|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2009-2010, 32 464
Wijziging
van de Werkloosheidswet, de Ziektewet
en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
om cumulatie van de uitkeringsduur op grond van de Ziektewet met de
uitkeringsduur op grond van de Werkloosheidswet tegen te gaan en enige
andere wijzigingen (Wet anticumulatie Ziektewet en Werkloosheidswet)
¹
1. Tijdens de parlementaire
behandeling is de Wet anticumulatie Ziektewet en Werkloosheidswet
voorzien van een nieuwe citeertitel, luidende: Wet wijziging verrekening
inkomsten met ziekengeld, en is artikel I
van de wet (wijziging van de Werkloosheidswet)
ingetrokken, red.
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Vangnetmaatregelen |
| 2.1 |
Inleiding |
| 2.2 |
Achtergrond en doel van de
vangnetmaatregelen |
| 2.3 |
Inhoud van de voorgestelde
vangnetmaatregelen |
| 2.4 |
Overgangsrecht |
| 3 |
Verrekening
inkomsten uit arbeid tijdens recht op een ZW-uitkering |
| 3.1 |
Huidige regeling |
| 3.2 |
Aanleiding tot deregulering |
| 3.3 |
Voorgestelde regeling |
| 3.4 |
Gevolgen van verrekening voor de
uitkeringen |
| 4 |
Financiële gevolgen, uitvoeringskosten
en administratieve lasten |
| 4.1 |
Financiële gevolgen |
| 4.2 |
Uitvoeringskosten |
| 4.3 |
Administratieve lasten |
| 5 |
Ontvangen commentaren |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
I t/m IV |
Algemeen
1.
Inleiding
In
dit wetsvoorstel wordt geregeld dat de
einddatum van de uitkering op grond van
de Werkloosheidswet
(WW) niet verschuift
na een periode waarover een uitkering op
grond van de Ziektewet (ZW) is genoten.
Voorts wordt geregeld dat de loon- en
verhaalssanctie ook zullen gelden voor
de werkgever van personen die aanspraak
maken op een uitkering op grond van de
ZW indien deze werkgever zijn
re-integratieverplichtingen niet is
nagekomen. Deze twee voorstellen hebben
betrekking op werknemers die aanspraak
hebben op een ZW-uitkering: de
zogenaamde vangnetters. Beide
vangnetmaatregelen worden hierna in
hoofdstuk 2 van het algemeen deel van
deze memorie toegelicht. Daarnaast wordt
in dit wetsvoorstel een nieuwe
systematiek voorgesteld voor de
verrekening van inkomsten uit arbeid
tijdens het recht op een uitkering op
grond van de ZW. Deze nieuwe systematiek
wordt toegelicht in hoofdstuk 3 van het
algemeen deel van deze memorie. Tot slot
komen de financiële aspecten van dit
wetsvoorstel en de ter zake uitgebrachte
commentaren aan de orde in de
hoofdstukken 4 en 5 van het algemeen
deel van deze memorie.
2.
Vangnetmaatregelen
2.1. Inleiding
De
ZW vervult een vangnetfunctie voor zieke
werknemers die geen werkgever (meer)
hebben, zoals werknemers wier
dienstbetrekking eindigt tijdens hun
ziekte (dit komt bijvoorbeeld vaak voor
bij uitzendkrachten) en werklozen die
een WW-uitkering hebben. Deze
(ex-)werknemers hebben immers geen
werkgever (meer) die het loon
doorbetaalt in geval van ziekte. In
plaats daarvan kunnen zij aanspraak
maken op een uitkering op grond van de
ZW.
Daarnaast
heeft de ZW nog betekenis voor een
beperkte groep werknemers die wel in
dienst is van een werkgever. Als
werknemers rblz.|2|
namelijk ongeschikt zijn tot
het verrichten van hun arbeid als
gevolg van zwangerschap of bevalling
(buiten de periode van zwangerschaps- en
bevallingsverlof), orgaandonatie of
indien werknemers bij ziekte aanspraak
hebben op de zogenaamde "no-riskpolis", dan ontvangen deze
werknemers een uitkering op grond van de
ZW. Deze uitkering mag de werkgever in
mindering brengen op het door hem te
betalen loon.
Al
deze personen (mét en zonder werkgever)
vallen onder het vangnet van de ZW.
Daarom worden zij "vangnetters"
genoemd.
Dit
wetsvoorstel strekt ertoe tegen te gaan
dat het ontvangen van ziekengeld leidt
tot het verschuiven van de einddatum van
het recht op WW. Dit geldt voor zieke
werklozen en voor werknemers van wie de
dienstbetrekking eindigt bij ziekte. Het
is voor een werknemer wiens
dienstbetrekking eindigt nu vanuit
financieel oogpunt namelijk
aantrekkelijk om zich ziek te melden.
Ook voor een WW-gerechtigde kan het
financieel aantrekkelijk zijn zich ziek
te melden, omdat de einddatum van het
recht op WW-uitkering wordt verschoven
met de duur dat de werkloze ziek is. Het
onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe
dit tegen te gaan. De regering heeft
deze maatregel aangekondigd in de
Rijksbegroting voor het jaar 2010.¹
Daarnaast
wordt in dit wetsvoorstel een wijziging
voorgesteld ten aanzien van de
vangnetters met een werkgever. Dit
betreft werknemers die een orgaan
doneren, een no-riskpolis hebben of
werkneemsters die ziek zijn geworden als
gevolg van zwangerschap of bevalling.
Voor de werkgever van deze vangnetters
geldt thans weliswaar al de verplichting
om hen te re-integreren, maar als de
werkgever deze verplichting niet heeft
nageleefd, dan kan het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) daaraan
geen consequenties verbinden.
In
dit wetsvoorstel wordt daarom geregeld
dat (evenals voor de werkgever van de
"gewone" werknemer) ook voor de
werkgever van de vangnetter geldt dat
hij het loon moet doorbetalen aan zijn
zieke vangnetter - na afloop van de
maximale duur van de
ZW-periode van 104
weken -
indien hij onvoldoende
re-integratie-inspanningen heeft
verricht.
Voorts
wordt geregeld dat ook voor de werkgever
van de vangnetter de verhaalssanctie
gaat gelden (evenals voor de werkgever
van de "gewone" werknemer). De
verhaalssanctie is het equivalent van de
loonsanctie en houdt in dat het UWV de
ZW-uitkering verhaalt op de werkgever
indien de werkgever onvoldoende
re-integratie-inspanningen heeft
verricht ten aanzien van zijn zieke
vangnetter van wie het dienstverband
eindigt tijdens ziekte.
Hierdoor
bestaat er in dit opzicht geen
onderscheid meer tussen de werkgever van
de gewone zieke werknemer en die van de
vangnetter.
1.
Kamerstukken II 2009-2010, 32 123 XV,
nr. 2.
Deze
maatregelen liggen in het verlengde van
eerder beleid dat is ingezet om de
re-integratie van de zieke vangnetters
te bevorderen. Zo is op 1 januari 2008
de Wet van 12 december 2007, houdende
regels tot bevordering van de activering
van personen die aanspraak maken op een
uitkering op grond van de Ziektewet
(Stb. 2007, 553) in werking getreden.
Die wet
kan worden getypeerd als een
ondersteuning van de uitvoering bij de
activering van vangnetters. Desondanks
blijft de duur van het verzuim van zieke
vangnetters nog steeds zeer lang. Ook
hun instroom in de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is
onverminderd hoog. Circa de helft van de
instroom in de Wet WIA is afkomstig uit
de
ZW.
In
de volgende paragrafen wordt eerst
ingegaan op de achtergrond van deze
voorstellen en worden de voorgestelde
maatregelen nader toegelicht.
rblz.|3|
2.2. Achtergrond en doel van de
vangnetmaatregelen
Met
dit wetsvoorstel worden in de
ZW meer
prikkels ingebouwd. Daarmee is beoogd de
activerende werking van de ZW te
bevorderen. Tevens wordt hiermee een
bijdrage geleverd aan de
begrotingsproblematiek. In de SZW-begroting 2010 zijn de maatregelen
zoals opgenomen in dit wetsvoorstel
reeds aangekondigd.
Zoals
al is aangegeven in de inleiding, dragen
zieke vangnetters in hoge mate bij aan
de instroom in de Wet
WIA. Het aantal
reguliere zieke werknemers dat een
aanvraag voor een
arbeidsongeschiktheidsuitkering doet, is
daarentegen de afgelopen jaren sterk
gedaald. Dit is onder meer het gevolg
van Wet verbetering poortwachter en de
Wet verlenging loondoorbetaling tijdens
ziekte [lees: Wet
verlenging loondoorbetalingsverplichting
bij ziekte 2003, red.]. De in deze wetten vervatte
maatregelen vormen een sterke prikkel
voor werkgevers om hun zieke werknemers
zoveel mogelijk aan het werk te
krijgen/houden en een sterke prikkel
voor werknemers om verzuim als gevolg
van ziekte tot een minimum te beperken.
Dat geldt niet voor de
ZW. In de ZW zijn
nog niet alle prikkels eenduidig gericht
op activering. Met dit wetsvoorstel
worden daarom in de ZW meer prikkels
ingebouwd. Daarmee is beoogd de
activering van vangnetters verder te
bevorderen.
Tevens
wordt met de in dit wetsvoorstel
genoemde maatregelen een bijdrage
geleverd aan de begrotingsproblematiek.
De besparing die wordt gerealiseerd met
dit wetsvoorstel levert een bijdrage aan
het opvangen van uitvoeringstegenvallers
op de SZW-begroting en de oplossing van
rijksbrede uitvoeringsproblematiek.
Een
belangrijke oorzaak voor de hoge
instroom in de Wet
WIA is dat de zieke
vangnetter die geen werkgever meer heeft
om naar terug te keren voor zijn
re-integratie is aangewezen op een
nieuwe baan bij een nieuwe werkgever.
Bij de redenen om zich ziek te melden,
speelt echter ook een rol dat de
einddatum van het recht op WW-uitkering
wordt verschoven met de duur dat de
werkloze ziek is. Zo blijkt uit
onderzoek van TNO ¹ dat 35% van de zieke
werklozen - naast hun ziekte - als
belangrijke reden noemt om zich ziek te
melden dat men anders geen uitkering
meer ontvangt of dat men door
ziekmelding de duur van de uitkering
verlengt. Om dit tegen te gaan en
activering te bevorderen, wordt met dit
wetsvoorstel geregeld dat het ontvangen
van ziekengeld niet langer leidt tot
verschuiving van de einddatum van het
recht op WW-uitkering. Dit geldt zowel
voor de WW-gerechtigde die ziek wordt
als voor de zieke werknemer wiens
dienstbetrekking eindigt. In dat kader
is mede van belang dat voor de WW en de
ZW in principe dezelfde
re-integratieverplichting geldt. In
beide gevallen dient de
uitkeringsgerechtigde te trachten
passende arbeid te verkrijgen en, indien
hij daartoe in de gelegenheid wordt
gesteld, deze arbeid te verrichten. Dat
men ongeschikt is voor het verrichten
van "zijn arbeid" betekent immers
niet dat men niet in staat is om andere
passende arbeid te gaan verrichten.
1.
TNO-rapport december 2007 "Gezondheidsherstel
en werkhervatting van zieke en
niet-zieke werklozen".
2.3. Inhoud van de voorgestelde
vangnetmaatregelen
2.3.1. Niet verschuiven einddatum
WW-uitkering na ziekengeld
Omdat WW-gerechtigden verzekerd zijn voor de
ZW, hebben zij bij ziekte recht op
ziekengeld. Sinds 1 mei 2007 is geregeld
dat degene die recht heeft op een
WW-uitkering tijdens de eerste dertien weken
van ziekte een WW-uitkering blijft
ontvangen. Dit is geregeld in de Wet
wijziging WW-stelsel. Voorheen eindigde
het recht op WW-uitkering indien de
werkloze ziek werd en ontving de zieke
werkloze een uitkering op grond van de
ZW vanaf de eerste ziektedag.
rblz.|4|
Gedurende
die dertien weken bestaat nu wel recht op een
uitkering op grond van de
ZW, maar wordt
deze niet uitbetaald. Het laten
doorlopen van de WW-uitkering bij
kortdurende ziekte werd ingegeven vanuit
dereguleringsoptiek. Door de
WW-uitkering gedurende dertien weken te laten
doorlopen, wordt namelijk voorkomen dat
binnen het UWV overdracht moet
plaatsvinden van dossiers (van WW naar
ZW) in geval van kortdurende ziekte. Na
die dertien weken eindigt het recht op
WW-uitkering en wordt ziekengeld
betaald. Indien de betrokkene pas na een
periode van meer dan dertien weken herstelt
en zijn WW-recht herleeft, eindigt dat
WW-recht momenteel zoveel later dan de
oorspronkelijke einddatum als de periode
waarover ziekengeld is betaald.
Het
onderhavige wetsvoorstel regelt dat
perioden waarover een
ZW-uitkering is
ontvangen bij herleving van het recht op
WW-uitkering niet langer leiden tot
verschuiving van de einddatum van dat
recht.
2.3.2. Reikwijdte
Dit
wetsvoorstel geldt niet alleen voor de WW-gerechtigde die ziek wordt, maar ook
voor de werknemer wiens dienstbetrekking
eindigt op het moment van ziek worden
(zoals vaak bij uitzendkrachten) of
wiens dienstbetrekking eindigt tijdens
zijn ziekteperiode (zoals bij
arbeidsovereenkomsten voor bepaalde
tijd). Na het einde van zijn
dienstbetrekking heeft deze werknemer
(nog) geen recht op een WW-uitkering,
omdat tijdens ziekte geen recht op
WW-uitkering bestaat. Deze vangnetter
heeft uitsluitend recht op ziekengeld.
Na afloop van de periode waarover
ziekengeld wordt ontvangen, ontstaat pas
het recht op WW-uitkering (indien aan de
voorwaarden voor het recht op
WW-uitkering is voldaan), dat thans de
volledige duur heeft.
Als
gevolg van dit wetsvoorstel heeft de
zieke werknemer wiens dienstbetrekking
is geëindigd - evenals onder het
huidige recht - recht op ziekengeld.
Anders dan onder het huidige recht
verbruikt de zieke werknemer zijn
WW-duur gedurende de periode waarin
ziekengeld wordt betaald na het einde
van de dienstbetrekking. Die periode
wordt als gevolg van dit wetsvoorstel
namelijk in mindering gebracht op zijn
WW-duur, als de betrokkene na afloop van
de ziekteperiode - na zijn herstel - recht heeft op een WW-uitkering.
Als
de betrokkene ziek blijft, kan hij na de
wachttijd van 104 weken een
WIA-aanvraag
doen. Met dit wetsvoorstel wordt
geregeld dat de periode waarover de
betrokkene ziekengeld heeft genoten in
mindering wordt gebracht op zijn
resterende WW-duur. Aangezien de duur
van de loongerelateerde uitkering van de
WGA-uitkering [werkhervattingsuitkering
gedeeltelijk arbeidsgeschikten, bedoeld
in hoofdstuk
7 van de Wet
WIA, red.] op grond van de Wet
WIA is
gekoppeld aan de WW-duur wordt in de Wet
WIA naar analogie geregeld dat ook de
periode tussen het einde van de
dienstbetrekking en het moment waarop
recht op de loongerelateerde uitkering
van de WGA-uitkering ontstaat en waarin
betrokkene ZW-uitkering heeft ontvangen,
in mindering wordt gebracht op de duur
van de loongerelateerde uitkering van de
WGA-uitkering.
Voorzien
is in een uitzondering voor werknemers
die een
ZW-uitkering ontvangen op grond
van artikel
29, tweede lid, onderdeel e,
f of g,
ZW (ZW-uitkering bij
ongeschiktheid tot het verrichten van
arbeid als gevolg van orgaandonatie of
zwangerschap of op basis van de no-riskpolis). Daarmee wordt voorkomen dat
degenen die op de laatste dag van het
dienstverband al op grond van artikel
29, tweede lid, onderdeel e, f of
g, ZW een ZW-uitkering ontvingen en deze ook
na het einde van het dienstverband nog
ontvangen, onder de anticumulatie
vallen. Het verdraagt zich namelijk niet
met de aard van deze ZW-uitkeringen om
de WW-duur te bekorten met de duur van
deze uitkeringen.
rblz.|5|
2.3.3. Verlenging
loondoorbetalingsperiode voor en verhaal
ZW-uitkering op werkgevers van
vangnetters
Zoals
hiervoor is aangegeven, komen werknemers
die een orgaan doneren, werkneemsters
die ziek worden als gevolg van
zwangerschap of bevalling en werknemers
die aanspraak hebben op een no-riskpolis in aanmerking voor een
uitkering op grond van de
ZW, die
uitbetaald wordt door het UWV. Hoewel
deze werknemers in dienst zijn van een
werkgever, vallen zij onder het vangnet
van de ZW. De reden hiervoor is dat
hierdoor risicoselectie door werkgevers
wordt voorkomen.¹ Via de ZW ontvangt de
werkgever een tegemoetkoming in de
kosten van de loondoorbetaling bij
ziekte. De ZW-uitkering bedraagt ten
minste 70% van het dagloon. De werkgever
mag het ziekengeld in mindering brengen
op zijn loondoorbetalingsverplichting,
waardoor hij een groot deel van de
loonkosten bij ziekte niet zelf hoeft te
dragen.
1.
Het voorkomen van risicoselectie is niet
de reden geweest om orgaandonoren
aanspraak te geven op een
ZW-uitkering. Voor hen geldt dat het
redelijk wordt geacht de kosten van het
ziekteverzuim als gevolg van
orgaandonatie te financieren uit
collectieve middelen, wegens het
maatschappelijk belang van
orgaandonatie.
In
deze gevallen is de werkgever ook nu al
verantwoordelijk voor de re-integratie
van deze zieke vangnetter. De
re-integratieverantwoordelijkheid is bij
de werkgever belegd omdat de
re-integratiekansen het grootst zijn bij
de eigen werkgever met wie de werknemer
een dienstverband heeft. Als het einde
van de eerste twee ziektejaren in zicht
komt, en daarmee ook het einde van de
wachttijd voor de Wet
WIA, moet de
werkgever een re-integratieverslag
opstellen. Bij het aanvragen van zijn
WIA-uitkering dient de zieke werknemer
het re-integratieverslag in bij het UWV.
Uit het re-integratieverslag moet
blijken welke re-integratie-inspanningen
de werkgever en werknemer gedurende de
eerste twee ziektejaren hebben verricht.
Dit is sinds 2002 geregeld in de Wet
verbetering poortwachter en de
bijbehorende Regeling
procesgang eerste en tweede ziektejaar. Hierin is geregeld
aan welke administratieve en
inhoudelijke voorwaarden het
re-integratieverslag moet voldoen en hoe
het UWV dit verslag beoordeelt. Zo dient
het re-integratieverslag naast
(onderbouwde) gegevens van de werkgever
ook gegevens te bevatten van de
arbodienst en het oordeel van de
werknemer. Het beoordelen van het
re-integratieverslag behoort sinds 2002
tot de dagelijkse uitvoeringspraktijk
van het UWV. In tegenstelling tot de
situatie bij gewone werknemers kan het
UWV er thans echter geen consequenties
aan verbinden als uit het
re-integratieverslag blijkt dat de
werkgever onvoldoende aan de
re-integratie van zijn zieke vangnetter
heeft gedaan. Kostbare tijd is dan
verloren gegaan, waardoor de
re-integratie van de zieke vangnetter
wordt bemoeilijkt.
Indien
de dienstbetrekking van de zieke
vangnetter eindigt vóór het einde van de
wachttijd, moet de werkgever uiterlijk op
de laatste werkdag een
re-integratieverslag opstellen als de
werknemer op dat moment zes weken of
langer ziek is. De werknemer verstrekt
op verzoek van het UWV dat
re-integratieverslag aan het UWV. Het
UWV kan thans evenwel niet overgaan tot
een beoordeling van het
re-integratieverslag in dat geval en er
geen consequenties aan verbinden als uit
het re-integratieverslag blijkt dat de
werkgever onvoldoende aan de
re-integratie van zijn zieke vangnetter
heeft gedaan.
Bij
de inwerkingtreding van de Wet
verbetering poortwachter in 2002 is
voor de werkgever van de vangnetter een
uitzondering gemaakt op de verlenging
van de loondoorbetalingsverplichting
(hierna: loonsanctie) respectievelijk
het verhalen van de
ZW-uitkering op de
ex-werkgever (hierna: verhaalssanctie)
bij het niet nakomen van zijn
re-integratieverplichtingen. Destijds
bestond de vrees dat werkgevers deze
personen niet meer zouden aannemen als
een verhaals- of loonsanctie zou gelden.
De
regering maakt thans een andere keuze.
De regering is namelijk van mening dat
het belang van de re-integratie van de
vangnetter in deze situatie, net als bij
de andere werknemers zwaarder moet wegen
dan de rblz.|6|
vermeende kans op risicoselectie.
Het is de vraag of risicoselectie zich
daadwerkelijk zal voordoen. Door de Wet
op de medische keuringen wordt dit
immers tegengegaan. Bovendien bevorderen
de loon- en verhaalssanctie de
re-integratie, omdat zij een prikkel
vormen voor werkgevers om de al geldende
verplichting serieus te nemen en
vroegtijdig actie te ondernemen. Doen ze
dat niet, dan hangt het risico van een
sanctie boven hun hoofd. Hiervan kan een
preventieve werking uitgaan die positief
is voor de positie van vangnetters,
namelijk dat werkgevers zich meer
inspannen en al vroeg interventies
plegen. Om deze redenen wordt
voorgesteld om de uitzondering op de
loonsanctie voor de werkgevers van
vangnetters te laten vervallen. Voorts
gaat op grond van dit wetsvoorstel ook
de verhaalssanctie gelden voor de
situatie waarin de dienstbetrekking met
deze vangnetter eindigt tijdens de
ziekteperiode. De regering zal volgen
welke effecten dit heeft voor de
arbeidsmarktpositie van vangnetters.
De
loon- en verhaalssanctie vormen een
directe prikkel voor de werkgever en
zetten hem aan zijn
re-integratieverplichtingen serieus te
nemen. Er is immers geen reden om de
re-integratieverplichting van de
werkgever ten aanzien van de zieke
vangnetter minder zwaar of minder
effectief te maken dan ten aanzien van
andere werknemers.
Op
grond van dit voorstel moet de werkgever
het loon maximaal één jaar
doorbetalen, na afloop van de eerste
twee ziektejaren (104 weken),
respectievelijk wordt de te betalen
ZW-uitkering na afloop van de
dienstbetrekking over maximaal één
jaar verhaald op de ex-werkgever indien
hij niet heeft voldaan aan zijn
re-integratieverplichtingen. De duur van
het tijdvak waarover de werkgever het
loon moet betalen, respectievelijk
waarover de ZW-uitkering wordt verhaald,
wordt bepaald door het gedrag van de
werkgever. Voor de loonsanctie geldt dat
als de werkgever aantoont dat hij alsnog
zijn re-integratieverplichting is
nagekomen, de duur van de verlengde
loondoorbetalingsperiode wordt bekort.
De werkgever kan aldus zelf de duur van
de verlenging beïnvloeden. Voor de
verhaalssanctie geldt dat de duur van
het tijdvak waarover de ZW-uitkering
wordt verhaald, is afgestemd op de
periode dat de ex-werkgever niet heeft
voldaan aan zijn
re-integratieverplichtingen.
Als
gevolg van dit wetsvoorstel is er in dit
opzicht geen verschil meer tussen de
werkgever van de gewone zieke werknemer
en die van de vangnetter.
2.4. Overgangsrecht
De
anticumulatie van de uitkeringsduur
ZW en WW waarin
dit wetsvoorstel voorziet,
geldt alleen voor nieuwe ziektegevallen
na de inwerkingtreding van de
desbetreffende wijzigingen in de WW. De
eerste ziektedag is ook bepalend voor
het onderdeel van dit wetsvoorstel dat
ziet op de loonsanctie en
verhaalssanctie ten aanzien van
werkgevers van vangnetters. De werkgever
van de vangnetter die ziek geworden is vóór de inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel kon er immers geen
rekening mee houden dat hem een sanctie
boven het hoofd zou hangen als hij zijn
re-integratieverplichtingen ten aanzien
van zijn zieke vangnetter niet serieus
zou nemen. Daarom geldt de loonsanctie
en de verhaalssanctie alleen voor
toekomstige ziektegevallen.
rblz.|7|
3.
Verrekening inkomsten uit arbeid tijdens
recht op een ZW-uitkering
3.1. Huidige regeling
De
inkomsten die een werknemer met werken
verdient tijdens het ontvangen van een
uitkering op grond van de
ZW worden
daarmee verrekend. Omdat de ZW-uitkering
een daguitkering is, dient het inkomen
te worden herleid naar een bedrag per
dag. De ZW hanteert bij deze
inkomensverrekening een systematiek die
het onderste deel van het inkomen
vrijlaat ("inkomensvrije voet"). De
inkomsten worden volledig vrijgelaten
tot de som van de inkomsten en het
ziekengeld gelijk is aan het dagloon. De
werknemer ontvangt aan uitkering
namelijk niet meer dan het bedrag
waarmee zijn dagloon het bedrag van het
door hem ontvangen loon overtreft (artikel
31, tweede lid,
ZW). Het
dagloon is het loon dat wordt gehanteerd
voor de berekening van het ziekengeld.
3.2. Aanleiding tot deregulering
De
herleiding van de inkomsten uit arbeid
naar een bedrag per dag is ingewikkeld
voor de uitvoering. Ook is dit
administratief belastend voor de burger,
omdat hij zijn inkomsten per dag moet
verantwoorden. Daarnaast leidt de
verrekening per dag tot ongelijke
uitkeringen in gelijke situaties. Een
werknemer die in een betalingstijdvak
evenveel verdient als een ander, maar
dat in minder dagen doet, ontvangt
minder aan
ZW-uitkering dan die ander.
Dit kan met het volgende rekenvoorbeeld
worden toegelicht.
Veronderstel
dat twee werknemers (A en B) eenzelfde
dagloon hebben van €|100,-. Werknemer A
gaat halve dagen werken tegen een loon
van €|50,- per dag. Dit betekent dat hij €|50,- aan
ZW-uitkering per dag
ontvangt. In een betalingstijdvak van
vier weken ontvangt hij dus een bedrag
van 20 * €|50,-, dat is €|1000,-, aan
ZW-uitkering. Daarnaast ontvangt hij
over dat betalingstijdvak een loon van €|1000,-.
Werknemer
B gaat - evenals A - ook voor de
helft van zijn arbeidstijd werken, maar
volgens een ander patroon, te weten
tweeënhalve dag per week. Op maandag en
dinsdag ontvangt hij €|100,- aan loon en
op woensdag €|50,-. Hij ontvangt dus
over een betalingstijdvak van vier weken
eveneens €|1000,- aan loon. Het
verschil met werknemer A is echter dat
hij dat in twaalf werkdagen (acht
volledige en vier halve) verdient. Dit
heeft tot gevolg dat hij minder aan
ZW-uitkering ontvangt dan werknemer A.
Over de maandagen en dinsdagen ontvangt
hij geen ZW-uitkering, over de
woensdagen €|50,- en over de donderdagen
en vrijdagen €|70,-. Hij ontvangt dus
per kalenderweek €|190,- aan
ZW-uitkering en over het gehele
betalingstijdvak gerekend een bedrag van €|760,-. Met andere woorden, hij
ontvangt €|240,- minder aan uitkering
dan werknemer A, terwijl hij aan loon
evenveel verdient als werknemer A. Dit
komt doordat hij zijn loon over minder
dagen werken verdient dan werknemer A.
Daardoor profiteert hij slechts over
twaalf dagen van de inkomensvrije voet,
terwijl werknemer A twintig dagen van
die "voet" profiteert. Anders gezegd,
men kan 20 uur werken beter spreiden
over vijf dan over drie dagen.
Een
ander nadeel van deze
verrekensystematiek is dat deze
weliswaar een sterke prikkel kent om te
gaan werken, maar geen prikkel kent om
meer te gaan werken. De inkomsten worden
immers volledig vrijgelaten tot de som
van de inkomsten en het ziekengeld
gelijk is aan het dagloon. Dus bij een
ZW-uitkering van 70% wordt een bedrag
van 30% van het dagloon vrijgelaten.
Alle inkomsten boven dit bedrag worden
echter volledig rblz.|8|
gekort. Er is dus wel
een prikkel om inkomsten te gaan
verwerven tot maximaal 30% van het
dagloon, maar vervolgens loont het niet
om meer te gaan verdienen. Dit kan
worden verbeterd door dezelfde
systematiek te hanteren als die wordt
gehanteerd bij de loongerelateerde
uitkering van de
werkhervattingsuitkering gedeeltelijk
arbeidsgeschikten (WGA-uitkering) als
bedoeld in hoofdstuk
7 van de
Wet WIA (zie
artikel 61, eerste lid,
Wet WIA).
3.3. Voorgestelde regeling
Voorgesteld
wordt om de inkomsten uit arbeid die in
een betalingstijdvak zijn ontvangen te
delen door het aantal uitkeringsdagen in
dat tijdvak. De inkomsten worden daarmee
gemiddeld over het aantal
uitkeringsdagen in dat tijdvak. Het
resultaat is dat aan alle
uitkeringsdagen in het betalingstijdvak
hetzelfde bedrag aan inkomsten wordt
toegerekend. Het maakt daardoor niet
meer uit over hoeveel dagen in dat
betalingstijdvak de werknemer de
inkomsten uit arbeid heeft genoten en
wat de verschillen in inkomsten per dag
waren. Het verschil in uitkeringshoogte
van werknemers met gelijke inkomens maar
die een verschillend aantal dagen
werken, wordt daarmee ongedaan gemaakt.
Verder
wordt voorgesteld om dezelfde
verrekensystematiek te hanteren als bij
de loongerelateerde uitkering van de
WGA-uitkering (zie artikel
61, eerste lid, Wet
WIA). Dat betekent
dat niet meer een bepaald bedrag
volledig wordt vrijgelaten en het
overige volledig wordt gekort, maar dat
van de inkomsten een percentage wordt
verrekend dat gelijk is aan het
uitkeringspercentage. Voor een zieke
werknemer loont het daarom niet alleen
om te gaan werken, maar ook om meer te
gaan werken. Meer werken levert altijd
meer inkomsten op. Ingeval het
uitkeringspercentage 70% van het dagloon
is, zal dus 70% van de inkomsten in
mindering worden gebracht op de
uitkering. Bij een
ZW-uitkering in
verband met orgaandonatie of
zwangerschap en bevalling is het
uitkeringspercentage 100% en worden alle
inkomsten in mindering gebracht. Dat is
redelijk, want anders zou een werknemer
die tijdens ziekte werkt een hoger
inkomen hebben dan voorafgaand aan zijn
ziekte. Voor werknemers die een recht
hebben op grond van artikel 29b
ZW is het uitkeringspercentage
ten minste 70% en ten hoogste 100% van
het dagloon, afhankelijk van de hoogte
van de loondoorbetalingsverplichting van
de werkgever.
3.4. Gevolgen van verrekening voor de
uitkeringen
Het
verschil tussen de huidige en
voorgestelde systematiek van verrekening
kan met het volgende voorbeeld worden
toegelicht. Een werknemer ontvangt aan
uitkering 70% van zijn dagloon van €|100,-, dus €|70,-. Hij gaat daarnaast
inkomsten genieten uit arbeid. Bij
inkomsten tot €|30,- per dag heeft dit
inkomen in het bestaande systeem geen
effect op de uitkering: de werknemer
ontvangt €|70,- aan uitkering en €|30,-
aan loon, in totaal €|100,-. In het
voorgestelde systeem ontvangt de
werknemer aan uitkering per dag 70% van
het verschil tussen het dagloon en de
inkomsten per dag. Bij een inkomen van €|30,- is dit €|49,-. Het totale inkomen
is dan €|79,-.
Bij
een toename van zijn inkomen naar €|60,-
wordt de
ZW-uitkering van de werknemer
onder de huidige systematiek verlaagd
naar €|40,-, zodat zijn totale inkomen
nog steeds €|100,- bedraagt. Hij heeft
dus geen prikkel om meer te gaan
verdienen dan €|30,-. Onder de
voorgestelde systematiek wordt zijn
ziekengeld -
bij de inkomenstoename
naar €|60,-
- verlaagd naar €|28,-,
maar zijn totale inkomen neemt toe naar €|88,-. Meer werken levert dus een hoger
inkomen op.
rblz.|9|
In
deze systematiek bestaat er een prikkel
om te gaan werken en om meer te gaan
werken, omdat elke euro inkomsten uit
arbeid een toename van inkomsten leidt
van €|0,30.
4.
Financiële gevolgen, uitvoeringskosten
en administratieve lasten
4.1. Financiële gevolgen
Het
wetsvoorstel heeft consequenties voor de
uitkeringslasten en de
uitvoeringskosten. Hieronder worden de
totale budgettaire consequenties in
tabelvorm weergeven. Deze worden
vervolgens per maatregel nader
toegelicht.
Tabel
1. Financiële gevolgen van het wetsvoorstel (besparing in
miljoen euro):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
2014 |
2015 |
| 1.
Anticumulatie
ZW/WW |
x |
6xx |
27xx |
44xx |
46xx |
42xx |
| 2.
Loon- en verhaalssanctie |
x |
1xx |
2xx |
2xx |
2xx |
2xx |
| 3.
Verrekeningssystematiek inkomsten
uit arbeid |
x |
5xx |
10xx |
15xx |
15xx |
15xx |
| 4.
Uitvoeringskosten |
–2xx |
1xx |
1xx |
1xx |
1xx |
1xx |
| Totale
besparing |
–2xx |
13xx |
40xx |
62xx |
64xx |
60xx |
4.1.1. Anticumulatie ZW/WW
Doordat
de einddatum van de WW-uitkering niet
meer verschuift na een periode waarover
een
ZW-uitkering is genoten, vindt een
besparing op de uitkeringslasten van de
WW plaats. De besparing bedraagt in de
structurele situatie €|42 miljoen. Dit
bedrag is het netoresultaat van een
besparing op WW-lasten en toenemend
gebruik van de Wet werk en bijstand
(Wwb).
De
samenloop van de ZW en de WW heeft ook
gevolgen voor de uitkeringsrechten van
de Wet WIA. Door de anticumulatie van de
ZW en de WW komt de vangnetter namelijk
sneller in de vervolgfase van de WGA
terecht. Er wordt daardoor bespaard op
het verschil tussen de hoogte van de
uitkering in de loongerelateerde fase en
de hoogte van de uitkering in de
vervolgfase. Echter, gemiddeld genomen
bestaat er voor deze groep vangnetters
niet of nauwelijks een verschil tussen
de hoogte van de uitkering in de
loongerelateerde fase en de vervolgfase
van de WGA. De besparing is daardoor
nihil.
4.1.2. Loon- en verhaalssanctie
Werkgevers
van vangnetters die onvoldoende
re-integratie-inspanningen hebben
verricht, zijn als gevolg van deze
maatregel verplicht om na afloop van de
ZW-periode maximaal één jaar loon door
te betalen aan de vangnetter. De
doorbetaling van het loon leidt ertoe
dat de betrokkene langer uit de Wet
WIA blijft en brengt daarom besparingen op
de WIA-uitkeringslasten met zich mee.
De
besparing met betrekking tot de
loonsanctie treedt pas in 2013 op, omdat
dit onderdeel van het onderhavige
wetsvoorstel naar verwachting op 1
januari 2011 in werking treedt en de
loonsanctie alleen geldt voor de
ziektegevallen die na de
inwerkingtreding van de wet zijn
ontstaan.
Bij
de verhaalssanctie verhaalt het UWV
de
ZW-uitkering op de betreffende
ex-werkgever indien deze onvoldoende
re-integratie-inspanningen heeft
verricht. Hierdoor neemt de werkgever
van de vangnetter (een deel van) de
ZW-uitkeringslasten voor zijn rekening.
Deze besparing zal al in rblz.|10|
2011 optreden.
De verhaalssanctie kan namelijk al
opgelegd worden vanaf het moment dat het
dienstverband van de vangnetter eindigt,
mits de eerste ziektedag van de
werknemer na inwerkingtreding van
onderhavig wetsvoorstel gelegen is.
De
besparing door de loon- en
verhaalssanctie is beperkt. De reden
hiervoor is dat de
re-integratieverplichting reeds gold
voor werkgevers en omdat de werkgever de
duur van de loonsanctie zelf in de hand
heeft. De besparing van de loon- en
verhaalssanctie bedraagt structureel
ongeveer €|2 miljoen.
4.1.3. Verrekeningssystematiek inkomsten
uit arbeid
Door
de nieuwe verrekeningssystematiek voor
inkomsten uit arbeid vindt er
structureel een besparing van €|15
miljoen plaats in de
ZW-uitkeringslasten.
In plaats van vrijstelling tot een
bepaald bedrag en volledige verrekening
daarboven betekent dit voorstel dat van
de inkomsten een vast percentage (het
uitkeringspercentage) wordt verrekend
met de uitkering. Conform de systematiek
in de Wet WIA levert naast gáán
werken ook méér werken altijd een
hoger inkomen op voor de werkende
ziekengeldgerechtigde. Vanwege de
maximale ZW-duur van 104 weken en de
toepassing van de maatregel op
uitsluitend nieuwe gevallen wordt de
structurele besparing bij invoering in
2011 bereikt in 2013. In de eerste twee
jaar is sprake van een lineair
ingroeipad.
4.2. Uitvoeringskosten
Dit
wetsvoorstel leidt tot een beperkte
besparing op de uitvoeringskosten bij
het UWV in de structurele situatie van
ongeveer €|1 miljoen. De kosten in
2010 hebben onder meer betrekking op de
implementatie.
4.3. Administratieve lasten
Het
wetsvoorstel heeft geen consequenties
voor de administratieve lasten van
werkgevers. Dit geldt zowel voor het
anticumulatievoorstel, de nieuwe
verrekeningssystematiek als voor de
loon- en verhaalssanctie. Voor de loon-
en verhaalssanctie geldt immers dat de
inhoudelijke re-integratieverplichtingen
al gelden voor de werkgever van de zieke
vangnetter.
5.
Ontvangen commentaren
Het
wetsvoorstel is op uitvoerbaarheid
beoordeeld door het UWV
en op
toezichtbaarheidsaspecten door de
Inspectie Werk en Inkomen (IWI). Het
wetsvoorstel is tevens voor toetsing op
de administratieve lasten voorgelegd aan
het Adviescollege vermindering
administratieve lasten (Actal) [lees:
Adviescollege toetsing administratieve
lasten (Actal), red.]. Op grond
van zijn selectiecriteria heeft Actal
besloten dit wetsvoorstel niet te
selecteren voor een advies. Daarom is
door Actal geen advies uitgebracht.
Het
wetsvoorstel geeft de IWI geen
aanleiding tot het maken van opmerkingen
over de toezichtbaarheid.
In
de uitvoeringstoets geeft het UWV
aan
dat het wetsvoorstel uitvoerbaar is. Het
UWV acht invoering van de meeste
onderdelen van het wetsvoorstel haalbaar
op de beoogde invoeringsdatum van 1
januari 2011. Aangezien voor de
verrekening van de duur van genoten
ZW-uitkering met resterende WW-duur
aanpassing van systemen nodig is, is
invoering van dit onderdeel volgens het
UWV niet haalbaar per 1 januari 2011.
Invoering van dit onderdeel is wel
mogelijk per 1 juli 2011. De
inwerkingtredingsbepaling van het
wetsvoorstel biedt de mogelijkheid rblz.|11|
om
verschillende onderdelen van het
wetsvoorstel op verschillende momenten
in werking te laten treden.
Voorts
heeft het UWV een aantal wettechnische
opmerkingen gemaakt. Dit commentaar is
verwerkt in het onderhavige wetsvoorstel
en heeft geleid tot een aantal
aanpassingen van overwegend technische
aard.
Daarnaast
vraagt het UWV de aandacht voor
internationale aspecten. Het UWV vraagt
met name om in te gaan op de ILO-conventie 102
[ILO: International Labour Organization,
red.] en artikel 1 van het Eerste
protocol bij het EVRM [Europees verdrag
tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden, red.].
Op
grond van de ILO-conventie 102 en de
Europese code inzake sociale zekerheid
moeten de werkloosheidsuitkeringen
voldoen aan bepaalde minimumstandaarden
met betrekking tot hoogte, percentage en
duur. De Nederlandse bijstandsnormen
voldoen aan de normen die de
ILO-verdragen hieraan stellen. Alle
inwoners van Nederland worden tegen het
werkloosheidsrisico beschermd door de Wwb. Omdat
dit wetsvoorstel niet raakt
aan de minimumnormen, levert de
onderhavige anticumulatie naar het
oordeel van de regering geen
strijdigheid op met de ILO-conventie
102.
Op
grond van artikel 1 van het Eerste protocol
is inbreuk op bestaande eigendomsrechten
slechts toegestaan indien aan een
aantal algemene voorwaarden is voldaan,
zoals de aanwezigheid van een legitieme
doelstelling van algemeen belang,
regeling bij wet en proportionaliteit
van de maatregel. Het wetsvoorstel
regelt dat ZW-perioden in mindering
worden gebracht op de WW-uitkering. Dit
geldt alleen voor toekomstige
ziektegevallen. Er wordt dus niet
getornd aan bestaande reeds toegekende
uitkeringen. Naar het oordeel van de
regering is daarom geen sprake van
aantasting van bestaande
eigendomsrechten.
Om
deze redenen acht de regering het
onderhavige wetsvoorstel in
overeenstemming met de regels van het
internationale recht.
Artikelsgewijs
Artikel
I. Wijziging van de Werkloosheidswet
[vervallen,
red.]
Onderdeel
A [vervallen, red.]
Het
nieuwe zesde lid van artikel 42 van de
WW strekt ertoe dat van een werknemer
waarvan de dienstbetrekking eindigt op
het moment van ziek worden of de
dienstbetrekking eindigt tijdens zijn
ziekteperiode, de periode waarover een
ZW-uitkering wordt betaald in mindering
wordt gebracht op de duur van een recht
op WW-uitkering dat daarna ontstaat.
Ook
ingeval geen sprake is van beëindiging
van de dienstbetrekking tijdens ziekte,
maar de werknemer ziek is en de
werkgever met de werknemer een
vermindering van het aantal arbeidsuren
is overeengekomen, wordt op de WW-uitkeringsduur in mindering gebracht
de periode waarover
ZW-uitkering wordt
betaald tussen het moment van het
urenverlies en de eerste
werkloosheidsdag.
Met
het zevende lid, onderdeel a, wordt
geregeld dat dat niet het geval is
indien de WW-uitkering volkomen
losstaat van de dienstbetrekking uit hoofde
waarvan de
ZW-uitkering wordt ontvangen.
Het betreft uitsluitend de situatie
waarin een werknemer tegelijkertijd
naast elkaar twee dienstbetrekkingen
had. Verder is het zo dat als er na de
dienstbetrekking waaruit de WW-uitkering
wordt aangevraagd een nieuwe
dienstbetrekking volgt waaruit een
WW-uitkering wordt gevraagd, de
uitkeringsduur van die WW-uitkering niet
wordt verminderd met de nog resterende
duur van de eerder ontvangen
ZW-uitkering.
Daarnaast
wordt in onderdeel b geregeld dat een
periode waarover de ZW-uitkering wordt
ontvangen, na het einde van de
dienstbetrekking niet in mindering wordt
gebracht op de WW-duur voor zover die
ZW-uitkering rblz.|12|
wordt genoten tijdens de
fictieve opzegtermijn van artikel
16,
derde lid, van de WW.
In
onderdeel c wordt voorzien in een
uitzondering voor werknemers die een
ZW-uitkering ontvangen op grond van
artikel 29, tweede lid, onderdeel e,
f
of g,
ZW (ZW-uitkering bij
ongeschiktheid tot het verrichten van
arbeid als gevolg van orgaandonatie of
zwangerschap of op basis van de no-riskpolis). Daarmee wordt voorkomen dat
degenen die op de laatste dag van het
dienstverband al op grond van artikel
29, tweede lid, onderdeel e, f of
g,
ZW een ZW-uitkering ontvingen en deze ook
na het einde van het dienstverband nog
ontvangen, onder de anticumulatie
vallen. Het verdraagt zich namelijk niet
met de aard van deze ZW-uitkeringen om
de WW-duur te bekorten met de duur van
deze uitkeringen.
Op
grond van artikel
29, tweede lid,
onderdeel c, van de
ZW ontvangt de zieke
wiens dienstbetrekking eindigt een
uitkering vanaf de eerste dag van de
ongeschiktheid tot werken, doch niet
eerder dan vanaf de derde dag van de
ongeschiktheid tot werken nadat de
dienstbetrekking is geëindigd. Om te
voorkomen dat, in de situatie dat de
dienstbetrekking eindigt op de eerste of
tweede dag van ziekte, die wachtdagen
niet in mindering worden gebracht op de
duur van het recht op WW-uitkering is in
het voorgestelde achtste lid geregeld
dat voor die dagen de fictie geldt dat
wel een
ZW-uitkering is ontvangen.
Hetzelfde wordt geregeld voor de
situatie dat geen ZW-uitkering wordt
ontvangen in verband met enig handelen
of nalaten van de betrokkene
(bijvoorbeeld een gehele weigering van
een ZW-uitkering op grond van artikel 45
van de
ZW).
Onderdeel
B [vervallen, red.]
De
wijziging van artikel 43 van de
WW betreft een aanpassing van de regeling
van de verschuiving van de einddatum van
het recht op WW-uitkering bij herleving
van dat recht. Op grond van het eerste
lid van artikel 43 van de
WW eindigt de
herleefde WW-uitkering, na een volledige
eindiging, zoveel later dan de
oorspronkelijke einddatum als de periode
tussen de eindiging en herleving. Op
grond van het voorgestelde tweede lid
leiden in die periode gelegen tijdvakken
waarin de werknemer een uitkering op
grond van de
ZW ontvangt echter niet tot
verschuiving van die einddatum. Met het
derde lid, onderdeel a, wordt geregeld
dat die verschuiving wel plaatsvindt
indien de WW-uitkering volkomen losstaat van de dienstbetrekking uit hoofde
waarvan de ZW-uitkering wordt ontvangen.
Het betreft uitsluitend de situatie
waarin een werknemer tegelijkertijd
naast elkaar twee dienstbetrekkingen
had.
Met
het derde lid, onderdeel b, wordt
geregeld dat de einddatum van het recht
op WW-uitkering wel verschuift met in de
periode tussen de eindiging en herleving
gelegen tijdvakken waarin een
ZW-uitkering wordt ontvangen op grond
van artikel
29, tweede lid, onderdeel e, f
en g, van de
ZW (ZW-uitkering bij
ongeschiktheid tot het verrichten van
arbeid als gevolg van orgaandonatie of
zwangerschap of op basis van de no-riskpolis). Het verdraagt zich namelijk niet
met de aard van deze ZW-uitkeringen om
deze bij de verschuiving van de
einddatum van de WW-uitkering buiten
beschouwing te laten.
Met
het vierde lid wordt voorkomen dat
wachtdagen of de situatie dat geen
ZW-uitkering wordt ontvangen in verband
met enig handelen of nalaten van de
betrokkene, wel tot een verschuiving van
de einddatum zouden leiden.
Onderdeel
C [vervallen, red.]
Met
dit onderdeel wordt het overgangsrecht
met betrekking tot de WW
geregeld.
rblz.|13|
Indien
de eerste ziektedag gelegen is vóór de
dag van inwerkingtreding van de
wijzigingen die de onderdelen A en B
[vervallen, red.] van
dit artikel aanbrengen in de artikelen
42 en 43 van de
WW, blijven de
artikelen
42 en 43 zoals ze luidden
vóór die
wijzigingen van toepassing. Met
betrekking tot het bepalen van de eerste
ziektedag wordt in het tweede lid van
het voorgestelde artikel geregeld welke
perioden van ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte
worden samengeteld.
Artikel
II. Wijziging van de Ziektewet
Onderdeel
A
De
wijziging van de artikelen
29, tiende
lid, en 63a, eerste lid,
ZW betreft een
technische wijziging in verband met het
vernummeren van de leden van artikel 26
van de Wet WIA
(zie artikel III,
onderdeel A).
Onderdeel
B
Met
deze wijzigingen wordt bewerkstelligd
dat de inkomsten uit arbeid die in een
betalingstijdvak zijn ontvangen, worden
gemiddeld over het aantal
uitkeringsdagen in dat tijdvak. Hierdoor
wordt het verschil in uitkeringshoogte
van werknemers met gelijke inkomens,
maar over een verschillend aantal dagen,
ongedaan gemaakt. Verder wordt dezelfde
verrekeningssystematiek en formule
gehanteerd als in de Wet
WIA (artikel
52, eerste lid, van de Wet
WIA). Zie
verder de algemene toelichting onder hoofdstuk 3 Verrekening inkomsten uit
arbeid tijdens recht op een
ZW-uitkering.
Onderdeel
C
Artikel 38, derde lid, van de
ZW strekt ertoe
dat het UWV
een bestuurlijke boete
oplegt indien de werkgever zijn
verplichting om bij het UWV aangifte te
doen van de ongeschiktheid tot werken
van de verzekerde niet of niet
behoorlijk is nagekomen. Met de Aanpassingswet
vierde tranche Awb is de
desbetreffende bepaling aangepast.
Abusievelijk is daarbij de verwijzing
naar artikel
38, eerste lid,
weggevallen, waardoor geen boete kan
worden opgelegd wanneer de werkgever van
de verzekerde, bedoeld in dat lid, de
ongeschiktheid van die werknemer niet
uiterlijk op de eerste dag nadat de
ongeschiktheid van die werknemer 42
weken heeft geduurd, heeft gemeld bij
het UWV. Daarnaast is het bedrag van de
boete abusievelijk gewijzigd van €|455,-
in €|454,-. Beide onjuistheden worden
met de onderhavige wijziging hersteld.
In
het huidige artikel
38, vierde lid, van
de
ZW is geregeld dat het UWV
niet
beoordeelt of de ex-werkgever van de
vangnetter voldoende
re-integratie-inspanningen heeft
verricht. Als gevolg daarvan kan ook
artikel 39a van de
ZW, dat de
verhaalssanctie regelt, niet worden
toegepast. Met de aanpassing van artikel
38, vierde lid, van de
ZW wordt alsnog
geregeld dat die beoordeling plaatsvindt
en dat het UWV op grond van artikel
39a,
eerste lid, van de
ZW de
ZW-uitkering
verhaalt op de ex-werkgever van een
vangnetter als bedoeld in artikel
29,
tweede lid, onderdeel e, f of
g, van de
ZW wiens dienstbetrekking eindigt en
waarbij het UWV van oordeel is dat deze
ex-werkgever zijn
re-integratieverplichtingen niet of niet
volledig is nagekomen. In verband
hiermee dienen ook artikel
38, zesde en
zevende lid, van toepassing te zijn met
betrekking tot deze vangnetters. Deze in
de ZW geregelde verhaalssanctie op de
ex-werkgever vormt het equivalent van de
in dit wetsvoorstel geregelde verlenging
van de loondoorbetalingsverplichting op
grond van de Wet
WIA bij het niet
nakomen van de
re-integratieverplichtingen door de
werkgever van een vangnetter wiens
dienstbetrekking nog wel bestaat (zie de
toelichting op artikel III, onderdeel
A, C, E en F).
rblz.|14|
Onderdeel
D
In
het voorgestelde nieuwe artikel 97 wordt
overgangsrecht opgenomen voor de
wijziging van artikel
38, vierde lid.
Door de wijziging van dit artikellid
wordt, zoals eerder aangegeven, geregeld
dat het UWV
de
re-integratie-inspanningen van een
ex-werkgever van een vangnetter
beoordeelt en dat het UWV de
ZW-uitkering verhaalt op de ex-werkgever
als deze die verplichtingen niet of niet
volledig is nagekomen. Met deze
overgangsbepaling wordt bereikt dat deze
beoordeling en het opleggen van de
verhaalssanctie alleen mogelijk zijn ten
aanzien van werkgevers wier werknemers
na de inwerkingtreding van de
betreffende voorstellen ziek zijn
geworden. Hiermee wordt voorkomen dat
het UWV ziekengeld zou moeten verhalen
op een werkgever die met die sanctie op
het moment dat zijn werknemer ziek werd
geen rekening had behoeven te houden.
Artikel
III. Wijziging van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen
Onderdelen
A, C,
E en
F
In
artikel 25 van de Wet
WIA worden de
verplichtingen in het kader van de
re-integratie voor de werkgever van een
arbeidsongeschikte werknemer geregeld.
Deze verplichtingen voor de werkgever
gelden ook wanneer de werknemer een
vangnetter is. De werkgevers van deze
vangnetters moeten ook aantekening
houden van het verloop van de ziekte en
de re-integratie van de verzekerde, een
plan van aanpak opstellen en dat
periodiek evalueren en in samenwerking
met de werknemer een
re-integratieverslag opstellen.
Indien
de werkgever van een "niet-vangnetter"
voornoemde verplichtingen zonder
deugdelijke grond niet of niet volledig
is nagekomen of onvoldoende
re-integratie-inspanningen heeft
verricht, stelt het UWV
een termijn vast
waarmee de loondoorbetalingsverplichting
wordt verlengd. De maximale duur van
deze verlenging is 52 weken. Op grond
van het huidige artikel
26, tweede lid,
van de Wet WIA
kan het UWV een
dergelijke (loon)sanctie niet opleggen
aan een werkgever van een vangnetter.
Het laten vervallen van het tweede lid
strekt ertoe dat het UWV ook ten aanzien
van een werkgever van een vangnetter de
loondoorbetalingsverplichting verlengt
bij het zonder deugdelijke grond niet of
niet volledig voldoen aan de
re-integratieverplichtingen of
verrichten van onvoldoende
re-integratie-inspanningen ten behoeve
van de vangnetter.
Met
deze wijziging worden tevens het derde
en vierde lid van artikel 26 van de
Wet WIA vernummerd tot tweede en derde lid.
De Regeling
procesgang eerste en tweede ziektejaar
voor vangnetters zonder werkgever, die thans berust op het vierde
lid, berust na inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel op artikel
26, derde lid,
van de Wet WIA
(zie artikel IV).
De
wijzigingen van de artikelen
64, 102 en
123b
van de Wet WIA
betreffen technische
aanpassingen in verband met de
vernummering van het derde lid van
artikel 26 van die
wet.
Onderdeel
B [vervallen, red.]
Met
dit wetsvoorstel wordt geregeld dat de
periode waarover de betrokkene
ziekengeld heeft genoten in mindering
wordt gebracht op zijn resterende WW-duur. Aangezien de duur van de
loongerelateerde uitkering van de
WGA-uitkering op grond van de Wet
WIA is
gekoppeld rblz.|15|
aan de WW-duur, wordt met deze
wijziging in artikel
59, derde lid, van
de Wet WIA geregeld dat ook de periode
tussen het einde van de dienstbetrekking
en het moment waarop recht op de
loongerelateerde uitkering van de
WGA-uitkering ontstaat en waarin
betrokkene
ZW-uitkering heeft ontvangen,
in mindering wordt gebracht op de duur
van de loongerelateerde uitkering van de
WGA-uitkering.
Onderdeel
D
Artikel
65 van de Wet
WIA bevat de grondslag
voor de beoordeling door het UWV
op
basis van het re-integratieverslag of de
werkgever en de werknemer in
redelijkheid hebben kunnen komen tot de
re-integratie-inspanningen die zijn
verricht. Deze beoordeling is thans op
grond van de derde zin van dit artikel
niet mogelijk ten aanzien van een
werkgever van een vangnetter. Deze zin
is destijds opgenomen omdat het UWV op
grond van artikel
26, tweede lid, van de Wet
WIA geen (loon)sanctie kon
opleggen. Nu laatstgenoemd artikellid
wordt geschrapt, kan ook de laatste zin
van artikel 65 komen te vervallen. In de
derde zin van het artikel dient dan ook
te worden geregeld dat de beoordeling
van het UWV ook betrekking heeft op de
re-integratie-inspanningen van de
vangnetter en zijn werkgever.
Onderdeel
G
In
de aanhef van artikel
133c van de Wet
WIA wordt toegevoegd dat het mede
overgangsrecht betreft in verband met de
inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel.
Onderdeel
a van het nieuw voorgestelde artikel
133c van de Wet
WIA betreft een
redactionele aanpassing van het
vigerende artikel 133c
en komt daarmee
inhoudelijk exact overeen.
In
onderdeel b wordt overgangsrecht
opgenomen in verband met het vervallen
van artikel
26, tweede lid, van de Wet
WIA. Ten aanzien van vangnetters waarvan
de wachttijd van de Wet
WIA is
aangevangen (de eerste ziektedag) vóór
de inwerkingtreding van artikel III,
onderdeel A, van dit wetsvoorstel blijft
het huidige recht gelden. Dit betekent
dat in die gevallen de
loondoorbetalingsverplichting van de
werkgever niet kan worden verlengd in
verband met het zonder deugdelijke grond
niet of niet volledig nakomen van zijn
re-integratieverplichtingen op grond van
artikel 25 van de Wet
WIA of het
verrichten van onvoldoende
re-integratie-inspanningen.
Artikel
IV
Met
de voorgestelde wijziging in artikel III,
onderdeel A, van dit wetsvoorstel
worden tevens het derde en vierde lid
van artikel 26 van de
Wet WIA vernummerd
tot tweede en derde lid. Op het
vigerende vierde lid is de Regeling
procesgang eerste en tweede ziektejaar
voor vangnetters zonder werkgever gebaseerd. Op grond van
artikel IV wordt
deze regeling "omgehangen" en wordt
bepaald dat deze regeling na
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
berust op artikel
26, derde lid, Wet
WIA.
De
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
J.P.H.
Donner
|