|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2009-2010, 32 435
Wijziging
van een aantal wetten van het ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid teneinde wetstechnische
gebreken te herstellen en een aantal verduidelijkingen aan te brengen (Reparatiewet
SZW 2011)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
Algemeen
Dit
wetsvoorstel wijzigt een aantal wetten
op het terrein van het ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dit
wetsvoorstel bevat voorstellen die
dienen ter verduidelijking of technische
verbetering van bestaande wettelijke
bepalingen. Het doel van dit
wetsvoorstel is het verbeteren van de
kwaliteit van de departementale
wetgeving.
Met
ingang van 1 januari 2010 is
bijvoorbeeld de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten
(Wet Wajong) ingrijpend gewijzigd. De
wet kent nieuwe terminologie, de
citeertitel is gewijzigd en de wet is
vernummerd. Diverse verwijzingen naar de
Wet Wajong waren hier nog niet op
aangepast. Dit voorstel strekt er onder
meer toe dit alsnog te doen.
De
voorgestelde wijzigingen hebben geen
gevolgen voor de administratieve lasten.
In het artikelsgewijze deel wordt nader
ingegaan op de verschillende
wijzigingsvoorstellen.
Dit
wetsvoorstel is door de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de
toetsende instanties voorgelegd. Het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) en de
Sociale verzekeringsbank (SVB) hebben
advies uitgebracht, evenals het
Uitvoeringspanel [lees: Uitvoeringspanel
gemeenten, red.]. Zowel de SVB als het
UWV hebben aangegeven dat het
wetsvoorstel uitvoerbaar is en niet tot
extra uit- en invoeringskosten leidt. In
aanvulling op het wetsvoorstel dragen
het Uitvoeringspanel en het UWV nog
enkele andere punten aan die voor
verbetering in aanmerking komen. Deze
zullen voor het merendeel worden
opgenomen in een ander wetsvoorstel mede
omdat ze deels niet louter technisch van
aard zijn.
rblz.|2|
Artikelsgewijs
Artikel
I. Wijziging van de Algemene
nabestaandenwet
Onderdeel A
Ter verduidelijking ten aanzien van het
aantal maanden waarover
vakantie-uitkering dient te worden
betaald indien het recht op uitkering op
grond van de Algemene nabestaandenwet
eerder eindigt dan in mei, komt in de
zinsnede ervoor het getal twaalf te
vervallen.
Onderdeel
B
In
dit artikel wordt een foutieve
verwijzing gecorrigeerd.
Artikel
II. Wijziging van de Algemene
Ouderdomswet
De
verwijzing in het tweede lid van artikel
51 van de Algemene Ouderdomswet naar het
vierde lid wordt geschrapt, omdat het
vierde lid vervallen is.
Artikel
III. Wijziging van de Beroepswet
Onderdeel
A
Met
betrekking tot de meeste
socialezekerheidswetgeving dient hoger
beroep tegen een uitspraak van de
rechtbank te worden ingesteld bij de
Centrale Raad van Beroep (CRvB). Uit
bijlage C bij de Beroepswet blijkt voor
welke wetten dit geldt. In de
Wet van 25
juni 2009 tot invoering en wijziging van
de Wet inkomensvoorziening oudere
werklozen (Stb. 2009, 390) is abusievelijk de
Wet inkomensvoorziening oudere werklozen
(IOW) niet toegevoegd aan voornoemde
bijlage. Omdat het echter wel de
bedoeling is dat hoger beroep tegen een
besluit op grond van de IOW ook door de
CRvB wordt behandeld, dient de IOW
opgenomen te worden in bijlage
C.
Onderdeel
B
Omdat
in de Regeling
tegemoetkoming ouders van thuiswonende
gehandicapte kinderen de
zinsnede "een tegemoetkoming in de
onderhoudskosten van dat kind" is
vervangen door "een tegemoetkoming ten
behoeve van dat kind", wordt in deze
bijlage een wijziging met dezelfde
strekking aangebracht.
Artikel
IV. Wijziging van de Tijdelijke wet
beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria
Ter
verduidelijking ten aanzien van het
aantal maanden waarover vakantiebijslag
dient te worden betaald indien het recht
op uitkering op grond van de Tijdelijke
wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria eerder
eindigt dan in mei, komt in de zinsnede
ervoor het getal twaalf te vervallen.
Artikel
V. Wijziging van de Toeslagenwet
Onderdelen
A en B
Dit
betreft een wetstechnische aanpassing in
verband met het vervallen van de
artikelen 28 en 29 van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
(Wet SUWI) per 1 januari 2009 rblz.|3|
(Wet van
29 december 2008 tot wijziging van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen en enkele andere wetten
in verband met de evaluatie van deze
wet, de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen en
deregulering (Stb. 2008, 600)) en de latere
inwerkingtreding van
de Aanpassingswet
vierde tranche Awb. De
in de eerste wet opgenomen aanpassing
van artikel 14 en
14a
van de
Toeslagenwet is in de genoemde
aanpassingswet niet of onjuist (artikel
14a) verwerkt. Met deze onderdelen wordt
de verwijzing in artikel 14 en
14a
van
de Toeslagenwet (TW) aangepast aan de
wijziging van de Wet SUWI (zie tevens de
toelichting op artikel VI, onderdeel C
en D).
Onderdeel
C
Ter
verduidelijking ten aanzien van het
aantal maanden waarover
vakantie-uitkering dient te worden
betaald indien het recht daarop eerder
eindigt dan in mei, komt het getal
twaalf in artikel
19, eerste lid, van de
TW
te
vervallen.
Onderdeel
D
In
artikel 23, tweede lid, van de
TW
werd
abusievelijk verwezen naar artikel
29,
negende lid, van de Ziektewet (ZW) in
plaats van naar het vierde lid.
Onderdelen
E en F
Artikel
4:15 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) kent sinds 1 oktober 2009 een
regeling over de opschorting van de
termijn voor het geven van een
beschikking indien noodzakelijke
informatie aan een buitenlandse
instantie is gevraagd. Artikel
36, derde
lid, en artikel
37, vierde lid, van de
TW zijn daardoor overbodig.
Artikel
VI. Wijziging van de Werkloosheidswet
Onderdeel
A
Dit
onderdeel betreft herstel van een
onjuiste schrijfwijze van de citeertitel
van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen (Wet WIA).
Onderdeel
B
De
verwijzing naar de Wet Wajong wordt
aangepast aan de nieuwe terminologie en
aan de nieuwe citeertitel van de Wet
Wajong.
Onderdelen
C en D
De
artikelen 28 en 29
van de Wet SUWI
zijn
met ingang van 1 januari 2009 vervallen
(Wet van 29
december 2008 tot wijziging van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen en enkele andere wetten in
verband met de evaluatie van deze wet,
de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen
en deregulering (Stb. 2008,
600)). Daarnaast is
met ingang van die datum het Centrum
voor werk en inkomen (CWI) [lees: de
Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.]
opgegaan in
het UWV. Artikelen 27 en
27a
van de
Werkloosheidswet (WW) zijn naar
aanleiding daarvan in de
laatstgenoemde
wet aangepast (artikel VI,
onderdeel D
en E).
Met
ingang van 1 juli 2009 is de Aanpassingswet
vierde tranche Awb echter
in werking getreden. In artikel 11 van
hoofdstuk 10 van die
wet zijn de
artikelen 27 en 27a
van de WW opgenomen zonder
rekening te houden met voornoemde
wijziging van de Wet
SUWI, terwijl in
artikel 29 van dat hoofdstuk alleen
artikel 27a, tweede lid, van de
WW wordt
aangepast aan de wijziging van de Wet
SUWI met ingang van 1 januari 2009.
rblz.|4|
De
voorgestelde onderdelen C en
D bevatten
de aanpassingen van artikel
27, derde en
zevende lid, en artikel
27a, eerste lid,
van de WW aan de wijziging van de
Wet SUWI.
Onderdeel
E
Ter
verduidelijking ten aanzien van het
aantal maanden waarover vakantiebijslag
dient te worden betaald indien het recht
op uitkering op grond van de WW
eerder
eindigt dan in mei, komt in de zinsnede
ervoor het getal twaalf te vervallen.
Onderdeel
F
In
de Verzamelwet
SZW-wetgeving 2009 is
artikel 62, vierde lid, van de WW
gewijzigd ter implementatie van
Richtlijn 2008/94/EG (PB L 283/36 [lees:
PbEU L 283/36, red]). Deze
richtlijn gaat over bescherming van
werknemers bij insolventie van de
werkgever en heeft betrekking op zowel
de lidstaten van de Europese Unie (EU)
als landen die zijn aangesloten bij de
Europese Economische Ruimte (EER).
Wanneer
iemand buiten Nederland woont en zowel
in Nederland als in het woonland
werkzaam is, kan zich de situatie
voordoen dat deze persoon bij
betalingsonmacht van de werkgever in
geen van beide lidstaten recht heeft op
een insolventie-uitkering. Artikel
62,
vierde lid, van de WW
regelt - als
uitwerking van de genoemde richtlijn - dat iemand in die situatie toch
aanspraak kan maken op een
insolventie-uitkering in Nederland. Per
abuis worden in dit vierde lid echter
enkel de lidstaten van de EU genoemd:
"mits er geen recht op een uitkering
bestaat in een andere lidstaat van de
Europese Unie". Hieraan moet worden
toegevoegd dat dit ook geldt voor het
recht op uitkering in EER-staten.
Onderdelen
H en I
Artikel
4:15 van de Awb
kent sinds 1 oktober 2009 een regeling
over de opschorting van de termijn voor
het geven van een beschikking indien
noodzakelijke informatie aan een
buitenlandse instantie is gevraagd.
Artikel 127, vierde lid, en artikel
127a,
vijfde lid, van de WW
zijn daardoor
overbodig.
Artikel
VII. Wijziging van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen
Ter
verduidelijking ten aanzien van het
aantal maanden waarover
vakantie-uitkering dient te worden
betaald indien het recht op uitkering op
grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen eerder eindigt dan in mei,
komt in de zinsnede ervoor het getal
twaalf te vervallen.
Artikel
VIII. Wijzing van de Wet financiering
sociale verzekeringen
Onderdeel
A
Verzuimd
was om in de opsomming van
uitkeringswetten in artikel
51, derde
lid, van de Wet financiering sociale
verzekeringen [Wfsv, red.] de IOW te vermelden. Deze
omissie wordt hierbij hersteld.
Onderdeel
B
De
overheidswerkgever is eigenrisicodrager
voor de WW-uitkering van de ex-werknemer
en draagt in dit verband op grond van
artikel 72a WW
eveneens de
verantwoordelijkheid voor de
re-integratie. In het zeldzame geval dat
een overheidswerkgever failliet gaat, is
deze vanzelfsprekend rblz.|5|
niet meer in staat
zijn re-integratieverantwoordelijkheid
waar te maken. Het UWV
neemt in dit
geval naast de uitkeringsverstrekking
ook de re-integratie ter hand op grond
van de algemene re-integratietaak,
bedoeld in artikel
30a Wet
SUWI.
In
artikel 108, tweede lid, van de Wfsv was alleen
de situatie geregeld dat de
re-integratiekosten van het UWV
ten
behoeve van WGA-gerechtigde [WGA:
werkhervattingsuitkering gedeeltelijk
arbeidsgeschikten als bedoeld in hoofdstuk
7 van de Wet
WIA, red.] (ex-)overheidswerknemers bij toepassing
van artikel
30a van de Wet
SUWI ten laste van
het Uitvoeringsfonds voor de overheid
(Ufo) komen. Dit artikel biedt echter
geen grondslag om de re-integratiekosten
van de ex-overheidswerknemers die een WW-uitkering ontvangen in het geval van
faillissement ten laste van het Ufo te
brengen. Het voorgestelde onderdeel a
van het tweede lid van artikel 108 geeft
een wettelijke grondslag voor de
financiering van de re-integratiekosten
ten behoeve van de ex-overheidswerknemer
met een WW-uitkering waarvan de
ex-overheidswerkgever failliet is
verklaard. Hiermee wordt een adequate en
snelle invulling en afhandeling van de
re-integratietaak van het UWV bevorderd.
Gezien
de aard van het eigenrisicodragerschap
WW ligt het voor de hand dat de
re-integratiekosten evenals de
uitkeringslasten blijvend ten laste
komen van het Ufo, te meer omdat reële
alternatieven voor kostendekking
ontbreken. De wijziging in de wetgeving
volgt de praktijk zoals het UWV die al
voert in geval van een failliete
overheidswerkgever.
Artikel
IX. Wijziging van de Wet
inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen
Onderdeel
A
Ter
verduidelijking ten aanzien van het
aantal maanden waarover
vakantie-uitkering dient te worden
betaald indien het recht op uitkering op
grond van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
(Ioaz) eerder eindigt dan in mei, komt
in de zinsnede ervoor het getal twaalf te
vervallen.
Onderdeel
B
De
verkeerde verwijzing in artikel 28 naar
de Ioaz terwijl het gaat om een
uitkering in het kader van de Wet
inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers (Ioaw), wordt in dit
onderdeel gecorrigeerd.
De
invoeging van de IOW
in artikel
28,
derde lid, betreft een wetstechnische
aanpassing die verband houdt met de
inwerkingtreding van de IOW per 1
december 2009.
De
vervanging van de "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten" door de
"Wet werk
en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten" houdt verband met
aanpassing van de citeertitel van die
wet met ingang van 1 januari 2010.
Artikel
X. Wijziging van de Wet
inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers
Onderdeel
A
Ter
verduidelijking ten aanzien van het
aantal maanden waarover
vakantie-uitkering dient te worden
betaald indien het recht op uitkering op
grond van de Ioaw
eerder eindigt dan in
mei, komt in de zinsnede ervoor het
getal twaalf te vervallen.
rblz.|6|
Onderdeel
B
De
invoeging van de IOW
in artikel
28,
derde lid, betreft een wetstechnische
aanpassing die verband houdt met de
inwerkingtreding van de IOW per 1
december 2009.
De
vervanging van de "Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten" door de "Wet werk
en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten" houdt verband met
aanpassing van de citeertitel van die
wet met ingang van op 1 januari 2010.
Artikel
XI. Wijziging van de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen
Onderdelen
A, B,
C en
F
Deze
wijzigingen herstellen enkele onjuiste
verwijzingen binnen de IOW.
Onderdelen
D en G
De
voorgestelde aanpassingen dienen
onjuiste verwijzingen naar artikelen van
de Awb te herstellen.
Onderdeel
E
Ter
verduidelijking ten aanzien van het
aantal maanden waarover
vakantie-uitkering dient te worden
betaald indien het recht op uitkering op
grond van de IOW
eerder eindigt dan in
mei, komt in de zinsnede ervoor het
getal twaalf te vervallen.
Artikel
XII. Wijziging van de Wet investeren in
jongeren
De
Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking
van de Wet
verzelfstandiging Informatiseringsbank
en wijziging van
diverse wetten in verband met de
oprichting van de Dienst Uitvoering
Onderwijs (Stb. 2009, 492) is met ingang van 1
januari 2010 in werking getreden. Die
wet, die de oprichting van de Dienst
Uitvoering Onderwijs regelt waarbij de
Informatie Beheer Groep als zelfstandig
bestuursorgaan ophoudt te bestaan, is
nog niet verwerkt in de Wet investeren
in jongeren (WIJ). Het voorgestelde
artikel bevat de wijziging van de
artikelen over gegevensverstrekking
waarin verwezen werd naar de Informatie
Beheer Groep. De artikelen stemmen
overeen met de wijzigingen in de Wwb [Wet werk en
bijstand, red.] die
opgenomen zijn in genoemde wet
(artikel XVI).
Artikel
XIII. Wijziging van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
Voorgesteld
wordt om een aantal verwijzingen aan te
passen aan de nieuwe citeertitel van de Wet Wajong.
Artikel
XIV. Wijziging van de Wet op de
bedrijfsorganisatie
Deze wijziging houdt verband met de wijziging
van artikel 54, eerste lid, van de Wet
op de bedrijfsorganisatie met ingang van
1 januari 2010 (artikel XXIII van de
Verzamelwet
SZW-wetgeving 2009). Tot 1
januari 2010 was het op grond van
artikel 54, eerste lid, mogelijk om,
naast het heffen van opslagen op de
bedragen welke krachtens artikel 49 van
de Handelsregisterwet
2007 verschuldigd
zijn, van de bedrijfslichamen bijdragen
te heffen. Deze laatste mogelijkheid is
komen te vervallen, aangezien de
verplichting tot inschrijving door de
inwerkingtreding van de Handelsregisterwet
2007 is uitgebreid.
Hierdoor kent artikel 54, eerste lid,
geen rblz.|7|
onderdeel a en b meer. In artikel
54, tweede lid, kan daarom worden
volstaan met een verwijzing naar het
eerste lid.
Artikel
XV. Wijziging van de Wet op de Europese
ondernemingsraden
Deze
wijziging dient ter correctie van een
incomplete verwijzing.
Artikel
XVI. Wijziging van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Onderdeel
A
De
jonggehandicapte die volledig en
duurzaam arbeidsongeschikt is, is niet
in staat deel te nemen aan
arbeidsondersteunende activiteiten van
het UWV. De re-integratietaak van het
UWV strekt zich dan ook niet tot deze
doelgroep uit. In het wetsvoorstel wordt
voorgesteld dit expliciet te bepalen in
artikel 30a, derde lid, van
de Wet
SUWI. Het
hier bepaalde komt overeen met hetgeen
al geregeld was voor de volledig en
duurzame arbeidsongeschikte in de zin
van de Wet WIA.
Onderdelen
B, C en
F
Deze
wijziging houdt verband met de invoering
van het burgerservicenummer. Ondanks de
invoering daarvan blijft het
sociaal-fiscaal nummer van belang. De
kring van personen aan wie een
burgerservicenummer [BSN, red.] is toegekend
(ingezetenen in Nederland), komt
namelijk niet geheel overeen met de
kring van de personen die in aanmerking
komen of kwamen voor een door de
belastingdienst toegekend
sociaal-fiscaal nummer. Werknemers die
niet in Nederland wonen of tijdelijk in
Nederland hebben gewoond, hebben geen BSN,
maar kunnen wel aanspraak maken op
socialezekerheidsuitkeringen. Vandaar
dat ook het sociaal-fiscaal nummer in de
polisadministratie van het UWV
en de
verzekerdenadministratie van de SVB
dient te worden opgenomen. Dit leidt
ertoe dat "sociaal-fiscaal nummer"
telkens wordt vervangen door "burgerservicenummer
of, bij het ontbreken daarvan,
sociaal-fiscaal nummer". Door een
onjuiste afstemming tussen de wijziging
van de Wet SUWI
met ingang van 1 januari
2009 en de inwerkingtreding van de Aanpassingswet
burgerservicenummer met
ingang van 25 maart 2009 zijn de hier
aangebrachte wijzigingen niet eerder
doorgevoerd.
Onderdeel
D
De
verwijzing naar de Wet Wajong
in artikel
30e van de Wet
SUWI wordt aangepast aan
de nieuwe nummering en citeertitel van
de Wet Wajong.
Onderdeel
E
In
artikel 32 van de Wet
SUWI is expliciet opgenomen dat
een eigenrisicodrager in de zin van de
ZW of zijn ex-werknemer een
deskundigenoordeel kan aanvragen over de
aanwezigheid van passende arbeid (artikel
32, derde lid, onderdeel a,) en
of hij ten aanzien van zijn
(ex-)werknemer voldoende en geschikte
re-integratie-inspanningen heeft
verricht (artikel
32, derde lid,
onderdeel b).
In
de praktijk geeft het UWV
op verzoek van
een eigenrisicodrager ook een
deskundigenoordeel over de vraag of de
werknemer voldoende heeft meegewerkt aan
deze re-integratie-inspanningen (artikel
32, tweede lid) en de passende arbeid
waartoe hij in de gelegenheid is
gesteld, heeft verricht. Door nu in
artikel 32, tweede lid, expliciet te
vermelden dat een eigen risicodrager (en
ook zijn ex-werknemer) een dergelijk
verzoek kan rblz.|8|
doen, is deze bepaling in
overeenstemming gebracht met de
uitvoeringspraktijk en sluit deze aan
bij het bepaalde in artikel
32, derde lid.
Onderdeel
G
Met
de Wet tot wijziging van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten in verband met het
bevorderen van de participatie van
jonggehandicapten door werk en
arbeidsondersteuning (Stb. 2009, 580),
die met ingang van 1 januari 2010 in
werking is getreden, is de naam van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds
jonggehandicapten gewijzigd in het
Arbeidsondersteuningsfonds
jonggehandicapten. Artikel
45, tweede
lid, onderdeel c, van de Wet
SUWI
is hiermee in
overeenstemming gebracht.
Artikel
XVII. Wijziging van de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten
Onderdeel
E
Met
de wijziging van artikel
2:31, tweede
lid, onderdeel b en c,
van de Wet
Wajong wordt
verduidelijkt dat het in deze onderdelen
gaat om het re-integratieplan, bedoeld
in artikel
30a, zesde lid, van de Wet
SUWI.
Onderdeel
I
In
artikel 5:3, eerste lid, onderdeel h,
van de Wet
Wajong wordt een onjuiste verwijzing naar
bepalingen van de Wet
SUWI hersteld.
Artikel
XVIII. Wijziging van de Wet werk en
bijstand
Onderdelen
A en B
De
wijzigingen in dit artikel betreffende
artikel 18 en 48 van de
Wwb hebben te maken met de
inwerkingtreding van de Aanpassingswet
vierde tranche Awb. De aanpassing van
artikel 18, tweede lid, heeft dezelfde achtergrond als die is
toegelicht bij artikel V, onderdeel A
en B, en artikel VI,
onderdeel C en D.
In artikel
18, tweede lid, dient de
verwijzing naar artikel
28, tweede lid,
en 29 van de
Wet SUWI niet te vervallen,
maar te worden vervangen door artikel
30c, tweede en derde lid, van de
Wet SUWI.
Met
ingang van 1 juli 2009 is met de
inwerkingtreding van de Aanpassingswet
vierde tranche Awb een nieuw vierde lid
aan artikel 48 van de
Wwb toegevoegd (artikel 23 van
hoofdstuk 10 van die
wet, onderdeel
Aa).
Er bestond op die datum inmiddels al een
vierde lid. Het laatst toegevoegde lid
is als nieuw vijfde lid aangeduid in het
voorstel van wet
tot aanpassing van de Wet investeren in
jongeren en enkele andere wetten ter
verduidelijking en verbetering van enige
punten (Kamerstukken 32 260). In verband
hiermee dient ook de verwijzing in
artikel 47b (artikelen van toepassing
bij uitvoering door de SVB) naar artikel
48 te worden aangepast. Daarin wordt in
dit wetsvoorstel voorzien.
Artikel
XIX. Wijziging van de Wet werk en inkomen
kunstenaars
De
wijzigingen van de Wet werk en inkomen
kunstenaars (Wwik) betreffen een aantal
technische correcties (onderdelen
A, C en E) en enkele aanpassingen in verband met
de Wet van 17 december 2009 tot
bundeling van uitkeringen
inkomensvoorziening aan gemeenten (Stb.
2009, 592) (onderdelen B en
D).
rblz.|9|
Onderdeel
A
De
aanpassing van artikel 10
van de
Wwik
betreft een
verduidelijking van wat beoogd is,
namelijk dat de uitkering eindigt voor
de kunstenaar die 65 jaar wordt en wel
met ingang van de eerste dag van de
maand waarin de kunstenaar 65 jaar is
geworden.
Onderdeel
B
Bij
de Wet van 17 december 2009 tot
bundeling van uitkeringen
inkomensvoorziening aan gemeenten (Stb.
2009, 592), die met ingang van 1 januari 2010
in werking is getreden, is artikel 11
van de
Wwik
deels ten onrechte aangepast.
Aan
het ontvangen van een uitkering
krachtens de Wwik
is geen
arbeidsverplichting verbonden, teneinde
de kunstenaar gedurende een periode van
maximaal 48 maanden in staat te stellen
een al dan niet renderende
beroepspraktijk op te bouwen. Met het
ontbreken van een arbeidsplicht wijkt de
Wwik af van de Wwb. Deze
uitzonderingspositie rechtvaardigt een
jaarlijkse objectieve toets van de
beroepsmatigheid van de kunstenaar in de
Wwik, die voor iedere kunstenaar in
dezelfde periodiciteit en op dezelfde
objectieve wijze wordt uitgevoerd. Dit
geldt ook voor de progressieve
inkomenseis in de Wwik, die de
kunstenaar verplicht in toenemende mate
eigen inkomsten te verwerven. Met
bovengenoemde bundeling zijn de
mogelijkheid tot het stellen van
termijnvoorschriften ten aanzien van de
toetsing van de beroepsmatigheid en de
progressieve inkomenseis onbedoeld
geschrapt. Met deze wijziging wordt die
aanpassing ongedaan gemaakt.
Onderdeel
C
Artikel 18, vijfde lid, tweede zin, van de
Wwik heeft betrekking op het rekening houden
met de alleenstaandeouderkorting bij
het vaststellen van de brutonormen voor
de uitkeringen aan zelfstandigen die
alleenstaande ouder zijn. De foutieve
verwijzingen naar artikelen in de Wwik
waarin gesproken wordt over uitkeringen
aan alleenstaande ouders in deze zin
zijn gecorrigeerd.
Onderdeel
E
Voorgesteld
wordt om artikel 23a
van de
Wwik
te voorzien van
hetzelfde opschrift als het
overeenkomstige artikel in de Wwb
(artikel 8a) kent.
In
artikel 23a werd verwezen naar de
uitzondering van hoofdstuk 6
in geval van
uitvoering door het bestuur van een
gemeenschappelijke regeling. Indien
daaraan de uitvoering van de wet is
overgedragen, treedt dat bestuur in de
plaats van het college. Dit geldt niet
voor de betaling van de bijdragen van
het Rijk en de verantwoording van de
uitgaven ten laste van die bijdragen.
Met de bij onderdeel B genoemde wet is
paragraaf 6.1 in de Wwik
komen te
vervallen. In paragraaf 6.2 wordt niets
geregeld ten aanzien van bevoegdheden of
verplichtingen van het college.
Paragraaf 6.3 bevat met artikel 54 nog
wel een bepaling dat het college de
kosten van de re-integratievoorzieningen
voor kunstenaars ten laste van het
participatiebudget brengt. De uitkering
uit het participatiebudget wordt op
grond van de Wet
participatiebudget betaald aan het college; in geval van
een gemeenschappelijke regeling blijft
het college verantwoordelijk voor de
uitgaven van het participatiebudget en
betalen de aan de gemeenschappelijke
regeling deelnemende gemeenten aan het
bestuur van de gemeenschappelijke
regeling. Dus de uitzondering voor
hoofdstuk 6 geldt in feite alleen voor
paragraaf 6.3. Met dit voorstel wordt,
om daarover geen misverstand te laten
bestaan, de verwijzing naar het hele
hoofdstuk 6 daarom gecorrigeerd in een
verwijzing naar paragraaf
6.3.
rblz.|10|
Onderdeel
F
In
artikel 29, eerste lid, onderdeel c, van de
Wwik over de terugvorderingsgronden werd ten
onrechte het woord "anderzijds"
gebruikt in plaats van anderszins. Het
gaat hier om terugvordering bij andere
dan in de onderdelen a en b van
artikel 29, eerste lid, genoemde redenen voor
onverschuldigde betaling.
Artikel
XX. Wijziging van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen
Onderdeel
A
In
artikel 43, onderdeel b, van
de Wet WIA wordt
abusievelijk verwezen naar artikel
29,
negende lid, van de
ZW in plaats van het
tiende lid. Met dit wetsvoorstel wordt
de verwijzing gecorrigeerd.
Onderdeel
B
Ter
verduidelijking ten aanzien van het
aantal maanden waarover vakantiebijslag
dient te worden betaald indien het recht
op uitkering op grond van de Wet WIA
eerder eindigt dan in mei, komt in de
zinsnede ervoor het getal twaalf te
vervallen.
Artikel
XXI. Wijziging van de Ziektewet
Onderdeel
A
De
aanhef van artikel
29, tweede lid, van
de
ZW wordt redactioneel aangepast
teneinde een goed onderscheid aan te
brengen met de onderdelen a tot en met
c
van dat lid.
Onderdeel
B
Op
grond van het vigerende artikel
29d van
de
ZW heeft een vóór 8 juli 1954 geboren
werknemer die onmiddellijk voorafgaand
aan zijn dienstbetrekking gedurende ten
minste 52 weken recht had op een
uitkering op grond van de WW, recht op
ziekengeld indien hij ziek wordt en die
ziekte ongeschiktheid tot werken tot
gevolg heeft (de zogenaamde no-riskpolis). Dit recht bestaat indien hij
ziek wordt in de vijf jaar na aanvang
van de dienstbetrekking.
In
het huidige artikel 29d, vijfde lid,
wordt bepaald dat voor het vaststellen
van het tijdvak van 52 weken
werkloosheid, perioden van onderbreking
van het recht op een
werkloosheidsuitkering van minder dan
vier weken worden gelijkgesteld met
perioden waarop recht bestaat op
WW-uitkering.
De
toepassing van het vijfde lid is van
belang om te bepalen of sprake is van
"langdurige werkloosheid". Het begrip
"langdurige werkloosheid" is relevant
voor de diverse
re-integratie-instrumenten zoals
inkomstenverrekening WW,
loonkostensubsidie en dus ook
compensatie van loonkosten tijdens
ziekte.
De
formulering van artikel
29d, vijfde lid,
van de
ZW (perioden van minder dan vier
weken) wijkt af van de formulering van
artikel 78a van de WW
(perioden van ten hoogste
vier weken) betreffende de toekenning
van loonkostensubsidie. Dit verschil in
formulering leidt tot een verschil bij
de bepaling van de vraag of een
werknemer als langdurig werkloos
beschouwd kan worden, afhankelijk van
het re-integratie-instrument waar de
werknemer een beroep op doet. Zo zou
zijn werkgever bij een onderbreking van
exact rblz.|11|
vier weken wel in aanmerking
kunnen komen voor een loonkostensubsidie
op grond van artikel
78a van de WW, maar
niet voor de compensatie van loonkosten
bij langdurige ziekte op grond van
artikel 29d van de ZW, omdat het daarbij gaat
om een onderbreking van ten hoogste drie
weken en zes dagen.
Om
het geconstateerde verschil in perioden
die meetellen voor de bepaling van de
periode langdurige werkloosheid op te
heffen, wordt met dit wetsvoorstel het
vijfde lid gewijzigd en wordt bepaald
dat perioden van ten hoogste vier weken
worden gelijkgesteld met WW-uitkeringsperioden.
Onderdeel
C
Het
derde en vijfde lid van artikel
52c van
de
ZW hadden betrekking op de herziening
van het ziekengeld als gevolg van een
aanpassing van het dagloon aan het
loonpeil in het beroep van de werknemer.
Sinds de inwerkingtreding van de Wet
administratieve lastenverlichting en
vereenvoudiging in
socialeverzekeringswetten wordt het
dagloon in de
ZW echter geïndexeerd aan
de hand van de ontwikkeling van het
wettelijk minimumloon. Voorgesteld wordt
dan ook om het derde en vijfde lid van
artikel 52c te laten vervallen.
Onderdeel
D
Met
de inwerkingtreding van de Wet van 7
april 2005 tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 in verband
met een gewijzigde organisatie van de
deskundige bijstand bij het
arbeidsomstandighedenbeleid en de
daarmee samenhangende bepalingen (Stb.
1998, 202) met ingang van 1 juli 2005 is het
op grond van de gewijzigde Arbeidsomstandighedenwet-
en regelgeving voor werkgevers (ook zij die
eigenrisicodrager zijn voor de
ZW) niet meer
noodzakelijk om zich nog uitsluitend
door een gecertificeerde arbodienst te
laten bijstaan. Vanaf dat moment kan dit
ook geschieden door een bedrijfsarts die
is ingeschreven in het erkend
specialistenregister voor bedrijfsartsen
(zie artikel 14, eerste lid, aanhef en
onder b, Arbowet [Arbeidsomstandighedenwet,
red.] en artikel
2.14a,
tweede lid, Arbobesluit [Arbeidsomstandighedenbesluit,
red.]). Deze
bedrijfsarts kan zowel in dienst zijn
van de werkgever als worden ingehuurd.
In
het vigerende artikel
63c van de ZW
wordt
bepaald dat indien de werkgever zich met
betrekking tot de begeleiding van zijn
zieke werknemers niet meer laat bijstaan
door een arbodienst, hij dat zo spoedig
mogelijk meldt aan het UWV. Met
dit
wetsvoorstel wordt deze bepaling in
overeenstemming gebracht met de
gewijzigde Arbowet-
en regelgeving, door
daaraan toe te voegen dat een dergelijke
melding ook dient plaats te vinden
indien de werkgever zich niet langer
laat bijstaan door een bedrijfsarts als
voornoemd.
Daarnaast
wordt het bedrag van de ten hoogste op
te leggen bestuurlijke boete bij het
niet voldoen aan de meldingsplicht
gewijzigd van €|454,- in €|455,-,
waarmee wordt aangesloten bij het Boetebesluit
socialezekerheidswetten.
De
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
J.P.H.
Donner
|