|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2009-2010, 32 421
Wijziging
van verschillende wetten in verband met
harmonisatie en vereenvoudiging van deze wetten ten behoeve van de
uitvoering van die wetten door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Wet harmonisatie en vereenvoudiging
socialezekerheidswetgeving)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Inhoud van het wetsvoorstel |
| 2.1 |
Premieheffing |
| 2.2 |
Arbeidsongeschiktheid |
| 3 |
Financiële gevolgen |
| 4 |
Commentaren en adviezen |
| 4.1 |
Ontvangen commentaren bij
paragraaf 2.1 (Premieheffing) |
| 4.2 |
Ontvangen commentaren bij
paragraaf 2.2
(Arbeidsongeschiktheid) |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
I t/m XVIII |
Algemeen
1.
Inleiding
In
het voorliggende wetsvoorstel worden
voorstellen gedaan tot vereenvoudiging
en harmonisatie op het gebied van
premieheffing voor de
werknemersverzekeringen en de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Dit
betreft met name wijzigingen in de
Ziektewet (ZW), de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen (Wet WIA), de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO), de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ), de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten
(Wet Wajong) en de Wet financiering
sociale verzekeringen (Wfsv).
Hoofddoelen
zijn vereenvoudiging van de uitvoering
door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), snellere
uitkeringsvaststelling en grotere
inzichtelijkheid van het stelsel voor
verzekerden.
Bij
dit wetsvoorstel zijn mede betrokken de
Minister van Financiën in verband met
de wijziging van de Wfsv
en de Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport in
verband met de wijziging van de Zorgverzekeringswet.
2.
Inhoud van het wetsvoorstel
2.1.
Premieheffing
Op
het gebied van de premieheffing worden
vijf voorstellen gedaan die tot
vereenvoudiging en meer transparantie
leiden. Daarnaast wordt een technische
wijziging voorgesteld voor gemeenten om
eigenrisicodrager voor de
werkhervattingsregeling gedeeltelijk
arbeidsgeschikten (WGA) en de ZW te
kunnen worden voor hun personeel in het
openbaar onderwijs.
rblz.|2|
2.1.1.
Opheffing Arbeidsongeschiktheidskas
In
dit voorstel van wet wordt voorgesteld
om de Arbeidsongeschiktheidskas op te
heffen met ingang van 1 januari 2011.
Uit de Arbeidsongeschiktheidskas worden
de WAO-uitkeringen gedurende de eerste
vijf jaar betaald van werknemers die
niet in dienst waren van een
eigenrisicodrager WAO. Daarna komen deze
lasten voor rekening van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof). De
laatste WAO-uitkeringen zijn toegekend
in 2004 en na 2009 komen dus geen
WAO-uitkeringen meer ten laste van de
Arbeidsongeschiktheidskas, behalve
enkele na-ijlende uitkeringen wegens
late toekenningen en beroepszaken, en
uitvoeringskosten. Er is dan geen grond
meer voor heffing van premie voor de
Arbeidsongeschiktheidskas. Sinds de
afschaffing van premiedifferentiatie in
de WAO (Pemba [Wet
premiedifferentiatie en marktwerking bij
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen,
red.]) in 2008 was er een
uniforme premie voor werkgevers die hun
WAO-risico publiek verzekerd hadden bij
het UWV. Uit de techniek van de
premiedifferentiatie volgt dat de
uitkeringen met ingang van 1 januari
2006 niet meer worden toegerekend aan
individuele werkgevers of branches.
Bij
de invoering van deze uniforme premie
werd in de memorie van toelichting
(Kamerstukken II 2006-2007, 31 050, nr.
3)
beschreven dat na 2010 de
Arbeidsongeschiktheidskas geliquideerd
zou kunnen worden. Voorgesteld wordt het
saldo van de Arbeidsongeschiktheidskas
per 2011 toe te voegen aan het Aof,
waarbij lopende verplichtingen en
vorderingen eveneens aan dit fonds
worden toegerekend. Met dit voorstel
wordt bereikt dat met ingang van 2011
voor de WAO, de regeling
inkomensvoorziening volledig
arbeidsongeschikten (IVA) en de
WGA-uitkeringen na tien jaar nog maar
één premie wordt geheven: de
basispremie Aof voor alle werkgevers.
Het financiële risico van een
WGA-uitkering kunnen werkgevers
onderbrengen bij het UWV (een publieke
gedifferentieerde WGA-premie) of dit
privaat financieren. Na tien jaar worden
ook de WGA-uitkeringen gefinancierd uit
het Aof.
Met
dit voorstel hoeven werkgevers geen
premie meer af te dragen voor de
Arbeidsongeschiktheidskas. Dit houdt een
beperking van de loonaangifte per 2011
in.
2.1.2.
Opheffing Reïntegratiefonds
Met de inwerkingtreding van de Wet WIA en de
Wet invoering en financiering Wet werk
en inkomen naar arbeidsvermogen is
besloten de financiering van de
re-integratie te wijzigen. Voorzien werd
dat het Reïntegratiefonds, gevoed door
de arbeidsongeschiktheidsfondsen en het
Algemeen Werkloosheidsfonds, zou
verdwijnen en geregeld werd dat
voorzieningen worden gefinancierd uit de
arbeidsongeschiktheidsfondsen van de
wetten waarin de instrumenten geregeld
zijn. Het Reïntegratiefonds werd niet
meteen bij de inwerkingtreding van de
Wet WIA opgeheven, omdat toedeling van
lopende gevallen (subsidies en
trajecten) naar verschillende fondsen
problemen kon opleveren. Wel werden de
nieuwe gevallen in de andere fondsen
geregistreerd en de lasten van het
Reïntegratiefonds namen geleidelijk af.
Het Reïntegratiefonds zou een aantal
jaren blijven bestaan. Het voordeel was
dat het grootste gedeelte van de lasten
in de overgangsperiode betaald kon
worden door het Reïntegratiefonds met
de daar bijbehorende financiering van
het Reïntegratiefonds (50%
arbeidsongeschiktheidsfondsen, 50%
werkloosheidsfondsen). Na aan aantal
jaren zouden de meeste en grootste
verplichtingen betaald zijn en kon het
Reïntegratiefonds worden opgeheven.
Dit
is nu het geval. In 2005 ging er een
bedrag van circa €|400 miljoen om in
het fonds. Sindsdien is dit afgenomen
tot zo’n €|4 miljoen aan lasten in
2010.
Alle
verplichtingen die nu nog bestaan
(bijvoorbeeld vervoersovereenkomsten),
zullen ingevolge het voorgestelde
artikel 2.8 van de Wet invoering en
financiering Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen ten rblz.|3|
laste komen van het
Aof. Dit betreft vooral lasten van
langlopende voorzieningen. Deze lasten
zijn zo gering dat het fonds eenvoudig
kan worden opgeheven.
2.1.3.
Herleidingsregels 260 dagen in plaats
van 261 voor maximumpremie en franchise;
harmonisatie met heffing van
loonbelasting
Vanuit
een oogpunt van eenvoud en duidelijkheid
is er aanleiding om een uniforme
herleidingsregel in te voeren.
Toepassing daarvan maakt de loonheffing
meer transparant.
In
de brief van 8 oktober 2007 aan de
Tweede Kamer (Kamerstukken II 2007-2008,
31 236, nr. 1) inzake vereenvoudiging
van de premieheffing voor de
werknemersverzekeringen wordt opgemerkt
dat wettelijke jaarbedragen voor de
loonbelasting/premie volksverzekeringen
worden herleid op basis van 260
werkdagen en dat voor de premies
werknemersverzekeringen en de
inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet
(Zvw) wordt gerekend
op basis van 261 werkdagen. Dit verschil
leidt tot irritaties. Het kabinet stelde
daarom voor om hierbij altijd uit te
gaan van 260 dagen.
Dit voorstel geeft daaraan uitvoering. De
loonheffing en premieheffing worden dan
beide op 260 dagen gebaseerd.
Tevens
wordt voorgesteld om voor het
maximumbedrag waarover de premies
werknemersverzekeringen worden geheven
een bedrag per jaar vast te stellen en
daarvan de bedragen per dag, week en
maand af te leiden. Thans wordt een
bedrag per dag vastgesteld en worden de
bedragen over langere tijdvakken daarvan
afgeleid. Met het voorstel wordt de
berekeningswijze gelijk aan de
berekening zoals die thans gebeurt op
grond van artikel 5.1
Regeling
zorgverzekering. De premie voor de
werknemersverzekeringen wordt daarmee op
dezelfde wijze als de
inkomensafhankelijke bijdrage voor de
Zvw gemaximeerd op een bedrag per jaar.
Dit
betekent een wijziging bij werknemers
met daglonen, weeklonen en vierwekenlonen. Voor werknemers met
daglonen, weeklonen of vierwekenlonen
worden de franchise, het maximumpremieloon en het
maximumbijdrageloon Zvw marginaal hoger vastgesteld. Omdat
in de Zvw de helft van de lasten gedekt
moet worden uit de inkomensafhankelijke
bijdrage, zal een stijging in de
bijdrage-inkomsten terugvloeien in een
lagere bijdrage.
2.1.4.
SV-loontijdvak [socialeverzekeringsloontijdvak,
red.] alleen indien SV-loon
genoten, idem bij inkomensafhankelijke
bijdrage Zorgverzekeringswet
Voor
de berekening van de premies
werknemersverzekeringen wordt de
techniek van het voortschrijdend
cumulatief rekenen gebruikt. Alleen met
deze techniek is steeds de juiste
toepassing van het jaarlijkse
maximumpremieloon en van de franchise
verzekerd. Corrigeren aan het eind van
het jaar is dan niet meer nodig.
Hetzelfde geldt bij de
inkomensafhankelijke bijdrage
Zvw voor
zover deze van werknemers wordt
ingehouden. Het van toepassing zijnde
maximum is afhankelijk van het aantal
loontijdvakken in het jaar. In de
praktijk bestaat onduidelijkheid over de
vraag hoe de wetstoepassing verloopt als
de werknemer loon geniet dat niet onder
de loonbelasting maar wel onder de
premies werknemersverzekeringen of de
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw valt.
Voorgesteld wordt deze onduidelijkheid
op te heffen door vast te leggen dat het
gaat om de tijdvakken waarin het loon
voor de respectievelijke loonheffingen
is genoten.
rblz.|4|
2.1.5.
Vereenvoudiging van de vergoeding wegens
premieheffing over werkgeversbetaling
van uitkeringen door het UWV
Werkgeversbetalingen
zijn uitkeringen die het UWV
aan
werkgevers betaalt en die werkgevers
vervolgens namens het UWV doorbetalen
aan hun werknemers. Het gaat hierbij om
werknemers die ofwel bij de werkgever in
dienst zijn, ofwel aan wie de werkgever
een bovenwettelijke aanvulling
verstrekt. De werkgever betaalt de
uitkering dan samen met het loon of de
aanvulling, waardoor de inhouding van
loonbelasting in één keer goed kan
plaatsvinden en de werknemer derhalve
niet te maken krijgt met heffing van de
inkomstenbelasting over deze betalingen.
Als
het UWV de uitkering aan de werkgever
betaalt, worden ook de over de uitkering
verschuldigde werkgeverspremies vergoed;
de werkgever moet deze premies immers
ook weer afdragen aan de belastingdienst. De werkgever ontvangt
dus een hogere werkgeversbetaling van
het UWV dan hij aan (bruto)uitkering aan
de werknemer verschuldigd is. Om het
proces bij het UWV te vereenvoudigen,
wordt voorgesteld dat het UWV bij een
werkgeversbetaling door een werkgever
die op grond van het overgangsrecht na
2008 nog een premievrijstelling voor
oudere werknemers kan toepassen, geen
rekening hoeft te houden met deze
premievrijstelling. Dit betekent dus dat
niet wordt gekeken naar de precieze
bedragen van de premies die de werkgever
zelf verschuldigd is over het loon van
deze werknemer. Hiermee wordt
bewerkstelligd dat de premievergoeding
door het UWV bij werkgeversbetalingen
niet afhankelijk is van kenmerken van
individuele dienstverbanden.
2.1.6.
Vervallen uitzonderingsbepaling
eigenrisicodragerschap WGA en ziekengeld
voor onderwijzend personeel voor
gemeenten
Werkgevers
mogen op grond van de Wfsv alleen voor
al hun werknemers zelf het risico dragen
voor de betaling van WGA-uitkeringen en
ziekengeld of voor al hun werknemers
publiek verzekerd zijn. Dit is zo
geregeld om te voorkomen dat een
werkgever voor publieke financiering
kiest voor het deel van zijn personeel
met een relatief grotere kans op een
uitkering en eigenrisicodrager wordt
voor het deel van zijn personeel met een
relatief kleinere kans hierop. Voor
gemeenten is een uitzondering gemaakt.
Gemeenten
kunnen geen eigenrisicodrager worden
voor het personeel van het openbaar
onderwijs in dienst van de gemeente. De
grond daarvoor was het feit dat er een
declaratiestelsel was. De bekostiging
van het personeel van het openbaar
onderwijs viel onder het ministerie van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW),
terwijl de werkgevers (gemeenten)
verantwoordelijk waren voor het
preventie- en re-integratiebeleid op het
terrein van ziekte en
arbeidsongeschiktheid. De
financieringswijze is echter gewijzigd.
In alle onderwijssectoren is nu sprake
van lumpsumbekostiging, waardoor de
financiële verantwoordelijkheid
volledig bij de werkgevers ligt.
Met
dit wetsvoorstel wordt de
uitzonderingsbepaling in de Wfsv
opgeheven per 1 juli 2011. Hiermee wordt
een beperking weggenomen voor
gemeenten
om eigenrisicodrager te worden.
Gemeenten kunnen dan voor al hun
personeel eigenrisicodrager voor de
betaling van het ziekengeld en de
WGA-uitkering worden, dus tevens voor
hun personeel in het openbaar onderwijs.
Net als dat nu al het geval is bij
personeel in het openbaar onderwijs dat
in dienst is van bijvoorbeeld een
stichting. Die stichting kan, als
zelfstandig rechtspersoon, onder de
huidige regels ook eigenrisicodrager
worden. Voor personeel dat valt onder de
Wet sociale werkvoorziening (Wsw) kan de
gemeente geen eigenrisicodrager worden,
dit verandert niet (artikel 45
Wfsv).
rblz.|5|
Om
de overgang soepel te laten verlopen
voor
gemeenten die nu deels publiek
verzekerd en deels eigenrisicodrager
zijn, worden afspraken met de belastingdienst
en het UWV
gemaakt om
deze gemeenten goed voor te lichten bij
de bepaling van hun keuze die zij
uiterlijk dertien weken vóór 1 juli 2011
bij de belastingdienst aan moeten geven
(wel/niet publiek verzekerd willen zijn
voor al hun personeel). Als de betrokken
gemeenten geen keuze maken, worden ze
van rechtswege voor al hun werknemers
eigenrisicodrager per 1 juli 2011. Dit
voorstel is lastenneutraal voor
gemeenten. Bij de premiedifferentiatie
in de WGA voor grote werkgevers is
vrijwel geen sprake van verevening van
de lasten. Grote werkgevers (gemeenten
vallen daaronder) betalen vrijwel altijd
hun eigen lasten via de publieke
kostendekkende premie. De lasten zijn
daardoor globaal in overeenstemming met
de lasten met private financiering. De
gemeenten die eigenrisicodrager worden
voor hun onderwijspersoneel betalen
vanaf dat moment geen publieke premie
voor de Werkhervattingskas meer voor dat
personeel. Indien ze eigenrisicodrager
zijn voor het vangnet ZW,
betalen ze een
lagere premie voor het Ufo
[Uitvoeringsfonds voor de overheid, red.]. Zij dragen
immers zelf de lasten van de
WGA-uitkeringen van de werknemers en ook
de WGA-uitkeringen van de werknemers in
het onderwijs die dan al een
WGA-uitkering hebben en voor de
werknemers die daarvoor al ziek zijn
geworden en later een WGA-uitkering
ontvangen. Indien een gemeente besluit
om voor zijn personeel publiek verzekerd
te worden, dan moet de gemeente de
WGA-uitkeringen affinancieren van de
werknemers die al een WGA-uitkering
hadden of die ziek zijn geworden vóór de
terugkeer naar de publieke verzekering.
Deze uitkeringen (recht ontstaan tijdens
periode van eigenrisicodragerschap)
komen niet ten laste van de
Werkhervattingskas en worden niet
meegenomen in de publieke premie. De
toekomstige lasten van de
WGA-uitkeringen waarop het recht
ontstaat vanaf 1 juli 2011 worden wel
via de publieke premie gefinancierd, net
als de WGA-lasten van hun
onderwijspersoneel. Daarnaast wordt de
administratie voor UWV en de belastingdienst
met dit voorstel
eenvoudiger. Hoe minder uitzonderingen,
hoe minder kans op fouten in de
uitvoering.
2.2.
Arbeidsongeschiktheid
In
deze paragraaf worden voorstellen
besproken die vooral een vereenvoudiging
betekenen van de regelingen die een
inkomensvervangende uitkering
verstrekken bij (kortdurende of
langdurige) arbeidsongeschiktheid. Deze
regelingen zijn de ZW,
Wet WIA, WAO,
WAZ
en de Wet
Wajong. De voorstellen kunnen
in drie categorieën worden
onderverdeeld.
In
de eerste plaats worden er voorstellen
gedaan die wijzigingen meebrengen voor
alle arbeidsongeschiktheidswetten. Zo
kennen deze wetten een regeling over
nawerking (dat wil zeggen dat gedurende
een bepaalde tijd na het einde van de
verzekering nog recht kan ontstaan op
een uitkering) en een regeling over de
gevolgen van arbeidsongeschiktheid bij
aanvang van de verzekering (wat het
ontstaan van een recht op uitkering kan
verhinderen). De voorstellen leiden tot
een vereenvoudiging van voornoemde
regelingen omdat moeilijk vast te
stellen voorwaarden voor een recht op
uitkering zullen vervallen. Ze leiden
bovendien tot harmonisatie omdat wordt
voorgesteld de onderwerpen op precies
dezelfde wijze te regelen. Dit maakt
niet alleen de uitvoering van die wetten
eenvoudiger, maar maakt de regelingen
ook voor verzekerden inzichtelijker en
begrijpelijker. Zo kan het zich nu
voordoen dat aan iemand ziekengeld wordt
geweigerd vanwege arbeidsongeschiktheid
bij aanvang van de verzekering, maar dat
hij na twee jaar ziekte wel recht heeft
op een WIA-uitkering. Ook de omgekeerde
situatie kan zich rblz.|6|
voordoen. Het zal
duidelijk zijn dat dit tot veel onbegrip
leidt bij de betrokkenen.
In
de tweede plaats wordt er een voorstel
gedaan ter vereenvoudiging van de
regelingen bij situaties waarbij er nu
sprake is van recht op meerdere
uitkeringen tegelijkertijd. Zo kan een
verzekerde werknemer bij ziekte zowel
recht hebben op ziekengeld (op grond van
de ZW) als op heropening of verhoging
van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering
(WAO, WAZ
of Wet
Wajong). De kern van
het voorstel is dat een verzekerde
werknemer bij ziekte nog maar op één
regeling tegelijk een beroep hoeft te
doen. Dit voorstel leidt dus tot een
betere coördinatie (afstemming) van de
huidige regelingen.
In
de derde plaats worden er voorstellen
gedaan die een vereenvoudiging inhouden
van een aantal specifieke onderwerpen in
de ZW. Het betreft een scala van
onderwerpen, zoals bijvoorbeeld de
mogelijkheid voor werkgevers om
collectief in plaats van individueel
aangifte te doen van zijn zieke
werknemers. Deze voorstellen maken
enerzijds de uitvoering eenvoudiger en
verlagen anderzijds de administratieve
lasten voor werkgevers.
2.2.1.
Arbeidsongeschiktheid bij aanvang
verzekering
Huidige
regeling
Op
grond van artikel 44
ZW is het UWV
bevoegd om het ziekengeld in de volgende
twee gevallen (gedeeltelijk of geheel,
tijdelijk of blijvend) te weigeren:
- als de arbeidsongeschiktheid bestond op
de dag dat de verzekering aanving;
- als de arbeidsongeschiktheid binnen een
halfjaar daarna intreedt, terwijl dit
kennelijk kon worden verwacht gelet op
de gezondheidstoestand bij aanvang van
de verzekering.
Het
doel van deze bepaling is om misbruik te
voorkomen, namelijk in het geval dat
iemand louter en alleen een
dienstverband aangaat om kort daarna een
uitkering te kunnen claimen.
De Wet WIA
kent een vergelijkbare regeling,
met dien verstande dat deze dwingend is
voor de uitvoering.¹ Ingevolge artikel
43, onderdeel c, Wet WIA
ontstaat geen recht
op een uitkering als de verzekerde
volledig arbeidsongeschikt was bij
aanvang van de verzekering of binnen een
halfjaar daarna. Daarnaast kent de Wet
WIA een aparte regeling voor
gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid bij
aanvang van de verzekering. Bij de
vaststelling van het maatmaninkomen
dient buiten aanmerking te worden
gelaten het bedrag dat iemand meer
verdient dan hij gelet op zijn krachten
en bekwaamheden bij aanvang van de
verzekering kan verdienen (artikel
46,
derde lid, Wet WIA).
1.
Ook de WAZ,
de WAO en de
Wet Wajong
(hoofdstuk
3) kennen een vergelijkbare
regeling. Daar wordt verder niet op
ingegaan, omdat die regeling in die
wetten niet meer kan worden toegepast
aangezien er geen nieuwe instroom meer
plaatsvindt. En de regeling komt in hoofdstuk
2 van de Wajong
[lees: Wet
Wajong, red.] niet voor.
In
het verleden zijn voor de ZW
diverse
malen beleidsregels voor de uitvoering
opgesteld die het toepassingsbereik van
de regeling steeds verder hebben
ingeperkt. De laatste aanscherping
dateert van 2004. Sindsdien geldt dat
als iemand ten minste drie maanden heeft
gewerkt, de uitkering niet wordt
geweigerd. Als de betrokkene minder dan
drie maanden heeft gewerkt, wordt de
uitkering slechts geweigerd als:
- de betrokkene bij aanvang van de
dienstbetrekking (verzekering) heeft
moeten weten dat hij medisch ongeschikt
was voor de bedongen arbeid;
- de betrokkene bij aanvang van de
dienstbetrekking (verzekering) heeft
moeten weten dat hij vanwege zijn
gezondheidstoestand binnen drie maanden
ongeschikt zou worden voor de bedongen
arbeid.
rblz.|7|
Aanleiding
tot deregulering
Voornoemde
regeling is zeer moeilijk uit te voeren.
De verzekeringsarts van het UWV
moet
immers achteraf vaststellen of de
betrokkene arbeidsongeschikt was bij
aanvang van de verzekering dan wel dat
zijn gezondheidstoestand toen zodanig
was dat het (kennelijk) te verwachten
was dat hij binnen een halfjaar
arbeidsongeschikt zou worden. In het
geval van de Wet WIA
moet de
verzekeringsarts zelfs vaststellen hoe
de gezondheidstoestand van de betrokkene
meer dan twee jaar geleden was.
Voorgestelde
regeling
Het
voorstel is om voornoemde regelingen
over (gedeeltelijke of volledige)
arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de
verzekering te schrappen. Dat heeft - behalve het zeer moeilijk uitvoerbaar
zijn van die regelingen - de volgende
redenen. Een eerste argument betreft het
uitgangspunt van het huidige beleid dat
de nadruk moet worden gelegd op iemands
mogelijkheden en niet op diens
onmogelijkheden. Tegenwoordig wordt
ervan uitgegaan dat vrijwel iedereen in
staat is om arbeid te verrichten, ook al
heeft iemand (ernstige) beperkingen. De
werkgever mag, enkele uitzonderingen
daargelaten, overigens ook geen
aanstellingskeuringen (laten)
verrichten. Daarmee valt niet te
verenigen dat iemand van de verzekering
wordt uitgesloten omdat hij medisch
ongeschikt zou zijn voor die arbeid.
Een
tweede argument dat daarmee samenhangt,
betreft de rechtszekerheid van de
werknemer. Degene die een
dienstbetrekking aanvaardt, mag ervan
uitgaan dat hij verzekerd is voor de
werknemersverzekeringen. Deze schrijven
immers voor dat een werknemer "automatisch" (van rechtswege)
verzekerd is tegen de risico’s van
onder meer arbeidsongeschiktheid. Daarom
mag het UWV
geen toelatingskeuringen
verrichten. Bovendien worden premies
afgedragen voor de
werknemersverzekeringen vanaf de dag dat
iemand loon ontvangt vanwege de
geleverde arbeidsprestatie. Een
werknemer zal zich daarom ook niet
privaat verzekeren. Met dit alles
verdraagt het zich niet dat het UWV
later vaststelt dat iemand geen recht
heeft op een (volledige) uitkering
omdat hij arbeidsongeschikt was bij
aanvang van de dienstbetrekking.
Het
schrappen van de regeling heeft
voordelen voor alle betrokken partijen.
Het UWV behoeft bij de aanvraag van een
uitkering niet meer te beoordelen of de
betrokkene arbeidsongeschikt was bij
aanvang van de verzekering. Werknemers
weten bij aanvaarding van een
dienstbetrekking dat zij verzekerd zijn
voor de werknemersverzekeringen. En
werkgevers betalen geen premie meer voor
een werknemer, terwijl later blijkt dat
deze toch geen rechten kan ontlenen aan
de ZW en Wet WIA
omdat hij
arbeidsongeschikt was bij aanvang van de
verzekering.
Gevolgen
voor de uitkeringen
De
voorgestelde regeling betekent dat het UWV
een ZW- of WIA-uitkering niet meer
kan weigeren omdat de betrokkene
arbeidsongeschikt was bij aanvang van de
verzekering. Dit brengt mee een toename
van het aantal toekenningen. De
uitkeringslasten zullen daardoor gering
toenemen (circa €|0,2 miljoen).
Uitvoeringskosten
Met
het vervallen van de regeling over
arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de
verzekering vervalt de gecompliceerde
medische en wetstechnische beoordeling.
Het aantal procedures zal daardoor ook
afnemen. De uitvoeringskosten zullen dan
ook dalen.
rblz.|8|
2.2.2.
Samenloop ZW- met
arbeidsongeschiktheidsuitkering
Huidige
regeling
In
de huidige situatie kan een werknemer
bij ziekte in bepaalde gevallen twee
uitkeringsaanspraken hebben, te weten
toekenning van ziekengeld op basis van
de ZW én toekenning, heropening of
verhoging van zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO,
Wet Wajong of WAZ). Het recht op ziekengeld
gaat, behoudens de mogelijkheid van ten
hoogste twee wachtdagen, in op de eerste
ziektedag en het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat
meestal in na een wachttijd van vier
weken (artikel
38, 39a
en 43a
WAO).
Voor
deze samenloop van twee rechten op
uitkering bestaat een aparte regeling.
De hoofdregel is dat het ziekengeld
alleen wordt uitbetaald indien en voor
zover dat hoger is dan de heropende of
toegekende
arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel
hoger is dan het bedrag waarmee de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is
verhoogd (artikelen 32 en
32a
ZW). Het
bedrag van de toegekende, heropende of
verhoogde
arbeidsongeschiktheidsuitkering komt dus
volledig tot uitbetaling en wordt in
mindering gebracht op het ziekengeld.
Op
deze hoofdregel bestaat één
uitzondering. Bij een samenloop van
toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond
van artikel 43a
WAO (het intreden van
arbeidsongeschiktheid wegens "dezelfde
oorzaak" binnen een periode van vijf
jaar na de voorgaande beslissing over
het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering) én
toekenning van ziekengeld op grond van
artikel 29b ZW
(no-riskpolis voor
gedeeltelijk arbeidsgeschikte
werknemers) wordt in beginsel alleen het
ziekengeld uitbetaald. Als de
arbeidsongeschiktheidsuitkering echter
hoger is dan het ziekengeld, wordt
daarentegen alleen de
arbeidsongeschiktheidsuitkering
uitbetaald.
Het
voorgaande wordt hierna met drie
rekenvoorbeelden toegelicht. Daarbij
wordt ervan uitgegaan dat het recht op
ziekengeld bestaat op grond van artikel
29b ZW
(no-riskpolis) en er sprake is van
een uitkeringspercentage van 70%
(percentage kan in het eerste jaar
oplopen tot 100%).
Voorbeeld
1: ziekengeld (artikel 29b
ZW) naast
verhoging van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering (artikel
38 WAO)
Een
werknemer ontvangt een WAO-uitkering die
gebaseerd is op een dagloon van €|100,-.
Verondersteld wordt dat het
maatmaninkomen gelijk is aan het dagloon
en dat de resterende verdiencapaciteit (RVC)
€ 50,- bedraagt. De mate van
arbeidsongeschiktheid van de betrokkene
bedraagt dus 50%. Hij ontvangt daarom
een (loongerelateerde) WAO-uitkering van
€ 35,-. De werknemer gaat werken naast
zijn WAO-uitkering en verdient daarmee
een inkomen van € 50,- (dus gelijk aan
zijn RVC). Dit inkomen heeft geen
invloed op de hoogte van zijn
WAO-uitkering. Zijn totale inkomen
bedraagt derhalve € 5,-.
Vervolgens
wordt de betrokkene ziek. In dit
voorbeeld veronderstellen we dat hij in
verband met deze ziekte recht heeft op
ziekengeld naar een uitkeringspercentage
van 70%; het ziekengeld bedraagt dus €
35,-.
Na dertien weken stelt het UWV
vast dat de RVC
van de werknemer is gedaald van € 50,-
naar € 40,-. In verband met deze toename
van de mate van arbeidsongeschiktheid
heeft de werknemer recht op verhoging
van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering
met € 7,-, namelijk van € 35,- naar €
42,- met ingang van vier weken na aanvang
van de toename van de mate van
arbeidsongeschiktheid. De verhoging van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering met
€ 7,- wordt vervolgens in mindering
gebracht op het rblz.|9|
ziekengeld. Dit
ziekengeld wordt na vier weken dus
verlaagd van € 35,- naar € 28,-. Het
totale inkomen van de werknemer bedraagt
tijdens zijn ziekte dus € 70,- (€ 28,-
ziekengeld en € 42,-
arbeidsongeschiktheidsuitkering).
Voorbeeld
2: ziekengeld (artikel
29b ZW) naast
heropening van
arbeidsongeschiktheidsuitkering (artikel 47
WAO)
Een
werknemer ontvangt een WAO-uitkering die
gebaseerd is op een dagloon van €|100,-.
Vervolgens vindt hij werk waarmee hij €|100,- per dag verdient. Zijn
WAO-uitkering wordt daarom ingetrokken.
Binnen
vier weken na intrekking van de
uitkering wordt hij ziek. Deze ziekte is
een andere dan de ziekte op basis
waarvan hij zijn ingetrokken WAO-uitkering ontving. Vanwege zijn
ziekte heeft hij recht op ziekengeld ter
hoogte van 70% van het dagloon; het
ziekengeld bedraagt dus €|70,-.
Na dertien weken stelt het UWV
vast dat sprake
is van arbeidsongeschiktheid die is
ingetreden binnen vier weken nadat de WAO-uitkering is ingetrokken. Verder
stelt het UWV vast dat de resterende
verdiencapaciteit door de
arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar €|40,-. De werknemer komt daarom met
ingang van de ziekte in aanmerking voor
heropening van de kort daarvoor
ingetrokken WAO-uitkering; deze bedraagt
€|42,-. De WAO-uitkering komt geheel in
mindering op het ziekengeld. Het
ziekengeld wordt dus verlaagd van €|70,-
naar €|28,-. Het totale inkomen van de
werknemer bedraagt tijdens zijn ziekte
dus €|70,- (€|28,- ziekengeld en
€|42,-
WAO-uitkering).
Voorbeeld
3: ziekengeld (artikel 29b
ZW) naast
toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens
dezelfde oorzaak (artikel 43a
WAO)
Een
werknemer ontvangt een WAO-uitkering die
gebaseerd is op een dagloon van €|100,-.
Vervolgens vindt hij werk waarmee hij €|100,- per dag verdient. Zijn
WAO-uitkering wordt daarom ingetrokken.
Binnen
vijf jaar na aanvang van zijn
dienstbetrekking wordt hij ziek. Deze
ziekte is dezelfde op basis waarvan hij
zijn ingetrokken WAO-uitkering ontving.
Vanwege zijn ziekte heeft hij recht op
ziekengeld ter hoogte van 70% van het
dagloon; het ziekengeld bedraagt dus €|70,-.
Na dertien weken stelt het UWV
vast dat sprake
is van arbeidsongeschiktheid die is
ingetreden binnen vijf jaar nadat de WAO-uitkering is ingetrokken. Verder
stelt het UWV vast dat de resterende
verdiencapaciteit door de
arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar €|40,-. De werknemer komt daarom met
ingang van vier weken na aanvang van de
ziekte in aanmerking voor toekenning van
een WAO-uitkering van €|42,-. Anders dan
in het vorige voorbeeld wordt deze
WAO-uitkering niet in mindering gebracht
op het ziekengeld; de WAO-uitkering
wordt daarentegen niet toegekend.
Aanleiding
tot deregulering
De
regeling van de samenloop van ziekengeld
met arbeidsongeschiktheidsuitkering is -
zo blijkt uit de gegeven voorbeelden - bijzonder complex. Voor de werknemer
leidt het enkel tot verwarring. Hij
ontvangt na elkaar diverse beslissingen
over verschillende uitkeringen en over
de onderlinge verrekeningen, terwijl hij
doorgaans in totaliteit hetzelfde bedrag
aan uitkering ontvangt.
Voor
het UWV is de regeling van samenloop
uitvoeringstechnisch ingewikkeld en
leidt in veel gevallen tot verrekeningen
of nabetalingen. Het UWV moet eerst
beoordelen of er sprake is van
ongeschiktheid voor zijn arbeid en dus
recht bestaat op ziekengeld. Daarna moet
het UWV vaststellen of er sprake is van
arbeidsongeschiktheid in de zin van de rblz.|10|
WAO,
WAZ of Wet
Wajong, omdat in sommige
gevallen binnen vier weken (en soms
zelfs direct) een
arbeidsongeschiktheidsuitkering moet
worden toegekend, heropend of verhoogd.
Deze beoordeling kan langere tijd in
beslag nemen, waardoor in de meeste
gevallen pas na afloop van voornoemde
vier weken wordt vastgesteld of recht
bestaat op (verhoging van) een
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Vervolgens moet het UWV overgaan tot
nabetaling van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering en
terugvordering van het ziekengeld, met
dien verstande dat beide met elkaar
worden verrekend. Voor de nog komende
termijnen wordt een bedrag uitbetaald
bestaande uit twee uitkeringen. In de
meeste gevallen wordt de volledige
(verhoging van de)
arbeidsongeschiktheidsuitkering en een
deel van het ziekengeld betaald. Voor
zover verschillende uitkeringen geheel
of gedeeltelijk tot uitbetaling komen,
moeten ze op de juiste wijze worden
doorbelast aan de fondsen. Dit betekent
dat het bedrag dat aan de
uitkeringsgerechtigde ten goede komt,
aan twee verschillende fondsen moet
worden doorbelast.
Voorgestelde
regeling
Het
voorstel is dat in voornoemde gevallen
van samenloop het ziekengeld wordt
uitbetaald en (de verhoging van) de
arbeidsongeschiktheidsuitkering enkel
wordt uitbetaald voor zover die meer
bedraagt dan het ziekengeld. De gedachte
daarachter is dat het ziekengeld eerder
wordt vastgesteld dan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering én ook
meestal hoger is dan (de verhoging van)
de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Zodoende wordt samenloop van ziekengeld
en (verhoging van de)
arbeidsongeschiktheidsuitkering in
vergaande mate teruggedrongen, zonder
dat de betrokkenen minder aan uitkering
ontvangen.
De
voorgestelde regeling heeft alleen
betrekking op de situatie waarin
aanspraak bestaat op ziekengeld. Indien
de werknemer enkel aanspraak heeft op
loondoorbetaling tijdens ziekte, dan
wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering
altijd toegekend, heropend of verhoogd
na vier weken, zodat de werkgever deze
(verhoging van de) uitkering in
mindering kan brengen op zijn
loondoorbetalingsplicht (artikel 7:629,
vijfde lid, BW [Burgerlijk
Wetboek, red.]).
Het voorstel heeft de volgende gevolgen voor
de hiervoor genoemde rekenvoorbeelden.
Vervolg
voorbeeld 1
De
werknemer ontvangt bij ziekte €|35,- aan
ziekengeld. Ook na vier weken blijft hij
dat bedrag aan ziekengeld ontvangen,
omdat de WAO-uitkering van €|35,-
- anders dan nu - dan niet wordt
verhoogd. Na 104 weken - dus na
eindiging van het recht op ziekengeld - wordt de WAO-uitkering alsnog
verhoogd als er nog steeds sprake is van
toegenomen arbeidsongeschiktheid. Het
inkomen van de werknemer bedraagt dus
tijdens de eerste twee jaar nog steeds €|70,-, maar nu bestaande uit
€|35,-
ziekengeld en €|35,- WAO-uitkering.
Vervolg
voorbeeld 2
De
werknemer ontvangt bij ziekte €|70,- aan
ziekengeld. Na vier weken wordt de
ingetrokken WAO-uitkering heropend, maar
deze wordt niet uitbetaald omdat ze
lager is dan het ziekengeld. Na 104
weken -
dus na eindiging van het recht
op ziekengeld -
komt de heropende
WAO-uitkering alsnog tot uitbetaling als
er nog steeds sprake is van toegenomen
arbeidsongeschiktheid. Ook in dit geval
ontvangt de werknemer de eerste twee
jaar dus nog steeds €|70,-, maar nu
enkel bestaande uit €|70,- ziekengeld.
rblz.|11|
Vervolg
voorbeeld 3
Hiervoor
verandert er niets ten opzichte van de
huidige situatie. Deze komt overeen met
voorbeeld 2, met dien verstande dat na
vier weken ziekte de WAO-uitkering wordt
toegekend in plaats van heropend.
Gevolgen
voor de uitkeringen
Het
voorstel heeft geen gevolgen voor de
hoogte van de uitkering die de werknemer
ontvangt. Wel ontvangt hij vaker één
in plaats van twee uitkeringen.
Administratieve
lasten voor de burger
Voor
de werknemer betekent dit voorstel dat
hij minder beslissingen over uitkeringen
ontvangt en minder te maken krijgt met
verrekeningen van deze uitkeringen.
Uitvoeringskosten
Voor
het UWV betekent het voorstel een
aanmerkelijke vereenvoudiging, omdat de
problematiek van nabetaling en
verrekening van uitkeringen zich niet
meer zal voordoen.
2.2.3.
Nawerking
Huidige
regeling
Onder
bepaalde voorwaarden kan iemand die niet
meer verzekerd is in aanmerking komen
voor ziekengeld of een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ("nawerking"). Op grond van de
nawerkingsregeling in de ZW
(artikel 46), de
WAO (artikel
17) en de Wet WIA
(artikel 10) bestaat in de volgende twee
situaties recht op een uitkering:
- Als de betrokkene die twee maanden
onafgebroken verzekerd is geweest,
binnen één maand daarna ziek wordt. De
termijn van twee maanden wordt niet
geacht te zijn onderbroken als de
betrokkene gedurende niet meer dan zeven
dagen niet verzekerd is geweest.
- Als de betrokkene die in de twee maanden
vóór het einde van de verzekering op ten
minste zestien dagen verzekerd is
geweest, binnen acht dagen na het einde
van zijn verzekering ziek wordt.
Aanleiding
tot deregulering
Er
zijn verschillende redenen om tot
deregulering van de nawerkingsregeling
over te gaan. Allereerst omdat de
uitvoering ervan complex is als er
sprake is van kortdurende
dienstbetrekkingen die elkaar binnen
korte tijd opvolgen. Als deze
dienstbetrekkingen elkaar binnen acht
dagen opvolgen, kan eventueel een beroep
worden gedaan op de eerstgenoemde
situatie van nawerking. De
verzekeringsplicht loopt dan als het
ware door tijdens een onderbreking van
minder dan acht dagen. Als de
verzekeringsplicht, met inbegrip van de
periode van onderbreking, ten minste
twee maanden heeft geduurd, heeft de
betrokkene recht op een uitkering als
hij binnen één maand na het einde van de
laatste dienstbetrekking ziek wordt.
Bij
een onderbreking van meer dan zeven
dagen tussen twee dienstbetrekkingen
kan eventueel een beroep worden gedaan
op de tweede situatie van nawerking.
Daarvoor moet het UWV
vaststellen of de
betrokkene in de twee maanden
voorafgaande aan het einde van de
laatste dienstbetrekking op ten minste
zestien dagen heeft gewerkt. Het zal
duidelijk zijn dat dit bij kortdurende
dienstbetrekkingen die elkaar opvolgen
gecompliceerd kan zijn.
De
regeling van nawerking heeft vooral
betekenis voor degenen die kortdurende
dienstbetrekkingen hebben die elkaar
binnen korte tijd opvolgen. Vooral in
deze gevallen is de regeling juist
moeilijk uitvoerbaar, rblz.|12|
omdat het UWV
moet
vaststellen of iemand in een periode van
twee maanden op ten minste zestien dagen
heeft gewerkt. Bovendien heeft de
betrokkene in deze gevallen alleen recht
op een uitkering als hij binnen acht
dagen na het einde van zijn (laatste)
dienstbetrekking ziek wordt. Als hij
meer dan zeven dagen niet werkt tussen
twee dienstbetrekkingen, zal hij - als
hij verzekerd wil blijven - zich
alsnog vrijwillig moeten verzekeren.
Kort
samengevat: nawerking heeft vooral
betekenis als kortdurende
dienstbetrekkingen elkaar binnen korte
tijd opvolgen. In dat geval is de
regeling echter moeilijk uitvoerbaar.
Voorgestelde
regeling
Het
voorstel is om de nawerkingsregeling in
die zin te vereenvoudigen dat iemand
recht heeft op een uitkering als hij
binnen vier weken na afloop van de
verplichte verzekering, ziek wordt. De
verzekeringsplicht behoeft dus niet een
bepaalde periode te hebben geduurd.
Het
voorstel heeft geen gevolgen voor de
hoogte en duur van de huidige
uitkeringen.
2.2.4.
Collectieve ziekteaangifte door de
werkgever
Huidige
regeling
Artikel 38a, tweede lid,
ZW bepaalt dat een
werkgever van elke afzonderlijke
ziekmelding van een werknemer die recht
heeft op uitbetaling van ziekengeld
aangifte moet doen bij het UWV
uiterlijk
op de vierde dag van de ongeschiktheid
tot werken. Als de werkgever de aangifte
te laat doet, wordt het ziekengeld niet
uitbetaald tot de datum waarop de
ziekteaangifte is gedaan. Achterliggende
gedachte van deze regeling is dat het
UWV gebaat is bij een spoedige aangifte
door de werkgever, zodat in een zo vroeg
mogelijk stadium kan worden begonnen met
begeleiding van en controle op de zieke
verzekerde (zie artikel
39, eerste lid, ZW).
Aanleiding
tot deregulering
In
een aantal situaties voert het UWV
bij
controle en verzuimbegeleiding een
terughoudend beleid. Dit betreft
situaties waarin het dienstverband met
de werkgever tijdens ziekte doorloopt.
De werkgever is immers primair
verantwoordelijk voor de controle en
begeleiding van het ziekteverzuim. Het
gaat om de situaties waarin ziekengeld
wordt ontvangen vanwege:
- zwangerschap of bevalling (artikel 29a
ZW);
- de no-riskpolis
(artikel 29b
ZW);
- orgaandonatie (artikel
29, tweede lid,
onderdeel e, ZW).
In
deze situaties is het voor het UWV
niet
noodzakelijk om zo snel mogelijk de
aangifte van de werkgever te ontvangen.
Ook voor de werknemers is dat niet van
belang, omdat de werkgever het loon moet
doorbetalen. De aangifte is vooral nodig
omdat het UWV het ziekengeld aan de
werkgever uitbetaalt. De hiervoor
genoemde sanctie is in deze gevallen
hoog: als de werkgever één dag te laat
aangifte doet, moet hij over vijf dagen
het loon doorbetalen.
Voorgestelde
regeling
Gelet
op de geringe noodzaak van een snelle
aangifte, wordt voorgesteld dat de
werkgever in de hiervoor genoemde
situaties deze aangifte binnen uiterlijk
zes weken moet doen. Dit stelt de
werkgever in staat om zijn werknemers
collectief ziek te melden via één
maandelijkse aangifte. Zo kan de
werkgever bijvoorbeeld begin april
aangifte doen van alle ziektegevallen
die zijn begonnen in de maand maart.
rblz.|13|
De
werkgever behoeft zodoende geen aangifte
meer te doen van ieder ziektegeval
afzonderlijk. Vooral voor werkgevers met
veel werknemers betekent dat een
aanzienlijke administratieve
lastenverlichting. Een ander voordeel is
dat het UWV
minder vaak een sanctie zal
behoeven op te leggen.
Daarnaast
wordt voorgesteld om een te late
aangifte door een werkgever op dezelfde
manier te sanctioneren als nu bij een te
late herstelmelding (zie artikel 38a,
vijfde lid, ZW). In deze situatie legt
het UWV de nalatige werkgever een boete
op van ten hoogste €|455,-.
Deze
sanctie gaat overigens ook gelden voor
overheidswerkgevers. Tot nu toe kan - gelet op de letterlijke tekst van
artikel 38a, derde lid, ZW
- de
sanctie alleen worden opgelegd aan
werkgevers met een
loondoorbetalingsverplichting als
bedoeld in artikel 629 van het Burgerlijk
Wetboek [lees: van Boek
7 van het BW, red.]. Op het moment van
invoering van artikel 38a
ZW
vielen
werknemers in de overheidssector nog
niet onder de werking van de ZW.
Toen dat later alsnog gebeurde, is
verzuimd artikel
38a ZW
aan te passen.
Deze omissie wordt nu hersteld.
Tot
slot vindt een noodzakelijke wijziging
van de regeling over de herstelmelding
plaats. De werkgever moet binnen twee
dagen nadat de werknemer zich hersteld
heeft gemeld, dit aan het UWV
meedelen.
Dit zou kunnen meebrengen dat een
werkgever dat eerder moet doen dan de
ziekteaangifte. Daarom wordt geregeld
dat de werkgever het herstel niet eerder
behoeft te melden dan de datum waarop
hij ziekteaangifte doet. Voornoemde
termijn van twee dagen blijft echter
gehandhaafd. Dat kan meebrengen dat de
werkgever het herstel apart moet melden,
namelijk in de situatie dat de werknemer
herstelt vlak voordat de werkgever
ziekteaangifte doet of (lang) nadat de
werkgever die aangifte heeft gedaan.
Gevolgen
voor de uitkeringen
Het
voorstel heeft geen gevolgen voor het
recht op, de hoogte en de duur van de
uitkeringen.
Administratieve
lasten voor het bedrijfsleven
Het
voorstel betekent een aanzienlijke
verlichting van de administratieve
lasten voor werkgevers, met name voor
grote werkgevers. De werkgever kan
immers volstaan met één maandelijkse
aangifte van alle ziektegevallen.
Overheidswerkgevers zullen er voortaan
meer op attent zijn om hun werknemers
tijdig ziek te melden. Dat is overigens
geen administratieve lastenverzwaring,
want die verplichting bestaat ook nu,
met dien verstande dat er geen sanctie
wordt opgelegd bij niet-nakoming.
Uitvoeringskosten
Eén
collectieve maandelijkse aangifte van
alle ziektegevallen betekent een
aanmerkelijke vereenvoudiging voor de
uitvoering. Immers, het UWV
krijgt
eenmaal per maand een overzicht van alle
ziektegevallen die de maand daarvoor
zijn begonnen. Bovendien zal het UWV
door de verlenging van de
aangiftetermijn minder sancties
opleggen. Tot slot heeft het UWV baat
bij één uniforme uitvoering van
artikel 38a ZW
voor alle werkgevers.
2.2.5.
Eén regeling voor zwangerschaps- en
bevallingsuitkering
Huidige
regeling
De
werkneemster heeft in verband met haar
bevalling recht op zwangerschaps- en
bevallingsverlof (artikel 3:1 van de
Wet
arbeid en zorg (Wazo)). Het recht op
zwangerschapsverlof bestaat vanaf zes
weken vóór de rblz.|14|
vermoedelijke
bevallingsdatum. Het bevallingsverlof
gaat in op de dag na de bevalling en
bedraagt ten minste tien weken.
Artikel
3:7 Wazo bepaalt dat tijdens beide
verlofperioden een apart recht op
uitkering bestaat, respectievelijk een
zwangerschaps- en bevallingsuitkering; artikel 3:18 kent een vergelijkbare
bepaling. De vrouwelijke werknemer dient
hiertoe - al dan niet via de werkgever -
een aanvraag in te dienen bij het UWV
(artikel 3:11 en
3:12 Wazo). Voorts
dient zij binnen twee dagen na haar
bevalling de bevallingsdatum te melden
aan haar werkgever (artikel
3:3, eerste
lid, onderdeel b, Wazo).
Aanleiding
tot deregulering
Het UWV kent rond de bevalling twee aparte
uitkeringen toe aan de vrouwelijke
werknemer. Hiervoor dient het UWV
meerdere beschikkingen aan haar te
verzenden. Eerst ontvangt zij een
toekenningsbeslissing over de
zwangerschapsuitkering. Vervolgens
ontvangt zij na afloop daarvan een
beëindigingsbeslissing over de
zwangerschapsuitkering, direct gevolgd
door een toekenningsbeslissing over de
bevallingsuitkering. Tot slot ontvangt
zij na afloop daarvan een
beëindigingsbeslissing over de
bevallingsuitkering.
Dit
alles betekent een aanzienlijke
administratieve belasting voor het UWV.
Daarnaast leidt dit tot verbazing bij de
betrokken werkneemster. Immers, zij
wordt geconfronteerd met een papieren
rompslomp van toekennings- en
beëindigingsbeslissingen rond meerdere
uitkeringen, terwijl zij in de
veronderstelling verkeert slechts één
uitkering te hebben aangevraagd.
Voorgestelde
regeling
Het
voorstel is om tijdens het
zwangerschaps- en bevallingsverlof
voortaan één doorlopende uitkering te
versrekken. Inhoudelijk verandert er
verder niets aan de regeling, maar het
aantal UWV-beslissingen neemt behoorlijk
af. Dit maakt het voor de werkneemster
inzichtelijker.
Gevolgen
voor de uitkeringen
De
voorgestelde wijziging heeft geen
invloed op het recht, de hoogte en de
duur van de uitkering rond de bevalling.
Immers, twee rechten op uitkeringen
worden samengevoegd tot één recht
zonder wijzigingen aan te brengen in de
overige voorwaarden.
Administratieve
lasten voor de burger
De
wijziging brengt met zich dat de
werkneemster na het indienen van een
aanvraag van een uitkering nog maar
één toekenningsbeslissing ontvangt.
Hiermee wordt papieren rompslomp
voorkomen.
Uitvoeringskosten
De
voorgestelde wijziging betekent dat het UWV
slechts te maken heeft met de
toekenning en beëindiging van één
uitkering. De tussentijdse beëindiging
en toekenning bij de overgang van de
zwangerschaps- naar de
bevallingsuitkering komt immers te
vervallen. Dit betekent een verlaging
van de administratieve lasten. De
voorgestelde wijziging zal ook het
aantal vragen aan het UWV en het aantal
bezwaarzaken verminderen.
2.2.6.
Geen wachtdagen ZW als werkgever die
hanteert
Huidige
regeling
Een
werknemer heeft bij ziekte wettelijk
recht op doorbetaling van 70% van zijn
loon en kan daarnaast op grond van de
voor hem geldende CAO of
arbeidsovereenkomst een aanvulling
ontvangen. Daarom heeft hij in beginsel
geen recht op uitbetaling van
ziekengeld. In afwijking van deze rblz.|15|
hoofdregel wordt wel ziekengeld
uitbetaald aan werknemers die onder de
zogenaamde no-riskpolis vallen (artikel
29b ZW). De werkgever mag dit ziekengeld
in mindering brengen op het loon dat hij
moet doorbetalen (artikel 7:629, vijfde
lid, BW), waardoor hij financieel wordt
gecompenseerd voor zijn
loondoorbetaling. Dit laatste is de
ratio van de no-riskpolis.
De
werkgever mag in de arbeidsovereenkomst
ten hoogste twee wachtdagen bedingen
voordat hij het loon moet doorbetalen
(artikel 7:629, negende lid, BW). De
werknemer die onder de no-riskpolis valt, heeft in dat geval over deze
wachtdagen enkel recht op ziekengeld. De
hoogte van dit ziekengeld bedraagt 70%
van zijn dagloon. Na afloop van de
wachtdagen is de hoogte van het
ziekengeld gelijk aan het loon dat de
werkgever moet doorbetalen en daarom
meestal hoger dan 70% van het dagloon.
Met andere woorden, de zieke werknemer
die onder de no-riskpolis valt,
ontvangt na de wachtdagen een hoger
ziekengeld dan tijdens die wachtdagen.
Aanleiding
tot deregulering
Het
voorgaande is voor werkgever en
werknemer ondoorzichtig en voor het UWV
lastig uitvoerbaar. Immers, het UWV moet
bij ziekte die langer duurt dan één of
twee wachtdagen meestal twee keer een
uitkeringsbedrag vaststellen: over de
wachtdag(en) 70% en daarna (meestal)
100% van het dagloon.
Voorgestelde
regeling
Het
voorstel is om de hoogte van het
ziekengeld tijdens de wachtdag(en) van
de werkgever, gelijk te stellen aan het
ziekengeld na afloop van die
wachtdag(en). Het UWV
hoeft daardoor
niet meer na te gaan of een werkgever
wachtdagen hanteert.
Gevolgen
voor de uitkeringen
Het
voorstel heeft gevolgen voor werknemers
van wie het recht op loondoorbetaling na
één of twee wachtdagen begint. Zij
hebben straks tijdens die wachtdagen
recht op ziekengeld dat even hoog is als
na die wachtdagen. Dat betekent dat het
ziekengeld tijdens die wachtdagen hoger
is dan of gelijk is aan het bedrag dat
zij nu ontvangen. Het verschil kan
oplopen tot 30% van het dagloon. De
uitkeringslasten zullen hierdoor gering
stijgen (circa €|0,1 miljoen).
Administratieve
lasten voor het bedrijfsleven
In
de praktijk betaalt de werkgever het
loon door bij ziekte en betaalt het UWV
het ziekengeld aan de werkgever. In de
huidige situatie dient de werkgever - als hij wachtdagen hanteert
- aan
werknemers die onder de no-riskpolis
vallen het van het UWV ontvangen
ziekengeld van 70% dagloon over die
wachtdagen te betalen en daarna het bij
CAO of individuele arbeidsovereenkomst
afgesproken loon (meestal 100%). Dit is
voor werkgevers ondoorzichtig en
daardoor lastig. Door het voorstel
zullen de administratieve lasten dan ook
afnemen voor de werkgever, omdat hij
over de wachtdagen hetzelfde bedrag aan
de werknemer betaalt als na de
wachtdagen.
Uitvoeringskosten
Het UWV hoeft niet meer te onderzoeken of
een werkgever wachtdagen hanteert bij
zijn loondoorbetaling. Dit is voor het
UWV een vereenvoudiging van het proces
van berekening en toekenning van het
ziekengeld.
rblz.|16|
2.2.7.
Overlijdensuitkering
Huidige
regeling
Het UWV betaalt op aanvraag een
overlijdensuitkering uit aan
nabestaanden op grond van de ZW
(artikelen 35 en
36), Wet WIA
(artikel 74),
WAO (artikel
53), WAZ
(artikel 61),
Wet inkomensvoorziening oudere werklozen
(IOW) (artikel
29), Toeslagenwet (TW)
(artikel 23) en Wet
Wajong (artikelen
2:56 en 3:54). Ook de
Sociale
verzekeringsbank (SVB) betaalt
(ambtshalve) een overlijdensuitkering
aan nabestaanden op grond van de
Algemene ouderdomswet (AOW) (artikel
18)
en Algemene nabestaandenwet (Anw)
(artikel 51). Recht op een
overlijdensuitkering hebben:
a.
de echtgenoot;
b.
als er geen echtgenoot is, de
minderjarige kinderen;
c.
als er geen echtgenoot is of
minderjarige kinderen zijn, de persoon
met wie de overledene in gezinsverband
leefde en ten aanzien van wie hij
grotendeels in de kosten van het bestaan
voorzag. Volgens vaste jurisprudentie
van de Centrale Raad van Beroep is
daarvan sprake als de overledene voor
meer dan 50% bijdroeg aan de
bestaanskosten van de betrokkene.
Onder
categorie c vallen onder meer de
volgende groepen personen:
- thuiswonende, meerderjarige eigen
kinderen;
- inwonende pleegkinderen (zowel
minderjarig als meerderjarig); en
- samenwonende broers en zussen.
Aanleiding
tot deregulering
Het UWV is er vaak van op de hoogte dat er
nabestaanden zijn met recht op een
overlijdensuitkering. Daarbij gaat het
meestal om de echtgenoot of, in mindere
mate, de minderjarige kinderen. Het UWV
mag echter pas de overlijdensuitkering
toekennen als door de rechthebbende een
aanvraag daartoe is gedaan. Het UWV
wijst hen daarop.
Het
recht op overlijdensuitkering voor
degenen die werden onderhouden door de
overledene (categorie c) is in de
praktijk nauwelijks vast te stellen. Ten
eerste weten het UWV
en de SVB niet van
het bestaan van deze mensen. En ten
tweede is een lastig en tijdrovend
onderzoek nodig om vast te stellen of
zij grotendeels door de overledene
werden onderhouden.
Voorgestelde
regeling
Er
worden twee wijzigingen van de bestaande
regeling voorgesteld. Ten eerste mag - evenals de
SVB - het UWV
het recht op
overlijdensuitkering ook ambtshalve
vaststellen en uitbetalen. Ten tweede
wordt bij categorie c de eis geschrapt
dat de overledene grotendeels in de
bestaanskosten van de betrokkene
voorzag. Deze personen moeten wel op
hetzelfde adres als de overledene staan
ingeschreven in de gemeentelijke
basisadministratie [lees:
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, red.].
De SVB heeft reeds de mogelijkheid om
ambtshalve een overlijdensuitkering uit
te keren aan de nabestaande op grond van
de Anw (artikel
51) en de AOW
(artikel 18). Voorgesteld wordt in de
Anw en de
AOW ook de eis te schrappen dat de
overledene grotendeels in de
bestaanskosten van de betrokkenen
voorzag.
Gevolgen
voor de uitkeringen
De
mogelijkheid tot ambtshalve toekenning
van een overlijdensuitkering heeft geen
gevolgen voor het recht op of de omvang
van de overlijdensuitkering. Doordat het
UWV niet langer behoeft af te wachten of
een aanvraag zal worden ingediend,
zullen vaker overlijdensuitkeringen
worden toegekend.
rblz.|17|
Door
het schrappen van de eis dat de
overledene grotendeels in de
bestaanskosten voorzag, zullen meer
personen recht hebben op een
overlijdensuitkering. De toename van het
aantal overlijdensuitkeringen zal echter
gering zijn (circa €|0,5 miljoen)
Administratieve
lasten voor de burger
Als
het UWV over de benodigde gegevens
beschikt, stelt het ambtshalve het recht
op overlijdensuitkering vast voor de
echtgenoot en minderjarige kinderen.
Indien het UWV daartoe niet in staat is,
zullen zij een overlijdensuitkering
moeten aanvragen.
Voor
de personen in categorie c betekenen de
wijzigingen een verlichting van de
administratieve lasten, omdat niet meer
behoeft te worden aangetoond dat de
overledene grotendeels in hun
bestaanskosten voorzag.
Uitvoeringskosten
Het
ambtshalve toekennen van de
overlijdensuitkering leidt tot een
daling van de uitvoeringskosten.
Belangrijkste reden daarvan is het
wegvallen van de informatiebrief met
aanvraagformulier aan nabestaanden.
Verder leidt het feit dat er geen
beoordelingen meer nodig zijn of de
overledene grotendeels voorzag in de
bestaanskosten, tot een aanmerkelijke
verlaging van de uitvoeringskosten.
2.2.8.
Ontheffing wegens gemoedsbezwaren
Huidige
regeling
Iemand
kan wegens gemoedsbezwaren ontheven
worden van onder andere de
verplichtingen op grond van één of
meer werknemersverzekeringen of
volksverzekeringen (artikel 64
Wfsv). De
voorwaarde om als gemoedsbezwaarde te
worden aangemerkt, is dat men
onoverkomelijke bezwaren heeft tegen een
bepaalde vorm van verzekering. De
gemoedsbezwaarde betaalt voor de
volksverzekeringen een premievervangende
belasting die gelijk is aan de premie(s)
die nu niet behoeven te worden
afgedragen.
De SVB beoordeelt desgevraagd of de
bezwaren kunnen worden erkend. Zo ja,
dan meldt de SVB dit aan bepaalde
instanties, zoals de belastingdienst
en
het UWV.
Aanleiding
tot deregulering
In
de huidige situatie kan iemand wegens
gemoedsbezwaren voor elke werknemers- en
volksverzekering apart als
gemoedsbezwaarde worden erkend. Dit
betekent dat de betrokkene bij zijn
aanvraag moet vermelden voor welke
verzekering hij wel en voor welke
verzekering hij geen ontheffing van zijn
verplichtingen verzoekt. De SVB
moet
vervolgens per verzekering registreren
aan wie een ontheffing is verleend.
Verder moet de SVB aan de hiervoor
bedoelde instanties doorgeven voor welke
verzekeringen aan iemand een ontheffing
is verleend. De berichten van de SVB aan
die instanties zijn dan ook heel
gevarieerd van inhoud.
Uit
cijfers van de SVB
blijkt dat er geen
behoefte bestaat aan ontheffing van de
verplichtingen per
werknemersverzekering. In juli 2007
stonden 11 438 personen geregistreerd
als gemoedsbezwaard, van wie 11 399
(99,67%) personen ontheven waren van de
verplichtingen voor álle
werknemersverzekeringen. Voor de
volksverzekeringen is het beeld
gevarieerder: 9541 (83,4%) waren
ontheven van de verplichtingen voor
álle volksverzekeringen. Bij de
volksverzekeringen blijkt dus meer
behoefte te bestaan aan ontheffing per
verzekering.
rblz.|18|
Voorgestelde
regeling
Het
voorstel is om het bij de
werknemersverzekeringen niet meer
mogelijk te maken om per verzekering aan
te geven of men ontheffing wil van de
verplichtingen. Dit betekent dat iemand
ófwel een ontheffing verkrijgt voor
álle werknemersverzekeringen, ófwel
geen ontheffing krijgt.
Uitvoeringskosten
Het
voorstel maakt de uitvoering van de
regeling minder complex.
2.2.9.
Harmonisatie delegatiegrondslag voor
inkomensbesluiten
Huidige
regeling
In
diverse socialezekerheidswetten is
bepaald dat eventuele inkomsten van een
uitkeringsgerechtigde - geheel of
gedeeltelijk - verrekend dienen te
worden met de uitkering. Daarvoor is in
die wetten een delegatiegrondslag
opgenomen, zodat in lagere regelgeving
kan worden bepaald wat onder inkomen
moet worden verstaan. Op dit moment
bestaan reeds inkomensbesluiten op grond
van de Wet WIA, de
WW, de Anw, de
AOW,
de TW, de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werknemers (Ioaw), de Wet
inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen (Ioaz), de IOW en de Wet
Wajong.
Aanleiding
tot deregulering
De
delegatiegrondslagen voor de
inkomensbesluiten zijn niet eenduidig
geformuleerd. Zo worden verschillende
termen voor het begrip "inkomen"
gebruikt, terwijl daarmee hetzelfde
wordt bedoeld.
Voorgestelde
regeling
Het
voorstel is om de hiervoor bedoelde
delegatiegrondslagen te uniformeren.
Daarnaast wordt ook in de ZW
een
delegatiegrondslag opgenomen op grond
waarvan kan worden bepaald wat onder
inkomen in de zin van die wet wordt
verstaan. Hiermee wordt het mogelijk
gemaakt om te komen tot één
inkomensbesluit. Dit leidt niet tot
materiële wijzigingen. Het leidt wel
tot harmonisatie van regelgeving, wat de
duidelijkheid ten goede komt.
Er
zijn twee delegatiegrondslagen te
onderscheiden: één voor de
werknemersverzekeringen en één voor de
volksverzekeringen én de
inkomensvoorzieningen. Dit onderscheid
houdt verband met het feit dat in de
volksverzekeringen en sommige
inkomensvoorzieningen - anders dan in
de werknemersverzekeringen - onderscheid wordt gemaakt tussen "inkomen uit
arbeid" en "overig inkomen", omdat van het eerstgenoemde
inkomen een deel wordt vrijgelaten en
het laatstgenoemde inkomen volledig in
mindering wordt gebracht op de
uitkering.
Voornoemde
wijziging brengt specifieke gevolgen
voor artikel 44
WAO en artikel 3:48
Wet Wajong
mee. Ten eerste wordt in de
eerste twee leden van die artikelen het
begrip "inkomen uit arbeid" veranderd
in "inkomen". Verder is van de
gelegenheid gebruikgemaakt om de
bedoeling van het artikel te
verduidelijken. In het voorgestelde
eerste lid van beide artikelen wordt
bepaald dat het
arbeidsongeschiktheidspercentage niet
wordt verlaagd als een
arbeidsongeschikte een inkomen gaat
verdienen, maar dat bij de berekening
van de hoogte van de uitkering wordt
gedaan alsof dat percentage wel is
verlaagd. Materieel betekent dat geen
wijziging ten opzichte van de huidige
situatie. In het voorgestelde tweede lid
van beide artikelen wordt bepaald
wanneer de in het eerste lid bedoelde
termijn van vijf jaar aanvangt. Dat is
ten eerste het geval als een
arbeidsongeschikte arbeid gaat
verrichten. Ook dat betreft geen
materiële wijziging van de huidige
situatie, maar een precisering. Ten
tweede wordt bepaald dat een rblz.|19|
nieuwe
termijn van vijf jaar aanvangt als een
arbeidsongeschikte arbeid in een andere
dienstbetrekking gaat verrichten. Dat is
een verruiming in die zin dat in de
huidige situatie een nieuwe termijn van
vijf jaar enkel aanvangt als tussen de
elkaar opvolgende dienstbetrekkingen een
periode van ten minste vier weken ligt.
Tot
slot worden in het voorgestelde derde
lid van beide artikelen twee situaties
geregeld. De eerste situatie (het
voorgestelde onderdeel b) betreft de
situatie dat een arbeidsongeschikte zijn
werkzaamheden tijdelijk onderbreekt,
bijvoorbeeld vanwege ziekte, vakantie of
onbetaald verlof. In die situatie loopt,
evenals nu, de termijn van vijf jaar
door. De tweede situatie (het
voorgestelde onderdeel a) betreft de
situatie dat een arbeidsongeschikte niet
meer werkt en daarom een uitkering
ontvangt, bijvoorbeeld een WW-uitkering.
In die situatie wordt de termijn van
vijf jaar onderbroken als de betrokkene
gedurende meer dan vier weken die
uitkering ontvangt. Hierdoor eindigt de
termijn waarover voornoemde artikelen
wordt toegepast niet eerder dan nadat
het recht op uitkering is geëindigd.
Gevolgen
voor de uitkeringen
Het
voorstel heeft als zodanig geen gevolgen
voor het recht op, de hoogte en de duur
van de uitkeringen.
Administratieve
lasten voor het bedrijfsleven
Het
voorstel heeft geen gevolgen voor de
administratieve lasten voor het
bedrijfsleven of burgers.
Uitvoeringskosten
Het
voorstel heeft geen gevolgen voor de
uitvoeringskosten.
3.
Financiële gevolgen
De
consequenties op de uitkeringslasten van
onderhavig wetsvoorstel zijn zeer gering
(circa €|0,8 miljoen). Wel zijn er
consequenties bij de uitvoeringskosten
en de administratieve lasten van
bedrijven en burgers voor de
werknemersverzekeringen.
Het
pakket maatregelen leidt tot
vereenvoudiging van de uitvoering door
het UWV, waardoor de uitvoeringskosten
met circa €|3 miljoen zullen
verminderen. Het pakket maatregelen
maakt onderdeel uit van de besparingen
als gevolg van het programma
Vernieuwing.
De
geraamde besparing op de administratieve
lasten bedrijven [lees: voor bedrijven, red.]
is het gevolg van de
maatregel "collectieve ziekteaangifte
door de werkgever" (paragraaf
2.2.4).
Tot slot hebben vier maatregelen uit het
wetsvoorstel een besparing op de
administratieve lasten voor burgers tot
gevolg. Hieronder worden de financiële
effecten nader uiteengezet.
Uitvoeringskosten
Het
onderhavige wetsvoorstel leidt tot een
betere stroomlijning van het proces van
vaststelling van de uitkeringen. Dit
leidt tot een structurele besparing van
ongeveer €|3 miljoen op de
uitvoeringskosten.
Administratieve
lasten bedrijven
De "collectieve ziekteaangifte door de
werkgever" (paragraaf
2.2.4) betekent
vanaf 2011 een structurele
administratieve lastenverlichting voor
werkgevers van €|2,9 miljoen. De
totale administratieve lasten voor
bedrijven uit hoofde van de ZW
bedragen ruim €|16 miljoen. De
gemoeide ziekengeldregelingen vanwege
zwangerschap of bevalling, de no-riskpolis
en orgaandonatie zijn goed
voor ongeveer 20% van het totaal aantal
ziekteaangiftes. De mogelijke besparing
is derhalve €|3,2 miljoen. Alleen
grote werkgevers realiseren echter een
vermindering van de lasten door de
eenmalige ziekteaangifte. Zij zullen
immers minder ziekteaangiftes rblz.|20|
hoeven doen omdat gevallen nu worden
gecombineerd. Omdat grote werkgevers
(met meer dan 40 werknemers) 90% van de
ziekmeldingen voor hun rekening nemen,
betekent de maatregel een
administratieve lastenverlichting voor
werkgevers van 0,90 * €|3,2 miljoen =
€|2,9 miljoen.
Administratieve
lasten burgers
De
volgende vier maatregelen uit de
totaallijst leiden tot een structurele
besparing op de administratieve lasten
voor burgers:
- Arbeidsongeschiktheid bij aanvang
verzekering (paragraaf
2.2.1): Het
aantal beoordelingen binnen de ZW
vanwege vermeende of dreigende
arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de
verzekering bedraagt ongeveer 1000
gevallen per jaar. Deze worden in de
nieuwe situatie niet meer uitgevoerd.
Omdat een beoordeling de burger in
totaal 220 minuten en €|1,30 kost,
leidt dit tot een besparing van 3700
uur en €|1300,-.
- Samenloop ZW- met
arbeidsongeschiktheidsuitkering (paragraaf
2.2.2): De aanvraag bij het UWV
voor herziening, heropening en
herleving van de uitkering vervalt. De
tijdsbesparing bedraagt 25 minuten voor
het totaal van 2700 gevallen. Voor een
kwart van de gevallen leidde dit tot
aanvullende informatie-uitvraag door het
UWV en een bezoek aan de
arbeidsdeskundige of verzekeringsarts.
De besparing hiervan bedraagt 110
minuten en €|1,28 per geval. In totaal
bedraagt de besparing 2400 uur en €|850,-.
- Eén regeling voor zwangerschaps- en
bevallingsuitkering (paragraaf
2.2.5):
Samenvoeging van deze uitkeringen leidt
tot een afname van het aantal
uitkeringaanvragen met 128 000 per jaar.
Dit leidt tot een afname van het aantal
beschikkingen (zowel toekenning als
beëindiging). De verwerking hiervan
kost in totaal 10 minuten en levert
derhalve een administratieve
lastenverlichting op van ruim 21 000
uur.
- Overlijdensuitkering (paragraaf
2.2.7):
Voor 8000 personen vervalt het aanvragen
van de uitkering. Er is 25 minuten per
geval mee gemoeid. De administratieve
lastenbesparing komt daarmee uit op 3300
uur.
Samenvatting
In
onderstaande tabel worden de totale
financiële effecten van alle onderdelen
van het wetsvoorstel samengevat.
Tabel.
Structurele financiële gevolgen na de
invoeringsdatum van het voorstel van Wet
harmonisatie en
vereenvoudiging
socialezekerheidswetgeving (in miljoen
euro, tenzij anders vermeld):
| Uitvoeringskosten |
–3xxxxxxxx |
| Administratieve
lasten bedrijven |
–2,9xxxxxxxx |
| Administratieve
lasten burgers (uren) |
–30 400xxxxxxxx |
| Administratieve
lasten burgers (in duizend euro) |
–2,15xxxxxxxx |
4.
Commentaren en adviezen
Het UWV, de
SVB, de Inspectie Werk en
Inkomen (IWI) en de belastingdienst
hebben toetsen op de uitvoerbaarheid,
aspecten van toezichtbaarheid en
handhaafbaarheid van de voorstellen uitgebracht. Tevens heeft het
Adviescollege toetsing administratieve
lasten (Actal) advies op het aspect van
administratieve lasten gegeven. In deze
paragraaf wordt per onderdeel aangegeven
hoe de commentaren zijn verwerkt. Het
advies van Actal gaf geen aanleiding tot
aanpassing van het
voorstel.
rblz.|21|
4.1.
Ontvangen commentaren bij paragraaf 2.1
(Premieheffing)
Commentaren
van het UWV
en de belastingdienst
hebben
geleid tot aanpassingen van de
premieheffingsonderdelen.
Er
heeft aanvullend overleg plaatsgevonden
met het UWV over de concrete vormgeving van
het voorstel 2.1.3 [lees: het voorstel
in paragraaf 2.1.3,
red.] om de premieheffing
aan te sluiten bij de loonheffing en uit
te gaan van 260 dagen. Voorgesteld werd
om de berekeningssystematiek van het UWV
voor de daglonen, die nu gebaseerd is op
gemiddeld 261 uitkeringsdagen in een
kalenderjaar, ook op maximaal 260 dagen
te baseren. Aangezien er geen dwingende
reden is om ook voor de uitkeringen uit
te gaan van maximaal 260 dagen en het
feit dat de winst voor UWV zeer gering
is, blijft de dagloonvaststelling
gehandhaafd op 261 dagen. Het voorstel
is aangepast.
Tevens
heeft overleg met het UWV plaatsgevonden
over de juridische vertaling van het
voorstel 2.1.5 [lees: het voorstel in paragraaf
2.1.5, red.] over de
werkgeversbetalingen.
Mede
naar aanleiding van commentaar van de belastingdienst
wordt voorgesteld om
voorstel 2.1.6 [lees: het voorstel in paragraaf
2.1.6, red.] om de beperking op te
heffen voor
gemeenten om
eigenrisicodrager te worden voor het
onderwijzend personeel in dienst van de
gemeente, niet per 1 januari, maar per 1
juli 2011 inwerking te doen treden.
Gemeenten die reeds eigenrisicodrager
zijn, hebben dan de tijd tot 1 april
2011 om te kiezen of ze het
eigenrisicodragerschap willen
beëindigen dan wel ook
eigenrisicodrager te worden voor hun
onderwijzend personeel. Gemeenten kunnen
zich dan beter voorbereiden en er hoeft
niet afgeweken te worden van de
wettelijke termijnen voor aanvraag of
beëindiging van het
eigenrisicodragerschap.
4.2.
Ontvangen commentaren bij paragraaf 2.2
(Arbeidsongeschiktheid)
Het UWV heeft enkele opmerkingen gemaakt
over de vaststelling en herleiding naar
een dagbedrag van de inkomsten uit
arbeid tijdens het ontvangen van
ziekengeld. Deze opmerkingen zullen
worden meegenomen bij de opstelling van
het algemene inkomensbesluit. In dat
algemene inkomensbesluit zal ook voor de
ZW worden geregeld wat onder inkomen
wordt verstaan.
Het UWV heeft enkele suggesties gedaan voor
een andere formulering van de
voorgestelde wetteksten waarin de
samenloop van een ZW- met een
arbeidsongeschiktheidsuitkering worden
geregeld. Deze suggesties zijn allemaal
overgenomen.
Het UWV, de
IWI en de
belastingdienst
hebben
opgemerkt dat in de aan hen voorgelegde
conceptwetteksten de bepalingen over
nawerking werden geschrapt in plaats van
gewijzigd. Deze omissie is in het
voorliggende wetsvoorstel hersteld.
Het UWV heeft twee situaties genoemd waarin
bij de keuze voor een collectieve
ziekteaangifte een ziekmelding moet
plaatsvinden binnen zes weken. Dit betreft
onder andere de situatie dat het
dienstverband eindigt in die periode.
Deze twee uitzonderingen zijn in het
voorliggende wetsvoorstel geregeld.
De IWI heeft erop gewezen dat
- evenals
het UWV
- ook de SVB
overlijdensuitkeringen toekent aan
nabestaanden. Ook voor de SVB geldt dat
zij ten aanzien van een nabestaande in
de zogenaamde c-categorie (de persoon
met wie de overledene in gezinsverband
leefde) moet vaststellen of de
overledene grotendeels in diens kosten
van het bestaan voorzag. De IWI heeft
aanbevolen om ook voor de SVB deze
voorwaarde voor rblz.|22|
toekenning van de
overlijdensuitkering te schrappen. Deze
aanbeveling is overgenomen.
De SVB heeft aangegeven dat voor het
voornemen om - vanwege gemoedsbezwaren -
het niet meer mogelijk te maken om
per werknemersverzekering ontheffing te
verlenen van de verplichtingen, geen
overgangsrecht was getroffen. Dit is
alsnog geregeld in die zin dat bestaande
ontheffingen in stand blijven.
Over
het voornemen om de delegatiegrondslag
voor de inkomensbesluiten te
harmoniseren, heeft de SVB
opgemerkt dat
volgens de geldende jurisprudentie
enkele inkomensbestanddelen niet als
"inkomen uit of in verband met
arbeid" worden aangemerkt. Als deze
inkomensbestanddelen straks wel als
inkomen worden aangemerkt, dan brengt
het voornemen wijzigingen in de hoogte
van de uitkeringen mee. Daarnaast merkt
de SVB op dat het schrappen van artikel
20 Anw meebrengt dat buitenlandse
uitkeringen niet meer in mindering op de
Anw-uitkering kunnen worden gebracht,
tenzij dat wordt geregeld in het
voorgenomen algemene inkomensbesluit.
Dit is afhankelijk van de vraag wat in
het voorgenomen algemene inkomensbesluit
zal worden geregeld. Bij de
totstandkoming daarvan zal de SVB worden
betrokken.
Ook
de IWI heeft enkele opmerkingen gemaakt
over voornoemde delegatiegrondslag. Ten
eerste dat in het voorgestelde artikel
44, tweede lid, WAO
wordt voorgesteld
dat een nieuwe termijn van vijf jaar
aanvangt als de betrokkene arbeid "in
dienstbetrekking" gaat verrichten. Dit
zou meebrengen dat er geen nieuwe
termijn zou aanvangen als de betrokkene
arbeid "als zelfstandige" gaat
verrichten. Naar aanleiding van deze
opmerking zijn de woorden "in
dienstbetrekking" geschrapt. Ten tweede
heeft de IWI gevraagd om de formulering
van het derde lid te heroverwegen. Deze
heroverweging heeft ertoe geleid dat de
tekst van de toelichting is
gepreciseerd. Ten derde heeft de IWI
erop gewezen dat opvalt dat de
delegatiegrondslag voor het
inkomensbesluit op grond van de WAZ
buiten de harmonisatie blijft. De reden
daarvoor is dat dit inkomensbesluit geen
onderdeel zal uitmaken van het algemene
inkomensluit dat wordt voorbereid. Dat
heeft als achtergrond dat de WAZ geen
nieuwe instroom meer kent. Met andere
woorden, de WAZ kan op termijn worden
afgeschaft. Het heeft geen toegevoegde
waarde om voor die periode het Inkomensbesluit
WAZ op te nemen in het
algemene inkomensbesluit.
Artikelsgewijs
Aangezien dit wetsvoorstel over veel
verschillende onderwerpen gaat, is
vanuit het oogpunt van duidelijkheid
gekozen om in het artikelsgewijze deel
van de memorie van toelichting aan te
sluiten bij de indeling van het algemeen
deel van de memorie van toelichting. Dit
betekent dat aan de hand van de
verschillende onderwerpen die in het
algemeen deel worden beschreven de
gewijzigde artikelen worden toegelicht.
rblz.|23|
1.
Premieheffing
Opheffing
Arbeidsongeschiktheidskas
Artikel
IV (wijziging van de Wet
financiering sociale verzekeringen),
met uitzondering van onderdeel
B, C, K,
N, O en
S, artikel V (wijziging
van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering),
onderdeel A, K,
L, M,
N, O,
P en Q, en
artikel VIII (wijziging van de Ziektewet),
onderdeel A (artikel
11a).
De betreffende wijzigingen houden
verband met de opheffing van de
Arbeidsongeschiktheidskas (Aok) met
ingang van 1 januari 2011 en per die
datum de financiering van de WAO
te realiseren via het Aof. Zie in dit
verband ook de algemene
toelichting bij dit onderwerp.
Wijzigingen
Wet financiering sociale verzekeringen
Met betrekking tot de middelen van de
Aok, bedoeld in artikel 116
van de
Wfsv,
wordt het volgende opgemerkt. Onderdeel
a kan vervallen omdat dit geen
relevantie meer heeft in verband met de
afschaffing van de Aok. De onderdelen b
en e kunnen vervallen, waarna
op grond van het bestaande artikel
114, onderdeel
c, van de Wfsv
de betreffende inkomsten ten gunste
komen van het Aof. Onderdeel c,
dat betrekking heeft op verhaalsrechten
op oude eigenrisicodragers WAO,
kan vervallen omdat hoofdstuk
IIIa van de WAO
(eigen risico dragen) is vervallen.
Indien nog middelen door het UWV
worden ontvangen door toepassing van het
voorgestelde artikel 91h
van de WAO
(overgangsrecht), komen deze middelen
ten gunste van het Aof op grond van de
voorgestelde wijziging van artikel
114, onderdeel b, van de Wfsv.
Voor zover met toepassing van artikel 91h
van de WAO
door het UWV nog uitgaven moeten worden
gedaan, komen deze ten laste van het Aof
op grond van artikel
115, eerste lid, onderdeel a,
van de Wfsv.
Met betrekking tot de uitgaven van de
Aok, bedoeld in artikel 117
van de
Wfsv,
wordt het volgende opgemerkt. Het eerste
tot en met het zesde lid hebben
betrekking op de uitgaven in verband met
WAO-uitkeringen
gedurende de eerste vijf jaar met
eventueel een verlengde periode. Deze
leden vervallen, waarna op grond van het
bestaande artikel
115, eerste lid, onderdeel a,
van de Wfsv
de betreffende uitgaven ten laste komen
van het Aof. Het zevende en achtste lid
kunnen vervallen omdat deze geen
relevantie meer hebben in verband met de
afschaffing van de Aok.
Het negende
lid, onderdeel a en b,
kan vervallen, waarna op grond van het
bestaande
artikel 115, eerste lid, onderdeel m,
respectievelijk onderdeel p, van
de
Wfsv de
betreffende uitgaven ten laste komen van
het Aof.
Wijzigingen
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
Uit de Aok worden de WAO-uitkeringen
gedurende de eerste vijf jaar betaald
van werknemers die niet in dienst waren
van een eigenrisicodrager WAO. Daarna
komen deze lasten voor rekening van het
Aof. De laatste WAO-uitkeringen zijn
toegekend in 2004 en na 2009 komen dus
geen WAO-uitkeringen meer ten laste van
de Aok, behalve enkele na-ijlende
effecten van uitkeringen wegens late
toekenningen en beroepszaken, en
uitvoeringskosten. In verband hiermee
wordt voorgesteld om alle vermogensbestanddelen
uit de Aok over te laten gaan naar het
Aof. Dit is geregeld in het voorgestelde artikel 122h
van de Wfsv.
In verband met de opheffing van de Aok
en daarmee ook het vervallen van de
uniforme premie voor de Aok worden de WAO-uitkeringen
van werknemers die niet in dienst waren
van een eigenrisicodrager WAO voortaan
betaald uit het Aof. Met het oog op een
gelijke behandeling van publiek
verzekerde werkgevers WAO en
eigenrisicodragers WAO zijn rblz.|24|
hoofdstuk
IIIa van de WAO
(Eigen risico dragen door de werkgever)
en de hiermee samenhangende bepalingen
of onderdelen hiervan in de WAO en de Wfsv
geschrapt. Dit brengt met zich mee dat
ook de WAO-uitkeringen van werknemers
van eigenrisicodragers WAO voortaan
worden betaald uit het Aof. Gelet op
artikel 115, eerste lid, onderdeel a,
van de Wfsv
behoeft hiervoor geen nadere
voorziening te worden getroffen.
In verband met het vervallen van hoofdstuk
IIIa van de WAO
is in artikel 91h
van de WAO
een overgangsmaatregel getroffen voor de
afwikkeling van zaken die verband houden
met reeds verstrekte uitkeringen of
andere aangelegenheden die verband
houden met het eigenrisicodragerschap.
Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht
aan het verhaal van de door het UWV
betaalde uitkering op de
eigenrisicodrager op grond van de artikelen 71
en
75a,
vierde lid, van de WAO
en de afdracht aan ’s Rijks kas door
de eigenrisicodrager van niet-betaalde
uikering op grond van
artikel 75a, vijfde lid, van
de
WAO
of
bezwaar- en beroepszaken die hiermee
verband houden.
Wijziging
Ziektewet
Aangezien
hoofdstuk IIIa van de WAO
komt te vervallen, is het voorstel artikel 11a
van de ZW te
laten vervallen. Dit artikel bepaalt dat
het ziekengeld aan de werknemer die
werkt bij een werkgever die
eigenrisicodrager is voor de WAO,
moet worden uitbetaald door tussenkomst
van die werkgever. Ook ingeval het
dienstverband tijdens ziekte eindigt,
dient het ziekengeld door tussenkomst
van de (ex-)werkgever te worden
uitbetaald. Dat is bij het vervallen van
het eigenrisicodragerschap voor de WAO
niet meer aan de orde. Dit verandert
niets aan de keuze om het ziekengeld via
de werkgever te betalen in de gevallen
waar de (ex-)werknemer dat wenst en de
werkgever dat wil doen.
Zie
verder de algemene toelichting onder
2.1.1 Opheffing
Arbeidsongeschiktheidskas.
Opheffing
Reïntegratiefonds
Artikel
IV (wijziging van de Wet
financiering sociale verzekeringen),
onderdeel N, O en
Q (artikelen
100, onderdeel h, 108,
onderdeel i, en 115,
eerste lid, onderdeel p), artikel
VI (wijziging van de Wet
werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten), onderdeel J
(artikel
5:3) en K (artikel
8:4), artikel XIV (wijziging van
de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen) en artikel XVI (wijziging
van de Wet
invoering en financiering Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen)
De betreffende wijzigingen houden
verband met de opheffing van het
Reïntegratiefonds met ingang van 1
januari 2011.
Wijzigingen
van de Wet financiering sociale
verzekeringen
De wijzigingen die zijn doorgevoerd bij
de hierboven vermelde onderdelen
betreffen technische aanpassingen in
verband met de opheffing van het
Reïntegratiefonds.
Wijzigingen
van de Wet invoering en financiering en
de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen
In artikel 2.4
is oud overgangsrecht met betrekking tot
de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten
opgenomen. Het derde lid is vervallen in
verband met de opheffing van het
Reïntegratiefonds. Bij dit lid was
bepaald dat de kosten ter financiering
van de voorzieningen en vergoedingen die
voorvloeien uit de toepassing van dit
overgangsrecht ten laste komen van het
Reïntegratiefonds. Voor zover er in dit
verband nog kosten zijn, komen deze op
grond van het voorgestelde artikel 2.8
(nieuw) ten rblz.|25|
laste van het Aof, bedoeld in artikel 112
van de
Wfsv. De artikelen
2.7c en 2.9
zijn vervallen in verband met het
opheffen van het Reïntegratiefonds.
Bij
artikel 2.8 (nieuw) is geregeld dat
alle vermogensbestanddelen van het
Reïntegratiefonds overgaan op het Aof.
Dit brengt zich mee dat alle lopende
inkomsten en uitgaven ten gunste
onderscheidenlijk ten laste van het Aof
worden gebracht. Voor zover na het
moment van inwerkingtreding van deze wet
nog sprake is van de uitoefening van
rechten of verplichtingen die moeten
worden nagekomen die inkomsten
onderscheidenlijk uitgaven met zich
meebrengen, worden ook deze posten aan
het Aof toegerekend. Hierbij kan
bijvoorbeeld worden gedacht aan de
uitoefening van verhaalsrechten en de
gevolgen van beroepszaken.
Artikel
2.8 is niet van toepassing wanneer
de
Wet Wajong van toepassing is,
omdat de lasten die voorheen ten laste
kwamen van het Reïntegratiefonds nu ten
laste worden gebracht van het
Arbeidsondersteuningsfonds
jonggehandicapten (zie hierna).
Wijzigingen
van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
De wijzigingen die zijn doorgevoerd bij
de onderdelen A en B betreffen
technische aanpassingen in verband met
de opheffing van het Reïntegratiefonds.
Bij onderdeel C is artikel 83k,
derde lid, geschrapt. In artikel 83k
is overgangsrecht geregeld voor de
re-integratietaak van het UWV
in verband met de destijds ingetrokken Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten.
De kosten die ingevolge artikel 83k,
derde lid, ten laste kwamen van het
Reïntegratiefonds komen na de wijziging
op grond van artikel
115, onderdeel j
en m, van de Wfsv
ten laste van het Aof. De wijziging van artikel 83k,
tweede lid, betreft een technische
correctie.
Wijzigingen
van de Wet
werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten
Onderdeel
d van artikel
5:3, eerste lid, is vervallen en
betreft een technische aanpassing in
verband met de opheffing van het
Reïntegratiefonds. Aan artikel
5:3, onderdeel f, is de
subsidie, bedoeld in artikel
8:4, toegevoegd zodat ook deze
subsidie, voor zover nog relevant, ten
laste wordt gebracht van het
Arbeidsondersteuningsfonds
jonggehandicapten.
Bij onderdeel B
is in artikel 8:4
(Overgangsbepaling subsidiëring Rea-scholingsinstituten)
de verwijzing naar het
Reïntegratiefonds geschrapt. Op grond
van deze bepaling verstrekte het UWV
tot en met het jaar 2008 subsidies aan
scholingsinstituten ten laste van het
Reïntegratiefonds. Voor zover er nog
sprake is van nawerking, komen de
hieruit voorvloeiende uitgaven op grond
van het gewijzigde artikel
5:3, onderdeel f, ten laste
van het Arbeidsondersteuningsfonds
jonggehandicapten.
Zie verder de algemene toelichting onder
2.1.2 Opheffing Reïntegratiefonds.
Herleidingsregels
260 dagen in plaats van 261 voor
maximumpremie, franchise; harmonisatie
met heffing van loonbelasting
Artikel
IV (wijziging van de Wet
financiering sociale verzekeringen), onderdeel
B (artikel 17,
eerste, tweede en derde lid), en artikel
XV (wijziging van de
Zorgverzekeringswet) (artikel
43, derde en vijfde lid)
De wettelijke
jaarbedragen voor de
loonbelasting/premie volksverzekeringen
worden herleid op basis van 260
werkdagen en voor de premies
werknemersverzekeringen en de
inkomensafhankelijke bijdrage
Zvw wordt gerekend op basis van 261
werkdagen. Dit verschil in systematiek
leidt bij werkgevers tot irritaties.
Vanuit een oogpunt van eenvoud en rblz.|26|
duidelijkheid is er aanleiding om een
uniforme herleidingsregel in te voeren.
Toepassing daarvan maakt de loonheffing
meer transparant.
Daarom wordt
voorgesteld om bij de berekening van de
bedragen voor het maximumpremieloon in
de werknemersverzekeringen, de AWf-franchise
[AWf: Algemeen Werkloosheidsfonds, red.]
en het maximumbijdrage-inkomen voor de Zvw een jaar op 260 in plaats van 261
werkdagen te stellen. Zie in dit verband
ook de
algemene toelichting bij dit onderwerp.
Omdat voor de
berekening van het maximumpremieloon
voortaan wordt uitgegaan van 260 dagen
in plaats van 261 dagen, betekent dit
dat na de inwerkingtreding van de wet
bij herziening van het maximumpremieloon,
naast de herziening op grond van artikel 18
van de
Wfsv, het
maximumpremieloon eenmalig wordt
verhoogd met 0,38%.
Aangezien aan
de uitkeringskant bij de bepaling van
het maximumdagloon voor de
werknemersverzekeringen uitgegaan wordt
van 261 dagen per kalenderjaar, is dit,
om misverstanden te voorkomen, expliciet
toegevoegd aan de laatste volzin van het
eerste lid van artikel 17
van de
Wfsv.
Premies voor de werknemersverzekeringen
worden geheven over ten hoogste het
maximumpremieloon. Op grond van de
nieuwe eerste volzin van artikel
17, eerste lid, van de Wfsv
wordt het maximumpremieloon met
betrekking tot het desbetreffende
kalenderjaar door de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
vastgesteld. Het jaarbedrag wordt voor
de berekening van de premies naar
evenredigheid over de loontijdvakken
verdeeld. Per loontijdvak geldt dus een
maximumbedrag. Hierbij wordt de techniek
van het voortschrijdend cumulatief
rekenen toegepast.
Dit wijkt af van de huidige systematiek
waarin alleen de maxima per loontijdvak
worden vastgesteld. Bij het
voortschrijdend cumulatief rekenen wordt
het maximumpremieloon voor een
loontijdvak vermenigvuldigd met het
aantal loontijdvakken van het jaar. In
uitzonderingsgevallen kan dan echter
over een hoger bedrag worden geheven dan
het beoogde jaarmaximum, namelijk bij
een werknemer die in dat jaar meer dan
het gebruikelijke aantal loontijdvakken
heeft. Bij werknemers die een weekloon
of een vierwekenloon verdienen, kan zich
dat voordoen wanneer een kalenderjaar 53
weken heeft. Met de onderhavige
wijziging wordt dit voorkomen. De
gewijzigde wettelijke opbouw sluit
bovendien aan bij die voor de
inkomensafhankelijke bijdrage voor de
Zvw op grond waarvan het maximumbijdrage-inkomen
al per jaar wordt vastgesteld. Een
vergelijkbare wijziging wordt
voorgesteld bij het tweede lid van
artikel 17 van de Wfsv.
Ook voor de franchise in de AWf-premie
wordt door de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
een maximumjaarbedrag vastgesteld.
Verder
wordt deze wetswijziging aangegrepen om
de tekst van het eerste en tweede lid
redactioneel te verbeteren.
Op grond van artikel
17, derde lid, worden van het
maximumbedrag per kalenderjaar de
maximumbedragen per dag, week en maand
afgeleid. Voorgesteld wordt de
herleidingregels, bedoeld in artikel 25,
eerste en vierde lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964, expliciet
van overeenkomstige toepassing te
verklaren. Dit brengt met zich mee dat
de berekening van het maximumpremieloon
over een ander tijdvak dan een jaar door
herleiding wordt bepaald. Bij de
herleiding wordt een jaar op 260 dagen
gesteld, een maand op 65/3 dag, een week
op vijf dagen en een tijdvak dat korter is
dan een dag op een dag gesteld. De
wijziging heeft geen gevolgen voor het
maximumpremieloon op jaarbasis.
Op de
herleidingregels is een uitzondering
gemaakt voor de bepaling van het
maximumdagloon voor de uitkeringen op
grond van de werknemersverzekeringen
(zie ook hiervoor de toelichting op het
eerste lid).
rblz.|27|
Als gevolg van de voorgestelde wijziging
van
artikel 43 van de
Zvw is een grondslag geboden voor
de vaststelling van het bedrag dat voor
de heffing van de inkomensafhankelijke
bijdrage per loontijdvak maximaal in
aanmerking mag worden genomen. Ook hier
wordt voorgesteld de herleidingregels,
bedoeld in artikel 25, eerste en vierde
lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964, expliciet
van overeenkomstige toepassing te
verklaren.
Zie verder de algemene toelichting onder
2.1.3 Herleidingsregels 260 dagen in
plaats van 261 voor maximumpremie,
franchise en uitkeringsdagloon;
harmonisatie met heffing van
loonbelasting.
SV-loontijdvak
alleen indien SV-loon genoten, idem bij
inkomensafhankelijke bijdrage
Zorgverzekeringswet
Artikel
IV (wijziging van de Wet
financiering sociale verzekeringen),
onderdeel B
(artikel 17,
derde lid), en artikel XV
(wijziging van de Zorgverzekeringswet)
(artikel 43,
vierde lid)
In
de praktijk bestaat onduidelijkheid over
de vraag hoe de wetstoepassing verloopt
als de werknemer loon geniet dat niet
onder de loonbelasting, maar wel onder
de premies werknemersverzekeringen of de
inkomensafhankelijke bijdrage
Zvw valt.
Voorgesteld wordt deze onduidelijkheid
op te heffen door vast te leggen dat het
gaat om de tijdvakken waarin het loon
voor de respectievelijke loonheffingen
is genoten.
In
artikel 1, onderdeel u, van
de
Wfsv
respectievelijk in artikel
1, onderdeel t, van de
Zvw is het begrip loontijdvak
gedefinieerd als het loontijdvak, bedoeld in artikel 25, eerste en vierde
lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964.
Uitgangspunt voor de premies
werknemersverzekeringen en de heffing
van de inkomensafhankelijke bijdrage
Zvw is dat een loontijdvak voor
deze heffing gelijk is aan een
loontijdvak voor de heffing van
loonbelasting, dat op grond van artikel
25, eerste of vierde lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964 wordt
bepaald. Het gaat dan in beginsel om het
tijdvak waarover het loon is genoten.
Indien bijvoorbeeld een weekloon is
overeengekomen en voor de heffing van de
loonbelasting dus een loontijdvak van
één week geldt, betekent dit dat ook
voor de heffing van de premies
werknemersverzekeringen en de heffing
van de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw
een loontijdvak van één week in acht
wordt genomen.
De vraag of
sprake is van een loontijdvak is van
belang:
a. voor de vaststelling van het
premieloon, bedoeld in artikel 17
van de
Wfsv,
omdat daarbij een door de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
vastgesteld maximumpremieloon en
franchise voor het Algemeen
Werkloosheidsfonds wordt vastgesteld
voor verschillende loontijdvakken; en
b. voor de vaststelling van het
bijdrage-inkomen, bedoeld in artikel 43
van de
Zvw, omdat daarbij een door de Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
vastgesteld maximumbijdrage-inkomen
wordt vastgesteld voor de verschillende
loontijdvakken.
In de memorie
van toelichting bij de Wfsv
komt tot uitdrukking dat premies
werknemersverzekeringen ook kunnen
worden geheven in de situatie dat er
geen loontijdvak voor de loonbelasting
is. Er is een loontijdvak in de zin van
het tijdvak waarover het loon wordt
genoten. Memorie
van toelichting bij de Wfsv
(Kamerstukken II 2003-2004, 29 529, nr.
3, blz. 55): "Het uitgangspunt
dat zo min mogelijk wijzigingen worden
aangebracht in de materiewetten van de
werknemersverzekeringen geldt ook voor
de premieheffing in internationale
situaties. Zo gaat de huidige rblz.|28|
premieplicht voor de werkgever op grond
van de materiewetten voor de
werknemersverzekeringen in
internationale situaties verder dan de
inhoudingsplicht voor de loonbelasting.
Daarin wordt geen wijziging aangebracht
bij de overheveling van de heffingstaak
naar de belastingdienst".
Voor de duidelijkheid wordt voorgesteld
in
artikel 17, derde lid, van de Wfsv
respectievelijk artikel
43, vierde lid van de
Zvw toe te voegen dat voor de
toepassing van deze artikelen
loontijdvakken in aanmerking worden
genomen waarin loon als bedoeld in
artikel 16 van de Wfsv
respectievelijk
artikel 43 van de
Zvw wordt genoten. Hiermee wordt
vastgelegd dat indien loon wordt genoten
dat onder de premies
werknemersverzekeringen respectievelijk
de inkomensafhankelijke bijdrage
Zvw valt een loontijdvak in acht
wordt genomen, ook als in dat tijdvak
geen loon wordt genoten dat onder de
loonbelasting valt. Het voortschrijdend
cumulatieve rekenen gaat dan door in dat
loontijdvak zodat het maximumbedrag
waarover premie of bijdrage wordt
geheven niet wordt verlaagd doordat geen
loon in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964 wordt
genoten. Indien in een tijdvak sprake is
van een loontijdvak in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964, maar in dat
tijdvak geen loon als bedoeld in artikel 16
van de Wfsv
respectievelijk
artikel 43
van de
Zvw wordt genoten, wordt voor de
heffing van premies
werknemersverzekeringen en de heffing
van de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw
dit loontijdvak niet meegenomen. Dit is
thans ook het geval bij opname van
levensloopverlof en bij onbetaald verlof
met behoud van privégebruik van een
auto van de zaak.
Zie verder de algemene toelichting onder
2.1.4 SV-loontijdvak alleen indien
SV-loon genoten, idem bij
inkomensafhankelijke bijdrage
Zorgverzekeringswet.
Verwijzing
naar de Wet op de loonbelasting 1964
Artikel
IV (wijziging van de Wet
financiering sociale verzekeringen),
onderdeel C
(artikel 19)
In de gewijzigde bepaling wordt nu
verwezen naar artikel 26b, eerste
volzin, van de
Wet
op de loonbelasting 1964. Hiermee is
de bepaling niet inhoudelijk gewijzigd.
De situaties die in artikel 19
van de
Wfsv
waren vermeld, zijn identiek aan die
waarin voor de loonheffing het
zogenoemde anoniementarief van
toepassing is. Uit een oogpunt van
eenduidigheid wordt nu naar de
betreffende bepaling in de Wet
op de loonbelasting 1964 verwezen.
In de genoemde situaties blijven de
maximering en de franchise buiten
toepassing en moet over het totale
bedrag aan loon premie worden geheven.
Vereenvoudiging
van de vergoeding wegens premieheffing
over werkgeversbetaling van uitkeringen
door UWV
Artikel
IV (wijziging van de Wet
financiering sociale verzekeringen),
onderdeel S
(artikel
122c)
Thans vergoedt het UWV,
indien het UWV de uitkering betaalt aan
de werkgever (een zogenaamde
werkgeversbetaling), over een uitkering
de werkelijk door de werkgever
verschuldigde premies. Het UWV houdt
bijvoorbeeld rekening met de hoogte van
de premie van werkgevers die behoren tot
die sectoren waarin risicopremiegroepen
in de WW
zijn ingesteld. Het UWV houdt, indien
van toepassing, bij een
werkgeversbetaling ook rekening met de
premievrijstelling voor oudere
werknemers die geldt op grond van het
overgangsrecht, bedoeld in artikel 122c,
eerste lid, rblz.|29|
omdat het hierbij gaat om een
premievrijstelling die betrekking heeft
op een individuele werknemer.
Door het voorgestelde tweede lid van artikel
122c wordt tot uitdrukking
gebracht dat het UWV
in geval van een werkgeversbetaling aan
een werkgever geen rekening meer hoeft
te houden met voornoemde vrijstelling.
Verder zal in
het Besluit
Wfsv worden geregeld dat het UWV in
geval van een werkgeversbetaling aan een
werkgever behorende tot een sector met
differentiatie naar premiegroep, over
een uitkering de voor de sector lage
premie vergoedt die op grond van het
eerste lid van artikel 28
van de
Wfsv is
vastgesteld. Werkgeversbetalingen aan de
risicogroepen met contracten korter dan
één jaar zijn uitzonderlijk, vandaar ter
vereenvoudiging het voorstel van
vergoeding van de lage sectorpremie. Het
voordeel hiervan is dat het UWV kan
volstaan met de vergoeding van de voor
de sector lage premie en geen rekening
meer behoeft te houden met individuele
omstandigheden. Voor alle vergoedingen
geldt dan dat het UWV geen rekening hoeft te
houden met premiekortingen en
premievrijstellingen.
Voor de
premieafdracht door de werkgever wijzigt
dit voorstel en de voorgenomen wijziging
van het Besluit Wfsv niets. De werkgever
blijft over de uitkering de
gedifferentieerde sectorpremie
verschuldigd en hoeft dus geen
afwijkende premieaangifte te doen. Ook
kan hij premiekortingen of
vrijstellingen, met inbegrip van de
vrijstelling op grond van artikel 122c,
eerste lid, blijven toepassen. Dit
laatste wordt bewerkstelligd doordat aan
het voorgestelde tweede lid van artikel
122c wordt toegevoegd dat op
de werkgever, in geval van een
werkgeversbetaling, het eerste lid van
artikel 122c van toepassing
blijft.
Zie
verder de algemene toelichting onder
2.1.5 Vereenvoudiging van de vergoeding
wegens premieheffing over
werkgeversbetaling van uitkeringen door
UWV.
Vervallen
uitzonderingsbepaling
eigenrisicodragerschap WGA en ziekengeld
voor onderwijzend personeel voor
gemeenten
Artikel
IV (wijziging van de Wet
financiering sociale verzekeringen),
onderdeel H
(artikel 40,
elfde lid)
en T (artikel 122i)
Op grond van artikel
40, elfde lid, kan aan een gemeente
toestemming worden verleend om zelf het
risico te dragen van betaling van
ziekengeld en WGA-uitkeringen, met
uitzondering van het onderwijzend
personeel in dienst van de gemeente. Dit
hing samen met de financiële
verantwoordelijkheid voor het
onderwijspersoneel van gemeenten en het ministerie
van OCW. De financieringswijze is
gewijzigd en derhalve is er geen reden
meer de bestaande uitzonderingsbepaling
in de Wfsv
te handhaven. Voorgesteld wordt het
elfde lid van artikel 40
te schrappen zodat gemeenten de
mogelijkheid hebben om voor het
voltallige personeel te kiezen voor het
eigen risico dragen. Dit sluit ook aan
bij de huidige situatie dat gemeenten
werkgever kunnen zijn voor het
onderwijzend personeel van het openbaar
onderwijs en daardoor de
verantwoordelijkheid dragen voor het
preventie- en re-integratiebeleid. Voor
het Wsw-personeel
kan de gemeente geen eigenrisicodrager
worden (artikel 45
Wfsv), dit
verandert niet.
De
overgangsbepaling in het nieuwe artikel
122i brengt met zich mee dat
wanneer een gemeente die
eigenrisicodrager is voor de betaling
van WGA-uitkering en het ziekengeld als
bedoeld in artikel
40, eerste lid, van de Wfsv
en niet met toepassing van het negende
lid van
artikel 40 op 1 juli 2011 is
overgegaan naar de publieke verzekering,
deze gemeente ook eigenrisicodrager
wordt voor haar werknemers werkzaam in
de rblz.|30|
onderwijssectoren als bedoeld in het
vervallen artikel
40, elfde lid. Dit betekent dat een
gemeente met ingang van 1 juli 2011 ten
aanzien van haar voltallige personeel
eigenrisicodrager is met toepassing van
dit overgangsrecht of voor het
voltallige personeel publiek verzekerd
is als hij ervoor heeft gekozen geen
eigenrisicodrager te zijn.
Zie verder de algemene toelichting onder
2.1.6 Vervallen uitzonderingsbepaling
eigenrisicodragerschap WGA voor
onderwijzend personeel voor gemeenten.
2.
Arbeidsongeschiktheid
Arbeidsongeschiktheid
bij aanvang verzekering
Artikel
VII (wijziging van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen),
onderdeel D
(artikel 43,
onderdeel
c),
E (artikel
46), J
(artikel
124) en K
(artikel
133f),
en artikel VIII
(wijziging van de Ziektewet), onderdeel
B (artikel
19a, derde lid), C (artikel
19b, tweede lid), D (artikel
28, tweede lid), J (artikel
33, eerste lid), N
(artikel 44), P (artikel
47a, derde lid) en S (artikel
86b)
Met deze wijzigingen wordt
bewerkstelligd dat het UWV
een ZW- of
WIA-uitkering niet meer kan weigeren
indien de betrokkene al
arbeidsongeschikt was bij aanvang van de
verzekering. Artikel 44
ZW en artikel
43, onderdeel c, Wet WIA
kunnen daarom vervallen. De overige
wijzigingen betreffen technische
wijzigingen in verband met het vervallen
van genoemde artikelen. Tevens is
voorzien in overgangsrecht. Met
betrekking hiertoe wordt opgemerkt dat
in de voorgestelde artikelen 133f
Wet WIA en 86b
ZW
aansluiting is gezocht bij de tekst van
de artikelen 23
Wet WIA
en
29 ZW voor wat betreft de "eerste
ziektedag". Hierdoor is duidelijk dat
de eerste ziektedag van de wachttijd
voor de Wet WIA
wordt bedoeld.
Zie
verder de algemene toelichting onder
2.2.1 Arbeidsongeschiktheid bij aanvang
verzekering.
Samenloop
ZW- met arbeidsongeschiktheidsuitkering
Artikel III (wijziging van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen), onderdeel A (artikel
16a), B (artikel
20, derde en zesde lid), C (artikel
21, zevende tot en met negende lid) en F
(artikel 101f),
artikel V (wijziging van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering),
onderdeel D (artikel
39b), F (artikel
43a, vierde en zesde lid), H (artikel
47, zevende tot en met negende lid) en R
(artikel 98f), artikel
VI (wijziging van de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten), onderdeel
A
(artikel 2:17,
vierde lid), E (artikel
3:17a), F (artikel
3:21, derde en vijfde lid), G (artikel
3:22, zevende en negende lid) en L (artikel
8:6a), en artikel VIII (wijziging van de
Ziektewet), onderdeel H
(artikel 32),
I
(artikel 32a) en S
(artikel 86c)
Met deze wijzigingen wordt de samenloop
tussen arbeidsongeschiktheiduitkering en
het ziekengeld fors verminderd. Met de
wijzigingen wordt bewerkstelligd dat bij
herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering WAO,
Wet Wajong
en WAZ bij
toename van arbeidsongeschiktheid in
gevallen waarin de verzekerde recht
heeft op ziekengeld op grond van de ZW
de verhoging van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering alleen
wordt uitbetaald indien en voor zover
deze de uitkering op grond van de ZW
overtreft. Om te voorkomen dat het
totaal van de som van de twee
uitkeringen gelijk blijft doordat de
arbeidsongeschiktheidsuitkering hoger
zou worden bij een gehele of
gedeeltelijke weigering op grond van de
ZW, is bepaald dat in het geval de
uitkering op grond van de ZW geheel of rblz.|31|
gedeeltelijk wordt geweigerd op grond
van artikel 45
ZW, voor het
bepalen van de hoogte van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering
uitgegaan wordt van de uitkering die
ontvangen zou zijn indien de uitkering
niet geheel of gedeeltelijk geweigerd
was.
Daarnaast is
geregeld dat ook bij heropening of bij
toekenning binnen vijf jaar van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering WAO, Wet
Wajong en WAZ de
arbeidsongeschiktheidsuitkering alleen
wordt uitbetaald indien en voor zover
deze meer bedraagt dan het ziekengeld.
Opgemerkt wordt
dat ook in de situatie waarin later dan
het moment waarop de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is
herzien of heropend als gevolg van de
toeneming van de arbeidongeschiktheid
alsnog recht op ziekengeld ontstaat,
geldt dat de
arbeidsongeschiktheidsuitkering vanaf
dat moment alleen nog wordt uitbetaald
indien en voor zover dit meer bedraagt
dan het ziekengeld. Daarom is geregeld
dat rekening gehouden wordt met de
hoogte van het ziekengeld indien recht
op heropening of herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat
óf is ontstaan.
Voor
personen waarvan de
arbeidsongeschiktheid op de dag van
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel al
was toegenomen, blijft gedurende een
periode van tien jaar de oude regeling van
toepassing. Daartoe is een
overgangsbepaling opgenomen in de ZW,
WAO, WAZ
en Wet
Wajong.
Zie
verder de algemene toelichting onder
2.2.2. Samenloop ZW- met
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Nawerking
Artikel
V (wijziging van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering),
onderdeel B (artikel
17) en H (artikel
47, zevende lid), artikel
VII (wijziging
van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen), onderdeel
A (artikel
10), en artikel VIII (wijziging van de
Ziektewet), onderdeel
O
(artikel
46)
en T (artikel
89)
Met
deze wijzigingen wordt de complexe
nawerkingsregeling vereenvoudigd in die
zin dat iemand recht heeft op een
uitkering als hij binnen vier weken na
afloop van de verplichte verzekering
ziek wordt. De verzekeringsplicht hoeft
dus niet een bepaalde periode te hebben
geduurd. Verder kan het tweede lid van
de artikelen waarin de
nawerkingsregeling is opgenomen,
vervallen, omdat door wijziging van het
eerste lid van deze artikelen de periode
vóór het einde van de verzekering niet
meer van belang is.
Zie
verder het algemeen deel van de
toelichting onder 2.2.3
Nawerking.
Collectieve
ziekteaangifte door de werkgever
Artikel
VIII (Wijziging van de Ziektewet),
onderdeel L (artikel
38a), M (artikel
38b), R (artikel
72c) en S
(artikel
86d)
Met deze wijzigingen wordt
bewerkstelligd dat werkgevers niet meer
van elke afzonderlijke ziektemelding
aangifte hoeven te doen bij het UWV.
De nieuwe aangiftetermijn van zes weken
stelt werkgevers in staat om zieke
werknemers collectief ziek te melden via
één maandelijkse aangifte. Opgemerkt
wordt dat deze wijziging geen betrekking
heeft indien recht op ziekengeld op
grond van
artikel 29a, vierde lid, ZW
bestaat. Het betreft de situatie waarin
de werkneemster na afloop van het
bevallingsverlof ziek is. In die
situatie vindt de ziekmelding direct
plaats. Daarnaast is geregeld dat indien
de dienstbetrekking gedurende de periode
van zes weken eindigt, de ziekmelding op
de laatste dag van de dienstbetrekking
wordt gedaan. Op rblz.|32|
grond van het voorgestelde artikel 86d
ZW blijven
de huidige artikelen 38a
en 38b
ZW gelden
met betrekking tot werknemers wier
eerste ziektedag is gelegen vóór het
tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
Zie
verder het algemeen deel van de
toelichting onder 2.2.4 Collectieve
ziekteaangifte door de werkgever.
Van de gelegenheid wordt gebruikgemaakt
het boetebedrag voor de werkgever in het
huidige artikel 38a,
zevende lid,
ZW aan te
passen aan het boetebedrag, genoemd in artikel 38,
derde lid,
ZW. Dit
boetebedrag voor de werkgever is bij de Wet
van 11 september 2008 tot wijziging van
de ZW, van het Burgerlijk Wetboek en van
enkele andere wetten in verband met het
meldingsproces van een werknemer bij de
ongeschiktheid tot het verrichten van
arbeid en de sanctie voor de werkgever
bij niet-naleving van zijn
verplichtingen in dit proces (Stb.
2008, 414) gewijzigd van €|454,-
in €|455,-.
Eén
regeling voor zwangerschaps- en
bevallingsuitkering
Artikel
II (wijziging van de Wet arbeid en
zorg), onderdeel A (artikel
3:7, eerste lid) en B (artikel
3:8, eerste lid)
Deze
wijzigingen maken duidelijk dat tijdens
het zwangerschaps- en bevallingsverlof
één doorlopende uitkering wordt
verstrekt. Inhoudelijk verandert er
niets aan de regeling, maar hiermee is
duidelijk dat het UWV
slechts één
beschikking hoeft af te geven. Dit maakt
het voor de werknemer inzichtelijker.
Zie
verder de algemene toelichting onder
2.2.5 Eén regeling voor
zwangerschaps- en bevallingsuitkering.
Geen
wachtdagen ZW als werkgever die hanteert
Artikel
VIII (wijziging van de Ziektewet),
onderdeel E (artikel
29b, zesde lid)
De
werkgever mag in de arbeidsovereenkomst
ten hoogste twee wachtdagen bedingen
voordat hij loon moet doorbetalen
(artikel 7:629, negende lid, BW). Het UWV
moet bij ziekte als bedoeld in
artikel 29b die langer duurt dan deze
wachtdag(en) in de meeste gevallen dus
twee keer een uitkeringsbedrag
vaststellen: over de wachtdag(en) 70% en
daarna meestal 100% van het dagloon. Met
deze wijziging wordt een vereenvoudiging
bewerkstelligd in die zin dat de hoogte
van het ziekengeld tijdens de
wachtdag(en) gelijk wordt gesteld aan
het ziekengeld na afloop van de
wachtdag(en).
Zie
verder het algemeen deel van de
toelichting onder 2.2.6 Geen wachtdagen
ZW als werkgever die hanteert.
rblz.|33|
Overlijdensuitkering
Artikel
III (wijziging van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen), onderdeel E (artikel
61), artikel V (wijziging van de
Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering),
onderdeel I (artikel
53), artikel VI
(wijziging van de Wet
werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten), onderdeel C
en I (artikelen 2:56
en
3:54), artikel
VII (wijziging van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen),
onderdeel I (artikel
74), artikel VIII
(wijziging van de Ziektewet), onderdeel
K (artikel
35), artikel IX (wijziging
van de Toeslagenwet), onderdeel
B
(artikel 23), artikel
X (wijziging van
de Algemene
ouderdomswet), onderdeel E
(artikel 18)
, artikel XI (wijziging van
de Algemene
nabestaandenwet), onderdeel D (artikel
51), en artikel XVIII
(wijziging van de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen
(artikel 29)
Deze wijzigingen betreffen twee
vereenvoudigingen van de bestaande
regeling voor toekenning van een
overlijdensuitkering. Ten eerste mag het
UWV nu
ook ambtshalve - en niet alleen op
aanvraag - het recht op
overlijdensuitkering vaststellen en
uitbetalen. Ten tweede wordt bij
nabestaanden van categorie c de eis
geschrapt dat de overledene grotendeels
in de bestaanskosten van de betrokkene
voorzag. Deze personen moeten wel op
hetzelfde adres als de overledene staan
ingeschreven in de gemeentelijke
basisadministratie [lees: gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens, red.].
Zie
verder het algemeen deel van de
toelichting onder 2.2.7
Overlijdensuitkering.
Ontheffing
wegens gemoedsbezwaren
Artikel
IV (wijziging van de Wet
financiering sociale verzekeringen),
onderdeel K (artikel 64,
eerste lid)
en T (artikel 122j)
Op grond van artikel 64
Wfsv kan
iemand wegens gemoedsbezwaren worden
ontheven van de verplichtingen op grond
van één of meer
werknemersverzekeringen. In de praktijk
wordt nagenoeg altijd ontheffing
gevraagd en verleend van de
verplichtingen van alle
werknemersverzekeringen. Met deze
wijzing wordt artikel 64
Wfsv zo
gewijzigd dat een aanvraag om ontheffing
altijd betrekking heeft op alle
werknemersverzekeringen. Deze wijziging
maakt de uitvoering van de regeling
minder complex.
Het
voorgestelde artikel 122j
Wfsv
regelt dat het huidige artikel 64
van toepassing blijft op ontheffingen
die door de SVB
vóór de datum van inwerkingtreding van
dit wetsvoorstel zijn verleend.
Zie
verder het algemeen deel van de
toelichting onder 2.2.8 Ontheffing
wegens gemoedsbezwaren.
rblz.|34|
Harmonisatie
delegatiegrondslag voor
inkomensbesluiten
Artikel
I (wijziging van de Werkloosheidswet),
onderdeel A (artikel
16, derde lid), B (artikel 34),
C (artikel 35a),
D (artikel
35aa), E (artikel
35b), F (artikel
42a) en G (artikel 101),
artikel V (wijziging van de
Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering),
onderdeel C (artikel
39, vierde lid), E (artikelen 42,
vierde lid, en
43,
vierde lid) en J (artikel 61),
artikel VI (wijziging van de Wet
werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten), onderdeel B
(artikelen
2:37, tweede lid, onderdeel b, 3:13,
derde lid, 3:19,
tweede en derde lid, en 3:31,
vierde lid) en D (artikel
3:16, vierde lid), artikel VII (wijziging
van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen),
onderdeel B (artikel
15, zesde lid), C (artikel 20),
F (artikel
52, eerste lid), G (artikel
60) en H
(artikel
61, eerste lid), artikel VIII (wijziging
van de Ziektewet),
onderdeel G (artikel 31)
en Q (artikel
67a), artikel IX (wijziging
van de Toeslagenwet),
onderdeel A (artikel 6),
artikel X (wijziging van de
Algemene Ouderdomswet), onderdeel
A (artikel 8,
eerste lid), B (artikel 10),
C (artikel
11), D (artikel
12) en F (artikel 22),
artikel XI (wijziging van de Algemene
nabestaandenwet), onderdeel A (artikel
10), B (artikel
18) en C (artikel 20),
artikel XII (wijziging van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers), onderdeel A (artikel
8) en B (artikel
20, eerste lid), en artikel XIII (wijziging
van de Wet
inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen),
onderdeel A (artikel
5, tweede lid) en B (artikel
8)
Deze artikelleden worden aangepast in
verband met het nieuwe begrip
"inkomen". Zie ook het
algemeen deel van de toelichting
onder 2.2.9 Harmonisatie
delegatiegrondslag voor
inkomensbesluiten.
Artikel
XII (wijziging van de Wet
inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers), onderdeel A
(artikel
8),
en artikel XIII (wijziging van
de
Wet
inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen), onderdeel B (artikel
8)
De in het nieuwe artikel
8, tweede lid, van de Ioaw
en artikel
8, derde lid, van de Ioaz
opgenomen bepaling waarbij, voor de bepaling van het
inkomen, over een periode van maximaal zes maanden 25%
van het inkomen met een bepaald maximum, buiten
beschouwing moet worden gelaten, is ontleend aan artikel
3, tweede lid, onderdeel d,
van het Inkomensbesluit
Ioaw, welk artikel van
overeenkomstige toepassing was op het Inkomensbesluit
Ioaz. Een dergelijke bepaling
betreffende de inkomensverrekening behoort naar haar
aard thuis in de wet en niet in een besluit. Zie ook het
algemeen deel van de toelichting onder
2.2.9 Harmonisatie delegatiegrondslag voor
inkomensbesluiten.
Artikel
XVII (wijziging van de Verzamelwet
SZW-wetten 2001)
Bij de artikelen
I en II
van de Verzamelwet
SZW-wetten 2001 zijn de AOW
en de
Anw
gewijzigd. Bij de wijziging is in de AOW
het inkomensbegrip geherdefinieerd en is
in beide wetten de delegatiebepaling
herzien op grond waarvan nader bepaald
kan worden wat onder inkomen uit of in
verband met arbeid moet worden verstaan.
Bedoelde artikelen zijn niet in werking
getreden. Indien deze artikelen alsnog
in werking zouden treden, dan zouden de
desbetreffende artikelen in de AOW en
Anw in het kader van het onderhavige
wetsvoorstel met het oog op de beoogde
harmonisatie van de grondslagen van de
inkomensbesluiten wederom moeten worden
gewijzigd. Daarom wordt voorgesteld de
bedoelde artikelen thans te laten
vervallen en de in die artikelen
opgenomen wijzigingen mee te nemen in
het onderhavige wetsvoorstel. Zie ook
het algemeen deel van rblz.|35|
de toelichting
onder 2.2.9 Harmonisatie
delegatiegrondslag voor
inkomensbesluiten.
Artikel
III (wijziging van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen), onderdeel D (artikel
58), artikel V (wijziging van de
Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering),
onderdeel G (artikel
44), en artikel VI
(wijziging van de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten), onderdeel
H (artikel
3:48)
De hiernavolgende toelichting geldt
tevens voor de artikel 3:48
Wet Wajong.
De harmonisatie
van de delegatiebepaling in
artikel 44, achtste lid, WAO
brengt mee dat ook de eerste twee leden
van artikel
44 WAO
moeten worden gewijzigd. Immers, in die
leden wordt de term "inkomsten uit
arbeid" gebruikt.
Van de
gelegenheid is tevens gebruikgemaakt om
de bedoeling van het artikel te
verduidelijken. In het voorgestelde
artikel 44, eerste lid, WAO
wordt nu bepaald dat het
arbeidsongeschiktheidspercentage niet
wordt verlaagd als een WAO-gerechtigde
een inkomen uit arbeid gaat verdienen,
maar dat bij de berekening van de hoogte
van WAO-uitkering wordt gedaan alsof dat
percentage wel is verlaagd. Materieel
betekent dat geen wijziging ten opzichte
van de huidige situatie. Hierbij wordt
opgemerkt dat dit zowel inkomen uit
arbeid in dienstbetrekking als inkomen
uit arbeid als zelfstandige kan zijn.
In het
voorgestelde artikel
44, tweede lid, WAO
wordt bepaald wanneer de in het eerste
lid bedoelde termijn van vijf jaar
aanvangt. Dat is ten eerste het geval
als een WAO-gerechtigde arbeid gaat
verrichten. Ook dat betreft geen
wijziging van de huidige situatie.
Verder wordt bepaald dat een nieuwe
termijn van vijf jaar aanvangt als een
WAO-gerechtigde andere arbeid gaat
verrichten. Dat is een verruiming in die
zin dat in de huidige situatie een
nieuwe termijn van vijf jaar enkel
aanvangt als tussen de wijziging van de
arbeid een periode van ten minste vier
weken ligt.
In het
voorgestelde artikel
44, derde lid, WAO
worden twee situaties geregeld. De
eerste situatie (het voorgestelde
onderdeel b) betreft de situatie
dat een WAO-gerechtigde zijn
werkzaamheden tijdelijk onderbreekt,
bijvoorbeeld vanwege ziekte, vakantie of
onbetaald verlof. In die situatie loopt,
evenals nu, de termijn van vijf jaar
door. De tweede situatie (het
voorgestelde onderdeel a) betreft
de situatie dat een WAO-gerechtigde niet
meer werkt en daarom een uitkering
ontvangt, bijvoorbeeld een WW-uitkering.
In die situatie wordt de termijn van
vijf jaar onderbroken indien de periode
waarin geen arbeid wordt verricht langer
is dan vier weken. De onderbreking gaat
dan in met ingang van de eerste dag van
de periode waarin geen arbeid wordt
verricht.
Met betrekking
tot het tweede en derde lid wordt nog
opgemerkt dat in die leden steeds arbeid
is bedoeld waaruit inkomen wordt
genoten. Dit volgt uit het feit dat het
eerste lid bepaalt dat er "inkomen
uit arbeid" moet worden genoten,
wil het desbetreffende artikel van
toepassing zijn. Vrijwilligerswerk valt
derhalve niet onder het
toepassingsbereik van bedoelde
artikelen.
Het
voorgestelde artikel
44, vierde lid, WAO
is gelijkluidend aan het huidige vierde
lid van dat artikel. Van de gelegenheid
is gebruikgemaakt de thans in het
vierde lid van artikel 44
WAO
opgenomen delegatiebepaling in
overeenstemming te brengen met de motie-Jurgens
(Kamerstukken I 2005-2006, 21 109, A).
Die is opgenomen in het voorgestelde
zevende lid.
In het
voorgestelde artikel
44, vijfde lid, WAO
wordt geregeld dat als de desbetreffende
arbeid in een Wsw-dienstbetrekking
wordt verricht, niet het tijdvak van
vijf jaar, bedoeld in het eerste lid,
geldt, maar het eerste lid voor
onbeperkte duur van toepassing is. Ook
hier is geen inhoudelijke wijziging
beoogd.
rblz.|36|
Artikel
58 WAZ
is op vergelijkbare wijze aangepast, met
dien verstande dat het begrip
"inkomen" hier niet wordt
aangepast.
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
tekent deze memorie van toelichting mede
namens de Minister
van Financiën en de Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
De
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
|