van sisa niet binnen een
gestelde termijn heeft ingediend. Alleen
wanneer dat leidt tot een onbillijkheid
van overwegende aard, wordt de
terugvordering op een lager bedrag
vastgesteld. Aangezien in dit artikel
wordt gesproken over de ontvangst van de
sisa-verantwoordingsinformatie door de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, is duidelijk dat
het gaat om de informatie van
medeoverheden die door colleges van de
deelnemende gemeenten dient te worden
aangeleverd. Die colleges blijven immers
naar het Rijk toe verantwoordelijk voor
het verstrekken van de
verantwoordingsinformatie. Het kan
echter voorkomen dat de colleges van de
deelnemende gemeenten, als gevolg van de
door sisa tussen medeoverheden
optredende verantwoordingsvertraging aan
het Rijk, niet in staat zijn deze
informatie tijdig bij de jaarrekening en
met de accountantsverklaring door te
geven. Dit heeft tot gevolg dat zonder
nadere aanpassing van genoemd artikel
het budget van de gemeente over het
desbetreffende verantwoordingsjaar op
nihil wordt gesteld en dat het te veel
betaalde wordt teruggevorderd. Dit
gevolg moet (eventueel) een jaar later
plaatsvinden, omdat een gemeente, in de
situatie van sisa tussen medeoverheden,
pas een jaar later een volledige
verantwoording kan afleggen over de rblz.|18|
relevante realisaties in het kader van
de Wsw. Om te voorkomen dat de
Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid al
tot nihilstelling moet besluiten
vóórdat de gemeente zich feitelijk
heeft kunnen verantwoorden, is de
termijn voor nihilstelling met het
voorgestelde artikel (artikel
1, tweede
lid, onderdeel b, Wsw) met twaalf
maanden verlengd.
Artikel
XVII. Wijziging van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Onderdeel
A
Met
de invoering van de Wet WIA
per 29
december 2005 is de
beslissingsautoriteit geïntroduceerd (artikel
32c van de Wet
SUWI). De
beslissingsautoriteit, die bestaat uit
één of meer door het UWV
benoemde
personen, geeft de primaire
beschikkingen af met betrekking tot
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor
volledig en duurzaam arbeidsongeschikten
op grond van de Wet WIA (IVA-uitkeringen
[IVA: (regeling) inkomensvoorziening
volledig arbeidsongeschikten, red.]).
Met de benoeming van deze
functionarissen als
beslissingsautoriteit is beoogd de
beslissingen van het UWV met betrekking
tot volledige en duurzame
arbeidsongeschiktheid met voldoende
waarborgen te omkleden en meer te
uniformeren. Deze waarborgen werden ten
tijde van de invoering van de Wet WIA
van belang geacht juist omdat de
beoordeling van de duurzaamheid van de
arbeidsongeschiktheid een nieuw element
was bij de claimbeoordeling.
Het
voorstel is om de beslissingsautoriteit
als aparte functionaris op te heffen en
artikel 32c van de Wet
SUWI te laten
vervallen. Uit onderzoeken van het UWV
naar de kwaliteitsborgende maatregelen
rond de uitvoering van IVA-beoordelingen
is gebleken dat de primaire
gevalsbehandeling van IVA-beoordelingen
door de verzekeringsarts en de
arbeidsdeskundige, zoals die is getoetst
door de beslissingsautoriteit, een
stabiel en beheerst proces is. De
beoordeling "volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt" verloopt kwalitatief
goed. De inhoudelijke kwaliteit van deze
beoordelingen is ten minste gelijk aan
die van andere door het UWV uitgevoerde
beoordelingen. Een aparte
beslissingsautoriteit, die zeker in het
begin zijn waarde heeft bewezen, is niet
meer nodig om te voldoen aan de
wenselijk geachte waarborg en
uniformering over de beslissing over
"volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt". Het UWV zal in
plaats daarvan overgaan op de één-op-ééntoetsing door de
staffunctionarissen van de divisie
Arbeidsgeschiktheid, ter vervanging van
de toetsing door de
beslissingsautoriteit. De
kwaliteitsborging wordt daarmee
gecontinueerd.
Onderdeel
B
Artikel 73a, eerste lid, van de
Wet SUWI strekt
ertoe om het mogelijk te maken dat
gegevens die met betrekking tot een
persoon in het kader van de uitoefening
van een wettelijke taak door het UWV
en
de SVB zijn
verkregen zo nodig verwerkt
kunnen worden voor het uitvoeren door
deze bestuursorganen van andere
wettelijke taken, dan wel van andere
werkzaamheden als bedoeld in artikel 5
Wet SUWI, ten aanzien van diezelfde
persoon.
In
de praktijk is gebleken dat de redactie
van artikel
73a, eerste lid, Wet
SUWI tot onduidelijkheid aanleiding kan
geven. Indien de in dit artikellid
vervatte term "in deze wet bedoelde
taken" opgevat wordt als zowel de
wettelijke taken als de andere taken/de
werkzaamheden die met de in artikel 5
Wet SUWI bedoelde goedkeuring van de
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid worden verricht, roept
dat de vraag op wat in het vervolg van
dit artikellid onder "andere
werkzaamheden" verstaan moet worden.
Ook bleek onduidelijkheid te bestaan
over het onderscheid tussen "andere
werkzaamheden als bedoeld in artikel 5"
en "andere werkzaamheden dan de
uitvoering van wettelijke taken".
Teneinde deze onduidelijkheid weg te
nemen, is het voorstel om het eerste lid
van het rblz.|19|
onderhavige artikel aan te
passen. Hierbij is tevens van de
gelegenheid gebruikgemaakt om in de
tweede volzin van dit artikel
duidelijker tot uitdrukking te brengen
dat bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur wordt bepaald welke gegevens
kunnen worden gebruikt voor de
uitvoering van andere werkzaamheden.
Gegevens die door UWV of SVB zijn
verkregen in het kader van de uitvoering
van de ene wettelijke taak kunnen door
UWV of SVB verwerkt worden ten behoeve
van de uitvoering van andere aan UWV of
SVB opgedragen werkzaamheden.
De
onderhavige wijziging beoogt geen
verandering te brengen in de inhoud en
strekking van artikel
73a, eerste lid, Wet
SUWI, maar uitsluitend een
onduidelijkheid weg te nemen. Als
zodanig heeft deze wijziging geen
gevolgen voor de administratieve lasten.
Dit laat onverlet dat het onderhavige
artikellid natuurlijk bedoeld is om de
burger te ontlasten, in die zin dat
gegevens die reeds aan het UWV of de SVB
verstrekt zijn in het kader van de
uitvoering van een bepaalde aan het UWV
of de SVB opgedragen taak, niet opnieuw
hoeft te worden verstrekt voor de
uitvoering van andere aan die
bestuursorganen opgedragen taken of
werkzaamheden.
Artikel
XVIII. Wijziging van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling
Onderdeel
A
Voor
de toelichting op dit artikel wordt
verwezen naar artikel IV, onderdeel A
[lees: de toelichting
op artikel IV, onderdeel A, red.].
Onderdeel
B
Voor
de toelichting op dit artikel wordt
verwezen naar artikel IV, onderdeel B
[lees: de toelichting
op artikel IV, onderdeel B, red.].
Onderdeel
C
In
artikel 81, vierde lid, van de Wvb
(en
artikel 70, vierde lid, van de Pensioenwet; zie artikel IV, onderdeel
C [lees: zie de toelichting
op artikel IV, onderdeel C, red.]) worden onjuiste verwijzingen
gerepareerd.
Onderdeel
D
Voor
de toelichting op dit artikel wordt
verwezen naar artikel IV, onderdeel D
[lees: de toelichting
op artikel IV, onderdeel D, red.].
Artikel
XIX. Wijziging van de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten
Onderdeel
A
Met
deze wijziging wordt beoogd het begrip
zelfstandige als bedoeld in artikel 2:23
Wet Wajong
niet meer te beperken tot
degenen die winst uit onderneming
genieten of zijn aan te merken als
directeur-grootaandeelhouder. In plaats
hiervan wordt voorgesteld een ruimere
definitie van zelfstandige te hanteren.
Het gaat daarbij om alle werkzaamheden
in eigen bedrijf of bij het uitoefenen
van een zelfstandig beroep die niet in
dienstbetrekking worden verricht.
Daarbij is wel als voorwaarde opgenomen
dat de werkzaamheden gericht zijn op het
verwerven van inkomen. Het doel van het
toekennen van voorzieningen is immers
re-integratie op de arbeidsmarkt. In de
nieuwe definitie is ook de
leeftijdsgrens van 65 jaar niet meer
opgenomen. Voor een verdere toelichting
wordt verwezen naar het algemeen deel
van deze memorie rblz.|20|
van toelichting,
paragraaf 4. Voor de Wet WIA
geldt dat
de definitie uit artikel 34a
eveneens
wordt aangepast (zie artikel XXII,
onderdeel B).
Onderdelen
B en C
Voor
de toelichting op deze onderdelen wordt
verwezen naar het algemeen deel van deze
memorie van toelichting, paragraaf
3.
Artikel
XX. Wijziging van de Wet werk en bijstand
Onderdeel
A
Voor
de toelichting op dit artikel wordt
verwezen naar het algemeen deel van deze
memorie van toelichting, paragraaf
2.
Onderdeel
B
In
artikel 78k Wwb
is overgangsrecht
opgenomen voor de situatie waarbij door
de gemeente vóór 1 januari 2010
bijstand in de vorm van een geldlening
of borgtocht is verleend en deze
bijstandverlening ná 1 januari 2010 op
grond van artikel
47a Wwb
aan de SVB is
overgedragen. In artikel
78k Wwb
wordt erin voorzien dat de rechten en
plichten die voortvloeien uit deze
geldlening of borgtocht in dat geval
overgaan op de SVB. Als aan de
geldlening een hypotheek is verbonden,
zou zonder artikel
78k Wwb
hiervan
opnieuw een akte dienen te worden
opgemaakt. Deze gang van zaken is
bewerkelijk en brengt voor de
bijstandsgerechtigde kosten met zich
mee. Doordat de SVB de rechten en
plichten die voortvloeien uit de eerdere
door de gemeente verstrekte geldlening
of borgtocht overneemt, kan dit worden
voorkomen. Abusievelijk is een
dergelijke regeling niet opgenomen voor
de situatie dat de gemeente met ingang
van een datum ná 1 januari 2010
bijstand in de vorm van een geldlening
of borgtocht gaat verstrekken en de SVB
vervolgens na het bereiken van de
leeftijd van 65 jaar aansluitend de
bijstandverlening voortzet. Het hierbij
voorgestelde artikel
47f Wwb
voorziet
daarin.
Titel
2, afdeling 1, van Boek
6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (die de gevolgen
van de overgang van een vordering
regelt) is van toepassing op de overgang
zoals beschreven in het eerste lid van
artikel 47f. In de desbetreffende
afdeling van het BW
(artikel 6:142,
eerste lid, BW) is bepaald dat bij
overgang van een vordering op een nieuwe
schuldeiser deze de daarbij behorende
nevenrechten verkrijgt. Voorbeelden van
deze nevenrechten zijn rechten van pand
en hypotheek en uit borgtocht,
voorrechten en de bevoegdheid om de ter
zake van de vordering en de nevenrechten
bestaande executoriale titels ten
uitvoer te leggen.
In
het tweede lid worden de gevolgen van
overgang naar de SVB nader
geëxpliciteerd. Artikel 6:143, vierde
lid, BW
regelt dat in geval van overgang
van een vordering ten behoeve waarvan
hypotheek is gevestigd de vorige
schuldeiser verplicht is desverlangd
ertoe mede te werken dat uit de openbare
registers van deze overgang blijkt. Deze
verplichting is vormgegeven in het derde
lid van het voorgestelde artikel door te
bepalen dat de minister
ervoor zorg
draagt dat hypotheken op naam van de SVB
wordt gesteld. Dit betreft een eventuele
krediethypotheek indien de
belanghebbende een eigen zelfbewoonde
woning in eigendom bezit en beroep doet
op bijstand.
Op
grond van het vierde lid is bij de
overgang van de vermogensbestanddelen
geen overdrachtsbelasting verschuldigd.
Indien
het bedrag van geldlening of borgtocht
of een deel daarvan kan worden
ingevorderd, gaat een deel van dit
bedrag naar de gemeente
die de bijstand
in de vorm van een geldlening of
borgtocht in eerste instantie heeft
verstrekt. Indien er sprake is van een
eigen zelfbewoonde woning in rblz.|21|
eigendom
zal terugbetaling in zijn algemeenheid
geschieden op het moment van verkoop van
die woning of bij overlijden van de
langstlevende echtgenoot. Bij borgtocht
kan de gemeente of SVB
als borg een
schuld van de bijstandsgerechtigde
hebben voldaan en dit bedrag van de bijstandsgerechtigde hebben kunnen
invorderen.
Als
de SVB niet het volledige bedrag van de
schuld van de bijstandgerechtigde kan
invorderen, betaalt de SVB aan de gemeente
een deel naar evenredigheid van
de hoogte van de vordering ten tijde van
de overname door SVB ten opzichte van de
hoogte van de eindschuld na die tijd aan
de SVB. Dit wordt bepaald in het vijfde
lid. Dit wordt voorgesteld omdat de
colleges de kosten voor de bijstand
hebben betaald uit de uitkering, bedoeld
in artikel
69, eerste lid, van de Wwb,
en
bij de overgang van de vordering naar de
SVB niet zijn gecompenseerd. Het is dan
redelijk dat bij de opbrengst uit
verkoop de colleges alsnog hun aandeel
krijgen terugbetaald.
Onderdeel
C
Aan
artikel 60, derde lid, van de Wwb
is de
mogelijkheid toegevoegd om de
terugvordering van algemene bijstand te
verrekenen met de inkomensvoorziening op
grond van de WIJ indien de
belanghebbende waarvan wordt
teruggevorderd een inkomensvoorziening
ontvangt. Er wordt niet langer verwezen
naar het Besluit
bijstandverlening zelfstandigen 2004
omdat algemene
bijstand in de zin van dat besluit
algemene bijstand op grond van de Wwb
is.
Onderdeel
D
In
het eerste tot en met het derde lid van
artikel 60a (nieuw) van de Wwb
wordt geregeld dat
indien een college de kosten van
bijstand terugvordert en de
belanghebbende bijstand,
inkomensvoorziening of een uitkering van
het college van een andere gemeente
of
een uitkering of inkomensondersteuning
van het UWV
of van de SVB
ontvangt, het
college van die andere gemeente, het UWV
of de SVB zonder machtiging van de
belanghebbende uit die bijstand,
inkomensvoorziening, uitkering of
inkomensondersteuning het bedrag dat
wordt teruggevorderd, mag betalen aan het
college dat terugvordert. Een dergelijke
bevoegdheid was al opgenomen in de
Algemene bijstandswet, maar was bij de
invoering van de Wwb
niet overgenomen in
de Wwb.
In
het vierde lid van artikel 60a
(nieuw)
wordt het eerste tot en met het derde
lid van overeenkomstige toepassing
verklaard voor de gevallen waarbij de
SVB de kosten van bijstand terugvordert.
Terugvordering door de SVB kan aan de
orde zijn indien de SVB algemene
bijstand heeft verleend in de vorm van
een aanvullende inkomensvoorziening
ouderen op grond van artikel
47a van de Wwb. In dat geval wordt in het eerste
tot en met het derde lid voor "het
college dat de kosten van bijstand
terugvordert" gelezen: de Sociale
verzekeringsbank. Voor de
overeenkomstige toepassing van het derde
lid betekent dit dat indien degene van
wie de SVB de kosten van bijstand
terugvordert een uitkering ontvangt op
grond van de AOW of de
Anw, de SVB
bevoegd is tot verrekening van de kosten
van bijstand met de uitkering op grond
van de AOW of de Anw.
Artikel
XXI. Wijziging van de Wet werk en inkomen
kunstenaars [zie
art. XXI,
onderdeel B, van de
wet, red.]
Voor
de toelichting op dit artikel wordt
verwezen naar het algemeen deel van de
memorie van deze toelichting, paragraaf
2.
rblz.|22|
Artikel
XXII. Wijziging van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen
Onderdeel
A
De
werkgever is verplicht om een zieke
werknemer te re-integreren. Als de
werkgever deze verplichting niet of
onvoldoende nakomt, dan verlengt het UWV
het tijdvak van de
loondoorbetalingsverplichting van de
werkgever met ten hoogste 52 weken (artikel
25, negende lid, Wet WIA). Dit
stelt de werkgever in staat om alsnog
aan zijn re-integratieverplichtingen te
voldoen. Nu kan het zich voordoen dat
een werkneemster bij aanvang van of
tijdens dat verlengde
loondoorbetalingstijdvak recht heeft of
krijgt op verlof op grond van artikel
3:1 van de Wet arbeid en zorg
(Wazo).
Dit verkort de periode voor de werkgever
om aan zijn re-integratieverplichtingen
te voldoen. Daarom wordt voorgesteld dat
het verlengde loondoorbetalingstijdvak
wordt onderbroken met de periode
waarover een werkneemster recht heeft op
voornoemd verlof.
Onderdelen
B en E
Met
deze wijziging wordt beoogd het begrip
zelfstandige als bedoeld in artikel
34a Wet WIA
niet meer te beperken tot
degenen die winst uit onderneming
genieten of zijn aan te merken als
directeur-grootaandeelhouder. In plaats
hiervan wordt voorgesteld een ruimere
definitie van zelfstandige te hanteren.
Het gaat daarbij om alle werkzaamheden
in eigen bedrijf of bij het uitoefenen
van een zelfstandig beroep die niet in
dienstbetrekking worden verricht.
Daarbij is wel als voorwaarde opgenomen
dat de werkzaamheden gericht zijn op het
verwerven van inkomen. Het doel van het
toekennen van voorzieningen is immers
re-integratie op de arbeidsmarkt. In de
nieuwe definitie is ook de
leeftijdsgrens van 65 jaar niet meer
opgenomen.
Omdat
de definitie van zelfstandige in de Wet WIA, zoals die is opgenomen in
artikel 1, ook voor andere bepalingen uit
die
wet relevant is, wordt voorgesteld in
artikel 34a een afwijkende definitie van
zelfstandige op te nemen.
Voor
een verdere toelichting wordt verwezen
naar het algemeen deel van deze memorie
van toelichting, paragraaf
4. Voor de Wet
Wajong geldt dat de definitie uit
artikel 1:1, eerste lid, onderdeel q,
eveneens wordt aangepast (zie artikel
XIX, onderdeel A). Onderdeel E regelt
dat ook in artikel 133e
wordt verwezen
naar de gewijzigde definitie van
zelfstandige.
Onderdeel
C, onder 1
Dit
onderdeel betreft een redactionele
correctie.
Onderdeel
C, onder 2
Voor
de toelichting op dit onderdeel wordt
verwezen naar het algemeen deel van deze
memorie van toelichting, paragraaf
3.
Onderdeel
D
In
artikel 84, zevende lid, Wet WIA
is
geregeld dat het UWV
bij beëindiging
van het eigenrisicodragerschap kosten
voor re-integratie kan verhalen op de
werkgever. Deze situatie is niet aan de
orde als de werkgever ophoudt
eigenrisicodrager te zijn als bedoeld
in de eerste zin van het tweede lid. De
werkgever blijft dan immers op grond van
artikel 84, tweede lid, Wet WIA
verantwoordelijk voor de betaling van de
ingegane uitkeringen en daarom blijft de
werkgever op grond van artikel 42 van de
Wet WIA ook verantwoordelijk voor de
re-integratie van de werknemers waarvan
hij het rblz.|23|
risico nog draagt. De
kredietinstelling of verzekeraar die
garant staat voor de werkgever draagt zo
nodig de kosten van de verplichtingen
die hieruit voortvloeien.
Als
de werkgever in staat van faillissement
is verklaard, de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen op hem van
toepassing is of wanneer hij ophoudt
werkgever te zijn, betaalt het UWV de
uitkering en verhaalt het deze uitkering
op de kredietinstelling of verzekeraar
die garant staat voor de werkgever. Deze
situatie is geregeld in de tweede zin
van het tweede lid van artikel 84
Wet WIA. In deze situatie is het UWV
verantwoordelijk voor de re-integratie
en verhaalt het UWV de kosten daarvan de
op de werkgever. Deze verplichting van
de werkgever tot het betalen van de
kosten van re-integratie valt ook onder
de garantie van de kredietinstelling of
verzekeraar; deze heeft immers
betrekking op alle verplichtingen van de
werkgever die voortvloeien uit het zelf
dragen van het risico zo blijkt uit
artikel 40, tweede lid, Wfsv.
Voorgesteld
wordt hetgeen hierboven is beschreven te
verduidelijken door in het zevende lid
van artikel 84
Wet WIA expliciet te
verwijzen naar de situatie, bedoeld in
de tweede volzin van het tweede lid, en
aan te geven dat de kosten voor
re-integratie ook verhaald kunnen worden
op de kredietinstelling of verzekeraar.
Beoogd
wordt om deze wijziging in werking te
laten treden met ingang van 1 januari
2012 om werkgevers en garantstellers de
gelegenheid te bieden de garantie aan te
passen aan de aangepaste voorwaarde.
Artikel
XXIII. Wijziging van de Ziektewet
[zie
art. XXIII,
onderdeel D, van de
wet, red.]
Met
de Tijdelijke
wet compensatieregeling loonkosten bij
ziekte van oudere en voormalig langdurig
werklozen is de
laatste zin van het tweede lid van
artikel 38b ZW vervallen en zijn aan dat
artikel een derde en vierde lid
toegevoegd. Bedoeld was echter om het in
de Aanpassings-
en verzamelwet Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen toegevoegde derde lid te laten
vervallen. Dat lid luidt: "Artikel
38a, derde lid, is van overeenkomstige
toepassing op de melding, bedoeld in het
tweede lid". Door deze laatste foutieve
wijziging heeft artikel
38b ZW nu echter
twee derde leden gekregen. Met dit
wijzigingsvoorstel wordt dat
gerepareerd.
Het
is wenselijk dat de reparatie van deze
foutieve wijzigingen terugwerkt tot en
met het moment waarop de foutieve
wijziging in werking trad, namelijk 8
juli 2009. Het weer toevoegen van de
laatste zin van het tweede lid maakt het
namelijk voor het UWV
weer mogelijk om,
indien het de werkgever redelijkerwijs
niet eerder duidelijk was dat zijn
werknemer aanspraak op ziekengeld kon
maken, de toekenning van het ziekengeld
met terugwerkende kracht te laten
plaatsvinden.
Artikel
XXIV. Inwerkingtreding
Het
voornemen is om in ieder geval de voor
werkgevers gunstige reparatie van de ZW
te laten terugwerken tot en met 8 juli
2009 (zie tevens de toelichting op
artikel XXIII). Dat geldt ook voor de
wijzigingen in de IOW en de
Ioaw ten
gunste van mensen die als zelfstandige
aan de slag zijn gegaan (zie tevens de
toelichting op artikel XI, onderdeel C,
en artikel X, onderdeel
C) en
introductie van een voor betrokkenen
gunstige afwijkingsbevoegdheid voor het UWV
(zie artikel XI, onderdeel
B).
Voorgesteld wordt om deze bepalingen
terug te laten werken tot en met het
moment dat de IOW in werking trad (1
december 2009). Tevens bestaat het
voornemen de wijzigingen van de AKW
terug te laten werken tot en met 1
januari 2010. Dit is de datum dat de Wet
van 4 februari 2010 tot wijziging van de
Algemene Kinderbijslagwet en de Algemene
nabestaandenwet in verband met
aanpassing aan de invoering van een
kwalificatieplicht in de Leerplichtwet
1969 en het aanbrengen van een aantal
vereenvoudigingen in de Algemene
Kinderbijslagwet alsmede enkele andere aanpassingen aan
die wet (Stb. 2010, 74)
rblz.|24| in
werking trad voor wat betreft de
wijzigingen van de AKW. Om zeker te
stellen dat het onbedoelde effect van
deze wijziging niet optreedt, dienen de
bepalingen in onderhavig wetsvoorstel
die betrekking hebben op de AKW terug te
werken tot en met 1 januari 2010 (zie
tevens paragraaf 2 van het
algemeen deel
van deze memorie van toelichting). Het
betreft de artikelen I, onderdeel
A,
III, onderdeel A, V, onderdeel
A, IX,
onderdeel A, X, onderdeel
B, XI, onderdeel A en E,
XII onderdeel A, XX,
onderdeel A, en XXI [zie
art. XXI, onderdeel B, van de
wet, red.]. De wijzigingen van
de Anw op grond van
bovenstaande wet
traden in werking met ingang van 1 april
2010. Daarom wordt voorgesteld om de
wijzigingen van artikel 26 van de
Anw
(zie tevens de toelichting op artikel
II, onderdeel A) in onderhavig
wetsvoorstel, die een onbedoeld effect
tenietdoen en een omissie herstellen,
eveneens terug te laten werken tot en
met 1 april 2010.
Voor
de overige onderdelen geldt dat, voor
zover er geen sprake is van
reparatiewetgeving, de vaste
verandermomenten leidend zullen zijn
voor het bepalen van de data van
inwerkingtreding.
De
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
J.P.H.
Donner
|