|
rblz.|1|
Kamerstukken
II 2009-2010, 32 131
Wijziging
van een aantal wetten ter
uniformering van het loonbegrip (Wet uniformering loonbegrip)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Uniformering loonbegrip |
| 2.1 |
Afschaffen
werknemersdeel AWf-premie |
| 2.2 |
Toepassing
omkeerregel voor inleg en opname van levenslooptegoed |
| 2.3 |
Bijtelling privégebruik
auto ook premieloon werknemersverzekeringen |
| 2.4 |
Vervangen
werkgeversvergoeding inkomensafhankelijke bijdrage Zvw door een
werkgeversheffing |
| 2.5 |
Twee discoördinatiepunten
die niet hoeven te worden opgeheven |
| 2.6 |
Afschaffen
franchise in AWf-premie werkgeversdeel |
| 3 |
Heffing van
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw |
| 3.1 |
Het huidige
systeem van de inkomensafhankelijke bijdrage |
| 3.2 |
Het voorgestelde
systeem van de inkomensafhankelijke bijdrage |
| 3.3 |
Samenloopsituaties.
Teruggaven bij meer inkomstenverhoudingen |
| 3.4 |
Aanvullend pakket |
| 4 |
Inwerkingtreding |
| 5 |
Overgangsrecht
opheffen discoördinatiepunten |
| 6 |
Inkomenseffecten |
| 7 |
Loonkosten
bedrijven en instellingen |
| 8 |
EU-aspecten |
| 9 |
Budgettaire
aspecten |
| 10 |
Uitvoeringskosten
belastingdienst |
| 11 |
Gevolgen
voor bedrijfsleven en burger (administratieve lasten) |
| 12 |
Toetsen |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen |
rblz.|2|
Algemeen
1.
Inleiding
Via
de loonheffingen worden door de
werkgevers loonbelasting, premie volksverzekeringen, premies
werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage voor de
Zorgverzekeringswet (Zvw) afgedragen. In totaal levert dit €|115
miljard op, bijna de helft van het totaal aan inkomsten van het Rijk.
Deze loonheffingen worden door werkgevers als ingewikkeld en bewerkelijk
ervaren. Gebrek aan transparantie, gedetailleerde regelgeving en
ogenschijnlijk onnodige verschillen tussen deze heffingen leiden tot
irritaties en een ervaren lastendruk die zwaarder weegt dan een
kwantitatieve benadering van de absolute omvang van administratieve
lastendruk doet vermoeden. Oplossingen liggen naar de mening van het
kabinet in minder regels, minder details, minder verschillen. Dit leidt
tot minder administratieve handelingen van de werkgevers voor hun
loonadministratie en tevens tot lagere uitvoeringslasten voor de belastingdienst.
Met
deze wet wordt een
uniform loonbegrip ingevoerd voor de heffing van loonbelasting/premie
volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw. De onderdelen van de diverse
loonbegrippen die momenteel niet uniform zijn, de zogenaamde discoördinatiepunten,
worden opgeheven. Hiermee wordt op korte termijn een administratieve
lastenwinst bereikt binnen de contouren van het bestaande stelsel,
waarin de loonheffing (van de burgers) en premieheffing (van de
werkgevers) afzonderlijk blijven bestaan, maar waarin de grondslag voor
de heffingen wordt geüniformeerd. Niet alleen de werkgever is daarbij
gebaat. Ook de uitvoering van de loonaangifteketen door de belastingdienst
en het UWV [Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, red.] wordt efficiënter en robuuster als details
en verschillen tussen loon- en premieheffing worden beperkt. Voor de
werknemer wordt het loonstrookje eenvoudiger doordat deze korter en
duidelijker wordt, de verschillende tussenberekeningen tussen bruto- en
nettoloon vervallen en de correcties bij meerdere dienstbetrekkingen
komen te vervallen. Uniformering van de verschillende loonbegrippen
(loon voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen, loon voor de
premies werknemersverzekeringen en loon voor de inkomensafhankelijke
bijdrage Zvw) tot één loonbegrip vergt aanvullende
maatregelen om financiële effecten voor bedrijven, burgers en overheid
te voorkomen. Deze wet, die een uniform loonbegrip regelt, is een
noodzakelijke stap op weg naar verdere substantiële vereenvoudigingen.
Gezien het ingrijpende karakter van de wijziging heeft het kabinet
besloten de vereiste wetswijziging ruim vóór de beoogde invoeringsdatum
(2011 of 2012, zie verderop) in te dienen, zodat bedrijven en belastingdienst
ruim de tijd hebben voor implementatie. Nadat deze stap
van uniformering is gezet, is het mogelijk de heffing van premies nog
verder te vereenvoudigen via bijvoorbeeld een loonsomheffing. Dit
laatste vergt nadere afweging en wetgeving.
Deze wet draagt bij aan het
realiseren van de nieuwe tranche van reductie van administratieve lasten
die is aangegeven in het Coalitieakkoord. Het geeft een uitwerking van
de Verkenning vereenvoudiging premieheffing die aan de Tweede Kamer is
aangeboden, vergezeld van een kabinetsreactie (Kamerstukken II 2007-2008,
31 236, nr. 1). Deze verkenning is
geschreven naar aanleiding van de motie-Verhagen/Rutte tijdens de
Algemene Politieke Beschouwingen 2006, waarin de regering onder meer werd
uitgenodigd om met maatregelen te komen om de premieheffing voor
werkgevers verder te vereenvoudigen (Kamerstukken II 2006-2007, 30 800,
nr. 13). Het kabinet heeft bij brief van 3
juli 2008 aangegeven dat voor een verdergaande vereenvoudiging van de
loon- en premieheffing in de eerste plaats van belang is de huidige
verschillen tussen de loonbegrippen rblz.|3|
(discoördinatiepunten) weg te nemen (Kamerstukken
II 2007-2008, 31 236, nr. 1). De Tweede Kamer heeft bij de behandeling van het
Belastingplan
2009 via de motie van de leden Omtzigt, Cramer en Tang uitgesproken dat
het verschil in loonbegrip één van de grootste veroorzakers is van
administratieve lastendruk en een begrijpelijk loonstrookje in de weg
staat en tevens gevraagd naar de mogelijkheden de diverse loonbegrippen
nog deze kabinetsperiode te harmoniseren (Kamerstukken II 2006-2007, 30
800, nr. 13).
Onderstaand treft u in tabel
1 een schematisch overzicht van het loonstrookje en de
salarisadministratie aan zoals die momenteel geldt en na invoering van deze wet.
Tabel
1. Schematisch overzicht vereenvoudiging loonstrookje/loonadministratie
(cijfers 2009):
|
2009
|
2011/2012
|
|
A
|
Brutoloon
|
2000
|
A
|
Brutoloon
|
2000
|
|
B
|
-/- levensloop
|
200
|
B
|
-/- levensloop
|
200
|
|
C
|
+ auto van de zaak
|
500
|
C
|
+ auto van de zaak
|
500
|
|
D
|
-/- AWf-premie (2009
= 0,0%)
|
0
|
D
|
Uniform loon (= A
– B + C)
|
2300
|
|
E
|
Loon voor Zvw
bijdrage (= A – B + C – D)
|
2300
|
|
|
|
|
F
|
Zvw vergoeding van
werkgevers (6,9% * E)
|
159
|
|
|
|
|
G
|
Loon voor de
loonheffing (= E + F)
|
2459
|
|
|
|
|
H
|
Loon voor de Zvw (=
E)
|
2300
|
|
|
|
|
I
|
Loon voor de
werknemersverzekering (= A)
|
2000
|
|
|
|
|
Inhoudingen/bijtellingen
op loonstrookje
|
Inhoudingen/bijtellingen
op loonstrookje
|
|
J
|
Zvw-vergoeding (6,9%
* E)
|
159
|
E
|
Loonheffing ¹ (o.b.v.
D)
|
613 ²
|
|
K
|
Zvw-bijdrage (6,9% *
E)
|
159
|
|
|
|
|
L
|
Loonheffing ³ (o.b.v.
G)
|
613
|
|
|
|
|
M
|
AWf-premie (2009 =
0,0% * A)
|
0
|
|
|
|
|
N
|
Netto loon 4
(= A + J – K – L – M)
|
1387
|
F
|
Netto loon 4
(= A – E)
|
1387
|
|
Af te dragen buiten
loonstrookje
|
Af te dragen buiten
loonstrookje
|
|
|
Premie WW (2*,
gemiddeld)
|
54
|
|
Premie WW (2*,
gemiddeld)
|
54
|
|
|
Premie WAO (3*,
gemiddeld)
|
126
|
|
Premie WAO (3*,
gemiddeld)
|
126
|
|
|
Eindheffingen
|
Divers
|
|
Eindheffingen
|
Divers
|
|
|
|
|
|
Zvw-bijdrage
|
159
|
1. Loonheffing betreft de
loonbelasting en premie volksverzekeringen.
2. Door tariefaanpassingen (zie tabel 3) gelijk
verondersteld ondanks gedaalde grondslag.
3. Loonheffing betreft de loonbelasting en premie volksverzekeringen.
4. Inclusief inleg levensloop.
2.
Uniformering loonbegrip
Om te komen tot een uniform loonbegrip
dienen de discoördinatiepunten tussen de diverse loonbegrippen
afgeschaft te worden. Het gaat daarbij om:
• het werknemersdeel in de AWf-premie [AWf: Algemeen
Werkloosheidsfonds, red.];
• de inleg en opname van
levenslooptegoed;
• de bijtelling privégebruik auto; en
• de vergoeding die
werkgevers betalen voor de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zvw.
Tevens wordt voorgesteld de
franchise voor de berekening van de door de werkgever verschuldigde AWf-premie af te schaffen, waardoor de premies voor alle
werknemersverzekeringen over dezelfde grondslag worden geheven.
rblz.|4|
2.1. Afschaffen
werknemersdeel AWf-premie
Een werknemersdeel in de
premies werknemersverzekeringen is aftrekbaar voor de
loonbelasting/premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke
bijdrage Zvw, maar niet voor de premies werknemersverzekeringen.
Voorgesteld wordt dit discoördinatiepunt op te heffen door het
werknemersdeel af te schaffen. De premies werknemersverzekeringen zijn
op één uitzondering na al door werkgevers verschuldigd, waarbij de ene
uitzondering - het werknemersdeel in de AWf-premie -
feitelijk geen
effect meer heeft omdat het met ingang van 1 januari 2009 al op nihil is
gesteld. Het afschaffen van het werknemersdeel van de AWf-premie is een
logische vervolgstap; de wijziging past in het totaal van de
vereenvoudiging van de premieheffing en financieringswijze van de Werkloosheidswet
[WW, red.]. De wijziging leidt niet tot aanpassingen in de
overlegstructuur met sociale partners, in de uitkeringsvoorwaarden of de
uitvoering van de WW. Tevens kan hiermee voor de belastingdienst
en
werkgevers een moeizaam traject van teruggaven van premies
werknemersverzekeringen worden afgeschaft. Teruggaven vinden nu plaats
indien bij werknemers met meerdere dienstbetrekkingen in een
kalenderjaar meer premie was betaald dan met het maximumpremieloon in
overeenstemming is. De teruggaven kunnen worden afgeschaft omdat die
voor werkgevers (anders dan voor de individuele werknemer) het karakter
hebben van bewerkelijke toevalstreffers. De werkgevers worden in het
lastenbeeld macro gecompenseerd voor de af te schaffen teruggaven.
2.2. Toepassing
omkeerregel voor inleg en opname van levenslooptegoed
De inleg voor de
levensloopregeling is aftrekbaar voor de loonbelasting/premie
volksverzekeringen en voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw,
maar
niet voor de premies werknemersverzekeringen. Een werkgeversbijdrage in
de levensloopregeling behoort juist niet tot het loon voor de
loonbelasting/premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke
bijdrage Zvw, maar wel voor de premies werknemersverzekeringen. Daar
staat tegenover dat de opname uit het levenslooptegoed wel aan de
loonbelasting/premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke
bijdrage Zvw is onderworpen. Dat wordt ook wel de omkeerregel genoemd.
De omkeerregel geldt momenteel niet voor de premies
werknemersverzekeringen. Voorgesteld wordt dit discoördinatiepunt op te
heffen door de omkeerregel met betrekking tot de levensloopregeling ook
toe te passen voor de premies werknemersverzekeringen. Daarmee leidt de
inleg van de werknemer niet alleen tot verlaging van het loon voor de
loonbelasting/premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke
bijdrage Zvw, maar ook voor de premies werknemersverzekeringen. Een
werkgeversbijdrage in de levensloopregeling behoort dan niet tot het
loon voor alle loonheffingen. De opname van het tegoed vormt daarentegen
wel loon voor alle loonheffingen.
Dit sluit aan bij de
systematiek die geldt voor pensioenaanspraken. De premie voor een
pensioen leidt ook tot verlaging van het loon voor de
werknemersverzekeringen. Anders dan bij pensioenen, behoudt de werknemer
tijdens de opname van zijn levensloopverlof aanspraken op de
werknemersverzekeringen. Daartoe worden premies werknemersverzekeringen
geheven over de opname. De verlaging van de grondslag bij de inleg heeft
wel - zij het beperkt tot de omvang van de inleg in enig jaar
(gemiddeld op jaarbasis circa €|4500,-) -
gevolgen voor de
uitkeringsgrondslag van werknemers met een inkomen beneden het maximumpremieloon. Een werknemer heeft de keuzevrijheid om deel te nemen aan de
levensloopverlofregeling en kan daarbij de verlaging van het dagloon
voor een eventuele uitkering uit een werknemersverzekering in zijn keuze
betrekken.
rblz.|5|
Door toepassing van de
omkeerregel voor de heffing van premies werknemersverzekeringen kan een
vorm van dubbele heffing ontstaan. Dat is het geval bij uitkeringen uit
een "oud" saldo voor zover het een werknemer betreft waarvan het loon
bij inleg niet boven de maximumpremiegrens uitkwam. Over de inleg werd
op dat moment volgens geldend recht premie geheven en bij opname van dat
saldo na inwerkingtreding van deze wet
wordt eveneens premie geheven.
Werkgevers worden voor de mogelijk dubbele heffing in het lastenbeeld
gecompenseerd. Bij wijziging van dienstbetrekking door de werknemer met
medeneming van het levensloopsaldo wordt wel premie geheven bij inleg en
bij opname, maar vindt de heffing achtereenvolgens plaats bij de oude
werkgever en bij de nieuwe werkgever: één werkgever wordt niet twee
keer met premieheffing geconfronteerd. De hiervoor genoemde mogelijke
dubbele heffing zou kunnen worden voorkomen door het saldo in de
levensloopregeling te splitsen in een "oud"
deel en een "nieuw" deel,
waarbij de omkeerregel alleen voor het "nieuwe" deel zou gelden.
Daarbij zou inleg voor werknemers met een loon boven de
maximumpremiegrens onder het "nieuwe" deel gebracht moeten worden om
te voorkomen dat in het geheel geen heffing plaatsvindt. Voor deze
mogelijkheid is niet gekozen omdat dan een discoördinatiepunt zou
blijven bestaan met extra administratieve lasten voor de werkgevers die
ermee te maken krijgen. Vanwege de hieraan verbonden complicaties en
gelet op de beperkte kans op dubbele heffing en de spreiding daarvan
over de werkgevers is gekozen voor een algemene compensatie in het
lastenbeeld.
2.3. Bijtelling privégebruik
auto ook premieloon werknemersverzekeringen
De bijtelling
privégebruik
auto vormt loon voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw, maar niet voor de premies
werknemersverzekeringen. Voorgesteld wordt dit discoördinatiepunt op te
heffen door de bijtelling privégebruik auto behalve als loon voor de
loonbelasting/premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke
bijdrage Zvw ook als loon voor de premies werknemersverzekeringen aan te
merken. Dit sluit aan bij de behandeling van ander loon in natura dat
ook tot de grondslag voor de premies werknemersverzekeringen behoort.
Het telt daardoor ook mee voor de vaststelling van een eventuele
uitkering op grond van de werknemersverzekeringen (het dagloon op basis
het laatstverdiende loon, en de uitkering als percentage van het
dagloon, het inkomen dat wordt verdiend tijdens uitkering en verrekend
met lopende uitkering) en de mate van arbeidsongeschiktheid (hoogte
maatmaninkomen).
De werkgever kan inhouding
over het voordeel privégebruik auto van loonbelasting/premie
volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw achterwege laten
als de werknemer over een verklaring geen privégebruik beschikt. Dan
is er geen sprake van loon, ook niet voor de premies
werknemersverzekeringen. Met de voornoemde verklaring is de werkgever
gevrijwaard van naheffingen als de verklaring geen privégebruik wordt
ingetrokken of de werknemer niet doet blijken dat de auto op
kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden
is gebruikt. De belastingdienst zal thans in dat geval bij de werknemer
de verschuldigde loonbelasting/premie volksverzekeringen en
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw naheffen. Dat zal ook gaan gelden voor
de premies werknemersverzekeringen. De naheffingsaanslag kan ook in
zoverre aan de werknemer worden opgelegd omdat het aan de verklaring van
de werknemer is te wijten dat te weinig premies zijn geheven.
rblz.|6|
2.4. Vervangen
werkgeversvergoeding inkomensafhankelijke bijdrage Zvw
door een
werkgeversheffing
De verplichte
werkgeversvergoeding voor de op het loon van de werknemer in te houden
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw behoort tot het loon voor de
loonbelasting/premie volksverzekeringen, maar niet tot het loon voor de
premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage
zelf. Voorgesteld wordt dit discoördinatiepunt op te heffen door de
vergoeding die de werkgever moet betalen af te schaffen en te vervangen
door een heffing ten gunste van het Zorgverzekeringsfonds; de werknemer
is over dit loon, anders dan thans, geen inkomensafhankelijke bijdrage Zvw
meer verschuldigd. Wat de werkgever thans aan vergoeding betaalt,
gaat hij volgens de hier voorliggende wet aan het Zorgverzekeringsfonds
betalen (de werkgeversheffing). Eén en ander gaat dan geheel buiten de
werknemer en diens loonstrook om. De wijze waarop de
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw volgens deze wet
wordt geheven, wordt
hierna in hoofdstuk 3 toegelicht.
2.5. Twee discoördinatiepunten
die niet hoeven te worden opgeheven
Er zijn twee discoördinatiepunten
die niet hoeven te worden weggenomen omdat ze niet storen. Het loon uit
vroegere dienstbetrekking behoort in beginsel niet tot het loon voor de
premies werknemersverzekeringen, maar wel tot het loon voor de
loonbelasting/premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke
bijdrage Zvw. Dit verschil vloeit voort uit het verschil in de kring van
personen die onder de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw vallen en de kring van personen die
onder de werknemersverzekeringen vallen. Zo vallen gepensioneerden wel
onder de loonbelasting, maar niet onder de werknemersverzekeringen. Dat
onderscheid zal blijven bestaan.
Het loon dat onder de
eindheffing valt, behoort niet tot de grondslag voor de premies
werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw
(afgezien van loon in verband waarmee een naheffingsaanslag is
opgelegd). Eindheffingsbestanddelen worden niet steeds per werknemer
geadministreerd, waardoor niet kan worden getoetst of het loon al dan
niet hoger is dan het maximum waarover premies werknemersverzekeringen
en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw verschuldigd zijn. De eenvoud is
met dit discoördinatiepunt gediend.
2.6. Afschaffen
franchise in AWf-premie werkgeversdeel
Met de maatregelen in
deze wet worden de loonbegrippen voor de belastingen, premies en Zvw
geharmoniseerd. Door de verhoging van de heffingsgrens bij de
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (zie hierna in paragraaf
3.2) zijn
deze grenzen voor alle zes resterende loonheffingen die de werkgever
moet betalen gelijk.¹ Om de totale grondslag voor alle premies/bijdragen
geheel gelijk te maken waardoor de premies werknemersverzekeringen en de
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw over exact hetzelfde inkomenstraject
worden geheven, dient de franchise in de AWf te vervallen. Hierdoor kan
de AWf-premie voor werkgevers met circa 2,5 procentpunt worden verlaagd
van 4,15% naar 1,65% (cijfers 2009). De franchise in het werknemersdeel,
in 1998 ingevoerd als koopkrachtmaatregel, had materieel geen betekenis
meer toen in 2009 de AWf-premie voor werknemers verlaagd is naar 0,0%.
In deze wet wordt als finale stap het werknemersdeel van de AWf-premie
geheel afgeschaft. Het huidige pakket aan maatregelen geeft de
mogelijkheid om de overgebleven franchise voor het werkgeversdeel, in
1996 ingevoerd als loonkostenmaatregel, af te schaffen. Door de
verhoging van de grens bij de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw met
gelijktijdige verlaging van het tarief zal de rblz.|7|
bijdrage voor laagbetaalde werknemers dalen. Dit biedt compensatie voor het negatieve
effect op de loonkosten van laagbetaalden door afschaffing van de
franchise. Dit wordt nader toegelicht in hoofdstuk 7 van deze memorie.
1.
Deze zes door de werkgever verschuldigde
loonheffingen zijn de
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw,
AWf-premie, premie sectorfonds WW
(bij overheidswerknemers geldt overigens
een Ufo-premie [Ufo: Uitvoeringsfonds
voor de overheid, red.] in plaats
van AWf- en sectorfondspremie),
basispremie WAO/WIA,
uniforme premie WAO en de
gedifferentieerde premie WGA [werkhervatting
gedeeltelijk arbeidsgeschikten, als
bedoeld in hoofdstuk
7 van de Wet
WIA, red.].
3. Heffing van
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw
Hierna wordt in het kort
eerst het huidige systeem van heffing van inkomensafhankelijke bijdrage Zvw
beschreven en daarna de wijziging die met deze wet
tot stand wordt
gebracht.
3.1. Het huidige
systeem van de inkomensafhankelijke bijdrage
De financiering van de
zorgverzekering vindt plaats via nominale premies en
inkomensafhankelijke bijdragen. Alle verzekerden van 18 jaar of
ouder zijn voor hun zorgverzekering een door de zorgverzekeraar
vastgestelde nominale premie verschuldigd die niet afhankelijk is van
het inkomen van de verzekerde. De overheid betaalt de premie voor
verzekerden tot 18 jaar via een rijksbijdrage. Daarnaast kent de
Zvw als financieringsbron een bij de
verzekeringsplichtige geheven inkomensafhankelijke bijdrage die in
totaal 50% van de totale macropremielast dekt. De inkomensafhankelijke
bijdragen worden aangewend om een goed werkend systeem van
risicoverevening in stand te houden.
De inkomensafhankelijke
bijdrage wordt geheven over loon uit dienstbetrekking (waaronder sociale
uitkeringen en pensioenen), winst uit onderneming, resultaat uit overige
werkzaamheden (behoudens de zogenoemde terbeschikkingstellingsregeling)
en periodieke uitkeringen en verstrekkingen. Het maximum waarover de
inkomensafhankelijke bijdrage is verschuldigd (2009 = €|32
369,-), is
ontleend aan dat van de toenmalige Ziekenfondswet. Er gelden in
hoofdzaak twee tarieven, een hoog tarief (thans 6,9%) met een verplichte
vergoeding ter zake van de inhouding (bijvoorbeeld bij werknemers) en
een laag tarief (thans 4,8%) zonder recht op vergoeding. Over de
vergoeding die de werkgever betaalt, is de werknemer loonbelasting/premie
volksverzekeringen verschuldigd. De vergoeding vormt echter geen loon
voor de premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke
bijdrage voor de Zvw
zelf. Deze systematiek geldt onder andere ook bij
degenen die een uitkering op grond van de werknemersverzekeringen
ontvangen. Doordat de werkgeversvergoeding belast is, telt deze ook mee
voor het toetsingsinkomen bij de inkomensafhankelijke regelingen.
Anderen dan werknemers, in
het bijzonder zelfstandige ondernemers en mensen met een aanvullend
pensioen, zijn tot het maximumbijdrage-inkomen de lage
inkomensafhankelijke bijdrage van 4,8% zelf verschuldigd. Zelfstandigen
betalen de inkomensafhankelijke bijdrage op aanslag.
Over de
AOW-pensioenen [AOW: Algemene Ouderdomswet, red.]
is de
hoge inkomensafhankelijke bijdrage van 6,9% verschuldigd, waarmee (via
de netto-nettokoppeling) rekening is gehouden bij de vaststelling van de
AOW-pensioenen, zodat daarvoor geen afzonderlijke vergoeding wordt
gegeven.
Bij de inkomensafhankelijke
bijdrage speelt een teruggaafproblematiek. Als er bijvoorbeeld sprake is
van meerdere dienstbetrekkingen, zal de werkgever (of uitkerende
instantie) geen rekening (kunnen) houden met het inkomen dat op andere
wijze wordt verkregen. Als hierdoor het maximum voor de
inkomensafhankelijke bijdrage wordt overschreden, geeft de belastingdienst
het meerdere terug. Bij degenen die geen vergoeding voor
de inkomensafhankelijke bijdrage ontvangen, vindt de teruggaaf rblz.|8|
door de belastingdienst rechtstreeks aan de verzekeringsplichtige plaats. Bij
werknemers vindt de teruggaaf naar evenredigheid aan de werkgevers
plaats, die dit vervolgens met hun werknemers moeten verrekenen. De
werkgever constateert enerzijds dat hij de teruggaaf moet doorbetalen en
anderzijds dat de vergoeding achteraf te hoog is geweest; het saldo van
deze verrekening is nihil, met dien verstande dat voor de werknemer
sprake is van negatief loon (een aftrekpost voor de belastingheffing).
Tegen dit teruggaafsysteem
bij werknemers bestaan diverse bezwaren:
- de teruggaven vinden
altijd pas na afloop van het kalenderjaar plaats, waardoor de werknemer
gemiddeld een jaar op teruggaaf van het te veel betaalde moeten wachten;
- het systeem is voor de belastingdienst en werkgevers zeer bewerkelijk;
- er is veel ruis in de
uitvoering doordat de aangeleverde jaarloongegevens niet altijd gelijk
juist en compleet zijn, waardoor verleende teruggaven herhaaldelijk
moeten worden aangepast;
- werknemers die niet meer
in dienst zijn, moeten vanwege de boeking van negatief loon weer in de
loonadministratie worden opgenomen en vervolgens weer uit die
loonadministratie afgevoerd;
- werknemers hebben er
moeite mee dat loongegevens uit een andere dienstbetrekking bij hun
werkgever via de teruggaafbeschikking bekend worden;
- het is moeilijk uit te
leggen waarom een gepensioneerde in de nettosfeer een teruggaaf van de belastingdienst
krijgt en de werknemer via negatief loon een
belastingvermindering krijgt.
Het teruggaafsysteem bij
personen met meerdere inkomensbronnen waarvoor verschillende tarieven
gelden, is gecompliceerd. Een veel voorkomend voorbeeld hiervan is een
gepensioneerde met een AOW-uitkering en aanvullend pensioen.
3.2. Het voorgestelde
systeem van de inkomensafhankelijke bijdrage
Wat de werkgever thans aan
vergoeding voor de op het loon in te houden inkomensafhankelijke
bijdrage betaalt aan de werknemer, gaat hij voortaan via de aangifte
loonheffingen ten titel van inkomensafhankelijke bijdrage aan het
Zorgverzekeringsfonds betalen. De werknemer heeft voor zijn loon niet
meer met een inkomensafhankelijke bijdrage te maken. Dat is de kern van
de nieuwe systematiek, die een aanmerkelijke vereenvoudiging oplevert. De
bij de invoering van de Zvw vastgelegde verdeling in de
zorgkosten verandert hierdoor (ook in de toekomst) niet. Een wijziging
op dit punt is met nadruk niet beoogd. Het systeem met twee tarieven
blijft dus bestaan. De bestanddelen van het inkomen van de
verzekeringsplichtige waarover de inkomensafhankelijke bijdrage is
verschuldigd (kort gezegd: loon, winst, resultaat en periodieke
uitkeringen en verstrekkingen), blijven dezelfde. Er blijven
verzekeringsplichtigen waarbij de inkomensafhankelijke bijdrage voor
rekening van een ander (veelal hun werkgever) komt en
verzekeringsplichtigen die de inkomensafhankelijke bijdrage zelf zijn
verschuldigd, deels via inhouding (in het bijzonder bij pensioen) en
deels op aanslag (in het bijzonder bij winst uit onderneming).
Voorgesteld wordt tevens het
maximumbijdrage-inkomen voor de inkomensafhankelijke bijdrage (€|32
369,-) te verhogen tot het maximumpremieloon werknemersverzekeringen (€|47
802,-). Door deze grondslagverbreding kunnen de percentages van 6,9 en
4,8 met 0,7 procentpunt worden verlaagd tot 6,2 en 4,1,¹ waardoor de
inkomenseffecten worden gedempt. Hiermee worden de grenzen voor de
heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringsfonds en de
premies werknemersverzekeringen geharmoniseerd. Het aantal teruggaven
neemt hierdoor rblz.|9|
belangrijk af, zoals hierna in paragraaf 3.3 wordt uiteengezet.
Door één en ander wordt de uitvoering nog verder verbeterd. Voor het
effect op de loonkosten bij bedrijven wordt verwezen naar hoofdstuk
7
van deze memorie.
1. Gegevens voor het jaar
2009.
De door een werkgever
verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage
Voor de door een werkgever
verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage is alleen het loon van zijn
werknemer van belang. De voorgestelde wettelijke bepalingen zijn erop
gericht dat waar de werkgever nu een vergoeding betaalt, hij voortaan een
heffing betaalt, zonder dat die heffing hoger of lager is dan hetgeen de
werkgever bij de huidige systematiek aan vergoeding zou moeten betalen.
De door de
inhoudingsplichtige verschuldigde werkgeversheffing wordt, anders dan de
vergoeding die hij onder het huidige systeem betaalt, niet aangemerkt
als loon van de werknemer waarover loonbelasting/premie
volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw zijn verschuldigd.
De door een
verzekeringsplichtige verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage Zvw
Het verschil voor de
verzekeringsplichtige ten opzichte van de huidige situatie is dat loon
waarover de werkgever inkomensafhankelijke bijdrage is verschuldigd niet
tot de grondslag behoort waarover de verzekeringsplichtige
inkomensafhankelijke bijdrage is verschuldigd. De grondslag waarover bij
de verzekeringsplichtige inkomensafhankelijke bijdrage is verschuldigd,
bestaat dus uit ander loon dan loon waarover zijn werkgever een
inkomensafhankelijke bijdrage is verschuldigd (in het bijzonder
pensioen), winst uit onderneming, resultaat uit overige werkzaamheden
(anders dan volgens de terbeschikkingstellingsregelingen) en periodieke
uitkeringen en verstrekkingen. De heffing van de inkomensafhankelijke
bijdrage van de verzekeringsplichtige vindt, net als nu, deels plaats
bij wijze van inhouding en deels bij wege van aanslag. Inhouding volgens
de systematiek van de loonbelasting vindt plaats over het loon (in het
bijzonder pensioen) waarover de werkgever geen inkomensafhankelijke
bijdrage is verschuldigd. In zoverre hoeven geen aanslagen
inkomensafhankelijke bijdrage te worden opgelegd. Aanslagen worden wel
opgelegd aan mensen met ander inkomen, waaronder het loon dat niet van
een inhoudingsplichtige afkomstig is. Daarvoor wordt via de systematiek
voor de inkomstenbelasting een aanslag Zvw
opgelegd. De
systemen van inhouding en aanslag zijn strikt gescheiden, maar zonder
dat uiteindelijk in totaal meer aan inkomensafhankelijke bijdrage wordt
geheven dan met het maximumbijdrage-inkomen in overeenstemming is. Op
situaties met verschillende inkomensbronnen wordt hierna ingegaan. De
door de verzekeringsplichtige verschuldigde inkomensafhankelijke
bijdrage is, net als bijvoorbeeld de van hem geheven loon- en
inkomstenbelasting, niet aftrekbaar van het loon dan wel het inkomen.
Verlaging van het tarief
over AOW-uitkeringen. Bijdrage van het Ouderdomsfonds
Zoals hiervoor is opgemerkt,
blijft het systeem met twee tarieven bestaan. Daarbij wordt wel
voorgesteld het tarief van de inkomensafhankelijke bijdrage voor AOW-ers, met het oog op de teruggaafproblematiek, te verlagen naar
eenzelfde tarief als voor het aanvullend pensioen. Hiermee wordt via de
netto-nettokoppeling rekening gehouden bij de vaststelling van de
AOW-uitkeringen. Dit is een aanmerkelijke vereenvoudiging. De derving
die daardoor voor het Zorgverzekeringsfonds zou ontstaan, wordt
opgevangen door een directe bijdrage vanuit het Ouderdomsfonds aan het
Zorgverzekeringsfonds. Dit maakt geen verschil voor de financiële
positie van deze fondsen. Alleen de geldstromen lopen anders.
rblz.|10|
3.3. Samenloopsituaties.
Teruggaven bij meer inkomstenverhoudingen
Bij de voorgestelde
opheffing van het discoördinatiepunt kunnen de teruggaven bij meerdere
dienstbetrekkingen vervallen (ongeveer 445 000 teruggaven minder).
Werknemers hebben wat hun loon betreft immers niet meer met de
inkomensafhankelijke bijdrage te maken. Voor teruggaaf aan werkgevers is
geen goede reden. Het behoort voor de loonkosten van een werkgever geen
verschil te maken of een werknemer nog een andere dienstbetrekking
heeft. Het voor werkgevers lastenverhogende effect van de teruggaven kan
neutraal in het macrolastenbeeld worden verwerkt.
De teruggaven aan
gepensioneerden kunnen niet worden afgeschaft. Het is niet redelijk om
mensen met meerdere pensioenen meer aan inkomensafhankelijke bijdrage te
laten betalen dan mensen met hetzelfde totale pensioen uit één
pensioenregeling. Deze teruggaven kunnen rechtstreeks aan de betrokkene
via de belastingdienst plaatsvinden. Dat is dezelfde systematiek als nu,
maar er hoeven veel minder teruggaven te worden verleend omdat het
maximumbijdrage-inkomen wordt verhoogd. Van de ongeveer 494 000
teruggaven aan ouderen vallen er naar schatting ongeveer 300 000 af.
Doordat steeds hetzelfde (lage) tarief van toepassing is, wordt het
verlenen (en uitleggen) van de teruggaven bovendien veel eenvoudiger.
Andere samenloopsituaties
Het is mogelijk dat iemand
zowel loon als winst geniet. In de huidige systematiek wordt voor de
inkomensafhankelijke bijdrage eerst naar het loon gekeken. Is het loon
hoger dan het maximumbijdrage-inkomen, dan is over de winst geen
inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd. Is het loon lager dan het
maximumbijdrage-inkomen, dan is over de winst op aanslag
inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd (totdat winst en loon samen
het maximumbijdrage-inkomen hebben bereikt). Hetzelfde geldt bij de
combinaties loon/resultaat, pensioen/winst en pensioen/resultaat. Deze
systematiek zal blijven bestaan. In een voorbeeld als over het loon tot
het maximum inkomensafhankelijke bijdrage is betaald, wordt ter zake van
de winst of het resultaat geen aanslag opgelegd. Over het loon is het
maximum immers al betaald door de werkgever. Zoals hiervoor al is
opgemerkt, veranderen de bestanddelen van het inkomen waarover de
inkomensafhankelijke bijdrage is verschuldigd (kort gezegd: loon, winst,
resultaat en periodieke uitkeringen en verstrekkingen van de
verzekeringsplichtige) niet. Deze grondslag wordt alleen gesplitst in
een deel waarover de werkgever de inkomensafhankelijke bijdrage is
verschuldigd en een deel waarover de verzekeringsplichtige de
inkomensafhankelijke bijdrage is verschuldigd, zonder dat er een
cumulatie optreedt. In de wet wordt eerst de grondslag voor de door de
werkgever verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage genoemd (de
werkgever heeft alleen met loon te maken) en daarna de grondslag voor de
door de verzekeringsplichtige verschuldigde inkomensafhankelijke
bijdrage (het totaal van loon, winst, resultaat en periodieke
uitkeringen en verstrekkingen verminderd met het loon waarover de
werkgever al inkomensafhankelijke bijdrage heeft betaald). Indirect zal
de door de werkgever verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage
financieel voor de werknemer van belang zijn omdat deze een rol speelt
bij de bepaling van de loonruimte. Ook in zoverre is het redelijk dat in
samenloopsituaties teruggaaf plaatsvindt, ook al heeft de werknemer zelf
minder betaald dan met het maximumbijdrage-inkomen in overeenstemming
is.
Ook bij de combinatie van
loon en pensioen kan teruggaaf plaatsvinden. De bij het pensioen
ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage wordt terugbetaald als het
maximumbijdrage-inkomen al met het loon is bereikt. Is het loon lager
dan het maximumbijdrage-inkomen, dan vindt rblz.|11|
alleen maar een
gedeeltelijke teruggaaf plaats van de op het pensioen ingehouden
inkomensafhankelijke bijdrage. Blijven loon en pensioen samen onder het
maximumbijdrage-inkomen, dan vindt uiteraard geen teruggaaf plaats. Ten
opzichte van de huidige situatie wordt hier geen wijziging voorgesteld.
Naast de hiervoor genoemde motivering wordt opgemerkt dat een andere
benadering zou betekenen dat mensen met dergelijke samenloopposities
(loon en een andere bron van inkomen) er ten opzichte van de huidige
situatie 4,1% over maximaal €|47 802,- op achteruitgaan. Dit achten wij
ongewenst.
3.4. Aanvullend pakket
Bij de uniformering van de
loonbegrippen worden de vergoedingen die de werkgevers thans betalen
voor de op het loon van hun werknemers in te houden inkomensafhankelijke
bijdrage vervangen door een werkgeversheffing. Deze werkgeversheffing
behoort niet tot het loon (in tegenstelling tot de huidige
werkgeversvergoedingen). Hierdoor wordt de grondslag voor de loon- en
inkomstenbelasting versmald. Om de daardoor optredende derving van loon-
en inkomstenbelasting te voorkomen en te vermijden dat er bij werknemers
een onbedoeld en groot positief inkomenseffect ontstaat, is een pakket
aan maatregelen genomen. Deze treft u aan in tabel 2. Om te voorkomen
dat een groter beroep op inkomensafhankelijke regelingen zal worden
gedaan zonder dat er netto iets verandert voor de burger (de zogenaamde
verzamelinkomens dalen omdat er geen belaste werkgeversvergoedingen meer
zijn), zullen de desbetreffende inkomensgrenzen technisch worden
aangepast, voor zover dat al niet automatisch plaatsvindt. Voor enkele
inkomensafhankelijke regelingen zoals zorgtoeslag, kindgebonden budget,
WTOS [tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
schoolkosten, red.] en studiefinanciering wordt de technische aanpassing in
deze wet geregeld. Voor andere zoals de kinderopvangtoeslag en huurtoeslag
gebeurt dat later via (reguliere) lagere regelgeving.
Tabel
2. Overzicht (aanvullend) pakket (mutaties in % of €):
|
Tarief 1e schijf
|
+2,80%
|
|
Tarief 2e schijf
|
+0,25%
|
|
Algemene
heffingskorting
|
–35
|
|
Arbeidskorting; ¹
bedrag
|
–125
|
|
Arbeidskorting;
inkomensgrens
|
–534
|
|
Arbeidskorting;
afbouwpercentage
|
+2,75%
|
|
Arbeidskorting;
afbouwbedrag
|
+900
|
|
Arbeidskorting;
grens t.b.v. afbouw
|
–2600
|
|
Ouderenkorting
|
+200
|
|
Ouderenkorting vanaf
grens ouderenkorting
|
+150
|
|
Aanvullende
ouderenkorting
|
–60
|
|
AOW-tegemoetkoming
|
–75
|
|
Lengte 1e schijf
|
+700
|
|
Lengte 2e schijf
|
–1200
|
|
Start afbouw
kindgebonden budget
|
–2750
|
|
MKB-winstvrijstelling
|
+2,00%
|
|
Specifieke
tijdelijke korting VUT/prepensioen van 1% met maximum
|
182
|
|
Inkomensafhankelijke
bijdrage Zvw (hoog/laag)
|
–0,70%
|
|
Grens
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw
|
+15 335
|
|
Inkomensafhankelijke
bijdrage Zvw over AOW
|
–2,80%
|
|
Franchise AWf-premie
werkgevers
|
–16 443
|
|
AWf-premie
werkgevers
|
–2,5%
|
|
Zorgtoeslag
afbouwpercentage alleenstaand
|
+0,40%
|
|
Zorgtoeslag
normpercentage meerpersoonshuishouden
|
+0,40%
|
|
Zorgtoeslag
afbouwpercentage meerpersoonshuishouden
|
+0,40%
|
1. Vanaf 2011 de
"doorwerkbonus".
Het aanvullende pakket kan
overigens nog worden bijgesteld naar de laatste inzichten voorafgaand
aan de inwerkingtreding van het uniforme loonbegrip.
rblz.|12|
4. Inwerkingtreding
De wijzigingen in deze wet
zullen ingaan op
een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Hiertoe zal in het
voorjaar van 2010 een keuze worden gemaakt, mede afhankelijk van het
koopkrachtbeeld voor 2011, tussen invoering per 1 januari 2011 of 2012.
De keuze zal vóór 1 juli 2010 bekend worden gemaakt, zodat werkgevers,
softwareleveranciers, de belastingdienst, het UWV
en andere partijen nog
voldoende tijd hebben om zich goed op de wijzigingen voor te bereiden.
5. Overgangsrecht
opheffen discoördinatiepunten
De wijzigingen met
betrekking tot het loonbegrip zijn volgens deze wet
met onmiddellijke
werking van kracht. Het fiscale genietingstijdstip bepaalt welk
loonbegrip van toepassing is, dat van vóór of na de wetswijziging.
Loon dat op grond van de Wet
op de loonbelasting 1964 in het jaar van
wetswijziging (als voorbeeld wordt hierna 2011 genoemd) of later in
aanmerking moet worden genomen, valt onder het uniforme loonbegrip, ook
als dat loon - in het voorbeeld van inwerkingtreding met ingang van 1
januari 2011 - materieel deels vóór 1 januari 2011 is verdiend. Met
betrekking tot een bijtelling privégebruik auto in 2011 maakt het in
dit voorbeeld ook niet uit wanneer de auto voor het eerst aan de
werknemer ter beschikking is gesteld. Het gaat dan om in 2011 genoten
loon waarvoor de dan geldende regels moeten worden toegepast. Hiervoor
is al uiteengezet waarom met betrekking tot de levensloopregeling niet
in bijzonder overgangsrecht is voorzien.
Met betrekking tot de
uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen wordt evenmin
overgangsrecht voorgesteld. Als een werknemer voor een uitkering in
aanmerking komt, wordt deze gebaseerd op het dagloon in de
referteperiode. Daarbij wordt in beginsel aangesloten bij het premieloon
zoals dat op basis van de aangifte loonheffingen in de
polisadministratie is opgenomen. Er kan sprake zijn van een
overgangseffect, namelijk als - in het voorbeeld van invoering per 1
januari 2011 - de uitkering wordt berekend over in het jaar 2010 en in
het jaar 2011 verdiende loon. Door de wijzigingen in het premieloon met
ingang van 1 januari 2011 kan het premieloon van de werknemer hoger of
lager zijn dan anders het geval was geweest. Afhankelijk van het tijdvak
van twaalf maanden waarover het dagloon wordt berekend, kan dit
verschillend uitpakken, maar het sluit aan bij het feitelijke
premieloon. Vanaf het moment dat het dagloon alleen wordt berekend over
de jaren 2011 of later speelt dit niet meer. Hetzelfde geldt voor op
basis van oudere jaren vastgestelde daglonen. Die wijzigen niet door de
invoering van het uniforme loonbegrip. Eén en ander is van
overeenkomstige toepassing op de vaststelling van het maatmanloon.
Op één punt is wel een
overgangsregeling nodig. Het gaat dan om de teruggaven aan de werkgevers
met betrekking tot de jaren vóór de uniformering van het loonbegrip
boven het premiemaximum of maximumbijdrage-inkomen betaalde bedragen.
Het zou niet juist zijn als met betrekking tot deze jaren geen teruggaven
meer gedaan zouden worden. Door middel van een overgangsbepaling wordt
geregeld dat die teruggaven nog via het oude systeem plaatsvinden.
6. Inkomenseffecten
In grafiek 1 en tabel 3 zijn
de inkomenseffecten weergegeven van de uniformering van het loonbegrip
inclusief aanvullende pakket.¹ Ongeveer de helft van de huishoudens
(42%) merkt nagenoeg niets van de maatregel; zij hebben een
inkomenseffect tussen de -0,5% en +0,5%. Daarnaast is er een groep van
46% van alle huishoudens waar de inkomenseffecten rblz.|13|
liggen tussen 0,5%-1,5%
(28% gaat er tussen de +0,5% en 1,5% op vooruit en 18% gaat er tussen
de -0,5% en -1,5% op achteruit). In totaal zijn de inkomenseffecten
van 88% van de huishoudens beperkt tot maximaal 1,5% (positief en
negatief). De resterende 12% is redelijk gelijk verdeeld in huishoudens
met een inkomenseffect van 1,5% tot 3% en huishoudens met een
inkomenseffect van meer dan -1,5%. Hierbij valt overigens op dat de
positieve inkomenseffecten relatief vaker voorkomen bij lage- en
middeninkomens dan bij hoge inkomens. Ook is het zo dat 72% van de
huishoudens op minimumniveau inkomenseffecten hebben die liggen
tussen -0,5% en 0,5%.
1. Hierbij is gerekend op
basis van cijfers 2010.
Grafiek
1. Inkomenseffecten uniformering loonbegrip:

Tabel
3. Inkomenseffecten uniformering loonbegrip:
|
xxxxxxxxxxxxxxxxx
|
Minder dan
–3%
|
–3 tot
–1,5%
xxxxxx
|
–1,5 tot
–0,5%
xxxxxx
|
–0,5% tot 0,5%
xxxxxx
|
0,5 tot 1,5%
|
1,5% tot 3%
|
Meer dan 3%
|
Totaal
percen-
tage
|
Aantal
huis-
houdens
(x 1000)
|
|
Minimum
|
0%
|
1%
|
x7%
|
72%
|
18%
|
x2%
|
1%
|
100%
|
x444
|
|
Minimum - modaal
|
0%
|
1%
|
x7%
|
54%
|
31%
|
x5%
|
1%
|
100%
|
2161
|
|
1,0 tot 1,5 x modaal
|
0%
|
4%
|
11%
|
30%
|
38%
|
16%
|
1%
|
100%
|
1566
|
|
1,5 tot 2,0 x modaal
|
1%
|
7%
|
16%
|
43%
|
32%
|
x1%
|
0%
|
100%
|
1127
|
|
2,0 tot 3,0 x modaal
|
1%
|
9%
|
39%
|
24%
|
22%
|
x4%
|
0%
|
100%
|
1111
|
|
>3 x modaal
|
1%
|
9%
|
50%
|
38%
|
x2%
|
x0%
|
0%
|
100%
|
x623
|
|
Totaal
|
1%
|
5%
|
18%
|
42%
|
28%
|
x6%
|
0%
|
100%
|
7032
|
7. Loonkosten
bedrijven en instellingen
Zoals ook in de inleiding is aangegeven,
zullen de maatregelen in macrotermen lastenneutraal zijn voor burgers
en bedrijven en budgetneutraal voor de overheid. De loonkosten voor
individuele bedrijven kunnen op grond van deze wet
wijzigen door de
volgende oorzaken:
1. het afschaffen van de
franchise in de AWf-premie onder gelijktijdige verlaging van de premie
van 4,15% naar 1,65% (cijfers 2009).
2. het verhogen van het maximumbijdrage-inkomen voor de inkomensafhankelijke bijdrage
Zvw onder gelijktijdige verlaging van de premie van 6,9%
naar 6,2% (cijfers 2009).
rblz.|14|
3. het opheffen van de discoördinatiepunten
rond de bijtelling privégebruik auto en inleg levensloop inclusief
lastencompensatie.
De loonkostenmutaties als
gevolg van de eerste twee maatregelen zullen bij alle werkgevers
neerslaan. Ter zake van de derde maatregel zullen alle werkgevers de
generieke lastenverlichting genieten terwijl de lastenverzwaring van de
maatregel zelf afhankelijk is van de mate waarin bijtelling privégebruik
auto en inleg levensloop voorkomt bij werkgevers. In grafiek 2 zijn de
mutaties opgenomen van de loonkosten per werknemer van de eerste twee
maatregelen apart (AWf-franchise en Zvw) en het totaal. De
loonkosteneffecten per werknemer waarmee de werkgever geconfronteerd
wordt, lopen in een range van 0,8% hogere loonkosten tot 0,9% lagere
loonkosten. De totaal optredende loonkosteneffecten per werkgever
verschillen uiteraard, afhankelijk van de samenstelling van het
werknemersbestand, maar schommelen tussen beide genoemde waarden. Ter
indicatie is met behulp van geanonimiseerde cijfers uit de loonaangifte
2008 in tabel 4 af te lezen wat de procentuele loonkostenmutatie is,
afgezet tegen de grootte (naar loonsom) van het bedrijf.¹ Tevens is in
deze tabel per loonsomcategorie zichtbaar om hoeveel werkgevers het
gaat, wat de totale loonkosten zijn en wat de gemiddelde mutatie in
loonkosten is.
1. De effecten zijn
weergegeven voor werkgevers die zowel premies voor AWf, Zvw
als het sectorfonds WW betalen.
Grafiek
2. Loonkosteneffecten per werknemer (-/- = lagere loonkosten):
Tabel 4. Effect loonkosten
maatregelen AWf en Zvw voor werkgevers (-/-
= lagere loonkosten):
|
Loonkostenxx
|
Aantal bedrijven
|
Totale loonkosten
|
Gemiddelde mutatie
|
Verdeling
loonkosteneffecten
(elke rij telt op tot 100%)
|
|
|
|
in mln
|
in % van loonkosten
|
<–1% tot 0,5%
|
0,5% tot 0%
|
0% tot 0,5%
|
0,5% tot 1%
|
|
0 - 0,25 mln
|
213 360r
|
18 301x
|
–0,2%
|
21%
|
31%
|
34%
|
<13%
|
|
0,25 - 0,5 mln
|
39 384r
|
13 900x
|
–0,2%
|
19%
|
45%
|
34%
|
xx2%
|
|
0,5 - 1 mln
|
24 939r
|
17 420x
|
–0,1%
|
12%
|
53%
|
34%
|
xx2%
|
|
1 - 2 mln
|
13 756r
|
19 145x
|
–0,1%
|
x6%
|
54%
|
38%
|
xx1%
|
|
2 - 5 mln
|
8 460r
|
25 961x
|
–0,1%
|
x4%
|
53%
|
42%
|
xx1%
|
|
5 - 10 mln
|
2 800r
|
19 417x
|
–0,2%
|
x4%
|
50%
|
44%
|
xx1%
|
|
>10 mln
|
2 652r
|
125 166x
|
–0,6%
|
x8%
|
39%
|
52%
|
xx1%
|
|
Totaal
|
305 351r
|
239 310x
|
|
19%
|
37%
|
35%
|
x10%
|
rblz.|15
8. EU-aspecten
Dit wetsvoorstel bevat geen EU-aspecten.
9. Budgettaire
aspecten
In tabel 5 treft u de budgettaire effecten van de uniformering van het
loonbegrip.
Tabel 5. budgettaire effecten
uniformering loonbegrip:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Lasten
¹ |
Uitgaven |
EMU-relevantr² |
| 1. Afschaffen
belasting IAB |
-/-6,9 |
x |
-/-6,9 |
2. Grondslagverbreding/verlaging
tarief –0,7%/
verlaging tarief Zvw voor AOW
–2,1% |
x+0,3 |
x0,2 |
x+0,1 |
| 3. Compensatiepakket
lasten (incl. brutering) |
x+6,7 |
x |
x+6,7 |
| 4. Verlaging
AOW tegemoetkoming |
x |
–0,2 |
x+0,2 |
| 5. Totaal
kaderrelevant |
xx0,0 |
x0,0 |
xx0,0 |
1. -/- =
lastenverlichting voor burgers/bedrijven.
2. -/- = een negatieve belasting van het EMU-saldo.
Toelichting
1. Een deel van de vereenvoudiging wordt gerealiseerd
doordat er geen belasting meer betaald hoeft te worden over de IAB
[inkomensafhankelijke bijdrage, red.]. Dit
levert een lastenverlichting voor burgers op van €|6,9
miljard inclusief
doorwerking via de netto-nettokoppeling (bruteringseffecten).
2. Daarnaast wordt de premiegrondslag Zvw
gelijkgetrokken met die van
de premie werknemersverzekeringen Hierdoor kan het IAB tarief met 0,7
procentpunt omlaag. Daarnaast wordt het tarief voor AOW-ers
gelijkgesteld
met het tarief voor aanvullend pensioen en zelfstandigen (het "verlaagde
IAB tarief"). Ook dat levert een voordeel in de uitvoering op. Hierdoor
resulteert een lastenverzwaring van €|0,3 miljard en hogere uitgaven van €|0,2 miljard. Voor het overgrote deel betreft dit dezelfde post: namelijk
de hogere IAB-lasten voor overheidswerkgevers en de werkgevers in de
zorg.
3. Er is een omvangrijk aanvullend pakket samengesteld met als doel het
geheel EMU-saldo neutraal vorm te geven en de inkomenseffecten te
neutraliseren over de verschillende groepen. Per saldo leveren deze
maatregelen €|6,7 miljard op.
4. Binnen het totale compensatiepakket wordt ook de AOW-tegemoetkoming
verlaagd met €|75,-, dit levert €|0,2 miljard op.
5. Per saldo is dit pakket EMU-saldoneutraal.
De maatregelen bij de discoördinatiepunten auto van de
zaak en levensloop zouden zonder nadere maatregelen structureel circa €|150 miljoen hogere premies opleveren en €|15 miljoen hogere
uitkeringslasten. Het saldo van €|135 miljoen zal teruggesluisd worden
via premieverlaging. Het afschaffen van de teruggave van
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw rblz.|1 6
en premies werknemersverzekeringen bij
meerdere werkgevers levert circa €|200 miljoen op, welke eveneens via
tariefsverlagingen zullen worden teruggesluisd. De hier genoemde
bijdrage- en premieverlagingen zullen voorafgaand aan het jaar van
invoering herrekend worden en via lagere regelgeving gerealiseerd
worden.
10. Uitvoeringskosten
belastingdienst ¹
De maatregelen opgenomen in deze wet zijn uitvoerbaar en handhaafbaar
door de belastingdienst. De gelijkstelling van het premieloon met het
fiscaal loon bij privégebruik auto en levensloop vergt vanaf 2012
jaarlijkse uitvoeringskosten ten bedrage van €|0,8 miljoen. Voorts
zijn systeemaanpassingen nodig in 2012 met het oog op de invoering van
een werkgeversheffing in het kader van de Zvw
ten
bedrage van €|0,7 miljoen. De invoering van deze heffing leidt in 2012
tot een besparing in uitvoeringskosten ten bedrage van €|1,5 miljoen.
1. Hierbij wordt
verondersteld dat 2011 het invoeringsjaar is; indien dit 2012 is,
verschuiven de genoemde effecten één jaar.
Saldo uitvoeringskosten Wet
uniformering loonbegrip (in miljoen euro, red.):
| 2009 |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
| – |
0,0 |
0,0 |
–0,7 |
– |
De aan
deze wet
verbonden
uitvoeringskosten die betrekking hebben op 2010 en verder liggende jaren worden betrokken bij de budgettaire besluitvorming in het
voorjaar 2010.
11. Gevolgen
voor bedrijfsleven en burger (administratieve lasten)
Met deze wet wordt een uniform loonbegrip
ingevoerd voor de heffing van loonbelasting/premie volksverzekeringen,
premies werknemersverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage voor de
Zvw. Uniformering is een noodzakelijke stap op weg naar
verdere substantiële vereenvoudigingen. Het kabinet streeft ernaar om
de reductie van de administratieve lasten die door de uniformering van
het loonbegrip bereikt zou kunnen worden zo groot mogelijk te maken. De
kosten die de werkgevers momenteel maken voor software of extern
ingehuurde bureaus om met de gegevens uit hun loonadministratie de
(maandelijkse) loonaangifte te kunnen doen, bedragen €|709
miljoen; dit
is meer dan de helft van de administratieve lasten die gemoeid zijn met
de loonheffingen (€|1268 miljoen). Uit het standaardkostenmodel
loonheffing (de zogenaamde "nulmeting") blijkt dat het grootste deel
van deze kosten (€|643 miljoen) zit in de inhuur van een extern
salarisbureau dat de loonheffingen (belastingen en premies) berekent en
namens de werkgever aanlevert aan de belastingdienst. In tabel 6 zijn de
onderliggende gegevens uit de nulmeting opgenomen.
Tabel 6. Gegevens
standaardkostenmodel loonheffing:
|
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
|
Minder dan 20
werknemers
|
Tussen 20 en 100
werknemers
|
Meer dan 100
werknemers
|
Gemiddeld
|
|
Aantal (in %)
|
|
Via salarisverwerker
|
x90
|
40xxxxx
|
10xxx
|
40xxx
|
|
Via eigen software
|
x10
|
60xxxxx
|
90xxx
|
60xxx
|
|
Totaal
|
100
|
100xxxxx
|
100xxx
|
100xxx
|
|
Gemiddelde kosten per
werkgever (€)
|
|
Via salarisverwerker
|
975
|
8 208xxxxx
|
162 310xxx
|
1 311xxx
|
|
Via eigen software ¹
|
750
|
1 000xxxxx
|
1 500xxx
|
852xxx
|
|
Totaal (€ miljoen)
|
|
Totale kosten
|
503
|
144xxxxx
|
63xxx
|
709xxx
|
|
Waarvan via
salarisverwerker
|
463
|
122xxxxx
|
58xxx
|
643xxx
|
|
Waarvan via eigen
software
|
x40
|
22xxxxx
|
5xxx
|
67xxx
|
1. Dit zijn de
abonnementskosten voor de jaarlijkse updates van de software.
rblz.|17| Uit bovenstaande cijfers blijkt dat de kosten van het
inhuren van een salarisverwerker voor de aangifte van loonheffingen
substantieel hoger liggen dan indien werkgevers het zelf berekenen via
een aangeschaft softwarepakket dat bijvoorbeeld geïntegreerd is in de
salarisadministratie. Voor vooral kleine ondernemers is de stap om het
zelf te doen blijkbaar nu nog te hoog, omdat ongeveer 90% de aangifte van
loonheffingen uitbesteedt. Het kabinet verwacht dat door uniformering
van het loonbegrip in combinatie met verdere stappen zoals een
loonsomheffing de loonaangifte dermate eenvoudig wordt dat er fors op
deze kosten bespaard kan worden. Deze besparing zal voornamelijk uit
"de markt" moeten worden gehaald, eenvoudige loonheffingen vergen
eenvoudigere dus goedkopere diensten van salarisverwerkers en
softwareleveranciers. Verder zal het kabinet onderzoek doen naar
verdergaande vereenvoudigingen van de aangifte en de hiervoor benodigde
stappen. Eén van de mogelijkheden die onderzocht kan worden, is de
vraag of het wenselijk en mogelijk is, dat de belastingdienst
zelf een
aangifteprogramma kan gaan aanbieden waarmee de loonheffingen berekend
kunnen worden. Gezien de wens om de uitkomsten van het McKinsey-rapport
voor de IV-keten [informatievoorzieningsketen, red.] te respecteren (focus op continuïteit de komende
jaren) en het feit dat dit moet passen binnen een robuuste
loonaangifteketen, zullen concrete stappen niet eerder dan 2012 kunnen
plaatsvinden. Hiervoor is uiteraard nadere afstemming met betrokken
partijen noodzakelijk. Door de vereenvoudigingen zullen de jaarlijkse
aanpassingen in het generieke deel van de loonaangifte zoals de hoogte
van de tarieven, de lengte van de schijven, de hoogte van de
heffingskortingen maar vooral de geregelde structurele wijzigingen
belangrijk beperkt worden. Wij veronderstellen dat door de eenvoudigere
jaarlijkse aanpassingen er per bedrijf een besparing kan optreden van
circa €|400,-. Als er verder, ambitieus, vanuit wordt gegaan dat de
kleine- en middelgrote werkgevers op termijn net als de grote werkgevers
voor 90% zelf aangifte kunnen doen via eigen software, zou structureel
een potentiële administratieve lastenreductie van €|380 miljoen
mogelijk zijn.
Specifieke maatregelen
Onderstaand worden de AL-aspecten
[administratievelastenaspecten, red.] van de diverse
specifieke maatregelen uit deze wet weergegeven:
Vervangen inkomensafhankelijke bijdrage Zvw door een
werkgeversheffing
De verplichte inkomensafhankelijke bijdrage
Zvw komt te
vervallen, waardoor deze niet meer bij de loonaangifte verantwoord hoeft
te worden. De nieuwe Zvw-werkgeversheffing sluit aan bij de voormalige Zvw-vergoeding, maar zal geen eigen grens meer kennen, maar meelopen met
de premiegrens voor de werknemersverzekeringen.
Afschaffen evenredige bijdrage/premie verrekening
Bij meerdere dienstbetrekkingen worden nu naar rato de
te veel betaalde Zvw-bijdrage en premies werknemersverzekeringen
terugbetaald aan de rblz.|18|
werkgever. Deze dient dit richting werknemer te
verwerken door de oorspronkelijke bijtelling van de Zvw-vergoeding
neerwaarts bij te stellen, waardoor er tevens minder loonheffing
verschuldigd is door de werknemer. Deze boekingen vervallen.
Afschaffen werknemersdeel AWf-premie
Deze premie bedraagt in 2009 0,0%, maar diende
stand-by
te blijven in de loonadministratie. Aangezien de premie nu helemaal
wordt afgeschaft, komt deze niet meer voor in de loonadministratie.
Toepassing omkeerregel voor inleg en opname van
levenslooptegoed en bijtelling privégebruik auto ook premieloon
werknemersverzekeringen
Deze discoördinatiepunten in de loonheffing vervallen,
waardoor er geen verschil meer is tussen de loonheffing en premieheffing
over bijtelling privégebruik auto en levensloopinleg en opname.
Afschaffen franchise AWf
Door het afschaffen van de franchise in de
AWf is de
grondslag van alle premies geharmoniseerd. Er behoeft geen aparte
grondslag voor de AWf-premie meer te worden bijgehouden.
Vaste verandermomenten
De maatregelen in deze wet
zullen de vaste
verandermomenten (VVM) van 1 januari en 1 juli aanhouden aangezien de
beoogde ingangsdatum 1 januari 2011 of 2012 is.¹
1. Kamerstukken II 2008-209,
29 515, nr. 270.
12. Toetsen
IWI
De Inspectie voor werk en inkomen
[lees: Inspectie Werk en Inkomen, red.]
ziet in deze wet geen
aanleiding tot het maken van opmerkingen met betrekking tot
toezichtbaarheid.
UWV
Het UWV
heeft in zijn uitvoeringstoets aangegeven dat de
voorstellen per 2011 uitvoerbaar zijn voor de loonaangifteketen en de
polisadministratie. Afschaffing van het werknemersdeel van de AWf-premie
heeft geen systeemaanpassing tot gevolg. De heffing van premies over
privégebruik van de auto van de zaak en over de opname in plaats van de
inleg voor levensloop heeft gevolgen voor het uitkeringsloon en is
uitvoerbaar. Het voorstel tot invoering van een Zvw-bijdrage door de
werkgever aan het Zorgverzekeringsfonds leidt tot aanpassing van de
loonaangifte en de polisadministratie. Het UWV acht de invoering van de
uniformering van het loonbegrip per 2011 haalbaar, maar gaat na welke
consequenties een invoering van het uniforme loonbegrip per die datum
heeft op door het UWV geplande IT-wijzigingen. Deze wet
leidt, volgens
het UWV, nagenoeg niet tot wijziging van zijn werkzaamheden en heeft dan
ook niet een verlaging of toename van de structurele uitvoeringskosten
tot gevolg; de incidentele kosten worden geraamd op €|3,4
miljoen. Het UWV
heeft een aantal vragen en aandachtspunten waarover het nader overleg
nodig acht in verband met het Schattingsbesluit [lees: Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten, red.],
Besluit dagloonregels
werknemersverzekeringen en andere besluiten. Deze hebben betrekking op
de wijze waarop wordt omgegaan met de waarde van privégebruik auto
voornamelijk in geval hiervoor een naheffing bij de werknemer is
opgelegd en de gegevens daarover niet in de polis zijn opgenomen en in
verband met overgangsrecht voor lopende gevallen. Met betrekking tot de
levensloop wordt aandacht gevraagd voor lopende gevallen alsmede op de
wenselijkheid van goede informatie en communicatie in verband met het
verlagend effect van de inleg op het dagloon, tenzij de inleg geschiedt
uit de vakantietoeslag. Het UWV vraagt aandacht voor de gevolgen van de
inleg voor het dagloon van de starter op de arbeidsmarkt en de 50-plusser die meer
rblz.|1 9
dan gebruikelijk inlegt. Daarnaast kan het dagloon in
verband met opname van levensloop hoger zijn dan thans. Het UWV wijst
ook op verschillen tussen degenen die wel en die niet deelnemen aan de
levensloop. Met betrekking tot de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw vraagt het UWV aandacht voor enkele aspecten in verband met het
buitenland.
SVB
De SVB [Sociale
verzekeringsbank, red.] acht de voorgestelde wijzigingen goed uitvoerbaar
en inwerkingtreding met ingang van 2011 voor de SVB haalbaar. De SVB
voorziet geen structurele consequenties. De SVB acht de compensatie van
het Zorgverzekeringsfonds voor de verlaging van de inkomensafhankelijke
bijdrage over het AOW-pensioen uitvoerbaar. Voor de uitvoering van de
volksverzekeringen acht de SVB toepassing van de VCR-systematiek [VCR:
voortschrijdend cumulatief rekenen, red.] ongewenst.
Actal
Actal [Adviescollege toetsing
administratieve lasten, red.] beschouwt de maatregelen in deze wet
als een zeer
belangrijke stap op weg naar verdere substantiële administratieve
lastenverlichting. Actal ondersteunt zowel het belang van deze
vereenvoudiging als de potentiële administratieve lastenverlichting
zoals in deze memorie van toelichting weergegeven. Actal adviseert
voorts te overwegen om de methodiek van voortschrijdend cumulatief rekenen (VCR), een rekenmethode waarbij voor de verschuldigde premies
rekening wordt gehouden met in voorgaande tijdvakken genoten lonen, af
te schaffen, waardoor de loonadministratie en de loonaangifte verder
kunnen worden vereenvoudigd. In het kader van verdere stappen tot
vereenvoudiging van de premieheffing zal het kabinet de betekenis van de
VCR-systematiek voor de premieheffing bezien. De uitkomsten hiervan
zullen vóór de uiterlijke datum van bekendmaken van het invoeringsjaar,
zoals in hoofdstuk 4 beschreven (1 juli 2010), bekend worden gemaakt.
Artikelsgewijze
toelichting
Vooraf wordt opgemerkt dat de artikelen I tot en met III
betrekking hebben op de wetten die voor de uniformering van het
loonbegrip moeten worden gewijzigd. Het gaat om de Wet financiering
sociale verzekeringen (hierna: Wfsv), de Zorgverzekeringswet (hierna:
Zvw) en de Wet
op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB).
Vervolgens komen de artikelen aan de orde met de wetten die als
uitvloeisel van de uniformering van het loonbegrip moeten worden
gewijzigd. Deze artikelen zijn geclusterd naar de daarbij betrokken ministeries.
Artikel I
Onderdeel A (artikel 16 van de Wet
financiering sociale verzekeringen)
In artikel
16, eerste lid, van de Wfsv is het loon voor
de werknemersverzekeringen gelijkgesteld aan het loon en de gage
overeenkomstig de Wet
LB. Met de aanpassingen krijgt het wegnemen
van de discoördinatiepunten vorm en is het loonbegrip voor de
werknemersverzekeringen in beginsel gelijkgetrokken met het fiscale
loonbegrip.
In artikel 16, tweede lid, van de
Wfsv resteert een
tweetal uitzonderingen op het uniforme loonbegrip. In het tweede lid,
onderdeel a, is geregeld dat loon uit vroegere dienstbetrekking niet
behoort tot het premieloon voor de werknemersverzekeringen.
Dat vloeit voort uit de aard van de
werknemersverzekeringen: het verzekeren tegen verlies aan
arbeidsinkomen. De uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen,
de eventuele toeslagen op grond van de rblz.| 20
Toeslagenwet en de eventuele
bovenwettelijke uitkeringen blijven wel tot het premieloon voor de
werknemersverzekeringen behoren. De hierin besloten discoördinatie
vormt in de dagelijkse praktijk geen belemmering nu de toepasselijkheid
niet zozeer werkgevers betreft, maar vrijwel uitsluitend uitkerende
instanties.
In artikel 22a van de Wet
LB wordt een aantal
wijzigingen voorgesteld op grond waarvan hetgeen wordt genoten op grond
van de artikelen 628, 628a en 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek wordt aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Als
zodanig wordt dit loon op grond van artikel
16, eerste lid, van de Wfsv reeds in de grondslag voor de premieheffing betrokken. Afzonderlijke
vermelding van dit loon in het tweede lid van artikel 16
Wfsv is daarmee
overbodig en blijft verder achterwege.
In artikel 16, tweede lid, onderdeel
b, van de Wfsv is
een aantal eindheffingsbestanddelen uitgezonderd. De werkgever kan de
loonbelasting/premie volksverzekeringen met betrekking tot bepaalde in
het algemeen kleine loonbestanddelen voor eigen rekening nemen, waardoor
de heffing buiten de werknemer en diens loonstrook om gaat.
Eindheffingsbestanddelen worden niet steeds per werknemer
geadministreerd, waardoor niet kan worden getoetst of het loon al dan
niet hoger is dan het maximum waarover premies werknemersverzekeringen
verschuldigd zijn. Eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31,
eerste lid, onderdeel b tot en met g, van de Wet
LB (tekst van na de Fiscale
vereenvoudigingswet 2010) behoren mede daarom niet tot de
grondslag voor de premies werknemersverzekeringen.¹ Er is geen
aanleiding hierin verandering aan te brengen.
1. Kamerstukken
II 2002-2003, 28 219, nr. 10, blz.
4.
Onderdeel B (artikel 17 van de Wet
financiering sociale verzekeringen)
Artikel
17, eerste lid, van de Wfsv wordt gewijzigd in
verband met de gelijkschakeling van het maximumbijdrage-inkomen voor de
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (hierna: inkomensafhankelijke
bijdrage) met het maximumpremieloon voor de werknemersverzekeringen.
Net als bij de Zvw (zie artikel II, onderdeel D en
E) wordt in de
wettekst tot uitdrukking gebracht dat de vaststelling van deze maxima
een gezamenlijke verantwoordelijkheid is van de Ministers van
SZW, van VWS
en van Financiën. Dit wordt ook tot uitdrukking gebracht in het tot tweede
lid vernummerde derde lid. Het huidige tweede lid vervalt omdat er geen
franchise meer geldt voor de AWf-premie. Zie het algemeen deel van deze
memorie.
Zoals in het algemeen deel van deze memorie is
toegelicht, wordt voorgesteld de teruggaven bij meerdere
dienstbetrekkingen af te schaffen. Daartoe vervalt het huidige artikel
17, vierde lid, van de Wfsv. De wijziging van het nieuwe derde lid
vloeit enerzijds voort uit de wijziging van artikel 16 van de
Wfsv en
betreft voorts een technische aanpassing.
Onderdeel C (artikel 19 van de Wet
financiering sociale verzekeringen)
De tekst van artikel 19 van de
Wfsv wordt gewijzigd in
verband met het afschaffen van de franchise voor de AWf-premie.
Onderdelen D, E en
F (artikelen
20, 22 en
opschrift hoofdstuk 2, afdeling 2, paragraaf
3, van de Wet financiering
sociale verzekeringen)
Deze wijzigingen zijn een uitvloeisel van het afschaffen
van het werknemersdeel AWf.
rblz.| 21
Onderdeel G (artikel 25 van de Wet
financiering sociale verzekeringen)
Artikel 25
Wfsv betreft de verschuldigdheid van de
premies voor het AWf door de werkgever.
Onderdelen H en K
(artikelen 28 en
38a van de
Wet financiering sociale verzekeringen)
Wanneer het UWV
de uitkering aan de werkgever betaalt,
betaalt het UWV aan de werkgever tevens de over die uitkering
verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in artikel 42
van de Zvw (in plaats van de vergoeding van de inkomensafhankelijke
bijdrage over de uitkering, zoals die vergoeding bestond vóór de
wijziging van de Zvw).
Onderdeel I (hoofdstuk 3, afdeling 3,
paragraaf 2, van de Wet financiering sociale
verzekeringen)
In verband met de afschaffing van het werknemersdeel
AWf kan ook artikel 32, waarbij een pseudo-WW-premie door de
overheidswerkgever kan worden ingehouden op het loon van de
overheidswerknemer, vervallen.
Onderdeel J (artikel 34 van de Wet
financiering sociale verzekeringen)
De aanpassing in artikel 34 houdt verband met de
wijziging van artikel 20 van de Wfsv
(artikel I, onderdeel D) en is
louter technisch van aard.
Onderdeel K
(artikel
38a van de Wet
financiering sociale verzekeringen)
Deze wijziging is toegelicht bij de in
artikel I,
onderdeel H opgenomen wijziging van artikel 28 van de
Wfsv.
Onderdeel L (artikel 59 van de
Wet
financiering sociale verzekeringen)
In verband met het vervallen van
artikel 17, vierde lid,
van de Wfsv is van een eventuele teruggaaf van premies voor de
werknemersverzekeringen geen sprake meer; het zesde lid wordt mitsdien
geschrapt.
In het nieuwe zevende lid is tot uitdrukking gebracht
dat aan de werknemer een naheffingsaanslag premies
werknemersverzekeringen kan worden opgelegd indien de verklaring geen
privégebruik van een auto van de zaak, bedoeld in artikel 13bis van de
Wet LB, wordt ingetrokken of indien de werknemer niet doet blijken
dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor
privédoeleinden is gebruikt. Met betrekking tot deze naheffing is het
zestiende lid van artikel 13bis van de Wet
LB van overeenkomstige
toepassing verklaard. Voor de motivering wordt verwezen naar het
algemeen deel van deze memorie.
Onderdeel M (artikel 65 van de Wet
financiering sociale verzekeringen)
In artikel
65, eerste en derde lid, van de Wfsv zijn
bepalingen opgenomen die zien op de heffing van een bijdragevervangende
belasting van de werknemer die gemoedsbezwaren heeft tegen één of meer
van de volksverzekeringen. Voor die situatie is daar tevens geregeld dat
dan geen inkomensafhankelijke bijdrage wordt geheven, maar een rblz.| 22
bijdragevervangende belasting. Daarnaast is in artikel 57 van de Zvw
een
regeling opgenomen voor personen die gemoedsbezwaren hebben tegen de
AWBZ [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten,
red.] en daarom zijn ontheven van de verplichting een zorgverzekering af
te sluiten. Voorgesteld wordt de reikwijdte van artikel 65 van de
Wfsv te beperken tot de volksverzekeringen en de werknemersverzekeringen. De
regelingen op dit terrein met betrekking tot de inkomensafhankelijke
bijdrage worden dan volledig in de Zvw opgenomen
(artikel II, onderdeel L)
Onderdeel N (artikel 83 van de
Wet
financiering sociale verzekeringen)
Bij deze wijziging is geregeld dat de bijdrage voor het
Zorgverzekeringsfonds, dat in het nieuwe artikel 87a
(zie artikel I,
onderdeel O) is geregeld, ten laste wordt gebracht van het
Ouderdomsfonds.
Onderdeel O (artikel 87a
van de Wet
financiering sociale verzekeringen)
Bij dit artikel wordt een deel van de financiering van
de Zvw geregeld dat betrekking heeft op AOW-ers. Zie het
algemeen deel
van deze memorie.
Periodiek wordt door de SVB
een directe bijdrage gestort
in het Zorgverzekeringsfonds ten laste van het Ouderdomsfonds. Deze
bijdrage is gelijk aan het verschil in percentage aan
inkomensafhankelijke bijdrage dat geldt voor de inhoudingsplichtige,
bedoeld in artikel 42 van de Zvw, en het percentage dat geldt voor de
verzekeringsplichtige, bedoeld in artikel 43 van de Zvw, gerelateerd aan
de lasten van de ouderdomsverzekeringen.
De SVB zal regels stellen, na goedkeuring van de
Minister van SZW (na overleg met de Ministers van Financiën en
van VWS),
over de betaalbaarstelling van deze bijdrage.
Onderdelen P, Q,
S, T en
U (artikelen
100, 104, 108,
115 en 117 van de
Wet financiering sociale verzekeringen)
In plaats van de ten laste van het
Algemeen Werkloosheidsfonds respectievelijk de sectorfondsen, het
Uitvoeringsfonds voor de overheid, het Arbeidsongeschiktheidsfonds, de
Werkhervattingskas en de Arbeidsongeschiktheidskas komende vergoeding
van de inkomensafhankelijke bijdrage over de betreffende uitkeringen,
zoals die vergoeding bestond vóór de wijziging van de Zvw, wordt in
dit
voorstel de door het UWV verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ten
laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds respectievelijk, de
sectorfondsen, het Uitvoeringsfonds voor de overheid, het
Arbeidsongeschiktheidsfonds en de Arbeidsongeschiktheidskas gebracht.
Onderdeel Q (artikel 104 van de
Wet
financiering sociale verzekeringen)
Deze wijziging is toegelicht bij de in
artikel I,
onderdeel P, opgenomen wijziging van artikel 100 van de
Wfsv.
Onderdeel R (artikel 105 van de Wet
financiering sociale verzekeringen)
Bij de bepaling van de lastenplafonds, bedoeld in het
derde en vierde lid van artikel 105 van de
Wfsv, wordt in plaats van de
vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage over de desbetreffende
uitkeringen, zoals die vergoeding bestond vóór de wijziging van de Zvw,
nu rekening gehouden met de verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage.
rblz.| 23
Onderdeel S (artikel 108 van de
Wet
financiering sociale verzekeringen)
Deze wijziging is toegelicht bij de in artikel I,
onderdeel P, opgenomen wijziging van artikel 100 van de Wfsv.
Onderdeel T (artikel 115 van de
Wet
financiering sociale verzekeringen)
Deze wijziging is toegelicht bij de in artikel I,
onderdeel P, opgenomen wijziging van artikel 100 van de Wfsv.
Onderdeel U (artikel 117 van de
Wet
financiering sociale verzekeringen)
Deze wijziging is toegelicht bij de in artikel I,
onderdeel P, opgenomen wijziging van artikel 100 van de Wfsv.
Onderdeel V (artikel
117b van de Wet
financiering sociale verzekeringen)
Bij de bepaling van loonaanvullingsuitkering, bedoeld in
het derde lid, onderdeel f, van artikel
117 b
van de Wfsv wordt in plaats
van de vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage over de
betreffende uitkeringen, zoals die vergoeding bestond vóór de wijziging
van de Zvw, nu rekening gehouden met de verschuldigde
inkomensafhankelijke bijdrage.
Artikel II
Onderdeel A (artikel 1 van de
Zorgverzekeringswet)
Het begrip inhoudingsplichtige is in
artikel 1,
onderdeel l, van de Zvw gedefinieerd als de inhoudingsplichtige in de
zin van de Wet
LB dan wel de inhoudingsplichtige in de zin van de Wfsv. De
laatstgenoemde wet kent het begrip inhoudingsplichtige echter
niet. Het gaat om de werkgever in de zin van de Wfsv. De tekst wordt
dienovereenkomstig gewijzigd. Een inhoudelijke wijziging is hiermee niet
beoogd. In deze toelichting worden de woorden inhoudingsplichtige en
werkgever overigens door elkaar heen gebruikt.
Het begrip bijdragetijdvak is in artikel
1, onderdeel
u,
gedefinieerd als het kalenderjaar. Deze definitie kan zonder bezwaar
vervallen. Het woord bijdragetijdvak komt voor in de bepalingen over de
inkomensafhankelijke bijdrage en kan daar zonder bezwaar worden
vervangen door het woord kalenderjaar. Dat komt de toegankelijkheid van
de wettelijke regeling ten goede. In plaats daarvan wordt in onderdeel u
het begrip inspecteur gedefinieerd. Dat is van belang voor de teruggaven
ingeval meer inkomensafhankelijke bijdrage is ingehouden dan met het
wettelijke maximumbijdrage-inkomen in overeenstemming is. In die
bepaling (artikel 50) hoeft hierdoor niet langer naar de Wfsv te worden
verwezen.
Onderdeel B (artikel 39 van de
Zorgverzekeringswet)
De voorgestelde wijziging houdt in dat het
Zorgverzekeringsfonds ook vanuit het Ouderdomsfonds een bijdrage
ontvangt. Zie de toelichting op artikel I, onderdeel O (artikel
87a van
de Wfsv).
Onderdeel C (artikel 41 van de
Zorgverzekeringswet)
In artikel 41 van de Zvw
wordt geregeld dat zowel de
verzekeringsplichtige als de inhoudingsplichtige inkomensafhankelijke
bijdrage zijn verschuldigd. rblz.| 24
De door de inhoudingsplichtige verschuldigde
inkomensafhankelijke bijdrage komt in de plaats van de
werkgeversvergoeding die moet worden betaald ter zake van de thans nog
op het loon van werknemer in te houden inkomensafhankelijke bijdrage. In
artikel 42 van de Zvw wordt geregeld over welk loon de
inhoudingsplichtige de inkomensafhankelijke bijdrage is verschuldigd.
Artikel 43 van de Zvw regelt over welke inkomensbestanddelen de
verzekeringsplichtige inkomensafhankelijke bijdrage is verschuldigd.
Onderdeel D (artikel 42 van de
Zorgverzekeringswet)
Dit artikel regelt de door de inhoudingsplichtige
verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage. Omdat een
inhoudingsplichtige alleen te maken heeft met het loon dat hij aan zijn
werknemer verstrekt, is de tekst van de bepaling daarop toegespitst. Met
de term "het door hem verstrekte loon overeenkomstig de Wet
op de loonbelasting 1964" is beoogd in algemene zin aan te geven dat het om
het loon voor de loonbelasting gaat (dus bijvoorbeeld zonder bijtelling
van de vrijgestelde pensioenaanspraken), ongeacht de wijze waarop dat
aan de werknemer ten goede komt. Het maakt dus niet uit of het loon
wordt verstrekt bij wijze van betaling, verrekening of
terbeschikkingstelling, dan wel of het rentedragend wordt of vorderbaar
en tevens inbaar is.
De werkgever is de heffing alleen verschuldigd in de
situatie waarin hij nu verplicht is de werknemer een vergoeding te
betalen voor de op het loon in te houden inkomensafhankelijke bijdrage.
Thans is dit uitgewerkt in artikel 5.4 van de
Regeling zorgverzekering.
Deze heffing komt één op één in de plaats van de huidige
werkgeversvergoedingen. Er is geen lastenwijziging beoogd.
In de eerste plaats is de inhoudingsplichtige een
inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd over het loon uit
tegenwoordige dienstbetrekking van zijn werknemers die
verzekeringsplichtig zijn. Ook over het loon van gemoedsbezwaarde
werknemers is de inhoudingsplichtige een inkomensafhankelijke bijdrage
verschuldigd. In het zesde lid wordt geregeld dat deze
inkomensafhankelijke bijdrage door de rijksbelastingdienst wordt gestort
op de ten behoeve van de gemoedsbezwaarde werknemer bij het College
zorgverzekeringen aangehouden rekening. Of de werkgever zelf al dan niet
gemoedsbezwaren tegen verzekeringen heeft, is voor de Zvw
niet van
belang. De werkgever betaalt immers geen verzekeringspremie.
Militairen in werkelijke dienst zijn niet
verzekeringsplichtig op grond van deze wet, omdat zij zijn aangewezen op
de zorgverlening door of vanwege de militair geneeskundige diensten. De
inhoudingsplichtige is daarom over het loon van deze militairen geen
werkgeversheffing verschuldigd.
Een werkgever, die niet inhoudingsplichtig is voor de
loonbelasting, maar wel werkgever is in de zin van de Wfsv
(in het
bijzonder een werkgever die in het buitenland is gevestigd en in
Nederland geen vaste inrichting heeft), is onderworpen aan heffing van
inkomensafhankelijke bijdrage als hij aan een verzekeringsplichtige
werknemer loon betaalt. Ook dan gaat het om loon overeenkomstig de Wet
LB.
Op de regel dat de inhoudingsplichtige over het loon uit
tegenwoordige dienstbetrekking inkomensafhankelijke bijdrage is
verschuldigd, worden in artikel 42, eerste lid, onderdeel a, vier
uitzonderingen gemaakt, te weten bij bepaalde eindheffingsbestanddelen,
bij het loon waarvoor aan de werknemer ter zake van het voordeel van een
ter beschikking gestelde auto een naheffingsaanslag wordt opgelegd, bij
"opting-in" en bij het loon van een directeur-grootaandeelhouder in de
zin van artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de
Ziektewet. Deze
uitzonderingen kunnen als volgt worden toegelicht.
Eindheffingsbestanddelen worden niet steeds per
werknemer geadministreerd, waardoor niet kan worden getoetst of het loon
al dan niet hoger is dan het maximum waarover inkomensafhankelijke
bijdrage verschuldigd rblz.| 25
is. Eindheffingsbestanddelen als bedoeld in
artikel 31, eerste lid, onderdeel b tot en met g, van de
Wet LB
behoren daarom niet tot de grondslag voor de inkomensafhankelijke
bijdrage. Er is geen aanleiding hierin verandering aan te brengen. Over
bijvoorbeeld spaarloon is derhalve geen inkomensafhankelijke bijdrage
verschuldigd. Het loon dat in de eindheffing wordt betrokken in verband
met het opleggen van een naheffingsaanslag (artikel 31, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet
LB), maar dat geen eindheffingsbestanddeel
is zoals genoemd in artikel 31, eerste lid, onderdeel b tot en met
g,
van de Wet
LB, behoort wel tot de grondslag van de
inkomensafhankelijke bijdrage.
De reden voor de uitzondering bij naheffing van de
werknemer van het voordeel van een ter beschikking gestelde auto is dat
de werkgever niet met extra lasten moet worden geconfronteerd als een
verklaring geen privégebruik wordt ingetrokken of indien de werknemer
niet doet blijken dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan
500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. De verklaring geen
privégebruik werkt voor de inhoudingsplichtige als een vrijwaring. Om
de verklaring ook als zodanig te laten werken, is de inhoudingsplichtige
geen inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd over het met de ter
beschikking gestelde auto verband houdende voordeel dat ten onrechte
niet tot het loon gerekend is in een situatie als bedoeld in artikel 13bis, zestiende lid, van de
Wet LB. Het voordeel ter zake van de
ter beschikking gestelde auto dat kan worden toegerekend aan de bij
intrekking van de beschikking inmiddels verstreken loontijdvakken wordt
daarom in zoverre uitgezonderd van de grondslag waarover de
werkgeversheffing verschuldigd is. De over dit loon verschuldigde
inkomensafhankelijke bijdrage wordt geheven van de werknemer door aan de
werknemer een naheffingsaanslag op te leggen. Voor loontijdvakken die
liggen ná intrekking van de beschikking behoort het voordeel wegens
privégebruik wel tot de grondslag waarover de inhoudingsplichtige de
inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is. Wanneer de
inhoudingsplichtige weet dat de verklaring niet juist is, dan is hij
over het tot het loon te rekenen voordeel wegens privégebruik
inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd en wordt een eventuele
naheffingsaanslag aan hem opgelegd. In het voorgestelde artikel
49,
vierde lid, van de Zvw (artikel II, onderdeel
I) wordt geregeld dat
artikel 13bis, zestiende lid, van de Wet
LB van overeenkomstige
toepassing is op de heffing van inkomensafhankelijke bijdrage. De door
de werknemer betaalde naheffingsaanslag is niet aftrekbaar (zie artikel
III, onderdeel C).
Bij "opting-in" kiest iemand die resultaat uit overige
werkzaamheden geniet ervoor onder de loonbelasting te vallen. Het
gebruik van deze mogelijkheid heeft niet tot gevolg dat de
inhoudingsplichtige inkomensafhankelijke bijdrage is verschuldigd. Op
het loon van degene die ervoor heeft gekozen onder de loonbelasting te
vallen, moet ingevolge artikel 43 van de Zvw
inkomensafhankelijke
bijdrage worden ingehouden.
Directeuren-grootaandeelhouders kunnen in dit verband
worden vergeleken met degenen die voor eigen rekening een onderneming
drijven en de inkomensafhankelijke bijdrage zelf zijn verschuldigd. Op
het loon van een directeur-grootaandeelhouder moet ingevolge artikel 43
van de Zvw inkomensafhankelijke bijdrage worden ingehouden.
In de tweede plaats is de inhoudingsplichtige
inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd over loon uit vroegere arbeid
totdat de verzekeringsplichtige of de gemoedsbezwaarde de leeftijd van
65 jaar heeft bereikt. Dit is in het bijzonder van belang bij
uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen. Het werkloos of
arbeidsongeschikt worden van een werknemer heeft dan niet tot gevolg dat
diens positie voor de inkomensafhankelijke bijdrage anders wordt. Op de
regel dat de inhoudingsplichtige over loon uit vroegere arbeid totdat de
verzekeringsplichtige of de gemoedsbezwaarde de leeftijd van 65 jaar
heeft bereikt inkomensafhankelijke bijdrage is verschuldigd, worden
enkele uitzonderingen gemaakt. Deze uitzonderingen worden krachtens een
delegatiebepaling rblz.|26|
opgenomen in de Regeling
zorgverzekering. De reden
daarvoor is dat bij diverse bepalingen een verwijzing naar lagere
regelgeving nodig is. Ter wille van de toegankelijkheid is ervan
afgezien deze uitzondering deels in de wet en deels in de Regeling
zorgverzekering op te nemen. Het is de bedoeling dat de thans in artikel
5.4, onderdeel b, van de Regeling
zorgverzekering opgenomen
uitzonderingen ongewijzigd blijven bestaan.
Voor de betekenis van de hiervoor genoemde begrippen
loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en loon uit vroegere arbeid
wordt aangesloten bij wat daaronder voor de Wet LB wordt verstaan.
Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking houdt ten nauwste verband met
bepaalde verrichte arbeid of met in een bepaald tijdvak verrichte
arbeid. In de Wet LB wordt hiervoor ook het begrip loon uit
tegenwoordige arbeid gebruikt, zonder dat ermee iets anders wordt
bedoeld. Loon uit vroegere arbeid vormt niet een onmiddellijke
tegenprestatie voor bepaalde arbeid, maar vindt meer in het algemeen
haar oorzaak in het voorheen verricht zijn van arbeid. In de Wet LB wordt hiervoor ook het begrip loon uit vroegere dienstbetrekking
gebruikt. Bij de keuze in de wettekst tussen de woorden "arbeid" en
"dienstbetrekking"
is, evenals bijvoorbeeld in artikel 16 van de
Wfsv (artikel I, onderdeel
A), aangesloten bij de woorden die tot nu toe in de desbetreffende
regelgeving zijn opgenomen.
Voor de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage
geldt, net als nu, per kalenderjaar een maximum. Het jaarbedrag wordt
voor de werkgeversheffing naar evenredigheid over de loontijdvakken
verdeeld. Per loontijdvak geldt dus een maximumbedrag. Hierbij wordt de
techniek van het voortschrijdend cumulatief rekenen toegepast. Dit is
geregeld in het tweede lid. Volgens het derde lid wordt hierbij de
zogenoemde grondslagaanwasmethode toegepast. Het voortschrijdend
cumulatief rekenen op basis van de grondslagaanwasmethode gebeurt nu ook
al bij de heffing van inkomensafhankelijke bijdrage bij wijze van
inhouding. De grondslagaanwasmethode is thans uitgewerkt in artikel
5.10, vierde lid, van de Regeling
zorgverzekering. Het vaststellen van
de maximale bedragen is ook volgens de wettekst, net als bij de Wfsv,
een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de Ministers van
VWS, van SZW en van
Financiën.
Het maximum is volgens het vierde lid niet van
toepassing met betrekking tot de zogenoemde anonieme werknemers. Deze
bepaling is thans opgenomen in artikel 43, vierde lid, van de Zvw.
Anders dan in laatstgenoemde bepaling wordt in het voorgestelde vierde
lid van artikel 42 van de Zvw niet meer verwezen naar
artikel 19 van de Wfsv. De in
artikel 19 van de Wfsv
vermelde gevallen zijn ontleend en
identiek aan de in artikel 26b, eerste lid, van de Wet
LB genoemde
gevallen. De verwijzing naar artikel 19 van de
Wfsv kan daarom
vervallen. Tevens bevordert dit de eenduidigheid van de wetgeving.
In het vijfde lid wordt geregeld dat de
inhoudingsplichtige de door hem verschuldigde inkomensafhankelijke
bijdrage niet mag verhalen op de werknemer. Hiermee wordt de werknemer
tegen onvoorziene financiële risico’s beschermd. De
inhoudingsplichtige is de inkomensafhankelijke bijdrage op grond van het
voorgestelde artikel 42 uit eigen hoofde verschuldigd en kan deze
heffing niet (bij wijze van verhaal) afwentelen op de werknemer. In zijn
arrest van 11 januari 2008, nr. C06/220, oordeelde de Hoge Raad
[HR, red.] met
betrekking tot door middel van eindheffing van de inhoudingsplichtige
nageheven loonbelasting over ten onrechte gedeblokkeerd spaarloon in
overeenkomstige zin: "Indien de inhoudingsplichtige nalaat te verzoeken
de regels voor eindheffing buiten toepassing te laten, komt de na te
heffen loonbelasting voor rekening van de inhoudingsplichtige. Hoewel
ter zake van verhaal van die belasting op de werknemer als te veel
betaald loon geen formeel wettelijk verbod bestaat, is dan verhaal van
de als eindheffing aan de inhoudingsplichtige opgelegde en voor hem een
eigen schuld opleverende naheffingsaanslag op de werknemer niet mogelijk
(vgl. HR 24 september 2004, nr. 39 303, BNB 2004/414)". Het
verhaalsverbod wordt niettemin opgenomen, teneinde daarover geen
misverstand rblz.|27|
te laten bestaan. Het verhaalsverbod ziet niet op de door de
verzekeringsplichtige op grond van het hierna toegelichte artikel 43 van
de Zvw verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage. Wat betreft de door
de verzekeringsplichtige (op grond van artikel 43 van de Zvw)
verschuldigde bijdrage vormt het vijfde lid van artikel 42 van de Zvw
geen juridisch beletsel voor de inhoudingsplichtige om die, ingeval die
bijdrage van hem wordt nageheven, alsnog op zijn werknemer te verhalen.
Of de inhoudingsplichtige dit kan doen, hangt onder meer af van de
afspraken die hij daarover met de werknemer heeft gemaakt.
Onderdeel E (artikel 43 van de
Zorgverzekeringswet)
Dit artikel regelt de door een verzekeringsplichtige
verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage. De verzekeringsplichtige is
volgens het eerste lid een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd
over het in een kalenderjaar genoten bijdrage-inkomen. In het tweede lid
is geregeld uit welke inkomensbestanddelen het bijdrage-inkomen is
opgebouwd.
Het bijdrage-inkomen bestaat in de eerste plaats uit
loon. Als voorbeelden van loon in de zin van artikel
43, tweede lid,
onderdeel a, kunnen AOW-, pensioen-
en lijfrente-uitkeringen worden
genoemd. Het loon wordt vastgesteld overeenkomstig de Wet
LB,
vermeerderd met loon bepaald volgens de regels van artikel 3.82 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Dat is het op de voet van de
hoofdstukken II tot en met IIc van de Wet
LB te bepalen loon. Voor
de toepassing van artikel 43, tweede lid, van de Zvw
wordt het loon
verminderd met:
1. het loon waarover de inhoudingsplichtige de
werkgeversheffing is verschuldigd; en
2. eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31,
eerste lid, onderdeel b tot en met g, van de Wet
LB.
Ad 1. Over loon uit tegenwoordige dienstbetrekking
en uitkeringen ingevolge de werknemersverzekeringswetten zal doorgaans
al de werkgeversheffing geheven zijn. Zoals eerder aangegeven, is het
loon van degene die door "opting-in" onder de heffing van
loonbelasting valt een voorbeeld van loon uit tegenwoordige
dienstbetrekking waarover de werkgeversheffing niet is verschuldigd,
maar waarop inkomensafhankelijke bijdrage moet worden ingehouden.
Ad 2. Over bijvoorbeeld spaarloon is derhalve geen
inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd. Het loon dat in de
eindheffing wordt betrokken in verband met het opleggen van een
naheffingsaanslag, maar dat geen eindheffingsbestanddeel is zoals
genoemd in artikel 31, eerste lid, onderdeel b tot en met g, van de
Wet LB, behoort wel tot het loon voor de inkomensafhankelijke bijdrage.
Bij een naheffingsaanslag leidt het voorgestelde artikel
49, tweede lid,
van de Zvw ertoe dat in dat geval het eindheffingsregime van
overeenkomstige toepassing is op de heffing van de inkomensafhankelijke
bijdrage. De inkomensafhankelijke bijdrage over dit "naheffingsloon"
wordt
dan op grond van artikel 27a, eerste lid, van de Wet
LB geheven van
de inhoudingsplichtige. Dat is slechts anders wanneer het
eindheffingsregime niet wordt toegepast. Dat kan op verzoek van de
inhoudingsplichtige (artikel 31, eerste lid, onderdeel a, onder 1º, van
de Wet
LB) of bij voor bezwaar vatbare beschikking van de
inspecteur (artikel 31, eerste lid, onderdeel a, onder 2º, van de
Wet LB).
In aanvulling op het loon overeenkomstig de wettelijke
bepalingen van de Wet
LB behoort ook het loon volgens artikel 3.82
van de Wet
IB 2001 tot het bijdrage-inkomen. Daarmee valt ook een
buitenlands pensioen in beginsel onder de inkomensafhankelijke bijdrage.
De inkomensafhankelijke bijdrage die verschuldigd is
over het in artikel 43, tweede lid, onderdeel a, bedoelde
loon dat van
een inhoudingsplichtige rblz.| 28
wordt genoten (bijvoorbeeld een AOW-uitkering),
wordt geheven bij wijze van inhouding (zie het voorgestelde artikel
49,
tweede lid). Het loon dat niet van een inhoudingsplichtige afkomstig is
(bijvoorbeeld een buitenlands pensioen), behoort op grond van artikel
43, tweede lid, onderdeel a, weliswaar tot de grondslag waarover
inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is, maar de
inkomensafhankelijke bijdrage die over dit loon verschuldigd is, wordt
geheven bij wege van aanslag (zie het voorgestelde artikel
49, derde
lid, van de Zvw).
De andere bestanddelen van het bijdrage-inkomen zijn,
net als nu, winst uit onderneming, resultaat uit overige werkzaamheden
(anders dan de terbeschikkingstellingsregeling) en belastbare periodieke
uitkeringen en verstrekkingen. Ook over deze bestanddelen wordt de
inkomensafhankelijke bijdrage geheven bij wege van aanslag.
In het derde lid is geregeld dat, net als nu, voor de
inkomensafhankelijke bijdrage per kalenderjaar een maximum geldt.
Het vierde lid regelt, net als dat thans het geval is,
dat de inkomensafhankelijke bijdrage die bij wijze van inhouding wordt
geheven over het van de inhoudingsplichtige genoten loon als bedoeld in
artikel 43, tweede lid, onderdeel a, van de Zvw
wordt berekend met
behulp van de techniek van het voortschrijdend cumulatief rekenen,
volgens de grondslagaanwasmethode en dat het maximum niet van toepassing
is met betrekking de zogenoemde anonieme werknemers. Dit is al
toegelicht bij het voorgestelde artikel 42, tweede, derde en vierde lid,
van de Zvw (artikel II, onderdeel
D).
Het vijfde lid regelt de samenloop van heffing bij wijze
van inhouding en heffing bij wege van aanslag. Het is mogelijk dat
iemand zowel loon als winst geniet. Dan wordt voor de
inkomensafhankelijke bijdrage eerst naar het loon gekeken. Met loon is
hier bedoeld het loon waarover de inhoudingsplichtige een
inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is, vermeerderd met het van
de inhoudingsplichtige genoten loon waarover de verzekeringsplichtige
een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is. Is het totaal van dit
loon hoger dan het maximumbijdrage-inkomen, dan is over de winst geen
inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd en hoeft ter zake dus geen
aanslag te worden opgelegd. Is dit loon lager dan het maximumbijdrage-inkomen, dan is over de winst op aanslag inkomensafhankelijke
bijdrage verschuldigd (totdat winst en loon samen het maximumbijdrage-inkomen hebben bereikt). Hetzelfde geldt bij de combinaties
loon/resultaat, pensioen/winst en pensioen/resultaat en andere denkbare
combinaties. In het algemeen deel van deze memorie is hierop al
ingegaan. Ook het loon dat niet van een inhoudingsplichtige afkomstig is
(bijvoorbeeld een buitenlands pensioen), kan tot de grondslag behoren die
bij wege van aanslag in de heffing van inkomensafhankelijke bijdrage
wordt betrokken. Dat is het geval wanneer het loon waarover de
inhoudingsplichtige een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is,
vermeerderd met het van de inhoudingsplichtige genoten loon waarover de
verzekeringsplichtige een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is,
lager is dan het maximumbijdrage-inkomen. Over het buitenlandse
pensioen is dan inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd tot het
verschil tussen het maximumbijdrage-inkomen en het totaal van het in de
vorige zin bedoelde loon. De over het buitenlands pensioen verschuldigde
inkomensafhankelijke bijdrage wordt geheven bij wege van aanslag.
Onderdeel F (artikel 44 van de
Zorgverzekeringswet)
Dit artikel regelt thans hoe het
maximumbijdrage-inkomen jaarlijks wordt herzien. Deze bepaling kan vervallen
omdat het bij ministeriële regeling vast te stellen maximumbijdrage-inkomen gelijk wordt aan het
maximumpremieloon voor de
werknemersverzekeringen, waarvoor de jaarlijkse aanpassing al is
geregeld.
In artikel 44 van de Zvw
wordt nu geregeld dat over het
loon van een rblz.| 29
jonge werknemer met een kleine baan als bedoeld in artikel
35o van de Wet
LB geen inkomensafhankelijke bijdrage is
verschuldigd, niet door de werkgever en niet door de werknemer. Dit
vloeit voort uit de bij het Belastingplan 2010
gemaakte en daar
toegelichte keuze bij deze dienstbetrekkingen geen premies
werknemersverzekeringen en geen inkomensafhankelijke bijdrage te heffen.
Net als bij de premies werknemersverzekeringen (artikel
52a van de Wfsv)
is dit ook voor de inkomensafhankelijke bijdrage in een afzonderlijk
artikel geregeld.
Onderdeel G (artikel 45 van de
Zorgverzekeringswet)
Dit artikel bepaalt dat de percentages van de
inkomensafhankelijke bijdrage bij ministeriële regeling worden
vastgesteld. Het eerste lid heeft betrekking op de door een
inhoudingsplichtige verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage. Het
tweede lid ziet op de door een verzekeringsplichtige verschuldigde
inkomensafhankelijke bijdrage. De percentages worden volgens het derde
lid bij ministeriële regeling vastgesteld, waarbij voor bepaalde
bestanddelen van het loon of het bijdrage-inkomen een afwijkend
bijdragepercentage kan worden vastgesteld. Deze bevoegdheid kan, net als
nu, worden gebruikt met betrekking tot het loon van bepaalde zeevarenden
en voor bepaalde voor 2006 ingegane alimentatie-uitkeringen.
Voor het overige blijft artikel 45 ongewijzigd. Dat
geldt in het bijzonder voor het vierde lid, waarin de koppeling met de
nominale premie is vastgelegd.
Onderdeel H (artikel 46 van de
Zorgverzekeringswet)
Dit artikel vervalt. De werkgevers zijn niet langer een
vergoeding ter zake van de inkomensafhankelijke bijdrage aan hun
werknemers verschuldigd.
Onderdeel I (artikel 49 van de
Zorgverzekeringswet)
Artikel
49, eerste lid, van de Zvw
bepaalt dat de door
de inhoudingsplichtige verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage wordt
geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van
loonbelasting geldende regels. Concreet betekent dit met name dat de per
aangiftetijdvak door de werkgever verschuldigde inkomensafhankelijke
bijdrage, conform de ingevolge de eindheffing loonbelasting door de
inhoudingsplichtige verschuldigde loonbelasting, op aangifte dient te
worden afgedragen.
Het tweede lid heeft betrekking op de
inkomensafhankelijke bijdrage die de verzekeringsplichtige verschuldigd
is over het van de inhoudingsplichtige genoten loon. De heffing vindt
dan plaats bij wijze van inhouding met overeenkomstige toepassing van de
voor de heffing van loonbelasting geldende regels. De inhouding van de
inkomensafhankelijke bijdrage vindt per loontijdvak plaats, waarna de in
een aangiftetijdvak ingehouden bijdrage op aangifte dient te worden
afgedragen.
In verbinding met artikel 27d, eerste lid, van de
Wet LB
leiden het eerste en tweede lid er voorts toe dat de
inhoudingsplichtige de verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage
gelijktijdig en op één aangifte met de loonbelasting moet afdragen.
Het derde lid ziet op de inkomensafhankelijke bijdrage
die bij wege van aanslag wordt geheven. Daarbij gaat het om het loon dat
niet van een inhoudingsplichtige afkomstig is, om winst uit onderneming,
om resultaat uit overige werkzaamheden en om periodieke uitkeringen en
verstrekkingen.
Het eerste tot en met derde lid brengen tevens mee dat
de voor de loon- en inkomstenbelasting geldende rechtsbescherming van
overeenkomstige toepassing is.
rblz.| 30
In artikel
13bis, zestiende lid, van de Wet
LB is
vastgelegd dat ingeval de verklaring geen privégebruik wordt
ingetrokken, of indien de werknemer niet doet blijken dat de auto op
kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden
is gebruikt, de inspecteur aan de werknemer een naheffingsaanslag oplegt
voor de loonbelasting met betrekking tot de verstreken tijdvakken. De
inkomensafhankelijke bijdrage over dit loon is verschuldigd door de
werknemer. Het vierde lid regelt dat ook met betrekking tot de
inkomensafhankelijke bijdrage de naheffingsaanslag aan de werknemer
wordt opgelegd.
Onderdeel J (artikel 50 van de
Zorgverzekeringswet)
Dit artikel heeft betrekking op teruggaven als bij
meerdere inkomstenverhoudingen meer aan inkomensafhankelijke bijdrage is
ingehouden dan met het maximumbijdrage-inkomen in overeenstemming is.
Uit de woorden "ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage" in het
eerste lid volgt dat ter zake van de werkgeversheffing geen teruggaven
kunnen plaatsvinden. Doordat bij de teruggaven steeds hetzelfde (lage)
tarief van toepassing is, wordt het verlenen (en uitleggen) daarvan veel
eenvoudiger.
Teruggaven vinden in het bijzonder plaats bij degenen
die meerdere pensioenen hebben. Teruggaaf is ook mogelijk als iemand
loon en pensioen geniet, hetgeen in het algemeen deel van deze memorie
is toegelicht. De op het pensioen ingehouden inkomensafhankelijke
bijdrage wordt terugbetaald als het maximumbijdrage-inkomen al met het
loon is bereikt. Met loon is hier bedoeld de som van het loon waarover
van de inhoudingsplichtige een inkomensafhankelijke bijdrage is geheven
en het loon waarover van de verzekeringsplichtige bij wijze van
inhouding een inkomensafhankelijke bijdrage is geheven. Is het loon
lager dan het maximumbijdrage-inkomen, dan vindt alleen maar een
gedeeltelijke teruggaaf plaats van de op het pensioen ingehouden
inkomensafhankelijke bijdrage. Blijven loon en pensioen samen onder het
maximumbijdrage-inkomen, dan vindt uiteraard geen teruggaaf plaats.
Het is niet doelmatig om voor zeer kleine bedragen
teruggaafbeschikkingen vast te stellen. Daarom wordt in het tweede lid
voorgesteld hiervoor een grens aan te brengen. Daarbij wordt aansluiting
gezocht bij de teruggaafgrens voor de inkomstenbelasting (in 2009: €|14,-).
Het is mogelijk dat een voorschot op de
teruggaafbeschikking wordt verleend. Dit is geregeld in het derde lid.
In de Regeling zorgverzekering worden nadere regels opgenomen ter zake
van het verlenen van voorschotten. Het voorschot wordt bij de
uiteindelijke teruggaafbeschikking verrekend, hetgeen een aanvullende
teruggaaf of een terug te betalen bedrag tot gevolg kan hebben. Dit is
niet expliciet geregeld, maar vloeit voort uit de systematiek van artikel
4:95 van de Algemene wet bestuursrecht.
Het vierde lid regelt de situatie dat ingevolge het
eerste en tweede lid geen recht blijkt te bestaan op een teruggaaf. Als
er in dergelijke gevallen voorschotten zijn verleend, worden deze
teruggevorderd. Dit gebeurt bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Als bij de eindafrekening blijkt dat na verrekening van
eventueel verleende voorschotten een teruggaaf resteert, wordt volgens
het vijfde lid heffingsrente vergoed. Omgekeerd geldt in situaties
waarin achteraf gezien te hoge of ten onrechte voorschotten zijn
verleend dat bij de teruggaafbeschikking, respectievelijk de in het
vierde lid bedoelde terugvorderingsbeschikking, heffingsrente in
rekening wordt gebracht. In beide gevallen wordt de heffingsrente
berekend over het tijdvak dat begint te lopen op 1 januari na het einde
van het kalenderjaar waarop de inkomensafhankelijke bijdrage betrekking
heeft en eindigt op de dag waarop de beschikking wordt gedagtekend.
Voorschotten worden volgens rblz.| 31
de systematiek in de Regeling
zorgverzekering uitsluitend verleend gedurende het kalenderjaar waarop
ze betrekking hebben. Hiermee wordt voorkomen dat voorschotten worden
teruggevorderd met heffingsrente die gaat lopen vanaf 1 januari van het
kalenderjaar waarop de teruggaaf ziet, terwijl het voorschot pas na 1
januari van dat kalenderjaar wordt verleend. Het zesde lid regelt dat
bij terugbetaling van een te hoog of ten onrechte verleend voorschot een
terugbetalingstermijn geldt van twee maanden (gelijk aan een aanslag
inkomstenbelasting). Als de regels van de loonbelasting zouden gelden,
zou een betalingstermijn gelden van veertien dagen (artikel 9, tweede
lid, van de Invorderingswet
1990). Dit wordt onwenselijk geacht.
Onderdeel K (artikel 51 van de
Zorgverzekeringswet)
Dit artikel heeft betrekking op de invordering van de
inkomensafhankelijke bijdrage. Op de invordering van de
werkgeversheffing en de bij wijze van inhouding geheven
inkomensafhankelijke bijdrage is het systeem voor de invordering van
loonbelasting van overeenkomstige toepassing. Voor de invordering van de
bij wege van aanslag geheven inkomensafhankelijke bijdrage is het
systeem voor de invordering van inkomstenbelasting van overeenkomstige
toepassing.
Tevens komt te vervallen de bepaling dat artikel 38,
eerste lid, aanhef en onder a, van de Invorderingswet
1990 niet van
overeenkomstige toepassing is op de bij wijze van inhouding geheven
inkomensafhankelijke bijdrage. Artikel 38, eerste lid, aanhef en onder a, van de Invorderingswet
1990 houdt onder meer in dat de
werknemer hoofdelijk aansprakelijk is voor de ten onrechte niet
ingehouden loonbelasting. Voorgesteld wordt deze aansprakelijkheid ook
te laten gelden voor de ten onrechte niet ingehouden
inkomensafhankelijke bijdrage. Thans is dat volgens artikel
51, tweede
lid, van de Zvw niet het geval, waarbij aansluiting is gezocht bij
artikel 60, derde lid, van de Wfsv. Bij die bepaling is met betrekking
tot de premies werknemersverzekeringen overwogen dat alleen de werkgever
voor de premieschuld kan worden aangesproken. Deze redenering geldt niet
voor de van de verzekeringsplichtige ingehouden bijdrage, omdat het
daarbij alleen om diens eigen heffing gaat. De praktische toepassing van
deze aansprakelijkheid zal overigens zeer beperkt zijn. Zo zullen
pensioenfondsen de inkomensafhankelijke bijdrage zonder meer inhouden.
Maar het kan anders zijn, bijvoorbeeld in situaties van "opting-in",
waarbij de verzekeringsplichtige anders op aanslag inkomensafhankelijke
bijdrage zou zijn verschuldigd. Als de desbetreffende
inhoudingsplichtige in gebreke zou blijven de inkomensafhankelijke
bijdrage in te houden en geen verhaal zou bieden, moet de
verzekeringsplichtige daarvoor hoofdelijk aansprakelijk zijn. De
aansprakelijkheid geldt niet onbeperkt. Artikel 38, tweede lid, van de Invorderingswet
1990 houdt onder meer in dat niet aansprakelijk is de
werknemer die de inspecteur omtrent de nalatigheid van de
inhoudingsplichtige in kennis heeft gesteld voordat hij weet of
redelijkerwijze moet vermoeden dat de inspecteur met deze nalatigheid
bekend is of bekend zal worden. Deze bepaling is van overeenkomstige
toepassing voor de aansprakelijkheid ter zake van de
inkomensafhankelijke bijdrage. De overeenkomstige toepassing van artikel
38, eerste lid, aanhef en onder a, van de Invorderingswet
1990 ziet
niet op de werkgeversheffing.
Onderdeel L (artikel 57 van de
Zorgverzekeringswet)
Het voorgestelde nieuwe artikel 57 van de
Zvw regelt de
heffing van bijdragevervangende belasting van de natuurlijke persoon die
gemoedsbezwaren heeft met betrekking tot de AWBZ en daarom op grond van
rblz.| 32
artikel 2, tweede lid, onderdeel b, niet verzekeringsplichtig is voor
de Zvw. Thans is een deel van deze regeling nog opgenomen in
artikel 65
van de Wfsv.
De regeling is bedoeld voor diegenen die zowel
gemoedsbezwaren met betrekking tot de AWBZ als de Zvw hebben: "De
regering acht het wenselijk dat eventuele gemoedsbezwaren alleen worden
gehonoreerd wanneer die gelden met betrekking tot zowel de AWBZ als de
Zvw. De uitwerking is nochtans verschillend. Bij gemoedsbezwaren blijft
in het geval van de AWBZ de verzekering van rechtswege als zodanig
bestaan, maar wordt de betrokkene vrijgesteld van de verplichting tot
premiebetaling. In het geval van de Zvw vervalt de verplichting tot het
sluiten van een zorgverzekeringsovereenkomst".¹
Daarom wordt alleen deze persoon in artikel
2, onderdeel b, van de Zvw ontheven van de verplichting een zorgverzekering af te
sluiten. Hij betaalt derhalve geen premie voor een zorgverzekering en is
evenmin inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd. Wel is de persoon
met deze gemoedsbezwaren een bijdragevervangende belasting verschuldigd.
De rijksbelastingdienst stort deze bijdragevervangende belasting op een
ten behoeve van de gemoedsbezwaarde werknemer bij het College
zorgverzekeringen aangehouden rekening.
De gemoedsbezwaarde heeft op grond van het huidige
tweede lid recht op een werkgeversvergoeding. Dit recht komt te
vervallen omdat de werkgever zelf over het loon van de gemoedsbezwaarde
inkomensafhankelijke bijdrage is verschuldigd.
Degene die wel gemoedsbezwaren heeft met betrekking tot
de AOW of de Anw [Algemene
nabestaandenwet, red.], maar niet tegen de AWBZ, is niet (op grond van artikel
2 van de Zvw) ontheven van de verplichting een zorgverzekering te
sluiten. Er is geen reden om bij deze persoon geen inkomensafhankelijke
bijdrage te heffen, maar bijdragevervangende belasting. Van de thans
ongeveer 12 000 gemoedsbezwaarden zijn er echter maar ongeveer 100 die
geen gemoedsbezwaren hebben tegen de AWBZ en de Zvw. Die groep is te
klein om op het punt van de bijdragevervangende belasting anders te
behandelen dan het overgrote deel van de gemoedsbezwaarden. De daarbij
behorende uitvoeringskosten zouden excessief zijn. In artikel
57, derde
lid, wordt daarom in afwijking van de wettelijke systematiek ook voor
deze groep van gemoedsbezwaarden een bijdragevervangende belasting
geregeld. Omdat deze personen niet gemoedsbezwaard zijn voor de AWBZ en
de Zvw, wordt de van hen geheven bijdragevervangende belasting niet op
een bij het College zorgverzekeringen afzonderlijk aangehouden rekening
gestort. De bijdragevervangende belasting is in dit geval, net als de
inkomensafhankelijke bijdrage die wordt geheven van werknemers die geen
gemoedsbezwaren tegen één van de volksverzekeringen hebben, bestemd voor
het Zorgverzekeringsfonds.
De wijze van heffing van de bijdragevervangende
belasting wordt geregeld in het derde lid. De daarin opgenomen
verwijzing naar artikel 49, tweede lid, zorgt
ervoor dat de door de
gemoedsbezwaarde verschuldigde bijdragevervangende belasting over het
van de inhoudingsplichtige genoten loon als bedoeld in artikel
43,
tweede lid, onderdeel a, wordt geheven bij wijze van inhouding, met
overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van loonbelasting
geldende regels. De verwijzing naar artikel
49, derde lid, zorgt ervoor
dat de bijdragevervangende belasting die verschuldigd is over andere
bestanddelen van het bijdrage-inkomen wordt geheven bij wege van
aanslag met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van
inkomstenbelasting geldende regels. Het derde lid brengt tevens mee dat
de voor de loon- en inkomstenbelasting geldende rechtsbescherming van
overeenkomstige toepassing is.
1. Kamerstukken II 2003-2004,
29 763, nr. 3, blz. 35.
rblz.| 33
Artikel III
Onderdeel A (artikel 11 van de Wet op de
loonbelasting 1964)
Met de uniformering van het loonbegrip vervalt het
werknemersdeel van de AWf-premie. De aanpassingen in artikel 11, eerste
lid, onderdeel j, van de Wet
LB zijn een uitvloeisel van de
wijzigingen in de artikelen 20 en 25 van de
Wfsv (artikel I,
onderdeel
D en G).
Onderdeel B (artikel 11c van de Wet op de
loonbelasting 1964)
Volgens deze wet
is alleen de werkgever premies
werknemersverzekeringen verschuldigd. In afwijking hiervan wordt in
artikel 59, zevende lid, van de Wfsv geregeld dat ingeval de verklaring
geen privégebruik wordt ingetrokken of de werknemer niet doet blijken
dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor
privédoeleinden is gebruikt, de inspecteur aan de werknemer een
naheffingsaanslag oplegt voor de premies werknemersverzekeringen. Deze
premies zijn verschuldigd door de werknemer.
Artikel 11c van de Wet
LB wordt nu in zoverre
aangevuld dat wordt geregeld dat deze van de werknemer nageheven premies
werknemersverzekeringen niet tot een verlaging van het fiscale loon
leiden, hetgeen onder meer doorwerkt naar het loon voor de
inkomstenbelasting. Hiermee worden procedures over de vraag of in
zoverre sprake is van negatief loon - welke vraag ook zonder deze
bepaling overigens ontkennend zou moeten worden beantwoord - voorkomen.
Onderdeel C (artikel 11d van de Wet op de
loonbelasting 1964)
Artikel 11d van de Wet
LB legt vast dat bij de
bepaling van de omvang van het loon geen rekening wordt gehouden met de
ter zake van het loon verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage. Met
deze algemene bepaling staat vast dat:
- de omstandigheid dat de werknemer in situaties
waarin een werkgeversheffing plaatsvindt geen inkomensafhankelijke
bijdrage is verschuldigd, niet tot een tot het loon behorend voordeel
leidt (in tegenstelling tot de huidige werkgeversvergoedingen);
- de - in de andere situaties - op het loon
ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage niet aftrekbaar is (net als
nu);
- geen sprake is van negatief loon als aan de
werknemer een naheffingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage wordt
opgelegd omdat de verklaring geen privégebruik wordt ingetrokken of de
werknemer niet doet blijken dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet
meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt.
Onderdelen D, E en
F (artikelen 18a,
18d en 18e van de Wet op de loonbelasting 1964)
De wijzigingen in de artikelen
18a, achtste lid,
onderdeel a, 18d, derde lid, en 18e, vijfde lid, van de
Wet LB
zijn
het gevolg van een vernummering in artikel 9 van de
AOW (artikel V, onderdeel A).
Onderdeel G (artikel 20a van de
Wet op
de loonbelasting 1964)
Door de wijziging van dit artikel worden de uit het
aanvullende pakket (zie paragraaf 3.4 van deze memorie) voortvloeiende
wijzigingen van het schijventarief in de loonbelasting geregeld voor
belastingplichtigen die geboren zijn op of na 1 januari 1946.
De eerste schijf wordt verlengd met €|700,-; het tarief
van de eerste schijf wordt verhoogd met 2,8 procentpunt. De tweede
schijf wordt verkort met rblz.| 34
€|1200,-; het tarief in de tweede schijf wordt
verhoogd met 0,25 procentpunt. De lengte van de derde schijf wijzigt
niet.
Onderdeel H (artikel 20b van de
Wet op
de loonbelasting 1964)
Door de wijziging van dit artikel wordt de wijziging van
het schijventarief in de loonbelasting geregeld voor belastingplichtigen
die geboren zijn vóór 1 januari 1946. Zie de toelichting
op artikel III,
onderdeel G.
Onderdeel I (artikel 22 van de
Wet op
de loonbelasting 1964)
Door de wijziging van dit artikel wordt als onderdeel
van het aanvullend pakket de algemene heffingskorting met €|35,-
verlaagd. Voor de motivering wordt verwezen naar het algemeen deel van
deze memorie.
Onderdeel J (artikel 22a van de Wet op de
loonbelasting 1964)
In artikel 22a van de Wet
LB wordt met ingang van 1
januari 2011 de (nieuwe) doorwerkbonus in de loonbelasting geregeld.
Deze heffingskorting is een samenvoeging van de tot en met 2010
bestaande arbeidskorting en huidige doorwerkbonus.
Als onderdeel van het aanvullende pakket (zie het
algemeen deel van deze memorie) worden in artikel 22a twee wijzigingen
aangebracht. Het percentage en het maximum voor de afbouw van de
arbeidskorting bij hogere inkomens worden verhoogd met respectievelijk
2,75 procentpunt en €|900,-. De andere wijzigingen volgens het
aanvullende pakket in de arbeidskorting als onderdeel van de (nieuwe)
doorwerkbonus (de verlaging van het maximum met €|125,-, de verlaging
van het maximumbedrag waarover de korting wordt berekend met €|534,- en
de verlaging van de grens waarbij de afbouw van de korting plaatsvindt
met €|2600,-) vloeien voort uit de wijzigingen in artikel 10.7 van de Wet
IB 2001, waar de desbetreffende bedragen zijn opgenomen (artikel XXX,
onderdeel I). Daardoor wijzigen de percentages voor de (nieuwe)
doorwerkbonus in de inkomstenbelasting (artikel 8.11, tweede lid, van de
Wet
IB 2001) en dat werkt volgens artikel 22d van de Wet
LB automatisch door naar de (nieuwe) doorwerkbonus in de loonbelasting.
In artikel 22a, derde lid, onderdeel a, van de
Wet LB
is opgenomen dat hetgeen wordt genoten op grond van artikel 628 van
Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek, alsmede hetgeen door de werknemer met
een publiekrechtelijke dienstbetrekking wordt genoten op grond van naar
aard en strekking overeenkomstige regelingen, voor een periode van
maximaal 104 weken als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking wordt
aangemerkt.
Hiermee komt een einde aan een vorm van discoördinatie
in het loonbegrip die ontstaat bij langdurige loondoorbetaling tijdens
non-actiefstelling, meestal vanwege een arbeidsconflict. Doordat de
loondoorbetaling niet meer staat tegenover de verplichting tot het
verrichten van arbeid is sprake van loon uit vroegere dienstbetrekking.
Daardoor zou de werknemer geen recht hebben op arbeidsgerelateerde
heffingskortingen, hetgeen met deze wijziging wordt voorkomen.
Door de periode af te bakenen tot ten hoogste 104 weken
wordt een duidelijke begrenzing gegeven voor de uitvoering. Voor het
maximum van twee jaar is aansluiting gezocht bij andere vormen van
loondoorbetaling tijdens perioden waarin niet wordt gewerkt, zoals
uitkeringen wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid (ziekte). Verwacht
mag worden dat de aanleiding voor de non-actiefstelling binnen een
dergelijke termijn weggenomen is, of het dienstverband definitief is
verbroken. De verplichte loondoorbetaling blijft in de periode van twee
jaar aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Gedurende
maximaal twee jaar, of zoveel eerder als de dienstbetrekking wordt
verbroken, behoudt de rblz.| 35
werknemer zijn arbeidsgerelateerde
heffingskortingen en rechten op grond van de werknemersverzekeringen. Na
de periode van twee jaar hoeven geen premies werknemersverzekeringen
meer te worden betaald. Met deze, meer technisch gerichte, aanpassing
verdwijnt een vorm van discoördinatie in het loonbegrip.
In artikel 22a, derde lid, onderdeel b, van de
Wet LB
is geregeld dat hetgeen wordt genoten op grond van artikel 628a van
Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek [BW, red.] als loon uit tegenwoordige
dienstbetrekking wordt aangemerkt. Het betreft de loonaanspraak per
oproep. Deze toevoeging is ter verduidelijking opgenomen en volgt
daarmee de systematiek van de overige doorbetalingsverplichtingen uit
het arbeidsrecht.
In artikel 22a, derde lid, onderdeel c, van de
Wet LB wordt loon wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid, als bedoeld in
artikel 629 van
Boek 7 BW gelijkgesteld met loon uit tegenwoordige
arbeid. Het betreft de loondoorbetaling bij ziekte of zwangerschap.
In artikel 22a, derde lid, onderdeel d, van de
Wet LB worden uitkeringen op grond van de Wet arbeid en zorg en de
aanvulling daarop tijdens verlof als loon uit tegenwoordige
dienstbetrekking aangemerkt. Dit onderdeel vormt een voortzetting van de
huidige praktijk.
In verband met de wijziging van het vierde lid, heeft
het vijfde lid geen belang meer en kan dan ook vervallen.
Onderdeel K (artikel 22b van de
Wet op
de loonbelasting 1964)
Door de wijziging van dit artikel wordt de
ouderenkorting als onderdeel van het aanvullend pakket met €|200,-
verhoogd.
Tevens wordt voor mensen met een verzamelinkomen dat
hoger is dan €|34 934,- (bedrag 2010) een ouderenkorting ingevoerd van €|150,-. Zie het
algemeen deel van deze memorie.
Onderdeel L (artikel 22c van de
Wet op
de loonbelasting 1964)
Door de wijziging van dit artikel wordt de
alleenstaandeouderenkorting als onderdeel van het aanvullend pakket met €|60,-
verlaagd. Zie het algemeen deel van deze memorie.
Onderdeel M (artikel 31 van de Wet op de
loonbelasting 1964)
Artikel 31, tweede lid, onderdeel
a, onder 1º, van de Wet
LB regelt dat bij eindheffing in de aldaar genoemde gevallen
het tabeltarief wordt toegepast. Bij de berekening van de verschuldigde
belasting met toepassing van het tabeltarief is volgens de thans
geldende wettekst niet alleen de verschuldigde loonbelasting/premie
volksverzekeringen van belang, maar ook de door de werknemer
verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage en AWf-premie. In de tekst
van artikel 31, derde lid, van de Wet
LB is dat tot uitdrukking
gebracht met de verwijzing naar artikel 41 van de Zvw
respectievelijk
hoofdstuk 3 van de Wfsv.
Omdat het werknemersdeel voor de AWf-premie vervalt, kan
de verwijzing naar hoofdstuk 3 van de Wfsv
vervallen. In verband met
voorgestelde wijzigingen in de Zvw dient de verwijzing naar
artikel 41
van de Zvw te worden gewijzigd in artikel 43 van de
Zvw.
Onderdeel N (artikel 32a van de Wet op de
loonbelasting 1964)
Omdat het werknemersdeel voor de
AWf-premie wordt
afgeschaft, kan de verwijzing in artikel 32a, eerste lid, van de Wet
LB naar hoofdstuk 3 van de Wfsv
vervallen.
rblz.| 36
Onderdelen O en P (artikelen 35 en
35g van
de Wet op de loonbelasting 1964)
Omdat het werknemersdeel voor de
AWf-premie wordt
afgeschaft, vervallen de verwijzingen naar hoofdstuk 3 van de
Wfsv in
artikel 35, derde lid, onderdeel g, en artikel 35g, derde lid, onderdeel
g, van de Wet
LB.
Artikelen IV tot en met XXI
(diverse wijzigingen verband
houdende met de wijzigingen in Wet financiering sociale verzekeringen en
de Zorgverzekeringswet)
Artikel IV
(Algemene nabestaandenwet), artikel V
(Algemene Ouderdomswet), artikel VI, onderdeel A
(artikel 56 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen), artikel VII, onderdeel
A (artikel 10 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering),
artikel VIII (Toeslagenwet), artikel XI, onderdeel A
(artikel 11 van de Werkloosheidswet), artikel XII, onderdeel A
(artikel 11 van de Ziektewet), artikel XIII, onderdeel A
(artikel 48 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten), artikel XVII,
onderdeel A tot en met D (artikelen 8,
9, 34 en 36 van de
Wet
investeren in jongeren), artikel XVIII,
onderdeel A tot en met F
(artikelen 2, 19,
31, 32, 35 en
37 van de Wet werk en
bijstand), artikel
XIX, onderdeel A tot en met C (artikelen
16, 18 en 43 van de
Wet werk
en inkomen kunstenaars) en artikel XXI
(Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag)
De wijzigingen in bovenvermelde wetten zijn een
uitvloeisel van de wijzigingen in de Wfsv in verband met het vervallen
van het werknemersdeel van de AWf-premie dan wel wijzigingen in de Zvw
in verband met het vervallen van de inkomensafhankelijke bijdrage, te
voldoen door uitkeringsgerechtigden en de vergoeding daarvan door de
uitkeringsinstantie en de introductie van een inkomensafhankelijke
bijdrage te voldoen door de uitkeringsinstantie, en zijn louter
technisch van aard.
Artikel VI, onderdeel B
(artikel 58 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen),
artikel VII, onderdeel
B (artikel 44 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering) en
artikel
XIII, onderdeel B
(artikel 50 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten)
Als gevolg van de voorgestelde wijziging van de
Zvw is
geen sprake meer van een vergoeding van de uitkeringsinstantie van de
inkomensafhankelijke bijdrage aan de uitkeringsgerechtigde en van een
inhouding van inkomensafhankelijke bijdrage op de uitkering door de
uitkeringsinstantie. In plaats hiervan is sprake van een
inkomensafhankelijke bijdrage die door de uitkeringsinstantie is
verschuldigd. In verband hiermee zijn de artikelen 58 van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 44 van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en 50 van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten [zie: 3:48
van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten, red.] gewijzigd zodanig
dat door het UWV ook de inkomensafhankelijke bijdrage aan ’s Rijks kas
wordt afgedragen in verband met niet-uitbetaalde uitkeringen aan WSW-ers
[lees: Wsw-ers, red.] [Wsw: Wet sociale
werkvoorziening, red.].
rblz.| 37
Artikel VII,
onderdeel C tot en met G (artikelen
71, 75a, 75b,
91b en 91e van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering),
artikel IX (Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen) en artikel XII, onderdeel B
(artikelen 63a en 63b
van
de Ziektewet)
In geval van verhaal van uitkeringen door het
UWV op de
eigenrisicodrager (of in geval van artikel
84, tweede lid, van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen en artikel 63b
van de Ziektewet op
de kredietinstelling of de verzekeraar) of verhaal van de
eigenrisicodrager op het UWV kan in plaats van de vergoeding van de
inkomensafhankelijke bijdrage van het UWV respectievelijk de
eigenrisicodrager aan de uitkeringsgerechtigde, zoals die vergoeding vóór de wijziging van de Zvw bestond, nu de inkomensafhankelijke
bijdrage die door het UWV respectievelijk de eigenrisicodrager is
verschuldigd worden verhaald. Het UWV vergoedt op grond van artikel 91e
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering aan de
eigenrisicodrager in het kader van het in dit artikel bedoelde
overgangsrecht de inkomensafhankelijke bijdrage van de werkgever in
plaats van de vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage aan de
uitkeringsgerechtigde.
Artikel X
(Wet invoering en financiering Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen)
De door de uitkeringinstantie verschuldigde
inkomensafhankelijke bijdrage wordt nu ten laste van het Reïntegratiefonds
gebracht in plaats van de vergoeding van de inkomensafhankelijke
bijdrage over de desbetreffende inkomensbestanddelen, zoals die
vergoeding bestond vóór de wijziging van de Zvw.
Artikel
XI, onderdeel B (artikel 79 van de Werkloosheidswet)
Het UWV
verhaalt nu op de overheidswerkgever de door het
UWV verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage over de uitkering in
plaats van de vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage over de
vergoeding, zoals die vergoeding bestond vóór de wijziging van de Zvw.
Artikel
XII, onderdeel B (artikelen 39a en 61 van de
Ziektewet)
De door het UWV
verschuldigde inkomensafhankelijke
bijdrage wordt nu op de werkgever verhaald in plaats van de vergoeding
van de inkomensafhankelijke bijdrage over de uitkering, zoals die
vergoeding bestond vóór de wijziging van de Zvw
(artikel 39a van de Ziektewet).
Op grond van artikel 61 van de
Ziektewet wordt de
vergoeding van inkomensafhankelijke bijdrage door het UWV over de
uitkering aan bepaalde groepen militairen ten laste van het Rijk
gebracht. Deze bepaling is zodanig gewijzigd dat de door het UWV
verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ten laste van het Rijk wordt
gebracht.
Artikel
XIII, onderdeel C (artikel 65 van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten)
De door het UWV
verschuldigde inkomensafhankelijke
bijdrage wordt nu ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds
jonggehandicapten gebracht in plaats van de vergoeding van de
inkomensafhankelijke bijdrage over de uitkeringen, zoals die vergoeding
bestond vóór de wijziging van de Zvw.
rblz.| 38
Artikel XIV
(Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers) en artikel XV
(Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen)
Artikel 10 van de
Wet inkomensvoorzieningen oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en artikel 10
van de Wet inkomensvoorzieningen oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) vervallen omdat als
gevolg van de wijzigingen van de Wfsv geen sprake meer is van inhouding
van premies werknemersverzekeringen.
Op grond van paragraaf 5 van hoofdstuk II van de
Ioaw en
de Ioaz kan een verstrekte uitkering van de belanghebbende worden
teruggevorderd. De definitie van het begrip "uitkering" in artikel 31
van beide wetten is gewijzigd in verband met de afschaffing van de
inhouding van premies werknemersverzekeringen en het vervallen van de
vergoeding van de inkomensafhankelijk bijdrage Zvw. Opgemerkt wordt dat
de door het college van B&W betaalde inkomensafhankelijke bijdrage
als bedoeld in artikel 42 van de Zvw niet kan worden verhaald op de
belanghebbende. Hiermee wordt aangesloten bij artikel
42, vijfde lid,
van de Zvw, waarin is vastgelegd dat de door de werkgever verschuldigde
inkomensafhankelijke bijdrage niet op de werknemer kan worden verhaald.
Het college van B&W krijgt de achteraf gezien ten onrechte betaalde
inkomensafhankelijke bijdrage terug van de belastingdienst.
Artikel XVI
(Wet inkomensvoorziening oudere werklozen)
Artikel 28 van de
Wet inkomensvoorziening oudere
werklozen heeft betrekking op de vereveningsbijdrage. Dit artikel kan
vervallen omdat als gevolg van de wijzigingen van de Wfsv
geen sprake
meer is van inhouding van premies werknemersverzekeringen, waaraan de
vereveningsbijdrage is gekoppeld.
In het huidige artikel
40, eerste lid, van de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen is bepaald dat de door het UWV
te
verstrekken vergoeding als bedoeld in artikel 46 van de Zvw
ten laste
komt van het Toeslagenfonds. Met de voorgestelde wijziging wordt
bewerkstelligd dat in plaats van deze vergoeding de door het UWV
verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ten laste komt van het
Toeslagenfonds.
Artikel XVII, onderdeel E
(artikel 47 van de Wet
investeren in jongeren)
De gemeente vergoedt de door het
UWV verschuldigde
inkomensafhankelijke bijdrage in plaats van de door het UWV
verschuldigde vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage, zoals die
vergoeding bestond vóór de wijziging van de Zvw, over de te verlenen
inkomensvoorziening respectievelijk bijstand.
Artikel XVIII,
onderdeel G,
H en
I
(artikelen 53, 58 en
69 van de Wet werk en bijstand)
De wijziging van artikel 53 van de
Wet werk en bijstand
brengt met zich mee dat de in dit artikel bedoelde vergoeding van de gemeente
aan het UWV mede betrekking heeft op de door de gemeente over
de bijstand verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage.
De tweede volzin van het vierde lid van artikel 58 van
de Wet werk en bijstand wordt gewijzigd in verband met het vervallen van
de vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw. Opgemerkt wordt
dat de door het college van B&W betaalde inkomensafhankelijke
bijdrage als bedoeld in artikel 42 van de Zvw
niet kan worden verhaald
op de belanghebbende. Hiermee wordt aangesloten bij artikel
42, vijfde
lid, van de Zvw op grond rblz.| 39
waarvan de door de werkgever verschuldigde
inkomensafhankelijke bijdrage niet kan worden verhaald op de werknemer.
Het college van B&W krijgt de achteraf gezien ten onrechte betaalde
inkomensafhankelijke bijdrage terug van de belastingdienst.
Op grond van artikel 69 verstrekt de
Minister van SZW
jaarlijks aan het college van B&W een vergoeding ten laste van ’s
Rijks kas voor onder andere de vergoeding van inkomensafhankelijke
bijdrage over de bijstandsuitkeringen. Deze bepaling is zodanig
gewijzigd dat de door het college van B&W verschuldigde
inkomensafhankelijke bijdrage ten laste van het Rijk wordt gebracht.
Artikel XIX, onderdeel D
(artikel 48 van de Wet werk en
inkomen kunstenaars)
In het gewijzigde artikel 48 van de
Wet werk en inkomen
kunstenaars is tot uitdrukking gebracht dat de vergoeding van de kosten
van uikeringen door de Minister van SZW mede betrekking heeft op de door
het college van B&W verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage over
de uitkeringen.
Artikel XX
(Wet arbeid en zorg)
In de wijziging van artikel 3.24 van de
Wet arbeid en
zorg is tot uitdrukking gebracht dat ook tot de grondslag voor de
uitkering ter zake van vervanging de inkomensafhankelijke bijdrage
behoort die door het UWV verschuldigd zou zijn bij uitbetaling van de
uitkering in verband met zwangerschap en bevalling.
Artikel XXII
(artikel XXVI van de Reparatiewet VWS 2006)
In artikel XXVI, onderdeel
A, onder 1, van de Reparatiewet VWS
2006 is een wijziging opgenomen van artikel
1,
onderdeel l, van de Zvw. Deze wijziging is niet in werking getreden en
kan nu vervallen omdat genoemd onderdeel l bij deze wet
wordt gewijzigd.
Artikel XXIII
(artikel 2.5.8 van de Invoerings- en
aanpassingswet Zorgverzekeringswet)
Op grond van artikel 2.5.8 van de
Invoerings- en
aanpassingwet Zorgverzekeringswet (hierna: IZvw) mag een
inhoudingsplichtige de op grond van artikel 46 van de Zvw
aan de
werknemer verschuldigde vergoeding verminderen met de vergoeding die hij
op grond van een op 31 december 2005 bestaande arbeidsovereenkomst,
collectieve arbeidsovereenkomst of andere overeenkomst aan de
verzekeringsplichtige werknemer betaalt ter zake van de premie voor een
(ziektekosten)verzekering die prestaties als bedoeld in artikel 11 van
de Zvw dekt. Genoemde bepaling is een overgangsmaatregel die is
ingevoerd om te voorkomen dat ten gevolge van de invoering van de Zvw
en
de daaruit voortvloeiende verplichte werkgeversbijdrage een cumulatie
zou ontstaan van een op grond van een (collectieve arbeids)overeenkomst
reeds bestaande werkgeversbijdrage en de wettelijke werkgeversbijdrage.¹
Met de maatregel werd voorkomen dat aan op 31 december 2005 bestaande (CAO-)afspraken afbreuk werd gedaan en bevorderd dat
inhoudingsplichtigen deze afspraken konden nakomen. De bepaling geldt
niet voor (CAO-)afspraken die na de inwerkingtreding van de Zvw tot
stand gekomen zijn.
In de toelichting op artikel 2.5.8 van de IZvw is
opgemerkt dat is te rblz.| 40
verwachten dat de in CAO’s en andere
overeenkomsten opgenomen vergoedingen voor gezondheidszorg beëindigd
zullen worden of zullen wijzigen in verband met de inwerkingtreding van
de Zvw. De maatregel werd voorgesteld omdat hiermee enige tijd kon zijn
gemoeid.
Artikel 2.5.8, vierde en vijfde lid, van de
IZvw zorgt
ervoor dat de vergoeding van de premie voor een ziektekostenverzekering
niet behoort tot de grondslag waarover premies werknemersverzekeringen
en inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd zijn.
Dit wetsvoorstel beoogt te komen tot een uniform
loonbegrip voor alle loonheffingen. Daartoe wordt onder meer voorgesteld
de werkgeversvergoeding van artikel 46 van de Zvw
af te schaffen en in
plaats daarvan een inkomensafhankelijke bijdrage te heffen van de
inhoudingsplichtige. Dat betekent onder meer dat wanneer een werkgever
zijn werknemer een vergoeding betaalt voor de premie van een
ziektekostenverzekering, deze vergoeding tot het loon behoort, waarover
loonbelasting/premie volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen
en inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd zijn.
Met de invoering van dit systeem in het algemeen en de
afschaffing van de wettelijke werkgeversbijdrage in het bijzonder
bestaat er geen reden meer artikel 2.5.8 van de
IZvw nog langer in
stand te houden. Met de afschaffing van de wettelijke werkgeversbijdrage
komt de grond aan artikel 2.5.8 van de
IZvw te ontvallen. Bovendien zou
een tegemoetkoming voor de hoogstens nog slechts incidenteel voorkomende
situatie dat op basis van een op 31 december 2005 bestaande (CAO-)afspraak een vergoeding voor de premie van een
ziektekostenverzekering wordt betaald al direct tot een inbreuk op het
nieuw voorgestelde wettelijke systeem leiden.
Bij de beoogde invoering van dit wetsvoorstel in 2011 of
2012 wordt aangenomen dat de CAO’s en andere overeenkomsten tegen die
tijd inmiddels zijn aangepast en dat vergoedingen als bedoeld in artikel
2.5.8 van de IZvw daarin niet meer voorkomen, dan wel dat - voor
zover dat nog wel het geval is - werkgevers en werknemers voldoende
tijd hebben op afschaffing ervan te anticiperen.
In verband daarmee kan artikel 2.5.8 van de
IZvw vervallen.
1. Kamerstukken II 2004-2005,
30 124, nr. 3, blz. 41-42.
Artikel XXIV
Onderdeel A (artikel 1 van de Wet op de
zorgtoeslag)
De zorgtoeslag is gelijk aan het verschil tussen de
standaardpremie en de zogenoemde normpremie. De standaardpremie is
gelijk aan de gemiddelde nominale premie voor een zorgverzekering als
bedoeld in de Zvw, vermeerderd met het gemiddeld bedrag aan verplicht
eigen risico dat een gezonde verzekerde jaarlijks aan het verplicht
eigen risico voor zijn zorgverzekering kwijt zal zijn; zie artikel 4 van
de Wet op de zorgtoeslag. De normpremie is te zien als het percentage
van het inkomen dat een verzekeringsplichtige geacht wordt te reserveren
voor het betalen van zijn nominale premie voor een zorgverzekering als
bedoeld in de Zvw. Artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag bepaalt hoe de
normpremie wordt berekend. Daarbij speelt het zogenoemde "drempelinkomen"
zoals
gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de
Wet op de
zorgtoeslag een rol. Dit was tot nog toe het minimumloon per maand als
bedoeld in de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, verminderd met
het werknemersdeel in de AWf-premie en vermeerderd met de
werkgeversvergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zvw. Nu zowel het
werknemersdeel in de AWf-premie als de werkgeversvergoeding komen te
vervallen, vervallen de verwijzingen daarnaar uit artikel
1, eerste lid,
onderdeel f, van de Wet op de
zorgtoeslag.
rblz.| 41
Onderdeel B (artikel 2 van de Wet op de
zorgtoeslag)
De voorgestelde wijziging van artikel 2 van de
Wet op de
zorgtoeslag voorkomt dat door de verlaging van de fiscale lonen en de
verzamelinkomens, die het gevolg is van het vervangen van een tot het
loon te rekenen werkgeversbijdrage door een werkgeversheffing die het
fiscale loon niet raakt, een groter beroep op de zorgtoeslag wordt
gedaan.
Artikelen XXV tot en met XXIX
(diverse wijzigingen
verband houdende met het vervallen van het werknemersdeel in de AWf-premie)
Artikel XXV, onderdeel A
(artikel 3a van de Wet
buitengewoon pensioen 1940-1945), artikel XXVI, onderdeel A
(artikel 5
van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet) en artikel XXVII,
onderdeel A (artikel 2 van de Wet buitengewoon pensioen
zeelieden-oorlogsslachtoffers)
Omdat het werknemersdeel in de
AWf-premie wordt
afgeschaft, vervallen de artikelen 36 van de Wet
buitengewoon pensioen 1940-1945 (artikel XXV, onderdeel
C), 43 van de
Wet
buitengewoon pensioen Indisch verzet (artikel XXVI, onderdeel
C) en 32 van de
Wet
buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (artikel XXVII,
onderdeel C). In verband hiermee worden ook de artikelen 3a van de
Wet
buitengewoon pensioen 1940-1945, 5 van de Wet
buitengewoon pensioen Indisch verzet en 2 van de Wet
buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers aangepast, omdat daarin wordt verwezen
naar genoemde artikelen 36, 43, respectievelijk 32. De artikelleden
waarin deze verwijzingen zijn opgenomen, kunnen vervallen.
Artikel XXVIII, onderdeel A
(artikel 19 van de Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945)
Omdat het werknemersdeel in de
AWf-premie wordt
afgeschaft, vervalt artikel 26 van de Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (artikel XXVIII, onderdeel
C). In
verband hiermee wordt ook artikel 19 van die
wet aangepast, omdat daarin
meerdere keren wordt verwezen naar genoemd artikel 26. Deze verwijzingen
kunnen vervallen.
Artikel XXV, onderdeel B
(artikel 31h van de Wet
buitengewoon pensioen 1940-1945),
artikel XXVI, onderdeel B
(artikel
35d van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet),
artikel XXVII,
onderdeel B (artikel 28h van de Wet buitengewoon pensioen
zeelieden-oorlogsslachtoffers),
artikel XXVIII, onderdeel B
(artikel 23a
van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945) en
artikel XXIX, onderdeel A (artikel 17a van de Wet uitkeringen
vervolgingsslachtoffers 1940-1945)
Pensioenen en uitkeringen op grond van de hier genoemde
wetten voor oorlogsgetroffenen worden beschouwd als loon in de zin van
de Wet
LB, waarover zij derhalve op grond van de Zvw
zoals die
thans luidt inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd waren. Recht op
een werkgeversvergoeding als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van
die
wet bestond echter niet. Dat was geregeld in artikel
5.4, onderdeel b,
onder 4º, van de Regeling zorgverzekering. Gevolg hiervan was dat van
deze pensioen- en uitkeringsgerechtigden de zogenoemde lage
inkomensafhankelijke bijdrage van - per 1 januari 2009 - 4,8% werd
geheven. Bij de Wet van 24 januari 2008, houdende wijziging van de Wet
buitengewoon pensioen 1940-1945, de Wet
buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, de Wet
buitengewoon pensioen Indisch verzet, de Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en de Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 rblz.| 42
in verband met de
toekenning van een toeslag ter compensatie van de inkomensafhankelijke
bijdrage, bedoeld in artikel 41 en de bijdrage, bedoeld in artikel
69,
tweede lid, van de Zvw (Stb. 2008, 50) is geregeld dat de desbetreffende
pensioen- en uitkeringsgerechtigden een toeslag op hun pensioen of
uitkering ontvingen zodanig dat zij geheel gecompenseerd werden voor
het feit dat zij geen werkgeversvergoeding als bedoeld in artikel 46 van
de Zvw voor de inkomensafhankelijke bijdrage ontvingen.
De in de desbetreffende bepalingen voorkomende
verwijzingen naar de Zvw worden aangepast in verband met de voorgestelde
wijzigingen in de Zvw. Deze wijzigingen zijn van technische aard.
Artikel XXV, onderdeel C
(artikel 36 van de
Wet
buitengewoon pensioen 1940-1945),
artikel XXVI, onderdeel C
(artikel
43 van de
Wet
buitengewoon pensioen Indisch verzet),
artikel XXVII,
onderdeel C (artikel 32 van de
Wet
buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers),
artikel XXVIII, onderdeel C
(artikel 26
van de Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945) en
artikel
XXIX, onderdeel B (artikel 19a van de
Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945)
De desbetreffende bepalingen in bovenvermelde wetten
voorzien in de inhouding op het pensioen of de (garantie-)uitkering van
een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van de premie die een werkgever
ingevolge hoofdstuk 3 van de Wfsv
op het overeenkomstige loon van een
werknemer inhoudt.
Met het vervallen van het werknemersdeel van de
AWf-premie hebben deze bepalingen hun belang verloren en kunnen zij
daarom vervallen.
Artikel XXX
Onderdeel A (artikel 2.10 van de Wet
inkomstenbelasting 2001)
Deze wijziging is overeenkomstig die van artikel
20a van
de Wet
LB, zoals toegelicht bij artikel III, onderdeel
G.
Onderdeel B (artikel
2.10a van de Wet
inkomstenbelasting 2001)
Deze wijziging is overeenkomstig die van artikel
20a van
de Wet
LB (artikel III, onderdeel H).
Onderdeel C (artikel 3.16 van de Wet
inkomstenbelasting 2001)
Het huidige artikel 3.16, tweede lid, onderdeel
e, legt
vast dat de van de belastingplichtige geheven en op hem betrekking
hebbende inkomensafhankelijke bijdrage niet op de winst in aftrek wordt
gebracht. De bepaling komt voort uit het vervallen van de Ziekenfondswet
en de invoering van de Zvw in 2006. In verband met de uitbreiding van de
kring van verzekerden ingevolge de Ziekenfondswet met zelfstandigen
werd met ingang van 1 januari 2000 in artikel 8a, eerste lid, Wet IB
1964 geregeld dat de premies ziekenfondsverzekering die betrekking
hebben op de verzekering van de belastingplichtige werden uitgesloten
van kostenaftrek. De bepaling is vervolgens overgenomen in artikel 3.16,
tweede lid, van de Wet
IB 2001. In verband met het vervallen van de
Ziekenfondswet en de invoering van de Zvw met ingang van 1 januari 2006
is de bepaling komen te vervallen en is sindsdien het huidige artikel
3.16, tweede lid, onderdeel e, van toepassing.
De aftrekbeperking ziet slechts op de van de
belastingplichtige geheven rblz.| 43
inkomensafhankelijke bijdrage. Niet van aftrek
uitgesloten is de vergoeding die een belastingplichtige ondernemer - tevens inhoudingsplichtige
- op grond van het huidige artikel 46 van
de Zvw aan tot hem in dienstbetrekking staande werknemers moet betalen.
Voor de aftrekbeperking wordt thans verwezen naar
paragraaf 5.2 van de Zvw. Voorgesteld wordt te verwijzen naar
artikel 43
van de Zvw. Hiermee wordt beoogd duidelijk te maken dat slechts de op de
belastingplichtige zelf betrekking hebbende en van hem geheven
inkomensafhankelijke bijdrage van aftrek is uitgesloten. Is de
belastingplichtige ondernemer tevens inhoudingsplichtige - omdat tot
hem één of meer werknemers in dienstbetrekking staan -, dan wordt van
hem op grond van het voorgestelde artikel 42 van de Zvw
tevens een
inkomensafhankelijke bijdrage geheven over het aan zijn werknemers
betaalde loon. Deze zogenoemde werkgeversheffing mag - net als de
thans door de werkgever op grond van artikel 46 van de Zvw
betaalde
vergoeding en de van de werkgever geheven premie werknemersverzekeringen
- op de winst in aftrek worden gebracht.
Onderdeel D (artikel
3.79a van de Wet
inkomstenbelasting 2001)
Door de wijziging van dit artikel wordt de
MKB-winstvrijstelling met 2 procentpunt verhoogd. Zie het algemeen deel
van deze memorie.
Onderdeel E (artikel 8.10 van de
Wet
inkomstenbelasting 2001)
De voorgestelde wijziging met betrekking tot de
heffingskorting is overeenkomstig die voor de loonbelasting. Zie de
toelichting op artikel 22 van de Wet
LB (artikel III, onderdeel I).
Onderdeel F (artikel 8.11 van de
Wet
inkomstenbelasting 2001)
De voorgestelde wijzigingen met betrekking tot de
arbeidskorting als onderdeel van de (nieuwe) doorwerkbonus zijn
toegelicht bij de wijziging van artikel 22a van de Wet
LB (artikel
III, onderdeel J).
Onderdeel G (artikel 8.17 van de
Wet
inkomstenbelasting 2001)
De voorgestelde wijzigingen met betrekking tot de
ouderenkorting zijn toegelicht bij de wijziging van artikel 22b van de
Wet LB
(artikel III, onderdeel K).
Onderdeel H (artikel 8.18 van de
Wet
inkomstenbelasting 2001)
De voorgestelde wijziging met betrekking tot de
alleenstaande ouderenkorting is toegelicht bij de wijziging van artikel
22c van de Wet
LB (artikel III, onderdeel L).
Onderdeel I (artikel 10.7 van de Wet
inkomstenbelasting 2001)
De voorgestelde wijzigingen met betrekking tot de hoogte
van de arbeidskorting als onderdeel van de (nieuwe) doorwerkbonus zijn
al toegelicht bij artikel III, onderdeel J. De andere wijzigingen in
artikel 10.7 van de Wet
IB 2001, die betrekking hebben op de tekst vóór
de indexatie van de arbeidskorting als onderdeel van de (nieuwe)
doorwerkbonus, vloeien voort uit rblz.| 44
het vervallen van het werknemersdeel
van de AWf-premie en de werkgeversvergoeding als bedoeld in artikel 46
van de Zvw.
Artikel XXXI
Onderdeel A (artikel 31 van de
Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
[WVA, red.])
Artikel 31, tweede lid, schrijft voor hoe het toetsloon
voor de afdrachtvermindering onderwijs wordt berekend. Dit toetsloon is
afgeleid van het wettelijk minimumloon. Om het toetsloon te berekenen,
wordt in artikel 31, tweede lid, verwezen naar artikel 8, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, de
bepaling die het bedrag van het maandelijkse minimumloon vaststelt. Voor
de berekening van het toetsloon moet het maandelijkse minimumloon onder
meer met een factor twaalf worden vermenigvuldigd om te komen tot een
minimumloon op jaarbasis. Dit bedrag moet vervolgens nog worden
gecorrigeerd met het werknemersaandeel in de premie volgens de Wfsv
en
de vergoeding als bedoeld in artikel 46 van de Zvw om het wettelijk
minimumloon te laten aansluiten op het belastbaar loon. Deze correcties
zijn niet meer nodig in verband met het vervallen van het werknemersdeel
in de AWf-premie en de werkgeversvergoeding als bedoeld in artikel 46
van de Zvw. In verband hiermee heeft ook het derde lid geen belang meer
en kan derhalve vervallen.
Onderdeel B (artikel 33 van de
Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen)
Met ingang van 1 januari 2003 is de afdrachtvermindering
langdurig werklozen afgeschaft. Artikel 33 van de
WVA
regelt dat voor de
per 1 januari 2003 afgeschafte afdrachtvermindering langdurig werklozen
een overgangsregeling van toepassing is met betrekking tot werknemers
die bij de inhoudingsplichtige vóór die datum in dienst waren en voor
wie de inhoudingsplichtige de afdrachtvermindering reeds toepaste. De
afdrachtvermindering is met betrekking tot die werknemers gedurende ten
hoogste 48 maanden van toepassing, tot uiterlijk 1 januari 2007. Met
ingang van 1 januari 2007 is een einde gekomen aan deze
overgangsregeling. Artikel 33 heeft daardoor geen belang meer en kan
vervallen.
Artikel XXXII
(artikel 2 van de Wet op het kindgebonden
budget)
Met de voorgestelde wijziging van artikel 2 van de
Wet op het
kindgebonden budget wordt voorkomen dat de verlaging van de
fiscale lonen en de verzamelinkomens die het gevolg is van het vervangen
van de werkgeversvergoedingen door een heffing bij werkgevers wat de
inkomensafhankelijke bijdrage betreft tot gevolg heeft dat een groter
beroep op het kindgebonden budget wordt gedaan.
Artikel XXXIII
Onderdeel A (artikel 2.23 van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten)
Met de voorgestelde wijziging van artikel 2.23 van de
Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten wordt voorkomen dat
de verlaging van de fiscale lonen en de verzamelinkomens die het gevolg
is van het vervangen van de werkgeversvergoedingen door een heffing bij rblz.| 45
werkgevers wat de inkomensafhankelijke bijdrage betreft tot gevolg heeft
dat een groter beroep op die
wet wordt gedaan.
Onderdeel B (artikel 10.6 van de
Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten)
Deze bepaling regelt de omvang van het toetsingsinkomen,
waarboven op grond van artikel 10.5, tweede lid, van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten geen aanspraak meer
bestaat op tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en in de schoolkosten
voor in de wet bepaalde vormen van onderwijs. In verband met de
voorgestelde wijzigingen in de Zvw dient de verwijzing naar
artikel 41
van de Zvw te worden gewijzigd in artikel 43 van de
Zvw. Een
inhoudelijke wijziging is hiermee niet beoogd.
Artikel XXXIV
(artikel 3.9 van de Wet studiefinanciering
2000)
Met de voorgestelde wijziging van artikel 3.9 van de
Wet
studiefinanciering 2000 wordt voorkomen dat de verlaging van de fiscale
lonen en de verzamelinkomens die het gevolg is van vervangen van de
werkgeversvergoedingen door een heffing bij werkgevers wat de
inkomensafhankelijke bijdrage betreft tot gevolg heeft dat een groter
beroep op de aanvullende beurs wordt gedaan.
Artikel XXXV
(artikel 24 van de Waterleidingwet)
Artikel 24 van de Waterleidingwet
regelt de
rechtsgevolgen van een plan als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van die
wet voor de werknemer die ontslagen wordt. Artikel 24, vijfde lid,
geeft recht op een bijdrage in de premie van een ziektekostenverzekering
aan een ontslagen werknemer wiens werkgever vóór het ontslag een
bijdrage in die kosten leverde en voor wie in zijn wachtgeldperiode geen
regeling geldt op grond waarvan een ander verplicht is bij te dragen in
die premie. De wachtgeldinstantie moet dan dezelfde bijdrage leveren als
voorheen de werkgever. De Zvw verplicht de wachtgeldinstantie/inhoudingsplichtige
tot vergoeding van de door een verzekeringsplichtige verschuldigde
inkomensafhankelijke bijdrage. Om te voorkomen dat de
inhoudingsplichtige (dat kan de rechtspersoon/uitkeringsinstantie zijn,
maar ook de "ander", zoals bijvoorbeeld de vroegere werkgever) dubbele
lasten zou dragen doordat deze zowel de vergoeding van de
inkomensafhankelijke bijdrage als de bijdrage krachtens de regeling of
het vijfde lid verschuldigd zou zijn, geeft het zevende lid de
mogelijkheid tot saldering. Daartoe wordt artikel 2.5.8 van de
IZvw van
overeenkomstige toepassing verklaard. Dat betekent dat de vergoeding van
de inkomensafhankelijke bijdrage mag worden verminderd met de op grond
van het vijfde lid van artikel 24 verschuldigde bijdrage.
Hetgeen bij artikel XXIII is toegelicht met betrekking
tot het laten vervallen van artikel 2.5.8 van de
IZvw geldt ook voor
artikel 24, zevende lid, van de Waterleidingwet: de tegemoetkoming kan
vervallen omdat met de afschaffing van de wettelijke werkgeversbijdrage
de grond ervoor is komen te ontvallen en omdat een tegemoetkoming voor
dit soort hoogstens nog incidenteel voorkomende gevallen al direct tot
een inbreuk op het nieuw voorgestelde wettelijke systeem zou leiden.
Bovendien mag worden aangenomen dat de CAO’s en andere
overeenkomsten bij de beoogde invoering van dit wetsvoorstel in 2011 of
2012 inmiddels zijn aangepast en dat vergoedingen als bedoeld in artikel
2.5.8 rblz.| 46
van de IZvw dan wel artikel 24, zevende lid, van de
Waterleidingwet daarin niet meer voorkomen, dan wel dat werkgevers en
werknemers voldoende tijd hebben op afschaffing ervan te anticiperen.
In verband daarmee kan artikel 24, zevende lid, van de
Waterleidingwet vervallen.
Artikel XXXVI
(artikel 29 van de Wet financiële
voorzieningen privatisering ABP)
Artikel 29, tweede lid, van de Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP kan vervallen in verband met het
afschaffen van het werknemersdeel in de AWf-premie.
Artikel XXXVII
(artikelen 17 van de Wet financiering
sociale verzekeringen en 50 van de Zorgverzekeringswet)
De teruggaven aan werkgevers worden bij de
inwerkingtreding van deze wet afgeschaft. In zoverre worden artikel 17
van de Wfsv en artikel 50 van de Zvw gewijzigd. Met betrekking tot de
"oude"
jaren moeten de teruggaven nog wel volgens de toen bestaande systematiek
plaatsvinden. Het voorgestelde artikel XXXVII voorziet hierin.
Artikel XXXVIII
(tijdelijke heffingskorting met
betrekking tot de inkomstenbelasting)
Deze nieuwe tijdelijke heffingskorting, een onderdeel
van het aanvullend pakket, is bedoeld voor de vutters en de vroeg
gepensioneerden die de inkomensafhankelijke bijdrage zelf zijn
verschuldigd. In het algemeen deel van deze memorie wordt hierop nader
ingegaan. Waar voor bepaalde vutters (degene van wie de uitkering vóór
1 januari 2006 is ingegaan en waarvoor de uitkeringsgerechtigde
verzekerd was voor de Ziekenfondswet) met betrekking tot de
inkomensafhankelijke bijdrage het regime voor werknemers geldt, is geen
compensatie nodig. Daarom wordt in de tekst van artikel XXXVIII als
voorwaarde voor de heffingskorting gesteld dat op de uitkering de
inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 43 van de Zvw,
wordt
ingehouden.
Met betrekking tot het eerste jaar dat voor het nieuwe systeem
geldt, bedraagt de heffingskorting 1% van de VUT- of
prepensioenuitkering met een maximum van €|182,-.
Het percentage van de heffingskorting wordt in de twee
volgende jaren verlaagd tot respectievelijk 0,67 en 0,33, met
dienovereenkomstige verlaging van het maximum.
Het gaat om een persoonlijke heffingskorting (alleen
voor de belasting en niet voor de premie volksverzekeringen) die niet
aan de partner van de belastingplichtige kan worden "overgedragen".
De heffingskorting is bedoeld voor degenen die de
leeftijd van 65 jaar nog niet hebben bereikt. Daarna is de
ouderenkorting van toepassing, waarvoor een andere compensatie geldt.
Met betrekking tot het jaar waarin de belastingplichtige de leeftijd van
65 bereikt, geldt voor de inkomstenbelasting alleen de ouderenkorting.
Cumulatie van beide kortingen (en de verhogingen daarvan in het
aanvullende pakket) is dus niet mogelijk.
rblz.| 47
Artikel XXXIX
(tijdelijke heffingskorting met betrekking
tot de loonbelasting)
De tekst van dit artikel met betrekking tot de
heffingskorting die is bedoeld voor de vutters en de vroeg
gepensioneerden is praktisch identiek aan die van artikel XXXVIII voor
de inkomstenbelasting.
Bij de loonbelasting kan deze heffingskorting slechts
ten opzichte van één inhoudingsplichtige geldend worden gemaakt
(artikel 23 van de Wet
LB). Ingeval iemand meerdere VUT- of
prepensioenuitkeringen heeft, kan hij de volledige heffingskorting dus
pas de inkomstenbelasting benutten.
Ook is er verschil tussen de loonbelasting en de
inkomstenbelasting in het jaar waarin de belastingplichtige de leeftijd
van 65 jaar bereikt. Voor de loonbelasting geldt deze heffingskorting
als de werknemer op het moment van inhouding jonger is dan 65 jaar.
Daarna is de ouderenkorting van toepassing. Voor de inkomstenbelasting
geldt in dat jaar alleen de ouderenkorting.
Artikel XL
(overgangsbepaling aanpassing bedragen
tabellen schijventarief)
Zoals in het algemeen deel
van deze memorie is
aangegeven, wordt het schijventarief gewijzigd: verhoging tarief eerste schijf met 2,8 procentpunt, verhoging tarief
tweede schijf met 0,25
procentpunt, verlenging eerste schijf met €|700,- en verkorting tweede
schijf met €|1200,-. Deze wijzigingen worden aangebracht in de
artikelen 2.10 en 2.10a van de Wet
IB 2001 (artikel XXX, onderdeel A en
B) en in de artikelen 20a en 20b van de Wet
LB (artikel III, onderdeel G en H). In die tabellen worden ook belastingbedragen genoemd
die worden verhoogd met het tarief als het belastbaar inkomen uit werk
en woning de vorige tariefschijf te boven gaat. Deze bedragen kunnen nu
niet worden aangepast omdat nog niet bekend is wanneer dit wetsvoorstel
ingaat en in hoeverre de inflatiecorrectie is toegepast. Die
belastingbedragen volgen echter uit de lengte van de tariefschijven en
de tarieven en kunnen daarom op het moment van inwerkingtreding van de
wijzigingen in het schijventarief bij ministeriële regeling worden
vastgesteld.
Artikel XLI
(samenloop met Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten) [vervangen,
red.]
Bij het voorstel van wet
tot wijziging van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met het
bevorderen van de participatie van jonggehandicapten door werk en
arbeidsondersteuning (Kamerstukken 31 780) wordt de citeertitel van de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten gewijzigd in
Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten. Met deze bepaling wordt,
wanneer voornoemd wetsvoorstel in werking is getreden, artikel XIII
hiermee in overeenstemming gebracht.
Verder is geregeld dat artikel 5.8.8 [2:54]
van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten komt te vervallen indien
voornoemde wet eerder in werking is getreden dan deze wet. Dit artikel
heeft betrekking op de vereveningsbijdrage. Dit artikel kan vervallen
omdat als gevolg van de wijzigingen van de Wfsv
geen sprake meer is van
inhouding van premies werknemersverzekeringen, waaraan de
vereveningsbijdrage is gekoppeld.
rblz.| 48
Artikel XLII
(samenloop met artikel 51 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen)
Bij het in artikel XLII genoemde wetsvoorstel
(Kamerstukken 32 037) wordt een artikel 51 in de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ingevoegd. Op grond van deze
bepaling verstrekt de Minister van SZW jaarlijks aan de Sociale
verzekeringsbank (SVB) een uitkering ten laste van ’s Rijks kas voor
onder andere de vergoeding van inkomensafhankelijke bijdrage over de
aanvullende inkomensvoorziening ouderen. Deze bepaling is zodanig
gewijzigd dat de door de SVB verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage
ten laste van het Rijk wordt gebracht.
Artikel XLIII
(inwerkingtreding)
Deze wet
treedt in werking op een bij koninklijk besluit
te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
In het algemeen deel van deze memorie is al opgemerkt
dat in het voorjaar van 2010 een keuze zal worden gemaakt tussen
invoering per 1 januari 2011 of 2012, waardoor invoering op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip noodzakelijk is. De wettekst
biedt verder de mogelijkheid dat de inwerkingtreding voor de
verschillende artikelen of onderdelen verschillend kan worden
vastgesteld. Van deze mogelijkheid kan gebruik worden gemaakt door een
bepaalde wijziging nog niet in werking te laten treden. Dat kan
bijvoorbeeld aan de orde komen als een wijziging volgens de Wet
uniformering loonbegrip met betrekking tot een inkomensafhankelijke
regeling naar de dan geldende inzichten niet in die vorm wordt gewenst
of als een bijkomende wetswijziging (bijvoorbeeld die in de Waterleidingwet) door het tijdsverloop is achterhaald.
De Staatssecretaris van Financiën,
J.C. de Jager
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
A. Klink
|
|