|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2009-2010, 32 383
Wijziging
van enkele wetten als gevolg van de
uitbreiding van de socialeverzekeringsplicht voor personen die werkzaam
zijn op het Nederlands deel van het continentaal plat (Wet sociale
verzekeringen continentaal plat)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding en achtergrond |
| 2 |
De rechtsmacht van Nederland op het NCP
en herbezinning op de sociale
bescherming. |
| 3 |
De inhoud van het wetsvoorstel |
| 4 |
Internationaalrechtelijke aspecten |
| 5 |
Wet arbeid mijnbouw Noordzee
(WAMN)
wordt ingetrokken |
| 6 |
Bespreking onderzochte alternatieven en
standpunten sociale partners |
| 7 |
Adviezen |
| 8 |
Financiële effecten |
| xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m XII |
Algemeen
1.
Inleiding en achtergrond
Dit
wetsvoorstel beoogt de socialezekerheidsbescherming te verbeteren voor
werknemers die werkzaam zijn op het
Nederlandse deel van het continentaal
plat (hierna: NCP), maar die nu niet
onder de publieke sociale verzekeringen
vallen. In de huidige situatie zijn
enkel werknemers die in Nederland wonen
(ongeacht hun nationaliteit) verzekerd
voor de volksverzekeringen. Indien zij
daarbij ook voor een Nederlandse
werkgever werken, zijn zij tevens
verzekerd voor de
werknemersverzekeringen. De overige
werknemers op het NCP, ook Nederlanders
die voor een buitenlandse werkgever
werken, zijn op dit moment voor hun
sociale zekerheid aangewezen op de Wet
arbeid mijnbouw Noordzee (hierna:
WAMN). Dit socialezekerheidsregime is
beperkt van aard en in belangrijke mate
afhankelijk van welke socialezekerheidsvoordelen door de werkgever
worden geboden in de
arbeidsvoorwaardelijke sfeer. Door dit
wetsvoorstel wordt dit aangepast. Aan
werknemers op het NCP wordt hiermee
zoveel mogelijk dezelfde socialezekerheidsbescherming geboden als aan
werknemers die op Nederlands grondgebied
werkzaam zijn.
Het
wetsvoorstel heeft betrekking op arbeid
verricht door werknemers op het NCP.
Hieronder wordt verstaan arbeid verricht
door werknemers op het buiten de
territoriale zee op of onder de Noordzee
gelegen deel van de zeebodem en de
ondergrond daarvan. Het wetsvoorstel
heeft geen betrekking op zeeschepen.
Voor werknemers die werkzaam zijn op
zeeschepen dan wel installaties die als
zodanig worden aangemerkt, gelden
specifieke socialezekerheidsregels in de
nationale en internationale wet- en
regelgeving. Zij vallen niet onder dit
wetsvoorstel.
rblz.|2|
2.
De rechtsmacht van Nederland op het NCP
en herbezinning op de sociale
bescherming
Voor
een goed begrip ten aanzien van de
verantwoordelijkheid die de regering in
dit voorstel neemt voor de sociale
bescherming op het NCP is het van belang
kennis te nemen van het huidige
internationale en nationale recht dat
van toepassing is op het continentaal plat. Bij het ontwerp van de WAMN
(Kamerstukken II 1990-1991, 22 178, nr.
3), welk voorstel op 5 juli 1991 bij het
parlement werd ingediend, werd uitgegaan
van de soevereine rechten die het
volkenrecht aan de kuststaat Nederland
toekent met betrekking tot de exploratie
en exploitatie van de natuurlijke
rijkdommen van het NCP. Op grond van
artikel 2 van het Verdrag inzake het
continentale plateau van 29 april 1958 (Trb.
1959, 126) "oefent de kuststaat
exclusieve soevereine rechten uit over
het continentale plateau (alleen) ter
exploratie en exploitatie van de
natuurlijke rijkdommen van het plateau". Op grond van artikelen 60 en
80 van het Zeerechtverdrag (Trb. 1984,
55) bezit de kuststaat, op het
continentaal plat en de exclusieve
economische zone, "de uitsluitende
rechtsmacht over de kunstmatige
eilanden, installaties en inrichtingen,
met inbegrip van rechtsmacht met
betrekking tot de wetten inzake douane,
belastingen, volksgezondheid, veiligheid
en immigratie".
Zowel
het Verdrag inzake het continentale
plateau van 29 april 1958 als het
Zeerechtverdrag uit 1984 gaven aan
Nederland alle ruimte om naar eigen
inzicht de sociale zekerheid voor
werknemers op het NCP vorm te geven.
Deze rechtsmacht omvat naar het oordeel
van de regering de regeling van de
sociale bescherming, daaronder begrepen
de socialezekerheidsbescherming, van de
personen die op de bedoelde eilanden,
installaties en inrichtingen werkzaam
zijn. Bij de totstandkoming van de WAMN
is er echter niet voor gekozen om de
destijds bestaande
socialeverzekeringswetten open te
stellen voor werknemers op het NCP.
Op
grond van de WAMN
heeft de werknemer die niet onder het
publieke socialeverzekeringsstelsel
valt en ziek wordt recht op
loondoorbetaling voor een tijdvak van
104 weken. Tevens legt de WAMN een
verplichting op aan de werkgever van
deze werknemer ervoor te zorgen dat er
sprake is van een voldoende verzekering
tegen het risico van kosten van
geneeskundige verzorging gedurende de
arbeidsovereenkomst en over een periode
van 52 weken daarna. Eén en ander is in
de vorm gegoten van aanspraken van de
werknemer tegenover zijn werkgever.
De
WAMN
(artikel 2) regelt daarnaast dat het
Nederlandse arbeidsovereenkomstenrecht,
met inbegrip van de daarop betrekking
hebbende regels van internationaal
privaatrecht, van toepassing is op de
arbeidsovereenkomst van een werknemer.
Dit impliceert onder meer (zie artikel 7:658 Burgerlijk
Wetboek) dat de
werknemer tegenover zijn werkgever
aanspraak heeft op vergoeding van de
schade, waaronder inkomensschade, die
hij in de uitoefening van zijn
werkzaamheden lijdt (bijvoorbeeld als
uitvloeisel van een arbeidsongeval of
beroepsziekte). Voor het overige is de
socialezekerheidsbescherming van de op
het NCP werkzame werknemers afhankelijk
van de ter zake in de
arbeidsovereenkomst en eventueel
toepasselijke collectieve
arbeidsovereenkomst opgenomen bedingen
en de door de werkgever gedane
pensioentoezeggingen.
De
inhoud van de WAMN
en ook de bepalingen inzake sociale
zekerheid zijn derhalve beperkt gebleven,
omdat de arbeid op het NCP veelal zwakke
aanknopingspunten had met de Nederlandse
rechtssfeer. Veel offshoreactiviteiten
werden verricht door in het buitenland
gevestigde werkgevers met vaak uit het
buitenland afkomstige werknemers. De
WAMN beoogde slechts voor die werknemers
een wettelijke voorziening te bieden
wier arbeidsverhouding voldoende sterke
internationaal privaatrechtelijke
aanknopingspunten had met de Nederlandse
rechtsorde. De WAMN (Wet rblz.|3|
van 2 november
1992, Stb. 1992, 592) trad met
ingang van 1 februari 1993 in werking.
Inmiddels
zijn geleidelijk aan steeds meer
Nederlandse wetten van toepassing
verklaard op het NCP. Zo heeft de
regering in het verleden ten aanzien van
de collecterende functie een aantal
wetten in de fiscale sfeer ook van
toepassing verklaard op het NCP. In
artikel 2 van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen wordt onder Nederland
verstaan: "Nederland, met dien
verstande dat voor de heffing van de
inkomstenbelasting, de loonbelasting, de
vennootschapsbelasting en de
assurantiebelasting Nederland tevens
omvat de exclusieve economische zone van
het Koninkrijk, bedoeld in artikel 1 van
de Rijkswet
instelling exclusieve economische zone, voor zover deze grenst
aan de territoriale zee van Nederland".
In
de WAMN
is voorts geregeld dat de Wet
op het algemeen verbindend en het
onverbindend verklaren van bepalingen
van collectieve arbeidsovereenkomsten, artikel 6 van de
Wet
op de loonvorming en het Buitengewoon
Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 [BBA, red.], met inbegrip van de regels die
zijn toepasselijkheid in internationale
gevallen bepalen, van toepassing zijn
met betrekking tot de
arbeidsovereenkomst van een werknemer
die arbeid verricht zoals omschreven in
artikel 1 van de WAMN.
3.
De inhoud van het wetsvoorstel
Reikwijdte
De
WAMN
regelt thans in beperkte mate de sociale
zekerheid voor werknemers werkzaam op
het NCP (artikelen 3 en 4 WAMN).
Dit wetsvoorstel heeft tot gevolg dat de
socialezekerheidspositie van werknemers
die werkzaamheden verrichten op het NCP
gelijk wordt getrokken met die van
werknemers die werkzaamheden verrichten
op Nederlands grondgebied. Veelal
betekent dit dat zij op grond van deze
werkzaamheden verzekerd zijn voor alle
volks- en werknemerverzekeringen in het
Nederlandse stelsel. Dit betekent niet
alleen dat aan betrokkenen een
socialezekerheidsbescherming wordt
geboden die gelijk is aan die van
werknemers op het Nederlandse
grondgebied, maar ook dat voor
werknemers op het NCP premieplicht
bestaat. Volgens schattingen tijdens het
maken van dit wetsvoorstel zijn rond de
4500 werknemers actief op het NCP.
Dit
wetsvoorstel heeft tevens tot gevolg dat
de arbeidsrechtelijke bescherming van
werknemers werkzaam op het NCP zoals
thans geregeld in de artikelen 2, 6, 7
en 8 van de WAMN,
zich tot alle arbeid die op het NCP
wordt verricht, wordt uitgebreid. De
huidige WAMN
regelt deze bescherming thans
uitsluitend voor werknemers die arbeid
verrichten als omschreven in artikel 1
van de WAMN
(op en vanaf mijnbouwinstallaties op het
NCP dan wel op of vanaf stationaire
schepen). Voor de Arbeidstijdenwet
en de Arbeidsomstandighedenwet
is het
toepassingsbereik al eerder (in 2007)
uitgebreid tot alle arbeid verricht op
het NCP. Met dit wetsvoorstel wordt deze
lijn doorgetrokken en zullen de
bepalingen met betrekking tot de toepassing van de
Wet
AVV [Wet
op het algemeen verbindend en het
onverbindend verklaren van bepalingen
van collectieve arbeidsovereenkomsten,
red.], de Wet
op de loonvorming, de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag en
het BBA
gelden voor alle arbeid
verricht door werknemers op het buiten
de territoriale zee onder de Noordzee
gelegen deel van de zeebodem en de
ondergrond daarvan ten behoeve van de
exploratie en exploitatie van
natuurlijke rijkdommen. Daar waar
noodzakelijk zijn de desbetreffende
wetten expliciet aangepast. Op grond van
de toepasselijkheid van een tweetal
Europese verordeningen (EEX-Verordening
en de Rome I-Verordening) ą is daarvan bij
onder andere de Wet op de loonvorming en het
BBA afgezien (zie de toelichting op artikel
XI (intrekking van de WAMN). Daarmee
wordt ook de arbeidsrechtelijke
bescherming geregeld voor rblz.|4|
werknemers die
op het NCP andere arbeid verrichten dan
omschreven in de WAMN, zoals arbeid in
verband met de bouw en het onderhoud van
windmolenparken.
1.
Redactie: respectievelijk Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad
van 22 december 2000 betreffende de
rechterlijke bevoegdheid, de erkenning
en de tenuitvoerlegging van beslissingen
in burgerlijke en handelszaken (EEX-verordening
oftewel Brussel I) en Verordening (EG) nr.
593/2008 van de Raad van 17 juni 2008
inzake het recht dat van toepassing is
op verbintenissen uit overeenkomst (Rome
I).
Recht op
uitkering en verstrekking
Na
inwerkingtreding van deze wet zijn
werknemers van rechtswege verzekerd
inzake risico’s die
uitkeringen/verstrekkingen garanderen op
grond van de Ziektewet (ZW),
Werkloosheidswet (WW), Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA),
de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), de
Algemene nabestaandenwet (Anw), de
Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en
verplicht een verzekering te sluiten als
bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Zvw).
Er
ontstaan door de nieuwe wet geen
aanspraken op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten [lees: Wet
werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten, red.], de Toeslagenwet, de
Wet werk en bijstand, de Wet
investeren
in jongeren (WIJ) en andere
minimumbehoefte gerelateerde regelingen.
Deze regelingen zijn immers slechts
toegankelijk voor diegenen die wonen op
Nederlands grondgebied. Er bestaat ook
recht op kinderopvangtoeslag.
Verzekering
op grond van de eerste reeks genoemde
wetten brengt een recht op uitkeringen
respectievelijk verstrekkingen met zich
mee zodra het door de desbetreffende wet
gedekte risico zich voordoet en
betrokkene voldoet aan de voor uitkering
of verstrekking gestelde wettelijke
vereisten.
Premie-inning
Voor
de verzekering ingevolge de
onderscheiden socialeverzekeringswetten
is de verzekerde premie verschuldigd.
Met uitzondering van de nominale Zvw-premie, voor de betaling waarvan aan
de zorgverzekeraar de betrokkene zelf
verantwoordelijk is, zal de
premieheffing en invordering worden
verzorgd door de belastingdienst.
Overigens heft de belastingdienst ook nu
al loonbelasting op het NCP. In enkele
gevallen vindt heffing van de
verschuldigde belasting plaats door
middel van een naheffingsaanslag
achteraf.
De
premieheffing zal op dezelfde wijze
gebeuren als de heffing en invordering
van premies voor werknemers die werkzaam
zijn in Nederland. De werkgever houdt op
het loon de premies en bijdrage in voor
zover verschuldigd door de werknemer en
berekent over het loon de door hemzelf
verschuldigde premies en draagt het
totaal van de premies en de bijdrage af
aan de belastingdienst. De werkgever
doet periodiek aangifte aan de belastingdienst van onder meer het
genoten loon en de inhoudingen.
4.
Internationaalrechtelijke aspecten
De
directe aanleiding tot dit wetsvoorstel
is gelegen in een ingebrekestelling die
de Europese Commissie (hierna: de
Commissie) Nederland in 2007 heeft doen
toekomen. Daarin stelde de Commissie
zich op het standpunt dat uit de
artikelen 13, tweede lid, en 3, eerste
lid, van
Verordening 1408/71 (hierna: de
coördinatieverordening) en de
artikelen 39 tot en met 41 van het EG-verdrag
zou voortvloeien dat de Nederlandse
publieke socialezekerheidswetgeving,
zoals die geldt voor werkzaamheden welke
worden verricht op Nederlands
grondgebied, tevens van toepassing zou
moeten zijn op werknemers die
werkzaamheden verrichten op het
Nederlands deel van het continentaal plat.
In
antwoord op de ingebrekestelling heeft
de Nederlandse regering aangegeven dit
standpunt niet te onderschrijven.
Hierbij is er onder meer op gewezen dat de
coördinatieverordening slechts
coördinatieregels bevat en de
lidstaten vrijlaat om voor
verschillende delen van het territoir
waarover zij rechtsmacht uitoefenen
verschillende rechtsregels te laten rblz.|5|
gelden. Met de Commissie gaat de
regering er overigens van uit dat de
coördinatieverordening toepassing dient
te vinden in de relatie met andere
lidstaten ter coördinatie van het op
het NCP toepasselijke socialezekerheidsrecht.
Om
de socialezekerheidspositie van
werknemers die werkzaamheden verrichten
op het NCP gelijk te trekken met die van
werknemers die werkzaamheden verrichten
op Nederlands grondgebied, zal voor de
toepassing van de Europese
coördinatieverordeningen geen
onderscheid worden gemaakt tussen werken
op het NCP en werken op het Nederlands
grondgebied.
De
toepasselijkheid van de overige regels
van de coördinatieverordening vloeit
voort uit de jurisprudentie van het Hof
van Justitie (EG) [lees: Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen,
red.], die inhoudt dat tussen
de lidstaten onderling de Europese
coördinatieregels dienen te worden
toegepast, ongeacht waar ter wereld de
desbetreffende werkzaamheden
plaatsvinden. Zie in dit verband met
name de uitspraak van het Hof van 29
juni 1994 (zaak C-60/93; Aldewereld).
Voor
zover op het NCP werknemers werkzaam
zijn die in een land buiten de EU
woonachtig zijn, zijn de
coördinatieregels van toepassing zoals
neergelegd in de bilaterale socialezekerheidsverdragen die met die landen
gesloten zijn. Hoewel de regering op
grond van het EU-recht geen noodzaak
ziet om tot aanpassing van de regeling
als vervat in de WAMN
over te gaan, heeft zij wel aan de
Commissie te kennen gegeven uit anderen
hoofde aanleiding te zien voor een
herbezinning met betrekking tot de
omvang van de publieke socialezekerheidsbescherming voor de op het NCP
werkzame werknemers. Hierbij waren er in
het bijzonder twee punten van aandacht:
a.
De socialezekerheidsbescherming van de
op het Nederlands deel van het
Noordzeeplat werkzame werknemers, zoals
thans vastgelegd in de WAMN,
leidt in de regel tot een adequaat
niveau van sociale bescherming, maar is
privaatrechtelijk vormgegeven en is
daarmee in belangrijke mate afhankelijk
van de ter zake in de arbeidsovereenkomst
en eventueel toepasselijke collectieve
arbeidsovereenkomst opgenomen bedingen,
de door de werkgever gedane
pensioentoezeggingen en de naleving
daarvan. Met dit voorstel wordt
aangesloten bij het bestaande publieke
socialezekerheidstelsel voor het werken
op Nederlands grondgebied.
b.
Tevens diende te worden bezien hoe dit
beschermingsniveau zich verhield tot de
bescherming die door de andere
Noordzeestaten worden geboden voor op
hun deel van het Noordzeeplat verrichte
werkzaamheden.
In
verband hiermee heeft overleg
plaatsgevonden met vertegenwoordigers
van werkgevers en werknemers en is
nadere informatie ingewonnen over de
wetgeving van de andere Noordzeestaten.
Op basis van de uitkomsten van één en
ander is tot de onderhavige
wetswijziging besloten; in reactie op
een in 2009 van de zijde van Commissie
ontvangen met redenen omkleed advies is
ook aan de Commissie medegedeeld dat een
wetswijziging zou worden ingediend
waardoor de gelding van de Nederlandse
socialezekerheidswetten zou worden
uitgebreid over het NCP.
Door
het wetsvoorstel wordt het socialezekerheidsniveau voor
werknemers
werkzaam op het NCP gelijkgetrokken aan
dat voor werknemers werkzaam op
Nederlands grondgebied en ontstaat er
tevens meer aansluiting bij de andere
Noordzeestaten; in die staten is
overwegend de desbetreffende eigen
nationale socialeverzekeringswetgeving
ook van toepassing op arbeid die op het
desbetreffende rblz.|6|
continentaal plat wordt
verricht. Duitsland, Ierland, Denemarken
en Noorwegen passen hun
socialeverzekeringswetgeving én Verordening
1408/71 toe bij werkzaamheden op hun
continentaal plat. In het Verenigd
Koninkrijk bestaat een keuzevrijheid
voor een buitenlandse werknemer die
werkt voor een buitenlandse werkgever om
zich voor het Britse stelsel te
verzekeren. Is sprake van een Britse
werkgever of werknemer, dan is de
werknemer automatisch verzekerd voor het
Britse stelsel.
5.
Wet arbeid mijnbouw Noordzee (WAMN)
wordt ingetrokken
Het
wetsontwerp vervangt de regeling inzake
sociale zekerheid als vervat in de
artikelen 3 en 4 van de WAMN.
In
samenhang hiermee zijn tevens de overige
artikelen van die wet nader bezien, met
als conclusie dat de artikelen
betreffende de arbeidsrechtelijke
bescherming deels behouden dienen te
blijven (artikelen 6 en 10) en voor een
ander deel zonder meer kunnen vervallen,
aangezien andere bestaande rechtsregels
al voldoende in de desbetreffende
materie voorzien (artikelen 2, 7 en 8).
Voor de artikelen die behouden blijven
(artikelen 6 en 10), wordt voorgesteld om
deze in de desbetreffende materiewetten
op te nemen. Voor details wordt verwezen
naar de artikelsgewijze
toelichting.
In
verband hiermee wordt voorgesteld de WAMN
in te trekken.
6.
Bespreking onderzochte alternatieven en
standpunten sociale partners
Van werkgeverszijde zijn in de aanloop van
het wetsvoorstel bezwaren geuit. Op het
NCP is een diversiteit van Nederlandse
en buitenlandse bedrijven actief
waarvoor een groep werknemers slechts
voor korte perioden werkzaamheden
verricht. Er bestaat volgens de
werkgevers geen bezwaar om werknemers
die werkzaam zijn in het "onderkader"
meer bescherming te bieden, maar het
wetsvoorstel kan vervolgens tot effect
hebben dat er dubbele sociale lasten
betaald moeten gaan worden. Een deel van
de werknemers in het bovenkader is
namelijk al privaat verzekerd in het
buitenland. Verzekeringsplicht kan dan
leiden tot dubbele sociale lasten,
waarbij de kosten mogelijk worden
afgewenteld op de werkgever. De winning
van de zogenaamde "marginale velden"
kan vervolgens in het gedrang komt. Het
is dan bij stijgende loonkosten niet
meer rendabel deze velden te ontginnen.
Een ander belangrijk bezwaar dat door de
werkgevers naar voren is gebracht,
betreft de mogelijkheid dat bij een
integrale verzekeringsplicht wel
werkgevers- en werknemerspremies zullen
worden geďnd, terwijl voor een bepaalde
groep bij het intreden van een bepaald
risico er mogelijk geen uitkeringsrecht
tegenoverstaat. Als laatste algemeen
geldend bezwaar is door de werkgevers
naar voren gebracht dat het wetsvoorstel
zal leiden tot een toename van
administratieve lasten.
Van
werknemerszijde is aangegeven dat het
verschil in behandeling op het terrein
van de sociale zekerheid tussen
werknemers "onshore" en werknemers
"offshore" ongedaan moet worden
gemaakt en dat er een einde moet worden
gemaakt aan de mogelijkheid voor
lidstaten van de EU om hun eigen sociale
zekerheid voor arbeid "offshore" te
kunnen kiezen (geen uniformiteit). Dit
zou namelijk kunnen leiden tot een
zoektocht naar de beste (goedkoopste)
regeling. Werknemers wijzen verder op
een mogelijk gebrek aan handhaving bij
inwerkingtreding van deze
wet. Bij
gebrek aan controle door de overheid op
de afdracht van premies op het NCP
zouden vooral buitenlandse werkgevers
constructies kunnen optuigen om onder de
premieafdracht uit te kunnen komen.
rblz.|7|
De
regering heeft gezien de bezwaren van
werkgevers de mogelijkheid in overweging
genomen of er een uitzondering op de
verzekeringsplicht gemaakt kan worden
voor personen die slechts een korte
periode op het NCP werkzaam zijn. De
regering heeft verder onderzocht om
gelijk aan de situatie in het Verenigd
Koninkrijk een optie te creëren om zich
als buitenlandse werknemer vrijwillig te
laten verzekeren voor het Nederlandse
stelsel of de WAMN
uit te breiden met alleen de
werknemersverzekeringen of
volksverzekeringen, langlopende
uitkeringen of deze alleen te laten
gelden voor Nederlandse werkgevers. Deze
alternatieven zijn echter niet passend
in de Nederlandse situatie. Naast de
uitzonderingsperiode die voor de
werknemersverzekeringen gaat gelden voor
buitenlandse werknemers voor een periode
van zes maanden conform artikel 14 van het
Besluit
uitbreiding en beperking kring
verzekerden werknemersverzekeringen 1990, zijn
andere uitzonderingen niet gewenst. Het
strookt namelijk niet met de
hoofdgedachte van dit
wetsvoorstel, te
weten werknemers op het NCP zoveel
mogelijk dezelfde bescherming te bieden
als op het grondgebied van Nederland. De
mogelijkheid om op individueel niveau de
optie te creëren zich al dan niet te
verzekeren (opt-in) strookt niet met
het, op het solidariteitsbeginsel
steunende, staande beleid inzake sociale
verzekeringen op het grondgebied van
Nederland en leidt tot averechtse
selectie (slechts "risicovolle"
groepen verzekeren zich). Daarbij is het
beleid voor de volksverzekeringen
gebaseerd op het "alles-of-nietsbeginsel".
Dat wil zeggen dat een werknemer op wie
de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving van
toepassing is, verzekerd is voor alle
volksverzekeringen en daarmee via de
AWBZ ook verzekeringsplichtig is voor de
Zvw. Binnen dat beleid is het creëren
van een "opt-in" of het uitzonderen
van één of meer verzekeringen niet
passend.
De
regering erkent dat er een toename van
administratieve lasten kan ontstaan ten
opzichte van de huidige situatie op het
NCP bij introductie van dit
wetsvoorstel. De toename van de
administratieve lasten is echter gelijk
aan de administratieve lasten die
werkgevers hebben op het grondgebied van
Nederland. Dit is het logische gevolg
van het uitbreiden van de
verzekeringsplicht naar arbeid verricht
op het NCP. Werknemers kunnen mogelijk
afspraken maken met hun buitenlandse
particuliere verzekeraar wanneer zij
(tijdelijk) voor het Nederlandse stelsel
verzekerd zullen gaan worden. De
regering is van mening dat voorshands
niet gesteld kan worden dat het "marginaleveldenbeleid" in het
gedrang komt wegens hogere kosten voor
werkgever en werknemers. Het
wetsvoorstel kan tot hogere sociale
lasten voor werknemer en werkgever
leiden, maar kan ook een mogelijkheid
tot kostenbesparing creëren. Het hebben
van een publieke verzekering biedt ook
voordelen ten opzichte van een
particuliere ziektekosten verzekering,
afhankelijk van hoe uitgebreid of
beperkt de particuliere
ziektekostenverzekering is.
Wat
betreft het mogelijk niet te gelde
kunnen maken van een uitkeringsrecht, bijvoorbeeld rechten op basis van de AKW, wijst
de regering erop dat dit argument
eveneens geldt voor de werknemers die
werkzaam zijn op het Nederlandse
grondgebied. Indien er geen bilateraal
verdrag is dat export regelt, bestaat er
mogelijk geen recht op een (deel van de)
uitkering bij verblijf buiten Nederland.
Wat betreft de handhaving van de
premieafdracht is de regering van mening
dat de belastingdienst inzichtelijk
heeft welke werkgevers op het NCP
opereren en indien nodig inspecties kan
uitvoeren (zie hiervoor ook de paragraaf
"adviezen").
Dit
wetsvoorstel zal een einde maken aan het
onderscheid tussen arbeid "onshore"
en
arbeid "offshore" wat betreft de
regeling van de sociale bescherming. Het
is niet meer mogelijk om te kiezen voor
een ander stelsel dan het Nederlandse
stelsel op het NCP. Het sluit aan bij de
internationale tendens om dezelfde
sociale zekerheid als op het grondgebied
van de betreffende lidstaat van
toepassing te verklaren. Concurrentie op
het gebied van een minst beschermende en
minst kostende socialezekerheidsregime
is dan verleden tijd. Bovenstaande heeft
ertoe rblz.|8|
geleid dat de regering van mening
is dat de sociale bescherming die nu al
geldt op het vaste land van Nederland
ook de meest passende bescherming is
voor werknemers en zelfstandigen op het
NCP.
7.
Adviezen
Het
voorliggende wetsvoorstel is voor advies
over de uitvoeringsaspecten voorgelegd
aan SVB, UWV, CVZ, IWI en Actal [Sociale
verzekeringsbank, College
voor zorgverzekeringen, Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, Inspectie
Werk en Inkomen en Adviescollege
toetsing administratieve lasten, red.].
SVB
De
SVB acht het wetsvoorstel uitvoerbaar
mits tegemoetgekomen wordt aan de
volgende juridische en
uitvoeringstechnische bezwaren. De SVB
acht het noodzakelijk dat meer
duidelijkheid wordt gegeven over de
toepasselijkheid van het verdragsrecht
en van de Europese
coördinatieverordening. Naar aanleiding
hiervan is paragraaf 4 van de
toelichting op het wetsontwerp
aangepast.
De
SVB stelt dat zij de voorgestelde
regeling alleen goed kan uitvoeren
wanneer (buitenlandse) werknemers die
verzekerd raken, worden opgenomen in de
Basisadministratie Volksverzekeringen.
De regering stelt dat de geschetste
problematiek ook op het vasteland van
Nederland speelt en daarmee niet
specifiek voor het NCP is. De belastingdienst
heeft zicht op alle
werkgevers die werkzaam zijn op het NCP,
omdat alle werkgevers op het NCP ook nu
al onder de Nederlandse fiscale
wetgeving vallen. Werkgevers die
werkzaamheden verrichten gedurende een
aaneengesloten periode van ten minste 30
dagen op het NCP beschikken over een
zogenoemde fictieve vaste inrichting in
Nederland. Zij worden dan aangemerkt als
inhoudingsplichtig voor de Wet
op de loonbelasting 1964 (artikel 6, derde lid,
onderdeel a, van de Wet
op de loonbelasting 1964). Behoudens enkele
uitzonderingen ą kunnen
zo ook in het buitenland wonende
werknemers die verzekeringsplichtig zijn
voor de volksverzekeringen worden
geregistreerd. Deze in het buitenland
woonachtige werknemers dienen bij
aanvang van de werkzaamheden op het NCP
te beschikken over een sofinummer. (In
het buitenland ingezeten) werkgevers die
inhoudingsplichtig zijn voor de
loonbelasting dienen een
loonadministratie te voeren. Via de
aangifte loonheffingen van de werkgever
en de Polisadministratie komen alle
gegevens van de individuele werknemers
vervolgens terecht in de
Basisadministratie Volksverzekeringen.
Op deze manier is de verwachting van de
regering dat de SVB in staat zal zijn
het voorliggende wetsvoorstel goed uit
te voeren.
De
SVB beveelt aan dat het wetsvoorstel dan
wel het Besluit
uitbreiding en beperking kring
verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746) wordt uitgebreid met een
bepaling ter zake van zelfstandigen. De
regering zal deze aanbeveling bezien in
het kader van de uit dit wetsontwerp
voortvloeiende wijziging van bedoeld
besluit.
De
SVB beveelt aan dat de inwerkingtreding
van de wet niet eerder zal plaatsvinden
dan nadat in het kader van de
Basisadministratie Volksverzekeringen en
de daarmee samenhangende
AWBZ-registratie een grotendeels
geautomatiseerde vaststelling van de
verzekeringsplicht is gerealiseerd. Dat
zal naar verwachting medio 2010 het
geval zijn. De regering stelt dat het
haar streven is om voorliggend
wetsvoorstel 1 januari 2011 in werking
te laten treden.
1.
Alleen bij de volgende twee gevallen is
er sprake van een uitzondering op het
ontstaan van verzekeringsplicht. In het
buitenland wonende werknemers die
werkzaamheden verrichten op het NCP voor
een in het buitenland gevestigde
werkgever die minder dan 30 dagen
werkzaamheden verricht op het NCP raken
mogelijk niet verzekerd. De reden
hiervoor ligt in de fiscale wetgeving.
De buitenlandse werkgever die op het NCP
actief is voor een duur van minder dan
30 dagen kan niet inhoudingsplichtig
worden voor de loonbelasting volgens de
definitie in de Wet
op de loonbelasting 1964 (artikel 6,
derde lid). Als de werkgever korter dan
30 dagen op het NCP werkt, is er
namelijk mogelijk geen sprake van een
zogenaamde "fictieve" vaste
inrichting. Indien de werkgever niet
inhoudingsplichtig is, zijn werknemers
niet verzekerd voor de
volksverzekeringen. Dit komt omdat voor
de verzekeringsgrond wordt aangesloten
bij de hoofdregel van de
verzekeringsplicht voor de
volksverzekeringen waarin staat dat op
basis van het onderworpen zijn aan de
loonbelasting verzekeringsplicht
ontstaat. De tweede uitzondering betreft
een (beperkte) groep werknemers die voor
een in het buitenland gevestigd
uitzendbureau werkt en een zogenaamde
"fictieve" dienstbetrekking
heeft. Op grond van artikel 6–1-b
[lees: artikel
6, eerste lid, onderdeel b, red.]
AOW en de uitleg
van dit onderdeel in de memorie van
toelichting zijn deze niet verzekerd
voor de volksverzekeringen. Deze
uitzonderingen gelden overigens ook nu
al op het grondgebied van Nederland en
worden niet gecreëerd door dit
wetsvoorstel.
UWV
De
uitvoering van het wetsvoorstel kan voor
het UWV probleemloos geschieden. Daarbij
wordt aangetekend dat een langere
implementatieperiode zeer wenselijk is.
Het UWV adviseert dringend om de grondslagen
van het wetsontwerp grondig te
heroverwegen. Naar aanleiding van het
commentaar van het UWV heeft de regering
de juridische onderbouwing van het
wetsvoorstel herzien.
rblz.|9|
Het UWV stelt dat sommige buitenlandse
werknemers de door hen opgebouwde
rechten niet kunnen exporteren naar het
woonland. De balans tussen
premieverplichtingen en eventuele
uitkeringsrechten dreigt volgens het UWV
zoek te raken. Het UWV beveelt aan de
mogelijkheden van export van uitkering
voor deze groep te verruimen, hetzij de
mogelijkheid te openen na beëindiging
van de werkzaamheden in Nederland werk
te kunnen zoeken. De regering erkent
deze problematiek, maar is van mening
dat deze niet afwijkt van de situatie op
het "vaste land" van Nederland. Indien
een verdrag afgesloten is met het
desbetreffende land, kunnen de werknemers
deze rechten exporteren. Wat de rechten
uit de
AWBZ en de Zvw
betreft, merkt de
regering op dat het daarbij gaat om
risicoverzekeringen en niet om
opgebouwde rechten. Er is een recht op
verstrekkingen zolang men verzekerd is.
Daarna in beginsel niet meer. Wat
betreft de mogelijkheid om na
beëindiging van de werkzaamheden op het
NCP werk te kunnen zoeken, is in artikel
2, tweede lid, onderdeel e, van het
Besluit
uitvoering Wet arbeid vreemdelingen bepaald dat de
vreemdeling "vrij" is op de
arbeidsmarkt als hij gedurende een
ononderbroken periode van zeven jaar
direct voorafgaande aan de vergunning
tot verblijf werkzaam is geweest op
zeeschepen die onder Nederlandse vlag
varen en in Nederland zijn geregistreerd
of op mijnbouwinstallaties op het
continentaal plat als bedoeld in artikel
1, onderdeel o en c, van de
Mijnbouwwet. Dat betekent dat de
Nederlandse werkgever voor wie hij in
Nederland gaat werken dan geen
tewerkstellingsvergunning heeft voor
deze werkgever. Wil deze werknemer
eerder dan na zeven jaar werken op het
grondgebied van Nederland, maar dan
heeft de werkgever wél een
tewerkstellingsvergunning nodig.
College
voor zorgverzekeringen (CVZ)
Evenals
de
SVB wijst het CVZ erop dat
het
wetsvoorstel voor de controle op de
nakoming van de verzekeringsplicht
adequate registratie vereist van de
werknemers op het NCP in het
AWBZ-bestand van de SVB. Het CVZ vreest dat
bij deze groep burgers, waarbij meestal
geen sprake is van langlopende
loondienstverbanden, van een dergelijke
(bruikbare) registratie nauwelijks
sprake zal zijn. Aldus is er geen
adequaat instrumentarium om deze groep,
bij blijvende onverzekerdheid, vanuit de
overheid tot verzekering te bewegen. De
regering is zoals hierboven aangegeven
van mening dat de Basisadministratie
Volksverzekeringen en met name het
AWBZ-verzekerdenbestand zoals dat in het
kader van het wetsvoorstel actieve
opsporing onverzekerden [lees: voorstel
van Wet opsporing
en verzekering onverzekerden
zorgverzekering, red.] (Kamerstukken II
2009-2010, 32 150) door de SVB zal
worden beheerd ten behoeve van de
toetsing van de AWBZ-verzekeringsplicht,
voldoende basis biedt voor een bruikbare
registratie.
Ten
aanzien van de (nominale) premieplicht
wijst het CVZ op het risico van
wanbetaling. De inrichting van de
uitvoering van het bestuursrechtelijke
premieregime is gebaseerd op de situatie
in Nederland. De betreffende groep
verzekerden is echter (deels) woonachtig
in het buitenland. Daarnaast wordt
aangenomen dat de betreffende groep veel
in wisselende en kortdurende
dienstverbanden werkt. Deze factoren
leiden tot de constatering dat het
opleggen van de benodigde maatregelen
bij wanbetaling of onverzekerdheid
moeilijk uitvoerbaar zullen blijken te
zijn. Hierbij past volgens het CVZ
overigens wel de kanttekening dat het
hier om een groep van zeer geringe
omvang gaat. Daarnaast geeft het CVZ in
overweging om bij de betrokken
werkgevers/werknemers te bevorderen om
voor de af te sluiten
zorgverzekeringsovereenkomst zoveel
mogelijk gebruik te maken van de figuur
van collectieve contractering. Daarbij
kunnen tevens afspraken worden gemaakt
over de afdracht van de nominale premie.
De
regering onderkent de door het CVZ
gesignaleerde uitvoeringsproblemen met
betrekking tot de onverzekerden en de
wanbetalers. De regering onderschrijft
de door het CVZ gedane suggestie om de
betrokken werkgevers rblz.|10|
en werknemers bij
de voorlichting over dit wetsvoorstel te
wijzen op de figuur van het collectieve
zorgcontract als bedoeld in artikel 18
van de Zvw en hen daardoor te stimuleren
zoveel mogelijk gebruik te maken van
collectieve zorgcontracten.
Voorts
pleit het CVZ voor een invoeringsdatum
op of na 1 januari 2011. De reden
hiervoor is dat de betrokken werknemers,
voor zover zij niet al onder een
wettelijke buitenlands
ziektekostenstelsel vallen, op grond van
de huidige WAMN
een particuliere verzekeringsdekking
hebben. Die particuliere verzekeringen
hebben in de regel een looptijd van
minimaal één jaar. Teneinde de bestaande
verzekering tijdig te kunnen opzeggen en
daarmee dubbele
verzekering/premiebetaling te voorkomen,
wordt de datum 1 januari 2011 wenselijk
geacht. De regering is voornemens dit
wetsvoorstel niet eerder in te voeren
dan op 1 januari 2011.
Wat
de verdragsrechtelijke aspecten van het
wetsvoorstel betreft, wijst het CVZ erop dat
gezinsleden van de nieuwe groep
verzekeringsplichtigen, voor zover deze
gezinsleden in een lidstaat van de
Europese Unie, een land aangesloten bij
de Europese Economische Ruimte,
Zwitserland of een verdragsland wonen,
op grond van de voor hen geldende
internationale
socialezekerheidsregelingen in het
woonland recht hebben op zorg ten laste
van Nederland. Op grond van de Zvw
zijn
deze gezinsleden verplicht zich aan te
melden bij het CVZ. Het CVZ verwacht in
verband hiermee extra werkzaamheden te
moeten verrichten. De regering
onderschrijft dat deze werkzaamheden
inherent zijn aan de inrichting van de
Zvw en de internationale socialezekerheidsregelingen, zoals deze ook van
toepassing zijn voor de
verdragsgerechtigden van werknemers aan
de wal.
Het CVZ
heeft Zorgverzekeraars Nederland (ZN) in
het kader van het verzoek om een
uitvoeringstoets gevraagd om zijn
zienswijze ten aanzien van de uitvoering
van de Zvw in het kader
van dit wetsvoorstel. Door ZN wordt
aangegeven dat de handhaafbaarheid door
dit wetsvoorstel niet toe- of afneemt.
ZN verwijst in dit verband naar de taak
die de SVB krijgt in het kader van het
wetsvoorstel wijziging van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten en de
Zorgverzekeringswet, houdende
maatregelen tot opsporing en verzekering
van personen die ondanks hun
verzekeringsplicht geen zorgverzekering
hebben en beperking van het aantal
zorgverzekeringen tot één per
verzekeringsplichtige (opsporing
en verzekering onverzekerden
zorgverzekering) (Kamerstukken II 2009-2010,
32 150, nr. 3), ten behoeve van de
toetsing van de AWBZ-verzekeringsplicht.
ZN beveelt in dat kader aan de
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel te
koppelen aan die van het wetsvoorstel
actieve opsporing onverzekerden [lees:
voorstel van Wet opsporing en
verzekering onverzekerden
zorgverzekering, red.]. De
regering merkt op dat wordt beoogd het
desbetreffende wetsvoorstel op 1 januari
2011 in werking te doen treden. Er is
voorzien dat het parlement het wetsvoorstel actieve opsporing in 2010
behandelt en dus mogelijk rond dezelfde
tijd in werking treed. Verder merkt ZN
op dat in het wetsvoorstel niet is
voorzien in een overgangsregeling en
geeft de opstellers van het wetsvoorstel
in overweging zich hierover te beraden.
De regering is van oordeel dat een
overgangsregeling in dit geval niet op
zijn plaats is. Het zou alsnog de
mogelijkheid bieden op de oude voet door
te gaan en aldus niet tegemoet komen aan
de eisen die de Europese Commissie
Nederland in deze heeft gesteld.
IWI
De IWI
heeft geen opmerkingen over de
toezichtbaarheid van dit
wetsvoorstel.
Actal
Het
college van Actal heeft besloten [lees:
Actal heeft besloten, red.] geen
advies uit te brengen over dit
wetsvoorstel.
rblz.|11|
8.
Financiële effecten
Inkomensgevolgen
voor burgers en concurrentiepositie
bedrijven
De
werkgevers en werknemers die werkzaam
zijn op het NCP gaan premies
volksverzekeringen en
werknemersverzekeringen betalen zoals
dit op het Nederlandse grondgebied ook
plaatsvindt. Daar staat tegenover dat de
kosten van voorzieningen in de
arbeidsvoorwaardelijke sfeer, dan wel
die welke door de werknemer worden
bekostigd (zoals een particuliere
ziektekostenverzekering), zullen worden
beperkt. Voor zover die premies door de
werknemers opgebracht moeten worden, kan
dat, zonder compensatie door de
werkgever, ertoe leiden dat het
netto-inkomen van de werknemer daalt;
aangenomen kan worden dat werkgevers en
werknemers hiermee rekening zullen
houden bij de aanpassing van het
arbeidsvoorwaardelijk regime. Voor de Zvw
geldt dat de werkgever krachtens de
wet verplicht is de werknemer de
inkomensafhankelijke bijdrage te
vergoeden. In beginsel moet over die
bijdrage belasting worden betaald.
Verder kan er afhankelijk van het
inkomen en gezinssamenstelling aanspraak
bestaan op zorgtoeslag (toeslag voor
nominale Zvw-premie).
Overige
financiële effecten
Volgens
de nu beschikbare gegevens zijn er
jaarlijks circa 4500 werknemers die
gemiddeld vier maanden per jaar werken
op het NCP. Volgens de jaarlijkse
telling (census) van het Staatstoezicht
op de Mijnen (SodM) bevonden zich in
2008 ongeveer 1400 werknemers op
platformen gelegen in het NCP. Voor
iedere werkplek op het platform zijn
ongeveer 2,5 werknemers in dienst,
hetgeen leidt tot een totaal van 3500
werknemers. De census is mogelijkerwijs
op een moment afgenomen waarop minder
werknemers aanwezig waren op de
platformen, daarom is dit getal
opgehoogd met 1000 extra werknemers.
Verder zijn de werknemers volgens de
telling van SodM verdeeld over de
volgende vier categorieën:
Werknemers
afkomstig uit:
|
Nederland |
EU/EER |
Verdrags-
land |
Overige
landen (geen verdrag) |
Totaal |
| Percentage |
60% |
30% |
5% |
5% |
100% |
| Aantal |
2700 |
1350 |
225 |
225 |
4500 |
Werknemers die
wonen in Nederland en werken op het NCP
zijn (ongeacht hun nationaliteit) al
verzekerd voor de Nederlandse
volksverzekeringen. Werknemers die wonen
in Nederland en voor een Nederlandse
werkgever op het NCP werken, zijn
(ongeacht hun nationaliteit) ook al
verzekerd voor de
werknemersverzekeringen. Voor deze groep
verandert er de facto niets. Omgerekend
heeft deze wet financiële gevolgen voor
circa 1800 mensen. Al deze werknemers
gaan premies volksverzekeringen en
werknemersverzekeringen betalen.
Hierdoor stijgen de premiebaten met circa
€|3 mln.
Daar
staat echter een grotere
uitgavenstijging tegenover. Alle
werknemers die geen ingezetene zijn van
Nederland of werken voor
niet-Nederlandse bedrijven krijgen recht
op uitkering op grond van de volks- en
werknemersverzekeringen. Hierdoor
stijgen de uitkeringslasten in de
structurele situatie met circa
€|7
mln. Een groot deel van deze lasten - circa 90%
- betreft de AOW (voor de
Anw zijn de gevolgen zeer beperkt
vanwege de kleine omvang van de
doelgroep). Voor de AOW geldt dat mensen
die minder dan één jaar op het NCP
werken en premie betalen, hetzelfde
AOW-recht opbouwen als iemand die een
heel jaar werkt en rblz.|12|
premie betaalt.
Daarom is de balans van inkomsten en
uitgaven voor de AOW negatief. In de
beginjaren zullen de uitkeringslasten
AOW overigens nihil zijn, omdat er naar
verwachting nauwelijks mensen op het NCP
werken die bijna 65 zijn. Voor de Wet WIA
wordt het ingroeipad geraamd op
vijftien jaar
en voor de WW op
vier jaar. De
uitkeringslasten voor de ZW ontstaan al
direct vanaf de invoering van de wet
doordat werknemers uitkeringsrechten
krijgen. De totale uitkeringslasten van
de werknemersverzekeringen bedragen in
de structurele situatie minder dan
€|1 mln.
Werknemers
die geen ingezetene zijn, krijgen voor
hun kinderen recht op AKW
en WKB [Wkb, Wet
op het kindgebonden budget, red.]
(kindgebonden budget). Deze lasten
kennen geen ingroeipad en bedragen
structureel ruim
€|1 mln op basis van
de huidige AKW-bedragen. Daarnaast
ontstaat [lees: ontstaan, red.] onmiddellijk na invoering van
de wet uitkeringslasten in verband met
te gelde gemaakte aanspraken op grond
van de Zvw en de
AWBZ. De omvang daarvan
is niet aan te geven.
Administratieve
lasten
Dit
wetsvoorstel heeft gevolgen voor de
administratieve lasten voor de werkgever
op het NCP. Deze zijn gelijk aan de
administratieve lasten die een werkgever
heeft ten behoeve van een werknemer
werkzaam op het Nederlands grondgebied.
Bedrijven
Bij
bedrijven wordt een bedrag van
€|660,-
per jaar gerekend voor de aangifte van
loon voor de premieheffing
werknemersverzekeringen (ongeacht de
grootte van het bedrijf of het aantal
werknemers).
Burgers
Voor
de AKW wordt
ervan uitgegaan dat
werknemers op het NCP evenveel kinderen
hebben als de gemiddelde Nederlander.
Aldus gaat het om circa 3750 personen
met kinderen. De totale administratieve
lasten voor de AKW bedragen 50 000
minuten (890 uur).
Voor
de volksverzekeringen verandert er
alleen iets als er aanspraak wordt
gedaan op opgebouwde rechten. Alle
werknemers op het NCP zullen in de
toekomst recht krijgen op (een deel van de) AOW. In de structurele situatie zullen
circa 5000 extra mensen per jaar een AOW-aanvraag doen. De totale lasten komen
uit op circa 800 000 minuten per jaar
(13 000 uur). Deze structurele situatie
is over circa 60 jaar bereikt en het
ingroeipad tot die tijd wordt lineair
verondersteld.
Personen
die als gevolg van deze wet onder de Zvw
komen te vallen, zullen een
zorgverzekeraar moeten kiezen en een
polis. Daartoe kan men zich desgewenst
via internet (www.kiesbeter.nl)
oriënteren. Verdere voorlichting zal
verstrekt worden aan de betreffende
werkgevers en via hen aan de werknemers.
Uitvoeringskosten
Het
kabinet schat de uitvoeringskosten voor
de
SVB structureel
€|120 000,- op
jaarbasis en voor het CVZ
op
€|24 000,-
op jaarbasis.
Artikelsgewijs
Artikelen
I tot en met VI (wijziging van de
Algemene Kinderbijslagwet, de Algemene
nabestaandenwet, de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten, de Werkloosheidswet en de
Ziektewet)
Aan artikel 1 van de
AKW, de Anw, de
AOW, de AWBZ, de
WW en de ZW
wordt een
definitie van het begrip "continentaal
plat" toegevoegd. Dit komt de
leesbaarheid ten goede van de in
dezelfde wet voorgestelde wijziging van
het artikel inzake de hoofdregel van de
verzekeringsplicht. Voor de redactie van
de definitiebepaling is aangesloten bij
de wijze rblz.|13|
waarop dit omschreven is in de Algemene
wet inzake rijksbelastingen.
Het NCP wordt in artikel 2, derde lid,
onderdeel d, van die
wet aangeduid als
de exclusieve economische zone van het
Koninkrijk, bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet
instelling exclusieve economische zone, voor zover deze grenst
aan de territoriale zee van Nederland.
In
aansluiting hierop is in de AKW, de
Anw,
de AOW, de
AWBZ, de WW en de
ZW de
hoofdregel van de verzekeringsplicht,
voor zover deze arbeidsgerelateerd is,
zodanig aangepast dat arbeid op het NCP
dezelfde gevolgen heeft als werken aan
de wal.
Wijziging
van de Wet WIA en de
Zvw teneinde die
wetten van toepassing te doen zijn, is
niet nodig. Verzekerden op grond van de
ZW respectievelijk de AWBZ vallen
automatisch ook onder de kring van
verzekerden van de Wet WIA
respectievelijk de Zvw.
Dit
leidt ertoe dat de kring van werknemers
voor wie de socialezekerheidsbescherming nu
geldt ruimer
wordt dan die welke onder de artikelen 3
en 4 van de WAMN
vallen. Die wet is slechts van
toepassing (zie artikel 1 van de WAMN)
op werknemers die op het NCP
werkzaamheden verrichten op of vanaf een
mijnbouwinstallatie dan wel een zich op
het NCP bevindend stationair schip. Daar
is sprake van een schip dat zich langer
dan 30 dagen op het NCP bevindt en
waarop of waar vanaf er arbeid wordt
verricht (zie artikel 1, eerste lid,
onderdeel c, onder 2ş, WAMN).
Werknemers
die anderszins op het NCP werkzaam zijn,
bijvoorbeeld voor de bouw en het onderhoud van
een windmolenpark, vallen derhalve niet
onder die wet. Deze werknemers vallen
wel onder het bereik van dit
wetsvoorstel. Als gevolg hiervan wordt
in dit wetsvoorstel de huidige
verwijzing van het werknemersbegrip in
artikel 1 van de WAMN
naar de mijnbouwwetgeving [zie Mijnbouwwet,
red.] niet
voortgezet.
Het uitgangspunt dat aan werken op het
NCP
wat de toepasselijkheid van de socialezekerheidsregelingen
betreft dezelfde socialezekerheidsgevolgen moeten worden
verbonden als werken aan de wal betekent
dat de bijzondere bepalingen tot
uitbreiding en beperking van de kring
van verzekerden, zoals neergelegd in het
Besluit
uitbreiding en beperking kring
verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna: BUB volksverzekeringen) en het
Besluit
uitbreiding en beperking kring
verzekerden werknemersverzekeringen 1990
(hierna: BUB werknemersverzekeringen),
evenzeer zullen moeten gelden voor
werknemers die op het NCP werken. In
verband met het nu voorliggende
wetsontwerp zijn twee onderdelen van die
besluiten meer in het bijzonder
relevant. Dit
zijn:
a.
In artikel 11 van het
BUB volksverzekeringen
en artikel
4c van het BUB
werknemersverzekeringen worden, als
aanvulling op de ter gelegenheid van de
"Koppelingswet" in de
socialezekerheidswetgeving opgenomen
bepalingen, geregeld dat personen die
niet in Nederland wonen, maar wel
rechtmatig (in overeenstemming met de Wet
arbeid vreemdelingen) in Nederland
werken, onder de Nederlandse socialezekerheidswetgeving vallen. Dit artikel
zal in technische zin worden aangepast,
zodat hetzelfde geldt voor personen die
rechtmatig op het NCP werken. Ten
aanzien van die werkzaamheden geldt
overigens geen
tewerkstellingsvergunningsplicht op
grond van de Wet arbeid vreemdelingen.
b.
Op grond van artikel 14 van het
BUB
werknemersverzekeringen worden
zogenaamde detacheringssituaties, te
weten tijdelijke arbeid (korter dan zes
maanden) in Nederland verricht door
buiten Nederland woonachtige werknemers
in dienst van een buiten Nederland
gevestigde werkgever, uitgezonderd van
de verzekeringsplicht. Dit rblz.|14|
artikel zal
in technische zin worden aangepast,
zodat het ook geldt indien de arbeid
niet in Nederland, maar op het NCP wordt
verricht.
Artikelen
VII,
VIII,
IX en
XI (wijziging van de
Wet op het algemeen verbindend en het
onverbindend verklaren van bepalingen
van collectieve arbeidsovereenkomsten,
de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag, het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering en de
intrekking van de WAMN)
Zoals in het algemeen deel van deze
memorie van toelichting reeds is
vermeld, kan de WAMN
vervallen, mits op twee punten aanvullende
voorzieningen worden getroffen. De
artikelen van de WAMN aflopende, wordt
daarover het volgende opgemerkt:
Artikel 2 WAMN:
Hierin wordt het Nederlandse
arbeidsovereenkomstenrecht van
toepassing verklaard. Dit artikel kan
vervallen. Deze materie is geregeld in
Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad
van 22 december 2000 betreffende de
rechterlijke bevoegdheid, de erkenning
en de tenuitvoerlegging van beslissingen
in burgerlijke en handelszaken (de
EEX-verordening) en Verordening (EG) nr.
593/2008 van de Raad van 17 juni 2008
inzake het recht dat van toepassing is
op verbintenissen uit overeenkomst (Rome
I). Op grond van bijvoorbeeld artikel 8,
tweede lid, van de Rome I-Verordening
wordt de individuele
arbeidsovereenkomst, voor zover partijen
niet voor een ander toepasselijk recht
hebben gekozen, beheerst door het recht
van het land waar de werknemer ter
uitvoering van de overeenkomst
gewoonlijk zijn arbeid verricht. In
samenhang met de jurisprudentie van het
Europese Hof van Justitie [lees: Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen,
red.] is voldoende
duidelijk dat voor de toepassing van
beide verordeningen arbeid op het NCP
gelijk moet worden gesteld aan arbeid in
Nederland. Verwezen wordt naar de
uitspraak van het Hof van Justitie van 27
februari 2000 (C 37/00, arrest Weber).
Artikelen 3 en 4 WAMN:
Deze artikelen regelen de huidige
sociale zekerheid van werknemers in de
zin van de WAMN.
Deze artikelen kunnen nu vervallen. Deze
materie wordt nu geregeld in de
reguliere socialezekerheidswetgeving,
overeenkomstig de artikelen I tot en met
VI van dit
wetsvoorstel.
Artikel 6 WAMN:
Dit artikel is materieel behouden en
door artikel VII verplaatst naar de Wet
op het algemeen verbindend en het
onverbindend verklaren van bepalingen
van collectieve arbeidsovereenkomsten.
Artikelen 7 en 8 WAMN:
Ook deze artikelen kunnen vervallen. Het
daar bepaalde wordt beheerst door de
Rome-I-Verordening (zie voor de
toelichting hierop de toelichting
gegeven bij artikel 2 WAMN).
Hieruit vloeit voort dat het dwingend
Nederlands arbeidsrecht in principe
geldt ten aanzien van arbeid dat wordt
verricht op het grondgebied waarover
Nederland rechtsmacht uitoefent.
Artikel 10 WAMN:
Dit artikel is materieel behouden en
middels artikel IX in technische zin
overgeplaatst naar een nieuwe titel 17
(artikel 1019w) in het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering. In dit
artikel 1019w, eerste lid, wordt de
kantonrechter van de rechtbank te
Alkmaar aangewezen als de rechter die
mede bevoegd is kennis te nemen van
arbeidsrechtelijke vraagstukken inzake
het werken op het NCP. De algemene
regels in het bijzonder inzake de
relatieve competentie blijven daarnaast
gewoon gelden. Het vierde lid regelt dat
het verlof vereist voor het leggen van
conservatoir beslag op zaken (die in
relatie staan tot het eerste lid) en die
zich op het NCP bevinden, mede kan
worden verzocht aan de
voorzieningenrechter van de rechtbank te
Alkmaar.
rblz.|15|
Artikel
X (wijziging van de Wet kinderopvang)
Ouders komen op grond van de Wet
kinderopvang [lees: Wet
kinderopvang en kwaliteitseisen
peuterspeelzalen, red.] in aanmerking voor de
kinderopvangtoeslag wanneer arbeid en
zorg wordt gecombineerd. Daarvoor moeten
beide ouders of één van de ouders werken
of onder de doelgroep vallen.
Onderhavige wijziging van de Wet
kinderopvang maakt het mogelijk voor
ouders die niet in Nederland wonen en in
Nederland arbeid verrichten of voor een
ouder met een partner die in Nederland,
een andere lidstaat, een land
aangesloten bij de Europese Economische
Ruimte of Zwitserland woont en in
Nederland arbeid verricht, ook aanspraak
te maken op kinderopvangtoeslag indien
op het continentaal plat arbeid wordt
verricht. Indien een ouder op het
continentaal plat arbeid verricht, kan
ook aanspraak worden gemaakt op
kinderopvangtoeslag.
Artikel
XII (inwerkingtreding)
De datum van inwerkingtreding wordt bij
koninklijk besluit vastgesteld. Beoogd
wordt dit wetsvoorstel in werking te
laten treden met ingang van 1 januari
2011.
De
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
De
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport,
A. Klink
De
Minister voor Jeugd en Gezin,
A. Rouvoet
De
Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
De
Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap,
A. Rouvoet
|