|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2009-2010, 32 453
Wijziging
van de Wet werk en bijstand, de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enige andere wetten
in verband met het afschaffen van specifiek interbestuurlijk toezicht (Wet
interbestuurlijk toezicht gemeentelijke inkomens- en werkvoorzieningen)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Huidig interbestuurlijk toezicht Wet
werk en bijstand |
| 3 |
Wwb en
kabinetsstandpunt-Oosting |
| 4 |
Interbestuurlijk toezicht kleine
inkomensvoorzieningen SZW |
| 5 |
Interbestuurlijk toezicht Wet sociale
werkvoorziening |
| 6 |
Gevolgen voor de taak van IWI in de Wet
SUWI |
| 7 |
Informatiearrangement |
| 8 |
Heroriëntatie verantwoordelijkheid
Minister van SZW |
| 9 |
Adviezen |
| xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m VIII |
Algemeen
1.
Inleiding
In de relatie met medeoverheden is het beleid van het kabinet gericht op
het realiseren van minder bestuurlijke drukte en een effectiever
optreden van de overheid als geheel. Ruimte voor differentiatie en
maatwerk en een andere wijze van regelgeving, controle en toezicht zijn
voornemens die hierbij horen. In dit kader is in 2006 de Commissie
Doorlichting Interbestuurlijke Toezichtarrangementen ingesteld, onder
voorzitterschap van de heer Oosting. Mede op basis van de doorlichting
van een aantal specifieke toezichtsarrangementen, waaronder die van de
Wet werk en bijstand, heeft de commissie-Oosting eind 2007 voorstellen
gedaan tot vergaande vermindering van het aantal specifieke
toezichtsarrangementen. In haar rapport "Van specifiek naar
generiek"
oordeelt de commissie dat - gelet op de gelijkwaardige positie van
Rijk, provincies en gemeenten en de doorgevoerde dualisering - alle
specifieke interbestuurlijke toezichtarrangementen afgeschaft kunnen
worden, op enkele uitzonderingen na. Bij brief van de Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 23 april 2008 is de
kabinetsreactie op het rapport "Van specifiek naar
generiek" aan de
Tweede Kamer aangeboden.¹ Het kabinet vindt het rapport van de commissie-Oosting
zeer waardevol, omdat het aansluit bij de weg van
decentralisatie die het kabinet heeft ingeslagen. Decentrale overheden
zijn autonome bestuurslagen met een eigen positie in ons rblz.|2|
bestuurlijk
bestel. Dat vraagt om vertrouwen en niet te ingewikkelde
interbestuurlijke omgangsvormen. Dat betekent ook niet onnodig ingrijpen
in de beleidsvrijheid van medeoverheden. Niet vooraf en ook niet
achteraf door middel van te veel specifiek toezicht. Om die reden heeft
het kabinet aangegeven dat zij voornemens is de aanbevelingen van de
commissie in grote lijnen over te nemen.
1. Kamerstukken 2007-2008,
31 200 VII, nr. 61.
Met
betrekking tot het interbestuurlijk
toezicht stelt het kabinet zich op het
standpunt dat interbestuurlijke
invloeduitoefening, voor zover daartoe
reden is, gericht moet zijn op het
stellen van algemene beleidskaders met
een wettelijke grondslag ("sturen aan
de voorkant"). Het bewaken van een
hoger belang, het voorkomen van
patstellingen tussen of afwentelgedrag
op andere overheden vormen een motief
voor interbestuurlijk toezicht, maar
niet zonder meer. Een hoger belang als
"de ministeriële
verantwoordelijkheid" veronderstelt dan
wel een grondslag in een specifieke
wettelijke bevoegdheid of
verantwoordelijkheid. Het kabinet meent
dat in het interbestuurlijke toezicht in
beginsel volstaan kan worden met het
generieke instrumentarium, bestaande uit
de in de Provinciewet
en de Gemeentewet opgenomen mogelijkheden tot vernietiging
van besluiten en andere beslissingen en
de taakverwaarlozingsregeling.
2.
Huidig interbestuurlijk toezicht Wet
werk en bijstand
Met de invoering van de Wet werk en
bijstand (Wwb) per 1 januari 2004 is een
fundamentele wijziging in de
interbestuurlijke verhoudingen in het
sociale domein doorgevoerd. Het
declaratiestelsel maakte plaats voor een
systeem van budgetbekostiging en de
centrale regelgeving werd vergaand
gedereguleerd en vereenvoudigd. De
lokale beleidsruimte en
-verantwoordelijkheid voor de uitvoering
van de Wwb
namen fors toe. Dat gold ook
voor de controlerende en bijsturende rol
van de gemeenteraad, waarmee de Wwb
een
versterking betekende van de effecten
die beoogd zijn met de invoering van de
dualisering van het lokale bestuur. Het
toenemend gewicht van de rol van de
gemeenteraad werd vanuit de Wwb
mede
ingegeven doordat tal van aspecten van
de uitvoering uitsluitend op lokaal
niveau wordt verantwoord, zoals de
rechtmatige uitvoering van de lokale
regels en de doeltreffendheid en de
doelmatigheid van de lokale uitvoering.
Hoewel de raad niet de formele rol van
toezichthouder bekleedt, is bij de
invoering van de Wwb
gekozen voor het
beginsel dat het rijkstoezicht aansluit
op het lokale verantwoordingsproces en
de uitkomsten daarvan. Dit beginsel
heeft inmiddels ruimere betekenis
gekregen met de landelijke invoering van
het principe van single information
& single audit. Basisidee is hierbij
dat het Rijk op hoofdlijnen stuurt en
dat het vragen van informatie zoveel
mogelijk aansluit bij de
informatiebehoeften en
verantwoordingsmomenten van de
medeoverheden zelf. In de relatie Rijk
en gemeenten geldt dat de
verantwoordingsinformatie van het
college aan de gemeenteraad tevens
dienstbaar is als verantwoording van de
gemeente aan het Rijk (single
information) én dat vervolgens de
jaarrekeningcontrole van de
gemeenteaccountant ook voor het Rijk
voldoende is (single audit). Voor zover
de jaarrekening onvoldoende informatie
verschaft voor het beheer van de
specifieke uitkeringen door het Rijk,
verstrekken gemeenten via een bijlage
bij de jaarrekening hiervoor aanvullende
informatie.
Niettemin
is bij de totstandkoming van de Wwb
wel
gekozen voor een vorm van specifiek
interbestuurlijk toezicht. De keuze
hiervoor is ingegeven door de
verantwoordelijkheid die de Minister van
SZW heeft voor de werking van het
systeem van werk en inkomen in het
algemeen en voor de rechtszekerheid voor
de burger, de algemene bijstandsniveaus
[lees: algemenebijstandsniveau's, red.],
de bekostiging, de wetshandhaving en,
als medewetgever, de kwaliteit van de
centrale regelgeving in het bijzonder.
Met de Algemene Rekenkamer rblz.|3|
is het
kabinet van oordeel dat voornoemde
verantwoordelijkheden ertoe leiden dat
de minister zich goed dient te
informeren over hoe het systeem
functioneert en wat het oplevert.¹
1.
Kamerstukken
2002-2003, 28 870, nr. 13, blz. 4/5.
Vanwege
de geschetste ontwikkelingen maakte het
rijkstoezicht bij de invoering van de Wwb, ten opzichte van de situatie tot en
met 2003, een terugtredende beweging,
waarbij het hoofdzakelijk is gericht op
de werking van het stelsel en op de
uitvoering vanuit landelijk perspectief
gezien. Slechts in uitzonderingsgevallen
waarin sprake is van ernstige
tekortkomingen in de rechtmatige
uitvoering van de Wwb
en bij de
beoordeling van de rechtmatige besteding
van geoormerkte gelden voor
re-integratieactiviteiten in het kader
van de Wet
participatiebudget wordt een
oordeel uitgesproken over het handelen
van een gemeentelijke overheid. Bij de
inrichting van dit toezicht is enerzijds
gesteund op het toenemende belang van de
controlerende taak van de gemeenteraad
in het kader van de dualisering van het
gemeentebestuur, doch anderzijds heeft
meegewogen dat de horizontale
verantwoording en controle vanuit een
ander belang dan de ministeriële
verantwoordelijkheid geschiedt, zodat
het rijkstoezicht niet vervangbaar is
door horizontale controle.
Het
huidig toezicht in het kader van de Wwb
bestaat uit:
- toezicht op de rechtmatigheid van de
uitvoering van de Wwb
door het college
van burgemeester en wethouders (toezicht
op naleving van in de Wwb
opgenomen
voorschriften alsmede op de besteding
van het re-integratiebudget
overeenkomstig de wettelijke
bestemming);
- het toezicht op de doeltreffendheid van
de wet: inzicht in uitvoeringsresultaten
en prestaties van de gezamenlijke gemeenten, geaggregeerd op landelijk
niveau.
Het
interbestuurlijk toezicht in het kader
van de Wwb wordt uitgeoefend binnen het
kader van de sturingsdriehoek: beleid,
uitvoering en toezicht. De algemene
doelstelling van dit toezicht is het
bevorderen van de juiste uitvoering van
de wet, in samenhang en in samenwerking
met SUWI-partners [SUWI: structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, red.].
Namens
de Minister van SZW wordt dit toezicht
uitgeoefend door de Inspectie Werk en
Inkomen (IWI), wier onafhankelijkheid
in programmering, informatievergaring en
oordeelsvorming geborgd is in de Wet
SUWI. In het licht van de definitie van
toezicht als "het verzamelen van
informatie over de vraag of een
handeling of zaak voldoet aan de daaraan
gestelde eisen, het vormen van een
oordeel hierover en het eventueel naar
aanleiding daarvan zo nodig
interveniëren", wordt de taak van IWI
aangemerkt als signalerend toezicht. IWI
is belast met het verzamelen van
informatie en het oordelen over de vraag
of een handeling of zaak voldoet aan de
daaraan gestelde eisen. De
interbestuurlijke interventie, en de
afwegingen die daaromtrent gemaakt
moeten worden, behoren tot de exclusieve
competentie van de Minister van SZW.
Het
interbestuurlijk toezicht in het kader
van de Wwb heeft van meet af aan een
restrictieve invulling gekregen,
gestoeld op enerzijds de ministeriële
verantwoordelijkheid en anderzijds de
uitgangspunten dat de budgetbekostiging gemeenten een direct eigen belang geeft
bij een juiste wetsuitvoering en dat de
primaire verantwoordelijkheid voor de
controle op rechtmatige uitvoering van
de wet bij de gemeente zelf ligt.
Het
met de Wwb
ingevoerde systeem van
budgetbekostiging, en de daarvan
uitgaande prikkelwerking, heeft ertoe
geleid dat de Minister van SZW in
beginsel niet behoeft in te grijpen
indien de uitvoering door de gemeente
niet geheel wetsconform is. Indien een
dergelijke uitvoering voor de gemeente
leidt tot onnodige uitgaven, is dit een
voldoende intrinsieke stimulans om de
uitvoering te verbeteren. Wanneer een
rechtmatigheidtekortkoming het
gemeentelijk belang zodanig overstijgt rblz.|4|
dat het een rechtstreeks gevolg heeft
voor de Minister van SZW wegens diens
reeds geschetste verantwoordelijkheden
voor het stelsel van werk en inkomen,
kan de minister
oordelen dat sprake is
van een ernstige tekortkoming. Op grond
van artikel 76 van de
Wwb kan de
minister in zo’n geval interveniëren
door middel van een aanwijzing. Indien
een gemeente binnen een daartoe gestelde
termijn geen of niet voldoende gevolg
geeft aan de aanwijzing, biedt de Wwb
de
minister de bevoegdheid om het budget
voor de gebundelde uitkering
inkomensvoorzieningen van de gemeente te
verlagen.
3.
Wwb en kabinetsstandpunt-Oosting
Met
betrekking tot de Wwb
heeft de commissie-Oosting
geconstateerd dat de uitvoering
van de bijstand vergaand is
gedecentraliseerd. Zij acht het
vanzelfsprekend dat de Minister van SZW
bij een dergelijke grote operatie een
vinger aan de pols wil houden bij de
wijze waarop de Wwb
wordt uitgevoerd en
functioneert. Naar de mening van de
commissie dient dat echter niet te
gebeuren via specifiek interbestuurlijk
toezicht, maar via (proces)evaluaties en
beleidsmonitoring. De kwaliteit van de
uitvoering kan worden bevorderd via
horizontale instrumenten, zoals
benchmarking, samenwerking of een
gemeenschappelijk expertisecentrum.
Volgens de commissie is voor de
beoordeling van de rechtmatigheid van de
uitgaven geen specifiek arrangement
nodig, maar is het bestaande stelsel van
financieel toezicht, in het bijzonder de
verantwoordingen volgens de systematiek
van single information & single
audit (SISA), toereikend. Hieruit volgt
dat het afschaffen van het specifiek
interbestuurlijk toezicht geen
verandering brengt in verantwoording die
gemeenten aan het Rijk moeten afleggen
over de rechtmatige besteding van
geoormerkte gelden, zoals de budgetten
op grond van de Wet
participatiebudget en de Wsw.
De
commissie-Oosting is van mening dat via
het generieke instrumentarium correctief
kan worden opgetreden tegen een
uitvoeringspraktijk die strijdig is met
de wettelijke regeling.
Ten
aanzien van het toezicht op de
doeltreffendheid van
de wet
(artikel
76,
eerste lid, onderdeel b, Wwb) stelt de
commissie vast dat de Minister van SZW
geen bevoegdheden heeft om bij
individuele gemeenten in te grijpen.
Daarom is volgens de commissie in
strikte zin geen sprake van
interbestuurlijk toezicht, maar van
beleidsmonitoring of -evaluatie.
Met
betrekking tot de Wwb
meent het kabinet
dat de voorstellen van de commissie-Oosting
grotendeels kunnen worden
overgenomen. Alleen ten aanzien van de
bestuurlijke interventie ziet het
kabinet aanleiding af te wijken van het
beginsel dat volstaan kan worden met het
generieke instrumentarium, bestaande uit
(schorsing en) vernietiging en de
taakverwaarlozingsregeling.
Sinds
2004 bevat de Wwb
de bevoegdheid voor de Minister van SZW om een aanwijzing te
geven aan een gemeente indien hij een
ernstige tekortkoming constateert. Een
ernstige tekortkoming kan aan de orde
zijn in situaties waarin het zelfsturend
vermogen van de gemeente tekortschiet
én waarin naar het oordeel van de Minister van SZW sprake is van een
rechtmatigheidstekortkoming die vanwege
aard, intensiteit of duur een wettelijk
verankerd fundament van
de wet te zeer
schaadt. In de praktijk doen ernstige
tekortkomingen zich vooral voor ten
aanzien van de categoriale bijzondere
bijstandsverlening [lees: bijzonderebijstandverlening, red.], waarbij gemeenten
zich onder de vlag van de Wwb
begeven op
het terrein van het aan het Rijk
voorbehouden generiek inkomensbeleid.
Het gaat hierbij doorgaans om eenmalige
besluiten, die overigens wel jaarlijks
kunnen terugkeren. Met het generiek
instrument van artikel 268 van de Gemeentewet
zou in beginsel een
dergelijk onrechtmatig besluit tot
verlenen van categorale bijzondere
bijstand kunnen worden vernietigd. De
inzet van de vernietiging rblz.|5|
biedt echter
slechts ten dele een oplossing,
aangezien de vernietiging alleen
ongedaan maakt wat in strijd met het
recht of het algemeen belang tot stand
is gebracht.
In
het kader van de Wwb
en aanverwante
voorzieningen bestaat evenwel behoefte
aan een specifiek instrument waarmee
herhaling van een onrechtmatige
wetsuitvoering kan worden voorkomen. De
bestaande aanwijzing voorziet hierin,
mede vanwege het feit dat aan een
gemeente een financiële maatregel kan
worden opgelegd indien zij niet of niet
voldoende gevolg geeft aan de
aanwijzing. De dreiging van een
financiële maatregel bij het niet of
niet voldoende opvolgen bevordert dat
het college de aanwijzing op haar waarde
zal weten te schatten. Indien het
college de aanwijzing opvolgt, kan
verdere rijksinmenging achterwege
blijven en ondervindt de gemeente ook
geen financieel nadeel van het feit dat
haar beleid en/of uitvoering enige tijd
niet heeft voldaan aan de wettelijke
eisen. Aangezien het college door het
opvolgen van de aanwijzing financiële
consequenties kan voorkomen, heeft de
aanwijzing een reparatoir karakter en
kan niet worden aangemerkt als een
strafsanctie. De toekomstgerichtheid van
de aanwijzing houdt in dat het college
in de gelegenheid wordt gesteld de
uitvoering in overeenstemming te brengen
met de wettelijke eisen.
Sinds
de inwerkingtreding van de Wwb
is de
aanwijzingsprocedure enige malen
daadwerkelijk toegepast. Voor het eerst
in 2006, met betrekking tot de
verstrekking van een niet-toegestane
vorm van categoriale bijzondere bijstand
door de gemeente
Arnhem. De Tweede Kamer
is hierover geïnformeerd bij brief van
de Staatssecretaris van SZW van 27
november 2006. Nadien is de procedure
nog een aantal keer daadwerkelijk
toegepast, waarbij in alle gevallen
sprake was van niet-geoorloofde vormen
van categoriale bijzondere bijstand en
van het onbevoegd voeren van generiek
inkomensbeleid door de gemeente.
De
wet vordert van gemeenten niet dat zij
in bepaalde situaties tot categoriale
bijzondere bijstand moeten beslissen. De
keuze hiertoe is geheel aan de gemeente.
Foutieve keuzen, namelijk de niet-geoorloofde vormen van categoriale
bijzondere bijstand, kunnen derhalve
niet tot de conclusie leiden dat sprake
is van taakverwaarlozing. Daarmee kan
geen toepassing worden gegeven aan het
generieke instrument van de
indeplaatsstelling, aangezien dit
instrument onlosmakelijk is verbonden
met een situatie van taakverwaarlozing.
In
de bijlage bij de kabinetsreactie op het
rapport "Van specifiek naar
generiek", betreffende het overzicht
van maatregelen per departement, is
kenbaar gemaakt dat het instrument van
de aanwijzing gehandhaafd blijft in de Wwb. Onder het kopje
"Maatregelen van
SZW" is met betrekking tot de Wwb
aangegeven dat het eerste en tweede lid
van artikel 76 zullen worden aangepast
en dat artikel
76, derde lid (de
aanwijzing), gehandhaafd zal blijven.
Evenals
de Wwb en de "kleine
inkomensvoorzieningen" [Ioaw,
Ioaz, Wwik
en WIJ, red.]
bevat de Wsw
voor de Minister van SZW de bevoegdheid
om in geval van een ernstige tekortkoming
in de rechtmatige uitvoering van de
wet,
de gemeente
een aanwijzing te geven. Het
juridische kader van de in de Wsw
opgenomen aanwijzing biedt de Minister van SZW, anders dan bij de Wwb
en de
"kleine inkomensvoorzieningen", geen
instrumenten om op te treden indien een
gemeente een aanwijzing niet of niet
voldoende opvolgt. Waar bij de Wwb
ernstige tekortkomingen in de praktijk
blijken te bestaan uit actieve
besluitvorming in strijd met
de wet, kan
het systeem van de Wsw vooral worden
bedreigd door nalatigheid van gemeenten.
In
dergelijke situaties is de mogelijkheid
tot indeplaatsstelling, zoals opgenomen
in het voorstel van Wet revitalisering
generiek toezicht (onder andere het voorgestelde
artikel 124 van de Gemeentewet), een
adequaat instrument. rblz.|6|
Om die reden kan de
aanwijzing op grond van de Wsw
komen te
vervallen indien voornoemd wetsvoorstel
in werking treedt. Dit zal worden
geregeld in een wetsvoorstel dat de
aanpassing van wetten aan de Wet
revitalisering generiek toezicht bevat.
Het karakter van een ernstige
tekortkoming in het kader van de Wwb
verschilt daarmee van een ernstige
tekortkoming in het kader van de Wsw.
Dit verschil rechtvaardigt dat de Wwb-aanwijzing wel wordt gehandhaafd en
de Wsw-aanwijzing niet, indien het
instrument van de indeplaatsstelling in
artikel 124 van de Gemeentewet
kan
worden toegepast.
Het
vervallen van deze toezichtstaken voor
IWI laat onverlet dat de Minister van SZW, wanneer hem signalen bereiken over
mogelijk ernstige tekortkomingen bij de
uitvoering van de diverse materiewetten,
IWI opdracht kan verlenen tot het
instellen van onderzoek. Een dergelijke
opdrachtverlening geschiedt met
toepassing van artikel 39 van de
Wet
SUWI. Op basis van de uitkomsten van het
IWI-onderzoek beoordeelt de Minister van SZW
of hij aanleiding ziet gebruik te
maken van zijn aanwijzingsbevoegdheid,
eventueel gecombineerd met de toepassing
van een generiek toezichtsinstrument.
4.
Interbestuurlijk toezicht kleine
inkomensvoorzieningen SZW
De
commissie-Oosting heeft er om praktische
redenen voor gekozen om niet alle
specifieke toezichtsarrangementen door
te lichten, maar meent dat haar
conclusies doorgetrokken kunnen worden
naar en toegepast op de
niet-doorgelichte regelingen. In
afstemming met VNG [Vereniging
van Nederlandse Gemeenten, red.]
en IPO [Interprovinciaal Overleg, red.]
heeft de
commissie twaalf regelingen/terreinen
geselecteerd, waarbij voorrang is
gegeven aan domeinen waar in ruime mate
sprake is van interbestuurlijk toezicht,
qua bevoegdheden en/of intensiteit van
het toezicht in de praktijk.
Voor
het domein van SZW heeft de commissie-Oosting
gekozen voor de Wwb. De daaraan
te verbinden conclusies zijn in het vorige
hoofdstuk toegelicht. Op grond
van een tweetal overwegingen wordt via
dit wetsvoorstel voorgesteld om aan de
specifieke toezichtarrangementen op
grond van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers
(Ioaw), de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
(Ioaz) en de Wet werk en inkomen
kunstenaars (Wwik) dezelfde conclusies
te verbinden als voor de Wwb. De eerste
overweging betreft het gegeven dat de in
de "kleine inkomensvoorzieningen"
opgenomen toezichtsarrangementen
identiek zijn aan die van de Wwb. Dat
wil zeggen dat de Minister van SZW
toezicht houdt op de rechtmatigheid van
de uitvoering van de wet door het
college en op de doeltreffendheid van de
wet, dat het toezicht namens de minister
wordt uitgeoefend door de
IWI en dat de Minister van SZW het college een
aanwijzing kan geven indien naar zijn
oordeel sprake is van een ernstige
tekortkoming. De tweede reden houdt
verband met de inwerkingtreding van de Wet tot bundeling van uitkeringen
inkomensvoorziening aan gemeenten.¹ Met
deze wet zijn, als uitvloeisel van de in
het Bestuursakkoord van 4 juni 2007
"Samen aan de slag" ² opgenomen
doelstelling om het aantal specifieke
uitkeringen te reduceren, de
afzonderlijke geldstromen gebundeld tot
één geldstroom. Door de bundeling van
de geldstromen wordt met betrekking tot
de kosten van levensonderhoud ook voor
de kleine inkomensvoorzieningen een
systeem van volledige budgetbekostiging
ingevoerd. Met een enkele uitzondering
in het kader van het Besluit
bijstandverlening zelfstandigen 2004
(Bbz 2004) is geen
sprake meer zijn van een
declaratiestelsel en is, à la de Wwb,
overgegaan tot deregulering en
vereenvoudiging van de centrale
regelgeving.
Vanwege
de genoemde overeenkomsten in
bekostiging en bestuurlijke verhouding
tussen het Rijk en de gemeenten
is het
wenselijk om ook voor "kleine
inkomensvoorzieningen" te kiezen voor
de lijn van het rblz.|7|
kabinetsstandpunt-Oosting. Het voorliggende wetsvoorstel
behelst derhalve het afschaffen van de
specifieke toezichtsbepalingen (artikel
52 Ioaw/Ioaz en artikel
45, eerste en
tweede lid, Wwik) en het handhaven van
de aanwijzingsbevoegdheid (artikel 53
Ioaw/Ioaz en
artikel 45, derde lid,
Wwik) en
het verlagen van het gebundelde budget
voor inkomensvoorzieningen indien het
college geen of onvoldoende gevolg geeft
aan een aanwijzing. Hetzelfde geldt
voor de inmiddels in werking getreden
Wet investeren in jongeren (WIJ). Voor
de uitgaven voor inkomensvoorzieningen
op grond van deze wet dient ook de
gebundelde uitkering. Voorts bevat deze
wet ook een aanwijzingsbevoegdheid in
artikel 87, die gehandhaafd blijft.
Het
toezicht op de uitvoering van het Bbz 2004 behoeft geen
afzonderlijke regeling. Van 2004 tot en
met 2008 was het Bbz 2004 gebaseerd op
artikel 7 van de Invoeringswet
Wwb. Met
intrekken van deze
wet is het Bbz 2004
vanaf 1 januari 2009 gebaseerd op
artikel 78f van de Wwb, waarmee het
toezichtsarrangement van de Wwb
- en
ook de afschaffing daarvan - rechtstreeks van toepassing is op het
besluit.
1.
Stb. 2009,
592 en 593.
2. Kamerstukken II 2006-2007, 30 800 B,
nr. 17.
5.
Interbestuurlijk toezicht Wet sociale
werkvoorziening
Het
in de Wet sociale werkvoorziening (Wsw)
opgenomen specifieke
toezichtsarrangement komt in belangrijke
mate overeen met de in de Wwb
en de
"kleine inkomensvoorzieningen"
opgenomen toezichtsarrangementen. Ook in
lijn met de Wwb
geldt ten aanzien van de
Wsw dat de gerealiseerde decentralisatie
in combinatie met de ingebouwde
financiële prikkel gemeenten in
voldoende mate aanzet tot een
rechtmatige en doeltreffende
wetsuitvoering. Toch kan daaraan niet
zonder meer de conclusie verbonden worden
dat het toezichtarrangement, in lijn met
de Wwb
en de "inkomensvoorzieningen",
herzien moet worden. Bij de beoordeling
van het toezichtsarrangement op grond
van de Wsw is nadrukkelijk rekening
gehouden met het advies van de Commissie
fundamentele herbezinning Wsw en het
kabinetsstandpunt dat dienaangaande op
12 januari 2009 aan de Tweede Kamer is
gezonden.¹ Naar het oordeel van het
kabinet is de conclusie gerechtvaardigd
dat er vooralsnog geen reden is aan te
nemen dat vermeld kabinetsstandpunt en
de daaruit voortvloeiende activiteiten
(zoals pilots) op enigerlei wijze het
eerdere kabinetsstandpunt met betrekking
tot de commissie-Oosting doorkruisen.
Dit betekent dat de noodzaak van het
toezichtsarrangement op grond van de Wsw
beoordeeld dient te worden vanuit het
door de commissie-Oosting ontwikkelde
normenkader, te weten: het bewaken van
een hoger belang, het voorkomen van
patstellingen tussen of afwentelgedrag
op andere overheden.
1.
Kamerstukken II 2008-2009, 29 817, nr.
40.
Aan
de hand van dit kader komt het kabinet
tot de slotsom dat de in de Wsw
opgenomen specifieke toezichtsopdracht
voor de Minister van SZW
geschrapt dient
te worden, conform het voorstel met
betrekking tot de Wwb
en de "kleine
inkomensvoorzieningen".
Evenals
de Wwb en de "kleine
inkomensvoorzieningen" bevat de Wsw
voor de Minister van SZW
de bevoegdheid
om in geval van een ernstige tekortkoming
in de rechtmatige uitvoering van de
wet
de gemeente een aanwijzing te geven. Het
juridische kader van de in de Wsw
opgenomen aanwijzing biedt de Minister van SZW, anders dan bij de
Wwb
en de
"kleine inkomensvoorzieningen", geen
instrumenten om op te treden indien een
gemeente een aanwijzing niet of niet
voldoende opvolgt. Waar bij de Wwb
ernstige tekortkomingen in de praktijk
blijken te bestaan uit actieve
besluitvorming in strijd met de
wet, kan
het systeem van de Wsw vooral worden
bedreigd door nalatigheid van gemeenten,
bijvoorbeeld ten aanzien van de volgende
aspecten:
rblz.|8|
- de gemeente geeft geen uitvoering aan
begeleid werken, als één van de
fundamentele doelstellingen van de
wet;
- de gemeente geeft voorrang aan bepaalde
groepen op de wachtlijst zonder dit te
verankeren in een gemeentelijke
verordening;
- de gemeente weigert informatie te
verstrekken aan de Wsw-doelgroep over de
plek op de wachtlijst.
In
dergelijke situaties is de mogelijkheid
tot indeplaatsstelling, zoals opgenomen
in het voorstel van Wet revitalisering
generiek toezicht ¹ (onder andere het
voorgestelde artikel 124 van de Gemeentewet), een adequaat instrument.
Om die reden kan de aanwijzing op grond
van de Wsw komen te vervallen indien
voornoemd wetsvoorstel in werking
treedt. Dit zal worden geregeld in een
wetsvoorstel dat de aanpassing van
wetten aan de Wet revitalisering
generiek toezicht bevat. Het karakter
van een ernstige tekortkoming in het
kader van de Wwb
verschilt daarmee van
een ernstige tekortkoming in het kader
van de Wsw. Dit verschil rechtvaardigt
dat de Wwb-aanwijzing wel wordt
gehandhaafd en de Wsw-aanwijzing niet,
indien het instrument van de
indeplaatsstelling in artikel 124 van de
Gemeentewet
kan worden toegepast.
1.
Kamerstukken 2009-2010, 32 389.
6.
Gevolgen voor de taak van IWI in de Wet
SUWI
In
artikel 37, onderdeel b, van de
Wet SUWI is in algemene zin de taak van
IWI in
relatie tot individuele gemeenten
vastgelegd, aangevuld met nadere
bepalingen in artikel 76
Wwb. De
inspectie is belast is met:
- het toezicht op de rechtmatigheid van de
uitvoering van de Wwb, de
Ioaw
en de Ioaz door de colleges burgemeester en
wethouders en de doeltreffendheid van
die wetten;
- het geven van een oordeel in verband met
het verstrekken van een incidentele
aanvullende uitkering zoals geregeld in
artikel 74, vierde lid, van de Wwb;
- het toezicht op de rechtmatigheid en de
doeltreffendheid van de uitvoering van
de Wsw
en de Wwik
door de colleges van
burgemeester en wethouders en op de
doeltreffendheid van die wetten.
De
in de Wet SUWI
opgenomen
toezichtsopdrachten voor
IWI zijn de
equivalenten van de in de materiewetten
opgenomen toezichtopdrachten. Met het
schrappen van de toezichtsbepalingen in
de Wwb, de Ioaw, de
Ioaz, de Wwik
en de Wsw dienen ook de bepalingen in de Wet
SUWI, zijnde artikel
37, onderdeel b,
geschrapt te worden.
Het
vervallen van deze toezichtstaken voor
IWI laat onverlet dat de Minister van SZW, wanneer hem signalen bereiken over
mogelijk ernstige tekortkomingen bij de
uitvoering van de diverse materiewetten,
IWI opdracht kan verlenen tot het
instellen van onderzoek. Een dergelijke
opdrachtverlening geschiedt met
toepassing van artikel 39 van de
Wet SUWI. Op basis van de uitkomsten van het
IWI-onderzoek beoordeelt de Minister van SZW
of hij aanleiding ziet gebruik te
maken van zijn aanwijzingsbevoegdheid,
eventueel gecombineerd met de toepassing
van een generiek toezichtsintrument.
Op
grond van het huidige artikel
74, vierde
lid, Wwb, geeft
IWI een oordeel over de
uitvoering van de Wwb
voor iedere gemeente
die bij de toetsingscommissie
een verzoek om een incidentele
aanvullende uitkering op het Wwb
inkomensdeel ¹ heeft ingediend. Het
betreft weliswaar geen toezichtstaak,
maar de taak heeft wel een
toezichtsachtergrond. Vanuit het
beginsel "enkelvoudige uitvraag,
meervoudig gebruik" wordt voor het
inzicht in de kwaliteit van de
uitvoering door de verzoekende gemeente
gebruik gemaakt van de kennis die IWI,
vanuit haar toezichthoudende taak,
daaromtrent heeft. Met het vervallen van
de interbestuurlijke toezichtstaken van
IWI droogt ook haar informatie omtrent
de uitvoering rblz.|9|
van de Wwb
door
individuele gemeenten op. Hieruit volgt
dat haar wettelijke opdracht in relatie
tot de incidentele en meerjarige
aanvullende uitkering op het Wwb
inkomensdeel ook dient te vervallen. In
overleg met de toetsingscommissie Wwb
wordt bezien welke oplossing, ook met
betrekking tot de meerjarige aanvullende
uitkering, het meest passend is. Voor
zover een rol van IWI wenselijk is of
blijft, kan haar hiertoe een opdracht
worden verleend op grond van artikel 39
van de Wet
SUWI.
1.
Verzoeken om aanvullende uitkering op de
gebundelde uitkering
inkomensvoorzieningen kunnen eerst in
2011 worden ingediend.
Op
grond van artikel
37, onderdeel c, van
de Wet SUWI is
IWI ook belast met het
toezicht op de rechtmatigheid en
doelmatigheid, waaronder begrepen
doeltreffendheid, van de wijze waarop
het UWV, de
SVB en de colleges van
burgemeester en wethouders bij de
uitvoering van de aan hen opgedragen
taken samenwerken. Hoewel dit toezicht
mede betrekking heeft op gemeenten, is
geen sprake van interbestuurlijk
toezicht in de zin van het
kabinetsstandpunt-Oosting. Het toezicht
richt zich immers niet op de uitoefening
van een medebewindstaak door een
afzonderlijke gemeente, ter verzekering
van het "eenheidskarakter" van onze
gedecentraliseerde eenheidsstaat. Het
systeemgericht toezicht beoogt op
landelijk geaggregeerd niveau inzicht te
bieden in de effectiviteit van de
uitvoeringspraktijk in samenhang met het
beleid op het terrein van werk en
inkomen. Als zodanig vormen de
uitkomsten van dit toezicht een
relevante bron voor de Minister van SZW
vanwege zijn
systeemverantwoordelijkheid. Vanuit dat
oogpunt maar ook anderszins bestaat geen
aanleiding om deze vorm van toezicht te
laten vervallen.
Op
grond van artikel 9 van de
Wet SUWI dienen UWV, SVB en de colleges samen te
werken bij de uitvoering van de taken op
grond van de Wet
SUWI, de Wwb,
Ioaw en Ioaz
met het oog op een doeltreffende en
klantgerichte uitoefening van die taken.
In artikel 10 van de
Wet SUWI is de
samenwerking (gezamenlijke
dienstverlening) van UWV en de colleges
in de locaties werk en inkomen geregeld.
Op grond van artikel
10, derde lid, van
de Wet SUWI
heeft de minister
de
mogelijkheid een aanwijzing te geven aan
UWV of colleges van burgemeester en
wethouders bij ernstige tekortkomingen
met betrekking tot de uitvoering van de
taken betreffende de dienstverlening in
locaties werk en inkomen.
In
het kader van het systeemgericht
toezicht vervult het toezicht op de
samenwerking een essentiële rol.
Met
het vervallen van artikel
37, onderdeel b, van de Wet
SUWI vervalt ook de
regeling dat
IWI belast wordt met het
toezicht op de doeltreffendheid van de wetten die door gemeenten worden
uitgevoerd. Hiermee vervalt ook de taak
met betrekking tot de wijze waarop door
de uitvoering van taken door de colleges
het systeem van inkomensvoorzieningen
functioneert.
De minister
heeft echter een
systeemverantwoordelijkheid op alle
onderwerpen waarbij gemeenten in
medebewind zijn geroepen. Deze
systeemverantwoordelijkheid houdt in dat
de minister verantwoordelijk is voor de
wijze waarop gemeenten invulling geven
aan hun taken, zowel via bevoegdheden
als via de middelen. De
verantwoordelijkheid op centraal niveau
richt zich alleen op het wettelijk kader
en niet op de wijze waarop individuele
gemeenten hun taken uitvoeren. Dat
laatste is aan de colleges van
burgemeester en wethouders,
respectievelijk de gemeenteraad. Wanneer
blijkt dat het wettelijke systeem niet
goed werkt of niet meer toegesneden is
op de problemen van deze tijd, heeft de
rijksoverheid de verantwoordelijkheid
het systeem aan te passen. Een indicator
waaruit blijkt dat het wettelijk kader
niet goed in elkaar zit, kan
bijvoorbeeld het gezamenlijke
uitvoeringsresultaat van de decentrale
overheden zijn.
Om
deze verantwoordelijkheden waar te
kunnen maken, heeft de minister gedegen
informatie nodig. Zo zal de minister
moeten kunnen constateren of het totaal
van de gemeentelijke inspanningen en
resultaten beantwoordt aan de centraal
gestelde doelen. Het is noodzakelijk dat
de rblz.|10|
minister inzicht heeft in het
functioneren van het gehele stelsel.
Deze informatieverzameling en
beoordeling past bij het systeemgericht
toezicht. Daarom wordt in de Wet
SUWI de
taak van IWI met betrekking tot het
systeemgericht toezicht geëxpliciteerd.
7.
Informatiearrangement
Alle
in dit wetsvoorstel betrokken materiewetten
bevatten voor het college
de verplichting dat het desgevraagd en
kosteloos de Minister van SZW
de inlichtingen verstrekt die hij nodig
heeft voor het toezicht, de statistiek,
de informatievoorziening en de
beleidsvorming met betrekking tot de
specifieke wet. De aan gemeenten
opgelegde verplichting om
toezichtsinformatie te verschaffen, maakt
onderdeel uit van de specifieke
toezichtsarrangementen. Met het
onderhavige wetsvoorstel wordt geen
nieuwe informatieplicht aan gemeenten
opgelegd. Wel worden de bestaande
informatiearrangementen in de
onderscheidene specifieke wetten
aangepast aan het kabinetsstandpunt-Oosting. Kern hiervan is dat, met het
afschaffen van de specifieke
toezichtsarrangmenten, voor gemeenten de
verplichting vervalt om systematisch
toezichtsinformatie te verstrekken. In
de Gemeentewet
wordt een algemene
bepaling opgenomen over de systematische
informatieverstrekking in verband met
het generiek toezicht, die ook zou
kunnen worden toegepast door de Minister van SZW
ten aanzien van de uitvoering
van de gemeentelijke inkomens- en
werkvoorzieningen.
In
artikel 47, eerste lid, van de Wwik,
heeft de informatieverplichting niet
alleen betrekking op het college, maar
ook op de door de Minister van SZW
aangewezen adviserende instelling. De
instelling, de Stichting Kunstenaars,
Cultuur & Ondernemerschap [lees:
Stichting Kunstenaars & Cultuur en
Ondernemerschap, red.], toetst op
verzoek van gemeenten de
beroepsmatigheid van kunstenaars. SZW
vergoedt, op basis van de Regeling
financiële en administratieve
uitvoeringsvoorschriften Wwik [lees: Regeling
financiering en administratieve
uitvoeringsvoorschriften Wwik, red.], de door
de adviserende instelling gemaakte
uitvoeringskosten betreffende de
wettelijke taak Wwik. De vergoeding van
uitvoeringskosten vindt plaats op basis
van het aantal aan gemeenten
uitgebrachte
beroepsmatigheidsonderzoeken tegen een
integraal tarief. In termen van de Comptabiliteitswet
2001 behoort de
adviserende instelling tot de categorie
"rechtspersonen met een wettelijke
taak". De ministeriële
verantwoordelijkheid voor de uitvoering
van wettelijke taken door organisaties
buiten de rijksoverheid brengt met zich
mee dat de minister
toezicht dient te
houden op de uitvoering van die
wettelijke taak. Voor de organisaties
zelf betekent de uitvoering van publieke
taken met publiek geld dat zij zich
adequaat moeten verantwoorden. Eind 2007
is het "Toezichtsarrangement RWT
Stichting Kunstenaars & CO"
vastgesteld, waarvan ook de
informatieverplichting voor de
adviserende instelling onderdeel
uitmaakt. Deze bepaling wordt zodoende
in de Wwik gehandhaafd.
Het
schrappen van de verplichting voor gemeenten om desgevraagd en kosteloos
toezichtsinformatie te verstrekken aan
de Minister van SZW
laat onverlet dat de minister, met het oog op de afweging of
in een voorkomend geval aanleiding
bestaat tot interbestuurlijke
interventie, zich - bij voorkeur via
IWI - moet laten informeren over de
feitelijkheden van die specifieke
situatie. Met het oog hierop en mede ter
harmonisering met bepalingen in de Wet
SUWI en de Gemeentewet
wordt voorgesteld
om op basis van een eenduidige bepaling
in de Wwb, de
WIJ, de Ioaw, de
Ioaz, de Wwik
en de Wsw
de informatieplicht voor
gemeenten te regelen. Het inzagerecht
voor de Minister van SZW is geregeld
door wijziging van artikel 72 van de Wet
SUWI.
rblz.|11|
Voor
de integrale uitvoering van de Wwb
c.a.,
waaronder wordt begrepen het voldoen aan
de opgedragen informatieverplichting,
ontvangen gemeenten via het
gemeentefonds een uitkering.
8.
Heroriëntatie verantwoordelijkheid Minister van SZW
Het
laten vervallen van de specifieke
toezichtsarrangementen in het kader van
de Wwb, Ioaw,
Ioaz, Wwik
en de Wsw leidt
ertoe dat de Minister van SZW
niet
langer verantwoordelijk is voor de
systematische toezichtsuitoefening op de
uitvoering van genoemde wetten door gemeenten. Wel behoudt de
Minister van SZW de bevoegdheden om, in voorkomende
gevallen, het specifieke- en/of
generieke toezichtsintrumentarium in te
(doen) zetten.
In
het kader van de heroriëntatie op de
verantwoordelijkheid die de Minister van SZW
draagt voor de uitvoering van
voornoemde wetten is mede van belang dat
de Algemene Rekenkamer van oordeel is
dat de Comptabiliteitswet
2001 impliceert dat de minister
verantwoording moet afleggen over de
rechtmatige besteding van de ten laste
van de SZW-begroting aan gemeenten
verstrekte gelden voor het Wwb-inkomensdeel. Op 20 mei 2008 ¹ hebben de
bewindslieden van SZW de Tweede Kamer
niet alleen geïnformeerd dat de
Algemene Rekenkamer bij brief van 11
maart 2008 heeft bericht dat zij het met
SZW eens is dat de wijze waarop
IWI toezicht houdt op de rechtmatigheid van
de Wwb
aansluit bij de wettelijke eisen
van de Wwb
en bij de eisen van de
Comptabiliteitswet 2001, maar ook dat de
Algemene Rekenkamer haar blik vooruitwerpt met het oog op het
wetgevingstraject ter uitwerking van de
kabinetsreactie op het rapport "Van
specifiek naar generiek". De
bewindslieden van SZW hebben in hun
brief van 20 mei 2008 toegezegd dat de
vooruitblik van de Algemene Rekenkamer
over het rechtmatigheidstoezicht
betrokken zal worden bij de aanpassing
van de materiewetten naar aanleiding van
voornoemde kabinetsreactie. Tegen deze
achtergrond wordt de
verantwoordelijkheidsverdeling tussen de
minister en de colleges van burgemeester
en wethouders en de daarbij behorende
structurele informatieverstrekking
verduidelijkt.
1.
Kamerstukken 2007-2008, 26 448, nr. 366.
Met
de wijziging van artikel 69 van de
Wwb wordt het algemene karakter van de
gebundelde uitkering
inkomensvoorzieningen, hoewel verstrekt
in de vorm van een specifieke uitkering,
benadrukt. Hiermede wordt herbevestigd
¹ dat het aan de gemeente
verstrekte
budget Wwb-inkomensdeel een ongeoormerkt
karakter draagt. Het feit dat het vrij
besteedbare karakter hiervan feitelijk
vooral van betekenis wordt indien de
gemeente een begrotingsjaar afsluit met
een overschot, doet er niet aan af dat
het volledige budget vrij besteedbaar
is. De decentralisatie van de Wwb
in
beleidsmatig en financieel opzicht
alsmede de stimulans die van de
budgetbekostiging voor gemeenten uitgaat
om de wet goed uit te voeren, maken - zoals reeds vermeld in hoofdstuk
2
- dat de verantwoordelijkheid voor de
rechtmatige besteding van de gebundelde
uitkering inkomensvoorzieningen een
exclusieve gemeentelijke
verantwoordelijkheid is. Hieruit volgt
dat ook de verantwoording over de
rechtmatige besteding van de gebundelde
uitkering inkomensvoorzieningen
uitsluitend een lokale aangelegenheid
is. De Minister van SZW
is niet
verantwoordelijk voor de rechtmatige
besteding van de gebundelde uitkering
inkomensvoorzieningen door gemeenten.
Hij behoeft hierin dan ook geen inzicht
in te krijgen, zodat de gemeente zich
ter zake niet aan de Minister van SZW behoeft te verantwoorden. Dit leidt
ertoe dat het parlement ook geen inzicht
verkrijgt in de rechtmatige besteding
van de gebundelde uitkering
inkomensvoorzieningen door gemeenten,
ook niet via het jaarverslag van
IWI. In
artikel 77 Wwb
is daartoe de
verantwoordingsinformatie en het doel
daarvan in relatie tot de gebundelde
uitkeringen inkomensvoorzieningen zoals
het nu via de SISA-bijlage is rblz.|12|
ingevuld,
geregeld.
1.
Zie onder meer de oorspronkelijke
toelichting [lees: de toelichting,
red.] op de artikelen 69 en 71
van de Wwb, Kamerstukken II 2002-2003,
28 870, nr. 3, blz. 82.
Zoals
aangegeven in de brief van de Minister
van BZK van 31 augustus 2009
(Kamerstukken II 2008-2009, 31 700
VII, nr. 100) inzake het kader voor
decentralisatie en differentiatie heeft
het Rijk op alle onderwerpen waarbij gemeenten en
provincies in medebewind
zijn geroepen een
systeemverantwoordelijkheid. Dit houdt
in dat het Rijk verantwoordelijk is
voor:
- de wijze waarop gemeenten invulling
kunnen geven aan hun taken, zowel via
bevoegdheden als via de middelen. Het
Rijk richt zich alleen op het wettelijk
kader en niet op de wijze waarop
individuele gemeenten hun taken
uitvoeren; dat is aan de colleges van
burgemeester en wethouders;
- het aanpassen van het systeem wanneer
blijkt dat het wettelijke systeem niet
goed werkt of niet meer toegesneden is
op de problemen van deze tijd. Het
gezamenlijk uitvoeringsresultaat van
decentrale overheden kan een indicator
zijn waaruit blijkt dat het wettelijk
kader niet goed in elkaar zit;
- het toepassen van interbestuurlijke
toezichtinstrumenten indien de
medeoverheden in strijd met het recht of
het algemeen belang handelen.
De Wwb voldoet aan voornoemde punten.
De wet geeft gemeenten voldoende
bevoegdheden om tot een doeltreffende en
op de lokale omstandigheden afgestemde
uitvoering te komen. De jaarlijkse
vaststelling van het macrobudget voor de
gebundelde uitkering
inkomensvoorzieningen geschiedt op basis
van het uitgangspunt dat het budget als
geheel toereikend is om in de kosten van
de landelijk geraamde
bijstandsuitkeringen te voorzien. De
gekozen verdeelsystematiek (objectieve
maatstaven, historisch aandeel dan wel
een mix daarvan) zorgt ervoor dat iedere
gemeente die de Wwb
naar behoren
uitvoert ervan verzekerd is dat het
budget toereikend is om de
bijstandsuitkeringen te betalen én dat
gemeenten gestimuleerd worden tot een
effectieve en stipte uitvoering van de
wet.
De
beoordeling van de werking van het
systeem is, met inachtneming van de door
het Rijk te betrachten terughoudendheid
in haar relatie met medeoverheden, een
continu proces. Op basis van
beleidsinformatie,
verantwoordingsinformatie,
evaluatieonderzoeken en uitkomsten van
het systeemgericht toezicht op het
stelsel van werk en inkomen door
IWI
wordt beoordeeld of het systeem nog aan
de gestelde eisen voldoet dan wel dat
aanpassing vereist is.
In
situaties waarin tekortkomingen in de
uitvoering van de wet het lokale niveau
overstijgen en een direct gevolg kunnen
hebben voor de verantwoordelijkheid van
de Minister van SZW
voor het systeem van
werk en inkomen, beschikt de minister
over bevoegdheden voor de inzet van het
interbestuurlijk
toezichtsinstrumentarium. Primair zijn
dit de maatregelen die in de specifieke
wetten zijn opgenomen (aanwijzing en
eventueel een budgetverlaging), maar ook
de in de Gemeentewet
opgenomen generieke
maatregelen. Daarnaast beschikt de Minister van SZW
over bevoegdheden om
over te gaan tot financiële afrekening
van de geoormerkte geldstromen, zoals
het participatiebudget en de budgetten
in het kader van de Wsw. Zo kan de
Minister van SZW met betrekking tot deze
budgetten gelden van gemeenten
terugvorderen indien uit de
jaarverantwoording blijkt dat de
gemeente de gelden niet of niet
rechtmatig heeft besteed. Daarnaast
geldt, op grond van de Financiële-verhoudingswet, dat de
bevoorschotting van de algemene
uitkering van het gemeentefonds kan
worden opgeschort indien de gemeente
niet voldoet aan haar verplichtingen om
haar jaarverantwoording juist en tijdig
in te dienen. Bij brief van 17 maart
2009 ¹ heeft de Staatssecretaris van
Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties de Tweede Kamer
geïnformeerd over de wijze rblz.|13|
waarop deze
bevoegdheid vanaf 2009 zal worden
toegepast.
1.
Kamerstukken II, 31 327, nr. 10.
In
het kader van dit hoofdstuk is verder
van belang dat de Minister van
BZK in haar reeds
gememoreerde brief inzake het kader voor
decentralisatie en differentiatie heeft
aangegeven dat zowel het kabinet als het
parlement zich ervan bewust moeten zijn
dat het Rijk terughoudend moet zijn met
de inzet van hiërarchische
instrumenten. Wanneer gezamenlijk is
besloten een taak te decentraliseren,
vindt de verantwoording aan de
volksvertegenwoordiging primair plaats
in de gemeenteraad en provinciale staten.
9.
Adviezen
Op
grond van artikel 96 van de Comptabiliteitswet
2001 is het College
van de Algemene Rekenkamer verzocht haar
opvatting kenbaar te maken omtrent het
onderhavige wetsvoorstel. In haar
reactie van 13 april 2010 stelt het
college dat de gevolgen van het
wetsvoorstel voor de ministeriële
verantwoordelijkheid en het toezicht op
de rechtmatige besteding van het inkomensdeel van de Wwb
niet adequaat
geregeld zijn. Het college komt tot dit
oordeel op grond van haar opvatting dat
het budget voor de gebundelde uitkering
inkomensvoorzieningen een geoormerkt
karakter heeft. Zij licht toe dat zij
tot deze opvatting komt om de volgende
redenen:
•
uit het voorgestelde eerste lid van
artikel 69 Wwb
blijkt dat het budget
bestemd is voor de bekostiging van
inkomensvoorzieningen;
•
het budget is geplaatst op artikel 46
van de SZW-begroting en moet derhalve
worden besteed aan "inkomensbescherming
met activering";
•
het budget wordt verstrekt in de vorm
van een specifieke uitkering.
Het
college is van oordeel dat het
geoormerkte karakter van het budget voor
de gebundelde uitkering
inkomensvoorzieningen met zich brengt
dat de minister
verantwoordelijk is voor
de besteding van genoemd budget door gemeenten en dat deze
verantwoordelijkheid niet wordt
weggenomen door de bepaling dat het
college van burgemeester en wethouders
verantwoordelijk is voor een rechtmatige
uitvoering van de wet.
Het
kabinet deelt de opvatting van het
College van de Algemene Rekenkamer niet.
Bij de invoering van de Wwb
is het Wwb
inkomensdeel (thans de gebundelde
uitkering inkomensvoorzieningen)
geïntroduceerd als een ongeoormerkt
budget. In de parlementaire behandeling
is dit expliciet aan de orde geweest. Zo
is in de memorie van toelichting vermeld
dat het inkomensdeel het ongemerkte
budget is dat de gemeente
kan gebruiken
ter financiering van de gemeentelijke
bijstandsuitgaven.¹ Met betrekking tot
het Wwb-inkomensdeel heeft het kabinet
gekozen voor een mengvorm, waarbij een
specifieke uitkering met een algemeen
karakter wordt verstrekt. Dit vormt de
essentie van de prikkelwerking en het
succes van de Wwb. Om extra te
onderstrepen dat de Minister van SZW
niet verantwoordelijk is voor de
rechtmatige besteding van de gebundelde
uitkering inkomensvoorzieningen door
gemeenten, wordt in artikel 77
Wwb opgenomen dat de informatieverstrekking
door de gemeente met betrekking tot
artikel 69 Wwb
geschiedt ten behoeve van
de vaststelling en de verdeling van het
budget en dat de accountantsverklaring
daaromtrent slechts aangeeft dat de
verantwoorde uitgaven een getrouw beeld
geven van de omvang daarvan. In de
artikelsgewijze toelichting wordt
aangegeven dat de minister
geen
informatie behoeft over de rechtmatige
besteding door de gemeente. In de
formulering van artikel 69
Wwb kan geen
aanleiding gevonden worden om te
concluderen dat sprake is van een
geoormerkt budget. Deze formulering is
immers analoog aan de formulering van de
diverse decentralisatie-uitkeringen.
Van
een vervaging van de financiële
verhoudingen tussen het Rijk en de
gemeenten, zoals het College van de
Algemene Rekenkamer veronderstelt, is
naar het oordeel van het kabinet geen
sprake. De betekenis van de rblz.|14|
gebundelde
uitkering inkomensvoorzieningen is zowel
voor gemeenten als het Rijk helder.
De
Algemene Rekenkamer geeft voorts aan dat
in ieder geval expliciet in de Wwb
geregeld dient te worden dat geen
toezicht op de besteding van het budget
wordt gehouden. Dat de minister geen
systematisch toezicht meer uitoefent, is
de kern van dit
wetsvoorstel. De
bepalingen over het toezicht door
IWI komen immers met dit wetsvoorstel te
vervallen.
1.
Kamerstukken
II, 28 870, nr. 3, blz. 82.
Bij
brief van 2 juni 2010, gericht aan de Minister van
BZK, heeft de voorzitter
van de directieraad van de VNG onder
meer gereageerd op onderhavig
wetsvoorstel. De VNG reageert op artikel
76 Wwb en op de informatiearrangementen.
Met betrekking tot de
aanwijzingsbevoegdheid als bedoeld in
artikel 76 Wwb, en de mogelijk
financiële consequenties indien een gemeente
geen of onvoldoende gevolg
heeft gegeven aan de aanwijzing, vraagt
de VNG zich af wie controleert of dit
wel met name preventief wordt ingezet.
Het kabinet merkt op dat de procedure
met betrekking tot de aanwijzing erin
voorziet dat het college van
burgemeester en wethouders gedurende
acht weken de gelegenheid heeft zijn
zienswijze naar voren te brengen, waarna
de minister
beslist of hij overgaat tot
het geven van de aanwijzing. Het besluit
van de minister staat open voor bezwaar
en beroep, waarmee de rechtbescherming
voor de gemeente adequaat is geregeld.
Dit geldt ook voor het besluit om het
gemeentelijk budget te verlagen omdat de
gemeente geen of onvoldoende gevolg
heeft gegeven aan de aanwijzing. Met
betrekking tot de
informatiearrangementen merkt de VNG op
dat nergens duidelijk wordt gemaakt hoe
het schrappen van de bepaling over het
verstrekken van toezichtsinformatie zich
verhoudt tot de statistische regelingen,
zoals de bijstandsuitkeringsstatistiek
(BUS) en de statistiek re-integratie
gemeenten (SRG). De VNG acht het
wenselijk om met het afschaffen van de
specifieke toezichtsbepalingen ook de
benodigde informatiearrangementen af te
schaffen. Naar het oordeel van het
kabinet heeft het schrappen van het
toezichtsarrangement, waaronder de
bepalingen dat het college en de
gemeenteraad desgevraagd aan de Minister van SZW
inlichtingen verstrekken die hij
nodig heeft voor het toezicht, geen
gevolgen voor de BUS en de SRG. Via
beide statistieken wordt immers geen
toezichtsinformatie ingewonnen. De
informatiebepalingen die opgenomen
blijven in de verschillende wetten
blijven de grondslag vormen voor de
genoemde statistiekregelingen.
Artikelsgewijs
Artikel
I. Wijziging van de Wwb
Onderdeel
A
In het huidige artikel
7, zoals dit
geldt sinds de inwerkingtreding van de Wwb, is geregeld dat het college van
burgemeester en wethouders
verantwoordelijk is voor het
ondersteunen van personen die algemene
bijstand ontvangen, van personen met een
uitkering op grond van de Algemene
nabestaandenwet (Anw) en
niet-uitkeringsgerechtigden, bij het
verkrijgen van algemeen geaccepteerde
arbeid én voor het verlenen van
bijstand. Als gevolg van de invoering
van de methodiek van single information
& single audit (artikel 17a van de
Financiële-verhoudingswet) en de
afschaffing van de specifieke
toezichtsarrangementen in dit
wetsvoorstel is het wenselijk
duidelijkheid te verschaffen over de
verantwoordelijkheidsverdeling ten
aanzien van een rechtmatige uitvoering
van de aan het college in de Wwb opgedragen taken. Met de aanpassing van
artikel 7 wordt de medebewindstaak
aangeduid, zonder dat er sprake is van
een verantwoordelijkheidsverdeling,
omdat daar in rblz.|15|
feite geen sprake van is.
Duidelijk is dan dat het college van
burgemeester en wethouders
verantwoordelijk is voor de rechtmatige
wetsuitvoering. De rechtmatige
wetsuitvoering bestaat uit het samenstel
van de lokale regelgeving en de
landelijke regelgeving. Hiertoe behoort
ook de rechtmatige besteding van het
door de Minister van SZW
beschikbaar
gestelde budget voor de
inkomensvoorzieningen (de uitkering
geregeld in artikel 69 van de
Wwb). In
de hoofdstukken 2 en 8 van het algemene
deel van deze memorie van toelichting is
hierop al nader ingegaan.
Onderdeel
B
Met
deze wijziging is een onjuiste
verwijzing naar artikel
30c van de Wet
SUWI gecorrigeerd. Dit artikel 41
betreft het doen van de aanvraag voor
een bijstandsuitkering bij het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
Onderdeel
C
De
redactie van artikel 69 is zodanig
aangepast dat daarmee, meer dan thans
het geval is, wordt aangegeven dat de
gebundelde uitkering
inkomensvoorzieningen een ongeoormerkt
budget betreft. De gebundelde uitkering
inkomensvoorzieningen betreft een
ongeoormerkt budget, dat ten laste komt
van de begroting van de Minister van SZW. Aan de
Minister van SZW behoeft
niet verantwoord te worden dat de
middelen ook daadwerkelijk besteed zijn
aan het verstrekken van
inkomensvoorzieningen. Deze aard van het
budget brengt met zich dat het college
zich, conform de brief van de Minister
van BZK over decentralisatie en
differentiatie, alleen tegenover de
gemeenteraad behoeft te verantwoorden
over de rechtmatige besteding ervan. Met
betrekking tot de besteding van de
middelen voor de
re-integratievoorzieningen, waarnaar in
artikel 7, eerste lid, onderdeel a,
wordt verwezen, die aan gemeenten
beschikbaar worden gesteld via de Wet
participatiebudget (het vijfde lid),
geldt een andere situatie. Ofschoon deze
middelen ruim mogen worden ingezet, zijn
het geoormerkte gelden. Zo mogen
burgemeester en wethouders de middelen
niet inzetten voor uitvoeringskosten,
dat wil zeggen de kosten die de gemeente
maakt bij de reguliere uitvoering van de
bij wet opgedragen taken, en ze ook niet
aanwenden om tekorten op de gebundelde
uitkering inkomensvoorzieningen aan te
zuiveren. De verantwoordelijkheid van
het college voor een rechtmatige
uitvoering van de voorzieningen voor
bijstandsgerechtigden en andere in
artikel 7 genoemde personen laat
onverlet dat het college op grond van de
Wet participatiebudget jaarlijks
verantwoording aan het Rijk dient af te
leggen over de besteding van het
participatiebudget aan re-integratie-,
inburgerings- en educatievoorzieningen.
In hoofdstuk 3 van het algemene deel
van deze memorie van toelichting is
hierop al nader ingegaan.
Over
de omvang van het totale budget voor de
uitkering op grond van artikel 69 is
alleen bepaald in het tweede lid dat het
totale voor de gemeenten beschikbare
bedrag toereikend is voor de kosten van
alle gemeenten om te voorzien in de
inkomensvoorzieningen (algemene bijstand
en de andere uitkeringen, die genoemd
worden in het eerste lid) op
minimumniveau. De informatie die de
colleges jaarlijks aanleveren op grond
van artikel 77 van de
Wwb dient voor de
verdeling van het macrobudget. De regels
daartoe zijn opgenomen in het Besluit
Wwb 2007.
In
het vijfde lid wordt bepaald dat
middelen voor de
re-integratievoorzieningen worden
verstrekt via het participatiebudget,
waarbij de Wet
participatiebudget van
toepassing is. Daaraan zijn toegevoegd
de voorzieningen op grond van de WIJ,
die ook ten laste van het
participatiebudget rblz.|16|
komen. Dit was na de
inwerkingtreding van de WIJ nog niet in
artikel 69 opgenomen en wordt hiermee
gecorrigeerd.
Onderdeel
D
Artikel
71 is aangepast aan de wijziging van
artikel 69. Het derde lid kan vervallen,
omdat in het Besluit
Wwb 2007 al
voorzien is in een nadere uitwerking van
hetgeen hier geregeld wordt over de
aanpassing van de verdeling van het
macrobudget.
Onderdelen
E en J
Als
uitvloeisel van de kabinetsreactie op
het rapport "Van specifiek naar
generiek" van de Commissie Doorlichting
Interbestuurlijke Toezichtarrangementen
vervalt de opdracht voor de Minister van SZW
om toezicht te houden op rechtmatige
wetsuitvoering door het college en op de
doeltreffendheid van de wet. Daarmee
vervalt ook de bepaling dat dit
toezicht, onder gezag van de minister,
wordt uitgeoefend door
IWI. Het
gewijzigde artikel 76 bevat derhalve
alleen nog bepalingen omtrent de
aanwijzing die de Minister van SZW een
college kan geven in geval van een
ernstige tekortkoming in de uitvoering
van de Wwb. Ter bevordering van de
transparantie van de wetgeving zijn de
mogelijke consequenties van het niet of
onvoldoende gevolg geven aan een
aanwijzing - thans nog apart geregeld - aan artikel 76 toegevoegd. Hierdoor
kan artikel 72 vervallen. Omdat de
gevolgen van het niet nakomen van de
aanwijzing de uitkering op grond van
artikel 69 betreft die ook bestemd is
voor de inkomensvoorzieningen op grond
van Ioaw,
Ioaz en Wwik
en de uitkering
op grond van de WIJ,
wordt in het derde lid ook
verwezen naar de aanwijzing die op grond
van die wetten kan worden gegeven.
Met
het schrappen van het huidige tweede lid
van artikel
76 vervalt ook de
wettelijke taak van
IWI bij de
beoordeling van de aanvragen voor de
incidentele aanvullende uitkering Wwb.
De taak van de inspectie was gebaseerd
op de kennis die zij uit hoofde van haar
toezichtstaak van de uitvoering had.
Omdat voor de eventuele verdere
inschakeling van IWI gebruik kan worden
gemaakt van artikel 39 van de
Wet SUWI,
behoeft geen aanvullende wettelijke
voorziening getroffen te worden.
Onderdeel
F
In
Nederland bestaan verschillende
toetsingscommissies, zoals de
toetsingscommissie ex artikel 9.15 CAO
Nederlandse Universiteiten, de
Medisch-ethische Toetsingscommissie
Instellingen en de toetsingscommissie
Ethiek van het Instituut Pedagogische
Wetenschappen. Op praktische gronden
hanteert de in artikel 73 van de
Wwb bedoelde "toetsingscommissie" reeds
enige tijd de naam "toetsingscommissie
Wet werk en bijstand". Met de
aanpassing van artikel 73 wordt deze
naamswijziging geformaliseerd.
Voorts
is het artikel geherformuleerd, zodat de
taak van de toetsingscommissie in het
eerste lid is opgenomen en het tweede
lid de delegatiegrondslag bevat. De
inhoud van de nadere regels die reeds
opgenomen zijn in het Besluit
Wwb 2007 komt in de formulering van de
delegatiebepaling tot uitdrukking.
Onderdelen
G en H
Artikel 74, eerste lid, is aangepast aan de
wijziging van artikel
69. Er wordt
verduidelijkt voor welke soort extra
lasten een aanvullende uitkering zou
kunnen worden verleend.
rblz.|17|
Met
de Verzamelwet
SZW-wetgeving 2009 (Stb.
2009, 318) is in de Wwb
een nieuw
artikel 74a opgenomen, dat een aantal
bepalingen bevat voor het besluit op de
aanvraag voor een meerjarige aanvullende
uitkering. Deze bepalingen zijn
gedeeltelijk overbodig met de wijziging
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De overige bepalingen zijn aan artikel
74 toegevoegd (het vierde en vijfde
lid). De delegatiebepaling in het zesde
lid sluit beter aan bij de bepalingen
die reeds in het Besluit
Wwb 2007 over
met name de meerjarige aanvullende
uitkering zijn opgenomen. Hiermee zijn
geen inhoudelijke wijzigingen beoogd.
Onderdeel
I
De paragraafaanduiding is aangepast aan de
gewijzigde inhoud van paragraaf
7.2. Het
onderwerp is beperkter dan toezicht,
omdat het toezicht van
IWI is geschrapt,
en voorts breder omdat in de paragraaf
inmiddels een artikel 76a
is opgenomen
dat de aanwijzing van toezichthoudende
ambtenaren regelt. Dit betreft het
toezicht op de naleving van de Wwb
door
de belanghebbenden in de zin van deze
wet [lees: die
wet, red.].
Onderdelen
K en L
Artikel
77 en artikel 78 bevatten regels voor
het verstrekken van informatie door de
colleges.
In
het bestaande eerste lid van artikel 77
is vastgelegd dat het college
verantwoording aflegt aan de Minister van SZW
over de uitvoering van deze wet [lees:
de Wwb, red.].
Met de invoering van de verantwoording
via de SISA-sytematiek is
verantwoordingsplicht ingeperkt. Zo is
verantwoordingsinformatie gedefinieerd
als de informatie per specifieke
uitkering die voor het departement
noodzakelijk is voor het afleggen van
verantwoording in zijn jaarverslag.
Blijkens de brief van de Minister van
BZK van 22 november 2005 alsmede de
toelichting op de wijziging van het Besluit
financiële verhouding 2001 (Stb. 2006, 328) wordt de benodigde
verantwoordingsinformatie daarmee
beperkt tot de informatie die
noodzakelijk is voor een goed beheer van
specifieke uitkeringen op rijksniveau
en de verantwoording daarover. Verder is
de betekenis van "de uitvoering van
deze wet" beperkt tot de verantwoording
van de bestedingen op titel van deze wet
[lees: de Wwb, red.].
Sinds
1 januari 2010 hebben de bestedingen
voornamelijk betrekking op de gebundelde
uitkering inkomensvoorzieningen, maar
ook op het bekostigingsdeel van het Bbz
2004 dat niet in voornoemde gebundelde
uitkering is opgenomen.
Met
betrekking tot de gebundelde uitkering
inkomensvoorzieningen heeft de
informatievoorziening alleen betekenis
voor de verdeling van het macrobudget
onder/over gemeenten en de vaststelling
van de jaarbudgetten per individuele
gemeente. Voor een goed beheer van de Wwb
is het niet vereist dat het college
zich daarbij tevens verantwoordt over de
rechtmatigheid van de bestedingen. Dit
is wel het geval voor het
bekostigingsdeel van het Bbz
2004 dat
niet in voornoemde gebundelde uitkering
is opgenomen.
Daarnaast
verstrekt het college gegevens die SZW
nodig heeft voor de raming van het
macrobudget van de gebundelde uitkering
inkomensvoorzieningen, de
ontvangstenramingen participatiebudget
én de mutaties in de uitgaven- en
ontvangstenramingen van de
declaratieregeling Bbz
2004. Deze
gegevens zijn van belang voor zowel de beleidsbrief als de
Voorjaarsnota. Deze
informatieverstrekking geschiedt, voor
zover deze geen betrekking heeft op het
participatiebudget, via het beeld van de
uitvoering als bedoeld in het tweede lid
van artikel
77.
rblz.|18|
Door
expliciet aan te geven met welk doel de
gegevens via de SISA-systematiek worden
aangeleverd, naast de wijziging van
artikel 78, waarin als doel voor de
systematische gegevensaanlevering niet
meer toezicht wordt genoemd, wordt
duidelijk dat de minister
op grond van
de Wwb geen informatie behoeft om over
de rechtmatige besteding verantwoording
te krijgen. In hoofdstuk 8 van de
algemene toelichting is dit nader
verduidelijkt.
Voorts
wordt conform de huidige aanwijzingen
aangegeven dat de gemeentelijke
accountantsverklaring alleen aangeeft
dat op basis van de controle is
vastgesteld dat de verantwoorde
uitgaven een getrouw beeld geven.
Daarmee wordt duidelijk dat deze
informatie geen betrekking heeft op de
rechtmatige besteding van de uitkering
op grond van artikel 69
Wwb.
Artikel
78 betreft de verplichting informatie te
verstrekken die vooral
beleidsinformatie betreft. De specifieke
bepaling over het verstrekken van
informatie aan
IWI die in artikel
76,
tweede lid, was opgenomen door het van
overeenkomstige toepassing verklaren van
artikel 42 van de Wet
SUWI is komen te
vervallen. De minister
blijft
verantwoordelijk voor de resultaten van
het met de Wwb
beoogde beleid. Om over
die taak verantwoording te kunnen
afleggen, dienen vooral gegevens en
inlichtingen te worden verschaft. Voor
de wijze waarop deze informatie wordt
aangeleverd en de soort gegevens
die het betreft, kunnen bij ministeriële
regeling regels worden gesteld. Dit
betreft overigens de bestaande regeling.
De wijze waarop de structurele
(toezicht) informatieverstrekking
plaatsvindt, wordt nader geregeld bij
algemene maatregel van bestuur op grond
van artikel 124h van de Gemeentewet. Dit
wordt afgestemd op het
informatiearrangement dat tussen het
Rijk en de gemeenten in ontwikkeling is.
Onderdeel
M
Artikel 78f
is de grondslag voor het Bbz
2004.
Vanwege de gedeeltelijk afwijkende
financieringssystematiek, die hiervoor
bij artikel 77 is uiteengezet, is
artikel 69 niet voor alle
Bbz-uitkeringen van toepassing. Daarom
is met deze wijziging artikel 69
toegevoegd aan de bepalingen waarvan in
het Bbz-2004 kan worden afgeweken.
Artikel
II. Wijziging van de Wet SUWI
Onderdeel
A
Artikel
37 is geherformuleerd, doordat
onderdelen vervallen. Door de taken van
IWI in verschillende leden op te nemen,
komt het verschillende karakter van die
taken beter tot uitdrukking.
De
wijziging van artikel 37
Wet SUWI
betreft het schrappen van onderdeel b,
dat over het toezicht op de
rechtmatigheid van de uitvoering van de
gemeentelijke inkomensvoorzieningswetten
en de Wsw gaat. De achtergrond van deze
wijziging is reeds uitgebreid toegelicht
in het algemene deel van deze memorie
van toelichting (zie hoofdstuk
6).
Het
derde lid is aan artikel 37 toegevoegd
in verband met het vervallen van het
toezicht op de doeltreffendheid van de
genoemde wetten die door de colleges van
burgemeester en wethouders worden
uitgevoerd. Daarmee is de taak van IWI
in het kader van het systeemgerichte
toezicht niet duidelijk meer. Het
toegevoegde lid biedt daarvoor een
kapstok.
Op
dit moment vindt namelijk een deel van
de daarvoor noodzakelijke
informatieverzameling en
oordeelsvorming, in het bijzonder met
betrekking tot het functioneren en de
prestaties van de uitvoering, nog plaats
in het kader van het
doeltreffendheidstoezicht op grond van
de Wwb etc.
rblz.|19|
Met
het schrappen van de taak van
IWI met
betrekking van dit toezicht is niet meer
aan IWI opgedragen informatie te
verzamelen over de werking van het
stelsel van werk en inkomen en in dat
verband de realisatie van de
doelstellingen op landelijk niveau.
Om
daarin wel te voorzien is in het artikel
over de taak van
IWI in de Wet
SUWI een
artikellid toegevoegd op grond waarvan
IWI een taak heeft om de minister
daartoe het noodzakelijke inzicht te
bieden, naast de inzichten die de
minister voor dit doel verkrijgt op
basis van beleidsinformatie,
verantwoordingsinformatie en
evaluatieonderzoeken. In dit derde lid
wordt met betrekking tot artikel 37
Wet SUWI voorgesteld dat IWI toezicht
uitoefent op de wijze waarop de
gezamenlijke colleges van burgemeester
en wethouders bijdragen aan het behalen
van de doelen op het terrein van werk en
inkomen. In de voorgestelde bepaling
wordt de sociale werkvoorziening
expliciet genoemd om zonder meer
duidelijk te maken dat ook ten aanzien
van dat beleidsterrein systeemgericht
toezicht mogelijk is.
Door
dit als taak op te nemen, krijgen deze
activiteiten van IWI een plaats in de
onafhankelijke planning en rapportage
die op grond van de Wet SUWI voor IWI
geldt. In het kader van deze toezichtstaak worden geen oordelen
gegeven over individuele gemeenten.
Evenmin is het de bedoeling dat via
periodiek onderzoek het functioneren van
de decentrale controle door
gemeenteraden in beeld wordt gebracht.
Onderdeel
B
Artikel 39, dat de andere taken en werkzaamheden
van
IWI betreft dan welke direct uit
artikel 37 voortvloeien, is aangepast.
Het
huidige artikel 39
Wet SUWI regelt ten
eerste de bevoegdheid van IWI om met
betrekking tot haar wettelijke taken
andere of aanvullende werkzaamheden dan
die zijn opgenomen in het jaarplan te
verrichten, nadat daarover met de minister
is overlegd. Er dient daarbij
overeenstemming te worden bereikt;
indien die niet bereikt wordt, worden de
Tweede en Eerste Kamer geïnformeerd.
Ten tweede regelt het artikel dat indien
de minister IWI andere dan de in de Wet
SUWI genoemde of in het jaarplan
opgenomen taken wil opdragen, hij van
dit voornemen kennis geeft aan de Tweede
en Eerste Kamer. In het voorgestelde
artikel 39 wordt daaraan nog toegevoegd
in het tweede lid dat de minister IWI
met andere dan uit artikel 37
voortvloeiende taken of in het jaarplan
(en daarmee met de minister
overeengekomen taken; zie artikel 38 van
de Wet SUWI) opgenomen taken kan
belasten. Daarbij is gehandhaafd dat de
Tweede en Eerste Kamer in kennis worden
gesteld over die niet uit het jaarplan
of de wet blijkende taken en voorts
indien blijkt dat er geen
overeenstemming is bereikt over
wettelijke en aanvullende taken. Deze
betrokkenheid van de Tweede en Eerste
Kamer vloeit voort uit de rol die beide
kamers der Staten-Generaal hebben ten
aanzien van de planning en
verslaglegging en rapportage over de
toezichtswerkzaamheden, zoals geregeld
in artikel 38 van de
Wet SUWI.
Onderdelen
C, D en
E
Door
de wijziging van artikel 41 wordt de
toezichtbaarheidstoets beperkt tot de
beleidsvoornemens en wettelijke
voorschriften die de taken van de RWI,
het UWV en de
SVB betreffen. Dit vloeit
voort uit de wijziging van de taak van
IWI in artikel
37.
Artikel
42 regelt de gegevensverstrekking aan en
de inzage in bescheiden door IWI. Het
gaat om de gegevens die noodzakelijk
zijn voor de uitoefening van de taak van
IWI. Ten opzichte van de colleges van
B&W heeft IWI nog een taak voor
zover het betreft het systeemgericht
toezicht. Omdat de bepalingen over
gegevensverstrekking aan IWI in de Wwb
en rblz.|20|
de andere wetten zijn komen te
vervallen, dienen hier de colleges van
B&W te worden toegevoegd.
In
artikel 1, onderdeel m, van de
Wet SUWI is alleen de functionaliteit
Inlichtingenbureau genoemd en wordt
daarvoor door de minister
een
rechtspersoon aangewezen, en voorts is
de Stichting Inlichtingenbureau bewerker
bij de gegevensverwerking. Er is daarom
geen sprake meer van een taak die
opgedragen is aan het Inlichtingenbureau
op grond van de Wet
SUWI. Om die reden
dient het Inlichtingenbureau niet meer
genoemd te worden als onderwerp van
toezicht van IWI.
Onderdelen
F en G
In
artikel 72 zijn de colleges van B&W
toegevoegd, omdat voor hen een algemene
informatieverplichting geldt van
gegevens die de minister
voor zijn taak
nodig heeft. Met de toevoeging in
artikel 72 wordt ook duidelijk dat
daarbij ook hoort de toegang en het
inzage geven in bescheiden. Betreft het
de gegevensverstrekking aan
IWI, dan
voorziet artikel 42 overigens in de
inlichtingenverplichting en vordering
van inzage. Aan de regeling hiervan doet
niet af dat de minister op grond van
artikel 124e van de Gemeentewet
(zoals
opgenomen in het voorstel van Wet revitalisering generiek
toezicht)
ambtenaren kan aanwijzen die de
bevoegdheden tot het vorderen van
inlichtingen en inzage in bescheiden ook
hebben zoals ze in de Algemene wet
bestuursrecht aan toezichthouders zijn
toegekend. In verband hiermee dient ook
artikel 77, dat de grondslag biedt voor
nadere regels, hiervoor te worden
aangepast.
Artikelen
III tot en met VII
Dit
betreft wijzigingen in de Wsw,
Ioaw, Ioaz,
WIJ en Wwik, die in het
algemeen
deel van deze toelichting reeds zijn
toegelicht. De aanwijzingsbevoegdheid en
de bepalingen over het verstrekken van
informatie zijn daarbij op dezelfde
wijze geformuleerd als in de Wwb.
Artikel
VIII
De
inwerkingtredingsbepaling is vastgesteld
op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip omdat daarmee de
inwerkingtreding van deze wet kan worden
afgestemd op die van de Wet
revitalisering generiek toezicht,
vanwege de samenhang met het onderwerp
van dat
wetsvoorstel.
De
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
|