|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2009-2010, 32 150
Wijziging
van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en
de Zorgverzekeringswet, houdende maatregelen
tot opsporing en verzekering van personen die ondanks hun
verzekeringsplicht geen zorgverzekering hebben en beperking van het
aantal zorgverzekeringen tot één per verzekeringsplichtige (opsporing
en verzekering onverzekerden zorgverzekering)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| I |
Opsporing
en verzekering van onverzekerden |
| 1 |
Inleiding
(korte probleemschets) |
| 2 |
Samenhang met andere
maatregelen (maatschappelijke relevantie van de
maatregel) |
| 3 |
Het
wetsvoorstel |
| 4 |
Werking van het
wetsvoorstel |
| 5 |
Financiële
consequenties |
| 6 |
Uitvoeringstoetsen |
| 7 |
Advisering |
| 8 |
Evaluatie |
| 9 |
Inwerkingtreding en
voorlichting |
| II |
Maatregelen
ter voorkoming van dubbele verzekering |
| xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m XIII |
Algemeen
Dit wetsvoorstel bevat maatregelen tot opsporing en verzekering van
personen die ondanks hun verzekeringsplicht geen zorgverzekering
hebben. Tevens bevat dit wetsvoorstel maatregelen ter voorkoming van
dubbele verzekering.
I.
Opsporing en verzekering van onverzekerden
1.
Inleiding (korte probleemschets)
Sinds de invoering van
de Zorgverzekeringswet (Zvw) op 1 januari 2006 moeten
verzekeringsplichtigen een zorgverzekeringsovereenkomst sluiten.
Verzekeringsplichtig voor de Zvw zijn de personen die van rechtswege
verzekerd zijn voor de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), behalve militairen in werkelijke dienst en
gemoedsbezwaarden. Hoofdregel is dat voor
de AWBZ verzekerd zijn diegenen die in Nederland wonen of, als ze hier
niet wonen, in Nederland in loondienst werken. Verder zijn groepen
aangewezen als verzekerd en worden groepen van verzekering voor de AWBZ
uitgezonderd.
De verzekering komt tot
stand door het sluiten van een verzekeringsovereenkomst. Iedere
verzekeringsplichtige is daarvoor zelf verantwoordelijk. Ook kinderen
en onder
curatele, bewind of mentorschap gestelde meerderjarigen zijn
verzekeringsplichtig. Omdat van hen niet kan worden verwacht dat zij
zichzelf verzekeren, zijn de wettelijk vertegenwoordigers verplicht dat voor hen
te doen.
Verzekeringsplichtigen
die niet aan hun Zvw-verzekeringsplicht voldoen en nalaten een
zorgverzekeringsovereenkomst te sluiten, zijn onverzekerd. Het is om
verschillende
redenen ongewenst dat verzekeringsplichtigen zich niet verzekeren:
zij betalen alleen de procentuele, inkomensafhankelijke bijdrage en onttrekken
zich aan de solidariteit; het heeft gevolgen voor de zorgaanbieders
die geconfronteerd worden met dubieuze debiteuren en het heeft mogelijk
gevolgen voor de volksgezondheid omdat onverzekerden wellicht
zorg mijden. Om te voorkomen dat verzekeringsplichtigen rblz.|2|
nalaten een
zorgverzekering te sluiten, is in de Zvw een sanctie opgenomen die het voor
verzekeringsplichtigen onaantrekkelijk maakt zich aan de
verzekeringsplicht te onttrekken. Verzekeringsplichtigen die zich niet tijdig
verzekeren, zijn een boete verschuldigd ter hoogte van 130% van de premie over de
termijn waarover zij hebben nagelaten zich te verzekeren, met een
maximum van vijf jaar. Het betalen van een boete leidt er niet toe dat
met terugwerkende kracht verzekering tot stand komt. Eventuele kosten van
medische zorg die in de onverzekerde periode zijn gemaakt, blijven voor
rekening van de onverzekerde. Daarnaast bestaat er over de onverzekerde
periode ook geen recht op een eventuele zorgtoeslag. Voor kinderen jonger dan
18 jaar is geen boete verschuldigd. Verder wordt geen boete
opgelegd als een verzekeringsplichtige niet verwijtbaar heeft
nagelaten zich te verzekeren of als voor het niet afsluiten van een zorgverzekering
een rechtvaardigingsgrond bestaat.
Het
ministerie van VWS
heeft bij de inwerkingtreding van de Zvw een voorlichtingscampagne
gehouden waarin via de media (tv, radio, kranten) burgers over hun
verzekeringsplicht zijn voorgelicht. VWS heeft destijds ook een speciaal traject
ontwikkeld voor de voorlichting aan "moeilijk bereikbare en kwetsbare
doelgroepen". Het betrof onder meer: dak- en thuislozen, verslaafden,
psychiatrische patiënten, gehandicapten, (oudere) allochtonen,
vereenzaamde ouderen en analfabeten. Naast voorlichting zijn er naar aanleiding
van het rapport "Zorg verzekerd" ¹ stappen ondernomen om onverzekerdheid tegen
te gaan zoals het bevorderen van collectieve
(aanvullende) verzekeringen voor bijstandsgerechtigden en andere sociale minima en
het vergroten van de postadressenregeling. Ondanks genoemde
maatregelen in combinatie met alle voorlichting over de verzekeringsplicht
voor de Zvw en een dreiging van een boete blijken er toch verzekeringsplichtigen te zijn die nalaten om binnen de wettelijk
gestelde termijn een
zorgverzekering af te sluiten. Dit zijn onverzekerde
verzekeringsplichtigen.
Hierna zal deze groep worden aangeduid als onverzekerden.
1. Het rapport "Zorg
verzekerd" is bij brief van 13 december 2005
(Kamerstukken II 2005-2006, 29 689, nr. 47) aan
beide kamers gezonden.
Het
Centraal bureau voor
de statistiek (CBS) is gevraagd het aantal onverzekerden in kaart te brengen.
Hieronder zijn de cijfers van het CBS over de aantallen onverzekerden
voor de jaren 2004 tot en met 2007 weergegeven. De desbetreffende
rapportages van het CBS zijn bij brieven van 10 juli 2006,¹ 4 juni
2007 ² en
26 mei 2008 ³ aan zowel de Tweede als de Eerste Kamer gezonden. Ook in
de VWS-verzekerdenmonitor van 27 juni 2008 (Kamerstukken II 2007-2008, 29 689, nr.
201) is, onder meer, op de getalsmatige ontwikkeling en de achtergrondkenmerken
van de onverzekerden
ingegaan. Op 15 april 2009 heeft het CBS voorlopige cijfers gepubliceerd
over het aantal onverzekerden op 1 mei 2008. Op 4 augustus 2009 heeft
het CBS definitieve cijfers over het aantal onverzekerden op 1 mei 2008
gepubliceerd. Daarnaast heeft het CBS op 4 augustus 2009 herziene
cijfers gepubliceerd over het aantal onverzekerden op respectievelijk 1 mei
2006 en 1 mei 2007.
1. Kamerstukken II 2005-2006, 29 689, nr. 107.
2. Kamerstukken II 2006-2007, 29 689, nr. 133.
3. Kamerstukken II 2007-2008, 29 689, nr. 193.
Onderstaande tabel geeft
de jaarlijkse ontwikkeling van het aantal onverzekerden weer.
| Peildatumxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Aantal
onverzekerden |
% van de betreffende
bevolkingsgroep |
| 31 december 2005
(ten
tijde van de Zfw) |
242 000 |
1,5% |
| 1 mei 2006 |
173 000 |
1,1% |
| 1
mei 2007 |
151
000 |
0,9% |
| 1 mei 2008 |
153 000 |
0,9% |
Uit de cijfers van het
CBS blijkt dat er sinds het in werking treden van de Zvw
een afname is in het
aantal onverzekerden. Deze afname is weliswaar rblz.|3|
een positieve
ontwikkeling, maar een te geringe om te veronderstellen dat dit aantal zonder nadere
maatregelen veel verder zal teruglopen, ook gelet op de situatie van
vóór
de invoering van de Zvw waarbij het aantal onverzekerden rond de 1,5% bleef
schommelen. Uit de meest recente cijfers van het CBS blijkt dat er in
2008, ondanks de eerder genoemde maatregelen in combinatie met alle
voorlichting, zelfs een lichte stijging is van het aantal
onverzekerden. Mede daarom houdt de regering vast aan de voornemens uit het hiervoor
vermelde Plan van aanpak inzake de actieve opsporing van
onverzekerden.
Daarnaast is ook het boeteregime niet in alle opzichten een adequaat middel gebleken om te
bereiken dat alle verzekeringsplichtigen daadwerkelijk tot verzekering
overgaan. Dit is ook een reden om de in het Plan van aanpak voorgestelde
nieuwe boetemaatregelen in dit wetsvoorstel uit te werken.
Zowel tijdens de
behandeling van de Zvw als bij de behandeling van de
Invoerings- en
aanpassingswet Zvw heeft de politiek aandacht gevraagd voor de onverzekerden en
de problematiek die voortvloeit uit het feit dat deze groep zich onttrekt
aan de solidariteit van de Zvw. De Tweede Kamer pleitte toen reeds voor
actieve opsporing van onverzekerden.¹
Mijn ambtsvoorganger
heeft de Kamer indertijd toegezegd de onverzekerdenproblematiek te evalueren en te
monitoren om te bezien of het probleem van onverzekerden zou toenemen.
Tijdens het plenaire
debat in de Tweede Kamer over het wetsvoorstel "Wet verzwaren
incassoregime" [lees: voorstel van Wet
verzwaren incassoregime premie en andere maatregelen zorgverzekering,
red.] op 20 juni 2007 is de urgentie om de onverzekerdenproblematiek
nader aan te pakken, onderstreept door een aangenomen motie van de kamerleden Omtzigt en
Heerts.² Deze leden hebben gevraagd om een
plan van aanpak waarin wordt gerealiseerd dat alle personen zonder
zorgverzekering via bestandskoppeling vóór het eind van het jaar (2007)
individueel benaderd worden om zich te verzekeren. Tijdens het plenaire
debat is door mevrouw Schippers van de VVD-fractie met betrekking tot deze
motie de aandacht gevraagd voor de proportionaliteit van een dergelijke
maatregel betreffende koppeling van gegevens; een relatief zware
maatregel ook uit het oogpunt van privacy. De VVD-fractie heeft er
toen op aangedrongen eerst te bezien hoe de wet functioneert voordat tot
verdergaande wettelijke maatregelen zou worden besloten. De CDA-fractie
heeft destijds specifiek de aandacht gevraagd voor het niet solidair
zijn van de groep die nalaat zich te verzekeren. De CDA-fractie heeft
aangegeven het actief opsporen van onverzekerden en het individueel
benaderen van onverzekerden om zich te verzekeren buitengewoon proportioneel en rechtvaardig te vinden ten opzichte van
de rest van de
Nederlandse samenleving.
1. Handelingen II 2004-2005, nr. 35,
blz. 2317.
2. Kamerstukken II 2006-2007, 30 918, nr. 14.
Bij brief van 3 maart 2008 ¹ heeft de regering het Plan van aanpak inzake het terugdringen van
onverzekerden: doelgroepgerichte voorlichting en actieve opsporing van
onverzekerden door bestandsvergelijking, aan de beide kamers gezonden.
De in dat Plan van aanpak genoemde maatregelen worden in dit wetsvoorstel uitgewerkt en in
hoofdstuk 3 beschreven.
1. Kamerstukken II 2007-2008, 29 689, nr. 180.
2. Samenhang met andere
maatregelen (maatschappelijke relevantie van de
maatregel)
Maatregelen op andere
terreinen
Het voorliggende
wetsvoorstel staat niet op zichzelf, maar is onderdeel van het totale
wetgevingscomplex voor de financiering van de medische zorg in Nederland. Het
gaat daarbij om de sociale verzekeringen van de Zvw
en AWBZ, de
maatregelen om het aantal wanbetalers en onverzekerden te verminderen
en de
maatregelen ter compensatie van zorgkosten van betalingsonmachtige
illegalen.
rblz.|4|
Met de sociale
verzekeringen van de Zvw en de AWBZ
zorgen we er in Nederland voor dat
iedereen die daar recht op heeft op een betaalbare manier noodzakelijke
zorg krijgt. Dat is een kostbaar goed. We moeten het socialeverzekeringsstelsel zorgvuldig beheren zodat het ook zo blijft, nu en in de
toekomst.
Een belangrijk aspect
hierbij is solidariteit. Die vormt de basis voor de sociale
ziektekostenverzekeringen. Die solidariteit moet niet aangetast worden door
medische
kosten van personen die aan de verzekering mee zouden moeten doen, maar
dat om wat voor reden dan ook niet doen. Dat is het geval bij
onverzekerden, waar deze wet op ziet, maar ook bij diegenen die wel een verzekering
hebben gesloten, maar nalaten de premie te betalen, de wanbetalers. Om de problematiek van die groep aan te
pakken, is allereerst
met ingang van 21 december 2007 de Wet
verzwaren incassoregime premie en andere maatregelen zorgverzekering
(Stb. 2007, 540) ingevoerd. Tevens is op 1 september
2009 het voorstel van wet tot wijziging van de Zorgverzekeringswet,
de Wet op de zorgtoeslag en enige andere wetten, houdende
maatregelen om ook wanbetalers voor hun zorgverzekering te laten betalen
(structurele maatregelen wanbetalers
zorgverzekering) (Stb. 2009, 356), hierna
te noemen Wet
structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering, in werking getreden. Samengevat houdt
die wet in dat een
wanbetaler na twee maanden premieachterstand een aanbod van zijn
zorgverzekeraar krijgt om tot een betalingsregeling (voor zowel de tot dan
toe opgebouwde, nog beperkte schuld als voor toekomstige
premietermijnen) te komen. Gaat hij daar niet op in, dan zal zijn verzekeraar
hem, net zoals dat op dit moment het geval is, niet royeren of de dekking
van de verzekering beperken, maar wel zal hij de wanbetaler nadat de
premieschuld een hoogte van zes maandpremies heeft bereikt, bij het
College voor zorgverzekeringen (CVZ) aanmelden. Vanaf dat moment is deze
structurele wanbetaler voor zijn zorgverzekering in plaats van de
(nominale) premie aan zijn zorgverzekeraar, een hogere,
bestuursrechtelijke premie aan het CVZ verschuldigd. Omdat het CVZ, anders dan de
zorgverzekeraars voor zover zij zorgverzekeringen aanbieden en uitvoeren,
een (zelfstandig) bestuursorgaan is, was het mogelijk het CVZ in het
wetsvoorstel voor deze bestuursrechtelijke premie bijzondere
inningsmogelijkheden te verschaffen. De belangrijkste is de mogelijkheid voor het
CVZ om werkgevers, pensioenfondsen en uitkeringsinstanties de opdracht te geven de
bestuursrechtelijke premie direct op het loon, het pensioen
of de uitkering van de wanbetaler in te houden en aan het CVZ af te
dragen. Een andere is de mogelijkheid om de belastingdienst op te dragen de
zorgtoeslag van de wanbetaler als tegemoetkoming in de
bestuursrechtelijke premie aan het CVZ over te maken. Zolang het bestuursrechtelijke
premieregime op de structurele wanbetaler van toepassing is, ontvangt
zijn zorgverzekeraar een bijdrage van het CVZ. Met uitzondering van de
premieplicht jegens de verzekeraar loopt de zorgverzekering immers
gewoon door.
De regering verwacht met
die wet het aantal wanbetalers aanzienlijk en structureel te beperken.
Ten slotte zijn er
personen die niet aan de sociale ziektekostenverzekeringen mee mogen doen, omdat ze
niet rechtmatig in Nederland verblijven en op grond van de Koppelingswet
daarvan zijn uitgesloten. Zij hebben in voorkomend
geval natuurlijk wel behoefte aan medische zorg. Gezien hun beroepsethiek
kunnen zorgaanbieders medisch noodzakelijke zorg niet weigeren. Maar
aan de verlening daarvan zijn natuurlijk wel kosten verbonden. In het
geval deze personen de kosten niet zelf kunnen betalen, blijft de
zorgaanbieder met een onbetaalde rekening zitten. De zorgaanbieder kan als
hij medisch noodzakelijke zorg heeft verleend aan een illegaal, in die
gevallen waarin ondanks inspanningen van de zorgaanbieder geen kostenverhaal op
(de particuliere ziektekostenverzekering van) de patiënt of op een
andere voorziening mogelijk blijkt, onder voorwaarden, rblz.|5|
een beroep doen
op een bijdrageregeling. Dit is geregeld in de Wet
van 30 oktober 2008, houdende wijziging van de
Zorgverzekeringswet in verband met de verstrekking van bijdragen aan
zorgaanbieders die inkomsten derven ten gevolge van het verlenen van
medisch noodzakelijke zorg aan bepaalde groepen vreemdelingen en van
de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten met het oog op verzekering van
bepaalde groepen minderjarige vreemdelingen (Stb. 2008,
526).
3. Het wetsvoorstel
De Zvw
is sedert 1
januari 2006 in werking. Ondanks alle voorlichting over de verzekeringsplicht
voor de Zvw blijkt er, gezien de cijfers van het
CBS, een groep verzekeringsplichtigen te zijn die nalaat een zorgverzekering te
sluiten. De
intensivering van voorlichting voor specifieke groepen heeft in dit verband slechts
geleid tot een lichte afname van het aantal onverzekerden in 2007 ten opzichte van
2006.
Naast de
(doelgroepgerichte) voorlichting is ook het boeteregime niet in alle opzichten een
adequaat middel gebleken om te bereiken dat alle verzekeringsplichtigen
daadwerkelijk tot verzekering overgaan. Daarvoor zijn verschillende
oorzaken aan te wijzen. Enerzijds kan de boete pas worden opgelegd wanneer
verzekeringsplichtigen zich alsnog aanmelden voor een
zorgverzekering, bijvoorbeeld omdat zij medische zorg behoeven. Verwacht was dat
van de
dreiging van een boete bij het zich alsnog verzekeren een
preventieve werking zou uitgaan. Inmiddels is het boeteregime geen prikkel gebleken
voor verzekeringsplichtigen om zich te verzekeren. De boete kan
zelfs zo hoog oplopen dat die in de praktijk een hoge financiële drempel
opwerpt voor (langdurig) onverzekerden om zich alsnog te verzekeren.
Anderzijds gaat er geen dreiging uit van het boeteregime aangezien dat in de
praktijk niet kan worden geëffectueerd bij het ontbreken van
betaalmogelijkheden bij boeteplichtigen in relatie tot de hoogte van de boete. In
dergelijke gevallen wordt de boete namelijk verlaagd, rekening
houdend met de mate waarin betrokkenen in staat zijn deze te betalen, of
zelfs op nihil gesteld.
Als gevolg hiervan
kunnen bepaalde groepen personen zich in feite ongestraft aan de
verzekeringsplicht voor de Zvw onttrekken door te wachten met het sluiten van een
verzekering totdat de noodzaak van medische zorg zich voordoet. De
omstandigheid dat het aantal onverzekerden tot nu toe beperkt is gebleven
tot circa 153 000 personen is in dit verband niet per se een
geruststelling. De tijd sedert de invoering van de Zvw is namelijk nog te kort geweest om
- tot dusver - goedwillenden die zich wel hebben verzekerd en
daarvoor ook de nominale premie betalen, te laten beseffen dat men
kennelijk ongestraft ook niet verzekerd kan zijn. In potentie gaat het hier
om een groep van ten minste 2 miljoen mensen, waaronder mensen met een
inkomen op, rond of onder het bijstandsniveau (sociaal minimum). Deze
personen ontlopen namelijk de facto het betalen van een
eventuele opgelegde boete, omdat zij daartoe vanwege hun inkomenpositie niet
in staat zijn.
De regering is van
mening dat het ongewenst is dat er een situatie bestaat waarbij een aanzienlijk
deel van de verzekeringsplichtigen zich kan onttrekken aan de
verzekeringsplicht.
In de eerste plaats gaat
het natuurlijk om de onverzekerden zelf. Ook de onverzekerde die denkt
dat hij geen verzekering nodig heeft, kan geconfronteerd worden met een ernstige
ziekte of een ongeval. En meestal zal ook deze onverzekerde
niet in staat zijn de kosten van die zorg zelf te betalen. Het is juist de
door de sociale zekerheid geboden bescherming die bewerkstelligt dat
de negatieve financiële gevolgen van dergelijke gebeurtenissen beperkt
blijven.
Ten tweede speelt
hierbij niet alleen het persoonlijk belang van de onverzekerden, maar ook het belang van
het socialeverzekeringssysteem. Gezien vanuit het
verzekeringsstelsel is het ongewenst dat er inbreuk rblz.|6|
wordt gemaakt op de
daaraan ten grondslag liggende solidariteit. Daarin is meedoen, ook wanneer
je het niet nodig hebt, de leidende gedachte.
Onverzekerden betalen
alleen de procentuele, inkomensafhankelijke bijdrage en dragen dus
niet bij aan de solidariteit. Met een aantal van 153 000 onverzekerden is
een bedrag gemoeid van circa €|140 miljoen per jaar aan gederfde
premiesolidariteit. Dit bedrag betreft de nominale premie van circa 136 000
onverzekerden van 18 jaar of ouder. Voor circa 17 000 onverzekerde
kinderen is geen sprake van premiederving aangezien voor hen geen nominale
premie verschuldigd zou zijn. Daar komt nog bij dat voor
onverzekerden nauwelijks zorgkosten worden uitgespaard. Zodra zij namelijk zorg
nodig hebben, sluiten zij alsnog een zorgverzekering waarvoor zij als
verzekeringsplichtigen moeten worden geaccepteerd. Deze groep onttrekt zich
aan de kern van de sociale zorgverzekering; geruime tijd premie
betalen, zonder dat daar per definitie geconsumeerde zorg tegenoverstaat.
Ten slotte geldt dat
onverzekerd zijn mogelijk gevolgen heeft voor de volksgezondheid omdat
onverzekerden daardoor zorg zouden kunnen mijden.
Gezien het vorenstaande
is de regering van mening dat het treffen van maatregelen om het
aantal onverzekerden terug te dringen proportioneel is. Zij acht het
vanuit
zowel volksgezondheids- als maatschappelijk perspectief een
ongewenste situatie wanneer sommige personen in onze samenleving zich aan de
bescherming van de sociale ziektekostenverzekering (kunnen) onttrekken. Om
die reden worden de hierna beschreven maatregelen getroffen.
Eigen
verantwoordelijkheid van de burger
Het standpunt van de
regering is dat er maatregelen nodig zijn om het aantal onverzekerden
verder terug te dringen. Dit is in lijn met de motie-Omtzigt/Heerts,¹ waarin
de regering wordt gevraagd om een plan te presenteren waarin alle
personen zonder zorgverzekering via bestandskoppeling individueel benaderd
worden om zich te verzekeren. De in dit wetsvoorstel
voorgestelde maatregelen doen niets af aan het principe van de eigen
verantwoordelijkheid, dat in de Zvw vooropstaat.
Nadat door middel van
bestandsvergelijking de onverzekerden zijn opgespoord, zal het CVZ de
betreffende onverzekerde eerst aanschrijven met de mededeling dat hij is
gesignaleerd als iemand die verzekeringsplichtig is, maar zich niet heeft
verzekerd voor de Zvw. Het doel van deze aanschrijving is de onverzekerde te
wijzen op zijn eigen verantwoordelijkheid om alsnog een
zorgverzekering te sluiten.
De regering vindt het
principe van eigen verantwoordelijkheid van groot belang. Om die reden is
dan ook niet gekozen voor een verzekering van rechtswege voor de
betreffende personen.
1. Kamerstukken II 2006-2007, 30 918, nr. 14.
Systeemverantwoordelijkheid
van de overheid
In dit wetsvoorstel
blijft de eigen verantwoordelijkheid van de burger vooropstaan.
Tegelijkertijd is de regering verantwoordelijk voor een goed werkend sociaal
ziektekostenverzekeringssysteem. Om dit systeem te waarborgen, is er niet
voor gekozen de onverzekerdenproblematiek buiten het verzekeringssysteem
op te lossen, bijvoorbeeld door middel van een waarborgfonds of een
regeling die vergelijkbaar is met de regeling die voor asielzoekers geldt.
Aan de
verantwoordelijkheid voor het ziektekostenverzekeringssysteem wordt invulling gegeven
door een verdergaande prikkel om onverzekerden binnen het systeem te
krijgen. Als onverzekerden, nadat het CVZ hen op hun
verzekeringsplicht heeft gewezen, nog steeds niet aan de
verzekeringsplicht voldoen, worden zij
geconfronteerd met een nieuw boeteregime. Dat regime is als het ware
vergelijkbaar met het opleggen van een rblz.|7|
verkeersboete, waarbij
op een bepaald moment een overtreding wordt geconstateerd. In het
geval van de Zvw is die overtreding het feit dat iemand op een bepaald
moment niet aan zijn verzekeringsplicht voldoet. Wanneer drie maanden na
bovenvermelde aanschrijving opnieuw door een bestandsvergelijking
wordt geconstateerd dat betrokkene nog altijd niet is verzekerd en hij
dus in overtreding is, legt het CVZ een boete op. Mocht na een nieuwe
bestandsvergelijking blijken dat betrokkene drie maanden na het opleggen
van de eerste boete nog altijd niet verzekerd is, dan legt het CVZ voor de
tweede keer een boete op. Deze wijze van actief beboeten vormt, meer dan
die van het bestaande boeteregime, een prikkel voor de
onverzekerde om alsnog zijn verantwoordelijkheid te nemen en over te gaan
tot het sluiten van een zorgverzekering. De regering acht deze prikkel
effectief, ondanks het feit dat een tamelijk groot gedeelte (40%) van de
onverzekerden aangeeft niet verzekerd te zijn vanwege hun financiële
situatie, zoals Stichting de Ombudsman heeft gerapporteerd.¹ De
regelgeving in Nederland is namelijk zodanig dat in beginsel iedereen in
staat zou moeten zijn de nominale premie voor zijn zorgverzekering te
betalen. Het sociaal minimum is daarop afgestemd. Aangezien de hoogte van
de boete vergelijkbaar is met de hoogte van de standaardpremie, zal het
voor betrokkene onmiddellijk duidelijk zijn dat het verstandiger is om
voor hetzelfde bedrag een verzekering te sluiten. Het dreigen met een
boete zal daarom naar verwachting in belangrijke mate preventief werken.
De regering acht deze boetefase tussen de aanmaning en de
ambtshalve verzekering van belang om een uiterste poging te doen
betrokkenen binnen de private sfeer van de Zvw te halen, door ze er zelf toe te
brengen een zorgverzekering te sluiten.
1. Bijlage bij
Kamerstukken II 2008-2009, 29 689, nr. 259, blz. 39 e.v.
Sociale samenhang
Indien bij een volgende
bestandsvergelijking zou blijken dat de betreffende onverzekerde zich nog
steeds niet heeft verzekerd, zou er opnieuw een boete kunnen worden
opgelegd, elke keer als gebleken is dat betrokkene in overtreding is. Het
is echter de vraag of op deze weg zou moeten worden doorgegaan. Iemand is namelijk in de eerste plaats gewezen op
zijn eigen
verantwoordelijkheid voor het sluiten van een zorgverzekering door middel van een
aanschrijving van het CVZ en heeft vervolgens tot tweemaal toe een boete
gekregen en heeft ervaren dat het maatschappelijk niet aanvaardbaar wordt
geacht dat hij niet voldoet aan zijn verzekeringsplicht. Nog meer waarschuwingen
of nog meer boetes lijken in deze situatie niet het
aangewezen middel. Het lijkt niet aannemelijk dat deze onverzekerde zich uit
eigen beweging alsnog bij een verzekeringsmaatschappij zal melden.
Vanuit zowel
maatschappelijk als volksgezondheidsperspectief is er dan sprake van een
ongewenste situatie. Betrokkene valt dan immers buiten de bescherming die wordt
geboden door onze sociale ziektekostenverzekeringen. Daarnaast wordt er
schade toegebracht aan het verzekeringsstelsel indien betrokkenen niet
voldoen aan hun verzekeringsplicht. In het geval een onverzekerde
na een brief en twee boetes nog steeds geen verzekering heeft
gesloten, is er volgens de regering sprake van iemand die niet goed in staat
is zijn eigen verantwoordelijkheid waar te maken. Dat mag er evenwel niet
toe leiden dat hij van de zorg uitgesloten raakt. Hij moet worden geholpen
met zijn maatschappelijk functioneren. In die situatie zal ertoe
worden overgegaan betrokkene ambtshalve te verzekeren voor de Zvw, in plaats
van door te gaan met het opleggen van boetes.
De ambtshalve
verzekering is een "ultimum remedium". Andere maatregelen zoals het creëren van
een publiekrechtelijk vangnet voor (de zorgkosten van) de hier bedoelde
personen, ondermijnen de aan het zorgverzekeringssysteem ten grondslag liggende
solidariteitsgedachte en zouden daarmee de
houdbaarheid van de Zvw onder druk zetten.
rblz.|8|
Gezien het
voorgaande
lijkt de regering de oplossing waarin het CVZ
namens de
verzekeringsplichtige een zorgverzekering sluit, als ultimum remedium het
meest
geschikt.
Om te voorkomen dat
betrokkene onmiddellijk na ambtshalve verzekering zijn premie niet
betaalt, zal gedurende een zekere periode een situatie op hem van toepassing
worden die vergelijkbaar is met het wanbetalersregime zoals dat is geregeld in
de Wet
structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering. Aanvankelijk was in dit verband het voornemen
betrokkene een
bestuursrechtelijke premie van 130% van de standaardpremie op te
leggen gedurende
een periode van drie maanden. Nadere overweging heeft er
echter allereerst toe geleid dat het verstandiger is de bestuursrechtelijke
premie gedurende een langere periode te heffen. Een periode van drie maanden
is waarschijnlijk onvoldoende om een betrokkene te laten wennen aan de
situatie dat een deel van zijn inkomen bestemd is voor het
betalen van de premie voor de zorgverzekering. Daarom is er thans voor
gekozen deze periode op één jaar te bepalen. Voorts is besloten de
bestuursrechtelijke premie vast te stellen op 100% in plaats van 130% van de
standaardpremie. De bestuursrechtelijke premie voor ambtshalve
verzekerden is dus lager dan die voor wanbetalers. Hier is bewust voor gekozen
omdat ambtshalve verzekerden, anders dan wanbetalers, nooit een
premietermijn hebben gemist. De toepasselijkheid van het
bestuursrechtelijke premieregime is er bij hen op
gericht hen te laten wennen aan het
feit dat zij premie voor hun verzekering dienen te betalen. Bij wanbetalers
is echter gekozen voor een premie hoger dan de hoogste nominale premie
(130% van de standaardpremie Wzt) om hen een prikkel te geven
buiten het bestuursrechtelijke premieregime te blijven, bijvoorbeeld
door de betalingsregeling die de zorgverzekeraar hen na twee maanden
premieachterstand aanbiedt te aanvaarden. Daarnaast zou het heffen van een
bestuursrechtelijke premie van 130% van ambtshalve verzekerden voor het
deel boven de 100% mogelijk kunnen worden beschouwd als het
opleggen van een bestraffende sanctie of zelfs bestuursrechtelijke
boete, met alle uit het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten
(IVBPR) en de Awb
voortvloeiende processuele gevolgen van dien. Is de bestuursrechtelijke
premie die van wanbetalers wordt geheven geen reactie op een overtreding in de zin van de Awb (wanbetalers zijn immers
"slechts" een bepaling
in hun privaatrechtelijke verzekeringsovereenkomst niet zijn nagekomen
zodat van een overtreding in de zin van de Awb geen sprake is) en
is deze in eerste instantie meer op herstel dan op bestraffing gericht,
voor ambtshalve verzekerden is dat mogelijk anders. Zij hebben namelijk
artikel 2 Zvw overtreden, dat zegt dat zij een zorgverzekering moeten hebben. De
uiteindelijke reactie daarop is ambtshalve verzekering door het CVZ.
Zou de premie van die ambtshalve verzekering nu duidelijk hoger zijn
dan wat gebruikelijk is, dan zou het meerdere mogelijk kunnen worden
beschouwd als bestraffende sanctie of zelfs als bestuursrechtelijke
boete in de zin van de Awb. Niet alleen is de regering van mening dat de
ambtshalve verzekering met bestuursrechtelijke premie-inning een
voldoende sanctie is (een bestraffend element in de zin van een
"opslag" van
30% op die premie acht de regering gezien het bovenstaande niet
nodig), ook zou de uitvoering van de premieheffing onnodig worden belast
indien de premie (deels) als bestraffende sanctie of bestuurlijke boete
zou moeten worden gezien.
4. Werking van het
wetsvoorstel
Algemeen
De actieve opsporing
bestaat uit verschillende stappen. Om te beginnen dienen alle
verzekeringsplichtigen in beeld te zijn. Daarna moet bezien rblz.|9|
worden wie
van deze
verzekeringsplichtigen hebben nagelaten aan hun verzekeringsplicht te
voldoen. Als de groep onverzekerden bekend is, worden zij
geconfronteerd met in zwaarte oplopende maatregelen. Zoals in hoofdstuk 3 al is
aangegeven, staat daarbij de eigen verantwoordelijkheid van de burger voorop.
Verantwoordelijkheid van de overheid voor het systeem en de
sociale samenhang leiden uiteindelijk tot steeds zwaardere middelen. Hieronder
wordt nader ingegaan op de verschillende stappen.
Opzetten
AWBZ-verzekerdenbestand door de SVB
Voor de actieve
opsporing is allereerst van belang te weten wie er
verzekeringsplichtig zijn voor de Zvw. Zoals
in de inleiding uiteengezet, is dat iedereen die verzekerd
is voor de AWBZ. Een uitzondering geldt voor militairen in werkelijke
dienst en gemoedsbezwaarden. Om de Zvw-verzekeringsplichtigen te kennen,
is het dus
van belang te weten wie er AWBZ-verzekerd zijn. Tot op heden
bestaat er echter geen AWBZ-verzekerdenbestand. Op mijn verzoek heeft de
SVB [Sociale verzekeringsbank, red.] een voorstel gedaan voor het opzetten van zo’n
positieve, actuele AWBZ-verzekerdenregistratie die aansluit bij een reeds
in uitvoering zijnde opzet voor een SVB-volksverzekerdenadministratie
(VVA). In het voorstel
tot een "Verzekerdenadministratie AWBZ" geeft de SVB aan
dat een AWBZ-verzekerdenbestand op 1 januari 2010 beschikbaar kan
zijn, waarbij in 85 tot 95% van de gevallen de actuele
verzekerdenstatus is vastgelegd (het percentage is afhankelijk van de
automatiseringsgraad). Hierdoor kan het leeuwendeel van de AWBZ-verzekerden worden vastgesteld. Het
resterende deel vereist handmatige gevalsbehandeling die
naar verwachting deels alsnog geautomatiseerd kan worden; het dan
resterende deel vereist dat personen benaderd worden om duidelijkheid
te verkrijgen omtrent hun persoonlijke situatie aan de hand waarvan de
verzekerdenstatus kan worden afgeleid. Het gaat daarbij om complexe gevallen die afwijken van de hoofdregel van
ingezetenschap.
Afhankelijk van de beschikbare capaciteit voor de handmatige gevalsbehandeling kan in
enkele jaren na 2010 (tot 2013-2017; afhankelijk van de
automatiseringsgraad) het 100%-niveau worden bereikt.
Op grond van het hier
geschetste voorstel van de
SVB is geconcludeerd dat het technisch
mogelijk is een bestand op te bouwen van personen die verzekeringsplichtig
zijn voor de Zvw. Dat bestand haakt aan bij de opzet voor een
SVB-volksverzekerdenadministratie.
De regering acht het
wenselijk dat er één instantie is die vaststelt of iemand AWBZ-verzekerd
is. Aangezien de
SVB ook voor de andere volksverzekeringen de verzekeringsstatus
vaststelt, is de SVB hierin gespecialiseerd. Om tot een eenduidige
vaststelling te komen, is er in dit wetsvoorstel voor gekozen om de SVB
hierbij de exclusieve bevoegdheid te geven om de
AWBZ-verzekeringsstatus vast te stellen.
Zorgverzekeraars kunnen
op het moment dat bij de aanvraag van een zorgverzekering twijfel
bestaat over de verzekeringsplicht van een aspirant-verzekerde, de SVB verzoeken informatie te verstrekken over de
verzekeringsstatus van
betrokkene, om vast te stellen of hij AWBZ-verzekerde is en moet worden
geaccepteerd voor de zorgverzekering.
Het vaststellen van de AWBZ-verzekeringsstatus is ook van belang in het kader van de
AWBZ-buitenlandproblematiek. Het is belangrijk dat een eenduidige bron kan
worden geraadpleegd om de verzekeringsstatus van iemand vast te stellen
voor bijvoorbeeld de vraag of iemand verzekerd is voor de AWBZ en of een
wachttijd voor die persoon van toepassing is. Dit is van belang bij
terugkeer in Nederland en het op grond daarvan AWBZ-verzekerd raken. Op dit moment
dient iedere verzekeraar voor zich nader onderzoek te plegen naar
deze verzekeringsstatus, hetgeen in gelijke rblz.|10|
situaties tot
verschillende conclusies zou kunnen leiden. Met de vaststelling door de
SVB zullen dit
soort situaties niet meer kunnen voorkomen.
Vergelijking SVB-bestand
met RBVZ-bestand
Het bovenstaande leidt
ertoe dat alle personen van wie de
SVB heeft vastgesteld dat zij AWBZ-verzekerd zijn, zullen worden opgenomen in het door de SVB te bouwen
AWBZ-verzekerdenbestand. Vanaf 1 januari 2010 is daardoor een
koppeling mogelijk van dat bestand van AWBZ-verzekerden met het Referentiebestand Verzekerden
Zorgverzekeringswet
(RBVZ). Het RBVZ is het
bestaande bestand van degenen die daadwerkelijk een zorgverzekering hebben
gesloten. Uit vergelijking van het AWBZ-verzekerdenbestand, min de actieve
militairen en gemoedsbezwaarden, met het RBVZ-bestand - hetgeen
op burgerservicenummer (BSN) zal geschieden - zal naar voren komen
welke personen niet hebben voldaan aan hun verzekeringsplicht
ingevolge de Zvw. Deze bestandsvergelijking zal in opdracht van het
CVZ door de SVB worden verricht. Voorliggend
wetsvoorstel creëert de wettelijke basis voor deze bestandsvergelijking.
Met betrekking tot de bestandsvergelijking is advies gevraagd aan het
College
bescherming persoonsgegevens (CBP). Zie hierover hoofdstuk
7.
Aanschrijving
onverzekerden
Het CVZ zal een door
middel van bestandsvergelijking opgespoorde onverzekerde vervolgens
aanschrijven met de mededeling dat hij is gesignaleerd als iemand die
verzekeringsplichtig is, maar zich niet heeft verzekerd voor de Zvw. Het doel
van deze aanschrijving is de onverzekerde een prikkel te geven alsnog
zijn verantwoordelijkheid te nemen om een zorgverzekering te sluiten. Betrokkene
krijgt drie maanden de gelegenheid alsnog een
zorgverzekering te sluiten. Hij wordt uitvoerig gewezen op de consequenties die voor
hem zullen ontstaan als hij nalaat zich alsnog te verzekeren.
Opleggen boete
In hoofdstuk 3 is het
nieuwe boeteregime geïntroduceerd. Het gekozen systeem lijkt op het
systeem dat wordt gehanteerd bij verkeersboetes. Daarbij wordt een boete
opgelegd indien bij een controle een overtreding wordt geconstateerd. In
het geval van de Zvw is die overtreding het feit dat iemand op een
bepaald moment niet aan zijn verzekeringsplicht voldoet. De constatering
van die overtreding vindt plaats wanneer drie maanden na de
bovenvermelde aanschrijving opnieuw door een bestandsvergelijking blijkt dat betrokkene
nog altijd niet is verzekerd. Als iemand bij die controle in
overtreding is, legt het CVZ een boete op. De hoogte van het boetebedrag is
zodanig gekozen dat het voor betrokkene onmiddellijk duidelijk zal zijn dat
het verstandiger is om voor hetzelfde bedrag een verzekering te
sluiten. De boete bedraagt namelijk driemaal de standaardpremie per
maand voor de Zvw (circa €|300).¹ De hoogte van de nieuwe boete is
van een
zodanig niveau dat verondersteld mag worden dat het bedrag van de
boete door iedereen betaald kan worden. Immers, de hoogte van de boete
is vergelijkbaar met het bedrag dat iemand per maand aan nominale
premie verschuldigd zou zijn geweest of met een verkeersboete. Het is de
opvatting van de regering dat iedereen een dergelijk bedrag kan
betalen. Om die reden vindt onder de toekomstige boeteregeling in
beginsel geen draagkrachttoets plaats.
In deze systematiek
wordt voor iedere onverzekerde, dus ook voor een minderjarig kind, een
boete opgelegd. Hiermee wijzigt de bestaande boeteregelgeving en
vervalt de relatie tussen premieplicht en boete. Voor minderjarigen bestaat
geen premieplicht en in het huidige systeem wordt aan minderjarigen ook
geen boete opgelegd. Door ook een boete in het vooruitzicht te stellen
aan ouders die hun kind feitelijk "gratis" kunnen verzekeren, maar dit om
één of andere reden niet gedaan hebben, is er rblz.|11|
een extra prikkel voor
deze ouders om hun kind ook daadwerkelijk te verzekeren.
Mocht na een nieuwe
bestandsvergelijking blijken dat iemand drie maanden na het opleggen
van de eerste boete nog altijd niet verzekerd is, dan legt het CVZ voor de
tweede keer een boete op. Deze wijze van actief beboeten vormt, meer dan
het passief beboeten uit het oude systeem, een prikkel voor de onverzekerde om alsnog zijn verantwoordelijkheid te
nemen en over te gaan
tot het sluiten van een zorgverzekering.
1. De standaardpremie
bestaat op grond van de Wet op de zorgtoeslag
uit de geraamde gemiddelde nominale
jaarpremie vermeerderd met het geraamde gemiddelde bedrag dat een
"gezonde verzekerde" naar verwachting in één jaar aan
verplicht eigen risico kwijt zal zijn.
Zoals hiervoor aangeven,
blijkt de huidige boeteregelgeving de nodige problemen op te leveren.
Niet alleen kunnen de boetebedragen dusdanig hoog zijn dat betrokkenen met succes een beroep doen op financieel
onvermogen, daarnaast
bestaat er ook een probleem bij het incasseren van de boete door het
CVZ. Het CVZ is immers niet voldoende geoutilleerd om als incassobureau te
fungeren.
Daarom is besloten de
inning van opgelegde boetes door het Centraal Justitieel Incassobureau
(CJIB) te laten uitvoeren. Het CJIB int momenteel voor elf bestuursorganen
de bestuurlijke boetes waarbij het gemiddelde inningspercentage op 90%
uitkomt. Het CJIB, dat ruime ervaring heeft op het gebied van
het innen van opgelegde boetes, heeft laten weten het beschreven
boeteregime te kunnen uitvoeren. De verantwoordelijkheid voor het
boeteregime
blijft bij het CVZ. Over de invulling van de procedures voor de
inning van de boetes zullen CVZ en CJIB gezamenlijk afspraken maken.
Ambtshalve verzekeren
Indien bij een volgende
bestandsvergelijking zou blijken dat een onverzekerde zich nog steeds niet
verzekerd heeft, zou er opnieuw een boete kunnen worden opgelegd,
elke keer als gebleken is dat betrokkene in overtreding is. Zoals
hiervoor in hoofdstuk 3 ook al is aangegeven, is het de vraag of dat iets
oplevert. Immers, het is niet aannemelijk dat deze onverzekerde zich uit
eigen beweging alsnog bij een verzekeringsmaatschappij zal melden. De regering
is van mening dat iemand in dat geval geholpen moet worden met
zijn maatschappelijk functioneren. In die situatie zal ertoe
worden overgegaan betrokkene ambtshalve onder te brengen bij een
zorgverzekeraar, in plaats van door te gaan met het opleggen van boetes.
Betrokkenen zullen door
het CVZ worden verzekerd bij een zorgverzekeraar. Het CVZ handelt in dezen
als wettelijk vertegenwoordiger van de onverzekerde. Dat
betekent dat de verzekerde, zodra het CVZ hem op een zorgverzekering heeft
verzekerd, niet alleen verzekerde, maar ook verzekeringnemer is en dat alle
rechten
en plichten uit de zorgverzekering aan hem toekomen. Het is dus
de voormalige (meerderjarige) onverzekerde die als verzekeringnemer
premie aan de zorgverzekeraar verschuldigd wordt, en niet het CVZ.
Het CVZ valt er als het ware "tussenuit".
Om te voorkomen dat
betrokkene onmiddellijk na ambtshalve verzekering zijn premie niet
betaalt, zal gedurende een periode van twaalf maanden een situatie op hem van
toepassing worden die vergelijkbaar is met het wanbetalersregime zoals
dat is geregeld in de Wet
structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering. Dat betekent dat hij gedurende die
periode een
bestuursrechtelijke premie verschuldigd wordt die zo mogelijk door middel van
bronheffing zal worden geïnd. Een ambtshalve verzekerde kan zich op deze manier
niet onmiddellijk aan premiebetaling onttrekken.
De regering kiest voor
één systeem voor alle verzekeringsplichtigen, ongeacht hun medisch
risico of ander kenmerk. De enige groepen waarvan het politiek wordt aanvaard dat zij niet meedoen aan de zorgverzekering
zijn gemoedsbezwaarden
en militairen in werkelijke dienst. rblz.|12|
Alle anderen worden
geacht mee te doen. Het maatschappelijke doel is het beschermen van het
Zvw-stelsel. Dat betekent volop meedoen aan het reguliere systeem. Een
aparte (collectieve) verzekering voor "lastige" klanten bij één
zorgverzekeraar naast het reguliere systeem past daar niet bij, omdat daarmee
betrokkenen niet binnen het systeem zouden worden geïntegreerd, maar
juist in een afzonderlijke positie zouden worden gebracht.
Om die reden zullen
betrokken onverzekerden bij verzekering door het CVZ
niet worden
ondergebracht bij een afzonderlijke verzekeraar, maar naar evenredigheid van
het aantal verzekerden bij iedere zorgverzekeraar over de zorgverzekeraars
worden verdeeld. Het ligt in de rede dat het CVZ daarbij zoveel mogelijk
de leden van eenzelfde gezin bij dezelfde zorgverzekeraar onderbrengt en zoveel
mogelijk bij een zorgverzekeraar die actief is in de regio
van de betrokkene.
Voorts kent de Zvw een
acceptatieplicht voor de zorgverzekeraars. Er is geen klemmende reden om
die acceptatieplicht niet toe te passen op de groep verzekeringsplichtigen die door het CVZ zullen worden ondergebracht
bij een zorgverzekeraar.
Uiteindelijk heeft iedere zorgverzekeraar als gevolg van de acceptatieplicht een relatief klein aantal verzekerden die
hij wellicht liever ziet
gaan dan komen. Het hoort echter bij zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid
als
uitvoerder van een sociale verzekering om ook hen te accepteren
voor een zorgverzekering. De Zvw is een sociale verzekering.
Daarbij hoort ook het binnen de verzekering houden van lastige klanten.
De regering vindt niet
alleen dat er geen reden is om inbreuk te maken op de acceptatieplicht,
maar ziet ook het dreigende gevaar van precedentwerking. Als er eenmaal een
speciale verzekering is voor "lastige" gevallen, zo wijst de geschiedenis
van de voormalige Wet op de toegang tot de ziektekostenverzekeringen
1998 uit, dan volgt er een schier eindeloze stoet van steeds nieuwe
gevallen die net wat lastiger zijn dan het gemiddelde en die ook in die
speciale verzekering zouden moeten worden ondergebracht.
Vanuit het risico voor
de zorgverzekeraars is er ook geen reden voor een afzondering van de
ambtshalve te verzekeren personen. De verzekeraars ontvangen voor deze
persoon immers, net zoals het geval is bij wanbetalers, een compensatie vanuit
het Zorgverzekeringsfonds. Na ommekomst van de periode waarin betrokkenen een bestuursrechtelijke premie
verschuldigd zijn,
worden zij gewone verzekerden. Zij zouden dan alsnog kunnen stoppen met het
betalen van premie. Alsdan wordt op hen het normale wanbetalersregime van toepassing, waarbij de zorgverzekeraars na zes maanden
compensatie ontvangen. Overwogen is om voor de categorie ambtshalve verzekerden
die na ommekomst van het eerste jaar bestuursrechtelijke
premie wanbetaler wordt de compensatie voor de zorgverzekeraars eerder
te laten ingaan. Hiertoe is evenwel niet besloten, omdat het risico van
wanbetaling voor voormalig ambtshalve verzekerden niet groter wordt geacht
dan het risico van wanbetaling voor voormalige wanbetalers. Ook bij
recidiverende wanbetalers geldt de periode van zes maanden waarna de
compensatie voor de verzekeraars opnieuw ingaat.
Burgerservicenummer
Er zijn signalen dat
onverzekerdheid in enkele gevallen het gevolg is van de omstandigheid dat
verzekeringsplichtigen geen BSN of sofinummer ¹ overleggen. Zij worden
ten onrechte door zorgverzekeraars geweigerd voor de zorgverzekering.
Een reden daarvoor kan zijn dat de risicoverevening in de Zvw
is gekoppeld
aan het BSN. Het ontbreken van het BSN leidt er dus toe dat
zorgverzekeraars voor de betreffende verzekerden geen compensatie uit het
vereveningsfonds kunnen ontvangen. Zorgverzekeraars hebben hiermee
begrijpelijkerwijs een probleem.
rblz.|13|
Tot op heden is het
vermelden door de verzekeringsplichtige van het BSN wettelijk slechts een
administratieve handeling die geen gevolg zou moeten hebben voor de
acceptatie.
In de praktijk blijkt
het voor te komen dat zorgverzekeraars bij het ontbreken van een BSN
artikel 5, tweede lid, Zvw toepassen. Daarin is geregeld dat indien
de
zorgverzekeraar met de gegeven informatie niet kan vaststellen of hij
verplicht is iemand voor een zorgverzekering te accepteren, hij de
aanvrager uitnodigt de noodzakelijke gegevens aan te vullen. Vervolgens gaat
de zorgverzekering, op basis van deze bepaling, dan in op de dag waarop
de gegevens zijn aangevuld. Deze bepaling wordt in dergelijke
gevallen ten onrechte toegepast omdat het BSN niet nodig is om de
verzekeringsplicht vast te stellen. Met dit wetsvoorstel wordt verduidelijkt dat
een zorgverzekeraar iemand voor wie geen BSN wordt overgelegd niet
mag weigeren. Daartoe wordt in artikel 4
Zvw opgenomen dat het BSN slechts overgelegd hoeft te worden indien de verzekeringsplichtige
een dergelijk nummer heeft. Om het probleem van de zorgverzekeraars met
de risicoverevening op te lossen, wordt in dit wetsvoorstel bepaald dat
in het kader van de risicoverevening in het geval van het ontbreken van
het BSN het zorgpolisnummer wordt gebruikt. Daartoe wordt artikel 35
in combinatie met artikel 86 Zvw gewijzigd.
1. Verder in deze memorie
van toelichting wordt voor de
leesbaarheid alleen nog gesproken over het BSN.
5. Financiële
consequenties
De hierna volgende tabel
bevat een overzicht van de kosten van de maatregelen van dit
wetsvoorstel,
zoals die zijn opgenomen in de begroting 2009. Deze zijn gecalculeerd op basis van voorlopige gegevens die zijn
verstrekt door de
SVB,
het CVZ en het CJIB.
Tabel. Overzicht kosten
actieve opsporing en voorlichting (x €|1000,-):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2009 |
2010 |
2011 t/m
2016 per jaar |
2017 e.v. per
jaar |
| Voorlichting
onverzekerden |
1600 |
x |
x |
x |
| Kosten actieve opsporing |
6400 |
8900 |
4200 |
2070 |
| Totaal van de kosten |
8000 |
8900 |
4200 |
2070 |
Bij de uitvoering moet
aanvullend op het bovenstaande nog rekening worden gehouden met
extra (uitvoerings)kosten voor de rechterlijke macht, zoals aangegeven
door de Raad voor de rechtspraak. Op dit moment kan de raming van
deze kosten onvoldoende nauwkeurig onderbouwd worden.
Naast kosten zal de
uitvoering van dit wetsvoorstel ook inkomsten met zich meebrengen. De
inkomsten bestaan uit opbrengst van boeten en voorheen gederfde
premie-inkomsten.
Harde ramingen zijn
moeilijk op te stellen, maar vooralsnog wordt gerekend met een eenmalig bedrag
van circa €|50 miljoen aan
boeteopbrengsten in 2010. Na dit jaar
wordt voor nieuwe onverzekerden uitgegaan van een boeteopbrengst van
circa €|1,5 miljoen per jaar. Daarnaast is er sprake van de eerder
genoemde structurele opbrengst aan voorheen gederfde
premie-inkomsten.
Geconcludeerd kan worden
dat de voorlichting, de actieve opsporing en de ambtshalve
verzekering, in samenhang met het boetebeleid, in geld gemeten meer opleveren
dan dat deze maatregelen kosten.
Derhalve acht de
regering de voorgestelde maatregelen ook vanuit financieel perspectief
proportioneel.
rblz.|14|
6. Uitvoeringstoetsen
SVB
Bij brief van 23 januari
2009 heeft de
SVB een uitvoeringstoets uitgebracht over voorliggend
wetsvoorstel. De SVB heeft aangegeven dat het wetsvoorstel voor haar uitvoerbaar
is. De SVB heeft enkele kanttekeningen gemaakt.
De SVB heeft aangegeven
op 1 januari 2010 een administratie van AWBZ-verzekerden beschikbaar te kunnen
hebben waarbij in 85 tot 95% van de gevallen de actuele
verzekeringsstatus is vastgelegd. Verder merkt de SVB op dat een volledige
verzekerdenadministratie AWBZ afhankelijk van beschikbare capaciteit
voor handmatige gevalsbehandeling in enkele jaren na 2010 tot het
100%-niveau kan worden benaderd. Deze fasering is tot uitdrukking gebracht
in het wetsvoorstel.
De overige opmerkingen
van de SVB zijn wetstechnisch en uitvoeringstechnisch van aard en zijn waar
nodig in overleg met de SVB verwerkt.
CVZ
Bij brief van 27 januari
2009 heeft het CVZ een uitvoeringstoets uitgebracht. Het CVZ heeft, onder het
vermelden van bevindingen en enige aandachtspunten, aangegeven de voorgestelde maatregelen uitvoerbaar
te achten.
Naar aanleiding van de
in de uitvoeringstoets vermelde bevindingen en aandachtspunten is het
wetsvoorstel waar nodig aangepast.
Dit betreft bijvoorbeeld
het verzoek van het CVZ de opsporingstaak alsmede de daarbij
behorende bevoegdheden van het CVZ expliciet in de tekst van het wetsvoorstel op te nemen. Hiervoor is ook door het
CBP
aandacht gevraagd.
Het CVZ heeft aangegeven
dat vanuit de positie van ketenregisseur over het gehele proces
voldoende verankerd moet zijn dat het CVZ inzicht heeft in en eisen kan stellen
aan met name de kwaliteit van het bestand onverzekerde verzekeringsplichtigen
van de
SVB. Hiertoe zal het CVZ met de SVB nadere afspraken maken over de te verrichten taken op het gebied
van de
bestandsvergelijking en aanlevering. In deze afspraken kunnen CVZ en SVB gezamenlijk
de eisen uitwerken. Deze afspraken zullen neerslaan in een
bewerkersovereenkomst. Het CBP heeft de noodzaak tot het sluiten van een
bewerkersovereenkomst ook in haar advies inzake het conceptwetsvoorstel
aangegeven.
De overige opmerkingen
van het CVZ zijn wetstechnisch en uitvoeringstechnisch van aard en zijn waar
nodig in overleg met het CVZ verwerkt.
Ten slotte heeft het CVZ bij brief van 4 juni 2009 aangegeven dat de uitvoering van de taken
voortvloeiend uit dit wetsvoorstel in samenhang moet worden bezien met
de uitvoering van de Wet
structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering. Het betreft hier namelijk twee uitvoeringsdossiers die
het CVZ jegens burgers met de hoogste zorgvuldigheid wil uitvoeren. Gezien de
ontwikkelingen in het dossier wanbetalers, zoals hogere aantallen
wanbetalers, meer voorbereidingstijd bij de zorgverzekeraars en
gefaseerde verwerking van het stuwmeer wanbetalers, zal het CVZ zich in
eerste instantie richten op de uitvoering van de Wet structurele
maatregelen wanbetalers zorgverzekering. Het CVZ zal zijn organisatie zodanig
inrichten dat de uitvoering van laatstgenoemde wet en
deze wet volgtijdelijk plaatsvindt en geen "overlap" vertoont. Het CVZ
zal de werkzaamheden ten
aanzien van onverzekerden, te starten met het verzenden van de
aanmaning, eerst na verwerking van het stuwmeer wanbetalers ter hand
nemen.
rblz.|15|
7.
Advisering ¹
1. Ter inzage gelegd bij
het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.
Advisering Adviescollege
toetsing administratieve lasten
In het kader van dit
wetsvoorstel is een inventarisatie gemaakt van de gevolgen van het
wetsvoorstel voor de administratieve lasten.
Burgers
Dit voorstel zorgt voor
een structurele toename van de administratieve last voor burgers van
circa 1650 uur (uitgaande van een aanwas van 9000 onverzekerden per
jaar). Deze lasten worden veroorzaakt doordat onverzekerden een brief
ontvangen van het CVZ en doordat zij vaker mogelijkheden krijgen voor bezwaar en beroep. Bij inwerkingtreding van
deze wet is er een
incidentele toename van administratieve lasten voor burgers van 14 450
uur.
Gezien de eerder
genoemde circa €|140 miljoen per jaar aan gederfde
premiesolidariteit, acht
de regering bovenstaande toename van administratieve lasten voor
onverzekerden gerechtvaardigd.
Bedrijfsleven
Bij de groep die
uiteindelijk ambtshalve zal worden verzekerd, zal, net als bij de wanbetalers,
premie-inning via bronheffing plaatsvinden. Dat betekent een toename van het
aantal verzekerden waarvoor de werkgever broninhouding zal moeten
toepassen en daarmee een toename van de administratieve lasten
voor het bedrijfsleven. Verwacht wordt dat deze toename echter beperkt
is. De aanmaning tot verzekering en de twee boetes zijn er om te
voorkomen dat mensen ambtshalve verzekerd worden en er bronheffing
plaats zal moeten vinden. Naar verwachting zal een deel van de
onverzekerden zich gaan verzekeren na de aanmaning van het CVZ. Van het
deel van de onverzekerden dat zich nog niet verzekerd heeft na de aanmaning,
zal een deel zich verzekeren na de eerste boete. Ten slotte zal
ook de tweede boete ertoe leiden dat een deel van de onverzekerden zich
alsnog verzekert. De daarna resterende onverzekerden zullen door het CVZ
ambtshalve worden verzekerd en zullen net als de wanbetalers te maken
krijgen met premie-inning via bronheffing. Het gaat naar schatting om
minder
dan 20% van het aanvankelijke aantal onverzekerden (uitgaande van 153 000
onverzekerden gaat het in 2010 om circa 30 000 en daarna om
circa 1800, uitgaande van een nieuwe aanwas onverzekerden van 9000
per jaar). In het eerste jaar zal er, doordat er een groot aantal
onverzekerden voor het eerst opgespoord zal worden, sprake zijn van extra
administratieve lasten voor werkgevers.
Verwachte
administratieve lasten voor het bedrijfsleven:
| xxxxxxxxx |
A |
B |
C |
D |
E |
(C*D*E) |
|
Aantal ambtshalve
verzekerden |
Overheid |
Bedrijfsleven |
Tijdsbesteding in uren |
Loon-
kosten |
Admini-
stratieve lasten |
| Jaar 1 |
30 000 |
7 500 |
22
500 |
0,5 |
30 |
337
500 |
| Jaar 2 |
x1 800 |
x
450 |
x1 350 |
0,5 |
30 |
x20 250 |
| Jaar 3
e.v. |
x1 800 |
x
450 |
x1
350 |
0,5 |
30 |
x20 250 |
De raming van de extra
administratieve kosten voor het bedrijfsleven zijn gebaseerd op de volgende
aannames:
- bij de
inwerkingtreding van het wetsvoorstel in eerste instantie 30 000 mensen die in de
bronheffing terechtkomen;
- dat van deze 30 000
mensen driekwart werkzaam is in het bedrijfsleven;
- dat de werkzaamheden
voor een bronheffing één aanmelding en één afmelding bevatten;
rblz.|16|
- dat deze
werkzaamheden tegen het laagste administratieve tarief uitgevoerd kunnen
worden;
- dat structureel 1800 mensen in de bronheffing terechtkomen (waarvan driekwart
werkzaam in het bedrijfsleven).
Het Adviescollege
toetsing administratieve lasten (Actal) heeft geconstateerd dat inzichtelijk is
gemaakt welke gevolgen het wetsvoorstel heeft voor de administratieve
lasten voor burgers. Het college heeft besloten geen advies uit te
brengen over voorliggend wetsvoorstel.
Advisering College
bescherming persoonsgegevens
Het is niet mogelijk om
onverzekerde verzekeringsplichtigen aan te manen alsnog een
zorgverzekering te sluiten, ze te beboeten als ze dat niet doen en ze
uiteindelijk van
overheidswege te voorzien van een zorgverzekering, indien niet duidelijk is
wie die onverzekerde verzekeringsplichtigen zijn. Daarom krijgt in dit
wetsvoorstel het CVZ de taak na te gaan wie ondanks zijn verzekeringsplicht
geen zorgverzekering heeft. Deze "opsporing" van onverzekerden zal
plaatsvinden op basis van een bestandsvergelijking: het door de
SVB op te zetten
AWBZ-verzekerdenbestand (de groep mensen die in principe een zorgverzekering moet hebben) zal worden afgedraaid
tegen het RBVZ (de groep
mensen die een zorgverzekering heeft) en tegen bestanden van gemoedsbezwaarden en militairen in werkelijke dienst
(deze groepen hebben wel
een AWBZ-verzekering, maar zijn niet verzekeringsplichtig voor de Zvw). Het resultaat van deze bestandsvergelijking
- die in opdracht van het
CVZ door de SVB zal worden verricht - is een bestand van mensen die
wel een zorgverzekering dienen te hebben, maar die er geen hebben. Dit
is de groep verzekeringsplichtigen die het CVZ vervolgens gaat
benaderen om alsnog een zorgverzekering te sluiten.
Nagegaan dient te worden
of de voorziene bestandsvergelijking - in het kader waarvan
persoonsgegevens van de Nederlandse bevolking worden verwerkt - voldoet aan
de in Europa en Nederland geldende privacyregelgeving.
Het gaat hierbij om
artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en om de Richtlijn 95/46/EG
van het Europees parlement en de Raad van 24 oktober 1995,
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de
verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die
gegevens (verder: EU-privacyrichtlijn), zoals deze is geïmplementeerd in de
Wet
bescherming persoonsgegevens (Wbp).
Op grond van artikel 8
EVRM mogen persoonsgegevens slechts zonder toestemming van
betrokkenen worden verstrekt indien dit bij of krachtens de wet is toegestaan en
dit bovendien noodzakelijk is voor één of meer in dat artikel genoemde
doelen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) toetst daarbij streng op de
vraag of het verstrekken van de
bij of krachtens de wet
aangewezen persoonsgegevens noodzakelijk is om dat doel of die
doelen te bereiken. Volgens het EHRM houdt het woord "noodzakelijk" in dat
een dwingende maatschappelijke behoefte aan de orde dient te zijn en
dat de maatregel evenredig dient te zijn aan het met die maatregel
nagestreefde legitieme doel. Van evenredigheid is slechts sprake indien én aan
het zogenaamde "proportionaliteitsbeginsel" én aan het zogenaamde
"subsidiariteitsbeginsel" wordt voldaan. Het
proportionaliteitsbeginsel houdt in dat de inbreuk
op de belangen van de bij de verwerking van
persoonsgegevens betrokkene niet onevenredig mag zijn in verhouding tot het
met de verwerking te dienen doel. Het subsidiariteitsbeginsel houdt in dat het doel
waarvoor de persoonsgegevens zouden moeten worden
verwerkt in redelijkheid niet op een andere, voor de betrokkene minder
nadelige wijze, kan worden verwerkelijkt.
rblz.|17|
De
voorgestelde regeling
heeft tot doel onverzekerde verzekeringsplichtigen aan te sporen een
zorgverzekering te (laten) sluiten. Dat vergroot niet alleen de gezondheid van betrokkenen, maar ook van de rest van de
bevolking (onverzekerden
met bijvoorbeeld tbc die zich wegens de kosten niet laten behandelen,
kunnen immers ook wel verzekerde burgers besmetten), en voorts
vergroot dit het economisch welzijn van Nederland. Gesteld kan derhalve
worden dat de verwerking van persoonsgegevens die voor de uitvoering
van voorliggend wetsvoorstel nodig is, noodzakelijk is voor enkele in
artikel 8 EVRM opgesomde doelen. De regering is voorts van mening dat de
voorziene bestandsvergelijking noodzakelijk is om ten onrechte
onverzekerd gebleven mensen op te sporen en daarmee het doel van het
wetsvoorstel - het verzekerd krijgen van mensen die ten onrechte niet verzekerd
zijn - te bereiken. Aan het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel
(en daarmee aan het evenredigheidsbeginsel) is naar de mening van de
regering alleen al voldaan omdat er geen andere denkbare methode is om
betrokkenen in het vizier te krijgen, terwijl ook niet meer gegevens
worden gekoppeld dan noodzakelijk is om betrokkenen op te sporen. De
regering heeft daarbij ten slotte in overweging genomen dat de te
koppelen gegevens geen bijzondere persoonsgegevens (in de zin van de
Wbp)
zijn.
Het CBP heeft advies
uitgebracht over het wetsvoorstel. Het CBP is van oordeel dat de noodzaak
voor de bestandskoppeling voldoende is onderbouwd. Naar aanleiding van het
advies van het CBP is besloten in het wetsvoorstel expliciet
te regelen dat het CVZ niet verzekerde verzekeringsplichtigen op basis van
vergelijking van bij ministeriële regeling aan te wijzen bestanden
opspoort. Daarmee wordt voldaan aan artikel 7 Wbp
en is ook onmiddellijk
duidelijk dat de voorgenomen verwerking van persoonsgegevens voor
het CVZ kan worden gestoeld op artikel 8, onderdeel c of e, van de
Wbp.
Overigens is in dit
kader ook van verdere verwerking sprake. Het gaat daarbij om het gebruik
van het door de
SVB op te zetten bestand van AWBZ-verzekerden (dat
uiteraard in eerste instantie bedoeld is om na te gaan wie AWBZ-verzekerd
is), het bestand van gemoedsbezwaarden (in eerste instantie opgezet
om na te gaan wie niet verzekeringsplichtig is) en ook om het gebruik van
het bestand van militairen in werkelijke dienst (dat waarschijnlijk als
eerste doel zal hebben na te gaan jegens wie de Minister van Defensie
verplichtingen heeft). De met dit wetsvoorstel voorziene verdere verwerking van
de persoonsgegevens in deze bestanden kan worden gegrond op
artikel 9 Wbp: de verdere verwerking van de bestanden met
gemoedsbezwaarden en militairen in werkelijke dienst leidt ertoe dat
betrokkenen buiten de inspanningen blijven die het CVZ
zal verrichten om ten
onrechte onverzekerden alsnog verzekerd te krijgen (de verdere verwerking is
daarmee in hun belang), terwijl de verdere verwerking van de gegevens van die
mensen in het AWBZ-bestand, die uiteindelijk ten onrechte geen
zorgverzekering blijken te hebben, naar de mening van de regering niet
onverenigbaar is met het doel waarvoor de gegevens zijn verkregen. De
regering heeft daarbij in ogenschouw genomen dat de gevolgen voor
betrokkenen in eerste instantie beperkt zijn tot een aanmaning om zich alsnog te
verzekeren en dat het in casu niet gaat om bijzondere persoonsgegevens.
Zoals hiervoor is
vermeld, is in het wetsvoorstel de taak voor het CVZ
opgenomen om na te gaan
welke verzekeringsplichtigen ten onrechte geen zorgverzekering
hebben. In hoofdstuk 4, onder het kopje "Werking van het
wetsvoorstel",
is aangegeven welke bestanden met elkaar zullen worden gekoppeld om een
bestand onverzekerden te verkrijgen. Omdat deze taak wettelijk is
geregeld, behoeft het CVZ op grond van artikel 34, vijfde lid, van de
Wbp
niet iedereen in Nederland die met de in het wetsvoorstel rblz.|18|
getroffen
maatregelen te maken krijgen na iedere bestandskoppeling persoonlijk te
informeren. Op grond van artikel 34, vijfde lid, Wbp
dient het CVZ de
betrokkene op diens verzoek te informeren over deze wettelijke taak.
Het CVZ zal de door middel van bestandsvergelijking opgespoorde onverzekerde
verzekeringsplichtige aanschrijven met de mededeling dat hij is
gesignaleerd als iemand die verzekeringsplichtig is, maar zich niet heeft
verzekerd voor de Zvw. Het ligt in de rede dat het CVZ bij die aanschrijving
betrokkene over deze wettelijke taak zal informeren. Betrokkenen hoeven dus
niet eens een verzoek in te dienen. Er zal aan meer worden voldaan dan
wettelijk is vereist in artikel 34, vijfde lid, Wbp.
Advisering Raad voor de rechtspraak
Omdat de Raad voor de rechtspraak op grond van artikel 95 van de Wet
op de rechterlijke organisatie een wettelijke adviestaak heeft met betrekking tot, onder andere,
nieuwe wetsvoorstellen die gevolgen hebben voor de rechtspraak, is die
Raad over dit wetsvoorstel advies gevraagd. Bij brief van 5 maart 2009
heeft
de Raad advies uitgebracht. Naar aanleiding van de reactie van de Raad
voor de rechtspraak is het voorstel waar nodig aangepast.
Algemene Rekenkamer
Op grond van artikel 96
van de Comptabiliteitswet
2001 is advies gevraagd aan de Algemene
Rekenkamer over het wetsvoorstel. De Algemene Rekenkamer constateert
dat haar bestaande bevoegdheden bij het CVZ
op grond van artikel
91, eerste lid, aanhef en onder d, van de Comptabiliteitswet
2001 ook van
toepassing
zijn op de in het wetsvoorstel voorgestelde nieuwe bevoegdheden van
CVZ. Daarmee is de controlefunctie van de Algemene Rekenkamer gewaarborgd. De Algemene Rekenkamer heeft
geen nadere opmerkingen
bij het voorliggende wetsvoorstel.
8. Evaluatie
Deze wet
bevat een
evaluatiebepaling die erop ziet dat de Minister van VWS binnen drie jaar na
de inwerkingtreding van deze wet een verslag zendt aan de Staten-Generaal over de doeltreffendheid en de effecten van
deze wet in de praktijk.
In de evaluatie zullen de onderscheiden maatregelen van het wetsvoorstel
(zoals opgenomen in hoofdstuk 4) in beeld worden gebracht.
Daarenboven wordt over
de maatregelen rond onverzekerden informatie verzameld die aan de
Staten-Generaal wordt verstrekt via de jaarlijkse
VWS-verzekerdenmonitor.
In deze verzekerdenmonitor wordt gerapporteerd over de getalsmatige
ontwikkeling van het verzekeringsstelsel in nationaal en internationaal verband. De ontwikkelingen over onverzekerden
vormen een onderdeel van
deze monitor. De resultaten van de monitoring worden
voorzien van beleidsconclusies. De monitor is in het leven geroepen om
tegemoet te komen aan het verzoek van het parlement om op de hoogte te
worden gehouden van de ontwikkeling van - onder andere - het aantal
onverzekerden. Zoals in het Plan van aanpak is vermeld, kan aan de hand
van de bevindingen neergelegd in de jaarlijkse monitor worden
geconstateerd of de maatregelen die zijn getroffen om het aantal onverzekerden
terug te dringen ook daadwerkelijk tot resultaat leiden. Daarnaast kan op
basis van de monitor eenvoudig worden bezien of er een trend valt
waar te nemen in het aantal onverzekerden en de samenstelling van de
groep.
9. Inwerkingtreding en
voorlichting
Zoals in het Plan van
aanpak betreffende de actieve opsporing van onverzekerden is vermeld, heeft de
SVB in het voorstel tot een "Verzekerdenadministratie AWBZ" aangegeven dat
een AWBZ-verzekerdenbestand op rblz.|19|
1 januari 2010
beschikbaar kan zijn, waarbij, afhankelijk van de
automatiseringsgraad, in 85 tot 95% van de
gevallen de actuele verzekerdenstatus is vastgelegd. Vanaf 1
januari 2010 is daardoor een koppeling technisch mogelijk van het bestand
van AWBZ-verzekerden met het bestand van Zvw-verzekerden en is
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel mogelijk. Zoals aangegeven in
hoofdstuk 6 Uitvoeringstoetsen, heeft het CVZ
bij brief van 4 juni 2009
aangegeven dat de uitvoering van de taken voortvloeiend uit dit wetsvoorstel in
samenhang moet worden bezien met de uitvoering van de Wet
structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering. Om die reden zal het CVZ
de werkzaamheden ten aanzien van onverzekerden, te starten met het
verzenden van de aanmaning, eerst na verwerking van het stuwmeer
wanbetalers ter hand nemen.
De regering streeft ernaar deze wet
in werking te doen treden op het moment dat het stuwmeer
wanbetalers zal zijn verwerkt.
Rond de inwerkingtreding
van het wetsvoorstel zal algemene voorlichting plaatsvinden. In
samenwerking met het CVZ zal daartoe voorlichting worden voorbereid. Na
inwerkingtreding zullen onverzekerden individueel worden benaderd door
middel van aanschrijving door het CVZ na de eerste bestandsvergelijking.
II. Maatregelen ter
voorkoming van dubbele verzekering
Iemand die verzekerd is
ingevolge de AWBZ is op grond van de Zvw
verplicht een
zorgverzekering te sluiten bij een zorgverzekeraar van zijn keuze. Dit is de
verzekeringsplicht.¹ Tegenover deze verzekeringsplicht staat de verplichting
voor een zorgverzekeraar om de verzekeringsplichtige te accepteren voor een
zorgverzekering. Op deze acceptatieplicht is alleen een uitzondering
mogelijk gedurende een periode van vijf jaar nadat de zorgverzekeraar
de zorgverzekering heeft opgezegd en ontbonden omdat een verzekerde de
zorgverzekeraar opzettelijk heeft misleid of omdat er sprake is van
het niet betalen van de premie.
1. Op deze
verzekeringsplicht bestaat een uitzondering voor
militairen in werkelijke dienst en gemoedsbezwaarden.
Gebleken is dat het
voorkomt dat mensen meer dan één zorgverzekering hebben gesloten.
Zorgverzekeraars Nederland (ZN) heeft aangegeven dat dit bijvoorbeeld
voorkomt in de hierna beschreven situaties.¹
- Wanbetalers. Een verzekerde is als
wanbetaler geregistreerd en kan niet bij zijn zorgverzekeraar weg terwijl hij in een
poging het incassotraject te ontlopen zich toch bij een andere
verzekeraar inschrijft.
- Dubbele verzekering
kinderen. Ouders schrijven hun
minderjarige kind in bij meerdere zorgverzekeraars. Het gaat daarbij vooral
om gescheiden ouders die ieder voor zich het gezag over hun minderjarige kinderen hebben.
1. Volgens opgave van ZN
gaat het om circa 11 000 dubbel verzekerde
kinderen en 14 000 dubbel verzekerde
wanbetalers.
Als de verzekerde 18 jaar of ouder is, heeft dubbele verzekering tot gevolg dat er dan twee
keer premie moet worden betaald. Voor de dubbel verzekerde wanbetaler is
dat extra klemmend omdat hij kennelijk al moeite heeft één keer
de premie te betalen. De mogelijkheid van dubbele verzekering versterkt in
die zin de wanbetalersproblematiek.
Voor de uitvoering
speelt het probleem dat indien er sprake is van dubbele verzekering, de
uitkering aan de zorgverzekeraar op grond van de risicoverevening naar
rato wordt verdeeld. Op grond van het algemene verzekeringsrecht mogen
de verzekeraars ook de kosten onderling verdelen, maar dat
gebeurt in de praktijk niet. In de praktijk loopt daarom één zorgverzekeraar
alle risico, terwijl hij maar een gedeeltelijke verevening ontvangt en loopt de
andere zorgverzekeraar geen risico, terwijl hij rblz.|20|
toch een gedeeltelijke
verevening ontvangt. Verzekeraars kunnen naar aanleiding van een
signaal van dubbel verzekerd zijn van het CVZ wel contact opnemen met de
dubbel verzekerde om hem te vragen één van de twee zorgverzekeringen
te beëindigen, maar dat kost extra inspanningen, en daarnaast is een
verzekerde niet verplicht daar gehoor aan te geven. Zal een volwassen
verzekerde, vanwege de dubbele premieplicht, naar verwachting wel op het
aanbod ingaan, voor de kinderen is dat de vraag. Hun verzekering is
immers premievrij.
Teneinde dubbele
verzekering te voorkomen, zal de regelgeving zodanig worden aangepast dat de
verplichting van de zorgverzekeraar tot acceptatie van de aspirant-verzekerde slechts geldt voor één zorgverzekering. Dat strookt met de
doelstelling van de Zvw. Immers, op de burger is de verplichting gelegd tot
het sluiten van een zorgverzekering. Om de burger de gelegenheid te bieden
in alle gevallen te voldoen aan zijn wettelijke verzekeringsplicht, is
in samenhang daarmee op de zorgverzekeraar de verplichting gelegd de
verzekeringsplichtige te accepteren. Dit hoeft uiteraard niet te gelden voor
meerdere zorgverzekeringen tegelijk. Iemand die al een zorgverzekering
heeft, is de facto niet langer verzekeringsplichtig. Hij is een verzekerde
die niet de verplichting heeft tot het sluiten van een zorgverzekering, maar de
verplichting heeft om zijn zorgverzekering in stand te houden, onder
meer door het voldoen van de verschuldigde premie.
Van belang bij de
beperking van de acceptatieplicht tot één per
verzekeringsplichtige is dat de
zorgverzekeraar zijn verzekerdenadministratie goed op orde heeft. Ook
nu al is geregeld dat als een verzekerde zijn zorgverzekering opzegt, de
zorgverzekeraar een bewijs van het einde van die verzekering verstrekt.
In die situatie dient de verzekeringsplichtige zich van een nieuwe
zorgverzekering te (laten) voorzien en ontstaat voor een zorgverzekeraar opnieuw
acceptatieplicht. Het is zaak dat de nieuwe zorgverzekeraar in verband met de
aanmelding tijdig kennis heeft kunnen nemen van de opzegging.
De zorgverzekeraar moet namelijk kunnen vaststellen dat er
acceptatieplicht is. Daarom moet de oude zorgverzekeraar het bewijs van
uitschrijving tijdig verstrekken. Teneinde dit te bewerkstelligen, wordt geregeld dat de
zorgverzekeraar het bewijs van het einde van de zorgverzekering
binnen vijf werkdagen verstrekt.
Artikelsgewijze
toelichting
Algemeen
Bij het schrijven van
voorliggend wetsvoorstel is ervan uitgegaan dat het bij koninklijke
boodschap van 20 mei 2008 aan de Tweede Kamer aangeboden voorstel
van wet tot wijziging van de Wet
gebruik burgerservicenummer in de zorg in verband
met de elektronische informatie-uitwisseling in de zorg (Kamerstukken
I 2008-2009, 31 466, A) eerder in werking treedt dan voorliggend
wetsvoorstel.
Artikel I
Onderdeel A
Subonderdeel 1 en 2
Tot de inwerkingtreding
van voorliggend wetsvoorstel waren het de zorgverzekeraars die de taak hadden vast
te stellen of iemand AWBZ-verzekerd is. Nu deze taak naar de
SVB overgaat, ligt het in de rede in artikel 1
AWBZ te bepalen wat de SVB
precies is: het is de Sociale verzekeringsbank zoals deze in artikel 3 van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) als
publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) is ingesteld.
rblz.|21|
Subonderdeel 3
Nu een deel van de
uitvoering van de AWBZ, te weten het vaststellen of iemand al dan niet
verplicht verzekerd is op grond van de wet, niet meer tot de taak van de
zorgverzekeraars maar tot die van de
SVB zal gaan behoren, behoeft de
definitie van "zorgverzekeraar in de zin van de AWBZ" aanpassing. Door
te bepalen dat het gaat om zorgverzekeraars als bedoeld in de Zvw
die
zich overeenkomstig artikel 33 van de AWBZ
hebben aangemeld voor de
uitvoering van de AWBZ "ten aanzien van de
verzekerden", wordt
bereikt dat het beantwoorden van de vraag of iemand al dan niet AWBZ-verzekerd
is niet meer tot de taken van de zorgverzekeraars
behoort.
Onderdeel B
Artikel 5, vierde lid,
AWBZ
Nu de
SVB in plaats van
de zorgverzekeraars zal gaan beoordelen of iemand AWBZ-verzekerd
is, is er geen aanleiding meer om te bepalen dat het CVZ
in bij algemene
maatregel van bestuur (AMvB) te bepalen gevallen een verklaring
van niet verzekerd zijn afgeeft. Het ligt in de rede dat de SVB dit in de
toekomst doet, als onderdeel van het vaststellen van de verzekering voor de
AWBZ. Eén en ander hoeft dan ook niet meer afzonderlijk te worden bepaald: indien iemand een verklaring wenst
inhoudende dat hij niet
verzekerd is, kan hij bij de SVB om een beschikking inzake het (niet)
verzekerd zijn vragen.
Onderdeel C
Artikel 5c bevat de
opdracht aan de
SVB om ambtshalve en, indien iemand daarom verzoekt,
op aanvraag vast te stellen of iemand AWBZ-verzekerd is.
Hoofdtaak van de
SVB is
de uitvoering van de Algemene Ouderdomswet (AOW), de
Algemene
nabestaandenwet (Anw), de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en de
wetten die
de uitvoering van die wetten beheersen (artikel
34, eerste lid, aanhef
en onder a, Wet SUWI). Onderdeel d van dat artikellid bepaalt
echter dat (mede) tot de taak van de SVB behoort het uitvoeren van taken die
bij of krachtens enige andere wet dan bovenbedoelde wetten aan de SVB zijn
opgedragen. Na inwerkingtreding van voorliggend wetsvoorstel
gaat het hierbij onder meer om het beoordelen van de vraag of iemand
van rechtswege voor de AWBZ
verzekerd is, zoals voorgesteld in artikel
5c AWBZ.
Artikel 34, eerste lid, onderdeel g,
Wet SUWI draagt de SVB op
een adequate administratie ten behoeve van de uitvoering van haar taak
te voeren. Nu het vaststellen van de vraag of iemand al dan niet
AWBZ-verzekerd is niet alleen op grond van artikel
5c AWBZ
tot de taak van de
SVB zal gaan behoren, maar via artikel 34, eerste lid, onderdeel d,
Wet SUWI ook op grond van artikel 34 van
die wet, staat buiten twijfel dat de
SVB op grond van artikel 34, eerste lid, onderdeel g,
Wet SUWI
verplicht is om
met het oog op de beoordeling van de vraag of iemand AWBZ-verzekerd is
een adequate administratie te voeren. Dat hoeft derhalve niet nog
eens in de AWBZ te worden geregeld.
Zoals in het algemeen
deel van deze toelichting uiteen is gezet, zal de
SVB een registratie van
AWBZ-verzekerden inrichten. Op grond van artikel
35, eerste lid, Wet SUWI is
de SVB ter zake van die verzekerdenadministratie de verantwoordelijke
voor de gegevensverwerking in de zin van de Wet
bescherming persoonsgegevens. Ingevolge het zesde lid van dat artikel geschiedt de
administratie op basis van het burgerservicenummer BSN van de
verzekerden.
rblz.|22|
Hoewel de wet het
CVZ en
niet de
SVB zal opdragen om mensen die ondanks hun
verzekeringsplicht geen zorgverzekering hebben op te sporen (zie artikel II,
onderdeel E), zal het de facto de SVB zijn die, in opdracht van het CVZ,
zorg draagt voor de bestandsvergelijking, waarbij het door haar opgestelde
AWBZ-verzekerdenbestand wordt vergeleken met het bestand van
mensen met een zorgverzekering (het zogenoemde RBVZ-bestand) en bestanden met gemoedsbezwaarden en militairen in
werkelijke dienst. Dit
resulteert in een bestand met mensen die ten onrechte geen
verzekering hebben. De SVB zal naam, adres, woonplaats (NAW) en BSN van deze
mensen alsmede, voor minderjarigen, hun geboortedatum,¹ aan het CVZ verstrekken.
Op basis daarvan verzendt het CVZ aanmaningen en boeten en
verzekert het onverzekerden uiteindelijk ambtshalve.
1. Zie voor de reden
hiervoor de toelichting op artikel
II, onderdeel E, bij het voorgestelde artikel 9b Zvw.
Voordeel van het door de
SVB in plaats van het CVZ laten samenstellen van de lijst van AWBZ-verzekerden die ten onrechte geen zorgverzekering hebben,
is dat aldus
minder persoonsgegevens hoeven te worden uitgewisseld dan indien het CVZ
periodiek de bovenbedoelde bestanden tegen elkaar zou afdraaien.
Het CVZ heeft voor het verzenden van aanmaningen, boetebeschikkingen en
mededelingen inzake de ambtshalve verzekering namelijk de NAW-gegevens
van de ten onrechte onverzekerden en, voor minderjarigen, hun
geboortedatum nodig, maar beschikt daar zelf niet over. De enige manier op
grond waarvan het CVZ daarover zou kunnen komen te beschikken, is
als de SVB, die daar wel over beschikt, deze gegevens van alle AWBZ-verzekerden aan het CVZ zou verstrekken, waarna het
CVZ, na de
bestandsvergelijking, ze slechts voor ten onrechte onverzekerden zou
gebruiken. Aldus
zouden vele NAW-gegevens en, voor minderjarigen, geboortedata naar het
CVZ worden verzonden waar het CVZ uiteindelijk niets mee zou doen. Het gros van de AWBZ-verzekerden heeft
immers wel een
zorgverzekering, dan wel is als militair in werkelijke dienst of
gemoedsbezwaarde van de in de Zvw opgenomen verzekeringsplicht vrijgesteld.
Ook het opvragen van die
gegevens door het CVZ bij de gemeentelijke basisadministratie (GBA)
zou geen uitkomst bieden, omdat niet alle AWBZ-verzekerden in
Nederland woonachtig zijn en hierdoor niet allemaal in de GBA zijn
opgenomen.
Op grond van artikel 89
juncto artikel 88 Zvw zijn de zorgverzekeraars verplicht om voor de uitvoering
van de Zvw benodigde persoonsgegevens - in casu dus gegevens uit
het RBVZ - aan het CVZ
en (in dit geval overigens als opdrachtnemer van
het CVZ) de
SVB te verstrekken.
Artikel 73, vijfde lid,
van de Wet SUWI bepaalt dat bij of krachtens
AMvB regels worden gesteld
met betrekking tot de verstrekking van gegevens door - onder andere
- de
SVB aan andere bestuursorganen, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering
van aan die andere bestuursorganen opgedragen taken. In artikel 5.7
van de desbetreffende AMvB, het Besluit
SUWI, is reeds opgenomen dat
de SVB desgevraagd die gegevens aan het CVZ
verstrekt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de
Zvw. Op grond van dit artikel kan de
SVB derhalve, na de in opdracht van het CVZ te verrichten vergelijking
van het eigen bestand AWBZ-verzekerden met de door het CVZ aan te
leveren bestanden, het CVZ een bestand van AWBZ-verzekerden die ten onrechte geen
zorgverzekering hebben, terugleveren, met hun NAW en, voor
kinderen, hun geboortedatum. Overigens bevat ook artikel 89 juncto
artikel 88 Zvw hier een basis voor.
De gegevensverstrekking
zal op BSN geschieden, nu zowel de
SVB als het CVZ overheidsorganen
zijn in de zin van de Wet
algemene bepalingen burgerservicenummer (Wabb)
die op grond van artikel 10 en 11, eerste lid, van die
wet bij het
verwerken van persoonsgegevens het BSN dienen rblz.|23|
te gebruiken, terwijl de
zorgverzekeraars op grond van artikel 86, vierde lid, Zvw
het BSN dienen
te gebruiken.
Het toezicht op de AWBZ-verzekeringsbeoordeling door de
SVB en de wijze waarop de SVB met
het CVZ samenwerkt, zal ingevolge artikel
37, onderdeel a en
c, van
de Wet SUWI worden gehouden door de Inspectie Werk en Inkomen (IWI),
bedoeld in artikel 36 van die
wet. Nu de volksverzekeringen wat betreft de
bepalingen over het van rechtswege verzekerd zijn (vrijwel)
gelijkluidend zijn en de SVB voor de uitvoering van de overige
volksverzekeringen (waaronder het beoordelen van de aanwezigheid van een verzekering voor
die verzekeringen) geheel onder het toezicht van de IWI
valt, ligt (aanvullend) toezicht door de gebruikelijke toezichthouder op het
terrein van de ziektekostenverzekering, te weten de Nederlandse Zorgautoriteit
(Nza), niet in de rede.
Onderdeel D
Verwezen wordt naar de
toelichting op onderdeel A, subonderdeel 3.
Artikel II
Onderdeel A
In het voorgestelde
artikel 18e Zvw (zie artikel II, onderdeel
I) wordt geregeld dat ambtshalve
verzekerde meerderjarigen de eerste tijd, net als wanbetalers die door hun
zorgverzekeraar bij het CVZ zijn aangemeld omdat zij een
premieachterstand van zes of meer maandpremies hadden (structurele
wanbetalers), een bestuursrechtelijke premie aan het CVZ verschuldigd zijn.
Dientengevolge dient in de definitie van "bestuursrechtelijke
premie" in artikel 1 Zvw tevens naar
artikel 18e te worden verwezen.
Onderdeel B
Op grond van het huidige
artikel 3, vierde lid, Zvw geldt de acceptatieplicht van een zorgverzekeraar
niet indien korter dan vijf jaar geleden een eerdere bij de
zorgverzekeraar voor de verzekeringsplichtige lopende verzekering wegens
fraude of het niet betalen van de nominale premie is geëindigd. Aan
deze
regel wordt toegevoegd dat de acceptatieplicht ook niet geldt zolang iemand
al krachtens een andere zorgverzekering verzekerd is.
Onderdeel C
Zoals in het algemeen
deel van deze toelichting is aangegeven, komt het voor dat
zorgverzekeraars verzekeringsplichtigen die noch een BSN, noch een
sociaal-fiscaal nummer
(sofinummer) kunnen overleggen, weigeren te verzekeren. Dit is in
strijd met de in artikel 3 Zvw geregelde acceptatieplicht, aangezien de plicht het
desbetreffende nummer te overleggen geen voorwaarde voor
acceptatie is. Voorliggende wijzing (in combinatie met de in onderdeel R
voorgestelde wijziging van artikel 86 Zvw) expliciteert dat. Door te bepalen dat
het BSN of sofinummer van de verzekeringsplichtige slechts hoeft te worden
overgelegd indien de verzekeringsplichtige zo’n nummer heeft,
wordt duidelijker dat een zorgverzekeraar iemand voor wie zo’n
nummer niet wordt overgelegd, niet mag weigeren.
Wordt het nummer
inderdaad niet overgelegd, dan kunnen daar twee redenen voor zijn.
Allereerst kan het zijn dat de aspirant-verzekerde wel een BSN of een
sofinummer heeft, maar dat hij of, indien de aspirant-verzekeringnemer een ander is, de
aspirant-verzekeringnemer op het rblz.|24|
moment waarop het verzoek tot het sluiten van een zorgverzekering wordt
gedaan, dat nummer niet
bij de hand heeft. De verzekeraar zal, indien aan de voorwaarden van
artikel 3 Zvw is voldaan, dan toch een zorgverzekering dienen te sluiten. Hij
kan de verzekeringnemer verzoeken het BSN of sofinummer na te
zenden, maar ook kan de zorgverzekeraar, indien hij voldoende andere
gegevens over de verzekerde heeft, sinds 1 juni 2009 - de
inwerkingtredingsdatum van artikel 86, tweede lid, Zvw
juncto
artikel 7 van de Wet
gebruik burgerservicenummer in de zorg - zelf het BSN van de verzekerde opzoeken. Ten
tweede is het mogelijk dat de aspirant-verzekerde - nadat een verzoek
tot aanvulling onbeantwoord is gebleven en de zorgverzekeraar
ook zelf geen BSN heeft kunnen vinden - geen BSN of sofi-nummer blijkt te
hebben. Het zal hierbij met name gaan om immigranten gedurende de eerste
maanden van hun verblijf alhier, alsmede om een - waarschijnlijk beperkte
- groep dak- en thuislozen. Ook in dat geval dient een
zorgverzekering gesloten te worden. De verzekeraar doet er in dit geval goed aan
de betreffende verzekerden te wijzen op hun plicht zich bij een
gemeente in te schrijven. Dat leidt namelijk tot opname in de GBA en daarmee tot
het toekennen van een BSN (zie artikel 8 van de Wet
algemene bepalingen burgerservicenummer).
Onderdeel D
Op grond van de in
artikel II, onderdeel B, voorgestelde wijziging is een zorgverzekeraar niet
meer verplicht iemand te verzekeren die reeds een zorgverzekering heeft.
Verzekeringsplichtigen die nog geen zorgverzekering hebben, dient hij echter
onverkort te accepteren. Op zich kan een zorgverzekeraar in het
RBVZ nagaan of iemand nergens (anders) een zorgverzekering heeft en
dus geaccepteerd dient te worden. Het is echter wenselijk dat ook een
verzekeringsplichtige tegenover een nieuwe zorgverzekeraar kan aantonen bij zijn
eerdere zorgverzekeraar uitgeschreven te zijn. Om die reden
wordt voorgesteld te regelen dat het uitschrijfbewijs, bedoeld in artikel
9,
tweede lid, Zvw, binnen vijf werkdagen wordt verstrekt.
Onderdeel E
Voorgesteld wordt om een
nieuwe paragraaf 2.4 "Maatregelen gericht op verzekering van
onverzekerden" aan hoofdstuk 2 ("De plicht tot het sluiten van een
zorgverzekering") toe te voegen. In deze nieuwe paragraaf wordt allereerst geregeld dat
het CVZ nagaat welke
verzekeringsplichtigen, in weerwil van hun in
artikel 2 Zvw neergelegde verzekeringsplicht, geen zorgverzekering hebben.
Daarnaast wordt geregeld welke maatregelen het CVZ jegens betrokkenen
treft om hen alsnog krachtens zo’n verzekering verzekerd te krijgen.
Het betreft achtereenvolgens: het aanmanen van betrokkenen om zich alsnog te (laten) verzekeren
(artikel 9a, tweede en derde lid, Zvw), het opleggen
van een bestuurlijke boete (artikel 9b
Zvw), het nogmaals opleggen van
een bestuurlijke boete, maar nu tevens voorzien van een last om zichzelf
alsnog te (laten) verzekeren bij gebreke waarvan het CVZ betrokkene
ambtshalve zal verzekeren (artikel 9c
Zvw) en ten slotte, als de eerdergenoemde
drie prikkels om mensen zichzelf te laten verzekeren geen resultaat blijken
te hebben gehad, het ambtshalve verzekeren van betrokkenen (artikel
9d Zvw).
De paragraaf wordt
achter in hoofdstuk 2 geplaatst om aan te geven dat het treffen van
maatregelen om ten onrechte onverzekerden alsnog verzekerd te
krijgen een
uitzondering is op de eerdere paragrafen van hoofdstuk 2. Uitgangspunt is
immers dat verzekeringsplichtigen zichzelf, zonder aansporing van het
CVZ,
(laten) verzekeren, en het overgrote deel van de bevolking doet dat ook.
rblz.|25|
Artikel 9a
Zvw
Het eerste lid van
artikel 9a regelt de taak van het CVZ
om na te gaan welke mensen ten
onrechte geen zorgverzekering hebben. Dit geschiedt op basis van
vergelijking van bij ministeriële regeling aan te wijzen bestanden. Aangewezen
zullen in ieder geval worden het bestand AWBZ-verzekerden dat de
SVB opstelt (zie
ook de toelichting op artikel I, onderdeel C), een bestand waaruit
kan worden afgeleid wie militair in werkelijke dienst is (zij zijn wel
AWBZ-verzekerd, niet Zvw-verzekeringsplichtig), het bestand
gemoedsbezwaarden (gemoedsbezwaarden zijn wel AWBZ-verzekerd, maar hebben
geen rechten
en plichten uit die verzekering en zijn niet
Zvw-verzekeringsplichtig) en het RBVZ (bevat de mensen met een zorgverzekering). Door
van de groep personen in het eerste bestand als het ware de personen
opgenomen in het tweede, derde en vierde bestand "af te trekken", resteert een bestand ten onrechte
onverzekerden. In het algemeen deel van
deze toelichting en in de toelichting op artikel I, onderdeel
C, is aangegeven dat het opstellen van dit bestand onverzekerden
in de praktijk in opdracht van het CVZ door de SVB zal worden verricht.
Hiertoe zullen deze zelfstandige bestuursorganen een
bewerkersovereenkomst sluiten. Het opstellen van het bestand door de SVB is vanuit
privacyoverwegingen minder belastend dan het opstellen van een
dergelijk bestand door het CVZ. In het laatste geval zou immers het bestand
AWBZ-verzekerden (dat structureel overeen zal komen met ongeveer de
gehele bevolking) aan het CVZ moeten worden verstrekt.
Artikel 9a, tweede lid,
bepaalt dat het CVZ een verzekeringsplichtige die niet krachtens een
zorgverzekering verzekerd is een aanmaning zendt. In die aanmaning staat dat
betrokkene zich binnen een termijn van drie maanden, te rekenen
vanaf de datum waarop de aanmaning verzonden is, alsnog dient te (laten)
verzekeren ingevolge een zorgverzekering. Voorts bevat de aanmaning een
overzicht van de gevolgen indien betrokkene na die termijn niet
verzekerd is, te weten: a. het CVZ legt een bestuurlijke boete op,
b. indien
betrokkene drie maanden nadien nog steeds niet verzekerd is, zal het
CVZ wederom een bestuurlijke boete opleggen, alsmede een last om er
binnen drie maanden alsnog voor te zorgen dat hij verzekerd raakt bij
gebreke waarvan het CVZ betrokkene zelf zal verzekeren, en c. is betrokkene
weer drie maanden later nog steeds niet verzekerd, dan voorziet het CVZ
betrokkene zelf van een zorgverzekering, waarvoor dan tevens de eerste
tijd een bestuursrechtelijke premie verschuldigd zal zijn (tenzij het om
personen van jonger dan 18 jaar gaat, aangezien voor hun
zorgverzekering geen premie hoeft te worden betaald).
Aangezien de aanmaning
niet op rechtsgevolg gericht is en het CVZ
de onverzekerde er ook geen
kosten voor in rekening zal brengen, is deze naar de mening van de
regering geen beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb),
zodat ook geen bestuursrechtelijk bezwaar of beroep openstaan.
Aan de andere kant is het hebben verzonden van een aanmaning wel een
voorwaarde voor het toepassen van verdere maatregelen bij het uitblijven van verzekering, zoals het opleggen van een
bestuurlijke boete (zie
bijvoorbeeld het voorgestelde artikel 9b, eerste lid, Zvw). Niet uitgesloten
is daarmee dat een rechter de aanmaning vanwege dit indirecte
rechtsgevolg wél als beschikking en derhalve besluit in de zin van de Awb zou kunnen
beschouwen. Omdat de regering bezwaar en beroep tegen de
aanmaning, nu deze geen direct rechtsgevolg heeft, ongewenst acht, is in
navolging van wat op dit punt in de Vierde
tranche Algemene wet bestuursrecht voor de aanmaning tot betaling van een bestuursrechtelijke
geldschuld is geregeld, in de bijlage bij de Awb beroep en daarmee bezwaar tegen
de aanmaning expliciet uitgesloten (zie artikel
IV).
rblz.|26|
Wel kan een
aangeschrevene natuurlijk contact met het CVZ
opnemen, stellende dat hij de
aanmaning ten onrechte heeft verkregen, omdat:
a. hij wel degelijk een
zorgverzekering heeft;
b. hij weliswaar AWBZ-verzekerd is, maar niet verzekeringsplichtig voor de
Zvw, omdat hij
militair in werkelijke dienst of gemoedsbezwaarde is; of
c. hij niet
AWBZ-verzekerd en dus ook niet verzekeringsplichtig voor de Zvw is.
Het is van belang dat
het CVZ op basis van een dergelijk signaal actie onderneemt, aangezien
anders betrokkene mogelijk ten onrechte blijft voorkomen in een
volgende uitdraai en derhalve mogelijk ten onrechte boete 1 opgelegd krijgt.
Neemt betrokkene binnen enkele weken na ontvangst van de
aanmaning contact op met het CVZ stellende dat hij al een zorgverzekering
heeft (a) of niet verzekeringsplichtig is (b), dan zal het vrijwel altijd
mogelijk zijn om vóór de volgende uitdraai vast te stellen of die stelling terecht
is of niet en, indien deze inderdaad terecht is, de bestanden te (laten)
aanpassen. Als bewijs voor het verzekerd zijn kan betrokkene immers
simpelweg een kopie van zijn polisblad meezenden (waarna het CVZ zo
nodig
navraag kan doen bij de desbetreffende verzekeraar en hem indien betrokkene
inderdaad verzekerd is, kan verzoeken de RBVZ op dit punt bij te werken), terwijl voor het CVZ ook eenvoudig vast
te stellen is of iemand
gemoedsbezwaarde is dan wel militair in werkelijke dienst.
Stelt betrokkene zich
echter op het standpunt dat hij niet verzekeringsplichtig is voor de
Zvw omdat hij
niet AWBZ-verzekerd is (c), dan is betrokkenes stelling in
wezen te zien als een impliciete aanvraag tot het nemen van een
beschikking over het al dan niet bestaan van de AWBZ-verzekering. Dergelijke beschikkingen
worden niet door het CVZ genomen, maar door de
SVB (zie
artikel I, onderdeel C). Met het CVZ en de SVB zal worden besproken hoe
dit soort gevallen het best naar de SVB kan worden doorgeleid en hoe
betrokkene daarover het best kan worden bericht. Overigens is
bij de door de SVB te nemen beschikking over het al dan niet bestaan van de
AWBZ-verzekering de in de Awb en de Beroepswet geregelde rechtsgang van
toepassing. Dat wil zeggen dat beroep kan worden ingesteld bij de
rechtbank en hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB).
Anders dan de
beoordeling van de vraag of iemand wel degelijk een zorgverzekering heeft, gemoedsbezwaard
is of militair in werkelijke dienst is, kan het nemen van een
beschikking over de vraag of iemand AWBZ-verzekerd
is soms een
aanzienlijke hoeveelheid tijd vergen. Het gaat dan om mensen die tevens
banden met het buitenland hebben of hebben gehad. Soms is
bijvoorbeeld niet gemakkelijk vast te stellen of iemand nu in Nederland of in
het
buitenland woont. Zeker indien de
SVB voor beantwoording van vragen op informatie
uit het buitenland moet wachten, kan het geven van een beschikking over het al dan niet AWBZ-verzekerd zijn al
gauw enkele maanden
duren. Met de SVB zal worden overlegd over de vraag of zij zulke gevallen, zolang zij niet heeft besloten dat betrokkenen
wel degelijk
AWBZ-verzekerd zijn en de desbetreffende beschikking formele rechtskracht
heeft verkregen, buiten een volgende uitdraai kan houden.
Artikel 9b
Zvw
Indien een volgende
vergelijking van bestanden uitwijst dat degene die een aanmaning heeft
gekregen drie maanden later nog steeds niet verzekerd is, legt het CVZ
hem een
bestuurlijke boete op. Betrokkene heeft immers het in artikel 2 Zvw
neergelegde gebod om zich van een zorgverzekering te voorzien,
overtreden.
rblz.|27|
De
hoogte van de boete
is gelijk aan driemaal de tot een maandbedrag herleide standaardpremie
als bedoeld in de Wet op de zorgtoeslag
(Wzt). De standaardpremie Wzt
is gelijk aan de geraamde gemiddelde jaarpremie voor een
zorgverzekering, vermeerderd met het geraamde gemiddelde bedrag dat een
niet-chronisch zieke of gehandicapte verzekerde naar verwachting in
één
jaar aan verplicht eigen risico voor een zorgverzekering kwijt zal zijn
(artikel 4 Wzt). De boete benadert derhalve het bedrag dat een
verzekerde aan zijn zorgverzekering en aan eigen risico kwijt zou zijn geweest
indien hij over de periode tussen de verzending van de aanmaning en de
oplegging van de eerste boete wél een zorgverzekering zou hebben gehad. Aldus
heeft de boete in de ogen van de regering een logische
hoogte.
De tot een maandbedrag
herleide standaardpremie Wzt is in 2009 €|100,75. Driemaal die
premie komt op €|302,25. Dat bedrag is lager dan het bedrag van €|340,-
dat krachtens artikel 5.4.2.6 [lees: artikel
5:53, red.], eerste lid, Awb in principe bepalend is
voor de vraag of hij het opleggen en afwikkelen van de bestuurlijke boete de
zogenoemde "zware" of "lichte" procedure dient te worden gevolgd.
Echter, aangezien ten gevolge van de vergrijzing en de voortschrijdende
medische technologie te verwachten is dat de kosten voor geneeskundige zorg
en daarmee de standaardpremie Wzt de komende jaren zullen
stijgen, kan niet worden uitgesloten dat het in artikel 9b
Zvw
bedoelde bedrag
vanaf enig jaar op een bedrag hoger dan €|340,- zal uitkomen. Zonder
nadere regelgeving zou derhalve vanaf dat jaar de in de Awb
bedoelde
"zware" procedure van toepassing worden. Dat zou betekenen dat het
CVZ van iedere overtreding een rapport zou moeten opmaken, dat de
onverzekerde verzekeringsplichtige steeds voor een hoorzitting zou moeten
worden uitgenodigd en dat er voorzien zou moeten zijn in een
functiescheiding tussen degene die de overtreding constateert en degene
die de boete oplegt. Alleen aan dat laatste zou het CVZ zonder veel verlies
aan doelmatigheid kunnen voldoen. Omdat de overtreding in casu
betrekkelijk eenvoudig op te sporen is, omdat de boete niet onevenredig
hoog is (integendeel, een logische hoogte heeft, zie de vorige alinea) en
bovendien omdat de meeste mensen die van mening zijn de boete ten
onrechte te krijgen reeds naar aanleiding van de aanmaning met het CVZ
contact hadden kunnen opnemen (in welk geval het misverstand in de
meeste gevallen al eerder had kunnen zijn rechtgezet), wordt in het tweede lid
van artikel 9b Zvw geregeld dat in afwijking van
artikel 5:53 Awb
ook
in de toekomst de zware procedure niet van toepassing wordt. Het
eerste lid van laatstgenoemd artikel biedt daar de mogelijkheid toe.
Voor het overige zijn de Awb-bepalingen gewoon op de hier geregelde bestuurlijke boete van
toepassing (waarbij het CVZ in het vierde lid van artikel 9b
Zvw, gelet op
artikel 4:115 Awb, de mogelijkheid krijgt een opgelegde boete bij dwangbevel in
te vorderen).
Deze toepasselijkheid
van de Awb-bepalingen betekent onder meer, dat het
CVZ geen boete kan
opleggen voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden
verweten (artikel 5.4.1.2 [lees: artikel
5:41, red.] Awb). Van handelingsonbekwamen en handelingsonbevoegden
(het gaat hier om minderjarigen en om meerderjarigen die
onder curatele, bewind of mentorschap gesteld zijn) kan niet worden
verwacht dat zij zichzelf verzekeren. Daarom draagt artikel
2, derde lid,
Zvw hun wettelijke of door de rechter aangewezen vertegenwoordigers
op
ervoor te zorgen dat zij verzekerd zijn en wordt de huidige boete indien
meerderjarigen te laat verzekerd zijn, niet aan hen, maar aan de
curator, bewindvoerder of mentor opgelegd (artikel
96, tweede lid, onderdeel
b, Zvw). De boete bij te laat verzekeren zal echter bij de inwerkingtreding van
voorliggend wetsvoorstel komen te vervallen (zie artikel II, onderdeel
S), terwijl de met voorliggend wetsvoorstel te introduceren rblz.|28|
boeten voor
onverzekerde verzekeringsplichtigen ook voor onverzekerde minderjarige
verzekeringsplichtigen gelden.
Eén en ander heeft de
vraag doen rijzen hoe om te gaan met boeten voor onverzekerde
minderjarigen en voor ondercuratele-, -bewind- of -mentorschapgestelden. Een extra
complicatie vormt hierbij dat de
SVB bij het opstellen van het
bestand AWBZ-verzekerden wel de geboortedatum kan leveren (zodat het
CVZ kan zien of iemand minderjarig is of niet), maar niet of iemand onder
curatele, bewind of mentorschap is gesteld. Dat laatste kan de SVB namelijk niet
afleiden uit de bestanden waaruit zij op haar beurt weer het bestand
van AWBZ-verzekerden samenstelt. Mede gezien het feit dat verwacht
mag worden dat vrijwel alle curatoren, bewindvoerders en mentoren de belangen
van degenen voor wie zij zijn aangesteld goed behartigen, dat wil
zeggen de onder hun toezicht gestelden zonder aansporing en anders
direct na ontvangst van de aanmaning verzekeren, terwijl dat van ouders
en zeker ouders die zelf ten onrechte niet zijn verzekerd, niet zonder meer kan
worden verwacht, wordt wat betreft de oplegging van de boete het
volgende systeem voorgesteld:
- de SVB geeft op de
lijst van ten onrechte onverzekerde verzekeringsplichtigen de geboortedatum aan van
al diegenen die op de datum van bestandsvergelijking
jonger dan 18 jaar waren;
- de boete voor de onverzekerden, bedoeld bij het vorige aandachtsstreepje, wordt
niet aan het kind
opgelegd, maar aan degene die de ouderlijke macht over hem uitoefent
(artikel 9b, eerste lid Zvw). Het kind kan immers niet worden verweten dat het
niet verzekerd is, de ouder echter wel;
- de boete aan ten
onrechte onverzekerde meerderjarigen wordt aan de meerderjarige opgelegd.
Indien de meerderjarige of zijn bevoegde vertegenwoordiger
hiertegen in bezwaar komt onder de stelling dat de meerderjarige
handelingsonbekwaam of -bevoegd was en hem dus niet verweten kon worden
dat hij onverzekerd was, stelt het CVZ hem, nadat het heeft
geconstateerd dat die stelling juist is, in het gelijk en trekt het de boete in.
Wel wijst het CVZ in dat geval de vertegenwoordiger er nogmaals op dat hij
degene voor wie hij verantwoordelijk is, dient te verzekeren. Als
gezegd, verwacht de regering overigens dat dit soort situaties
nauwelijks voor zal komen.
Uit het voorgaande
blijkt reeds dat tegen de boetebeschikking bezwaar, beroep (bij de rechtbank) en hoger beroep (bij de
Centrale Raad van Beroep, zie artikel
V)
openstaat. Net als dat bij
brieven naar aanleiding van de aanmaning geldt (zie de
toelichting op artikel 9a Zvw), zullen bezwaren die worden gegrond op het
feit dat iemand wél verzekerd is, (al dan niet inmiddels)
gemoedsbezwaard is of (inmiddels) als militair in werkelijke dienst werkt, naar
verwachting snel en zonder dat dat tot (hoger) beroep leidt, kunnen worden
afgedaan. Eén en ander is immers eenvoudig na te gaan en zal ook slechts
bij uitzondering tot verdere discussie leiden. Behelst het bezwaar
echter in wezen een bezwaar tegen het onderliggende oordeel van de
SVB dat
betrokkene AWBZ-verzekerd is, dan kan de afhandeling niet altijd
snel en eenvoudig zijn. Ook hier geldt dat met het CVZ
en de SVB zal worden
overlegd over de vraag hoe in geval van een dergelijk bezwaar eerst
de SVB tot een beschikking inzake de AWBZ-verzekering kan komen. Voorts zal de
SVB worden gevraagd betrokkene buiten een volgend
bestand van ten onrechte onverzekerden te houden, zolang zij geen
beschikking heeft gegeven dan wel een beschikking hierover nog geen formele
rechtskracht heeft. Aldus wordt voorkomen dat aan personen van wie nog
niet (helemaal) zeker is dat zij AWBZ-verzekerd zijn toch een tweede
boete wordt opgelegd. Het CVZ, ten slotte, zal voor dit soort bezwaarden
worden gevraagd te wachten met de inning van de boete totdat een
beschikking van de SVB, inhoudende dat betrokkene wel degelijk AWBZ-verzekerd
is, formele rechtskracht heeft gekregen. Overigens verwacht de regering dat
het aantal mensen dat naar aanleiding van rblz.|29|
oplegging van de eerste
boete of al eerder naar aanleiding van de aanmaning stelt niet
AWBZ-verzekerd te zijn, gering zal zijn. De meeste mensen die van mening zijn niet
AWBZ-verzekerd te zijn, zullen zich immers al veel eerder bij de SVB hebben
gemeld, met name om heffing van de AWBZ-premie te voorkomen.¹
1. De AWBZ-verzekerde is
premieplichtig. De premie wordt op het loon
ingehouden en aan de belastingdienst
afgedragen of door de belastingdienst op aanslag vastgesteld. Iemand die van mening is
dat dit ten onrechte geschiedt omdat hij niet
AWBZ-verzekerd is, zal zich echter niet tot
de belastingdienst, maar tot de
SVB dienen te
wenden. De premieplicht is immers een afgeleide
van het verzekerd zijn en het is de SVB die
over het al dan niet bestaan van een
AWBZ-verzekering besluit.
Het vijfde lid van
artikel 9b Zvw verplicht het CVZ
om bij het opleggen van de boete aan te geven
wat er gebeurt als iemand zich niet binnen drie maanden vanaf de
oplegging van de boete alsnog heeft (laten) verzekeren, te weten: betrokkene zal
worden geconfronteerd met een tweede bestuurlijke boete,
alsmede met een last om zich binnen drie maanden alsnog te verzekeren,
bij gebreke waarvan het CVZ hiertoe over zal gaan. Eén en ander wordt
geregeld in artikel 9c Zvw.
Artikel 9c
Zvw
Is iemand drie maanden
na oplegging van de boete, bedoeld in artikel 9b
Zvw, nog steeds niet
krachtens een zorgverzekering verzekerd, dan volgt een tweede bestuurlijke
boete. Hoewel ook de tweede boete in wezen wordt opgelegd wegens
het in strijd met de verzekeringsplicht onverzekerd blijven, is hier geen
sprake van strijd met het "ne-bis-in-idembeginsel", zoals dat voor
het bestuursrecht in artikel 5:43
Awb
is gecodificeerd. Immers, de eerste
boete
werd opgelegd wegens het feit dat men drie maanden na
verzending van de aanmaning niet verzekerd was, terwijl de tweede boete wordt
opgelegd omdat men drie maanden na oplegging van de eerste boete nog
steeds niet verzekerd was. Het gaat derhalve om twee verschillende overtredingen.
Eén en ander is vergelijkbaar met de
situatie waarin men ten
onrechte zonder rijbewijs of aansprakelijkheidverzekering rondrijdt in een
auto.
Wordt men hier binnen een bepaalde termijn nadat men
hiervoor een eerste keer is beboet wederom op betrapt, dan volgt een
tweede (overigens hogere) straf.¹ Daarbij doet het er uiteraard niet toe of
de tweede straf wordt opgelegd omdat men ondanks de eerste boete
onverminderd zonder rijbewijs of onverzekerd is blijven doorrijden, dan
wel of er tussen de eerste boete en de constatering van de tweede
overtreding een periode was waarbinnen men wél met rijbewijs en verzekering
reed. Zou de tweede straf immers niet kunnen worden opgelegd aan
eerstbedoelde persoon en wel aan laatstbedoelde, dan zou dat het absurde
gevolg hebben dat iemand die in ieder geval nog enige tijd aan de
wettelijke regels voldeed zwaarder kan worden gestraft dan iemand die nooit aan
die regels heeft voldaan. In wezen zou dan dus een gebod (i.c. het
gebod om zich van een zorgverzekering te voorzien) niet goed gehandhaafd
kunnen worden: eenmaal voor overtreding gestraft, zou men zonder
risico op verdere sancties het gebod tot in de lengte der dagen naast
zich neer kunnen blijven leggen.
1. Richtlijn voor
strafvordering tarieven en feitomschrijvingen voor
misdrijven, overtredingen en gedragingen als
bedoeld in de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
(Stcrt. 2009, 12).
Hetgeen in de toelichting op artikel 9b
is gesteld, geldt mutatis mutandis ook
voor de oplegging van de tweede boete. Er zijn echter twee verschillen.
Het eerste verschil is
dat bij mensen die pas voor het eerst na oplegging van de tweede boete in
bezwaar komen onder de stelling dat zij nooit AWBZ-verzekerd zijn
geweest, de reeds opgelegde boete alsmede de tweede boete wel
degelijk geïnd zullen worden, en dat deze mensen niet buiten een volgende
lijst van ten onrechte onverzekerden zullen worden gehouden. Deze mensen
hadden daar immers ook al naar aanleiding van de aanmaning of de
oplegging van de eerste boete tegen kunnen protesteren. Dat zij dat om hen
moverende redenen niet hebben gedaan, dient bij de
SVB en het CVZ niet tot extra werk te leiden.
Het tweede, belangrijker
verschil is echter dat bij de oplegging van de tweede boete niet wordt
volstaan met een mededeling over wat er rblz.|30|
gebeurt als betrokkene
drie maanden daarna wederom niet verzekerd is, maar dat tegelijk met
die boete een last wordt opgelegd. Die last houdt in dat betrokkene binnen
drie maanden na verzending van de tweede boetebeschikking een zorgverzekering
dient te hebben en dat het CVZ, indien dat niet het geval
blijkt te zijn, betrokkene zelf krachtens een zorgverzekering zal verzekeren (zie
artikel 9d). Het verschil met een loutere mededeling van wat er in de
toekomst zal gebeuren als betrokkene zich niet verzekert, zoals bij de aanmaning
of de oplegging van de eerste boete geschiedt, is dat betrokkene tegen de
last in bezwaar en (hoger) beroep kan komen. Tegen het sluiten van de
ambtshalve zorgverzekering indien betrokkene weer drie maanden later
nog steeds niet verzekerd is, kan vervolgens niet meer in bezwaar of in
(hoger) beroep bij de bestuursrechter worden gekomen.
De constructie met de
last die, indien deze niet binnen de daarvoor gegeven termijn van drie
maanden wordt opgevolgd, wordt gevolgd door een actie van het CVZ
die door betrokkenen te verzekeren een einde maakt aan de overtreding van
het verzekeringsgebod, is te zien als een last onder bestuursdwang en
het vervolgens toepassen van die bestuursdwang. Het kan daarbij echter
niet gaan om een (last onder) bestuursdwang als bedoeld in afdeling
5.3.1 van de Awb. In artikel 5:21
Awb is (de last onder)
bestuursdwang namelijk gericht op het (laten) verrichten van feitelijke handelingen.
In casu is de last gericht op het (laten) verrichten van een
privaatrechtelijke rechtshandeling, te weten het sluiten van een overeenkomst van
zorgverzekering. Om verwarring over de verhouding met het begrip (last
onder) bestuursdwang in de zin van de Awb
te voorkomen, wordt in artikel
9c niet
gesproken van een "last onder bestuursdwang". Omdat daar echter
wel degelijk sprake van is, wordt in het vierde lid van artikel 9d
afdeling 5.3.1 Awb
van overeenkomstige toepassing verklaard. Waar in het
hiernavolgende wordt gesproken van (een last onder) bestuursdwang,
wordt de in de artikelen 9c en 9d
Zvw
te regelen constructie bedoeld, die
louter doordat de bestuursdwang een privaatrechtelijke rechtshandeling
inhoudt,
echter geen (last onder) bestuursdwang in de zin van de Awb kan
zijn.
Door te kiezen voor de
rechtsfiguur van een last onder bestuursdwang wordt enerzijds bereikt
dat degene die van mening is dat de last hem ten onrechte wordt
opgelegd,
daar via bezwaar en (hoger) beroep op de bestuursrechter tegen
kan opkomen. Anderzijds wordt voorkomen dat het CVZ
vlak vóór het
toepassen van de bestuursdwang, dat wil zeggen vlak vóór het daadwerkelijk sluiten
van zo’n ambtshalve verzekering, nog weer een beschikking moet verzenden waartegen de verzekerde wederom in
bezwaar en beroep kan
komen.
Artikel 9d
Zvw
Constateert het CVZ dat
iemand drie maanden na oplegging van de tweede boete en de last
onder bestuursdwang nog steeds geen zorgverzekering heeft, dan sluit het CVZ
namens betrokkene een zorgverzekering bij een zorgverzekeraar.
De in artikel 9d, eerste lid, neergelegde figuur is die van wettelijke
vertegenwoordiging: het CVZ "valt" na het sluiten van de zorgverzekering
"uit" de tot stand gekomen rechtsrelatie (te weten een verzekeringsovereenkomst) tussen de verzekeraar en de verzekerde.
Dat betekent dat de
verzekerde onmiddellijk na het sluiten van de zorgverzekering tevens verzekeringnemer
wordt. Is de verzekerde en daarmee dus de verzekeringnemer 18 jaar of ouder, dan betekent
dat dat hij premie voor zijn zorgverzekering verschuldigd is. Met artikel II, onderdeel
G juncto onderdeel I
wordt bereikt dat het hierbij het eerste jaar om de zogenoemde
"bestuursrechtelijke premie" zal
gaan.
rblz.|31|
De
figuur van de
ambtshalve zorgverzekering, krachtens welke het CVZ
een wilsbekwame persoon,
zonder dat deze daarin heeft bewilligd, aan een (verzekerings)overeenkomst
bindt, gaat bezien vanuit het aan het privaatrecht ten
grondslag liggende beginsel van autonomie van wilsbekwame burgers tamelijk ver. De
regering heeft zich dit terdege gerealiseerd. Om die reden heeft zij
ervoor gekozen dit instrument pas toe te passen nadat betrokkene drie keer uitdrukkelijk is gewaarschuwd dat hij
zichzelf van een
zorgverzekering dient te voorzien. De ambtshalve verzekering is derhalve een
"ultimum remedium". Andere maatregelen als ultimum remedium dan de
ambtshalve verzekering achtte de regering daarbij ongeschikt. Het
doorgaan met het opleggen van punitieve sancties, die daarbij dan mogelijk
ook steeds hoger zouden kunnen worden of zelfs het uiteindelijk
opleggen van gevangenisstraf, zou het probleem van onverzekerdheid immers
niet oplossen. En andere maatregelen binnen het zorgstelsel, zoals
het creëren van een publiekrechtelijk vangnet voor (de zorgkosten van) de
hier bedoelde personen, ondermijnen de aan het zorgverzekeringssysteem
ten grondslag liggende solidariteitsgedachte en zouden daarmee de bijl
aan de Zvw zetten.
Alles tegen elkaar
afwegend, lijkt de regering de oplossing waarin het CVZ namens de
verzekeringsplichtige een zorgverzekering sluit, als ultimum remedium het meest
geschikt. Hierbij wordt nog opgemerkt dat de figuur van wettelijke
vertegenwoordiging van wilsbekwamen niet geheel nieuw is, aangezien deze ook
in het faillissementsrecht - daar waar de curator namens de gefailleerde
rechtshandelingen kan verrichten - voorkomt.
Om redenen die in het algemeen deel van deze memorie van toelichting zijn aangegeven, is
besloten niet al degenen die uiteindelijk ambtshalve verzekerd moeten worden
bij één zorgverzekeraar onder te brengen. In plaats daarvan zorgt het
CVZ voor een spreiding over alle zorgverzekeraars naar evenredigheid van
hun verzekerdenaantallen (artikel 9d, tweede lid).
Hoewel de ambtshalve
verzekerden het eerste jaar in plaats van de bij hun zorgverzekering
behorende nominale premie aan hun zorgverzekeraar, bestuursrechtelijke
premie aan het CVZ verschuldigd zullen zijn, bevat het derde lid van
artikel
9d Zvw toch enkele met de premie verband houdende regels waar het CVZ bij
het sluiten van de verzekering rekening mee moet houden. De
zorgverzekeraar waarbij het CVZ, rekening houdend met het tweede lid, de
onverzekerde wil verzekeren, kan immers meerdere varianten van de
zorgverzekering aanbieden. In dat geval verzekert het CVZ, zo bepaalt het
derde lid, de onverzekerde op de goedkoopste variant, met dien verstande dat
er geen vrijwillig eigen risico wordt afgesproken. De reden hiervoor is
niet alleen dat de ambtshalve verzekerde (na het eerste jaar) aldus niet
op kosten wordt gejaagd die hij mogelijk had willen voorkomen, maar ook dat
de goedkoopste variant doorgaans een naturaverzekering is. Krachtens
naturaverzekeringen betaalt de zorgverzekeraar de zorgaanbieders voor
door hen aan de verzekerde geleverde diensten. Aangezien de ambtshalve
verzekerden naar verwachting een slechter betaalgedrag zullen
vertonen dan degenen die zichzelf hebben verzekerd, wordt aldus zoveel
mogelijk voorkomen dat zorgaanbieders met onbetaalde rekeningen blijven
zitten. Hoewel een zorgverzekering met een vrijwillig eigen risico
goedkoper is dan een verzekering zonder vrijwillig eigen risico, sluit het
CVZ om gelijksoortige reden alleen zorgverzekeringen zonder vrijwillig eigen
risico: een zorgverzekeraar zou anders immers relatief vaak
moeite moeten doen om een onder dat vrijwillige eigen risico vallend
bedrag bij de ambtshalve verzekerde te incasseren. Ten slotte gaat het CVZ
niet op zoek naar eventuele collectiviteitskortingen. Ook hier geldt dat een
verzekeringsplichtige die van zo’n korting had willen profiteren zichzelf maar had moeten verzekeren.
Eén en ander laat bovendien
onverlet dat de verzekeraar hem later, bijvoorbeeld rblz.|32|
per 1 januari van
het kalenderjaar volgende op het jaar waarin hij premie aan zijn
zorgverzekeraar gaat betalen, alsnog zo’n korting zou kunnen aanbieden.
In de toelichting op het
voorgestelde artikel 9c, derde lid, Zvw
is aangegeven waarom de artikelen van
afdeling 5.3.1 Awb van overeenkomstige toepassing dienen te
worden verklaard op de last en op de uitvoering van die last door het
CVZ indien betrokkene binnen de hem bij de last gestelde termijn niet aan de last
heeft voldaan. Op grond van artikel 5:25, eerste lid,
Awb geschiedt
toepassing van bestuursdwang op de kosten van de overtreder, tenzij deze kosten
redelijkerwijze niet te zijnen laste dienen te komen. De kosten die het
CVZ (en in opdracht van het CVZ de
SVB) voor het uitvoeren van
paragraaf 2.4 en dus ook voor artikel 9d
Zvw
maakt, zullen echter op grond
van artikel 72 Zvw uit ’s Rijks kas worden gedekt. Bovendien zou het hier
gaan om een relatief klein bedrag per ambtshalve verzekerde. Om die reden
wordt in artikel 9d, vierde lid, door het desbetreffende artikel van
afdeling
5.3.1 van overeenkomstige toepassing uit te zonderen, geregeld dat
het CVZ de ambtshalve verzekerde voor het (voorbereiden van het sluiten van) de
verzekering geen kosten in rekening brengt. Dat laat
uiteraard onverlet dat het CVZ betrokkene, indien hij 18 jaar of ouder is, het
eerste jaar wel de bestuursrechtelijke premie in rekening brengt. De
artikelen 5:27 tot en met 5:30 Awb
worden van overeenkomstige toepassing
uitgezonderd
omdat deze artikelen bevoegdheden van het bestuursorgaan
betreffen die het CVZ in casu redelijkerwijs nooit nodig zal hebben.
Voordat het CVZ tot het
ambtshalve verzekeren overgaat, dient het uiteraard op basis van het
volgende bestand ten onrechte onverzekerden die het van de
SVB krijgt,
na te gaan of betrokkene nog steeds onverzekerd is. Niet volledig
uitgesloten is het risico dat iemand ten onrechte op die lijst staat. Het
zal daarbij
vooral gaan om mensen die zo vlak vóór de afloop van de termijn van de
drie maanden, bedoeld in artikel 9d, eerste lid, alsnog krachtens een
zorgverzekering verzekerd zijn geraakt dan wel hun verzekeringsplicht
hebben verloren, dat één en ander niet meer in de bestanden kon worden
verwerkt waaruit de SVB het volgende bestand met ten onrechte
onverzekerden heeft samengesteld. Zoals in de toelichting op artikel
9c is
aangegeven, staat tegen het toepassen van bestuursdwang geen bestuursrechtelijke
rechtsbescherming open. Wel is het mogelijk om een geschil
bij de burgerlijke rechter aan te brengen. In gevallen waarin
bestuursdwang wordt toegepast, zal een civiele zaak op dit moment doorgaans
gaan over de wijze waarop het bestuur de bestuursdwang heeft toegepast en met
name of het bestuur bij het toepassen van de bestuursdwang niet is
"doorgeschoten", dat wil zeggen meer heeft
gedaan dan strikt
noodzakelijk om de overtreding te beëindigen of herhaling ervan te voorkomen
(bijvoorbeeld een hinder veroorzakende geluidsinstallatie geheel heeft verwijderd,
in plaats van - vooropgesteld dat dat mogelijk is - er een geluidsbegrenzer op te zetten). In de situatie waar het
hier om gaat, is het
voor een ambtshalve verzekerde weinig aantrekkelijk om een geschil bij de
burgerlijke rechter te starten. Immers, het geding zou in het hierboven
beschreven geval niet gaan over de vraag of de toegepaste bestuursdwang
niet onevenredig aan de overtreding is (dat is deze in casu overigens
nooit, aangezien de reactie op de overtreding bij de wet
- in artikel
9d,
tweede en derde lid - voorgeschreven is, te weten dat het CVZ betrokkene
alsnog van een zorgverzekering voorziet; het CVZ heeft hierin dus
nauwelijks beleidsvrijheid), maar over de vraag of de bestuursdwang wel
terecht is toegepast.
Gezien het voorgaande is
besloten in het vijfde lid van artikel 9d
Zvw
te regelen dat personen die
kunnen aantonen dat zij (waarschijnlijk: op het nippertje) aan de last,
bedoeld in artikel 9c Zvw hebben voldaan, alsnog,
rblz.|33|
te rekenen vanaf de dag
waarop het CVZ hen een mededeling heeft verzonden inhoudende dat
(en waar) zij verzekerd zijn, de ambtshalve zorgverzekering kunnen
vernietigen. De ambtshalve gesloten zorgverzekering wordt dan geacht nooit
te hebben bestaan, wat ook betekent dat er geen
bestuursrechtelijke premie voor kon worden geheven. Dat aantonen dient dan zowel
bij de door het CVZ gecontracteerde zorgverzekeraar te geschieden (met het
oog op de vernietiging) als bij het CVZ (met het oog op het niet
heffen van de bestuursrechtelijke premie), en wel binnen twee weken. Ook
van het recht op vernietiging dient binnen die twee weken gebruik te
zijn gemaakt. Op de wijze van vernietigen is artikel 3:37 van het Burgerlijk
Wetboek (BW) van toepassing. Dat betekent dat dit zowel schriftelijk als
mondeling kan geschieden. Wel zal moeten worden aangetoond, dat
betrokkene inmiddels zelf een verzekering heeft gesloten. Zoals in de
toelichting
op artikel 9a Zvw reeds is aangegeven, zal dat niet ingewikkeld zijn: het
overleggen van een kopie van de polis volstaat. Bovendien kan in het
RBVZ worden gecontroleerd of de door de verzekeringsplichtige gesloten zorgverzekering
inmiddels wél in het RBVZ is opgenomen.
In theorie is het
daarnaast mogelijk dat iemand ambtshalve door het CVZ
is verzekerd die - naar later blijkt - niet verzekeringsplichtig was. Het zal dan gaan om iemand die
vlak vóór het moment waarop hij verzekerd werd zijn
verzekeringsplicht heeft verloren of om iemand die nooit
verzekeringsplichtig is geweest maar niet op
de aanmaning heeft gereageerd, noch bezwaar heeft
aangetekend tegen de eerste boete of de tweede boete met de last onder
bestuursdwang (de facto zal deze laatste groep slechts bestaan uit
mensen die zonder de Nederlandse autoriteiten te informeren naar het
buitenland zijn verhuisd). Juridisch gezien is in dit geval de verzekering die
het CVZ voor deze ex- of niet-verzekeringsplichtigen afsloot geen
zorgverzekering. Immers, alleen verzekeringsplichtigen kunnen op een
zorgverzekering verzekerd worden (artikel 1, eerste lid, onderdeel d,
Zvw). Strikt genomen
heeft het CVZ betrokkene in zo’n geval derhalve - overigens
geheel onverwijtbaar - onbevoegd vertegenwoordigd: op grond van
artikel 9d,
eerste lid, Zvw dient hij immers in het daar genoemde geval een
verzekeringsplichtige te verzekeren, en betrokkene bleek achteraf niet
verzekeringsplichtig te zijn. Als er in dit geval al een verzekeringsovereenkomst
tot stand kwam, zal dat een particuliere ziektekostenverzekering zijn, waarvoor enerzijds
de zorgverzekeraar geen vereveningsbijdrage zal ontvangen en
waarvoor anderzijds het CVZ geen bestuursrechtelijke
premie zal kunnen heffen. Het is wenselijk dat partijen de particuliere
verzekeringsovereenkomst in dat geval met een beroep op dwaling kunnen
vernietigen. Om die reden wordt in het zesde lid voor deze situatie een
uitzondering gemaakt op het in artikel 7:931 BW
voor het algemene
verzekeringsrecht opgenomen regel dat een verzekeraar een verzekeringsovereenkomst
niet wegens dwaling mag vernietigen.
Om te voorkomen dat een
ambtshalve verzekerde zodra hij dat op grond van artikel 7 Zvw
of op
grond van de polisvoorwaarden van zijn zorgverzekeraar zou kunnen, de
verzekering weer opzegt, wordt in het zevende lid van artikel 9d
Zvw geregeld dat hij zijn zorgverzekering gedurende het eerste jaar waarover
deze loopt niet op kan zeggen. Dit geldt echter niet indien de NZa heeft
geconstateerd dat zijn zorgverzekeraar ten onrechte in zijn elektronisch
patiëntdossier (EPD) heeft gekeken (artikel
7, vierde lid, onderdeel a,
Zvw juncto artikel 89a Wet
marktordening gezondheidszorg (Wmg)) dan wel meerdere malen
ten onrechte in het EPD van andere verzekerden heeft gekeken (artikel
7,
vierde lid, onderdeel b, Zvw juncto artikel
89a Wmg). In dat geval heeft een
ambtshalve verzekerde persoon gedurende het eerste jaar van de verzekering
dus - net als een "normaal" verzekerde bij die zorgverzekeraar
- wel
een opzegrecht.
rblz.|34|
Onderdelen F
en H
Sinds de
inwerkingtreding van de Wet
structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering gaat
paragraaf 3.3 van de Zvw niet alleen over de nominale premie, die
verzekeringnemers voor de zorgverzekering van personen van 18 jaar of ouder moeten betalen, maar ook over de gevolgen van het niet
betalen van deze premie (de nieuwe afdeling
3.3.2). Deze gevolgen houden in
dat de desbetreffende wanbetalers, nadat de zorgverzekeraars onverrichter zake hebben geprobeerd hen tot betaling te
bewegen, uiteindelijk in
plaats van de hiervoor bedoelde nominale premie aan hun zorgverzekeraar,
een bestuursrechtelijke premie aan het CVZ
verschuldigd zijn. Ook
verzekeringnemers van 18 jaar of ouder die op grond van artikel
9d Zvw ambtshalve verzekerd worden, zullen enige tijd
- namelijk het
eerste jaar - in plaats van de nominale premie aan de zorgverzekeraar, een
bestuursrechtelijke premie aan het CVZ verschuldigd zijn. Dat is echter niet
het gevolg van het niet betalen van de (nominale) premie (de kans op het
niet betalen van die premie krijgen zij niet eens, omdat zij direct in het
bestuurlijke premieregime terechtkomen), maar het gevolg van het feit dat
zij ambtshalve verzekerd zijn. Om die redenen wordt voorgesteld de
opschriften van paragraaf 3.3 en van afdeling 3.3.2 van de Zvw
te wijzigen.
Onderdeel G
Artikel 16 Zvw bepaalt
dat voor zorgverzekeringen van verzekerden van 18 jaar of ouder
nominale premie aan de zorgverzekeraar verschuldigd is. Met de Wet
structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering is geregeld dat dit niet
geldt zolang wanbetalers bestuursrechtelijke premie aan het CVZ
verschuldigd zijn. Voorliggende wijziging van artikel
16, tweede lid,
onderdeel b, Zvw zorgt ervoor dat dit laatste ook zal gelden gedurende het jaar
waarin ambtshalve verzekerden bestuursrechtelijke premie aan het CVZ
verschuldigd zijn.
Onderdeel I
Afdeling 3.3.2 van de Zvw gaat op dit moment over de aanpak van personen die hun
zorgverzekeraar de nominale premie niet betalen. Kern daarvan is dat personen
die een premieachterstand van zes of meer maanden hebben geen
premie meer aan hun zorgverzekeraars verschuldigd zijn, maar een bestuursrechtelijke premie aan het
CVZ. Die bedraagt 130% van de
standaardpremie, bedoeld in de Wzt. De zorgverzekeraars melden dergelijke
structurele wanbetalers daartoe bij het CVZ aan. Werkgevers, pensioenfondsen en
uitkeringsinstanties zullen de bestuursrechtelijke premie in opdracht
van
het CVZ op het loon, het pensioen of de uitkering van de
wanbetaler inhouden en aan het CVZ afdragen, de belastingdienst zal op verzoek van het
CVZ de zorgtoeslag waar de wanbetaler recht op heeft aan het
CVZ overmaken opdat het CVZ daaruit (een deel van) de
bestuursrechtelijke premie kan putten, en daarnaast kan het CVZ de (rest van) de
bestuursrechtelijke premie via een acceptgiro trachten te innen (met daarna een
aanmaning, dwangbevel, beslag en zo nodig executoriale verkoop indien steeds
niet wordt betaald).
Voordat een wanbetaler
voor dit bestuursrechtelijke premieregime wordt aangemeld, dienen de
zorgverzekeraars echter wel voldoende activiteiten te hebben ondernomen om
wanbetalers alsnog tot betaling van de nominale premie te brengen. Naast
andere activiteiten die van de zorgverzekeraar worden verwacht, bevat
de Zvw in artikel 18a
de (minimum)verplichting om uiterlijk tien
werkdagen nadat een premieachterstand van twee maandpremies is
geconstateerd, een betalingsregeling aan te bieden. Wordt die niet
geaccepteerd of niet nagekomen, dan dient de zorgverzekeraar rblz.|35|
nadat de
premieschuld tot vier maandpremies is opgelopen, de wanbetaler te
waarschuwen dat hij hem na nog twee maanden premieschuld bij het CVZ
voor het
bestuursrechtelijke premieregime aan zal melden. Daarbij dient
hij betrokkene, voor het geval deze van mening is geen wanbetaler te zijn
dan wel een kleinere premieachterstand te hebben dan de
zorgverzekeraar aanneemt, in de gelegenheid te stellen tegen een voorgenomen
aanmelding voor het bestuursrechtelijke premieregime op te komen (eerst bij
hemzelf, vervolgens bij de Stichting Klachten en Geschillen
Zorgverzekeringen (SKGZ) of bij de burgerlijke rechter). Nadat de
premieschuld is aangegroeid tot zes maandpremies, meldt de zorgverzekeraar
betrokkene uiteindelijk bij het CVZ.¹ Op dat moment gaat het
bestuursrechtelijke premieregime in (artikelen
18b tot en met 18d Zvw). Pas nadat de
structurele wanbetaler zijn schuld aan zijn zorgverzekeraar heeft voldaan, de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op hem van
toepassing wordt, hij partij is geworden bij een
schuldstabilisatieovereenkomst
of hij deel is gaan nemen in een schuldhulpverleningsregeling waarin ten minste ook
zijn zorgverzekeraar deelneemt, eindigt het
bestuursrechtelijke premieregime en is hij weer de normale (nominale)
premie aan zijn zorgverzekeraar verschuldigd (artikel 18d
Zvw). Artikel
18e Zvw zoals dat vóór de inwerkingtreding van
voorliggend wetsvoorstel luidt,
bepaalt dat het CVZ de bestuursrechtelijke premie heft en int en
bevat de wijzen waarop het CVZ de bestuursrechtelijke premie kan (laten) innen
(broninhouding, laten overmaken zorgtoeslag, inning via acceptgiro,
enzovoorts, zie boven), en artikel 18f
Zvw
bevat bepalingen over de
verwerking van persoonsgegevens, de mogelijkheid van het CVZ om
restschulden aan bestuurlijke premie kwijt te schelden en een
delegatiebepaling.
1. Indien nog een geschil
loopt, meldt de zorgverzekeraar betrokkene pas nadat een
uitspraak waarin betrokkene in het
ongelijk is gesteld formele rechtskracht heeft gekregen.
Met voorliggend
wetsvoorstel wordt geregeld dat ook ambtshalve verzekerden van 18 jaar of
ouder enige tijd een bestuursrechtelijke premie voor hun zorgverzekering
verschuldigd zijn. Omdat betrokkenen, anders dan wanbetalers, geen
premieschuld bij hun zorgverzekeraar opbouwen (daartoe krijgen zij de
kans niet omdat de bestuursrechtelijke premie verschuldigd wordt zodra
zij ambtshalve verzekerd worden), zijn de bepalingen over het aanbieden van
een betalingsregeling of de waarschuwing dat iemand, nadat de
premieachterstand tot zes maanden zal zijn opgelopen, voor de bestuursrechtelijke premie bij het
CVZ zal worden aangemeld
(artikelen 18a tot en met 18d, eerste lid, Zvw), niet van toepassing. Hetzelfde geldt voor de bepalingen inzake de hoogte van de nominale
premie die van
wanbetalers wordt gevraagd (130% van de standaardpremie Wzt) en de voorwaarden
waaronder weer het normale, privaatrechtelijke premieregime op
wanbetalers van toepassing zal worden (artikel
18d, tweede tot en met
vierde lid, Zvw).
Omdat wel de bepalingen
over de inningswijzen (het huidige artikel 18e) en de restbepaling van
het huidige artikel 18f Zvw van toepassing dienen te zijn, is besloten de
bestuursrechtelijke premie die voor de zorgverzekering van ambtshalve
verzekerden zal worden geheven, onder verlettering van de artikelen
18e en 18f tot artikelen
18f
en 18g Zvw
te regelen in een nieuw artikel
18e.
Dat artikel bepaalt dat
voor de zorgverzekering van premieplichtige ambtshalve verzekerden
gedurende de eerste twaalf maanden aan het CVZ
een bestuursrechtelijke premie verschuldigd is ter hoogte van 100%
van de standaardpremie Wzt. De bestuursrechtelijke premie voor ambtshalve
verzekerden is dus lager
dan die voor wanbetalers. Dat is niet onlogisch, aangezien ambtshalve
verzekerden, anders dan wanbetalers, nooit een premietermijn hebben
gemist. De toepasselijkheid van het bestuursrechtelijke premieregime is er bij
hen op gericht hen te laten wennen aan het feit dat zij premie
voor hun verzekering dienen te betalen. Bij wanbetalers rblz.|36|
is echter gekozen
voor een premie hoger dan de hoogste nominale premie (130% van de
standaardpremie Wzt) om hen een prikkel te geven buiten het
bestuursrechtelijke premieregime te blijven, bijvoorbeeld door de betalingsregeling die
de zorgverzekeraar hen na twee maanden premieachterstand aanbiedt te aanvaarden.
Daarnaast zou het heffen
van een bestuursrechtelijke premie van 130% van ambtshalve
verzekerden voor het deel boven de 100% mogelijk kunnen worden beschouwd
als het opleggen van een bestraffende sanctie of zelfs
bestuursrechtelijke boete, met alle uit het Europees verdrag tot bescherming
van de
rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het
Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en
de Awb voortvloeiende processuele gevolgen
van dien. Is de
bestuursrechtelijke premie die van wanbetalers wordt geheven geen reactie op een
overtreding in de zin van de Awb (wanbetalers zijn immers "slechts" een bepaling
in hun privaatrechtelijke verzekeringsovereenkomst niet nagekomen
zodat van een overtreding in de zin van de Awb geen sprake is) en
is deze in eerste instantie meer op herstel dan op bestraffing gericht,
voor ambtshalve verzekerden is dat mogelijk anders. Zij hebben namelijk
artikel 2 Zvw overtreden, dat zegt dat zij een zorgverzekering moeten hebben.
De
uiteindelijke reactie daarop is ambtshalve verzekering door het CVZ.
Zou de premie van die ambtshalve verzekering nu duidelijk hoger zijn
dan wat gebruikelijk is, dan zou het meerdere mogelijk kunnen worden
beschouwd als bestraffende sanctie of zelfs als bestuursrechtelijke
boete in de zin van de Awb. Niet alleen is de regering van mening dat de
ambtshalve verzekering met bestuursrechtelijke premie-inning een
voldoende sanctie is (een bestraffend element in de zin van een
"opslag" van
30% op die premie acht de regering gezien het bovenstaande niet
nodig), ook zou de uitvoering van de premieheffing onnodig worden belast
indien de premie (deels) als bestraffende sanctie of bestuurlijke boete
zou moeten worden gezien.
Zoals gezegd, zullen de
in het huidige artikel 18e Zvw (straks
18f Zvw) geregelde inningswijzen
van de bestuursrechtelijke premie ook op de door ambtshalve
zorgverzekeringen van toepassing zijn. Dat wil zeggen dat het CVZ
in eerste
instantie zal trachten de premie op het loon, een uitkering of een
pensioen van de verzekeringnemer in te laten houden of de zorgtoeslag van de
verzekeringnemer hiertoe naar zich over zal laten maken. Daarmee verliest
de verzekeringnemer voor een - overigens beperkt - gedeelte van
zijn netto-inkomen zijn bestedingsvrijheid. De regering is van mening
dat dit niet strijdt met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het
EVRM. In casu is sprake van regulering van eigendom ten behoeve
van het algemeen belang, te weten het belang dat ook mensen
die ambtshalve verzekerd zijn voor hun zorgverzekering betalen en daarmee
bijdragen aan de solidariteit die de wetgever met de Zvw
van
alle inwoners vraagt. De regering is voorts van mening dat het direct
gaan heffen van bestuursrechtelijke premie proportioneel is, zeker nu deze
premie, anders dan die die structurele wanbetalers moeten betalen, gelijk
is aan 100% van de tot een maandbedrag herleide standaardpremie Wzt. Gezien de groep waar het hier
om gaat, te weten mensen die ondanks
drie keer waarschuwen zich nog steeds niet hebben (laten)
verzekeren en vervolgens uiteindelijk ambtshalve zijn verzekerd, valt
vrijwillige premiebetaling aan de zorgverzekeraar niet direct te verwachten,
zodat een door de overheid op te leggen automatische inning, die dan
bovendien slechts tot één jaar beperkt is, niet disproportioneel is. Betrokkenen hebben
voordat zij ambtshalve verzekerd zijn en derhalve bestuursrechtelijke premie verschuldigd zijn geworden,
voldoende mogelijkheden
gehad om dit gevolg af te wenden. Zij zijn er door het CVZ immers drie
keer op gewezen dat zij een verzekering dienen te sluiten, terwijl zij
bovendien voldoende mogelijkheden hebben gehad rblz.|37|
om - desgewenst tot en
met de rechter - actie te ondernemen indien zij van mening zijn dat zij
ten onrechte als verzekeringsplichtig of als niet verzekerd zijn
beschouwd. Tegenover de ambtshalve verzekering met de bestuursrechtelijke
premie die het eerste jaar onder verantwoordelijkheid van het CVZ wordt
geïnd, staat overigens uiteraard de dekking die de zorgverzekering biedt,
terwijl betrokkenen bovendien, indien zij binnen de termen van die wet valt,
aanspraak zullen kunnen maken op een zorgtoeslag als bedoeld in de
Wzt.
Na de eerste twaalf
maanden zal betrokkene zijn zorgverzekeraar de bij zijn zorgverzekering
behorende nominale premie verschuldigd zijn.
Zolang het
bestuursrechtelijke premieregime op de ambtshalve verzekerde van toepassing is,
ontvangt zijn zorgverzekeraar een bijdrage van het CVZ
(zie artikel II,
onderdeel L). Met uitzondering van de premieplicht jegens de verzekeraar
(zie artikel II, onderdeel G), loopt de zorgverzekering immers gewoon door.
Onderdeel J
Dit onderdeel bevat
technische wijzigingen in artikel 18g
(nieuw) Zvw, die nodig zijn geworden nu
artikel 18e Zvw bepaalt dat ook voor de verzekering van ambtshalve
verzekerden het eerste jaar een bestuursrechtelijke premie wordt geheven.
Onderdelen K
en L
De verzekering van
ambtshalve verzekerden is, op de premie gedurende het eerste jaar na, een
gewone, privaatrechtelijke zorgverzekering, waarover de zorgverzekeraar
risico loopt. Gedurende dat eerste jaar ontvangt hij echter voor de
verzekering van personen van 18 jaar of ouder, anders dan voor
"gewone" volwassenen, geen premie. De artikelen 34a
juncto 39
Zvw voorzien [lees: Artikel 34a
juncto artikel 39
Zvw voorziet, red.]
er op dit moment reeds in dat het CVZ zorgverzekeraars ten laste van
het
Zorgverzekeringsfonds een bijdrage verstrekt voor het verzekerd houden van
wanbetalers die bestuursrechtelijke premie verschuldigd zijn. Op
grond van dezelfde artikelen zal worden voorzien in een bijdrage voor het
verzekeren van ambtshalve verzekerden van 18 jaar of ouder. De in
artikel 34a, tweede lid, Zvw geregelde voorwaarden voor de
bijdrage kunnen
uit de aard der zaak (zie ook de toelichting op artikel II, onderdeel
I) echter alleen gelden voor de wijze waarop de zorgverzekeraar
wanbetalers behandelt. De eisen kunnen dus logischerwijze geen voorwaarde zijn
voor de verstrekking van de bijdrage voor ambtshalve verzekerden.
Dat wordt met de in onderdeel L opgenomen wijziging
geëxpliciteerd.
Onderdeel M
Ook
verzekeringsplichtigen zonder BSN of sofinummer dienen voor een zorgverzekering te
worden geaccepteerd. Verzekeraars ontvangen echter slechts een
vereveningsbijdrage voor verzekerden wier BSN of sofinummer bekend is. Indien in
jaar t iemand die geen BSN of sofinummer heeft voor de verzekering is
geaccepteerd en de desbetreffende persoon twee jaar later, wanneer de
risicovereveningsbijdragen definitief worden afgerekend, nog steeds geen
BSN of sofinummer heeft, zal de zorgverzekeraar zonder nadere
maatregelen voor deze persoon over jaar t geen vereveningsbijdrage ontvangen. Dit wordt,
mede omdat dit bij de zorgverzekeraars de neiging kan doen
ontstaan om betrokkenen dan maar niet te accepteren, ongewenst geacht. Om die reden wordt voorgesteld iemand
die in jaar t verzekerd
was en die in jaar t+2, wanneer de vereveningsbijdrage over jaar t moet worden
vastgesteld, nog steeds geen BSN of sofinummer rblz.|38|
heeft, wél voor
de vaststelling van die bijdrage te laten meetellen. Dit gebeurt dan aan de
hand van een door het CVZ toe te kennen nummer. Door het nummer
pas ter gelegenheid van de vaststelling van de vereveningsbijdrage toe
te laten kennen, behouden verzekeraars een prikkel om tussen de
acceptatie en de vaststelling van de vereveningsbijdrage zelf periodiek na te
gaan of betrokkene zich niet al van een BSN heeft voorzien.
Onderdeel N
Voorliggende wijziging
van artikel 39, tweede lid, Zvw zorgt ervoor dat de boeten die het
CVZ op
grond van de artikelen 9b, 9c
en 69 Zvw
int (of door het CJIB laat innen) aan
het Zorgverzekeringfonds ten goede komen. Hetzelfde geldt voor de
bestuursrechtelijke premie die gedurende het eerste jaar voor de
verzekering van ambtshalve verzekerden wordt geïnd. Aan de andere kant
zullen boeten wegens te laat verzekeren (artikel 96 Zvw) niet meer aan het
Zorgverzekeringsfonds ten goede komen, nu die boete zal komen te vervallen
(zie artikel II, onderdeel S).
Onderdeel O
Sinds de
inwerkingtreding van de Zvw heeft het CVZ
er een aantal niet in
hoofdstuk 6 van die wet
geregelde taken bij gekregen. Zo verstrekt het zorgaanbieders bijdragen
voor aan illegalen verleende medisch noodzakelijke zorg (artikel
122a Zvw),
heft en int het de bestuursrechtelijke premie van structurele
wanbetalers (afdeling 3.3.2 Zvw) en zal het na
inwerkingtreding van voorliggend
wetsvoorstel onverzekerde verzekeringsplichtigen laten opsporen, zal het
hen aanmaningen sturen, boeten opleggen en ambtshalve verzekeren (paragraaf 2.4 Zvw) en zal het ten slotte van ambtshalve verzekerden
bestuursrechtelijke premie gaan heffen en innen (het in afdeling 3.3.2
voorgestelde artikel 18e Zvw). De omvang van deze niet in
hoofdstuk 6
geregelde taken van het CVZ is inmiddels dusdanig groot geworden dat het
aangewezen is in het opschrift van paragraaf 6.2 tot uitdrukking te
brengen dat het CVZ ook buiten die paragraaf geregelde taken en bevoegdheden
heeft.
Onderdeel P
Personen met
verdragsaanspraken dienen zich op grond van artikel 69 Zvw
bij het CVZ te
melden. Ingevolge het derde lid van dat artikel leidt te late melding tot een
boete die in opzet gelijk is aan de boete bij te laat verzekeren, zoals deze
tot de inwerkingtreding van voorliggend wetsvoorstel in artikel 96 Zvw
is
geregeld. Artikel 96 zal echter komen te vervallen. Voorgesteld wordt daarom
de boete, bedoeld in artikel 69, derde lid, Zvw,
vorm te geven volgens de
boete zoals deze in artikel 9b Zvw wordt geregeld. Voor een toelichting op
het voorgestelde artikel 69, achtste lid, wordt verwezen naar de
toelichting op artikel II, onderdeel D [lees: onderdeel E, red.], bij artikel
9b, derde
lid, Zvw.
Onderdeel Q
¹
Bij de inwerkingtreding
van de Wet
marktordening gezondheidszorg (Wmg) zijn de
oorspronkelijk in hoofdstuk 7 Zvw geregelde bepalingen over het toezicht op de
zorgverzekeraars naar die
wet overgeheveld. Daarmee is hoofdstuk 7 Zvw
een "leeg hoofdstuk" geworden. Mede omdat ten gevolge van voorliggend wetsvoorstel ook
hoofdstuk 9
Zvw geen enkel wetsartikel
meer zal bevatten, wordt voorgesteld enkele hoofdstukken te vernummeren, opdat
de Zvw geen lege hoofdstukken meer kent.
1.
Omdat vanwege de vernummering van de hoofdstukken
8 en 10
tot en met 12 niet langer een aaneensluitende artikelnummering na de artikelen
76 en 93
bestaat, dient volgens de redactie
onderdeel Q
te vervallen en dient de tekst van onderdeel
S te worden vervangen door: Hoofdstuk 9
vervalt.
rblz.|39|
Onderdeel R
Het eerste lid van
artikel 86 Zvw is zo geformuleerd dat daaruit duidelijk wordt dat een
zorgverzekeraar het BSN of sofinummer van een verzekerde niet hoeft te
registreren als deze niet over zo’n nummer beschikt. Tezamen met de in
artikel 4
Zvw voorgestelde wijziging is daarmee duidelijk dat ook verzekeringsplichtigen zonder
BSN of sofinummer geaccepteerd
dienen te worden.
Onderdeel S
¹
Bij de inwerkingtreding
van de Wmg
is het geregelde in de paragrafen 9.1 en
9.2 Zvw
alsmede in de
artikelen 97 tot en met 100 Zvw naar die
wet overgeheveld, terwijl de
artikelen 101 tot en met 113 bij de inwerkingtreding van de wet tot
Aanpassing van bijzondere wetten aan de vierde tranche van de Algemene
wet bestuursrecht [lees: Aanpassingswet vierde
tranche Awb, red.] zijn komen te vervallen. De in voorliggend wetsvoorstel
geregelde bestuurlijke boeten die na aanmaning aan ten onrechte
onverzekerden worden opgelegd (zie artikel II, onderdeel
E, de voorgestelde
artikelen 9b en 9c Zvw), zullen de boete bij te laat verzekeren, geregeld in
artikel 96
Zvw, vervangen. Nu derhalve ook het enige in
hoofdstuk 9
Zvw overgebleven artikel, te weten artikel 96
Zvw, wordt ingetrokken, wordt
voorgesteld onder vernummering van de overige hoofdstukken heel
hoofdstuk 9 Zvw te laten vervallen. Aldus wordt voorkomen dat er een leeg
hoofdstuk 9 ontstaat.
1.
Omdat vanwege de vernummering van de hoofdstukken
8 en 10
tot en met 12 niet langer een aaneensluitende artikelnummering na de artikelen
76 en 93
bestaat, dient volgens de redactie
onderdeel Q
te vervallen en dient de tekst van onderdeel
S te worden vervangen door: Hoofdstuk 9
vervalt.
Onderdeel T
Artikel 116, eerste lid, Zvw bepaalt dat tegen
besluiten genomen door het
CVZ beroep kan worden
ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State.
In het tweede lid van dat artikel worden uitzonderingen op deze regel
neergelegd. De uitzonderingen in onderdeel a van dat lid komen er in de
kern op neer dat geen beroep bij bovengenoemde afdeling mogelijk is
indien het CVZ op grond van de Zvw beschikkingen neemt die de burger
raken. In plaats daarvan is tegen dergelijke beschikkingen (na bezwaar) op grond
van artikel 8:1 Awb
beroep mogelijk bij de rechtbank en - zie
artikel V
- hoger beroep bij de Centrale Raad van
Beroep. Gezien het voorgaande dienen aan de opsomming
in dit onderdeel de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 9b
Zvw, en de gecombineerde bestuurlijke boete/last,
bedoeld in artikel 9c Zvw, te worden toegevoegd, alsmede de bestuursrechtelijke
premie, bedoeld in artikel 18e Zvw. Aan de andere kant dient de bestuurlijke boete,
bedoeld in artikel 96 Zvw, te worden geschrapt.
Artikel III
Onderdeel A
Ambtshalve verzekerden
dienen vanaf het moment waarop hun zorgverzekering ingaat in aanmerking te
kunnen komen voor een zorgtoeslag. Voorliggende wijziging
bewerkstelligt dat.
Onderdeel B
In artikel 5, tweede
lid, Wzt is geregeld dat de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag op
verzoek van het CVZ aan het CVZ uitbetaalt, opdat deze daaruit kan putten voor
de bestuursrechtelijke premie die structurele wanbetalers hem
verschuldigd zijn. Hetzelfde dient te gelden voor de bestuursrechtelijke
premie die ambtshalve verzekerden ingevolge artikel 18e
Zvw
het eerste jaar
aan het CVZ verschuldigd zullen zijn.
rblz.|40|
Artikel IV
Op grond van artikel 8:1 Awb
staat tegen besluiten beroep open bij de rechtbank. Zonder nadere
regelgeving geldt dit ook voor beschikkingen van het CVZ inhoudende
dat iemand een bestuursrechtelijke premie verschuldigd is. Het CVZ
heeft wat betreft het heffen van de bestuursrechtelijke premie van ambtshalve
verzekerden van 18 jaar of ouder echter geen
beleidsvrijheid: het moet die premie gaan heffen vanaf de eerste dag van de maand
volgende op de maand waarin de zorgverzekering ingaat (artikel 18e
Zvw).
Ook heeft het CVZ geen beleidsvrijheid bij het bepalen van de
hoogte of duur van deze premie: deze bedraagt 100% van de tot een
maandbedrag herleide maandpremie Wzt, over de eerste twaalf maanden waarin de
zorgverzekeraar loopt. Om deze redenen is besloten beroep tegen de
verschuldigdheid of de hoogte van de bestuursrechtelijke premie uit te sluiten
(hetzelfde geldt overigens voor de bestuursrechtelijke premie die wanbetalers
verschuldigd zijn, zij het echter deels om andere redenen). De
uitsluiting van het beroep geschiedt door de beschikking inzake de
heffing van de bestuursrechtelijke premie (artikel
18f, eerste lid, Zvw
juncto artikel 18e Zvw) te plaatsen op de
bijlage bij de Awb, bedoeld in
artikel 8:5
van die wet.
Aangezien artikel 7:1
van de Awb regelt dat tegen beschikkingen waartegen beroep op de
administratieve rechter openstaat eerst bezwaar moet worden gemaakt,
wordt hiermee tegelijkertijd de bezwaarprocedure voor deze beschikkingen
buiten werking gesteld.
Ten slotte nog het
volgende. Indien het CVZ in één beschikking opneemt dat iemand (a) met
ingang van een bepaalde datum bestuursrechtelijke premie verschuldigd is
omdat hij ambtshalve verzekerd is, (b) dat die premie 100% van de
standaardpremie bedraagt en (c) op welke wijze deze geïnd zal worden
(zie onder andere artikel 18f, tweede en vijfde lid, Zvw), is wel bezwaar en beroep
mogelijk tegen het door het CVZ voorgenomen inhoudingsbesluit (c),
niet tegen de heffingsbesluiten (a) en (b).
Artikel V
Met voorliggende
wijziging wordt bereikt dat tegen de oplegging van de bestuurlijke boete,
bedoeld in artikel 9b Zvw, de gecombineerde oplegging van de bestuurlijke
boete en de last onder bestuursdwang, bedoeld in artikel 9c
Zvw, en de
beschikking inzake de wijze van inning van de bestuursrechtelijke
premie (artikel 18f, eerste lid, juncto
artikel 18e Zvw) hoger beroep bij de
Centrale Raad van Beroep [CRvB, red.] openstaat. Tegen de heffing van de
bestuursrechtelijke premie staat echter geen hoger beroep open, nu daartegen ook
geen bezwaar of beroep openstaat (zie de toelichting op artikel IV). Tegelijkertijd wordt de
hogerberoepsmogelijkheid
bij de CRvB tegen boeten
opgelegd op grond van artikel 96 Zvw geschrapt, nu dat
artikel bij inwerkingtreding van voorliggend wetsvoorstel komt te vervallen.
Artikel VI en
artikel
XIII, tweede lid
Artikel VI, onderdeel
A,
en artikel XIII, tweede lid
Op het moment dat de Wet
structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering in werking trad
- 1
september 2009 - waren er ongeveer 280 000
verzekeringnemers die gedurende langere tijd hun premie niet hadden betaald en
derhalve bij hun zorgverzekeraar ruimschoots een premieachterstand van
zes maanden hadden opgebouwd (het zogenaamde stuwmeer van
wanbetalers). Artikel IX van genoemde
wet voorziet voor deze personen in
overgangsrecht dat erop gericht is betrokkenen rblz.|41|
versneld een
betalingsregeling aan te bieden en een vierdemaandswaarschuwing te sturen, gevolgd door
aanmelding voor het bestuursrechtelijke premieregime bij het CVZ.
Het eerste lid van artikel IX verplicht de zorgverzekeraars om
wanbetalers die op het moment van inwerkingtreding van de Wet structurele
maatregelen wanbetalers zorgverzekering een premieschuld van
twee of meer maanden hebben, uiterlijk binnen twee maanden na die
inwerkingtreding een betalingsregeling aan te bieden. In zijn nader
advies van 4 juni 2009 heeft het CVZ voorgesteld de aanmelding van het
stuwmeer te faseren om zo tot een gespreide uitvoering van de meldingen van
wanbetalers te komen. De door het CVZ voorgestelde aanpak, die inmiddels op
hoofdlijnen in artikel II van de Regeling
van de Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 juli 2009, nr. Z/VV-2944170,
houdende wijziging van de Regeling
zorgverzekering, ter nadere invulling van
de maatregelen om wanbetalers voor hun zorgverzekering te laten
betalen (Stcrt. 31 juli 2009, nr. 11534) is opgenomen, komt erop neer dat
zorgverzekeraars wanbetalers in hoeveelheden van maximaal 25 000
personen per maand bij het CVZ aanmelden voor het
bestuursrechtelijke regime, volgens een door het CVZ vast te stellen planning, die
loopt tot september 2010. De planning van het CVZ heeft gevolgen voor het
tijdstip waarop de betalingsregeling moet worden aangeboden: dat dient zo
spoedig mogelijk te geschieden, maar hoeft niet meer per se binnen twee
maanden na inwerkingtreding van bedoelde wet
(dat wil zeggen vóór 1 november
2009) plaats te vinden. In verband hiermee vervalt, met
terugwerkende kracht tot en met 1 september 2009, de in artikel IX van
die wet
opgenomen verplichting voor zorgverzekeraars om binnen twee maanden na
inwerkingtreding van de wet een betalingsregeling aan te bieden.
De regering realiseert
zich dat voorliggend wetsvoorstel pas na 1 november 2009 in
werking zal treden en wel - waarschijnlijk - op een zodanig tijdstip in
2010 dat vrijwel alle wanbetalers uit het stuwmeer een betalingsregeling hebben
aangeboden gekregen, zij het meestal later dan 1 november 2009. Daar
kan de voorliggende bepaling geen verandering in aanbrengen. De regering
is van mening dat aan stuwmeergevallen aangeboden betalingsregelingen, ook
indien deze na laatstgenoemde datum zijn gedaan,
betalingsregelingen zijn in de zin der wet. Het met terugwerkende kracht laten vervallen
van de eis dat de regelingen vóór 1 november 2009 moeten zijn aangeboden,
bevestigt dat nog eens. De hier geregelde wijziging heeft echter
voornamelijk ten doel zeker te stellen dat verzekeraars die het aanbod later
doen maar wel zo tijdig dat zij zich aan het schema van het CVZ
kunnen
houden, niet op het niet nakomen van het huidige artikel
IX, eerste lid,
van de Wet
structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering kunnen
worden aangesproken en aldus ook niet om die reden hun
compensatiebijdrage voor het verzekerd houden van wanbetalers kunnen verliezen.
Artikel VI, onderdeel B
Ten gevolge van de
opname van een nieuw artikel 18e
Zvw
in paragraaf 3.3.2 Zvw, onder
verlettering [lees: vernummering, red.] van de bestaande artikelen 18e
en 18f tot
artikelen 18f en 19g [lees: 18g,
red.]
Zvw,
dienen de verwijzingen naar laatstbedoelde artikelen in artikel X van de
Wet
structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering gewijzigd te worden.
Artikel VII
Dit artikel bevat een
technische wijziging voor het geval dat het voorstel van wet tot wijziging
van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de Wet
toelating zorginstellingen in verband met het regelen van de voorwaarden voor aanspraken op
langdurige zorg buiten Nederland en de rblz.|42|
financiering van deze
aanspraken (Wet AWBZ-zorg buitenland) (Kamerstukken II P.M.
[Kamerstukken II 2009-2010, 32 154, red.]) later dan
voorliggend wetsvoorstel in werking treedt.
Artikel VIII
Dit artikel bevat een
technische wijziging voor het geval dat het voorstel van wet houdende
aanpassing van de wetgeving aan en invoering van titel 7.13
(vennootschap) van het BW
(Invoeringswet titel 7.13 Burgerlijk Wetboek) (Kamerstukken II 2006-2008,
31 065) later in werking treedt dan voorliggend
wetsvoorstel.
Artikel IX
In artikel II, onderdeel B, is om dubbele zorgverzekeringen te voorkomen, geregeld dat een
zorgverzekeraar een verzekerde mag weigeren indien deze al een andere
zorgverzekering heeft. Daarmee is nog niet het probleem opgelost dat
er op dit moment rond de 25 000 mensen zijn die reeds twee (of meer)
zorgverzekeringen hebben. In die oplossing voorziet voorliggend artikel. Het
regelt dat op de datum waarop het artikel in werking treedt alleen de
oudste verzekering blijft bestaan. De andere zorgverzekeringen
eindigen van rechtswege.
Op grond van artikel 9 Zvw zullen de zorgverzekeraars waarbij de zorgverzekering op grond van
artikel IX
is geëindigd de betrokken verzekeringnemers en, indien deze anderen
zijn, ook de verzekerden van het einde van de
zorgverzekering op de hoogte moeten stellen. Om vragen te voorkomen, doen de
zorgverzekeraars er verstandig aan om op het uitschrijfbewijs naast
de in artikel 9, tweede lid, Zvw genoemde gegevens ook de reden van de
eindiging (namelijk het feit dat de verzekerde ook nog op een andere, oudere
zorgverzekering verzekerd was) te zetten.
Artikel X
Bestuurlijke boeten zijn
bestraffende sancties waarop onder andere de waarborgen van artikel
15 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten
(IVBPR)
van toepassing is. De derde zin van het eerste lid van dat
artikel bepaalt: "Indien na het begaan van het strafbare
feit de wet mocht
voorzien in de oplegging van een lichtere straf, dient de overtreder
daarvan te profiteren". In de Awb
is dit gecodificeerd in artikel 5:46, vierde
lid.
Tot de inwerkingtreding
van voorliggend wetsvoorstel wordt aan personen die zich te
laat hebben verzekerd op grond van artikel 96 Zvw
een bestuurlijke boete
opgelegd. Na de inwerkingtreding zal geen boete meer worden opgelegd aan
personen die zich te laat verzekeren, maar aan verzekeringsplichtigen
die niet binnen drie maanden na ontvangst van de aanmaning, bedoeld in
artikel 9a Zvw, alsnog een zorgverzekering hebben. Personen die
zich vlak vóór de datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel te laat
verzekerd hebben, zouden derhalve geen boete hebben gekregen indien
zij dit vlak na de inwerkingtreding van voorliggend wetsvoorstel zouden
hebben gedaan (hoogstens zouden zij de aanmaning al hebben
gehad).
Gezien het IVBPR en
artikel 5:46, vierde lid, Awb is
besloten de afschaffing van de boete, bedoeld in
artikel 96 Zvw, onmiddellijke werking te geven. Dat wil zeggen dat de
nieuwe situatie - ingevolge welke geen boeten wegens te laat
verzekeren meer worden opgelegd - ook van toepassing is op personen die zich
vóór de datum van inwerkingtreding van voorliggend wetsvoorstel te laat
hebben verzekerd, maar dientengevolge nog geen boete opgelegd
hadden gekregen. Deze verzekerden zal derhalve rblz.|43|
geen boete meer worden
opgelegd. Omdat onmiddellijke werking hoofdregel van het overgangsrecht
is, hoeft hiervoor geen afzonderlijke bepaling te worden opgesteld.
De onmiddellijke werking
geldt ook voor mensen die zich te laat hebben verzekerd en aan wie vóór de datum van inwerkingtreding wél al op grond van artikel 96 Zvw
een
boete is opgelegd, maar waarbij die boete nog geen formele
rechtskracht heeft. Dat wil zeggen: in gevallen waarin betrokkene nog in
bezwaar of (hoger) beroep kan komen dan wel in bezwaar of (hoger)
beroep is gegaan zonder dat daarop reeds door het CVZ, de
rechtbank of de
CRvB is beslist. Hoewel ook dit een gevolg kan worden geacht van
onmiddellijke werking en derhalve mogelijk niet geregeld hoeft te worden, is voor
de duidelijkheid besloten dit onderdeel van het overgangsrecht toch
met zoveel woorden in artikel X op te nemen. Duidelijk is daarin
geregeld dat het CVZ beschikkingen tot oplegging van een boete ex artikel 96
Zvw die op de datum waarop voorliggend wetsvoorstel in werking treedt nog
geen formele rechtskracht te hebben, dient in te trekken.
Voor bestuurlijke boeten
ingevolge artikel 69, derde lid, Zvw opgelegd aan mensen met
verdragsaanspraken die zich vóór de datum van inwerkingtreding van
voorliggend
wetsvoorstel te laat bij het CVZ hebben gemeld, geldt het volgende. Of
de oude boete voor hen ongunstiger is dan de nieuwe boete hangt af
van de vraag hoe lang betrokkene met de melding in verzuim was. Hoe
langer deze periode, hoe groter de kans dat de nieuwe boete (die immers
gefixeerd is op drie standaardmaandpremies Wzt) gunstiger uitpakt
dan de oude (die hoger werd naarmate men langer in verzuim was). Ook
hier geldt voor degenen aan wie op de datum van inwerkingtreding van
voorliggend wetsvoorstel nog geen boete was opgelegd dat de nieuwe
bepalingen onmiddellijk werken. In combinatie met artikel
5.4.1.7 [lees: artikel 5:46, red.],
vierde lid, Awb leidt dat er dan toe dat het CVZ de voor betrokkene meest
gunstige boete zal moeten opleggen. En ook hier is voor gevallen waarin op
de datum van inwerkingtreding van voorliggende wet reeds een boete was
opgelegd, gekozen voor verduidelijking van de situatie. In het tweede
lid van artikel X is daartoe geregeld dat het CVZ in gevallen waarin reeds
opgelegde boeten nog geen formele rechtskracht hebben het bedrag van
de oude boete, indien ongunstiger, om moet zetten in het bedrag van
de nieuwe.
Gevallen waarin boeten
opgelegd op grond van artikel 96 of het "oude"
artikel 69 Zvw
op de
datum waarop voorliggend wetsvoorstel in werking treedt wél formele
rechtskracht hebben, blijven gewoon geldig. Het CVZ
zal deze ook moeten
(blijven) innen.
Artikel XI
Zelfs als de aanmaning,
de eerste bestuurlijke boete en de tweede, met een last onder
bestuursdwang gecombineerde bestuurlijke boete ertoe leiden dat een fors
aantal ten onrechte onverzekerden zichzelf van een zorgverzekering
voorziet, zal het CVZ in het tweede jaar na inwerkingtreding van
voorliggend
wetsvoorstel naar verwachting nogal wat ambtshalve verzekeringen moeten
sluiten. De voor verzekerden van 18 jaar of ouder daaraan
gekoppelde plicht bestuursrechtelijke premie te betalen, zou in dat tweede jaar
kunnen leiden tot een aanzienlijk aantal bezwaarschriften. Te verwachten is dat een
deel van deze bezwaarschriften gericht zal zijn tegen de
heffing van de bestuursrechtelijke premie an sich of de hoogte daarvan.
Dergelijke bezwaarschriften zal het CVZ simpelweg niet-ontvankelijk kunnen verklaren (zie
artikel IV en de toelichting daarop). Echter, er zullen ook
bezwaarschriften zijn tegen de wijze van inning en - in het jaar daarop
- inzake
kwijtschelding van restschulden. In de structurele rblz.|44|
situatie, als de
overgangsgevallen volledig verwerkt zijn, moet het CVZ in staat worden geacht
dergelijke bezwaren binnen de in artikel
7:10, eerste lid, Awb
genoemde
termijn van zes weken (eventueel met verdaging van enkele weken) af te
doen. Het CVZ zal echter wegens capaciteitsgebrek naar verwachting niet in
staat zijn de in het kader van het overgangsrecht te verwachten
bezwaarschriften binnen zes weken af te doen. Dit knelt te meer vanaf 1 oktober
2009, het moment waarop de Wet dwangsom bij
niet tijdig beslissen [lees: Wet dwangsom en
beroep bij niet tijdig beslissen, red.] in
werking treedt, aangezien dat zou betekenen dat het CVZ voor iedere dag
waarop het zijn beslissing op bezwaar te laat heeft gegeven (doch voor ten
hoogste 42 dagen) een dwangsom aan de ambtshalve verzekerde zou
verbeuren. Met het oog hierop wordt de termijn voor het geven van een
beslissing op bezwaar voor bezwaarschriften, bij het CVZ ingediend binnen
drie jaar na de datum waarop het artikel over de heffing van de
bestuursrechtelijke premie bij ambtshalve verzekerden in werking treedt
(artikel
18e Zvw), in artikel XI op twaalf weken gesteld. Voor bezwaarschriften
die daarna bij het CVZ binnenkomen - wanneer de structurele situatie zal
zijn ingetreden en de overgangsgevallen zullen zijn verwerkt - zullen de
alsdan in artikel 7:10 Awb
geregelde termijnen gelden. Omdat artikel XI
dan niet meer nodig is, regelt het tweede lid van dat artikel dat het met
ingang van het vierde jaar na inwerkingtreding van deze wet
vervalt.
Ook de Wet
structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering, die op 1 september 2009 in
werking trad, bevat een bepaling als voorliggend artikel XI (zie artikel
X van die wet). Indien met voorliggend artikel niet van laatstgenoemd artikel
zou worden afgeweken, zouden ook bezwaarschriften tegen ter uitvoering van
het nieuwe artikel 18e Zvw op grond van de
artikelen 18f of
18g Zvw genomen beschikkingen twee jaar na inwerkingtreding van de
Wet structurele
maatregelen wanbetalers zorgverzekering, dat wil zeggen na 1
september 2011, weer binnen zes weken behandeld moeten worden. Het is
echter de bedoeling dat bezwaarschriften tegen beschikkingen als
bedoeld in artikel 18f of 18g
Zvw
voor zover deze de uitvoering van
artikel 18e Zvw betreffen, pas drie jaar na de inwerkingtreding
van artikel 18e Zvw binnen zes weken genomen hoeven te
worden.¹ Om die reden
wordt in de aanhef van artikel XI, eerste lid, niet alleen van artikel 7:10
Awb, maar ook van
artikel X van de Wet
structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering afgeweken.
1. Aangezien artikel 18e
Zvw tegelijk met de artikelen 9a tot en met 9d
Zvw in werking zal
treden, duurt het
ongeveer een jaar voordat het CVZ over kan gaan
tot de ambtshalve verzekering en derhalve de eerste
beschikkingen inzake de daaraan
gekoppelde bestuursrechtelijke premie kan uitbrengen.
Om die reden is, anders dan in de Wet
structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering, gekozen voor een
overgangstermijn van drie jaar, in plaats van twee jaar.
Artikel
XIII, eerste lid
In artikel XIII, eerste
lid, wordt geregeld dat het wetsvoorstel met ingang van een bij koninklijk
besluit te bepalen datum in werking treedt.
Daarnaast bevat dit
artikel de mogelijkheid om voor verschillende artikelen een verschillende datum
vast te stellen. Als het wetsvoorstel op 1 januari van enig jaar
in werking kan treden, is het namelijk de vraag of dat ook voor artikel IX
moet gelden. Verzekerden hebben op grond van artikel 7 Zvw
immers
altijd de mogelijkheid om met ingang van een kalenderjaar naar een andere
zorgverzekeraar (of naar een andere zorgverzekering bij dezelfde
zorgverzekeraar) over te stappen, en rond die datum zullen er daarom
waarschijnlijk fors meer mutaties in het RBVZ worden aangebracht dan enkele
maanden later. Dat maakt tevens de kans groter dat er rond die datum
(tijdelijk) dubbele inschrijvingen zijn, te weten van mensen die al door hun
nieuwe verzekeraar zijn ingeschreven, terwijl zij nog niet (met
terugwerkende kracht tot en met 1 januari) door hun oude verzekeraar zijn
uitgeschreven. Zou artikel IX met ingang van 1 januari van een kalenderjaar in
werking treden, dan brengt dat derhalve de kans met zich dat de nieuwe
verzekering direct weer komt te vervallen, terwijl de oude, die achteraf
gezien rechtsgeldig blijkt te zijn opgezegd, ook niet meer bestaat. Het
resultaat zou zijn dat mensen onverzekerd zouden rblz.|45|
worden. Om dit te kunnen
voorkomen, is in het wetsvoorstel de mogelijkheid op genomen om artikel IX
enige tijd na 1 januari - op een moment waarop de verzekeraars
alle per 1 januari optredende mutaties hebben verwerkt - van een
kalenderjaar in werking te kunnen laten treden.
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
A. Klink
|
|