|
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2009-2010, 2010-2011,
32 430.
Handelingen II 2010-2011, nr. 24, blz. 29-43, nr. 25, blz. 25.
Kamerstukken I 2010-2011, 32 430 (A, B, C, D, E, F, G)
Handelingen I 2010-2011, nr. 13, blz. 23-36, blz. 51-52, nr. 32, item 5,
7 en 8.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 30 juni 2011, Stb.
2011, 359, houdende wijziging
van de Algemene Ouderdomswet teneinde een korting te kunnen toepassen op
de toeslag voor de echtgenoot die jonger is dan 65 jaar.
Inwerkingtreding 1 augustus 2011 (Stb.
2011, 361).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen die deze zullen zien of horen
lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben,
dat het in het licht van de economische omstandigheden wenselijk is om
een korting op de toeslag voor de echtgenoot die jonger is dan 65 jaar
toe te passen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State
gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden
en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art. I.
De Algemene Ouderdomswet wordt als volgt
gewijzigd:
A.¹ [MvT]
Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid vervalt, onder
vernummering van het vierde tot derde lid.
2. In het derde lid (nieuw) wordt "en 11" vervangen door:
11 en 12.
B.²/³ [MvT]
Artikel 12 komt te luiden:
Art. 12.
-1. Op de brutotoeslag vastgesteld op
grond van artikel 10 en, indien van toepassing, na toepassing van
artikel 13, tweede lid, wordt een korting toegepast tot 8% voor zover de
toeslag samen met het gezamenlijke inkomen uit of in verband met arbeid
in het bedrijfs- en beroepsleven van de gehuwde pensioengerechtigde en
diens echtgenoot vermeerderd met het op grond van de artikelen
9, zesde
lid, onderdeel b, en 13, eerste lid, vastgestelde bruto-ouderdomspensioen
door de toepassing van de korting niet minder dan 110% van het brutominimumloon bedraagt.
-2. De met toepassing van artikel 10,
tweede lid, of artikel 13, tweede lid, of het eerste lid berekende
niet-volledige brutotoeslag wordt voor toepassing van artikel
29,
tweede lid, aanhef en onder b, uitgedrukt in een percentage van de
volledige brutotoeslag. Dit percentage wordt rekenkundig afgerond op
een veelvoud van een honderdste.
-3. Dit artikel is van overeenkomstige
toepassing op de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel II van de Wet
van 23 oktober 1993 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet
(wijziging in de verhouding van ouderdomspensioen en toeslag) (Stb.
1993, 592). Ten aanzien van die pensioengerechtigden dient:
a. artikel 10, vierde lid, zoals dat
luidde vóór de datum van inwerkingtreding van die wet, te worden gelezen
alsof "en 11" is vervangen door
"11 en 12"; en
b. artikel 29, tweede lid, zoals dat
luidde vóór de datum van inwerkingtreding van die wet, te worden gelezen
alsof "met toepassing van artikel 10, tweede
lid," is vervangen door "met toepassing van artikel
10, tweede lid, of artikel 13, tweede lid,
of artikel 12, eerste lid," en
"de in artikel 10, derde lid, bedoelde
percenten" is vervangen door "de in artikel
12, tweede lid, bedoelde percenten".
C. [MvT]
Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid, onderdeel b, komt te
luiden:
b. aan wie een niet-volledige toeslag is
toegekend met toepassing van artikel 10, tweede lid,
artikel 13, tweede
lid, of artikel 12, eerste lid, is gelijk aan de
brutovakantie-uitkering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c,
vermeerderd met de met behulp van de in artikel
12, tweede lid, bedoelde
percenten over het verschil tussen de vastgestelde
brutovakantie-uitkering, bedoeld in onderdeel a, en de vastgestelde
brutovakantie-uitkering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c;.
2. Het vierde lid komt te luiden:
-4. In de gevallen dat op het ouderdomspensioen vastgesteld op grond van
artikel 9, met toepassing
van artikel 13, eerste lid, een korting wordt toegepast, wordt op
de op
grond van het eerste en derde lid vastgestelde brutovakantie-uitkering
een evenredige korting toegepast.
1. Zie artikel
Ia, onderdeel A, red.
2. Zie artikel Ia, onderdeel B, red.
3. Redactie: ingevolge artikel I van
de Wet van 30 juni 2011 tot wijziging van de Wet houdende wijziging van de Algemene Ouderdomswet teneinde een korting
te kunnen toepassen op de toeslag voor de echtgenoot die jonger is dan
65 jaar (Stb. 2011, 360) is in artikel
12, eerste lid, "8%"
vervangen door "10%" en "niet minder dan 110% van het brutominimumloon
bedraagt" vervangen door: niet minder bedraagt dan 162% van
het brutominimumloon met inbegrip van de
brutominimumvakantiebijslag,
bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag.
Art.
Ia.
Indien het bij koninklijke boodschap van
17 juni 2010 ingediende voorstel van wet tot wijziging van verschillende
wetten in verband met harmonisatie en vereenvoudiging van deze wetten
ten behoeve van de uitvoering van die wetten door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Wet
harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving) (Kamerstukken
32 421) tot wet is of
wordt verheven en artikel X, onderdeel B,
C en D, van die wet eerder
in werking is getreden of treedt dan deze wet, wordt artikel I van deze
wet als volgt gewijzigd:
A.
Onderdeel A komt te luiden:
A.
Artikel 10, derde lid, vervalt.
B.
In het in onderdeel B voorgestelde
artikel 12, eerste lid, wordt "of in verband met arbeid in het bedrijfs-
en beroepsleven" vervangen door: arbeid of overig inkomen.
Art.
Ib.
Indien het bij koninklijke boodschap van
17 juni 2010 ingediende voorstel van wet tot wijziging van verschillende
wetten in verband met harmonisatie en vereenvoudiging van deze wetten
ten behoeve van de uitvoering van die wetten door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Wet
harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving) (Kamerstukken
32 421) tot wet is of
wordt verheven en artikel X, onderdeel B,
C en D, van die wet
later
in werking treedt dan deze wet, wordt artikel X van
die wet als volgt
gewijzigd:
A.
Onderdeel B, onder 3, komt te luiden:
3. Het derde lid vervalt.
B.
Na onderdeel C wordt een onderdeel
ingevoegd luidende:
Ca.
In
artikel 12, eerste lid, wordt "of in
verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven" vervangen door:
arbeid of overige inkomsten.
Art. II.
Deze wet treedt in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip.¹
1. Bij Besluit
van 8 juli 2011, Stb. 2011, 361, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 augustus 2011, red.
Lasten en bevelen dat deze in het
Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten,
colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 30 juni 2011
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
H.G.J. Kamp
Uitgegeven de negentiende juli 2011
De Minister van Veiligheid en Justitie,
I.W. Opstelten
|
|